Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkelingder menschen in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven, endesnietteminkunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken.Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen (iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten enkel voor het practisch nuttige te leven.Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens dan infusiediertjes bestaan, zie blz.30.Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde, zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij haar wat kleiner dan bij gene zijn.Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving, zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderlingDiogeneseen nap om uit te drinken.Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan.Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans inChinahet geval is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate, deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling toenemen.29De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vindenom den arbeid te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid evenveel wildbraad kunnen opleveren.Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere mate van hetgeen wij op bl.66eene lage soort van geestontwikkeling genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz.134wat minder primitief dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt, maar veel tijd mag wegnemen.Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschavingvan heden af stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn.Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen.Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk, zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds voor het ander geschikt kunnen blijven.De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het gebruik van(zie blz.97)meer verheven middelen van vervoer gespaard blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met hetgeen wij op blz.46gezegd hebben, dat namelijk bij de dierenhet bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval, edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen behandelen, in mindere mate, zie blz.66lagere, doch in sterkere mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens.1Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende.2Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor geregtvaardigd wordt.3Gemiddeld zullen (zieblz.52) de regeringsvormen wat ten achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij, en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen.4Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche afwijking der zedelijke ontwikkeling is.5Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de verschillende deelen der menschennatuur na Adams val.6Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz.72), de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen.7Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn, dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht te houden.8Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig partij trekt.9Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld.10Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat, doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de behoeften grooter zijn.11Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën constant te houden, zie hierover blz.83.12Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende werking bestaat),naar zich toe te halen.Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets bij de derde winding van de in noot blz.94gemelde veer, waardoor naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon, die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen, ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.13Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen, wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde) ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen, naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om dezelfde volgorde te behouden, zie blz.91.14Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in disharmonie is met zijne zielswerking.15Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort, hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.1617In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving, maar niet in zedelijke ontwikkeling.18De drang totvooruitgangbaart emancipatie, die tot geschiktmaking het kinderlijk en ondergeschikt houden.19Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer verheven aard wordt toegekend.20Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.21Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz.69.22Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.23De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken, en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd, als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn, doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door de saprijke vrucht wordt vervangen.24Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene, wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz.89en 93.25Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz.116gemelde wezens mogelijk zijn.26Zie hierover blz.233van ons werk get:Vervolg op het werk get.: door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.27Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal(zie blz.89en118)dit ten achterblijven sterker zijn.28Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten trap van beschaving, heeft, is op blz.83aangetoond.29Bij ons menschen dient, zie blz.138, de geestelijke ontwikkeling de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz.90, onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften die der dieren te doen naderen.
Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkelingder menschen in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven, endesnietteminkunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken.Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen (iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten enkel voor het practisch nuttige te leven.Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens dan infusiediertjes bestaan, zie blz.30.Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde, zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij haar wat kleiner dan bij gene zijn.Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving, zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderlingDiogeneseen nap om uit te drinken.Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan.Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans inChinahet geval is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate, deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling toenemen.29De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vindenom den arbeid te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid evenveel wildbraad kunnen opleveren.Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere mate van hetgeen wij op bl.66eene lage soort van geestontwikkeling genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz.134wat minder primitief dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt, maar veel tijd mag wegnemen.Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschavingvan heden af stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn.Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen.Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk, zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds voor het ander geschikt kunnen blijven.De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het gebruik van(zie blz.97)meer verheven middelen van vervoer gespaard blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met hetgeen wij op blz.46gezegd hebben, dat namelijk bij de dierenhet bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval, edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen behandelen, in mindere mate, zie blz.66lagere, doch in sterkere mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens.1Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende.2Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor geregtvaardigd wordt.3Gemiddeld zullen (zieblz.52) de regeringsvormen wat ten achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij, en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen.4Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche afwijking der zedelijke ontwikkeling is.5Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de verschillende deelen der menschennatuur na Adams val.6Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz.72), de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen.7Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn, dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht te houden.8Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig partij trekt.9Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld.10Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat, doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de behoeften grooter zijn.11Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën constant te houden, zie hierover blz.83.12Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende werking bestaat),naar zich toe te halen.Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets bij de derde winding van de in noot blz.94gemelde veer, waardoor naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon, die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen, ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.13Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen, wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde) ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen, naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om dezelfde volgorde te behouden, zie blz.91.14Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in disharmonie is met zijne zielswerking.15Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort, hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.1617In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving, maar niet in zedelijke ontwikkeling.18De drang totvooruitgangbaart emancipatie, die tot geschiktmaking het kinderlijk en ondergeschikt houden.19Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer verheven aard wordt toegekend.20Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.21Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz.69.22Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.23De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken, en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd, als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn, doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door de saprijke vrucht wordt vervangen.24Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene, wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz.89en 93.25Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz.116gemelde wezens mogelijk zijn.26Zie hierover blz.233van ons werk get:Vervolg op het werk get.: door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.27Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal(zie blz.89en118)dit ten achterblijven sterker zijn.28Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten trap van beschaving, heeft, is op blz.83aangetoond.29Bij ons menschen dient, zie blz.138, de geestelijke ontwikkeling de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz.90, onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften die der dieren te doen naderen.
Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkelingder menschen in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven, endesnietteminkunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken.
Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen (iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten enkel voor het practisch nuttige te leven.
Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens dan infusiediertjes bestaan, zie blz.30.
Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde, zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij haar wat kleiner dan bij gene zijn.
Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving, zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderlingDiogeneseen nap om uit te drinken.
Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan.
Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans inChinahet geval is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate, deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling toenemen.29
De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vindenom den arbeid te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid evenveel wildbraad kunnen opleveren.
Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere mate van hetgeen wij op bl.66eene lage soort van geestontwikkeling genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz.134wat minder primitief dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt, maar veel tijd mag wegnemen.
Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschavingvan heden af stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn.
Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen.
Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk, zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds voor het ander geschikt kunnen blijven.
De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het gebruik van(zie blz.97)meer verheven middelen van vervoer gespaard blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met hetgeen wij op blz.46gezegd hebben, dat namelijk bij de dierenhet bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval, edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen behandelen, in mindere mate, zie blz.66lagere, doch in sterkere mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens.
1Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende.2Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor geregtvaardigd wordt.3Gemiddeld zullen (zieblz.52) de regeringsvormen wat ten achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij, en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen.4Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche afwijking der zedelijke ontwikkeling is.5Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de verschillende deelen der menschennatuur na Adams val.6Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz.72), de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen.7Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn, dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht te houden.8Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig partij trekt.9Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld.10Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat, doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de behoeften grooter zijn.11Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën constant te houden, zie hierover blz.83.12Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende werking bestaat),naar zich toe te halen.Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets bij de derde winding van de in noot blz.94gemelde veer, waardoor naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon, die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen, ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.13Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen, wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde) ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen, naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om dezelfde volgorde te behouden, zie blz.91.14Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in disharmonie is met zijne zielswerking.15Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort, hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.1617In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving, maar niet in zedelijke ontwikkeling.18De drang totvooruitgangbaart emancipatie, die tot geschiktmaking het kinderlijk en ondergeschikt houden.19Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer verheven aard wordt toegekend.20Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.21Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz.69.22Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.23De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken, en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd, als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn, doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door de saprijke vrucht wordt vervangen.24Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene, wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz.89en 93.25Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz.116gemelde wezens mogelijk zijn.26Zie hierover blz.233van ons werk get:Vervolg op het werk get.: door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.27Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal(zie blz.89en118)dit ten achterblijven sterker zijn.28Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten trap van beschaving, heeft, is op blz.83aangetoond.29Bij ons menschen dient, zie blz.138, de geestelijke ontwikkeling de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz.90, onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften die der dieren te doen naderen.
1Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende.
2Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor geregtvaardigd wordt.
3Gemiddeld zullen (zieblz.52) de regeringsvormen wat ten achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij, en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen.
4Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche afwijking der zedelijke ontwikkeling is.
5Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de verschillende deelen der menschennatuur na Adams val.
6Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz.72), de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen.
7Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn, dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht te houden.
8Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig partij trekt.
9Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld.
10Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat, doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de behoeften grooter zijn.
11Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën constant te houden, zie hierover blz.83.
12Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende werking bestaat),naar zich toe te halen.
Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets bij de derde winding van de in noot blz.94gemelde veer, waardoor naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon, die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.
Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen, ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.
13Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen, wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde) ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen, naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om dezelfde volgorde te behouden, zie blz.91.
14Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in disharmonie is met zijne zielswerking.
15Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort, hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.
16
17In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving, maar niet in zedelijke ontwikkeling.
18De drang totvooruitgangbaart emancipatie, die tot geschiktmaking het kinderlijk en ondergeschikt houden.
19Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer verheven aard wordt toegekend.
20Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.
21Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz.69.
22Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.
23De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken, en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd, als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.
Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn, doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door de saprijke vrucht wordt vervangen.
24Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene, wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz.89en 93.
25Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz.116gemelde wezens mogelijk zijn.
26Zie hierover blz.233van ons werk get:Vervolg op het werk get.: door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.
27Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal(zie blz.89en118)dit ten achterblijven sterker zijn.
28Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten trap van beschaving, heeft, is op blz.83aangetoond.
29Bij ons menschen dient, zie blz.138, de geestelijke ontwikkeling de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz.90, onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften die der dieren te doen naderen.