Chapter 10

Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij de verst verwijderde generatiën nimmer zoodanig kunnen worden, dat de controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer aarde is.Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond, de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben, en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist, zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk derzelve ons er mede bekend zou maken11.Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken, dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen.Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken, benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt.Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwangslechts bij den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het ligchaamuitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit (van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden, kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken, dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen.Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt: “ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere volgen.” Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen van eerstgemelde oorzakenkunnen vergrooten, maar ook verkleinen en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante oorzaken ontkent, maakt (zie blz.112) van de wereld een warboel, de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis van hetgeen er met hen voorvalt de op blz.178gemelde controlerende aanschouwing meer overtreft.Op blz.67hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar, betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheidvan ons bestaan, zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval, kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz.151) meer nieuwe denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden, dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn, wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was.De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe grootdie eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering van een feit, voor2njaren plaats gegrepen, minder met die van een dergelijk feit, voornjaren geschiedt, verschillen dan die laatste herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft plaats gehad.Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende, die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn, al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige grootheid12. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid, omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan, hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan 1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedtis, weten wij zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz.30. Sommige geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten.Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke waarde. Op blz.31hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking der traagheid, naarmate een organisch wezen snellerverandert, deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert, geschiktere ligchamen bezit.Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie vroeger bij de achtervolgende generatiënvan den stamboom van het menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen er van vormen.Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van den op blz.185gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van denkbeelden, moet deze zie blz.115en 178 eene zeer groote mate van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan13. Nu zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormender later te verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting in geestontwikkeling voornamelijk afhangt.Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling, wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend in de behandeling van den boog.Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt, kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken zamenstellen.Op blz.174hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, zoodat, deze bij hetheelal niet bestaande, alle denking zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze, er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan sprake kan zijn.Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz.144gezegd, dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen, dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor onsmenschen mogelijk en kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen ongerijmd zijn.Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen, terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken.Bij het op blz.185gemelde hebben wij het oog gehad op eene preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij, annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz.169gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten, denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden.Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na den dood van hetligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheiddoor beweging. Op blz.158hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen, bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend iets, niet aanneembaar is.De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders.Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in grootte toeneemt door afscheidingen uit massa’s voedsel, wier aard op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan, terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze dient zie blz.151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling, meer te vergrooten, naarmate die toenemingder geestontwikkeling gedurende meer tijd heeft plaats gehad14. Daar, na het komen van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen door het geloof,omdatdit geloof gewaand werd in te houden begrippen verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel, bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen.De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en ongehinderd doorkruisen zij anderedergelijke zich in andere rigtingen golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande, bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft (iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij zich er bij.Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden, waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij, navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan op het oog in rust15. Even als nu het wezen van ligchamen in het algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard der localiteit daar ginds, wederstil te staan, zoo kan dit, naar ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze, zie blz.165en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz.144is reeds gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te weeg brengen.Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun vertrek van het op blz.161gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen.Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer algemeene oorzaken bepaald worden.Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de verzameling bollenm, aan de middelpuntszijde van gene gelegen, en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der bollenverzamelingn, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen, onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans, dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en, zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken, als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollenn, gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de verzameling van bollenm, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is, zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken, aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollenngepaard gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollenm, zoodat de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische stroomen opgevat zie blz.192) naar de bollen der verzamelingnzenden16.De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals op blz.143gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken, en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar toetrekken17.Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren, en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt, iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in ontwikkeling toenamen, dan op blz.157gezegd is door onze gansche planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten.De oorzaak van het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste, voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie blz.143niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat, naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen, dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei, van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate, naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen) afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat, even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt, of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet absoluut volmaakt zijn. De op blz.194gemelde levensstroom, bepalende de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking weder annex kan wordenaan stofmassas er voor geschiktheid bezittende, en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die, gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn.Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van blz.161afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan hij uitgaat.Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz.143wel van de eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te doen, het sterven te weeg brengt18. Welvarender ligchamen moet zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en aldus den op blz.194gemelden levensstroom er naar toe trekken, terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van den groei der ligchamen moet bevorderen.Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz.30) bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets hooger voor de bolverzamelingnvan blz.193dan voor diemgenaamd) overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen, doch, even als de op blz.28gemelde locomotief het paard helpt om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz.194gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen, welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de vrucht naar de werkdadigheidder hieraan annex zijnde bijzondere denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der oude talen in stand te houden.De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij den geestelijken aanleg, die, zooals op blz.150gezegd is, met de geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke betrekking ten doel heeft.Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer, ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen.Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen, tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn19.Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen, zullen zij, zooals op blz.160gezegd is, betrekkelijk trager bewegen en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te weeg brengen, terwijl de op blz.94gemelde terugtrekkende werkingen geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz.169) in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen.Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide, bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen;4o.het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof, benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter; doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten noodwendig begrensd zijn.Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch, wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz.5verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren, hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden, naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelenvan bestaan van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen20.Op blz.9en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond en luchtgesteldheid, en op blz.26, dat de verschillen in lucht en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz.9, de verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen, dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz.24voor een deel de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie blz.30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid, zie blz.41later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als iets verouderd beschouwd moeten worden.Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitiefelk der zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de toeneming der beschaving (zie blz.26) juist het tegenovergestelde namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen, zie blz.12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds plaats gehad, stammen hebben, (zie blz.12) stammen teruggedrongen, of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed, zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen (zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag, naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hunvaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen, (zie blz.13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden.

Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij de verst verwijderde generatiën nimmer zoodanig kunnen worden, dat de controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer aarde is.Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond, de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben, en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist, zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk derzelve ons er mede bekend zou maken11.Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken, dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen.Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken, benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt.Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwangslechts bij den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het ligchaamuitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit (van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden, kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken, dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen.Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt: “ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere volgen.” Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen van eerstgemelde oorzakenkunnen vergrooten, maar ook verkleinen en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante oorzaken ontkent, maakt (zie blz.112) van de wereld een warboel, de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis van hetgeen er met hen voorvalt de op blz.178gemelde controlerende aanschouwing meer overtreft.Op blz.67hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar, betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheidvan ons bestaan, zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval, kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz.151) meer nieuwe denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden, dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn, wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was.De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe grootdie eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering van een feit, voor2njaren plaats gegrepen, minder met die van een dergelijk feit, voornjaren geschiedt, verschillen dan die laatste herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft plaats gehad.Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende, die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn, al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige grootheid12. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid, omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan, hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan 1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedtis, weten wij zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz.30. Sommige geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten.Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke waarde. Op blz.31hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking der traagheid, naarmate een organisch wezen snellerverandert, deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert, geschiktere ligchamen bezit.Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie vroeger bij de achtervolgende generatiënvan den stamboom van het menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen er van vormen.Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van den op blz.185gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van denkbeelden, moet deze zie blz.115en 178 eene zeer groote mate van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan13. Nu zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormender later te verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting in geestontwikkeling voornamelijk afhangt.Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling, wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend in de behandeling van den boog.Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt, kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken zamenstellen.Op blz.174hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, zoodat, deze bij hetheelal niet bestaande, alle denking zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze, er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan sprake kan zijn.Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz.144gezegd, dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen, dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor onsmenschen mogelijk en kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen ongerijmd zijn.Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen, terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken.Bij het op blz.185gemelde hebben wij het oog gehad op eene preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij, annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz.169gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten, denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden.Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na den dood van hetligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheiddoor beweging. Op blz.158hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen, bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend iets, niet aanneembaar is.De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders.Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in grootte toeneemt door afscheidingen uit massa’s voedsel, wier aard op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan, terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze dient zie blz.151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling, meer te vergrooten, naarmate die toenemingder geestontwikkeling gedurende meer tijd heeft plaats gehad14. Daar, na het komen van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen door het geloof,omdatdit geloof gewaand werd in te houden begrippen verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel, bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen.De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en ongehinderd doorkruisen zij anderedergelijke zich in andere rigtingen golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande, bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft (iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij zich er bij.Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden, waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij, navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan op het oog in rust15. Even als nu het wezen van ligchamen in het algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard der localiteit daar ginds, wederstil te staan, zoo kan dit, naar ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze, zie blz.165en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz.144is reeds gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te weeg brengen.Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun vertrek van het op blz.161gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen.Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer algemeene oorzaken bepaald worden.Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de verzameling bollenm, aan de middelpuntszijde van gene gelegen, en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der bollenverzamelingn, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen, onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans, dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en, zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken, als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollenn, gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de verzameling van bollenm, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is, zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken, aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollenngepaard gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollenm, zoodat de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische stroomen opgevat zie blz.192) naar de bollen der verzamelingnzenden16.De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals op blz.143gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken, en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar toetrekken17.Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren, en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt, iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in ontwikkeling toenamen, dan op blz.157gezegd is door onze gansche planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten.De oorzaak van het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste, voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie blz.143niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat, naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen, dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei, van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate, naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen) afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat, even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt, of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet absoluut volmaakt zijn. De op blz.194gemelde levensstroom, bepalende de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking weder annex kan wordenaan stofmassas er voor geschiktheid bezittende, en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die, gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn.Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van blz.161afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan hij uitgaat.Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz.143wel van de eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te doen, het sterven te weeg brengt18. Welvarender ligchamen moet zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en aldus den op blz.194gemelden levensstroom er naar toe trekken, terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van den groei der ligchamen moet bevorderen.Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz.30) bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets hooger voor de bolverzamelingnvan blz.193dan voor diemgenaamd) overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen, doch, even als de op blz.28gemelde locomotief het paard helpt om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz.194gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen, welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de vrucht naar de werkdadigheidder hieraan annex zijnde bijzondere denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der oude talen in stand te houden.De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij den geestelijken aanleg, die, zooals op blz.150gezegd is, met de geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke betrekking ten doel heeft.Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer, ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen.Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen, tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn19.Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen, zullen zij, zooals op blz.160gezegd is, betrekkelijk trager bewegen en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te weeg brengen, terwijl de op blz.94gemelde terugtrekkende werkingen geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz.169) in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen.Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide, bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen;4o.het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof, benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter; doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten noodwendig begrensd zijn.Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch, wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz.5verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren, hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden, naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelenvan bestaan van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen20.Op blz.9en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond en luchtgesteldheid, en op blz.26, dat de verschillen in lucht en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz.9, de verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen, dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz.24voor een deel de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie blz.30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid, zie blz.41later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als iets verouderd beschouwd moeten worden.Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitiefelk der zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de toeneming der beschaving (zie blz.26) juist het tegenovergestelde namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen, zie blz.12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds plaats gehad, stammen hebben, (zie blz.12) stammen teruggedrongen, of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed, zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen (zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag, naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hunvaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen, (zie blz.13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden.

Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij de verst verwijderde generatiën nimmer zoodanig kunnen worden, dat de controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer aarde is.

Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond, de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben, en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist, zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk derzelve ons er mede bekend zou maken11.

Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken, dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen.

Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken, benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt.

Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwangslechts bij den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het ligchaamuitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit (van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden, kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken, dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen.

Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt: “ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere volgen.” Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen van eerstgemelde oorzakenkunnen vergrooten, maar ook verkleinen en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante oorzaken ontkent, maakt (zie blz.112) van de wereld een warboel, de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis van hetgeen er met hen voorvalt de op blz.178gemelde controlerende aanschouwing meer overtreft.

Op blz.67hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar, betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheidvan ons bestaan, zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval, kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz.151) meer nieuwe denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden, dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn, wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was.

De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe grootdie eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering van een feit, voor2njaren plaats gegrepen, minder met die van een dergelijk feit, voornjaren geschiedt, verschillen dan die laatste herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft plaats gehad.

Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende, die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn, al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige grootheid12. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid, omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan, hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan 1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedtis, weten wij zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz.30. Sommige geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten.

Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke waarde. Op blz.31hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking der traagheid, naarmate een organisch wezen snellerverandert, deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert, geschiktere ligchamen bezit.

Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie vroeger bij de achtervolgende generatiënvan den stamboom van het menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen er van vormen.

Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van den op blz.185gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van denkbeelden, moet deze zie blz.115en 178 eene zeer groote mate van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan13. Nu zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormender later te verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting in geestontwikkeling voornamelijk afhangt.

Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling, wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend in de behandeling van den boog.

Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt, kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken zamenstellen.

Op blz.174hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, zoodat, deze bij hetheelal niet bestaande, alle denking zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze, er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan sprake kan zijn.

Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz.144gezegd, dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen, dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor onsmenschen mogelijk en kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen ongerijmd zijn.

Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen, terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken.

Bij het op blz.185gemelde hebben wij het oog gehad op eene preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij, annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz.169gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten, denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden.

Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na den dood van hetligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheiddoor beweging. Op blz.158hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen, bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend iets, niet aanneembaar is.

De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders.

Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in grootte toeneemt door afscheidingen uit massa’s voedsel, wier aard op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan, terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze dient zie blz.151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling, meer te vergrooten, naarmate die toenemingder geestontwikkeling gedurende meer tijd heeft plaats gehad14. Daar, na het komen van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen door het geloof,omdatdit geloof gewaand werd in te houden begrippen verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel, bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen.

De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en ongehinderd doorkruisen zij anderedergelijke zich in andere rigtingen golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande, bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft (iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij zich er bij.

Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden, waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij, navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan op het oog in rust15. Even als nu het wezen van ligchamen in het algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard der localiteit daar ginds, wederstil te staan, zoo kan dit, naar ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze, zie blz.165en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz.144is reeds gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te weeg brengen.

Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun vertrek van het op blz.161gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen.

Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer algemeene oorzaken bepaald worden.

Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de verzameling bollenm, aan de middelpuntszijde van gene gelegen, en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der bollenverzamelingn, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen, onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans, dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en, zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken, als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollenn, gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de verzameling van bollenm, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is, zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken, aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollenngepaard gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollenm, zoodat de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische stroomen opgevat zie blz.192) naar de bollen der verzamelingnzenden16.

De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals op blz.143gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken, en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar toetrekken17.

Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren, en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt, iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in ontwikkeling toenamen, dan op blz.157gezegd is door onze gansche planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten.De oorzaak van het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste, voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie blz.143niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat, naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen, dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei, van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate, naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen) afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat, even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt, of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet absoluut volmaakt zijn. De op blz.194gemelde levensstroom, bepalende de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking weder annex kan wordenaan stofmassas er voor geschiktheid bezittende, en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die, gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn.

Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van blz.161afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan hij uitgaat.

Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz.143wel van de eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te doen, het sterven te weeg brengt18. Welvarender ligchamen moet zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en aldus den op blz.194gemelden levensstroom er naar toe trekken, terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van den groei der ligchamen moet bevorderen.

Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz.30) bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets hooger voor de bolverzamelingnvan blz.193dan voor diemgenaamd) overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen, doch, even als de op blz.28gemelde locomotief het paard helpt om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz.194gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen, welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de vrucht naar de werkdadigheidder hieraan annex zijnde bijzondere denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der oude talen in stand te houden.

De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij den geestelijken aanleg, die, zooals op blz.150gezegd is, met de geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke betrekking ten doel heeft.

Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer, ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen.

Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen, tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn19.

Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen, zullen zij, zooals op blz.160gezegd is, betrekkelijk trager bewegen en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te weeg brengen, terwijl de op blz.94gemelde terugtrekkende werkingen geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz.169) in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen.

Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide, bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen;4o.het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof, benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter; doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten noodwendig begrensd zijn.

Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch, wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz.5verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren, hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden, naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelenvan bestaan van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen20.

Op blz.9en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond en luchtgesteldheid, en op blz.26, dat de verschillen in lucht en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz.9, de verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen, dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz.24voor een deel de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie blz.30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid, zie blz.41later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als iets verouderd beschouwd moeten worden.

Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitiefelk der zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de toeneming der beschaving (zie blz.26) juist het tegenovergestelde namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen, zie blz.12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds plaats gehad, stammen hebben, (zie blz.12) stammen teruggedrongen, of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed, zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen (zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag, naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hunvaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen, (zie blz.13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden.


Back to IndexNext