[Inhoud]XXXII.Eene wetenschappelijke opiumkit.„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en.…”De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter …”„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”De Pool bloosde tot achter zijn ooren.„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan.…”„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van Beneden.„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon.[134]„Een echte sfinx, die mij te pakken had.”„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”„En?” vroegen allen.„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato.…” wilde Van Beneden vragen.De Pool liet hem daartoe geen tijd.„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.„Uwe overplaatsing?”„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”„Maar, waarheen?”„Naar Gombong.”„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.”„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn.„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.”„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort.„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.„Dus niet over zee?”„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.”„Te Gombong?” vroeg Murowsky.[135]„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw AnnavanGulpendam wel?”„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?”„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen vriend medegenomen.”„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende.„Vindt ge?” vroeg Grashuis.„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel KarelvanNerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:experientia optima rerum magistra(de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had.Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder deze is het product geheel waardeloos.”„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.„Als ik maar nietmeêbehoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.”„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.„Waarom gij eerder dan een ander?”„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.”[136]„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.”„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne missen.”„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”„Welaan dan, ik ben gereed.”„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.„Ik ook nog niet,” voegde EduardvanRheijn er bij.De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje op.„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.„Vijf en twintig mata’s!”„Mata’s?1… Oogen?” vroeg de Pool.Allen barstten in lachen uit.„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat …”„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging de Pool voort:„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.„Uitkleeden?” vroeg deze.„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen zien.”Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een[137]oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue vanNederlandsch-Indië.De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden.„Waartoe al die poespas?” mompelde AugustvanBeneden Leendert Grashuis in het oor.„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?”was de vraag van Grenits.„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.”Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op.„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.… Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”„Om half een, de gewone rijsttafel.”„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek.„Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?”„Niets, als een enkel glas pale ale.”De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.EduardvanRheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes te kunnen rollen. Dat ging[138]onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met genoegen onderricht gegeven.„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen2?”Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht.„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.”„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de pijpenkop met „tahi madat”3aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.”Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende het hoofd op een niet te zacht kussen.„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.”[139]„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de schuivers had zien doen.„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5.„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.”„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.”Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem een poos binnen te[140]houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen.Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur normaal.Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.”Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte neiging tot slapen ondervond.Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven.[141]„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam.„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer rooken!”Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden.DokterMurowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel deconjunctiva(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de oogen zelven gesloten waren.Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen opende[142]was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij:„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden heb!”Terwijl dedokteropteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij:„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!… Zoo moet de proef mislukken!”Een oogenblik daarna riep hij uit:„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?”„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3°toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor de wetenschap.”Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest dierlijken wellust getuigden.Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende.[143]Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak uitgestrekt lag op diens borst.„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen.„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!”Maar de Pool had daar geen ooren naar.„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!”Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade.Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was wanhopig, dat depatiëntzoo weinig sprak.„Grenits! Grenits!” riep hij,„hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij denpatiënttegen den neus knipte.Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.„Hoort ge mij?… Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld.Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”Hij boog zich nog verder over denpatiënt, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor tegen den neus te knippen.[144]„Wat ik gevoel.…” bromde deze.… „wat ik gevoel … O! het is nog heerlijker dan.….……”4„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde komen!”Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!”„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot 38,6. Depatiëntwas zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.„De pijp?… Waar is de pijp?.… Van Rheijn, waar is[145]de pijp!”schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen.Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4°bedroeg.„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.”De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug en copieus genoeg laten bedienen.Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe te zenden.De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld werd.„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor[146]den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlogà outranceaan de opium!”[147]1Matabeteekent eigenlijk oog.↑2De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.↑3Tahi madat.Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 1op bladz. 78 van het eerste deel.↑4O, het is nog heerlijker dan.…Het restant van den volzin is te vinden op den 20stenregel van bladz. 246 van deel XXXV vanhet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von MicluchoMaclaygevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von MicluchoMaclayhad bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.↑
[Inhoud]XXXII.Eene wetenschappelijke opiumkit.„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en.…”De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter …”„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”De Pool bloosde tot achter zijn ooren.„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan.…”„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van Beneden.„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon.[134]„Een echte sfinx, die mij te pakken had.”„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”„En?” vroegen allen.„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato.…” wilde Van Beneden vragen.De Pool liet hem daartoe geen tijd.„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.„Uwe overplaatsing?”„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”„Maar, waarheen?”„Naar Gombong.”„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.”„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn.„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.”„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort.„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.„Dus niet over zee?”„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.”„Te Gombong?” vroeg Murowsky.[135]„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw AnnavanGulpendam wel?”„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?”„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen vriend medegenomen.”„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende.„Vindt ge?” vroeg Grashuis.„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel KarelvanNerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:experientia optima rerum magistra(de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had.Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder deze is het product geheel waardeloos.”„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.„Als ik maar nietmeêbehoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.”„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.„Waarom gij eerder dan een ander?”„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.”[136]„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.”„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne missen.”„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”„Welaan dan, ik ben gereed.”„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.„Ik ook nog niet,” voegde EduardvanRheijn er bij.De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje op.„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.„Vijf en twintig mata’s!”„Mata’s?1… Oogen?” vroeg de Pool.Allen barstten in lachen uit.„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat …”„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging de Pool voort:„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.„Uitkleeden?” vroeg deze.„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen zien.”Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een[137]oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue vanNederlandsch-Indië.De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden.„Waartoe al die poespas?” mompelde AugustvanBeneden Leendert Grashuis in het oor.„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?”was de vraag van Grenits.„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.”Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op.„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.… Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”„Om half een, de gewone rijsttafel.”„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek.„Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?”„Niets, als een enkel glas pale ale.”De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.EduardvanRheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes te kunnen rollen. Dat ging[138]onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met genoegen onderricht gegeven.„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen2?”Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht.„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.”„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de pijpenkop met „tahi madat”3aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.”Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende het hoofd op een niet te zacht kussen.„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.”[139]„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de schuivers had zien doen.„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5.„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.”„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.”Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem een poos binnen te[140]houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen.Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur normaal.Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.”Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte neiging tot slapen ondervond.Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven.[141]„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam.„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer rooken!”Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden.DokterMurowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel deconjunctiva(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de oogen zelven gesloten waren.Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen opende[142]was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij:„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden heb!”Terwijl dedokteropteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij:„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!… Zoo moet de proef mislukken!”Een oogenblik daarna riep hij uit:„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?”„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3°toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor de wetenschap.”Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest dierlijken wellust getuigden.Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende.[143]Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak uitgestrekt lag op diens borst.„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen.„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!”Maar de Pool had daar geen ooren naar.„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!”Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade.Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was wanhopig, dat depatiëntzoo weinig sprak.„Grenits! Grenits!” riep hij,„hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij denpatiënttegen den neus knipte.Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.„Hoort ge mij?… Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld.Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”Hij boog zich nog verder over denpatiënt, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor tegen den neus te knippen.[144]„Wat ik gevoel.…” bromde deze.… „wat ik gevoel … O! het is nog heerlijker dan.….……”4„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde komen!”Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!”„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot 38,6. Depatiëntwas zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.„De pijp?… Waar is de pijp?.… Van Rheijn, waar is[145]de pijp!”schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen.Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4°bedroeg.„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.”De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug en copieus genoeg laten bedienen.Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe te zenden.De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld werd.„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor[146]den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlogà outranceaan de opium!”[147]1Matabeteekent eigenlijk oog.↑2De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.↑3Tahi madat.Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 1op bladz. 78 van het eerste deel.↑4O, het is nog heerlijker dan.…Het restant van den volzin is te vinden op den 20stenregel van bladz. 246 van deel XXXV vanhet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von MicluchoMaclaygevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von MicluchoMaclayhad bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.↑
XXXII.Eene wetenschappelijke opiumkit.
„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en.…”De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter …”„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”De Pool bloosde tot achter zijn ooren.„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan.…”„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van Beneden.„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon.[134]„Een echte sfinx, die mij te pakken had.”„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”„En?” vroegen allen.„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato.…” wilde Van Beneden vragen.De Pool liet hem daartoe geen tijd.„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.„Uwe overplaatsing?”„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”„Maar, waarheen?”„Naar Gombong.”„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.”„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn.„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.”„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort.„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.„Dus niet over zee?”„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.”„Te Gombong?” vroeg Murowsky.[135]„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw AnnavanGulpendam wel?”„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?”„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen vriend medegenomen.”„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende.„Vindt ge?” vroeg Grashuis.„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel KarelvanNerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:experientia optima rerum magistra(de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had.Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder deze is het product geheel waardeloos.”„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.„Als ik maar nietmeêbehoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.”„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.„Waarom gij eerder dan een ander?”„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.”[136]„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.”„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne missen.”„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”„Welaan dan, ik ben gereed.”„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.„Ik ook nog niet,” voegde EduardvanRheijn er bij.De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje op.„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.„Vijf en twintig mata’s!”„Mata’s?1… Oogen?” vroeg de Pool.Allen barstten in lachen uit.„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat …”„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging de Pool voort:„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.„Uitkleeden?” vroeg deze.„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen zien.”Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een[137]oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue vanNederlandsch-Indië.De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden.„Waartoe al die poespas?” mompelde AugustvanBeneden Leendert Grashuis in het oor.„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?”was de vraag van Grenits.„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.”Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op.„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.… Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”„Om half een, de gewone rijsttafel.”„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek.„Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?”„Niets, als een enkel glas pale ale.”De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.EduardvanRheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes te kunnen rollen. Dat ging[138]onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met genoegen onderricht gegeven.„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen2?”Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht.„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.”„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de pijpenkop met „tahi madat”3aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.”Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende het hoofd op een niet te zacht kussen.„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.”[139]„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de schuivers had zien doen.„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5.„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.”„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.”Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem een poos binnen te[140]houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen.Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur normaal.Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.”Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte neiging tot slapen ondervond.Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven.[141]„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam.„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer rooken!”Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden.DokterMurowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel deconjunctiva(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de oogen zelven gesloten waren.Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen opende[142]was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij:„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden heb!”Terwijl dedokteropteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij:„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!… Zoo moet de proef mislukken!”Een oogenblik daarna riep hij uit:„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?”„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3°toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor de wetenschap.”Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest dierlijken wellust getuigden.Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende.[143]Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak uitgestrekt lag op diens borst.„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen.„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!”Maar de Pool had daar geen ooren naar.„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!”Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade.Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was wanhopig, dat depatiëntzoo weinig sprak.„Grenits! Grenits!” riep hij,„hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij denpatiënttegen den neus knipte.Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.„Hoort ge mij?… Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld.Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”Hij boog zich nog verder over denpatiënt, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor tegen den neus te knippen.[144]„Wat ik gevoel.…” bromde deze.… „wat ik gevoel … O! het is nog heerlijker dan.….……”4„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde komen!”Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!”„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot 38,6. Depatiëntwas zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.„De pijp?… Waar is de pijp?.… Van Rheijn, waar is[145]de pijp!”schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen.Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4°bedroeg.„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.”De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug en copieus genoeg laten bedienen.Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe te zenden.De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld werd.„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor[146]den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlogà outranceaan de opium!”[147]
„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.
„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en.…”
De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.
„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter …”
„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”
De Pool bloosde tot achter zijn ooren.
„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.
„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan.…”
„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”
„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.
„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”
„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.
„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van Beneden.
„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon.[134]„Een echte sfinx, die mij te pakken had.”
„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”
„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”
„En?” vroegen allen.
„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.
„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato.…” wilde Van Beneden vragen.
De Pool liet hem daartoe geen tijd.
„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.
„Uwe overplaatsing?”
„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”
„Maar, waarheen?”
„Naar Gombong.”
„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.”
„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn.
„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.”
„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.
„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort.
„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.
„Dus niet over zee?”
„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.”
„Te Gombong?” vroeg Murowsky.[135]
„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw AnnavanGulpendam wel?”
„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?”
„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen vriend medegenomen.”
„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende.
„Vindt ge?” vroeg Grashuis.
„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel KarelvanNerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.
„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:experientia optima rerum magistra(de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”
„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”
Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.
„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had.
Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:
„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder deze is het product geheel waardeloos.”
„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.
„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.
„Als ik maar nietmeêbehoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.”
„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.
„Waarom gij eerder dan een ander?”
„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.”[136]
„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”
„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.”
„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne missen.”
„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.
„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”
„Welaan dan, ik ben gereed.”
„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.
„Ik ook nog niet,” voegde EduardvanRheijn er bij.
De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje op.
„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”
„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.
„Vijf en twintig mata’s!”
„Mata’s?1… Oogen?” vroeg de Pool.
Allen barstten in lachen uit.
„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat …”
„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”
Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.
Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging de Pool voort:
„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.
„Uitkleeden?” vroeg deze.
„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen zien.”
Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een[137]oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue vanNederlandsch-Indië.
De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden.
„Waartoe al die poespas?” mompelde AugustvanBeneden Leendert Grashuis in het oor.
„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”
„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?”was de vraag van Grenits.
„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.”
Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op.
„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.… Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”
„Om half een, de gewone rijsttafel.”
„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek.„Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?”
„Niets, als een enkel glas pale ale.”
De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.
EduardvanRheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes te kunnen rollen. Dat ging[138]onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met genoegen onderricht gegeven.
„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen2?”
Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht.
„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.”
„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”
„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de pijpenkop met „tahi madat”3aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.”
Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende het hoofd op een niet te zacht kussen.
„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.”[139]
„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”
Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de schuivers had zien doen.
„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”
Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5.
„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”
Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.
„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.
Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.
„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.
„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.
„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”
De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.
„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.”
„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.”
Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem een poos binnen te[140]houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen.
Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur normaal.
Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:
„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.”
Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte neiging tot slapen ondervond.
Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.
Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven.[141]
„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”
Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam.
„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer rooken!”
Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.
Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden.DokterMurowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel deconjunctiva(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de oogen zelven gesloten waren.
Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.
Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen opende[142]was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.
Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij:
„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden heb!”
Terwijl dedokteropteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij:
„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!… Zoo moet de proef mislukken!”
Een oogenblik daarna riep hij uit:
„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?”
„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”
„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3°toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor de wetenschap.”
Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest dierlijken wellust getuigden.
Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?
„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”
Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende.[143]Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak uitgestrekt lag op diens borst.
„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.
Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen.
„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!”
Maar de Pool had daar geen ooren naar.
„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!”
Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade.Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was wanhopig, dat depatiëntzoo weinig sprak.
„Grenits! Grenits!” riep hij,„hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij denpatiënttegen den neus knipte.
Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.
„Hoort ge mij?… Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld.
Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.
„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”
„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.
„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”
Hij boog zich nog verder over denpatiënt, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.
„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor tegen den neus te knippen.[144]
„Wat ik gevoel.…” bromde deze.… „wat ik gevoel … O! het is nog heerlijker dan.….……”4
„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde komen!”
Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.
„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!”
„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.
Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot 38,6. Depatiëntwas zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.
„De pijp?… Waar is de pijp?.… Van Rheijn, waar is[145]de pijp!”schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen.
Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.
Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4°bedroeg.
„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.”
De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug en copieus genoeg laten bedienen.
Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe te zenden.
De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld werd.
„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor[146]den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlogà outranceaan de opium!”[147]
1Matabeteekent eigenlijk oog.↑2De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.↑3Tahi madat.Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 1op bladz. 78 van het eerste deel.↑4O, het is nog heerlijker dan.…Het restant van den volzin is te vinden op den 20stenregel van bladz. 246 van deel XXXV vanhet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von MicluchoMaclaygevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von MicluchoMaclayhad bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.↑
1Matabeteekent eigenlijk oog.↑2De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.↑3Tahi madat.Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 1op bladz. 78 van het eerste deel.↑4O, het is nog heerlijker dan.…Het restant van den volzin is te vinden op den 20stenregel van bladz. 246 van deel XXXV vanhet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von MicluchoMaclaygevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von MicluchoMaclayhad bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.↑
1Matabeteekent eigenlijk oog.↑
1Matabeteekent eigenlijk oog.↑
2De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.↑
2De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.↑
3Tahi madat.Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 1op bladz. 78 van het eerste deel.↑
3Tahi madat.Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 1op bladz. 78 van het eerste deel.↑
4O, het is nog heerlijker dan.…Het restant van den volzin is te vinden op den 20stenregel van bladz. 246 van deel XXXV vanhet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von MicluchoMaclaygevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von MicluchoMaclayhad bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.↑
4O, het is nog heerlijker dan.…Het restant van den volzin is te vinden op den 20stenregel van bladz. 246 van deel XXXV vanhet Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von MicluchoMaclaygevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.
Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von MicluchoMaclayhad bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.↑