Hoofdstuk XXXI.Het bal van de hertogin.Een weinig vóór elven, kwam Geoffrey dien avond in stad—als een man, wien zijn leven lang een visioen bijbleef van dat bekoorlijk gelaat, dat nu in een onpeilbaar graf was gezonken. Wel mocht zulk een visioen den man bijblijven, die de eenige was, wien die nu koude lippen gekust hadden, en voor wien die verschrikkelijke daad bedreven was.Hij nam eencaben beval den voerman hem naar Bolton Street te rijden en in ’t voorbijgaan aan zijn club stil te houden. Er waren misschien brieven gekomen, dacht hij—iets, dat zijn geest een weinig afleiding kon geven. Er was dan ook een brief, gemerkt “privé,” en een telegram; beiden waren dien avond bezorgd,zeide de portier; de eerste was, ongeveer een uur geleden, door een livreiknecht gebracht.Hij zag het telegram in—het was van zijn zaakwaarnemers en luidde: “Uw neef, het kind van George Bingham, is, naar wij zooeven vernomen hebben, overleden. Wees zoo goed morgenochtend bij ons te komen.”Dat telegram was voor Geoffrey van nogal eenige beteekenis. Het beteekende een baronetschap en een inkomen van ongeveer acht duizend pond ’s jaars. Wat zou Honoria verheugd zijn, dacht hij met een droevigen glimlach; het gemis van dat inkomen was altijd een bittere pil geweest, die zij hem telkens deed slikken. Welnu, daar was het. De arme jongen was altijd ziekelijk geweest—het kind van een oud man.Hij stak het telegram in zijn zak, en stapte decabweer in. Bij het licht van het lampje, dat er in brandde, las hij den brief. Die was van den Eersten Minister, en luidde aldus:“Waarde Bingham.—Ik heb u sedert Maandag niet gezien, om u dank te zeggen voor de uitmuntende redevoering, welke gij dien avond gehouden hebt. Vergun mij mijn gelukwenschingen bij die van ieder ander te voegen. Zooals gij weet, is de post van Onder-Secretaris bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken open. Ten behoeve van mijn ambtgenooten en van mijzelven, schrijf ik u dezen, om u te verzoeken of gij er in wilt toestemmen dien post tijdelijk waar te nemen. Ik zeg, tijdelijk, want wij achten dien niet geëvenredigd naar uw bekwaamheden. Hij zal echter dienstig zijn om u praktische ondervinding van administratie te geven, en wij zullen zelfs nog in ruimere mate dan nu het voordeel van uw groote talenten hebben. De toekomst kunnen wij, natuurlijk, niet vooruitloopen; maar, zooals gij weet, laat de gezondheid van Sir * * * veel te wenschen over, en onlangs zeide hij mij dat het twijfelachtig was of hij de werkzaamheden van Procureur Generaal nog wel veel langer zou kunnen waarnemen. Met het oog op die mogelijke gebeurtenis, heb ik er met den Lord Kanselier over gesproken, en hij zegt dat er geen zwarigheid zal zijn, omdat, hoewel gij nogslechts kort in de praktijk zijt geweest, gij toch reeds vele jaren als advocaat bekend staat. Of als dit vooruitzicht u niet naar den zin is, zal er mettertijd nog wel een andere Gouvernementspost te vinden zijn. In ons eigen belang, kunnen wij u niet lang voorbijgaan.”Geoffrey glimlachte weemoedig, toen hij dien brief las. Wie had een jaar geleden kunnen gelooven dat hij nu op een standpunt zou staan om zulk een schrijven van den Eersten Minister van Engeland te ontvangen? Ach, dat was het geluk, dat de Schoen van een Drenkeling aanbracht, zooals de oude Eduard voorspeld had! En wat was voor hem dit alles nu waard?Hij stak den brief en het telegram in zijn zak, en zag uit het portierraam. Decabreed Bolton Street in. Hoe zou het met Effie gaan? dacht hij. Het kind was nu het eenige wat hem was overgebleven om voor te zorgen. Als er met haar eens iets gebeurde—daar kon hij niet aan denken!Nu was hij er. “Hoe is ’t met Effie?” vroeg hij den knecht, die hem de deur opendeed. Op dit oogenblik werd zijn opmerkzaamheid getrokken door een mannelijke en een vrouwelijke gedaante, die op den hoek van de straat stonden, de man met zijn arm om het middel van de vrouw geslagen. De vrouw kreeg decabin ’t oog en verdween dadelijk om den hoek. Het kwam hem voor dat haar gestalte veel overeenkomst had met die van Anne, de Franschebonne.“Ik heb gehoord dat het met de jongejuffrouw heel goed gaat,” antwoordde de knecht.Geoffrey haalde ruimer adem. “Waar is mevrouw?” vroeg hij. “In de kamer van de jongejuffrouw Effie?”“Neen, mijnheer,” was het antwoord, “mevrouw is naar een bal gegaan. Zij heeft een briefje achtergelaten, in geval gij thuis mocht komen.”Hij nam het briefje van de tafel in de vestibule, en brak het open.“Waarde Geoffrey,” luidde het, “Effie is zooveel beter, dat ik besloten heb toch maar naar het bal van de hertogin te gaan. Zij zou zoo teleurgesteld zijn, als ik niet kwam, en mijn balkleed iszoo allerkeurigst! Had uw geheimzinnige zaak iets metBryngellyte maken?—”“De uwe,Honoria.”“Zij zou regelrecht van haar moeders begrafenis naar een bal gaan,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij naar Effie’s kamer ging. “Dat ligt zoo in haar aard—dat is nu eenmaal niet anders.”Toen hij Effie’s kamer binnenkwam, was er niemand in. Ja, toch!—op den vloer lag, in haar hemdje, zijn dochtertje, naar allen schijn dood.Met iets, dat veel overeenkomst had met een vloek, sprong hij naar haar toe, en tilde haar op. Haar gezichtje was bleek, en haar handjes waren koud, maar haar borst was nog koortsachtig gloeiend, en haar hart klopte. Met een enkelen blik zag hij wat er gebeurd was. Het kind was alleen gelaten, had dorst gehad, en was uit haar bed gekomen en naar de tafel geloopen, waar een karaf met water stond—de karaf lag nu naast haar op den vloer. Toen had de zwakte haar overmand en was zij flauw gevallen.Op dit oogenblik kwam Anne snel de kamer binnen, vriendelijk zeggende:“Ça va bien, chérie?”“Help mij het kind te bed leggen,” zeide Geoffrey, op strengen toon. “Schel nu—schel nog eens.“En nu op staanden voet mijn huis uit. Hoor je me niet? Neen, geen woord tegen. Dit zeg ik je, als het kind komt te sterven, zal ik je wegens manslag vervolgen; ja, ik heb je wel in de straat gezien,” en hij deed een schrede naar haar toe. Toen nam Anne de vlucht, en haar gezicht werd niet meer in Bolton Street gezien.“James,” zeide Geoffrey tot den knecht, die op het schellen gekomen was, “zend de keukenmeid boven—zij is een bedaarde vrouw; en neem eencab, rijd naar den dokter, en verzoek hem dadelijk te komen, en als je hem niet thuis vindt, haal dan eenanderen dokter. Ga ook naar het ziekenverplegingsgesticht, bij het St. James’-Station, en zeg dat er oogenblikkelijk een verpleegster noodig is.”“Ja, mijnheer. En moet ik maar meteen bij de hertogin haar Ladyschap gaan halen?”“Neen,” antwoordde hij, het voorhoofd fronsende, “stoor haar Ladyschap niet. Ga nu.”“Dat geeft den doorslag,” zeide Geoffrey, toen de man weg was. “Honoria en ik moeten scheiden. Ik heb met haar afgedaan.”Dat had hij ook, ofschoon niet zooals hij het bedoelde. Het ware voor Honoria te wenschen geweest dat haar echtgenoot haar niet te zeer veracht had om haar van haar vermaak af te roepen.De keukenmeid kwam boven, en met haar hulp bracht Geoffrey het kind weder tot haar bewustzijn.Zij sloeg de oogen op en glimlachte. “Is u dat, paatje,” fluisterde zij, “of droom ik?”“Ja, lieve, ik ben het.”“Waar is u geweest, paatje—bij tante Beatrice?”“Ja, lieve,” zeide hij, met een gesmoorde stem.“O, paatje, ik heb zoo’n raar gevoel in mijn hoofd; maar dat zal wel overgaan nu ik u weer bij me heb. U zult niet weer heengaan, niet waar, paatje?”“Neen, lieve, ik ga niet weer heen.”Daarna begon zij een weinig te ijlen, en eindelijk viel zij in een onrustigen slaap.Binnen een half uur kwamen de dokter en de verpleegster. De eerstgenoemde luisterde naar Geoffrey’s mededeeling, en onderzocht de kleine patiënt.“Zij zal het er wel doorhalen,” zeide hij; “zij heeft een gezond gestel; maar als zij een minuut langer in dien tocht had gelegen, zou het met haar gedaan zijn geweest. Gij kwaamt nog juist bij tijds. En nu zou ik, als ik u was, naar bed gaan. Gij kunt hier geen goed doen, en gij ziet er zelf slecht uit.”Maar Geoffrey schudde het hoofd. Hij zeide dat hij naar benedenzou gaan, om een pijp te rooken. Hij wilde nog niet naar bed gaan; hij was te vermoeid.Op het bal ging het intusschen vroolijk toe. Nooit in haar leven had Lady Honoria zich meer vermaakt dan nu. Zij genoot in de weelderige pret om haar heen als een vlinder in den zonneschijn. Wat was dat allesverrukkelijk—dat flonkeren van juweelen, die geur van kostbare bloemen, die hulde van welgemanierde mannen, die afgunst van andere vrouwen! O, het was toch een heerlijke wereld, als men maar niet op een eerste verdieping bij Edgware Road behoefde te wonen. Maar met eerste verdiepingen en bekrimpen was het, dank zij Geoffrey’s talenten, gedaan. En wat zijn gril voor dat Welsche meisje betrof, och, als er maar geen openlijk schandaal van kwam, gaf zij daar eigenlijk niets om.“Het doet mij genoegen dat ge mijn toilet bewondert. Ik geloof ook zelve dat het wel gezien mag worden, maar ik zeg altijd, er is in geheel Londen geen modiste, die Madame Jules in het maken van een kleed evenaart. O, neen, Geoffrey heeft het niet gekozen; die heeft wel over andere dingen te denken.”“Gij moet wel trotsch op hem zijn, Lady Honoria,” zeide de knappe officier van de Lijfwacht, met wien zij sprak; “men zegt dat hij een van de knapste mannen in Engeland is. Ik wenschte dat ik een vijftigste deel van zijn verstand had.”“O, word, als ’t u belieft, niet knap, Lord Atleigh, och neen, of ik wil niets meer met u te doen hebben. Knapheid is goed en wel, maar ’t is niet alles. Ja, ik wil wel met u dansen, maar bedaard, en, ronduit gezegd, ben ik bang in die volte mijn kanten garneersel te scheuren. Ei zie, daar is Garsington, mijn broeder,” en zij wees naar een klein man, met rood haar, die zich door de volle zaal een weg naar haar toe baande. “Wat zou die hier komen doen?Balsvallen anders volstrekt niet in zijn smaak. Ge kent hem zeker, niet waar? Hij is altijd bij de wedrennen, evenals gij.”Maar de officier van de Lijfwacht was verdwenen. Hij had erzijn redenen voor, om Garsington niet gaarne te ontmoeten. Misschien was hij ook lid van zekere club geweest.“O, zijt ge daar, Honoria,” zeide haar broeder, “ik dacht wel dat ik u hier in dit gedrang zou vinden. Ik heb u wat te zeggen.”“Goed of slecht nieuws?”’ vroeg Lady Honoria, met haar waaier spelende. “Als het slecht nieuws is, houd het dan maar voor u, want ik vermaak mij veel te goed dan dat ik mijn avond bedorven wil hebben.”“Dat vertrouw ik ook wel van u, Honoria; maar ’t is verduiveld goed nieuws, bijna zulk goed nieuws als iets voor uw wijsneus van een man maar wezen kan. Wat denkt ge wel?—die jongen, de zoon van den ouden Sir Robert Bingham en de keukenmeid van dezen of genen, je weet wel, is—”“Toch niet dood, niet dood?” riep Honoria in hevige opgewondenheid uit.“Ja, zoo dood als een pier,” antwoordde zijn Lordschap. “Ik hoorde het in de club. Daar dineert een zaakwaarnemer, en die sprak met een ander over Bingham, en toen zeide de zaakwaarnemer: ‘O, hij is nu Sir Geoffrey Bingham. De erfgenaam van den ouden Sir Robert is dood. Ik heb zelf het telegram gezien.’”“O, dat is bijna te goed om waar te zijn,” zeide Honoria. “Dat is een inkomen van acht duizend pond ’s jaars.”“Ik heb u immers gezegd, dat het goed nieuws was,” hernam haar broeder. “Ge moogt mij wel van dat geld een aanstelling koopen. Laten we in allen gevalle op het heuglijk nieuws gaan drinken. Kom, ’t is tijd voor het souper, en ik ben doodmoe. Ik moet me wat verkwikken.”Lady Honoria nam zijn arm. Terwijl zij de breede, met bloemen behangen trap afliepen, ontmoetten zij een voornaam personage.“Ha, Lady Honoria,” zeide die groote man, “ik heb u iets te zeggen, dat u zeker genoegen zal doen,” en hij boog zich naar haar toe en sprak zeer zacht, waarna hij met een buiging voortliep.“Wat had die oude jongen u te vertellen?” vroeg haar broeder.“Wat denkt ge wel? ’t Is een geluksavond voor ons.Hijzegt dat de post van Onder-Secretaris aan het Ministerie van Binnenlandsche zaken Geoffrey aangeboden is.”“Dan zal hij opgeblazener dan ooit worden,” bromde Lord Garsington. “Ja, dat is wel veel geluk opeens. Laten we hopen dat het maar geen keer neemt.”Zij gingen soupeeren, en Lord Garsington, die reeds gedineerd had, bediende zich rijkelijk van champagne. Een zilveren candelabre stond voor hem, en over elk van de kaarsen was een geschilderd papieren kap. Een daarvan stond scheef, en een lakei beproefde ze terecht te zetten, door over Lord Garsington’s hoofd heen te reiken.“Ikzal het wel doen,” zeide hij.“Neen, neen, laat dien man begaan,” sprak Lady Honoria. “Zie, de kap zal in brand geraken.”“Gekheid,” antwoordde hij, opstaande en zijn arm naar de kap uitstrekkende. Door zijn aanraking had de kap werkelijk vlam gevat. Hij greep ze, en deed een poging om de vlam uit te blusschen, maar brandde daarbij zijn vingers.“Vervloekt ding!” riep hij, en wierp de kap van zich af. Zij viel vlammend op het kleed van zijn zuster, in het dikst van het kanten garneersel; de vlam deelde zich dadelijk daaraan mede, en twee kronkelende slangen van vuur schoten langs haar omhoog. Zij sprong van haar stoel op, en vloog gillend door de kamer, als een akelige vlammende massa.Tien minuten later had Lady Honoria deze wereld en al haar vermaken overgelaten aan hen, die nog leefden om er genot van te hebben.Een uur verliep. Geoffrey zat nog, in diep gepeins verzonken, in zijn studeerkamer zijn pijp te rooken en op Honoria te wachten, toen er aan de deur werd geklopt. De dienstboden waren naar bed gegaan, alleen de ziekenverpleegster nog waakte. Hij stond op en deed zelf open. Een roodharig bleek man trad waggelend binnen.“Hoe, Garsington, zijt gij het? Wat komt gij op dit uur doen?”“Houd u goed, Bingham, ik heb u iets te zeggen,” antwoordde hij, met een dikke tong.“Wat is het? Een nieuwe ramp zeker! Is er nog iemand dood?“Ja, zoo is ’t! Honoria is dood. Op het bal verbrand.”“Groote God! Honoria verbrand. Dan moet ik dadelijk—”“Ik raad u dat niet te doen, Bingham. Als ik u was, zou ik niet naar het hospitaal gaan. Houd u goed, en als gij kunt, geef mij wat te drinken—ik ben totaal van streek—ik moet iets hebben om mij wat op te wekken.”En hier zullen wij den begaafden en door de fortuin begunstigden man laten.Vaarwel, Geoffrey Bingham!Naschrift.Zoo bewerkten dan die menschelijke atomen hun lot—die korrels bezield stof, ginds en herwaarts geblazen door een wind, niemand weet van waar hij komt.Indien er onder de Machten om ons heen een boos Beginsel is, dat vermaak schept in de nietige grillen der menschen, mocht het wel lachen om de gevolgen van dit plannen smeden, van al die begeerten, al die liefde en haat; en als er een meedoogend Beginsel is, mocht het wel zuchten om het treffende van menschelijke hulpeloosheid. Owen Davies, in zijn eigen hartstocht verloren gegaan; Geoffrey, met voorspoed naar de wereld bekroond, en met altijddurende droefheid bezocht; Honoria, ellendig omgekomen op het oogenblik van bevredigde eerzucht; Elisabeth, haar doel bereikende om het in het graf te verliezen; Beatrice, zichzelve uit liefde enverblindheid opofferende, en daardoor haar vreugde van zich werpende. O, indien zij zich vergenoegd had met nederig op de Voorzienigheid te vertrouwen; als zij die wanhopige daad slechts één week ongedaan had gelaten!Maar Geoffrey leefde nog, en zijn kind herstelde, na een poos tusschen leven en dood gezweefd te hebben, en werd hem tot zijn vertroosting gelaten. Moge zij in leven blijven, om een gelukkige vrouw en moeder te worden, om onder gunstiger omstandigheden tot haar welzijn te leven dan die dat dwalende meisje, de ongelukkige, edele Beatrice, in den dood joegen en het hart van haar vader braken.Wat zijn wij? Wij zijn slechts door onrust gevleugelde pijlen, die van duisternis in duisternis geschoten worden; wij zijn blinde leiders van de blinden, doellooze schermers in de lucht, verdwaalde reizigers langs steenen paden, die alle op hetzelfde einde uitloopen. En zij, die het gewone treurspel hebben uitgespeeld en door de enge poort zijn gegaan, kunnen zij ons zeggen wat daarachter ligt? Zij zwijgen, of wij kunnen hen niet hooren spreken.Maar Beatrice kan het nu weten!Einde.
Hoofdstuk XXXI.Het bal van de hertogin.Een weinig vóór elven, kwam Geoffrey dien avond in stad—als een man, wien zijn leven lang een visioen bijbleef van dat bekoorlijk gelaat, dat nu in een onpeilbaar graf was gezonken. Wel mocht zulk een visioen den man bijblijven, die de eenige was, wien die nu koude lippen gekust hadden, en voor wien die verschrikkelijke daad bedreven was.Hij nam eencaben beval den voerman hem naar Bolton Street te rijden en in ’t voorbijgaan aan zijn club stil te houden. Er waren misschien brieven gekomen, dacht hij—iets, dat zijn geest een weinig afleiding kon geven. Er was dan ook een brief, gemerkt “privé,” en een telegram; beiden waren dien avond bezorgd,zeide de portier; de eerste was, ongeveer een uur geleden, door een livreiknecht gebracht.Hij zag het telegram in—het was van zijn zaakwaarnemers en luidde: “Uw neef, het kind van George Bingham, is, naar wij zooeven vernomen hebben, overleden. Wees zoo goed morgenochtend bij ons te komen.”Dat telegram was voor Geoffrey van nogal eenige beteekenis. Het beteekende een baronetschap en een inkomen van ongeveer acht duizend pond ’s jaars. Wat zou Honoria verheugd zijn, dacht hij met een droevigen glimlach; het gemis van dat inkomen was altijd een bittere pil geweest, die zij hem telkens deed slikken. Welnu, daar was het. De arme jongen was altijd ziekelijk geweest—het kind van een oud man.Hij stak het telegram in zijn zak, en stapte decabweer in. Bij het licht van het lampje, dat er in brandde, las hij den brief. Die was van den Eersten Minister, en luidde aldus:“Waarde Bingham.—Ik heb u sedert Maandag niet gezien, om u dank te zeggen voor de uitmuntende redevoering, welke gij dien avond gehouden hebt. Vergun mij mijn gelukwenschingen bij die van ieder ander te voegen. Zooals gij weet, is de post van Onder-Secretaris bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken open. Ten behoeve van mijn ambtgenooten en van mijzelven, schrijf ik u dezen, om u te verzoeken of gij er in wilt toestemmen dien post tijdelijk waar te nemen. Ik zeg, tijdelijk, want wij achten dien niet geëvenredigd naar uw bekwaamheden. Hij zal echter dienstig zijn om u praktische ondervinding van administratie te geven, en wij zullen zelfs nog in ruimere mate dan nu het voordeel van uw groote talenten hebben. De toekomst kunnen wij, natuurlijk, niet vooruitloopen; maar, zooals gij weet, laat de gezondheid van Sir * * * veel te wenschen over, en onlangs zeide hij mij dat het twijfelachtig was of hij de werkzaamheden van Procureur Generaal nog wel veel langer zou kunnen waarnemen. Met het oog op die mogelijke gebeurtenis, heb ik er met den Lord Kanselier over gesproken, en hij zegt dat er geen zwarigheid zal zijn, omdat, hoewel gij nogslechts kort in de praktijk zijt geweest, gij toch reeds vele jaren als advocaat bekend staat. Of als dit vooruitzicht u niet naar den zin is, zal er mettertijd nog wel een andere Gouvernementspost te vinden zijn. In ons eigen belang, kunnen wij u niet lang voorbijgaan.”Geoffrey glimlachte weemoedig, toen hij dien brief las. Wie had een jaar geleden kunnen gelooven dat hij nu op een standpunt zou staan om zulk een schrijven van den Eersten Minister van Engeland te ontvangen? Ach, dat was het geluk, dat de Schoen van een Drenkeling aanbracht, zooals de oude Eduard voorspeld had! En wat was voor hem dit alles nu waard?Hij stak den brief en het telegram in zijn zak, en zag uit het portierraam. Decabreed Bolton Street in. Hoe zou het met Effie gaan? dacht hij. Het kind was nu het eenige wat hem was overgebleven om voor te zorgen. Als er met haar eens iets gebeurde—daar kon hij niet aan denken!Nu was hij er. “Hoe is ’t met Effie?” vroeg hij den knecht, die hem de deur opendeed. Op dit oogenblik werd zijn opmerkzaamheid getrokken door een mannelijke en een vrouwelijke gedaante, die op den hoek van de straat stonden, de man met zijn arm om het middel van de vrouw geslagen. De vrouw kreeg decabin ’t oog en verdween dadelijk om den hoek. Het kwam hem voor dat haar gestalte veel overeenkomst had met die van Anne, de Franschebonne.“Ik heb gehoord dat het met de jongejuffrouw heel goed gaat,” antwoordde de knecht.Geoffrey haalde ruimer adem. “Waar is mevrouw?” vroeg hij. “In de kamer van de jongejuffrouw Effie?”“Neen, mijnheer,” was het antwoord, “mevrouw is naar een bal gegaan. Zij heeft een briefje achtergelaten, in geval gij thuis mocht komen.”Hij nam het briefje van de tafel in de vestibule, en brak het open.“Waarde Geoffrey,” luidde het, “Effie is zooveel beter, dat ik besloten heb toch maar naar het bal van de hertogin te gaan. Zij zou zoo teleurgesteld zijn, als ik niet kwam, en mijn balkleed iszoo allerkeurigst! Had uw geheimzinnige zaak iets metBryngellyte maken?—”“De uwe,Honoria.”“Zij zou regelrecht van haar moeders begrafenis naar een bal gaan,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij naar Effie’s kamer ging. “Dat ligt zoo in haar aard—dat is nu eenmaal niet anders.”Toen hij Effie’s kamer binnenkwam, was er niemand in. Ja, toch!—op den vloer lag, in haar hemdje, zijn dochtertje, naar allen schijn dood.Met iets, dat veel overeenkomst had met een vloek, sprong hij naar haar toe, en tilde haar op. Haar gezichtje was bleek, en haar handjes waren koud, maar haar borst was nog koortsachtig gloeiend, en haar hart klopte. Met een enkelen blik zag hij wat er gebeurd was. Het kind was alleen gelaten, had dorst gehad, en was uit haar bed gekomen en naar de tafel geloopen, waar een karaf met water stond—de karaf lag nu naast haar op den vloer. Toen had de zwakte haar overmand en was zij flauw gevallen.Op dit oogenblik kwam Anne snel de kamer binnen, vriendelijk zeggende:“Ça va bien, chérie?”“Help mij het kind te bed leggen,” zeide Geoffrey, op strengen toon. “Schel nu—schel nog eens.“En nu op staanden voet mijn huis uit. Hoor je me niet? Neen, geen woord tegen. Dit zeg ik je, als het kind komt te sterven, zal ik je wegens manslag vervolgen; ja, ik heb je wel in de straat gezien,” en hij deed een schrede naar haar toe. Toen nam Anne de vlucht, en haar gezicht werd niet meer in Bolton Street gezien.“James,” zeide Geoffrey tot den knecht, die op het schellen gekomen was, “zend de keukenmeid boven—zij is een bedaarde vrouw; en neem eencab, rijd naar den dokter, en verzoek hem dadelijk te komen, en als je hem niet thuis vindt, haal dan eenanderen dokter. Ga ook naar het ziekenverplegingsgesticht, bij het St. James’-Station, en zeg dat er oogenblikkelijk een verpleegster noodig is.”“Ja, mijnheer. En moet ik maar meteen bij de hertogin haar Ladyschap gaan halen?”“Neen,” antwoordde hij, het voorhoofd fronsende, “stoor haar Ladyschap niet. Ga nu.”“Dat geeft den doorslag,” zeide Geoffrey, toen de man weg was. “Honoria en ik moeten scheiden. Ik heb met haar afgedaan.”Dat had hij ook, ofschoon niet zooals hij het bedoelde. Het ware voor Honoria te wenschen geweest dat haar echtgenoot haar niet te zeer veracht had om haar van haar vermaak af te roepen.De keukenmeid kwam boven, en met haar hulp bracht Geoffrey het kind weder tot haar bewustzijn.Zij sloeg de oogen op en glimlachte. “Is u dat, paatje,” fluisterde zij, “of droom ik?”“Ja, lieve, ik ben het.”“Waar is u geweest, paatje—bij tante Beatrice?”“Ja, lieve,” zeide hij, met een gesmoorde stem.“O, paatje, ik heb zoo’n raar gevoel in mijn hoofd; maar dat zal wel overgaan nu ik u weer bij me heb. U zult niet weer heengaan, niet waar, paatje?”“Neen, lieve, ik ga niet weer heen.”Daarna begon zij een weinig te ijlen, en eindelijk viel zij in een onrustigen slaap.Binnen een half uur kwamen de dokter en de verpleegster. De eerstgenoemde luisterde naar Geoffrey’s mededeeling, en onderzocht de kleine patiënt.“Zij zal het er wel doorhalen,” zeide hij; “zij heeft een gezond gestel; maar als zij een minuut langer in dien tocht had gelegen, zou het met haar gedaan zijn geweest. Gij kwaamt nog juist bij tijds. En nu zou ik, als ik u was, naar bed gaan. Gij kunt hier geen goed doen, en gij ziet er zelf slecht uit.”Maar Geoffrey schudde het hoofd. Hij zeide dat hij naar benedenzou gaan, om een pijp te rooken. Hij wilde nog niet naar bed gaan; hij was te vermoeid.Op het bal ging het intusschen vroolijk toe. Nooit in haar leven had Lady Honoria zich meer vermaakt dan nu. Zij genoot in de weelderige pret om haar heen als een vlinder in den zonneschijn. Wat was dat allesverrukkelijk—dat flonkeren van juweelen, die geur van kostbare bloemen, die hulde van welgemanierde mannen, die afgunst van andere vrouwen! O, het was toch een heerlijke wereld, als men maar niet op een eerste verdieping bij Edgware Road behoefde te wonen. Maar met eerste verdiepingen en bekrimpen was het, dank zij Geoffrey’s talenten, gedaan. En wat zijn gril voor dat Welsche meisje betrof, och, als er maar geen openlijk schandaal van kwam, gaf zij daar eigenlijk niets om.“Het doet mij genoegen dat ge mijn toilet bewondert. Ik geloof ook zelve dat het wel gezien mag worden, maar ik zeg altijd, er is in geheel Londen geen modiste, die Madame Jules in het maken van een kleed evenaart. O, neen, Geoffrey heeft het niet gekozen; die heeft wel over andere dingen te denken.”“Gij moet wel trotsch op hem zijn, Lady Honoria,” zeide de knappe officier van de Lijfwacht, met wien zij sprak; “men zegt dat hij een van de knapste mannen in Engeland is. Ik wenschte dat ik een vijftigste deel van zijn verstand had.”“O, word, als ’t u belieft, niet knap, Lord Atleigh, och neen, of ik wil niets meer met u te doen hebben. Knapheid is goed en wel, maar ’t is niet alles. Ja, ik wil wel met u dansen, maar bedaard, en, ronduit gezegd, ben ik bang in die volte mijn kanten garneersel te scheuren. Ei zie, daar is Garsington, mijn broeder,” en zij wees naar een klein man, met rood haar, die zich door de volle zaal een weg naar haar toe baande. “Wat zou die hier komen doen?Balsvallen anders volstrekt niet in zijn smaak. Ge kent hem zeker, niet waar? Hij is altijd bij de wedrennen, evenals gij.”Maar de officier van de Lijfwacht was verdwenen. Hij had erzijn redenen voor, om Garsington niet gaarne te ontmoeten. Misschien was hij ook lid van zekere club geweest.“O, zijt ge daar, Honoria,” zeide haar broeder, “ik dacht wel dat ik u hier in dit gedrang zou vinden. Ik heb u wat te zeggen.”“Goed of slecht nieuws?”’ vroeg Lady Honoria, met haar waaier spelende. “Als het slecht nieuws is, houd het dan maar voor u, want ik vermaak mij veel te goed dan dat ik mijn avond bedorven wil hebben.”“Dat vertrouw ik ook wel van u, Honoria; maar ’t is verduiveld goed nieuws, bijna zulk goed nieuws als iets voor uw wijsneus van een man maar wezen kan. Wat denkt ge wel?—die jongen, de zoon van den ouden Sir Robert Bingham en de keukenmeid van dezen of genen, je weet wel, is—”“Toch niet dood, niet dood?” riep Honoria in hevige opgewondenheid uit.“Ja, zoo dood als een pier,” antwoordde zijn Lordschap. “Ik hoorde het in de club. Daar dineert een zaakwaarnemer, en die sprak met een ander over Bingham, en toen zeide de zaakwaarnemer: ‘O, hij is nu Sir Geoffrey Bingham. De erfgenaam van den ouden Sir Robert is dood. Ik heb zelf het telegram gezien.’”“O, dat is bijna te goed om waar te zijn,” zeide Honoria. “Dat is een inkomen van acht duizend pond ’s jaars.”“Ik heb u immers gezegd, dat het goed nieuws was,” hernam haar broeder. “Ge moogt mij wel van dat geld een aanstelling koopen. Laten we in allen gevalle op het heuglijk nieuws gaan drinken. Kom, ’t is tijd voor het souper, en ik ben doodmoe. Ik moet me wat verkwikken.”Lady Honoria nam zijn arm. Terwijl zij de breede, met bloemen behangen trap afliepen, ontmoetten zij een voornaam personage.“Ha, Lady Honoria,” zeide die groote man, “ik heb u iets te zeggen, dat u zeker genoegen zal doen,” en hij boog zich naar haar toe en sprak zeer zacht, waarna hij met een buiging voortliep.“Wat had die oude jongen u te vertellen?” vroeg haar broeder.“Wat denkt ge wel? ’t Is een geluksavond voor ons.Hijzegt dat de post van Onder-Secretaris aan het Ministerie van Binnenlandsche zaken Geoffrey aangeboden is.”“Dan zal hij opgeblazener dan ooit worden,” bromde Lord Garsington. “Ja, dat is wel veel geluk opeens. Laten we hopen dat het maar geen keer neemt.”Zij gingen soupeeren, en Lord Garsington, die reeds gedineerd had, bediende zich rijkelijk van champagne. Een zilveren candelabre stond voor hem, en over elk van de kaarsen was een geschilderd papieren kap. Een daarvan stond scheef, en een lakei beproefde ze terecht te zetten, door over Lord Garsington’s hoofd heen te reiken.“Ikzal het wel doen,” zeide hij.“Neen, neen, laat dien man begaan,” sprak Lady Honoria. “Zie, de kap zal in brand geraken.”“Gekheid,” antwoordde hij, opstaande en zijn arm naar de kap uitstrekkende. Door zijn aanraking had de kap werkelijk vlam gevat. Hij greep ze, en deed een poging om de vlam uit te blusschen, maar brandde daarbij zijn vingers.“Vervloekt ding!” riep hij, en wierp de kap van zich af. Zij viel vlammend op het kleed van zijn zuster, in het dikst van het kanten garneersel; de vlam deelde zich dadelijk daaraan mede, en twee kronkelende slangen van vuur schoten langs haar omhoog. Zij sprong van haar stoel op, en vloog gillend door de kamer, als een akelige vlammende massa.Tien minuten later had Lady Honoria deze wereld en al haar vermaken overgelaten aan hen, die nog leefden om er genot van te hebben.Een uur verliep. Geoffrey zat nog, in diep gepeins verzonken, in zijn studeerkamer zijn pijp te rooken en op Honoria te wachten, toen er aan de deur werd geklopt. De dienstboden waren naar bed gegaan, alleen de ziekenverpleegster nog waakte. Hij stond op en deed zelf open. Een roodharig bleek man trad waggelend binnen.“Hoe, Garsington, zijt gij het? Wat komt gij op dit uur doen?”“Houd u goed, Bingham, ik heb u iets te zeggen,” antwoordde hij, met een dikke tong.“Wat is het? Een nieuwe ramp zeker! Is er nog iemand dood?“Ja, zoo is ’t! Honoria is dood. Op het bal verbrand.”“Groote God! Honoria verbrand. Dan moet ik dadelijk—”“Ik raad u dat niet te doen, Bingham. Als ik u was, zou ik niet naar het hospitaal gaan. Houd u goed, en als gij kunt, geef mij wat te drinken—ik ben totaal van streek—ik moet iets hebben om mij wat op te wekken.”En hier zullen wij den begaafden en door de fortuin begunstigden man laten.Vaarwel, Geoffrey Bingham!
Een weinig vóór elven, kwam Geoffrey dien avond in stad—als een man, wien zijn leven lang een visioen bijbleef van dat bekoorlijk gelaat, dat nu in een onpeilbaar graf was gezonken. Wel mocht zulk een visioen den man bijblijven, die de eenige was, wien die nu koude lippen gekust hadden, en voor wien die verschrikkelijke daad bedreven was.
Hij nam eencaben beval den voerman hem naar Bolton Street te rijden en in ’t voorbijgaan aan zijn club stil te houden. Er waren misschien brieven gekomen, dacht hij—iets, dat zijn geest een weinig afleiding kon geven. Er was dan ook een brief, gemerkt “privé,” en een telegram; beiden waren dien avond bezorgd,zeide de portier; de eerste was, ongeveer een uur geleden, door een livreiknecht gebracht.
Hij zag het telegram in—het was van zijn zaakwaarnemers en luidde: “Uw neef, het kind van George Bingham, is, naar wij zooeven vernomen hebben, overleden. Wees zoo goed morgenochtend bij ons te komen.”
Dat telegram was voor Geoffrey van nogal eenige beteekenis. Het beteekende een baronetschap en een inkomen van ongeveer acht duizend pond ’s jaars. Wat zou Honoria verheugd zijn, dacht hij met een droevigen glimlach; het gemis van dat inkomen was altijd een bittere pil geweest, die zij hem telkens deed slikken. Welnu, daar was het. De arme jongen was altijd ziekelijk geweest—het kind van een oud man.
Hij stak het telegram in zijn zak, en stapte decabweer in. Bij het licht van het lampje, dat er in brandde, las hij den brief. Die was van den Eersten Minister, en luidde aldus:
“Waarde Bingham.—Ik heb u sedert Maandag niet gezien, om u dank te zeggen voor de uitmuntende redevoering, welke gij dien avond gehouden hebt. Vergun mij mijn gelukwenschingen bij die van ieder ander te voegen. Zooals gij weet, is de post van Onder-Secretaris bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken open. Ten behoeve van mijn ambtgenooten en van mijzelven, schrijf ik u dezen, om u te verzoeken of gij er in wilt toestemmen dien post tijdelijk waar te nemen. Ik zeg, tijdelijk, want wij achten dien niet geëvenredigd naar uw bekwaamheden. Hij zal echter dienstig zijn om u praktische ondervinding van administratie te geven, en wij zullen zelfs nog in ruimere mate dan nu het voordeel van uw groote talenten hebben. De toekomst kunnen wij, natuurlijk, niet vooruitloopen; maar, zooals gij weet, laat de gezondheid van Sir * * * veel te wenschen over, en onlangs zeide hij mij dat het twijfelachtig was of hij de werkzaamheden van Procureur Generaal nog wel veel langer zou kunnen waarnemen. Met het oog op die mogelijke gebeurtenis, heb ik er met den Lord Kanselier over gesproken, en hij zegt dat er geen zwarigheid zal zijn, omdat, hoewel gij nogslechts kort in de praktijk zijt geweest, gij toch reeds vele jaren als advocaat bekend staat. Of als dit vooruitzicht u niet naar den zin is, zal er mettertijd nog wel een andere Gouvernementspost te vinden zijn. In ons eigen belang, kunnen wij u niet lang voorbijgaan.”
Geoffrey glimlachte weemoedig, toen hij dien brief las. Wie had een jaar geleden kunnen gelooven dat hij nu op een standpunt zou staan om zulk een schrijven van den Eersten Minister van Engeland te ontvangen? Ach, dat was het geluk, dat de Schoen van een Drenkeling aanbracht, zooals de oude Eduard voorspeld had! En wat was voor hem dit alles nu waard?
Hij stak den brief en het telegram in zijn zak, en zag uit het portierraam. Decabreed Bolton Street in. Hoe zou het met Effie gaan? dacht hij. Het kind was nu het eenige wat hem was overgebleven om voor te zorgen. Als er met haar eens iets gebeurde—daar kon hij niet aan denken!
Nu was hij er. “Hoe is ’t met Effie?” vroeg hij den knecht, die hem de deur opendeed. Op dit oogenblik werd zijn opmerkzaamheid getrokken door een mannelijke en een vrouwelijke gedaante, die op den hoek van de straat stonden, de man met zijn arm om het middel van de vrouw geslagen. De vrouw kreeg decabin ’t oog en verdween dadelijk om den hoek. Het kwam hem voor dat haar gestalte veel overeenkomst had met die van Anne, de Franschebonne.
“Ik heb gehoord dat het met de jongejuffrouw heel goed gaat,” antwoordde de knecht.
Geoffrey haalde ruimer adem. “Waar is mevrouw?” vroeg hij. “In de kamer van de jongejuffrouw Effie?”
“Neen, mijnheer,” was het antwoord, “mevrouw is naar een bal gegaan. Zij heeft een briefje achtergelaten, in geval gij thuis mocht komen.”
Hij nam het briefje van de tafel in de vestibule, en brak het open.
“Waarde Geoffrey,” luidde het, “Effie is zooveel beter, dat ik besloten heb toch maar naar het bal van de hertogin te gaan. Zij zou zoo teleurgesteld zijn, als ik niet kwam, en mijn balkleed iszoo allerkeurigst! Had uw geheimzinnige zaak iets metBryngellyte maken?—”“De uwe,Honoria.”
“Waarde Geoffrey,” luidde het, “Effie is zooveel beter, dat ik besloten heb toch maar naar het bal van de hertogin te gaan. Zij zou zoo teleurgesteld zijn, als ik niet kwam, en mijn balkleed iszoo allerkeurigst! Had uw geheimzinnige zaak iets metBryngellyte maken?—”
“De uwe,
Honoria.”
“Zij zou regelrecht van haar moeders begrafenis naar een bal gaan,” zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij naar Effie’s kamer ging. “Dat ligt zoo in haar aard—dat is nu eenmaal niet anders.”
Toen hij Effie’s kamer binnenkwam, was er niemand in. Ja, toch!—op den vloer lag, in haar hemdje, zijn dochtertje, naar allen schijn dood.
Met iets, dat veel overeenkomst had met een vloek, sprong hij naar haar toe, en tilde haar op. Haar gezichtje was bleek, en haar handjes waren koud, maar haar borst was nog koortsachtig gloeiend, en haar hart klopte. Met een enkelen blik zag hij wat er gebeurd was. Het kind was alleen gelaten, had dorst gehad, en was uit haar bed gekomen en naar de tafel geloopen, waar een karaf met water stond—de karaf lag nu naast haar op den vloer. Toen had de zwakte haar overmand en was zij flauw gevallen.
Op dit oogenblik kwam Anne snel de kamer binnen, vriendelijk zeggende:“Ça va bien, chérie?”
“Help mij het kind te bed leggen,” zeide Geoffrey, op strengen toon. “Schel nu—schel nog eens.
“En nu op staanden voet mijn huis uit. Hoor je me niet? Neen, geen woord tegen. Dit zeg ik je, als het kind komt te sterven, zal ik je wegens manslag vervolgen; ja, ik heb je wel in de straat gezien,” en hij deed een schrede naar haar toe. Toen nam Anne de vlucht, en haar gezicht werd niet meer in Bolton Street gezien.
“James,” zeide Geoffrey tot den knecht, die op het schellen gekomen was, “zend de keukenmeid boven—zij is een bedaarde vrouw; en neem eencab, rijd naar den dokter, en verzoek hem dadelijk te komen, en als je hem niet thuis vindt, haal dan eenanderen dokter. Ga ook naar het ziekenverplegingsgesticht, bij het St. James’-Station, en zeg dat er oogenblikkelijk een verpleegster noodig is.”
“Ja, mijnheer. En moet ik maar meteen bij de hertogin haar Ladyschap gaan halen?”
“Neen,” antwoordde hij, het voorhoofd fronsende, “stoor haar Ladyschap niet. Ga nu.”
“Dat geeft den doorslag,” zeide Geoffrey, toen de man weg was. “Honoria en ik moeten scheiden. Ik heb met haar afgedaan.”
Dat had hij ook, ofschoon niet zooals hij het bedoelde. Het ware voor Honoria te wenschen geweest dat haar echtgenoot haar niet te zeer veracht had om haar van haar vermaak af te roepen.
De keukenmeid kwam boven, en met haar hulp bracht Geoffrey het kind weder tot haar bewustzijn.
Zij sloeg de oogen op en glimlachte. “Is u dat, paatje,” fluisterde zij, “of droom ik?”
“Ja, lieve, ik ben het.”
“Waar is u geweest, paatje—bij tante Beatrice?”
“Ja, lieve,” zeide hij, met een gesmoorde stem.
“O, paatje, ik heb zoo’n raar gevoel in mijn hoofd; maar dat zal wel overgaan nu ik u weer bij me heb. U zult niet weer heengaan, niet waar, paatje?”
“Neen, lieve, ik ga niet weer heen.”
Daarna begon zij een weinig te ijlen, en eindelijk viel zij in een onrustigen slaap.
Binnen een half uur kwamen de dokter en de verpleegster. De eerstgenoemde luisterde naar Geoffrey’s mededeeling, en onderzocht de kleine patiënt.
“Zij zal het er wel doorhalen,” zeide hij; “zij heeft een gezond gestel; maar als zij een minuut langer in dien tocht had gelegen, zou het met haar gedaan zijn geweest. Gij kwaamt nog juist bij tijds. En nu zou ik, als ik u was, naar bed gaan. Gij kunt hier geen goed doen, en gij ziet er zelf slecht uit.”
Maar Geoffrey schudde het hoofd. Hij zeide dat hij naar benedenzou gaan, om een pijp te rooken. Hij wilde nog niet naar bed gaan; hij was te vermoeid.
Op het bal ging het intusschen vroolijk toe. Nooit in haar leven had Lady Honoria zich meer vermaakt dan nu. Zij genoot in de weelderige pret om haar heen als een vlinder in den zonneschijn. Wat was dat allesverrukkelijk—dat flonkeren van juweelen, die geur van kostbare bloemen, die hulde van welgemanierde mannen, die afgunst van andere vrouwen! O, het was toch een heerlijke wereld, als men maar niet op een eerste verdieping bij Edgware Road behoefde te wonen. Maar met eerste verdiepingen en bekrimpen was het, dank zij Geoffrey’s talenten, gedaan. En wat zijn gril voor dat Welsche meisje betrof, och, als er maar geen openlijk schandaal van kwam, gaf zij daar eigenlijk niets om.
“Het doet mij genoegen dat ge mijn toilet bewondert. Ik geloof ook zelve dat het wel gezien mag worden, maar ik zeg altijd, er is in geheel Londen geen modiste, die Madame Jules in het maken van een kleed evenaart. O, neen, Geoffrey heeft het niet gekozen; die heeft wel over andere dingen te denken.”
“Gij moet wel trotsch op hem zijn, Lady Honoria,” zeide de knappe officier van de Lijfwacht, met wien zij sprak; “men zegt dat hij een van de knapste mannen in Engeland is. Ik wenschte dat ik een vijftigste deel van zijn verstand had.”
“O, word, als ’t u belieft, niet knap, Lord Atleigh, och neen, of ik wil niets meer met u te doen hebben. Knapheid is goed en wel, maar ’t is niet alles. Ja, ik wil wel met u dansen, maar bedaard, en, ronduit gezegd, ben ik bang in die volte mijn kanten garneersel te scheuren. Ei zie, daar is Garsington, mijn broeder,” en zij wees naar een klein man, met rood haar, die zich door de volle zaal een weg naar haar toe baande. “Wat zou die hier komen doen?Balsvallen anders volstrekt niet in zijn smaak. Ge kent hem zeker, niet waar? Hij is altijd bij de wedrennen, evenals gij.”
Maar de officier van de Lijfwacht was verdwenen. Hij had erzijn redenen voor, om Garsington niet gaarne te ontmoeten. Misschien was hij ook lid van zekere club geweest.
“O, zijt ge daar, Honoria,” zeide haar broeder, “ik dacht wel dat ik u hier in dit gedrang zou vinden. Ik heb u wat te zeggen.”
“Goed of slecht nieuws?”’ vroeg Lady Honoria, met haar waaier spelende. “Als het slecht nieuws is, houd het dan maar voor u, want ik vermaak mij veel te goed dan dat ik mijn avond bedorven wil hebben.”
“Dat vertrouw ik ook wel van u, Honoria; maar ’t is verduiveld goed nieuws, bijna zulk goed nieuws als iets voor uw wijsneus van een man maar wezen kan. Wat denkt ge wel?—die jongen, de zoon van den ouden Sir Robert Bingham en de keukenmeid van dezen of genen, je weet wel, is—”
“Toch niet dood, niet dood?” riep Honoria in hevige opgewondenheid uit.
“Ja, zoo dood als een pier,” antwoordde zijn Lordschap. “Ik hoorde het in de club. Daar dineert een zaakwaarnemer, en die sprak met een ander over Bingham, en toen zeide de zaakwaarnemer: ‘O, hij is nu Sir Geoffrey Bingham. De erfgenaam van den ouden Sir Robert is dood. Ik heb zelf het telegram gezien.’”
“O, dat is bijna te goed om waar te zijn,” zeide Honoria. “Dat is een inkomen van acht duizend pond ’s jaars.”
“Ik heb u immers gezegd, dat het goed nieuws was,” hernam haar broeder. “Ge moogt mij wel van dat geld een aanstelling koopen. Laten we in allen gevalle op het heuglijk nieuws gaan drinken. Kom, ’t is tijd voor het souper, en ik ben doodmoe. Ik moet me wat verkwikken.”
Lady Honoria nam zijn arm. Terwijl zij de breede, met bloemen behangen trap afliepen, ontmoetten zij een voornaam personage.
“Ha, Lady Honoria,” zeide die groote man, “ik heb u iets te zeggen, dat u zeker genoegen zal doen,” en hij boog zich naar haar toe en sprak zeer zacht, waarna hij met een buiging voortliep.
“Wat had die oude jongen u te vertellen?” vroeg haar broeder.
“Wat denkt ge wel? ’t Is een geluksavond voor ons.Hijzegt dat de post van Onder-Secretaris aan het Ministerie van Binnenlandsche zaken Geoffrey aangeboden is.”
“Dan zal hij opgeblazener dan ooit worden,” bromde Lord Garsington. “Ja, dat is wel veel geluk opeens. Laten we hopen dat het maar geen keer neemt.”
Zij gingen soupeeren, en Lord Garsington, die reeds gedineerd had, bediende zich rijkelijk van champagne. Een zilveren candelabre stond voor hem, en over elk van de kaarsen was een geschilderd papieren kap. Een daarvan stond scheef, en een lakei beproefde ze terecht te zetten, door over Lord Garsington’s hoofd heen te reiken.
“Ikzal het wel doen,” zeide hij.
“Neen, neen, laat dien man begaan,” sprak Lady Honoria. “Zie, de kap zal in brand geraken.”
“Gekheid,” antwoordde hij, opstaande en zijn arm naar de kap uitstrekkende. Door zijn aanraking had de kap werkelijk vlam gevat. Hij greep ze, en deed een poging om de vlam uit te blusschen, maar brandde daarbij zijn vingers.
“Vervloekt ding!” riep hij, en wierp de kap van zich af. Zij viel vlammend op het kleed van zijn zuster, in het dikst van het kanten garneersel; de vlam deelde zich dadelijk daaraan mede, en twee kronkelende slangen van vuur schoten langs haar omhoog. Zij sprong van haar stoel op, en vloog gillend door de kamer, als een akelige vlammende massa.
Tien minuten later had Lady Honoria deze wereld en al haar vermaken overgelaten aan hen, die nog leefden om er genot van te hebben.
Een uur verliep. Geoffrey zat nog, in diep gepeins verzonken, in zijn studeerkamer zijn pijp te rooken en op Honoria te wachten, toen er aan de deur werd geklopt. De dienstboden waren naar bed gegaan, alleen de ziekenverpleegster nog waakte. Hij stond op en deed zelf open. Een roodharig bleek man trad waggelend binnen.
“Hoe, Garsington, zijt gij het? Wat komt gij op dit uur doen?”
“Houd u goed, Bingham, ik heb u iets te zeggen,” antwoordde hij, met een dikke tong.
“Wat is het? Een nieuwe ramp zeker! Is er nog iemand dood?
“Ja, zoo is ’t! Honoria is dood. Op het bal verbrand.”
“Groote God! Honoria verbrand. Dan moet ik dadelijk—”
“Ik raad u dat niet te doen, Bingham. Als ik u was, zou ik niet naar het hospitaal gaan. Houd u goed, en als gij kunt, geef mij wat te drinken—ik ben totaal van streek—ik moet iets hebben om mij wat op te wekken.”
En hier zullen wij den begaafden en door de fortuin begunstigden man laten.
Vaarwel, Geoffrey Bingham!
Naschrift.Zoo bewerkten dan die menschelijke atomen hun lot—die korrels bezield stof, ginds en herwaarts geblazen door een wind, niemand weet van waar hij komt.Indien er onder de Machten om ons heen een boos Beginsel is, dat vermaak schept in de nietige grillen der menschen, mocht het wel lachen om de gevolgen van dit plannen smeden, van al die begeerten, al die liefde en haat; en als er een meedoogend Beginsel is, mocht het wel zuchten om het treffende van menschelijke hulpeloosheid. Owen Davies, in zijn eigen hartstocht verloren gegaan; Geoffrey, met voorspoed naar de wereld bekroond, en met altijddurende droefheid bezocht; Honoria, ellendig omgekomen op het oogenblik van bevredigde eerzucht; Elisabeth, haar doel bereikende om het in het graf te verliezen; Beatrice, zichzelve uit liefde enverblindheid opofferende, en daardoor haar vreugde van zich werpende. O, indien zij zich vergenoegd had met nederig op de Voorzienigheid te vertrouwen; als zij die wanhopige daad slechts één week ongedaan had gelaten!Maar Geoffrey leefde nog, en zijn kind herstelde, na een poos tusschen leven en dood gezweefd te hebben, en werd hem tot zijn vertroosting gelaten. Moge zij in leven blijven, om een gelukkige vrouw en moeder te worden, om onder gunstiger omstandigheden tot haar welzijn te leven dan die dat dwalende meisje, de ongelukkige, edele Beatrice, in den dood joegen en het hart van haar vader braken.Wat zijn wij? Wij zijn slechts door onrust gevleugelde pijlen, die van duisternis in duisternis geschoten worden; wij zijn blinde leiders van de blinden, doellooze schermers in de lucht, verdwaalde reizigers langs steenen paden, die alle op hetzelfde einde uitloopen. En zij, die het gewone treurspel hebben uitgespeeld en door de enge poort zijn gegaan, kunnen zij ons zeggen wat daarachter ligt? Zij zwijgen, of wij kunnen hen niet hooren spreken.Maar Beatrice kan het nu weten!Einde.
Zoo bewerkten dan die menschelijke atomen hun lot—die korrels bezield stof, ginds en herwaarts geblazen door een wind, niemand weet van waar hij komt.
Indien er onder de Machten om ons heen een boos Beginsel is, dat vermaak schept in de nietige grillen der menschen, mocht het wel lachen om de gevolgen van dit plannen smeden, van al die begeerten, al die liefde en haat; en als er een meedoogend Beginsel is, mocht het wel zuchten om het treffende van menschelijke hulpeloosheid. Owen Davies, in zijn eigen hartstocht verloren gegaan; Geoffrey, met voorspoed naar de wereld bekroond, en met altijddurende droefheid bezocht; Honoria, ellendig omgekomen op het oogenblik van bevredigde eerzucht; Elisabeth, haar doel bereikende om het in het graf te verliezen; Beatrice, zichzelve uit liefde enverblindheid opofferende, en daardoor haar vreugde van zich werpende. O, indien zij zich vergenoegd had met nederig op de Voorzienigheid te vertrouwen; als zij die wanhopige daad slechts één week ongedaan had gelaten!
Maar Geoffrey leefde nog, en zijn kind herstelde, na een poos tusschen leven en dood gezweefd te hebben, en werd hem tot zijn vertroosting gelaten. Moge zij in leven blijven, om een gelukkige vrouw en moeder te worden, om onder gunstiger omstandigheden tot haar welzijn te leven dan die dat dwalende meisje, de ongelukkige, edele Beatrice, in den dood joegen en het hart van haar vader braken.
Wat zijn wij? Wij zijn slechts door onrust gevleugelde pijlen, die van duisternis in duisternis geschoten worden; wij zijn blinde leiders van de blinden, doellooze schermers in de lucht, verdwaalde reizigers langs steenen paden, die alle op hetzelfde einde uitloopen. En zij, die het gewone treurspel hebben uitgespeeld en door de enge poort zijn gegaan, kunnen zij ons zeggen wat daarachter ligt? Zij zwijgen, of wij kunnen hen niet hooren spreken.
Maar Beatrice kan het nu weten!
Einde.