DE IVOREN FLUITIBaldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van ’t Vagevuurstraatje—vlak over dewoonsteevan Agapieta die in de kerk de orgel speelde,—in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoekenvulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij ’t straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in ’t licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: „Onze Vader!... Onze Vader!...” en nog vele „Onze Vader”, want het volgende „die in de hemelen zijt” en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!’s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in ’t portaaltje van de pastorij; en ’s middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga’s in ’t zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.Zoo leefde hij door de dagen.En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: „Wat moete gij hebben?”Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: „Nikske, mijnheer Pastoor...konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor”.De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigenboomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, ’t woud was al klank, ’t was of alle boomen zongen, of ’t allenkant kristallen klokjes luiden!Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij een schraal muizenliedje!En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een wegperelend snoer van fijne trillers.„Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;” zei hij, „doe het ook alzoo” en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.Voorzichtig nam de simpele ze in handen,stopte de gaatjes dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos naar den heremiet tuurde.De heilige man hief de hand omhoog: „Ge moet aan God denken, mijn zoon, anders gaat het nooit”.En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze gegiechel van zooeven, schril en spottend.„Kom morgen terug”, zei de oude, „ik zal u leeren spelen. Als ge aan God denkt zal het wel gaan”.Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord had! Hij haaldezijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:„Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit”.En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!En elken dag trok hij ’s middags de bosschen in, en elken dag werd klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder ’t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den heiligen heremiet, Valentinus genaamd.Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.En op een dag—de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was klammig en hing alseen blauwe smoor onder de bolle boomen—vond Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: „Baldwienus, jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar ’k wil Hem nog eerst danken om ’t leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het vuur der Hel zal hen verslinden!...”Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen manzachtjes ingelegd. ’t Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: „Onze Vader... Onze Vader...”Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in ’t loover der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.Nu zou hij kunnen bidden!...En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en de sterren.De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God,en langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, slikten hun orgelende tonen in en luisterden.Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en kwezels,die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het vrome volkske dacht aan een mirakel...Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over den heiligen Moyzes—die in Ethiopië leefde want hij was zwart van koleur—voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur maan-beschenen handen de witte toetsen van ’t klavier, toen het lied zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht rondde de zilveren maan, en opdaken en geveltjes lag de kleerte als een ijle, glanzende poeder...Was het de maan die zong?...En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en ’t wierd heur of ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde in een gouden klankenstraal die rees... rees...Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaagensloot zich met een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus toeslaan... t’allenkanten gingen er vensters dicht... en in de veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. „Och”, dacht ze, „zoo ietslaat zich geen twee maal hooren”. Ze legde zich te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven engel die hier gemusiceerd had.Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo’n schoonen zang van een simpel aarde-kind te ontvangen!In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen door de stuwende golving van ’t orgel, zou laten perelen uit de hooge, zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen voorzingen wat ze ’s anderendaags spelen moet ter eere van dezen of genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de andere zusters.Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen in de mis en ’t heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden koffie.Ze glimlachte hoogmoedig toen ze „goen morgen” zei. Maar als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: „Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?” Ze wierd wit van ’t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den heerlijken, nachtelijken droom.En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het streng-geplooide laken, denHeer om jonge kracht opdat heur spel nog schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het plechtige orgel, dan ’t eentonig gefluit...Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op ’t oxaal. De kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen ’t belgerinkel en den wierookgeur naar ’t altaar stapte, deed het heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleidingvoor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en weder-zang, ’n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta alleen zou spelen.Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk—maar ze voelde het zelf wel!—de melodij had niet meer de felle verzuchting, den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De zeven zangeressen zagen niet eens op.Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze bonktebijnavan spijt om heur onmacht...Een begijntje kwam heur aan de mouw trekkenom heur diets te maken dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere stemmekens.En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur af, in ’t kerkportaal, en sprak: „O Agapieta ge hebt het heilige lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school gegaan zijn!” Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed is neergestort en God bad om te mogen sterven.Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren en tusschen de zwartestammen der vesteboomen steeg een botergele, bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: „Goen avond, Agapieta”. En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke mijmerij, het hoofd boog al groetend: „Goen avond, juffrouw”, was het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het heilige lied openging als gisteren avond.Agapieta schrok geweldig.Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge voeten naar het groene deurken, keek door ’t sleutelgat. God in den hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend een witte fluit!...Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.’t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenschthad was op heur stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: „Mag ik ook eens zien, juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus toch niet?”Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: „Niets!... niets!... ’t is de duivel!”...Ze meende dat ’t begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...Maar ’t begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: „Mag ik dan den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!...” en meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze schreeuwde heur verbazing uit: „’t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. ’t Is Baldwienus die aan ’t fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een mirakel!”Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de andere begijnen.Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heurkrachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet te vallen!Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe daken.En zie, ginder aan den hoek, langs demaan-beschenenhuizekens, kwamen begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied vertrilde in den ijlen avond.Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door ’t sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder elkaar om bij ’t poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe.Toen viel er een eerbiedige stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het „Zalig de armen van geest” en besprekend het schoone lied dat Agapieta van verrukking bedwelmd had!Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de zilverstukken die ze gespaard had.En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want ’t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:„Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waaropge gisteren avond zoo schoon gefloten hebt?”„Ja, juffrouw Agapieta”.Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de ivoren fluit.„Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen woonde. Nu is hij dood en begraven”.Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!„En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?”„Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God zie hoe schooner ik speel!”„Ziet ge God, Baldwienus?”„Ja”.„Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?”„Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja.” En beiden dachten aan God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een rood-glazenappelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles verdween, en Agapieta bevond zich weer in ’t armzalige keukentje, naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.Agapieta weende en snikte:„Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!”Hij schudde den dikken kop en sprak:„Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, dan krijgt ge ze...”Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!Hoe toch in ’t bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar ’t kwam telkens terug en ’t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en ’t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:„o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de gaarden Uwer Hemelen”.Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze verkneukelde zich aan ’t genot dat ze hebben zou, God en al zijn heiligen te zien zoolang het heurlustte. De fluit zou haar laten leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen als een van God-gezegende die vizioenen heeft!IIEn de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta’s hoofd want hij stierf niet, de simpele.De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en vensters gingen dicht en Baldwienus speelde ’s avonds voor zich alleen, met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn de legenden der heiligen te lezen.De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde heur ijver in ’t bidden, droeg communies op in deze intentie, hield noveen na noveen, maar ’t kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede weer en de open avonden gingen herbeginnenen Baldwienus zou weer in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen laten stralen!...Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien tijd! Zij moest die fluit hebben!Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van het groen.Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in ’t koperen emmerken zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en verhoogde heur kansen!... Maar lacy! ’t en deerde Baldwienus niet!De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....Paschen naakte. Op dien heiligen dag zoumen het zes-honderdste Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van ’t Begijnhof. Er zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.„Ja, ja”, zei hij, „juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?”De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.MaarAgapietakeek niet op.Ze hield den adem in, kneep de oogen dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar ’t en baatte niets en ze viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:„Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn...”Hij ging heen alsdan.De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon ’s avonds in zijn hofken.Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.Als een waaier van vloeiend licht vulde demorgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en ’t Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op ’t oxaal. Heur asem ging snel en diep als vaniemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.Er kwam veel volk naar de mis.De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór ’t altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in ’t felle geronk.Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.Baldwienus zou nu spelen.Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door deademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in ’t jonge riet.Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar ’t oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar ’t oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust...God! Baldwienus’ spel! wat had het uitgewerkt op ’t devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjesdie ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van ’t bronzen gelui der klokken.En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van ’t blauwe baldakijn,uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeggeweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....Maar als ze aan ’t Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit ’t vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij ’s noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren.Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.’s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.En zie,op een zekeren dag kwam de simpele niet op ’t middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: „In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou...”Ze knikte hem toe, troostende: „Het zal wel beteren, Baldwienus”. Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond hetziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens ’thoofdeind ende Pastoor badde litanievan den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in ’t midden van ’t gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:„Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!...”Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.Hij zuchtte.„Ik kan God niet meer roepen... ’t Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!”Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.De pastoor las voort het onderbroken gebed:„Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!...”En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z’ is recht naar den hemel gegaan.Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in ’t groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.Ze had zoo’n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar ’t was verboden muziek te maken op ’t Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleetnaar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:„Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!...”En dan verdween hij.Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam erdoor. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.Zij was de schuld van Baldwienus’ dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...Ze viel plat neer op ’t kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in ’t gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogenstreelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van ’t Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! ’t Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in ’t gras wanneer men op ’t kerkhof, in ’t hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater—die een preek hield over den H. Paulus—hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde.Hoesnel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar ’n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...En ’s anderensdaags trok ze van ’s morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een grooteboete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!En dien zelfden avond nog speelde zij.Het deemsterde over ’t Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van „God zien”. En zuster Agapieta vertelde alles.De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:„Kunde gij dat ook, juffrouw?”En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:„Ja! ik kan dat!”Ze smeekten te gare:„Doe het dan, juffrouw Agapieta!...”En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.De begijntjes weenden van geluk.Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta.Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.Het bliksemde en het visioen sloeg weg.Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van ’tbegijnhofliepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:„Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: „Wie God wil zien moet sterven”.En alle zusterkes die daar nog stonden, knieldenneder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.
DE IVOREN FLUITIBaldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van ’t Vagevuurstraatje—vlak over dewoonsteevan Agapieta die in de kerk de orgel speelde,—in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoekenvulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij ’t straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in ’t licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: „Onze Vader!... Onze Vader!...” en nog vele „Onze Vader”, want het volgende „die in de hemelen zijt” en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!’s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in ’t portaaltje van de pastorij; en ’s middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga’s in ’t zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.Zoo leefde hij door de dagen.En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: „Wat moete gij hebben?”Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: „Nikske, mijnheer Pastoor...konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor”.De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigenboomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, ’t woud was al klank, ’t was of alle boomen zongen, of ’t allenkant kristallen klokjes luiden!Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij een schraal muizenliedje!En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een wegperelend snoer van fijne trillers.„Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;” zei hij, „doe het ook alzoo” en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.Voorzichtig nam de simpele ze in handen,stopte de gaatjes dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos naar den heremiet tuurde.De heilige man hief de hand omhoog: „Ge moet aan God denken, mijn zoon, anders gaat het nooit”.En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze gegiechel van zooeven, schril en spottend.„Kom morgen terug”, zei de oude, „ik zal u leeren spelen. Als ge aan God denkt zal het wel gaan”.Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord had! Hij haaldezijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:„Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit”.En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!En elken dag trok hij ’s middags de bosschen in, en elken dag werd klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder ’t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den heiligen heremiet, Valentinus genaamd.Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.En op een dag—de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was klammig en hing alseen blauwe smoor onder de bolle boomen—vond Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: „Baldwienus, jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar ’k wil Hem nog eerst danken om ’t leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het vuur der Hel zal hen verslinden!...”Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen manzachtjes ingelegd. ’t Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: „Onze Vader... Onze Vader...”Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in ’t loover der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.Nu zou hij kunnen bidden!...En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en de sterren.De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God,en langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, slikten hun orgelende tonen in en luisterden.Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en kwezels,die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het vrome volkske dacht aan een mirakel...Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over den heiligen Moyzes—die in Ethiopië leefde want hij was zwart van koleur—voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur maan-beschenen handen de witte toetsen van ’t klavier, toen het lied zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht rondde de zilveren maan, en opdaken en geveltjes lag de kleerte als een ijle, glanzende poeder...Was het de maan die zong?...En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en ’t wierd heur of ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde in een gouden klankenstraal die rees... rees...Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaagensloot zich met een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus toeslaan... t’allenkanten gingen er vensters dicht... en in de veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. „Och”, dacht ze, „zoo ietslaat zich geen twee maal hooren”. Ze legde zich te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven engel die hier gemusiceerd had.Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo’n schoonen zang van een simpel aarde-kind te ontvangen!In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen door de stuwende golving van ’t orgel, zou laten perelen uit de hooge, zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen voorzingen wat ze ’s anderendaags spelen moet ter eere van dezen of genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de andere zusters.Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen in de mis en ’t heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden koffie.Ze glimlachte hoogmoedig toen ze „goen morgen” zei. Maar als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: „Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?” Ze wierd wit van ’t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den heerlijken, nachtelijken droom.En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het streng-geplooide laken, denHeer om jonge kracht opdat heur spel nog schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het plechtige orgel, dan ’t eentonig gefluit...Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op ’t oxaal. De kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen ’t belgerinkel en den wierookgeur naar ’t altaar stapte, deed het heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleidingvoor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en weder-zang, ’n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta alleen zou spelen.Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk—maar ze voelde het zelf wel!—de melodij had niet meer de felle verzuchting, den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De zeven zangeressen zagen niet eens op.Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze bonktebijnavan spijt om heur onmacht...Een begijntje kwam heur aan de mouw trekkenom heur diets te maken dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere stemmekens.En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur af, in ’t kerkportaal, en sprak: „O Agapieta ge hebt het heilige lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school gegaan zijn!” Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed is neergestort en God bad om te mogen sterven.Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren en tusschen de zwartestammen der vesteboomen steeg een botergele, bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: „Goen avond, Agapieta”. En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke mijmerij, het hoofd boog al groetend: „Goen avond, juffrouw”, was het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het heilige lied openging als gisteren avond.Agapieta schrok geweldig.Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge voeten naar het groene deurken, keek door ’t sleutelgat. God in den hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend een witte fluit!...Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.’t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenschthad was op heur stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: „Mag ik ook eens zien, juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus toch niet?”Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: „Niets!... niets!... ’t is de duivel!”...Ze meende dat ’t begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...Maar ’t begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: „Mag ik dan den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!...” en meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze schreeuwde heur verbazing uit: „’t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. ’t Is Baldwienus die aan ’t fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een mirakel!”Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de andere begijnen.Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heurkrachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet te vallen!Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe daken.En zie, ginder aan den hoek, langs demaan-beschenenhuizekens, kwamen begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied vertrilde in den ijlen avond.Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door ’t sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder elkaar om bij ’t poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe.Toen viel er een eerbiedige stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het „Zalig de armen van geest” en besprekend het schoone lied dat Agapieta van verrukking bedwelmd had!Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de zilverstukken die ze gespaard had.En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want ’t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:„Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waaropge gisteren avond zoo schoon gefloten hebt?”„Ja, juffrouw Agapieta”.Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de ivoren fluit.„Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen woonde. Nu is hij dood en begraven”.Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!„En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?”„Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God zie hoe schooner ik speel!”„Ziet ge God, Baldwienus?”„Ja”.„Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?”„Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja.” En beiden dachten aan God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een rood-glazenappelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles verdween, en Agapieta bevond zich weer in ’t armzalige keukentje, naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.Agapieta weende en snikte:„Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!”Hij schudde den dikken kop en sprak:„Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, dan krijgt ge ze...”Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!Hoe toch in ’t bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar ’t kwam telkens terug en ’t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en ’t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:„o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de gaarden Uwer Hemelen”.Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze verkneukelde zich aan ’t genot dat ze hebben zou, God en al zijn heiligen te zien zoolang het heurlustte. De fluit zou haar laten leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen als een van God-gezegende die vizioenen heeft!IIEn de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta’s hoofd want hij stierf niet, de simpele.De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en vensters gingen dicht en Baldwienus speelde ’s avonds voor zich alleen, met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn de legenden der heiligen te lezen.De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde heur ijver in ’t bidden, droeg communies op in deze intentie, hield noveen na noveen, maar ’t kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede weer en de open avonden gingen herbeginnenen Baldwienus zou weer in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen laten stralen!...Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien tijd! Zij moest die fluit hebben!Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van het groen.Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in ’t koperen emmerken zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en verhoogde heur kansen!... Maar lacy! ’t en deerde Baldwienus niet!De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....Paschen naakte. Op dien heiligen dag zoumen het zes-honderdste Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van ’t Begijnhof. Er zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.„Ja, ja”, zei hij, „juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?”De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.MaarAgapietakeek niet op.Ze hield den adem in, kneep de oogen dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar ’t en baatte niets en ze viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:„Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn...”Hij ging heen alsdan.De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon ’s avonds in zijn hofken.Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.Als een waaier van vloeiend licht vulde demorgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en ’t Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op ’t oxaal. Heur asem ging snel en diep als vaniemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.Er kwam veel volk naar de mis.De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór ’t altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in ’t felle geronk.Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.Baldwienus zou nu spelen.Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door deademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in ’t jonge riet.Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar ’t oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar ’t oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust...God! Baldwienus’ spel! wat had het uitgewerkt op ’t devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjesdie ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van ’t bronzen gelui der klokken.En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van ’t blauwe baldakijn,uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeggeweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....Maar als ze aan ’t Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit ’t vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij ’s noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren.Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.’s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.En zie,op een zekeren dag kwam de simpele niet op ’t middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: „In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou...”Ze knikte hem toe, troostende: „Het zal wel beteren, Baldwienus”. Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond hetziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens ’thoofdeind ende Pastoor badde litanievan den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in ’t midden van ’t gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:„Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!...”Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.Hij zuchtte.„Ik kan God niet meer roepen... ’t Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!”Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.De pastoor las voort het onderbroken gebed:„Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!...”En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z’ is recht naar den hemel gegaan.Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in ’t groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.Ze had zoo’n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar ’t was verboden muziek te maken op ’t Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleetnaar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:„Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!...”En dan verdween hij.Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam erdoor. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.Zij was de schuld van Baldwienus’ dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...Ze viel plat neer op ’t kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in ’t gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogenstreelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van ’t Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! ’t Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in ’t gras wanneer men op ’t kerkhof, in ’t hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater—die een preek hield over den H. Paulus—hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde.Hoesnel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar ’n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...En ’s anderensdaags trok ze van ’s morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een grooteboete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!En dien zelfden avond nog speelde zij.Het deemsterde over ’t Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van „God zien”. En zuster Agapieta vertelde alles.De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:„Kunde gij dat ook, juffrouw?”En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:„Ja! ik kan dat!”Ze smeekten te gare:„Doe het dan, juffrouw Agapieta!...”En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.De begijntjes weenden van geluk.Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta.Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.Het bliksemde en het visioen sloeg weg.Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van ’tbegijnhofliepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:„Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: „Wie God wil zien moet sterven”.En alle zusterkes die daar nog stonden, knieldenneder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.
DE IVOREN FLUITIBaldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van ’t Vagevuurstraatje—vlak over dewoonsteevan Agapieta die in de kerk de orgel speelde,—in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoekenvulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij ’t straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in ’t licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: „Onze Vader!... Onze Vader!...” en nog vele „Onze Vader”, want het volgende „die in de hemelen zijt” en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!’s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in ’t portaaltje van de pastorij; en ’s middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga’s in ’t zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.Zoo leefde hij door de dagen.En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: „Wat moete gij hebben?”Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: „Nikske, mijnheer Pastoor...konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor”.De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigenboomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, ’t woud was al klank, ’t was of alle boomen zongen, of ’t allenkant kristallen klokjes luiden!Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij een schraal muizenliedje!En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een wegperelend snoer van fijne trillers.„Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;” zei hij, „doe het ook alzoo” en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.Voorzichtig nam de simpele ze in handen,stopte de gaatjes dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos naar den heremiet tuurde.De heilige man hief de hand omhoog: „Ge moet aan God denken, mijn zoon, anders gaat het nooit”.En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze gegiechel van zooeven, schril en spottend.„Kom morgen terug”, zei de oude, „ik zal u leeren spelen. Als ge aan God denkt zal het wel gaan”.Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord had! Hij haaldezijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:„Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit”.En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!En elken dag trok hij ’s middags de bosschen in, en elken dag werd klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder ’t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den heiligen heremiet, Valentinus genaamd.Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.En op een dag—de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was klammig en hing alseen blauwe smoor onder de bolle boomen—vond Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: „Baldwienus, jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar ’k wil Hem nog eerst danken om ’t leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het vuur der Hel zal hen verslinden!...”Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen manzachtjes ingelegd. ’t Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: „Onze Vader... Onze Vader...”Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in ’t loover der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.Nu zou hij kunnen bidden!...En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en de sterren.De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God,en langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, slikten hun orgelende tonen in en luisterden.Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en kwezels,die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het vrome volkske dacht aan een mirakel...Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over den heiligen Moyzes—die in Ethiopië leefde want hij was zwart van koleur—voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur maan-beschenen handen de witte toetsen van ’t klavier, toen het lied zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht rondde de zilveren maan, en opdaken en geveltjes lag de kleerte als een ijle, glanzende poeder...Was het de maan die zong?...En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en ’t wierd heur of ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde in een gouden klankenstraal die rees... rees...Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaagensloot zich met een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus toeslaan... t’allenkanten gingen er vensters dicht... en in de veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. „Och”, dacht ze, „zoo ietslaat zich geen twee maal hooren”. Ze legde zich te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven engel die hier gemusiceerd had.Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo’n schoonen zang van een simpel aarde-kind te ontvangen!In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen door de stuwende golving van ’t orgel, zou laten perelen uit de hooge, zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen voorzingen wat ze ’s anderendaags spelen moet ter eere van dezen of genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de andere zusters.Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen in de mis en ’t heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden koffie.Ze glimlachte hoogmoedig toen ze „goen morgen” zei. Maar als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: „Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?” Ze wierd wit van ’t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den heerlijken, nachtelijken droom.En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het streng-geplooide laken, denHeer om jonge kracht opdat heur spel nog schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het plechtige orgel, dan ’t eentonig gefluit...Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op ’t oxaal. De kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen ’t belgerinkel en den wierookgeur naar ’t altaar stapte, deed het heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleidingvoor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en weder-zang, ’n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta alleen zou spelen.Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk—maar ze voelde het zelf wel!—de melodij had niet meer de felle verzuchting, den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De zeven zangeressen zagen niet eens op.Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze bonktebijnavan spijt om heur onmacht...Een begijntje kwam heur aan de mouw trekkenom heur diets te maken dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere stemmekens.En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur af, in ’t kerkportaal, en sprak: „O Agapieta ge hebt het heilige lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school gegaan zijn!” Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed is neergestort en God bad om te mogen sterven.Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren en tusschen de zwartestammen der vesteboomen steeg een botergele, bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: „Goen avond, Agapieta”. En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke mijmerij, het hoofd boog al groetend: „Goen avond, juffrouw”, was het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het heilige lied openging als gisteren avond.Agapieta schrok geweldig.Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge voeten naar het groene deurken, keek door ’t sleutelgat. God in den hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend een witte fluit!...Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.’t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenschthad was op heur stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: „Mag ik ook eens zien, juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus toch niet?”Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: „Niets!... niets!... ’t is de duivel!”...Ze meende dat ’t begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...Maar ’t begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: „Mag ik dan den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!...” en meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze schreeuwde heur verbazing uit: „’t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. ’t Is Baldwienus die aan ’t fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een mirakel!”Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de andere begijnen.Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heurkrachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet te vallen!Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe daken.En zie, ginder aan den hoek, langs demaan-beschenenhuizekens, kwamen begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied vertrilde in den ijlen avond.Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door ’t sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder elkaar om bij ’t poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe.Toen viel er een eerbiedige stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het „Zalig de armen van geest” en besprekend het schoone lied dat Agapieta van verrukking bedwelmd had!Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de zilverstukken die ze gespaard had.En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want ’t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:„Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waaropge gisteren avond zoo schoon gefloten hebt?”„Ja, juffrouw Agapieta”.Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de ivoren fluit.„Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen woonde. Nu is hij dood en begraven”.Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!„En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?”„Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God zie hoe schooner ik speel!”„Ziet ge God, Baldwienus?”„Ja”.„Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?”„Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja.” En beiden dachten aan God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een rood-glazenappelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles verdween, en Agapieta bevond zich weer in ’t armzalige keukentje, naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.Agapieta weende en snikte:„Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!”Hij schudde den dikken kop en sprak:„Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, dan krijgt ge ze...”Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!Hoe toch in ’t bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar ’t kwam telkens terug en ’t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en ’t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:„o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de gaarden Uwer Hemelen”.Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze verkneukelde zich aan ’t genot dat ze hebben zou, God en al zijn heiligen te zien zoolang het heurlustte. De fluit zou haar laten leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen als een van God-gezegende die vizioenen heeft!IIEn de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta’s hoofd want hij stierf niet, de simpele.De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en vensters gingen dicht en Baldwienus speelde ’s avonds voor zich alleen, met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn de legenden der heiligen te lezen.De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde heur ijver in ’t bidden, droeg communies op in deze intentie, hield noveen na noveen, maar ’t kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede weer en de open avonden gingen herbeginnenen Baldwienus zou weer in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen laten stralen!...Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien tijd! Zij moest die fluit hebben!Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van het groen.Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in ’t koperen emmerken zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en verhoogde heur kansen!... Maar lacy! ’t en deerde Baldwienus niet!De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....Paschen naakte. Op dien heiligen dag zoumen het zes-honderdste Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van ’t Begijnhof. Er zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.„Ja, ja”, zei hij, „juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?”De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.MaarAgapietakeek niet op.Ze hield den adem in, kneep de oogen dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar ’t en baatte niets en ze viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:„Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn...”Hij ging heen alsdan.De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon ’s avonds in zijn hofken.Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.Als een waaier van vloeiend licht vulde demorgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en ’t Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op ’t oxaal. Heur asem ging snel en diep als vaniemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.Er kwam veel volk naar de mis.De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór ’t altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in ’t felle geronk.Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.Baldwienus zou nu spelen.Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door deademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in ’t jonge riet.Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar ’t oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar ’t oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust...God! Baldwienus’ spel! wat had het uitgewerkt op ’t devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjesdie ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van ’t bronzen gelui der klokken.En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van ’t blauwe baldakijn,uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeggeweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....Maar als ze aan ’t Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit ’t vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij ’s noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren.Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.’s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.En zie,op een zekeren dag kwam de simpele niet op ’t middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: „In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou...”Ze knikte hem toe, troostende: „Het zal wel beteren, Baldwienus”. Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond hetziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens ’thoofdeind ende Pastoor badde litanievan den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in ’t midden van ’t gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:„Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!...”Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.Hij zuchtte.„Ik kan God niet meer roepen... ’t Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!”Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.De pastoor las voort het onderbroken gebed:„Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!...”En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z’ is recht naar den hemel gegaan.Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in ’t groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.Ze had zoo’n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar ’t was verboden muziek te maken op ’t Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleetnaar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:„Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!...”En dan verdween hij.Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam erdoor. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.Zij was de schuld van Baldwienus’ dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...Ze viel plat neer op ’t kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in ’t gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogenstreelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van ’t Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! ’t Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in ’t gras wanneer men op ’t kerkhof, in ’t hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater—die een preek hield over den H. Paulus—hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde.Hoesnel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar ’n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...En ’s anderensdaags trok ze van ’s morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een grooteboete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!En dien zelfden avond nog speelde zij.Het deemsterde over ’t Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van „God zien”. En zuster Agapieta vertelde alles.De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:„Kunde gij dat ook, juffrouw?”En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:„Ja! ik kan dat!”Ze smeekten te gare:„Doe het dan, juffrouw Agapieta!...”En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.De begijntjes weenden van geluk.Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta.Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.Het bliksemde en het visioen sloeg weg.Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van ’tbegijnhofliepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:„Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: „Wie God wil zien moet sterven”.En alle zusterkes die daar nog stonden, knieldenneder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.
IBaldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van ’t Vagevuurstraatje—vlak over dewoonsteevan Agapieta die in de kerk de orgel speelde,—in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoekenvulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij ’t straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in ’t licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: „Onze Vader!... Onze Vader!...” en nog vele „Onze Vader”, want het volgende „die in de hemelen zijt” en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!’s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in ’t portaaltje van de pastorij; en ’s middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga’s in ’t zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.Zoo leefde hij door de dagen.En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: „Wat moete gij hebben?”Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: „Nikske, mijnheer Pastoor...konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor”.De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigenboomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, ’t woud was al klank, ’t was of alle boomen zongen, of ’t allenkant kristallen klokjes luiden!Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij een schraal muizenliedje!En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een wegperelend snoer van fijne trillers.„Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;” zei hij, „doe het ook alzoo” en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.Voorzichtig nam de simpele ze in handen,stopte de gaatjes dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos naar den heremiet tuurde.De heilige man hief de hand omhoog: „Ge moet aan God denken, mijn zoon, anders gaat het nooit”.En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze gegiechel van zooeven, schril en spottend.„Kom morgen terug”, zei de oude, „ik zal u leeren spelen. Als ge aan God denkt zal het wel gaan”.Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord had! Hij haaldezijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:„Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit”.En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!En elken dag trok hij ’s middags de bosschen in, en elken dag werd klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder ’t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den heiligen heremiet, Valentinus genaamd.Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.En op een dag—de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was klammig en hing alseen blauwe smoor onder de bolle boomen—vond Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: „Baldwienus, jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar ’k wil Hem nog eerst danken om ’t leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het vuur der Hel zal hen verslinden!...”Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen manzachtjes ingelegd. ’t Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: „Onze Vader... Onze Vader...”Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in ’t loover der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.Nu zou hij kunnen bidden!...En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en de sterren.De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God,en langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, slikten hun orgelende tonen in en luisterden.Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en kwezels,die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het vrome volkske dacht aan een mirakel...Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over den heiligen Moyzes—die in Ethiopië leefde want hij was zwart van koleur—voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur maan-beschenen handen de witte toetsen van ’t klavier, toen het lied zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht rondde de zilveren maan, en opdaken en geveltjes lag de kleerte als een ijle, glanzende poeder...Was het de maan die zong?...En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en ’t wierd heur of ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde in een gouden klankenstraal die rees... rees...Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaagensloot zich met een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus toeslaan... t’allenkanten gingen er vensters dicht... en in de veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. „Och”, dacht ze, „zoo ietslaat zich geen twee maal hooren”. Ze legde zich te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven engel die hier gemusiceerd had.Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo’n schoonen zang van een simpel aarde-kind te ontvangen!In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen door de stuwende golving van ’t orgel, zou laten perelen uit de hooge, zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen voorzingen wat ze ’s anderendaags spelen moet ter eere van dezen of genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de andere zusters.Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen in de mis en ’t heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden koffie.Ze glimlachte hoogmoedig toen ze „goen morgen” zei. Maar als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: „Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?” Ze wierd wit van ’t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den heerlijken, nachtelijken droom.En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het streng-geplooide laken, denHeer om jonge kracht opdat heur spel nog schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het plechtige orgel, dan ’t eentonig gefluit...Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op ’t oxaal. De kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen ’t belgerinkel en den wierookgeur naar ’t altaar stapte, deed het heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleidingvoor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en weder-zang, ’n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta alleen zou spelen.Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk—maar ze voelde het zelf wel!—de melodij had niet meer de felle verzuchting, den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De zeven zangeressen zagen niet eens op.Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze bonktebijnavan spijt om heur onmacht...Een begijntje kwam heur aan de mouw trekkenom heur diets te maken dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere stemmekens.En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur af, in ’t kerkportaal, en sprak: „O Agapieta ge hebt het heilige lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school gegaan zijn!” Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed is neergestort en God bad om te mogen sterven.Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren en tusschen de zwartestammen der vesteboomen steeg een botergele, bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: „Goen avond, Agapieta”. En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke mijmerij, het hoofd boog al groetend: „Goen avond, juffrouw”, was het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het heilige lied openging als gisteren avond.Agapieta schrok geweldig.Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge voeten naar het groene deurken, keek door ’t sleutelgat. God in den hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend een witte fluit!...Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.’t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenschthad was op heur stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: „Mag ik ook eens zien, juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus toch niet?”Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: „Niets!... niets!... ’t is de duivel!”...Ze meende dat ’t begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...Maar ’t begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: „Mag ik dan den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!...” en meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze schreeuwde heur verbazing uit: „’t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. ’t Is Baldwienus die aan ’t fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een mirakel!”Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de andere begijnen.Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heurkrachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet te vallen!Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe daken.En zie, ginder aan den hoek, langs demaan-beschenenhuizekens, kwamen begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied vertrilde in den ijlen avond.Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door ’t sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder elkaar om bij ’t poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe.Toen viel er een eerbiedige stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het „Zalig de armen van geest” en besprekend het schoone lied dat Agapieta van verrukking bedwelmd had!Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de zilverstukken die ze gespaard had.En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want ’t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:„Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waaropge gisteren avond zoo schoon gefloten hebt?”„Ja, juffrouw Agapieta”.Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de ivoren fluit.„Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen woonde. Nu is hij dood en begraven”.Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!„En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?”„Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God zie hoe schooner ik speel!”„Ziet ge God, Baldwienus?”„Ja”.„Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?”„Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja.” En beiden dachten aan God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een rood-glazenappelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles verdween, en Agapieta bevond zich weer in ’t armzalige keukentje, naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.Agapieta weende en snikte:„Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!”Hij schudde den dikken kop en sprak:„Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, dan krijgt ge ze...”Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!Hoe toch in ’t bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar ’t kwam telkens terug en ’t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en ’t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:„o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de gaarden Uwer Hemelen”.Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze verkneukelde zich aan ’t genot dat ze hebben zou, God en al zijn heiligen te zien zoolang het heurlustte. De fluit zou haar laten leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen als een van God-gezegende die vizioenen heeft!
I
Baldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van ’t Vagevuurstraatje—vlak over dewoonsteevan Agapieta die in de kerk de orgel speelde,—in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoekenvulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij ’t straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in ’t licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: „Onze Vader!... Onze Vader!...” en nog vele „Onze Vader”, want het volgende „die in de hemelen zijt” en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!’s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in ’t portaaltje van de pastorij; en ’s middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga’s in ’t zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.Zoo leefde hij door de dagen.En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: „Wat moete gij hebben?”Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: „Nikske, mijnheer Pastoor...konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor”.De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigenboomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, ’t woud was al klank, ’t was of alle boomen zongen, of ’t allenkant kristallen klokjes luiden!Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij een schraal muizenliedje!En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een wegperelend snoer van fijne trillers.„Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;” zei hij, „doe het ook alzoo” en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.Voorzichtig nam de simpele ze in handen,stopte de gaatjes dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos naar den heremiet tuurde.De heilige man hief de hand omhoog: „Ge moet aan God denken, mijn zoon, anders gaat het nooit”.En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze gegiechel van zooeven, schril en spottend.„Kom morgen terug”, zei de oude, „ik zal u leeren spelen. Als ge aan God denkt zal het wel gaan”.Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord had! Hij haaldezijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:„Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit”.En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!En elken dag trok hij ’s middags de bosschen in, en elken dag werd klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder ’t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den heiligen heremiet, Valentinus genaamd.Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.En op een dag—de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was klammig en hing alseen blauwe smoor onder de bolle boomen—vond Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: „Baldwienus, jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar ’k wil Hem nog eerst danken om ’t leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het vuur der Hel zal hen verslinden!...”Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen manzachtjes ingelegd. ’t Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: „Onze Vader... Onze Vader...”Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in ’t loover der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.Nu zou hij kunnen bidden!...En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en de sterren.De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God,en langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, slikten hun orgelende tonen in en luisterden.Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en kwezels,die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het vrome volkske dacht aan een mirakel...Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over den heiligen Moyzes—die in Ethiopië leefde want hij was zwart van koleur—voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur maan-beschenen handen de witte toetsen van ’t klavier, toen het lied zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht rondde de zilveren maan, en opdaken en geveltjes lag de kleerte als een ijle, glanzende poeder...Was het de maan die zong?...En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en ’t wierd heur of ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde in een gouden klankenstraal die rees... rees...Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaagensloot zich met een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus toeslaan... t’allenkanten gingen er vensters dicht... en in de veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. „Och”, dacht ze, „zoo ietslaat zich geen twee maal hooren”. Ze legde zich te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven engel die hier gemusiceerd had.Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo’n schoonen zang van een simpel aarde-kind te ontvangen!In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen door de stuwende golving van ’t orgel, zou laten perelen uit de hooge, zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen voorzingen wat ze ’s anderendaags spelen moet ter eere van dezen of genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de andere zusters.Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen in de mis en ’t heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden koffie.Ze glimlachte hoogmoedig toen ze „goen morgen” zei. Maar als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: „Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?” Ze wierd wit van ’t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den heerlijken, nachtelijken droom.En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het streng-geplooide laken, denHeer om jonge kracht opdat heur spel nog schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het plechtige orgel, dan ’t eentonig gefluit...Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op ’t oxaal. De kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen ’t belgerinkel en den wierookgeur naar ’t altaar stapte, deed het heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleidingvoor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en weder-zang, ’n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta alleen zou spelen.Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk—maar ze voelde het zelf wel!—de melodij had niet meer de felle verzuchting, den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De zeven zangeressen zagen niet eens op.Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze bonktebijnavan spijt om heur onmacht...Een begijntje kwam heur aan de mouw trekkenom heur diets te maken dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere stemmekens.En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur af, in ’t kerkportaal, en sprak: „O Agapieta ge hebt het heilige lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school gegaan zijn!” Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed is neergestort en God bad om te mogen sterven.Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren en tusschen de zwartestammen der vesteboomen steeg een botergele, bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: „Goen avond, Agapieta”. En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke mijmerij, het hoofd boog al groetend: „Goen avond, juffrouw”, was het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het heilige lied openging als gisteren avond.Agapieta schrok geweldig.Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge voeten naar het groene deurken, keek door ’t sleutelgat. God in den hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend een witte fluit!...Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.’t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenschthad was op heur stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: „Mag ik ook eens zien, juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus toch niet?”Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: „Niets!... niets!... ’t is de duivel!”...Ze meende dat ’t begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...Maar ’t begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: „Mag ik dan den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!...” en meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze schreeuwde heur verbazing uit: „’t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. ’t Is Baldwienus die aan ’t fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een mirakel!”Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de andere begijnen.Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heurkrachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet te vallen!Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe daken.En zie, ginder aan den hoek, langs demaan-beschenenhuizekens, kwamen begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied vertrilde in den ijlen avond.Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door ’t sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder elkaar om bij ’t poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe.Toen viel er een eerbiedige stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het „Zalig de armen van geest” en besprekend het schoone lied dat Agapieta van verrukking bedwelmd had!Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de zilverstukken die ze gespaard had.En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want ’t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:„Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waaropge gisteren avond zoo schoon gefloten hebt?”„Ja, juffrouw Agapieta”.Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de ivoren fluit.„Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen woonde. Nu is hij dood en begraven”.Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!„En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?”„Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God zie hoe schooner ik speel!”„Ziet ge God, Baldwienus?”„Ja”.„Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?”„Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja.” En beiden dachten aan God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een rood-glazenappelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles verdween, en Agapieta bevond zich weer in ’t armzalige keukentje, naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.Agapieta weende en snikte:„Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!”Hij schudde den dikken kop en sprak:„Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, dan krijgt ge ze...”Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!Hoe toch in ’t bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar ’t kwam telkens terug en ’t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en ’t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:„o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de gaarden Uwer Hemelen”.Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze verkneukelde zich aan ’t genot dat ze hebben zou, God en al zijn heiligen te zien zoolang het heurlustte. De fluit zou haar laten leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen als een van God-gezegende die vizioenen heeft!
Baldwienus was zijn naam en hij was simpel. Op zijn knokig lijf waggelde een matte waterkop. Groote domme oogen donkerden onder een builende voorhoofd en boven de purpere spleet van zijn breeden mond donkerden de twee hollekens van zijn platten neus.
Hij was de broeder van drie begijnen die in geur van heiligheid gestorven waren en hij woonde moedermensch alleen op den hoek van ’t Vagevuurstraatje—vlak over dewoonsteevan Agapieta die in de kerk de orgel speelde,—in een laag, vierkant huizeken, waarboven een schaliëndak optorende tot een spits, die een houten kelk, in de lucht stak lijk een open tulpebloem. In dat ééne kamerken, veilig onder de blauwe kap, waar bed en stove en tafel de hoekenvulden, sleet hij zijn leege dagen. Het was daar goed en gezellig. Door het ééne venster zag hij ’t straatje waar begijn en kwezelken hun praatje voerden en door het andere zag hij zijn hofken al waar onder een kreupelen appelboom allerhande bonte bloemen bloeiden. Een scheefgezonken muurken scheidde dit tuintje van de straat en door een laaggewelf poort-gat kon men onder den appelaar en tusschen de wilde kruiden geraken.
Maar hij, simpele en ging daar nooit om te zien hoe de bloemen geurden in ’t licht dat door het loover zeefde. Hij bleef in zijn kamer, gezeten op een schabbelleken vóór het venster, de handen genepen tusschen de ophoekende knieën en hij dacht aan niets. Soms meende hij in de luchtvlokken de gezichten zijner drie doode zusters gebeeld te zien en dan bad hij voor hunne ziele-zaligheid: „Onze Vader!... Onze Vader!...” en nog vele „Onze Vader”, want het volgende „die in de hemelen zijt” en vond hij nooit, hoe hij zich den geest ook martelde om het in brabbel-woorden over zijn lippen te laten glijen. Baldwienus bad veel voor zijn drie zusters, die hij in een gouden hof vol diamanten fonteinen, wandelen wist in karbonkelende processies van martelaars en heiligen!
’s Morgens at hij de boterhammen, die de meid van Meneer Pastoor hem gaf, in ’t portaaltje van de pastorij; en ’s middags haalde hij bij Zuster Agapieta, die met drie andere kinderen Begga’s in ’t zelfde huizeken woonde, den overschot hunner middagtafel, in een koperen emmerken. Nu en dan deed hij in de stad boodschappen voor de een of de ander, en drie maal per week trok hij met een korveken aan den arm, de rustige Begijnenbosschen in om er suikerij te steken voor de konijnen van Gommaar, den koster.
Zoo leefde hij door de dagen.
En eens, op een dag dat de zomer-zon de lucht vol vuur goot en de hitte op het roerlooze land te blakeren lag dat men er de oogen moest voor toeknijpen, viel er een wondere gebeurtenis voor in zijn leven...
Hij was bezig, in de koele Begijnenbosschen die vol bloemen-geur en vogelenzang hingen, met korte rukjes de planten suikerij uit den veien grond te trekken, buigende links en rechts van het purpere wegeltje, toen er niet ver van hem een wonder-schoon gefluit als van een fellen merelaar opstroelde en de blauwe bosch-lommerte vulde met een klaar lied.
Baldwienus rechtte het hoofd en luisterde verwonderd. Hij keek naar de kruinen om er den zoeten fluitenier te ontdekken; hij zou hem trachten te vangen, hem thuis in een kevietje zetten en hem laten fluiten, fluiten! den godganschen dag! Rein zwol het lied, links van het paadje, achter een dicht boskaadje elzenstruiken.
En op zijn teenen, voorzichtig trappend, met ingehouden adem wiegde hij het kreupelhout in, recht op het geluid af. In zijn oogen straalde een vreugdig licht. Het lied was zoo schoon! Hij schoof met trage handen de takken op zij... en ei! wat schrok hij, niet van felle verwondering, toen hij op een open plek, vóór een scheefgezonken leemen hutje een grijsbebaarden vent in witte pij zag zitten die op een ivoren fluit het schoone lied speelde!... Hij liet het korveken van den arm glijden en sloeg de handen saam.
De monnik had het gehoord, want de fluit zakte, hij keek zoekend rond en den simpele ziende vroeg hij met versleten stem: „Wat moete gij hebben?”
Baldwienus struikelde door de takken voorwaarts, beschaamd en beteuterd, rood tot achter zijn ooren: „Nikske, mijnheer Pastoor...konijnenvoer voor den koster steken, mijnheer Pastoor”.
De heremiet wenkte hem nader te treden en als Baldwienus bedeesd gezeten was op een mossigenboomstronk, bracht hij het witte speeltuig aan den mond, blies lijze, hief de lange magere vingers in tragen dans over de gaatjes en er rees een fontein van nooit-gedroomde muziek naar den hemel, zuiver als het helle klinken van kristallen peerlen op een gouden schaal, zwellend, zwellend alsof er engelen opwaarts wiekten. En de verre boomgewelven verechoden tot een zoete begeleiding de ronde klanken van het heilige lied. Het steeg hooger, ’t woud was al klank, ’t was of alle boomen zongen, of ’t allenkant kristallen klokjes luiden!
Baldwienus verstond er niets van. Hij weende als een kind. Hij had het nog nooit gehoord, want het schoonste spel van Agapieta was hierbij een schraal muizenliedje!
En met geloken oogen, eindigde de kluizenaar zijn lied in, een wegperelend snoer van fijne trillers.
„Zoo bidde ik den Heer, mijn zoon;” zei hij, „doe het ook alzoo” en hij reikte de ivoren fluit aan Baldwienus.
Voorzichtig nam de simpele ze in handen,stopte de gaatjes dicht met zijn dikke vingertoppen, bolde de kaken... blies... en och-gottekes! een schrille, zotte geluid giechelde uit de pijpkes! zoo zot, dat Baldwienus verbauwereerd de fluit liet zakken en ademloos naar den heremiet tuurde.
De heilige man hief de hand omhoog: „Ge moet aan God denken, mijn zoon, anders gaat het nooit”.
En hij dacht aan de gouden landen waar zijn doode zusters woonden, en aan den gouden heer die God is, en aldaar in een ivoren zetel zit. Hij begon met die gedachte te spelen, luisterde naar zijn eigen spel. En waarachtig! daar stroelden twee heldere klanken omhoog, zuiver en schuchter als de inzet van een merelaar in een lentemorgen. Hij hoorde ze vertrillen, voelde de blijdschap stijgen in zijn hart, vergat den hemel met alles wat er in is... en weer piepte het dwaze gegiechel van zooeven, schril en spottend.
„Kom morgen terug”, zei de oude, „ik zal u leeren spelen. Als ge aan God denkt zal het wel gaan”.
Baldwienus was blij om deze ontmoeting en om de muziek die hij gehoord had! Hij haaldezijn boterham uit den zak en reikte hem den vromen man. Deze nam dankbaar aan, beet er in met wijde tanden en sprak:
„Ik danke u, mijn zoon! God heeft u gezonden, want ik had honger. Ga nu en kom morgen weer en ik zal u leeren bidden op de witte fluit”.
En Baldwienus sprong van plezier, raapte zijn volle korveken op en met rappe beentjes liep hij naar huis. Het jeukte hem overal van danige blijdschap, want eens zou hij zoo schoon kunnen spelen als de heremiet... Voorwaar! Baldwienus had reden tot kriebelende blijdschap! Hij zou spelen en God en zijn zusters zouden het hooren!!
En elken dag trok hij ’s middags de bosschen in, en elken dag werd klaarder en duidelijker het beeld van God aan Wien hij dacht onder ’t spel, totdat hij Hem levend komen zag en de diepten des hemels en zijn muziek zoo schoon en puur door de bosschen ging als dit van den heiligen heremiet, Valentinus genaamd.
Toen was Baldwienus gelukkig, alhoewel hij simpel en leelijk was.
En op een dag—de zomer draaide naar zijn einde, want de lucht was klammig en hing alseen blauwe smoor onder de bolle boomen—vond Baldwienus den vromen kluizenaar stervend op een bed van mos, in het hutje. Zijn oogen waren gebroken en zijn lippen purper als passiebloemen. De ivoren fluit lag nevens hem. Als hij Baldwienus gewaar wierd, schokte hij recht en sprak met doffe stem: „Baldwienus, jongen, God roept mij. Ik ga naar hem. Maar ’k wil Hem nog eerst danken om ’t leven vol devotie dat Hij me schonk. Als ik dood zal zijn, begraaf me onder den vlierboom, in wiens schaduw ik zoovele dagen gezeten heb. Neem de fluit mee naar uw huis, ze is voor u, Baldwienus, en bid veel op het heilige speeltuig, dat eens den grooten koning Salomo toebehoorde. Wee hun die haar uit ijdelheid gebruiken! Het vuur der Hel zal hen verslinden!...”
Dan bracht hij met de oogen ten hemel geslagen het speeltuig aan den mond en blies in een traag lied zijn zuivere ziel ten hemel.
Zoo stierf hij, Valentinus, de heremiet uit de Begijnen-bosschen en zijn ziel wierd door de engelen ten hemel gevoerd.
Baldwienus heeft dan een put gegraven onder den vlierboom die vol zwarte bessen hing, en heeft er het stijve lichaam van den heiligen manzachtjes ingelegd. ’t Waren als steken in zijn hart, de klotten aarde die op het magere lijf vergruizelden, want hij had hem lief gekregen, lief als Jezus zelf. En als de put gevuld was maakte hij een kruisken van twee stokken, plantte het in de mulle eerde en bleef lang bidden: „Onze Vader... Onze Vader...”
Toen hij de oogen opende brandde het rood der dalende zon in ’t loover der kruinen. Hij ging het hutje binnen, borg de fluit onder zijn jas en spoedde zich door het schemerend woud huiswaarts.
Nu zou hij kunnen bidden!...
En in den blauwigen avond, vol heiligen maneschijn, ging Baldwienus zich zetten in zijn hofken, onder het magere appelboomken. Hij hield de zware fluit in de handen want hij zou bidden voor de ziel van den gestorven heremiet. Hij voelde de vredige stilte, vol avondgeuren, als een zoete wijn zijn hoofd bedwelmen en hij keek met vochtige oogen, door de schraal beladen appeltakken naar de zilveren maan en de sterren.
De zoetigheid van de maan steeg in hem. En hij bracht de fluit aan den mond, draaide de oogen ten hemel, dacht aan den lieven God,en langzaam deinde het fluweelen lied, waarin de rust en de zaligheid van den schoonen avond besloten lagen, over de spitse daken ten ijlen hemel op. De nachtegalen, die in de veste-boomen sloegen, slikten hun orgelende tonen in en luisterden.
Het lied zwol als een adem over het Begijnhof en de begijntjes en kwezels,die in hun hofken of voor het open venster de deugdelikheid van dien zoeten avond genoten, staakten hun vreedzame gesprekken en bleven verwonderd hooren. Ze begrepen niet hoe er zoo plots een lied over de witte gevels slierde. Van waar kwam dat wonder spel? Het vrome volkske dacht aan een mirakel...
Zuster Agapieta, de orgeliste, mediteerde in heur witte kamer over den heiligen Moyzes—die in Ethiopië leefde want hij was zwart van koleur—voor wien ze morgen een mis te spelen had. Ze wilde heur zang herhalen op heur kamerorgeltje. Nauwelijks zochten heur maan-beschenen handen de witte toetsen van ’t klavier, toen het lied zich openvouwde. Ze keek rond, luisterde verrukt, want wie zoo zoete en innig spelen kon moest wel een hemeling zijn. Hoog in de lucht rondde de zilveren maan, en opdaken en geveltjes lag de kleerte als een ijle, glanzende poeder...
Was het de maan die zong?...
En Agapieta vergat den heiligen Moyzes, vergat heur mis, vergat heur orgeltje en verging zoet aan in de fluweelen aaiïngen dezer deinende muziek. Ze sloot de oogen van genot en vouwde heur smalle handekens op den boezem. Ze wierd opgezogen door den zang en ’t wierd heur of ze nooit bestaan had, of zij zelf niet meer bestond... ze veranderde in een gouden klankenstraal die rees... rees...
Maar het lied, dat tot een uiterste hoogte gestegen was, boog zachtekens in stillere, moeë deiningen naar omlaagensloot zich met een zoeten klank, als een zonnedronken bloem... De stilte viel weer in, koud en ademloos als het maanlicht zelf...
Agapieta kwam tot heur zelve terug. Ze bleef nog wat gezeten vóór heur klavier en wachtte aangedaan tot een tweede zang zou neerzijgen uit den hemel. Ze hoorde het achterdeurken van Baldwienus toeslaan... t’allenkanten gingen er vensters dicht... en in de veste-boomen hernamen de nachtegalen hun ingehouden avondzang. „Och”, dacht ze, „zoo ietslaat zich geen twee maal hooren”. Ze legde zich te slapen. Zij liet het venster open en van in heur witte beddekoetse tuurde ze naar de sterren en voelde nog de aanwezigheid van den lieven engel die hier gemusiceerd had.
Want morgen zou ze het lied spelen ter kerke ter eere van den heiligen Moyzes!... wat zal hij blijde zijn zoo’n schoonen zang van een simpel aarde-kind te ontvangen!
In den vroegen morgen ontwaakte ze. De uchtend-klaarte hing, als een blank bruidskleed, om de van licht-doordrongen boomen. Ze tripte vlug haar beddeken uit. De koelte joeg heur bloed sneller door de aderen. Ze stond een poos stil, rekte de armen en ademde gulzig in de frissche lucht. Toen herinnerde ze zich den jongsten avond. Wat zouden de menschjes straks staan kijken, als ze ter kerke, gedragen door de stuwende golving van ’t orgel, zou laten perelen uit de hooge, zuivere pijpkes het heilige lied van gisteren! Haar komen de engelen voorzingen wat ze ’s anderendaags spelen moet ter eere van dezen of genen heilige! Zij heeft vizioenen van klank!
En in heur steeg een heimelijke vreugd om heur meerderheid boven de andere zusters.
Voor haar was dat schoone lied bestemd en zij alleen had zich mogen bedwelmen aan de kristallen maan-perels die voor heur venster tinkelden tot een zoete muziek... Ze zou niets zeggen aan de andere begijntjes, beneden, noch aan de andere begijnen en den heiligen zang herhalen in de mis en ’t heele Begijnhof verbazen door het nieuwe spel!
In de keuken vond ze de drie huisgenoten, slurpende den dampenden koffie.Ze glimlachte hoogmoedig toen ze „goen morgen” zei. Maar als een steen viel op heur hart de vraag van Rondulla, de oudste: „Hebt gij ook het lied van gisteravend gehoord?” Ze wierd wit van ’t verschieten. Ze hadden dus allen het lied gehoord. Zij was dus de uitverkorene niet... Ze knikte angstvallig ja en zette zich aan tafel, heelemaal uit heur lood geslagen. Maar den koffie heeft ze niet aangeraakt terwijl de anderen met breeden mond en veel gebaren vertelden hoe wonder het avondlijke spel geweest was. Ze voelde heur onmacht en ze had kunnen weenen van spijt om de logen van den heerlijken, nachtelijken droom.
En in het vroegmisken bad Agapieta, roerloos gezeten onder het streng-geplooide laken, denHeer om jonge kracht opdat heur spel nog schooner zou mogen zijn dan het lied van den engel. Na den dienst, terwijl de begijntjes, al pratend over den heiligen Moyzes, op hun ramen borduurden, wandelde zij alleen de vest op, zich sterkend in de volle velden die blonken in de morgenzon. En slenterend langs de hooggetijde Nethe, waar de zon zilveren schilfers strooide op de wabberende waterrimpels, herhaalde zij met een fijn stemmeken het lied van gisterenavond. Ze zou het straks toch spelen en, onder den druk heurer streelende vingeren, zou het nog schooner worden, op het plechtige orgel, dan ’t eentonig gefluit...
Een kwartuur vóór dat de hoogmis begon zat ze reeds op ’t oxaal. De kerk vulde zich langzamerhand. De zeven begijnen die de mis zongen, kwamen een vóór een naar boven en openden hun dikke boeken, waaruit ze de latijnsche gebeden moesten zingen. En, als de pastoor tusschen ’t belgerinkel en den wierookgeur naar ’t altaar stapte, deed het heur deugd, in afwachting met vaste vingeren de ivoren toetsen aan te slagen, zoodat een jubelmarsch uit de piepende pijpen sprong en de kerk daverde. Dan liet ze de bassen los, speelde een zoete begeleidingvoor den zang der zeven begijntjes. Zoo verliep de mis met zang en weder-zang, ’n preek van Menheer Pastoor over den heiligen Moyzes, weerom zang, totdat ten laatsten het oogenblik kwam waarop Agapieta alleen zou spelen.
Ze zette zich goed op heur hooge bank, prevelde een schietgebed en greep met bevende handen naar de blinkende toetsen die over de hoofden der geloovige menschjes heen, de goddelijke voois zouden doen herleven.... Het lied steeg, ze speelde beter dan gewoonlijk—maar ze voelde het zelf wel!—de melodij had niet meer de felle verzuchting, den zoeten mystieken geur van gisteren nacht. Agapieta voelde dat, hoe langer hoe beter, en ze kreeg er een koleur van als een pioen. De menschen zaten roerloos te bidden alsof heur spel niet bestond. De zeven zangeressen zagen niet eens op.
Ze wierd kwaad, trok met geweld de kleppen open, hamerde wild op de toetsen, stampte met de voeten zoodat een oorverdoovend spel, een baaierd van zotte klanken onder de gewelven bruiste en stormde. De ruiten rammelden en de kerk pijnlijk bromde. Niemand roerde en ze bonktebijnavan spijt om heur onmacht...
Een begijntje kwam heur aan de mouw trekkenom heur diets te maken dat het uit moest zijn, want ze moesten nog een gebed zingen.
Agapieta keek angstig op, en trok het ruwe gebral in tot een flauw geneur waarop de zeven zusters weer begonnen te kweelen met schuchtere stemmekens.
En als de mis ten einde was, wilde ze vlug naar huis loopen, om heur beklemdheid te verbergen, maar juffrouw Bertien kwam op heur af, in ’t kerkportaal, en sprak: „O Agapieta ge hebt het heilige lied van gisteren willen naspelen niet-waar?... Wat een verschil, Zuster!... om zoo goed te spelen moet men in den hemel ter school gegaan zijn!” Agapieta boog het hoofd van schaamte, verbeet heur spijt, antwoordde niet en ijlde voort naar heur kamer alwaar ze op heur bed is neergestort en God bad om te mogen sterven.
Tegen den avond, als dat groot verdriet gedempt was door vele tranen, heeft ze, gezeten in het bloeiende hofken vóór het huis, genoten van de stille deemstering die om de gladiolen-vlammen en de purpere aster-wolkjes een zacht licht spon. Er hing een innigheid over elk ding en zoet was de avond-vrede. In de diepe lucht ontvonkten de sterren en tusschen de zwartestammen der vesteboomen steeg een botergele, bolle maan. Een begijntje kwam traag voorbij geschoven, groetend: „Goen avond, Agapieta”. En toen ze dan ontwakend uit heur peiselijke mijmerij, het hoofd boog al groetend: „Goen avond, juffrouw”, was het dat door de stilte als een straal van gouden licht, weerom het heilige lied openging als gisteren avond.
Agapieta schrok geweldig.
Hooger rilde het lied en vulde, als een komeet de zoet-rokige deemstering vol wonder geluid. Toen ze weer wat bijkwam van het danig verschieten, en heur zinnen vermeesterde, luisterde ze aandachtig om te weten vanwaar de muziek kwam. Het klonk van heel dicht bij van op de vesten of van uit het hofken van Baldwienus en ze liep met vlugge voeten naar het groene deurken, keek door ’t sleutelgat. God in den hemel! daar zat Baldwienus onder het kreupele appelboomken bespelend een witte fluit!...
Agapieta meende het te besterven! Hij was het dus! Hij! de simpele Baldwienus! die heel het begijnhof had betooverd, dat heur beste orgel-spel geminacht werd als sjovel en gering van waarde.
’t Begijntje dat zooeven goen-avond gewenschthad was op heur stappen weergekeerd en vroeg verwonderd: „Mag ik ook eens zien, juffrouw?... Wie speelt er daar toch zoo schoon?... Baldwienus toch niet?”
Ze duwde zich angstig tegen het poortje en stotterde: „Niets!... niets!... ’t is de duivel!”...
Ze meende dat ’t begijntje zou gaan vluchten; ze zou de fluit van Baldwienus afkoopen voor heel veel geld; niemand zou weten wie zoo wonder spelen kon; heur eer zou niet geschonden worden!...
Maar ’t begijntje kwam nader nog, stak het kapken vooruit: „Mag ik dan den duivel eens zien?... ik heb nog nooit den duivel gezien!...” en meteen wrong ze Agapieta op zij, en loerde nieuwsgierig... Ze schreeuwde heur verbazing uit: „’t Is Baldwienus!... ai mij! is me dat verschieten!... Ge hebt verkeerd gezien, juffrouw. ’t Is Baldwienus die aan ’t fluiten is!... zoo schoon!... dat is een mirakel!... een mirakel!”
Zonder meer, ijlde ze weg om de heugelijke mare te brengen bij de andere begijnen.
Agapieta stond daar nu als van den bliksem geslagen... Ze had het poortje willen open beuken om Baldwienus te doen zwijgen! Maar heurkrachten begaven haar, en ze moest tegen den muur leunen om niet te vallen!
Het lied perelde aldoor lijze zijn gouden geluidjes over de blauwe daken.
En zie, ginder aan den hoek, langs demaan-beschenenhuizekens, kwamen begijnen aangeslopen en ze troppelden samen vooruit, geruischloos tredend, om het wonder te zien dat ze in de lucht hoorden zweven. Vóór het poortje bleven ze zoo eerbiediglijk staan luisteren, alsof ze God zelf daar spelende wisten. En ze bleven er staan tot het lied vertrilde in den ijlen avond.
Er kwam alsdan onder het devote volkje een gefezel los, dat weldra steeg tot woorden van lof voor hem die een lied zoo heerlijk spelen kon! Plots schoten enkelen vooruit om hem te zien door ’t sleutelgat. Allen wilden hem zien, en ze duwden en wrongen onder elkaar om bij ’t poortje te geraken. Er was geroep en geschreeuw en ze drumden met geweld van ellebogen en heupen de snikkende Agapieta op zij, die aldoor weende als een die alles verloren had.
Ineens kraakte het deurken open en Baldwienus verscheen. Hij keek met domme oogen de woelende begijntjes aan, niet begrijpende dit late geharrewar, en sloeg het deurken fluks toe.Toen viel er een eerbiedige stilte over de nieuwsgierige zusters en voldaan wilden ze een kruisken maken, maar ei! daar scheurde een snijdende kres de stilte aan stukken en, bezwijkend onder heur lijden, zakte Agapieta als een zak ineen.
Twee zusters hebben heur binnen gedragen en heur gewasschen met azijn en fijne olie, terwijl de anderen naar huis toe keerden indachtig het „Zalig de armen van geest” en besprekend het schoone lied dat Agapieta van verrukking bedwelmd had!
Ze wisten niet, hoe zeer Agapieta dien avond geweend heeft, bedenkend allerhande middelkes om de fluit van Baldwienus machtig te worden en hoe ze besloot het speeltuig den anderen morgen te koopen voor al de zilverstukken die ze gespaard had.
En den anderen dag is ze naar Baldwienus gegaan. Ze vond hem gezeten op zijn laag schabelleken, voor het venster, en starend naar den blauwen hemel. Hij keek haar aan met dwaze oogen. Ze dorst hem niet bezien want ’t was haar een pijn zijn levenlooze oogen aan te zien. Met een vlugge beweging stopte ze hem twee zilverstukken in de hand en vroeg gejaagd:
„Baldwienus, mag ik de fluit eens zien waaropge gisteren avond zoo schoon gefloten hebt?”
„Ja, juffrouw Agapieta”.
Hij stond op en haalde uit de lade van zijn kreupel schapraaiken de ivoren fluit.
„Ik kreeg ze van menheerken Valentinus die in de begijnenbosschen woonde. Nu is hij dood en begraven”.
Hij vertelde haar hoe hij aan de fluit geraakte. Ze kreeg spijt nooit langs daar gewandeld te zijn. Dan had zij de fluit gekregen!
„En wie leerde u die schoone liederen, Baldwienus?”
„Als ik speel denk ik aan God, zuster Agapieta. En hoe beter ik God zie hoe schooner ik speel!”
„Ziet ge God, Baldwienus?”
„Ja”.
„Zou ik ook God kunnen zien, Baldwienus?”
„Als ge straf aan God denkt, peins ik van ja.” En beiden dachten aan God en Baldwienus speelde een zoet lied. De muren weken, het tafelken, de stove en het schapraaiken verdwenen in een roze wolk, die langzaam openschoof... en in de ongemeten diepten van den blauwen hemel straalde een gouden beeld op een ivoren zetel, dragend in zijn rechterhand een rood-glazenappelken dat de wereld was. Zijn gelaat was streng en wit en zijn oogen waren purper waar een felle vlam in stak. Zijn baard golfde over zijn borst als manelicht en aan zijn bloote voeten lag een sneeuwblauw lammeken op een dik perkamenten boek met zeven sloten, houdend tusschen zijn voorste pootjes een wit vlaggesken met een rood kruis op. Een duif van goud vuur hing boven God den Vader zijn hoofd, en daarrond en daarachter, de onafzienbare oneindigheid in, dansten de lichte engelen en de heiligen in roze, malve en groene kleederen op de maat van het lied dat uit de fluit van Baldwienus kwam.
Allengskens benevelde een roze wolk dit wondere paradijs, alles verdween, en Agapieta bevond zich weer in ’t armzalige keukentje, naast den simpelen fluitenier die opgehouden had met spelen.
Agapieta weende en snikte:
„Baldwienus! Baldwienus! verkoop me uw fluit!... ik zal u veel geld geven!... o! zooveel!... ge zult rijk zijn, Baldwienus!”
Hij schudde den dikken kop en sprak:
„Dat doe ik nooit! nooit! zuster Agapieta!.. Als ik sterven zal, dan krijgt ge ze...”
Zijn oogen flikkerden eventjes toen hij dit zeide. Ze zag zijn vastberadenheid en mistroostig is ze heengegaan.
De fluit had nog een grootere weerde nu, vermits heur fluweelen klanken-spel den hemel opende en God liet zien in al zijn glorie!
Hoe toch in ’t bezit dier wondere fluit geraakt? Hoe heur naam in eere gehouden!... Ze martelde zich het moede hoofd met deze gedachten en vond maar eenen uitweg: Baldwienus zijn dood! Ze schrok heftig bij dit wreede denkbeeld! wilde het verwijderen, maar ’t kwam telkens terug en ’t ankerde zich vast in heur kop tot ze er niet meer van af kon en ’t heur voorkwam als een noodzakelijkheid.
En dien avond bad ze inniglijk voor den dood van den simpele:
„o Jezus, die zoeter zijt dan melk en honig, haal het zieleken van Baldwienus uit zijn lichaam en laat het een bloemeken zijn in de gaarden Uwer Hemelen”.
Zij had een groot vertrouwen in God en ze wist dat Hij haar helpen kon. Ze hoopte. Weer zweefde een stille lach op heur mond en ze verkneukelde zich aan ’t genot dat ze hebben zou, God en al zijn heiligen te zien zoolang het heurlustte. De fluit zou haar laten leven in God!... en he! dan zouden de zusters haar vereeren en beminnen als een van God-gezegende die vizioenen heeft!
IIEn de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta’s hoofd want hij stierf niet, de simpele.De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en vensters gingen dicht en Baldwienus speelde ’s avonds voor zich alleen, met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn de legenden der heiligen te lezen.De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde heur ijver in ’t bidden, droeg communies op in deze intentie, hield noveen na noveen, maar ’t kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede weer en de open avonden gingen herbeginnenen Baldwienus zou weer in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen laten stralen!...Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien tijd! Zij moest die fluit hebben!Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van het groen.Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in ’t koperen emmerken zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en verhoogde heur kansen!... Maar lacy! ’t en deerde Baldwienus niet!De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....Paschen naakte. Op dien heiligen dag zoumen het zes-honderdste Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van ’t Begijnhof. Er zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.„Ja, ja”, zei hij, „juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?”De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.MaarAgapietakeek niet op.Ze hield den adem in, kneep de oogen dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar ’t en baatte niets en ze viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:„Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn...”Hij ging heen alsdan.De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon ’s avonds in zijn hofken.Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.Als een waaier van vloeiend licht vulde demorgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en ’t Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op ’t oxaal. Heur asem ging snel en diep als vaniemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.Er kwam veel volk naar de mis.De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór ’t altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in ’t felle geronk.Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.Baldwienus zou nu spelen.Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door deademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in ’t jonge riet.Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar ’t oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar ’t oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust...God! Baldwienus’ spel! wat had het uitgewerkt op ’t devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjesdie ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van ’t bronzen gelui der klokken.En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van ’t blauwe baldakijn,uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeggeweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....Maar als ze aan ’t Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit ’t vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij ’s noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren.Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.’s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.En zie,op een zekeren dag kwam de simpele niet op ’t middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: „In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou...”Ze knikte hem toe, troostende: „Het zal wel beteren, Baldwienus”. Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond hetziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens ’thoofdeind ende Pastoor badde litanievan den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in ’t midden van ’t gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:„Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!...”Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.Hij zuchtte.„Ik kan God niet meer roepen... ’t Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!”Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.De pastoor las voort het onderbroken gebed:„Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!...”En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z’ is recht naar den hemel gegaan.Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in ’t groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.Ze had zoo’n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar ’t was verboden muziek te maken op ’t Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleetnaar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:„Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!...”En dan verdween hij.Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam erdoor. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.Zij was de schuld van Baldwienus’ dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...Ze viel plat neer op ’t kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in ’t gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogenstreelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van ’t Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! ’t Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in ’t gras wanneer men op ’t kerkhof, in ’t hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater—die een preek hield over den H. Paulus—hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde.Hoesnel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar ’n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...En ’s anderensdaags trok ze van ’s morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een grooteboete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!En dien zelfden avond nog speelde zij.Het deemsterde over ’t Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van „God zien”. En zuster Agapieta vertelde alles.De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:„Kunde gij dat ook, juffrouw?”En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:„Ja! ik kan dat!”Ze smeekten te gare:„Doe het dan, juffrouw Agapieta!...”En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.De begijntjes weenden van geluk.Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta.Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.Het bliksemde en het visioen sloeg weg.Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van ’tbegijnhofliepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:„Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: „Wie God wil zien moet sterven”.En alle zusterkes die daar nog stonden, knieldenneder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.
II
En de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta’s hoofd want hij stierf niet, de simpele.De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en vensters gingen dicht en Baldwienus speelde ’s avonds voor zich alleen, met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn de legenden der heiligen te lezen.De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde heur ijver in ’t bidden, droeg communies op in deze intentie, hield noveen na noveen, maar ’t kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede weer en de open avonden gingen herbeginnenen Baldwienus zou weer in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen laten stralen!...Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien tijd! Zij moest die fluit hebben!Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van het groen.Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in ’t koperen emmerken zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en verhoogde heur kansen!... Maar lacy! ’t en deerde Baldwienus niet!De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....Paschen naakte. Op dien heiligen dag zoumen het zes-honderdste Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van ’t Begijnhof. Er zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.„Ja, ja”, zei hij, „juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?”De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.MaarAgapietakeek niet op.Ze hield den adem in, kneep de oogen dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar ’t en baatte niets en ze viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:„Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn...”Hij ging heen alsdan.De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon ’s avonds in zijn hofken.Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.Als een waaier van vloeiend licht vulde demorgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en ’t Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op ’t oxaal. Heur asem ging snel en diep als vaniemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.Er kwam veel volk naar de mis.De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór ’t altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in ’t felle geronk.Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.Baldwienus zou nu spelen.Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door deademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in ’t jonge riet.Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar ’t oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar ’t oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust...God! Baldwienus’ spel! wat had het uitgewerkt op ’t devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjesdie ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van ’t bronzen gelui der klokken.En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van ’t blauwe baldakijn,uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeggeweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....Maar als ze aan ’t Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit ’t vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij ’s noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren.Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.’s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.En zie,op een zekeren dag kwam de simpele niet op ’t middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: „In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou...”Ze knikte hem toe, troostende: „Het zal wel beteren, Baldwienus”. Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond hetziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens ’thoofdeind ende Pastoor badde litanievan den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in ’t midden van ’t gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:„Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!...”Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.Hij zuchtte.„Ik kan God niet meer roepen... ’t Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!”Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.De pastoor las voort het onderbroken gebed:„Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!...”En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z’ is recht naar den hemel gegaan.Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in ’t groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.Ze had zoo’n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar ’t was verboden muziek te maken op ’t Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleetnaar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:„Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!...”En dan verdween hij.Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam erdoor. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.Zij was de schuld van Baldwienus’ dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...Ze viel plat neer op ’t kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in ’t gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogenstreelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van ’t Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! ’t Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in ’t gras wanneer men op ’t kerkhof, in ’t hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater—die een preek hield over den H. Paulus—hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde.Hoesnel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar ’n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...En ’s anderensdaags trok ze van ’s morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een grooteboete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!En dien zelfden avond nog speelde zij.Het deemsterde over ’t Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van „God zien”. En zuster Agapieta vertelde alles.De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:„Kunde gij dat ook, juffrouw?”En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:„Ja! ik kan dat!”Ze smeekten te gare:„Doe het dan, juffrouw Agapieta!...”En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.De begijntjes weenden van geluk.Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta.Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.Het bliksemde en het visioen sloeg weg.Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van ’tbegijnhofliepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:„Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: „Wie God wil zien moet sterven”.En alle zusterkes die daar nog stonden, knieldenneder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.
En de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta’s hoofd want hij stierf niet, de simpele.
De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en vensters gingen dicht en Baldwienus speelde ’s avonds voor zich alleen, met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn de legenden der heiligen te lezen.
De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde heur ijver in ’t bidden, droeg communies op in deze intentie, hield noveen na noveen, maar ’t kortte niets... Ze begon soms te wanhopen, dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.
En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede weer en de open avonden gingen herbeginnenen Baldwienus zou weer in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen laten stralen!...
Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien tijd! Zij moest die fluit hebben!
Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van het groen.
Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in ’t koperen emmerken zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en verhoogde heur kansen!... Maar lacy! ’t en deerde Baldwienus niet!
De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....
Paschen naakte. Op dien heiligen dag zoumen het zes-honderdste Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van ’t Begijnhof. Er zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.
En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk, schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.
„Ja, ja”, zei hij, „juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?”
De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.
MaarAgapietakeek niet op.Ze hield den adem in, kneep de oogen dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar ’t en baatte niets en ze viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...
De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:
„Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn...”
Hij ging heen alsdan.
De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde zoodat Baldwienus niet spelen kon ’s avonds in zijn hofken.
Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den dood van den simpele.
Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.
Als een waaier van vloeiend licht vulde demorgen den smetteloozen hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet en ’t Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge Lente woei zoete reuken over het land.
Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!
En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden, de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus in de hoogmis maar niet spelen liet!...
Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.
Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een brandende braambosch van al het licht.
Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op ’t oxaal. Heur asem ging snel en diep als vaniemand die sterven gaat en ze moest telkens met geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.
Er kwam veel volk naar de mis.
De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte Baldwienus met de fluit onder den arm...
Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...
De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje uit de sakristy vóór ’t altaar verschenen, botsten opeens haar handen als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan, maar hun stemmekens versmoorden in ’t felle geronk.
Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.
Baldwienus zou nu spelen.
Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...
Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het wondere lied door deademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was als een lentewind in ’t jonge riet.
Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.
Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele omkransten...
De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar ’t oxaal, gansch verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de hoofden geheven, en naar ’t oxaal staarden als in een droom. Zelfs de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.
Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand bewust...God! Baldwienus’ spel! wat had het uitgewerkt op ’t devote begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...
Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...
Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...
En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug naar God keerden...
Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.
Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had, zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van smart. Ze stond bij de vier andere begijntjesdie ook droeve mysteries verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.
De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome lieden. De lucht zinderde van ’t bronzen gelui der klokken.
En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon van levend vuur, in de peerse schaduw van ’t blauwe baldakijn,uit de kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter kerk was nog niet pijnlijk genoeggeweest! nu moest ze Jezus-Kristus verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....
Maar als ze aan ’t Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen kop uit ’t vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...
Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.
En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14 mysteriën.
De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten over het land en zoete geuren hingen allerwegen.
Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij ’s noens om eten kwam, hoe zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan toch te verhooren.Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.
’s Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen luisteren en zij hen God zou laten zien.
En zie,op een zekeren dag kwam de simpele niet op ’t middaguur. De drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe voeten naar het huisje van Baldwienus.
Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.
Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: „In een gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou...”
Ze knikte hem toe, troostende: „Het zal wel beteren, Baldwienus”. Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.
In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes die geknield rond hetziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar hij onnoozel was en communiceerde hij niet.
Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.
Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.
Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden aangestoken nevens ’thoofdeind ende Pastoor badde litanievan den Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in ’t midden van ’t gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:
„Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!...”
Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en gaf ze hem.
Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.
Hij zuchtte.
„Ik kan God niet meer roepen... ’t Is gedaan. Agapieta, hier is de fluit... Gij zult God zien!”
Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.
De pastoor las voort het onderbroken gebed:
„Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!...”
En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z’ is recht naar den hemel gegaan.
Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had de lang gewenschte fluit nu en in ’t groote geluk van dezen oogenblik verging heur vroeger wee en leed.
Ze had zoo’n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals ze Hem eens gezien had! Maar ’t was verboden muziek te maken op ’t Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...
En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit, kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.
Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig door de gordijnenspleetnaar de fluit die lijk een streep klaar licht op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...
En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen, stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich en sprak lijze:
„Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!...”
En dan verdween hij.
Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en geen klank kwam erdoor. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze besefte de waarheid.
Zij was de schuld van Baldwienus’ dood. Zij had voor zijn dood gebeden, gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen haat! en zij was zondig voor den Heer!...
Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur hert kromp ineen van schrik...
Ze viel plat neer op ’t kouwe plankier en ze snikte. Zij was moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden, zij zou de hel in!...
En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in ’t gezicht vol afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest en daarvoor is er geen vergiffenis!...
Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed, snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogenstreelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!
Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de roode en blauwe daken van ’t Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta kon niet meer bidden! ’t Was nutteloos! En alle begijntjes knielden neer in ’t gras wanneer men op ’t kerkhof, in ’t hoeksken nevens de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen losbarstte.
De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het was toch onmogelijk.
Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof den Pater—die een preek hield over den H. Paulus—hoorde zeggen dat van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.
Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde.Hoesnel vloot heur bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten, boeten! heur heele leven als er maar ’n greintje hoop gegeven werd terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...
En ’s anderensdaags trok ze van ’s morgensvroeg naar een stil dorp dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben en hij legde heur een grooteboete op. Hij berispte heur nog eens, herhaalde de boete en gaf heur den zegen.
Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.
Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!
En dien zelfden avond nog speelde zij.
Het deemsterde over ’t Begijnhof en op de witte geveltjes lag de rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.
Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen hij sprak van „God zien”. En zuster Agapieta vertelde alles.
De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge; die Heilige Baldwienus toch!...
En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:
„Kunde gij dat ook, juffrouw?”
En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde triomfantelijk:
„Ja! ik kan dat!”
Ze smeekten te gare:
„Doe het dan, juffrouw Agapieta!...”
En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van menheerken Valentinus den heremijt.
Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de begijntjes, die vóór het hekken stonden.
Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.
De begijntjes weenden van geluk.
Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta.Hij bracht de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.
Het bliksemde en het visioen sloeg weg.
Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta als een brandende braambosch in heur deurgat.
De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.
En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van ’tbegijnhofliepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder, om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij, men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:
„Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien en wist niet dat er geschreven staat: „Wie God wil zien moet sterven”.
En alle zusterkes die daar nog stonden, knieldenneder en baden voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd, de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.
En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel, heel klein putteken.