The Project Gutenberg eBook ofBavo en LievekenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Bavo en LievekenAuthor: Hendrik ConscienceRelease date: October 4, 2004 [eBook #13596]Most recently updated: December 18, 2020Language: DutchCredits: Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the OnlineDistributed Proofreading Team*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Bavo en LievekenAuthor: Hendrik ConscienceRelease date: October 4, 2004 [eBook #13596]Most recently updated: December 18, 2020Language: DutchCredits: Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the OnlineDistributed Proofreading Team
Title: Bavo en Lieveken
Author: Hendrik Conscience
Author: Hendrik Conscience
Release date: October 4, 2004 [eBook #13596]Most recently updated: December 18, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the OnlineDistributed Proofreading Team
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN ***
Titelpagina
Titelpagina
IIIIIIIVVVIVIIVIIIIXXXIXIISLOT
«Goeden avond» juichte de jongen«Goeden avond» juichte de jongen
Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle, drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven.
Het is vooreerst deDuivel, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare spillen en bobijnen.
Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen.
Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te verslinden.
Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoeveleonvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!
Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der eenzaamheid en der rust....
Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der afgeloopene week te wachten.
Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood! Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk, omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen toelachte.
Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen wij lachen en vermaak hebben!"
"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijnjubiléviert?"
"Welkjubilé?"
"Van vijfentwintig jaar spinner."
"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig jaar oud."
"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij mede? Eenen halven frank tot inzet.
Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn: een buitengewoonSmeerken, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad Pier de Knul?"
De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
"Ik heb geene goesting, Jan."
"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig cents weigeren om hetjubilévan eenen ouden vriend te vieren?"
"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends en zeide hem:
"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het eerste jaar af,—sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet, dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duimuwer vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet, dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens mij."
"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn, zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer willen bezien of herkennen."
Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen ander erfdeel kunnen nalaten...."
"Vertelsels,droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen? Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede hetjubilévan rossen Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een hart in het lijf hebt."
Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in deBlauwe Geit, bij Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog de andere.
"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog niet."
Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te ontvangen was gekomen.
Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden opgelicht.
Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld! Hoera, vivat deleute!"
En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden verhuurd.
In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed in eene kuip te wasschen.
Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en als ziekelijk licht.
Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te laten aanbranden.
Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom, onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou verwachten.
De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal, dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid konden putten.
"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar blijft uw lekkere vader? In deBlauwe Geit, bij Pier de Knul, zeker? Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene uitdrukking van walg en verdriet:
"Waar is moeder?" vroeg hij.
"Naar deBlauwe Geit, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
"Bij Pier de Knul?"
"Om u te halen, vader."
"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen haars echtgenoots.
"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet," hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van walg het hart in het lijf doet keeren.
—Gaat gij spreken?"
"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt. Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed, indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven, schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer. Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke reinheid.
Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
"Dag, vader lief!"
De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van zijn ziek kind raakten den werkman.
"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
"Neen, vader, nog niet."
"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene manieren begon te eten.
"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten, maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit, even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen zucht:
"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord. "Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week verdient."
"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof het u!"
"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt, kunt gij het ook schikken."
"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het huishouden niet in leeren."
"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te dobbelen!"
"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur uitjagen."
De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen, sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied, ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten: maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne moeder.
In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet loopt vergiftigd te worden."
Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmdehet tempeest.
"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar deBlauwe Geit, eene schel hesp eten."
"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons verzetten."
"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven koekeloeren, terwijl zij ginder in deBlauwe Geithun hart ophalen en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben: ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin Damhout. Ik zal u laten roepen."
Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een stinkenden rook werd vervuld.
"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe knoken aan stukken!"
Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd gescheurd.
"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
"Het is niet waar!" kreet de knaap.
"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens, beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in haar zou ontkiemen. Maar vóórdat de tiende Lente voor haar aanbrak, was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen: onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke natuur.
En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert, wij geven hem zulke gezellin!
Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid of der laagheid harer ziel.
De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept: "Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet, duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de komende wereld!"
Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de kachel met potlood geglimd.
Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van gemak; de lucht was er zoo zuiver en zooaanlachend, dat men bij het gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die zich op zijn paleis verhoovaardigt.
In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren eenvoudigen zwier geschikt.
Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen aanwees, welke hij poogde te lezen.
In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven, of zoet lachende onder elkaar.
Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met moedeloosheid:
"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen, Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar over en vraag het morgen uwen meester."
Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde zichtbaar de kracht zijns geestes.
"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet nutteloos: het woord is te moeilijk."
"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder lief, het woord is zelfverloochening!"
Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit den grond des harten.
Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek. Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen, zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan, gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren. Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en, om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten? Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd eerbiedigen en beminnen?"
"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de wangen streelende.
Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning zijner leerzaamheid te ontvangen.
Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die, zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven. Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met onbeneveld vermaak genoot.
Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles verdween in een oogslag van de tafel.
De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieën. Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten, totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende engeltjes op de knieën, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem warengericht.
"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al goed ken, maar ik zal mijn best doen."
"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te worden:
"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke zelfverloochening."
Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en hij schudde nadenkend het hoofd.
"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige overweging.
"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
"En zult gij dit doen, kind?"
De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als begreep hij zijnen twijfel niet.
"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u straffen."
Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in het hoofd. Hebt gij verdriet?"
"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten, wat er in het einde nog zal van komen."
Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren man toe.
"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand terug.
"Neen, houd het geld," zeide hij,—mijn lust is over.... Nochtans, Christina, dezen avond vieren de vrienden in deBlauwe Geithetjubilévan rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is. Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou blijven met de kinderen."
"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk; ga naar deBlauwe Geiten wees vroolijk met de vrienden. Ik zal tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij wilt. Ga, ga, ik bid u."
Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar naaiwerk.
Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een klein meisje trad binnen.
"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk gisteren? Het is zoo vermakelijk."
"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de handen kletsende.
Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent, zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is dit?—Goed. En deze? En deze?—Gij kent uwe les; gij zult eene klasse verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden regel?"
"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het andere blad, daar?"
Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te spellen, doch zij geraakte er niet uit.
"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar achter nu den klankgebij, wat hebt ge dan?"
"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester. "Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien.Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u? Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het meisje twijfelend.
"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens oog eene vonk van besluit glinsterde.
"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren lezen!"
"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort. Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch meestmet Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in eene edele liefdedaad veranderde.
Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel en keken daar in een klein boek met beeldekens.
Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout greep eenen emmer en zeide:
"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd op zijne boekjes was ingesluimerd.
Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen langen, vurigen kus op hetgladde voorhoofd, als geloofde de goede, dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk hernomen, of haar man trad in de kamer.
"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch beter. Denk eens, daar zijn ze nu inde Blauwe Geitvolop aan het ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt, dat ik vandaag naar deBlauwe Geitgegaan ben."
"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou schelden en twisten."
"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
"Alweder dit kwaad gepeins!"
"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel meer geld kosten daneen ander kind, en daarenboven nooit eenen cent in het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem te maken."
"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden, gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig voor hen hebben opgeofferd."
"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde kloppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou kunnen schamen."
"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
"Spinners toch niet veel."
"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden, schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed gedrag het tamelijk verre kan brengen."
"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar de fabriek te laten gaan?"
"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenenmijnheerwil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld blijve. Wordt hijmijnheer, zooveel te beter!"
"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u, Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon van mijn kind!"
Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide hij:
"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn leven!"
"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing. Het onmogelijke kan men niet doen."
"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt gij hem naar de fabriek laten gaan?"
"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"