X

Des anderen daags begaf Bavo zich naar zijn bureel; hij was zoo blijde en zoo vol geestdrift, dat hij geheel door zijnen nieuwen arbeid was verslonden en aan niets anders meer scheen te denken. Hij bracht des avonds schrijfwerk mede, bleef met de pen in de hand zitten, totdat zijne ouders hem herinnerden, dat het tijd was om slapen te gaan, en sprak zelfs niet meer van Lieveken, noch van zijne treurnis, omdat zij zijne schoone zegepraal niet had kunnen zien.

Evenwel na eenige dagen van groote overspanning, kwam er een beetje rust in zijn gemoed. Dan keerde de herinnering aan de afwezige vriendin even krachtig als te voren in hem weder, en hij spoorde zijne moeder aan om eenen brief aan Lieveken te schrijven. Het arme meisje zou zich in hun geluk verblijden, en het zou haar zeker een troost zijn in haar verdriet.

Een gansche avond werd aan het opstellen en afschrijven van den brief besteed; want alhoewel Bavo de pen voor zijne moeder hield, stortte hij er al de vreugde van zijn eigen hart in uit en schilderde breed en wijd de prijsuitreiking en het bezoek bij M. Raemdonck. Lieveken moest alles, alles weten,even alsof zij zelve er bij tegenwoordig ware geweest. Hij vergat insgelijks niet te juichen over de toekomst, die hem aanlachte, en beroemde zich, dat, indien Gods bescherming hem bijbleef, hij zijne ouders mettertijd rijk en gelukkig zou maken. Zij moest seffens antwoorden en laten weten, wanneer haar vader terug naar Gent zou keeren; de fabrieken waren hier nu weder alle geopend en er was veel werk; want zij kon wel denken, dat, niettegenstaande hunne blijdschap, zijne ouders en hij zelf toch veel verdriet hadden, omdat zij Lieveken niet meer zagen.

De brief werd in de post gestoken, en van dan af wachtte Bavo met koortsig verlangen op het antwoord.

Er verliepen ééne week, twee weken, eene gansche maand. Elken middag en elken avond, als Bavo zijn bureel verliet, liep hij met groote haast naar huis, en zijn eerste woord was telkens:

"Welnu, welnu, moeder, is er niets gekomen?"

"Niets, nog niets, mijn zoon," antwoordde vrouw Damhout met eenen zucht.

Bavo werd allengs zeer treurig en moedeloos, en soms bleef hij des avonds uren lang met het hoofd in de hand zitten, of koutte met zijne moeder over de waarschijnlijke redenen dezer stilzwijgendheid van Lieveken. Was zij ziek misschien? Was haar een ongeluk overkomen? Had men zich in het opschrift van den brief misgrepen? Maar dit laatste was niet mogelijk, vermits Lieveken zelve vóór haar vertrek hun dit opschrift had gegeven.

Gelukkig dat Bavo in den arbeid eene afleiding voor zijne droeve gepeinzen vond. Het plichtgevoel was inderdaad zeer machtig in hem. Zoolang hij opzijn bureel was, overspande hij zijne wilskracht en worstelde zegevierend tegen het verdriet, dat zijnen geest benevelde, en men kon niet aan zijn werk raden, dat smartelijke stoornissen hem onophoudend bestormden.

Zekeren avond toch zeide hem de oude meester-klerk met eene schier vaderlijke minzaamheid:

"Bavo, mijn jongen, gij moogt met zooveel inspanning niet werken. Gij zult u zelven ziek maken door uw overdreven ijver. Ik zie sedert eenige dagen, dat gij zwaarmoedig en treurig zijt. Vrees niet, gij doet meer en beter dan men van u kan verwachten. M. Raemdonck is zeer tevreden over u, gij weet het wel. Kom, kom, een mensch, die zijne plichten gevoelvol vervult, moet licht en vroolijk van harte zijn; anders wordt hem de arbeid zwaar en geestverdoovend."

De arme jongen ging zeer bedrukt naar huis; hij beschouwde deze vriendelijke opwekking als een zijdelingsch verwijt; want zij bewees, dat de meester-klerk zijne duistere gemoedsstemming had opgemerkt, en misschien had er iets aan zijn schrijfwerk ontbroken. Daarenboven, Lieveken antwoordde niet; reeds zes lange weken waren er verloopen. Zou hij ooit nog wel iets van haar vernemen? Was zij gevaarlijk ziek? Was zij dood misschien?—want aan hare dankbaarheid, aan hare trouwe herinnering dorst hij na zulke korte afwezigheid niet twijfelen.

Toen hij dus, dubbend en zuchtend, in de stege kwam, ontvloog hem eensklaps een schreeuw van verrassing en blijdschap. Hij zag van verre zijne moeder voor de deur van haar huisje staan met een papier in de hand, dat zij hem scheen te toonen.

De jongen sprong vooruit, trok zijne moeder in huis en riep:

"Een brief van Lieveken?"

"Ja, van Lieveken of van hare ouders; hij komt uit Frankrijk."

"En wat staat er in, moeder?"

"Gij weet, Bavo, dat ik geen geschrift kan lezen."

"Geef, geef, ik zal hem u voorlezen.... Hij is van Lieveken zelve. Luister, moeder. Ach, ik beef van ongeduld:

"Goede madam Damhout."

"Goede madam Damhout."

"Zie, waarom noemt zij mij numadam?" kreet de verwonderde Christina.

"Wel, het is uit eerbied, moeder; daarenboven, in Frankijk noemt men iedere vrouwmadam; maar laat mij lezen, onderbreek mij niet, ik bid u:

"Goede madam Damhout,"Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M. Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moederen ik van blijdschap hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel; maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede moeder naar de school heeft geleid."Uwe ootmoedige dienstmeid,"GODELIEVE WILDENSLAG."

"Goede madam Damhout,

"Vergeef het mij, dat ik niet eerder op uwen brief heb kunnen antwoorden. Vader had hem op de fabriek ontvangen en hem in zijnen zak gestoken en vergeten. Toen moeder zijn vest wilde vermaken, heeft zij hem gevonden. Ik bedank u en Bavo en M. Damhout uit het diepste mijns harten voor de vriendschap, die gij de arme Godelieve blijft toedragen. Uw brief heeft ons zoo gelukkig gemaakt, dat mijne moederen ik van blijdschap hebben geweend en God om zijne goedheid jegens u hebben gezegend. Wat mij betreft, ik heb veel verdriet; want ik denk zonder ophouden aan u allen: ik treur, omdat ik u niet meer zie en zelfs niet weet, of ik nog ooit van mijn leven u zal wederzien. Mijn vader zegt dikwijls, dat hij nooit meer naar het land zal wederkeeren; want hier is overvloedig werk en een hoog dagloon. Mijne moeder heeft nog geenen winkel voor mij kunnen vinden. Ik werk op eene fabriek en win zes franken in de week. Mocht mijne moeder toch spoedig eenen winkel voor mij vinden! De menschen op de fabriek zijn zoo grof en zoo baldadig; zij schelden en vloeken altijd, en omdat ik eenen afkeer van die woestheid heb, lachen ze mij uit en plagen mij. Ik ben er bijna ziek van geworden; maar nu is het wat beter. Mijn broeder Tist is zijn linker oog kwijtgeraakt in een gevecht tusschen Vlaamsche en Fransche werklieden; hier vecht men schier alle dagen. Dat Bavo in de wereld zal verhoogen, en dat gij altezamen rijk zult worden, daarvan was ik reeds overtuigd, toen ik nog een klein kind was; maar gij zult in uw geluk toch somtijds nog eens denken aan het arme Lieveken, niet waar? Wat ik ook worde, fabriekwerkster of kleermaakster, ik zal slechts met eerbied en dankbaarheid mij uwer eindelooze goedheid mogen herinneren, dit weet ik wel; maar zijt zeker, al leefde Godelieve honderd jaar, dat zij nog op haar doodbed de namen zal noemen van hem, die het arme zieke kind leerde lezen, en van haar, die het als eene tweede moeder naar de school heeft geleid.

"Uwe ootmoedige dienstmeid,

"GODELIEVE WILDENSLAG."

Bavo liet den brief ter tafel vallen en begon te weenen: vrouw Damhout had insgelijks de tranen in de oogen. Zij poogde echter haren zoon te doen begrijpen, dat hij ten onrechte zich zoo diep bedroefde. Wat was er dan zoo ongelukkig in het lot van Lieveken? Zij treurde, omdat zij verre van hare geboortestad en hare vrienden moest leven. Dit was immers natuurlijk? Bavo moest daarenboven wel zeker zijn, dat Wildenslag naar Gent zou terugkeeren.

Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde malen met diepen weemoed:

"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"

Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten niet zoo vrij uitstorten.

Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zoudaarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te manen.

Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen, werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.

Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden, maar even vruchteloos.

Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch niet!

Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak, zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.

Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen ... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te beheerschen en te overwinnen?

Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.—Dit belette echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.

Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad. Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.

Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in eene betere en min donkere straat te gaan wonen.

Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?

Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men had reeds begonnen de meubelen over te dragen.

Men namvoor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.

Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:

"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar deBlauwe Geit, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"

En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:

"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij, want gij zijt een brave vent."

"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij gebleven?"

"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."

"Uit Frankrijk?"

"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."

"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.

"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.

"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet waar?" vroeg vrouw Damhout.

"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken. De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet juist."

"En de Wildenslags varen altijd wel?"

"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."

Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen, vroeg moeder Damhout:

"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?

"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe oogen?"

"Ja."

"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de Wildenslags zijn grove menschen."

"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"

"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met diebrutale kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd, alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."

"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt gij het waarlijk gezien?"

"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."

De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.

Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en zeide met kracht:

"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten. Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de straat...."

Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis in de stem:

"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik genezen, genezen voor altijd!"

En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.

De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.

Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek geheel eigen te maken.

M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.

"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt, als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."

Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.

Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken, toen hij zijn negentiende jaar bereikte.

Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne onophoudende studiën hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toenhij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.

Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen; maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.

Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn, als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.

Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel van schaamte kon denken.

Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewelin het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige kind opwelde.

Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M. Raemdonck zeide:

"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan, elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."

Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste reden hunner genegenheid voor hem niet.

Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand, stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige genegenheid van elkeen afdwong.

Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.

Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.

Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem.... Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn. Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet toereikend om in de onkosten van het huishoudente voorzien. Deze overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ... en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch niet wilde sterven....

Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de zaal op hem wachtte.

Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem nederzitten en zeide:

"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In één woord, gij zijt een braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat, uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn meester-klerk te zijn?"

"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"

"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeëntwintig jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij zijt in de gevaarlijkste jaren...."

"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."

"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om uwe plaats in te nemen."

M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de hand.

"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te dragen?"

Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.

"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.

"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."

"Spreek, mijn vriend."

"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij. Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is verhoogd."

"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd. "Waarom toch die geheimhouding?"

"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder dat zij het weten."

"Welke verrassing?"

"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen, zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"

"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der redelijkheid blijft."

Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht hij aan hetgeen hij M. Raemdonckhad gezegd en aan het geschenk, waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld; maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch bleef hij bij zijn eerste besluit.

Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M. Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid van Bavo.

Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat, indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de handen klappen van hoop en vreugde.

Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de overkomst van zijnen neef met zijne jongevrouw. Bavo sprak er van, omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester zou kunnen zeggen.

Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.

Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M. Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.

Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.

De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.

Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten, en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!

Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.

In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die koraalroode bellekens had gehad.

Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar seffens al de deuren der kamers wilden openen:

"Neen, neen, zóó niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."

"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik had de schoonste aurikels ende schoonste violieren van geheel het voorgeborcht."

Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds, en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:

"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"

Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te genieten.

Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.

"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren rooken te huis op hun gemak eene pijp."

"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt kunnen rooken."

"Onmogelijk, Bavo."

"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier te doen."

"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen edelmoedigen meester te voldoen."

Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:

"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in den mond, zou ik mijn leven willen slijten."

"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij zoudt doen."

"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."

Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne schoonheid oordeelen.

Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken; maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis bezichtigen.

Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.

In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.

Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis sedert lang bewoond.

Ziehier eene amandelbeschuit.Ziehier eene amandelbeschuit.

Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:

"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"

"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Dáár zult gij wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft geschonken."

Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo zacht, kom, rust wat op mij!"

Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed schemeren.

"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien! Aan tafel, aan tafel!"

En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M. Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.

"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan drinken...."

"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"

"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!" kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar naamdag. Lang, lang moge zij leven!"

"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de hoogte heffende.

"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!" juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"

"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien, den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend franken! God zij gezegend, datHij mij toelaat uwe liefde te beloonen. Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"

Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met uitgelatenheid....

Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat, was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders zijnen geest benevelde.

Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:

"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft bemind, willen gelukkig zien?"

"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."


Back to IndexNext