Chapter 4

Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen snuit gevorderd wordende.Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze, in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten, geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen op blz.9gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween6.Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz.7gemelde neiging tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in verschillende landen kunnen ontstaan.De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde, hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen, kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen inAfrika, aan de gestreepte tijgers inAzië, en aan de jaguars inZ.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan, was hiervoor voldoende.De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor eene nieuwe vaarwel gezegdhebben, kunnen zij, wegens de werking der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan, bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers, ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.Om de op blz.30ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten komen.7Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken, dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren, of zeevakken gevoerd worden.Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm aangenomen hebben.Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter, dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen gebragt heeft, zie blz.12.Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de volken waargenomen.Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker dan die tot verhooging gewordenzijn en zij aldus, na een tijdelijke achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen, zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede achteruit doen gaan.Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben, zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers.Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval.Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstigehoogte te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger zullen zijn.8Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling, vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning, waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid, zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren val mede.Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van den inval der barbaren.In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid en vervangtden blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande dapperheid.De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien.Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts een leven der eersten ten koste der laatsten.Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren; terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt.Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft, zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz.43, hunne positie omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na de middeleeuwen, de meest beschaafdeGalliers (onder anderen die tot geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben.Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne meerderheid in geestontwikkeling, want op blz.28hebben wij aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken.Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten, en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de roofdieren het geval is.Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid te vervaardigen enz.Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene accidentele oorzaken van de op blz.22gemelde constante oorzaak tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke diersoort, over anderenin ontwikkeling lager dan zij staande soorten, eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten overheerscht worden.Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin van vooruitgang geene sprake meer zou zijn.De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende, de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen.De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar ook zijne geldelijke belangentegenover zijne bazen of werkgevers moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger prooijen kan vangen,het niet ruimer en rustiger dan toen hebben, zoo (zie blz.38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn.De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor eerstgemelde worden.Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te doen worden.Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook de positie verhoogd hebben.Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere onderdanen van Rome er in gedaald zijn.Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn, zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen.Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen, der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven, maar beiden in talent toenemen.Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen zulk eene streek meer opeengehoopt zijn.De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven, zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken, zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer dan het noodige zouden hebben.Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaanwerken, ten einde minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor hem wordt.Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer tijd de op blz.7gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde landdieren aanwezig waren.De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz.27) derzelver ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz.23gezegd is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende, allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen.Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der diersoortenopgehoudenzullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden verkeerende dieren bestaan dan thans.Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructienmogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing.De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz.27gemelden drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht werd, zeer weinig in gebreke.Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord) omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten.De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend, kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots tot vliegen doen.Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de Maatschappij, wegens de werking van accidenteleoorzaken, de verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl, wegens den op blz.27gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde van beiden verhoogt.De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt.Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen.Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid, het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware achterlijke kleederen dragen.Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te staan, groote rampenheeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen, sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren.Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering, daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd, dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn.Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden.Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden worden.Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te smal gevonden.Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de toegenomen behoeften vandien zeehandel dit kanaal te bekrompen hiervoor gemaakt.Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij, moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger dan wenschelijk is.Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl, eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen.Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de op blz.7gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel wegnemen.Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden, naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is.Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde rigten.Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering vanElizabeth, bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed.Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke kerk het schild van den staat vereischt worden.De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende, wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt) hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz.9Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook, naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt, zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten van bloed, maar dat niettemin bestaat.Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied, zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot defensieven oorlog.Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht aan zekere regels binden.De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt, belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan, dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen, doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten, vijandige elementen enz. gevoerd.10Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken, het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden dezer van de andere zijde.Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze tochderzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot gevolg hebben.Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd, dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later, wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere schalen aangelegdeen procedes, van hoogeren trap van beschaving getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés, zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het publiek nog te passen.Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit genomen hadden, zie blz.42. De bewerking van het ijzer in het groot en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval overeenkomende met dat op blz.13aangegeven. De gansche vernietiging van soorten van industriebehoort evenzeer tot de uitzondering, als, naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?Hetgeen op blz.21gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen, eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn, zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt moetendeworden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen van elk lid er van opgebragt wordt.11De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen, als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat, wanneerzulkeen arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite geven om niet te verarmenonder steeds toenemende druk, de eerste kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen gevallen; deels wordt belast hunarbeid, of wel dien der fabriekanten, waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen, zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen, die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz.21aangegeven bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal, daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande, veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zieblz.49) duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen, en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben.12Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat, na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke kapitaal zou vormen.

Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen snuit gevorderd wordende.Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze, in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten, geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen op blz.9gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween6.Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz.7gemelde neiging tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in verschillende landen kunnen ontstaan.De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde, hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen, kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen inAfrika, aan de gestreepte tijgers inAzië, en aan de jaguars inZ.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan, was hiervoor voldoende.De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor eene nieuwe vaarwel gezegdhebben, kunnen zij, wegens de werking der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan, bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers, ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.Om de op blz.30ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten komen.7Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken, dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren, of zeevakken gevoerd worden.Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm aangenomen hebben.Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter, dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen gebragt heeft, zie blz.12.Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de volken waargenomen.Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker dan die tot verhooging gewordenzijn en zij aldus, na een tijdelijke achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen, zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede achteruit doen gaan.Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben, zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers.Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval.Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstigehoogte te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger zullen zijn.8Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling, vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning, waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid, zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren val mede.Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van den inval der barbaren.In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid en vervangtden blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande dapperheid.De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien.Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts een leven der eersten ten koste der laatsten.Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren; terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt.Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft, zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz.43, hunne positie omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na de middeleeuwen, de meest beschaafdeGalliers (onder anderen die tot geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben.Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne meerderheid in geestontwikkeling, want op blz.28hebben wij aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken.Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten, en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de roofdieren het geval is.Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid te vervaardigen enz.Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene accidentele oorzaken van de op blz.22gemelde constante oorzaak tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke diersoort, over anderenin ontwikkeling lager dan zij staande soorten, eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten overheerscht worden.Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin van vooruitgang geene sprake meer zou zijn.De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende, de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen.De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar ook zijne geldelijke belangentegenover zijne bazen of werkgevers moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger prooijen kan vangen,het niet ruimer en rustiger dan toen hebben, zoo (zie blz.38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn.De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor eerstgemelde worden.Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te doen worden.Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook de positie verhoogd hebben.Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere onderdanen van Rome er in gedaald zijn.Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn, zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen.Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen, der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven, maar beiden in talent toenemen.Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen zulk eene streek meer opeengehoopt zijn.De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven, zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken, zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer dan het noodige zouden hebben.Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaanwerken, ten einde minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor hem wordt.Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer tijd de op blz.7gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde landdieren aanwezig waren.De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz.27) derzelver ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz.23gezegd is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende, allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen.Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der diersoortenopgehoudenzullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden verkeerende dieren bestaan dan thans.Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructienmogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing.De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz.27gemelden drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht werd, zeer weinig in gebreke.Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord) omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten.De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend, kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots tot vliegen doen.Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de Maatschappij, wegens de werking van accidenteleoorzaken, de verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl, wegens den op blz.27gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde van beiden verhoogt.De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt.Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen.Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid, het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware achterlijke kleederen dragen.Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te staan, groote rampenheeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen, sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren.Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering, daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd, dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn.Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden.Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden worden.Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te smal gevonden.Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de toegenomen behoeften vandien zeehandel dit kanaal te bekrompen hiervoor gemaakt.Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij, moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger dan wenschelijk is.Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl, eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen.Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de op blz.7gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel wegnemen.Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden, naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is.Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde rigten.Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering vanElizabeth, bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed.Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke kerk het schild van den staat vereischt worden.De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende, wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt) hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz.9Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook, naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt, zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten van bloed, maar dat niettemin bestaat.Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied, zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot defensieven oorlog.Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht aan zekere regels binden.De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt, belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan, dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen, doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten, vijandige elementen enz. gevoerd.10Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken, het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden dezer van de andere zijde.Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze tochderzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot gevolg hebben.Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd, dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later, wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere schalen aangelegdeen procedes, van hoogeren trap van beschaving getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés, zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het publiek nog te passen.Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit genomen hadden, zie blz.42. De bewerking van het ijzer in het groot en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval overeenkomende met dat op blz.13aangegeven. De gansche vernietiging van soorten van industriebehoort evenzeer tot de uitzondering, als, naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?Hetgeen op blz.21gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen, eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn, zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt moetendeworden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen van elk lid er van opgebragt wordt.11De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen, als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat, wanneerzulkeen arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite geven om niet te verarmenonder steeds toenemende druk, de eerste kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen gevallen; deels wordt belast hunarbeid, of wel dien der fabriekanten, waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen, zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen, die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz.21aangegeven bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal, daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande, veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zieblz.49) duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen, en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben.12Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat, na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke kapitaal zou vormen.

Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen snuit gevorderd wordende.

Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.

Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze, in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten, geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen op blz.9gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween6.Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz.7gemelde neiging tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in verschillende landen kunnen ontstaan.

De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde, hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen, kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen inAfrika, aan de gestreepte tijgers inAzië, en aan de jaguars inZ.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan, was hiervoor voldoende.

De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.

Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor eene nieuwe vaarwel gezegdhebben, kunnen zij, wegens de werking der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan, bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers, ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.

Om de op blz.30ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten komen.7Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken, dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren, of zeevakken gevoerd worden.

Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm aangenomen hebben.

Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.

De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter, dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen gebragt heeft, zie blz.12.

Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de volken waargenomen.

Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker dan die tot verhooging gewordenzijn en zij aldus, na een tijdelijke achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.

Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen, zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede achteruit doen gaan.

Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben, zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers.

Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval.

Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstigehoogte te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger zullen zijn.8

Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling, vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning, waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid, zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren val mede.

Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van den inval der barbaren.

In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid en vervangtden blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande dapperheid.

De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien.

Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts een leven der eersten ten koste der laatsten.

Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren; terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt.

Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft, zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz.43, hunne positie omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na de middeleeuwen, de meest beschaafdeGalliers (onder anderen die tot geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben.

Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne meerderheid in geestontwikkeling, want op blz.28hebben wij aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken.

Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten, en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de roofdieren het geval is.

Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid te vervaardigen enz.

Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene accidentele oorzaken van de op blz.22gemelde constante oorzaak tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke diersoort, over anderenin ontwikkeling lager dan zij staande soorten, eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten overheerscht worden.

Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin van vooruitgang geene sprake meer zou zijn.

De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende, de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen.

De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar ook zijne geldelijke belangentegenover zijne bazen of werkgevers moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger prooijen kan vangen,het niet ruimer en rustiger dan toen hebben, zoo (zie blz.38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn.

De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor eerstgemelde worden.

Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te doen worden.

Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook de positie verhoogd hebben.

Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere onderdanen van Rome er in gedaald zijn.

Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn, zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen.

Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen, der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven, maar beiden in talent toenemen.

Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen zulk eene streek meer opeengehoopt zijn.

De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven, zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken, zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer dan het noodige zouden hebben.

Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaanwerken, ten einde minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor hem wordt.

Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer tijd de op blz.7gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde landdieren aanwezig waren.

De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz.27) derzelver ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz.23gezegd is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende, allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen.

Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der diersoortenopgehoudenzullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden verkeerende dieren bestaan dan thans.

Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructienmogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing.

De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz.27gemelden drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht werd, zeer weinig in gebreke.

Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord) omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten.

De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend, kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots tot vliegen doen.

Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de Maatschappij, wegens de werking van accidenteleoorzaken, de verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl, wegens den op blz.27gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde van beiden verhoogt.

De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt.

Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen.

Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid, het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware achterlijke kleederen dragen.

Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te staan, groote rampenheeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen, sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren.

Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering, daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd, dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn.

Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden.

Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden worden.

Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te smal gevonden.

Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de toegenomen behoeften vandien zeehandel dit kanaal te bekrompen hiervoor gemaakt.

Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij, moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger dan wenschelijk is.

Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl, eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen.

Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de op blz.7gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel wegnemen.

Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden, naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is.

Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde rigten.

Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering vanElizabeth, bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed.

Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke kerk het schild van den staat vereischt worden.

De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende, wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt) hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz.9

Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook, naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt, zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten van bloed, maar dat niettemin bestaat.

Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied, zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot defensieven oorlog.

Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht aan zekere regels binden.

De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt, belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan, dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen, doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten, vijandige elementen enz. gevoerd.10

Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken, het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden dezer van de andere zijde.

Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze tochderzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot gevolg hebben.

Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.

Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd, dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later, wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere schalen aangelegdeen procedes, van hoogeren trap van beschaving getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés, zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.

Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het publiek nog te passen.

Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit genomen hadden, zie blz.42. De bewerking van het ijzer in het groot en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.

De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval overeenkomende met dat op blz.13aangegeven. De gansche vernietiging van soorten van industriebehoort evenzeer tot de uitzondering, als, naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.

Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.

Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?

Hetgeen op blz.21gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen, eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn, zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.

Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt moetendeworden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen van elk lid er van opgebragt wordt.11

De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen, als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat, wanneerzulkeen arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite geven om niet te verarmenonder steeds toenemende druk, de eerste kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.

Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen gevallen; deels wordt belast hunarbeid, of wel dien der fabriekanten, waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen, zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen, die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz.21aangegeven bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal, daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande, veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zieblz.49) duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen, en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben.12

Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat, na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke kapitaal zou vormen.


Back to IndexNext