Chapter 6

Klasse I. Zoogdieren.Fig. 28.Fig. 28.B. Voet van een’ rundervoorpoot. Daarnevens (bij A) eene menschenhand, waarin die deelen gestippeld zijn, welke aan deelen van den rundervoorpoot beantwoorden.Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij na de geboorte een’ tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben, die melk afzonderen.Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in Hoofdstuk I (bl.1–29) over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft, zij naar bl.5verwezen. Slechts op enkele punten wil ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid veelkleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl.fig. 5metfig. 33). Het aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap (fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine (“rudimentaire”) teenen. Ook bij ’t varken (fig. 29) zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste (buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in ’t algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard heeft één stevig middelvoetsbeen (“pijp”), waaraan een teen vast zit, en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen (“griffelbeentjes”,fig. 30), welke geene teenen dragen.—Bij het rund, het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).—Wat betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl.12.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant,en wel in bepaalde uithollingen, welke men “tandkassen” noemt. Den bouw van eenen zoogdiertand kan men uitfig. 31leeren kennen. Men onderscheidt aan zoo’n tand in de eerste plaats de zoogenoemde “tandholte” (p), welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door hettandbeen(d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat. Het nog hardereemailofglazuur(e) bedekt bij den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele “tandkroon”, d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt. De “tandwortel”, d. i. het gedeelte van den tand, dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde “cement” (c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één’ wortel, andere hebben er meer.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.e= email of glazuur;d= tandbeen;c= cement;p= tandholte.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is, noemt menbedektetanden; er zijn echter Zoogdieren, bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde plaatsen (in den vorm van “plooien”) glazuur over de oppervlakte verbreid is. Zulke “geplooide” kiezen vindt men alleen bij de plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).Fig. 33. Paardeschedel.Fig. 33. Paardeschedel.a= tusschenkaaksbeen;b= bovenkaaksbeen;S= snijtanden;H= hoektanden;M= voorste (wisselende) kiezen; daarachter de niet wisselende kiezen.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden, nl. desnijtanden, dehoektandenen demaaltandenofkiezen. De snijtanden dienen in ’t algemeen om het voedsel af te bijten; zij hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36, h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn danook vooral groot bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in ’t geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.—Op de hoektanden volgen dekiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken. (Vgl. bl.24). Bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij geheelfijngemalenis. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer, maar vande rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo worden dus bij ’t kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)Fig. 35.Fig. 35.I. snijtand, II. hoektand, III. kies van een’ mensch. a = kroon. b = wortel.De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door te zeggen: de snijtanden en hoektanden “wisselen”. Die, welke ’t eerst verschijnen, heetenmelktanden; de later komende noemt menblijvende tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke ’t naast aan de hoektanden grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt men “valsche”, de laatstbedoelde “ware kiezen” (fig. 36).Fig. 36. Schedel van den hond.Fig. 36. Schedel van den hond.Bkb = bovenkaaksbeen; Tkb = tusschenkaaksbeen; sn = snijtanden; h = hoektand; vk = valsche kiezen; wk = ware kiezen; s = scheurkies; knk = knobbelkiezen.Het aantal tanden vanverschillendesoort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten opverre naniet gelijk. Men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde “tandformule”, waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft, beginnendemet de middenste snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in de onderkaak.2 + 1 + 5Tandformule van den mensch———2 + 1 + 50 + 0 + 6het rund———4 + 0 + 63 +(1)+ 6het paard———3 +(1)+ 63 + 1 + 6den hond———3 + 1 + 7Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft, in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat dezekunnenvoorkomen (bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een’beperkten groei,d. i. zij zijn op een’ bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde “slagtanden” van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen deze steeds in lengte toe.—Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen, 3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren, 7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren, 13. Vogelbekdieren.Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.Orde Roofdieren.In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl.47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde “scheurkies”) zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38,knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk teknippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor ’t verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor ’t stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij ’t geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de ’t best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.Fig. 38.Fig. 38.A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. diederlandroofdieren, 2o. die derzeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a.de familiën derkatachtigen, derhondachtigen, dermarterachtigen, derberen.Familie der katachtigen.Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.Familie der hondachtigen.Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Familie der marterachtigen.Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Orde Insekteneters.Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in ’t algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een’ snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Hetgebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).—De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl.12).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Inlandsche vertegenwoordigers zijn:spitsmuizen,mol,egel.Spitsmuizenofmolmuizen(fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Demol(fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op denmiddag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, ’t welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in ’t algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een’ of anderen grooten “molshoop”. Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met “jagen” doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een’ doolhof van gangen (f,g,h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een’ dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een’ langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen “jachtveld” leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijneprooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus “molleritten” ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.Fig. 46. Molsnest.Fig. 46. Molsnest.Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Deegel(fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een’ bal inéénrolt,waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een’ winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.Orde Vleermuizen.Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen’ snuit. Het ’t meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige,voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, ’t welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.Orde Knaagdieren.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij ’t knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in ’t oog, wanneer door de eene ofandere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde “olifantstanden” (Zie fig. 51).Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl.45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.De dieren dezer orde hebben voor ’t meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:haasachtigen,muisachtigen,woelmuisachtigen,eekhorens.Familie der haasachtigen.Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.Familie der muisachtigen.De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Familie der woelmuizen.Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.Familie der eekhorens.De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)Orde Eenhoevigen.Deze orde bevat slechts ééne familie: die derpaardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl.12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van “pijp” geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men “griffelbeentjes” noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een’ planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.De snijtanden hebben een’ heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een’ menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl.49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt;2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over ’t glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in ’t midden eene opening, omgeven door 1o. een’ ring cement, 2o. een’ ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een’ ring glazuur en 5o. een’ ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wijgeven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls dentarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als eenwilddan wel als eenverwilderdpaard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa’s (“Cimmarones” en “Mustangs”).—Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:OosterscheofedeleenWesterscheofzware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.Deezelis een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.—De jongen van paard en ezel noemt menmuildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,—muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één’ hoef aan iederen poot, welkenietherkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar ’t voedsel, verschillend.—Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Devarkenachtigenhebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een’ weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.—Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.—De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58,59).Voorheen kwam in ons geheele land hetwilde zwijnvoor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over ’t geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,—ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Hettamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemdegrootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,—aan een’ grooten, smallen kop,—aan bijzonder lange pooten,—aan een’ zeer naar boven gekromden rug (“karperrug”), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een’ kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1½ M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorigeChineesche zwijn, dat korte pootjes en een’ breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan ⅓ of zelfs maar ¼ van het lichaamsgewicht van ’t grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.—In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in ’t algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire,enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.Orde Herkauwers of Tweehoevigen.Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven (“klauwen”), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl.45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij ’t kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl.46).Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, depens(fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheidvan veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam “herkauwers”.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.Fig. 61. Maag van het rund.Fig. 61. Maag van het rund.De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de “samengestelde maag” te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: depens(fig. 60, A), demutsofnetmaag(B), deboekpensofboekmaag(C) en delebmaag(D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de “enkelvoudige” maag van deandere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in deonmiddellijkenabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde “slokdarmspleet” (fig. 62,ab) naar de derde maagafdeeling, deboekpensofboekmaag, voort. Delebmaagis de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.—De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, ’t welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d’) is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootereof kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f;fig. 62, III).—De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h;fig. 62, V).Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij ’t kauwen tot eene soort van pap worden, gaan—althans voor een groot gedeelte—dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).—Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij ’t kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.—In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden,drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een “kauwmaag” kunnen heeten.—Het vierde gedeelte ongeveer van ’t leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12½ Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat—als niets anders wordt gegeven—zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12½ Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12½ = 62½ Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een’ tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voorde volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7–2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om ’t hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.—Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij ’t kauwen en bij ’t herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan ’t herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een’ zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.—Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie derholhoornigenen die derhertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.Familie der holhoornigen.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).Familie der hertachtigen.De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

Klasse I. Zoogdieren.Fig. 28.Fig. 28.B. Voet van een’ rundervoorpoot. Daarnevens (bij A) eene menschenhand, waarin die deelen gestippeld zijn, welke aan deelen van den rundervoorpoot beantwoorden.Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij na de geboorte een’ tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben, die melk afzonderen.Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in Hoofdstuk I (bl.1–29) over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft, zij naar bl.5verwezen. Slechts op enkele punten wil ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid veelkleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl.fig. 5metfig. 33). Het aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap (fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine (“rudimentaire”) teenen. Ook bij ’t varken (fig. 29) zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste (buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in ’t algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard heeft één stevig middelvoetsbeen (“pijp”), waaraan een teen vast zit, en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen (“griffelbeentjes”,fig. 30), welke geene teenen dragen.—Bij het rund, het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).—Wat betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl.12.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant,en wel in bepaalde uithollingen, welke men “tandkassen” noemt. Den bouw van eenen zoogdiertand kan men uitfig. 31leeren kennen. Men onderscheidt aan zoo’n tand in de eerste plaats de zoogenoemde “tandholte” (p), welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door hettandbeen(d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat. Het nog hardereemailofglazuur(e) bedekt bij den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele “tandkroon”, d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt. De “tandwortel”, d. i. het gedeelte van den tand, dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde “cement” (c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één’ wortel, andere hebben er meer.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.e= email of glazuur;d= tandbeen;c= cement;p= tandholte.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is, noemt menbedektetanden; er zijn echter Zoogdieren, bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde plaatsen (in den vorm van “plooien”) glazuur over de oppervlakte verbreid is. Zulke “geplooide” kiezen vindt men alleen bij de plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).Fig. 33. Paardeschedel.Fig. 33. Paardeschedel.a= tusschenkaaksbeen;b= bovenkaaksbeen;S= snijtanden;H= hoektanden;M= voorste (wisselende) kiezen; daarachter de niet wisselende kiezen.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden, nl. desnijtanden, dehoektandenen demaaltandenofkiezen. De snijtanden dienen in ’t algemeen om het voedsel af te bijten; zij hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36, h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn danook vooral groot bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in ’t geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.—Op de hoektanden volgen dekiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken. (Vgl. bl.24). Bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij geheelfijngemalenis. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer, maar vande rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo worden dus bij ’t kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)Fig. 35.Fig. 35.I. snijtand, II. hoektand, III. kies van een’ mensch. a = kroon. b = wortel.De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door te zeggen: de snijtanden en hoektanden “wisselen”. Die, welke ’t eerst verschijnen, heetenmelktanden; de later komende noemt menblijvende tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke ’t naast aan de hoektanden grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt men “valsche”, de laatstbedoelde “ware kiezen” (fig. 36).Fig. 36. Schedel van den hond.Fig. 36. Schedel van den hond.Bkb = bovenkaaksbeen; Tkb = tusschenkaaksbeen; sn = snijtanden; h = hoektand; vk = valsche kiezen; wk = ware kiezen; s = scheurkies; knk = knobbelkiezen.Het aantal tanden vanverschillendesoort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten opverre naniet gelijk. Men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde “tandformule”, waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft, beginnendemet de middenste snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in de onderkaak.2 + 1 + 5Tandformule van den mensch———2 + 1 + 50 + 0 + 6het rund———4 + 0 + 63 +(1)+ 6het paard———3 +(1)+ 63 + 1 + 6den hond———3 + 1 + 7Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft, in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat dezekunnenvoorkomen (bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een’beperkten groei,d. i. zij zijn op een’ bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde “slagtanden” van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen deze steeds in lengte toe.—Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen, 3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren, 7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren, 13. Vogelbekdieren.Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.Orde Roofdieren.In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl.47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde “scheurkies”) zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38,knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk teknippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor ’t verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor ’t stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij ’t geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de ’t best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.Fig. 38.Fig. 38.A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. diederlandroofdieren, 2o. die derzeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a.de familiën derkatachtigen, derhondachtigen, dermarterachtigen, derberen.Familie der katachtigen.Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.Familie der hondachtigen.Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Familie der marterachtigen.Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Orde Insekteneters.Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in ’t algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een’ snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Hetgebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).—De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl.12).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Inlandsche vertegenwoordigers zijn:spitsmuizen,mol,egel.Spitsmuizenofmolmuizen(fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Demol(fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op denmiddag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, ’t welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in ’t algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een’ of anderen grooten “molshoop”. Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met “jagen” doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een’ doolhof van gangen (f,g,h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een’ dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een’ langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen “jachtveld” leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijneprooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus “molleritten” ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.Fig. 46. Molsnest.Fig. 46. Molsnest.Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Deegel(fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een’ bal inéénrolt,waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een’ winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.Orde Vleermuizen.Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen’ snuit. Het ’t meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige,voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, ’t welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.Orde Knaagdieren.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij ’t knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in ’t oog, wanneer door de eene ofandere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde “olifantstanden” (Zie fig. 51).Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl.45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.De dieren dezer orde hebben voor ’t meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:haasachtigen,muisachtigen,woelmuisachtigen,eekhorens.Familie der haasachtigen.Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.Familie der muisachtigen.De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Familie der woelmuizen.Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.Familie der eekhorens.De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)Orde Eenhoevigen.Deze orde bevat slechts ééne familie: die derpaardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl.12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van “pijp” geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men “griffelbeentjes” noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een’ planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.De snijtanden hebben een’ heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een’ menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl.49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt;2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over ’t glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in ’t midden eene opening, omgeven door 1o. een’ ring cement, 2o. een’ ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een’ ring glazuur en 5o. een’ ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wijgeven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls dentarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als eenwilddan wel als eenverwilderdpaard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa’s (“Cimmarones” en “Mustangs”).—Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:OosterscheofedeleenWesterscheofzware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.Deezelis een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.—De jongen van paard en ezel noemt menmuildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,—muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één’ hoef aan iederen poot, welkenietherkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar ’t voedsel, verschillend.—Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Devarkenachtigenhebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een’ weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.—Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.—De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58,59).Voorheen kwam in ons geheele land hetwilde zwijnvoor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over ’t geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,—ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Hettamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemdegrootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,—aan een’ grooten, smallen kop,—aan bijzonder lange pooten,—aan een’ zeer naar boven gekromden rug (“karperrug”), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een’ kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1½ M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorigeChineesche zwijn, dat korte pootjes en een’ breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan ⅓ of zelfs maar ¼ van het lichaamsgewicht van ’t grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.—In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in ’t algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire,enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.Orde Herkauwers of Tweehoevigen.Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven (“klauwen”), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl.45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij ’t kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl.46).Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, depens(fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheidvan veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam “herkauwers”.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.Fig. 61. Maag van het rund.Fig. 61. Maag van het rund.De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de “samengestelde maag” te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: depens(fig. 60, A), demutsofnetmaag(B), deboekpensofboekmaag(C) en delebmaag(D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de “enkelvoudige” maag van deandere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in deonmiddellijkenabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde “slokdarmspleet” (fig. 62,ab) naar de derde maagafdeeling, deboekpensofboekmaag, voort. Delebmaagis de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.—De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, ’t welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d’) is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootereof kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f;fig. 62, III).—De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h;fig. 62, V).Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij ’t kauwen tot eene soort van pap worden, gaan—althans voor een groot gedeelte—dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).—Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij ’t kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.—In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden,drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een “kauwmaag” kunnen heeten.—Het vierde gedeelte ongeveer van ’t leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12½ Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat—als niets anders wordt gegeven—zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12½ Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12½ = 62½ Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een’ tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voorde volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7–2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om ’t hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.—Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij ’t kauwen en bij ’t herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan ’t herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een’ zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.—Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie derholhoornigenen die derhertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.Familie der holhoornigen.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).Familie der hertachtigen.De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

Klasse I. Zoogdieren.Fig. 28.Fig. 28.B. Voet van een’ rundervoorpoot. Daarnevens (bij A) eene menschenhand, waarin die deelen gestippeld zijn, welke aan deelen van den rundervoorpoot beantwoorden.Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij na de geboorte een’ tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben, die melk afzonderen.Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in Hoofdstuk I (bl.1–29) over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft, zij naar bl.5verwezen. Slechts op enkele punten wil ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid veelkleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl.fig. 5metfig. 33). Het aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap (fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine (“rudimentaire”) teenen. Ook bij ’t varken (fig. 29) zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste (buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in ’t algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard heeft één stevig middelvoetsbeen (“pijp”), waaraan een teen vast zit, en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen (“griffelbeentjes”,fig. 30), welke geene teenen dragen.—Bij het rund, het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).—Wat betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl.12.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant,en wel in bepaalde uithollingen, welke men “tandkassen” noemt. Den bouw van eenen zoogdiertand kan men uitfig. 31leeren kennen. Men onderscheidt aan zoo’n tand in de eerste plaats de zoogenoemde “tandholte” (p), welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door hettandbeen(d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat. Het nog hardereemailofglazuur(e) bedekt bij den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele “tandkroon”, d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt. De “tandwortel”, d. i. het gedeelte van den tand, dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde “cement” (c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één’ wortel, andere hebben er meer.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.e= email of glazuur;d= tandbeen;c= cement;p= tandholte.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is, noemt menbedektetanden; er zijn echter Zoogdieren, bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde plaatsen (in den vorm van “plooien”) glazuur over de oppervlakte verbreid is. Zulke “geplooide” kiezen vindt men alleen bij de plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).Fig. 33. Paardeschedel.Fig. 33. Paardeschedel.a= tusschenkaaksbeen;b= bovenkaaksbeen;S= snijtanden;H= hoektanden;M= voorste (wisselende) kiezen; daarachter de niet wisselende kiezen.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden, nl. desnijtanden, dehoektandenen demaaltandenofkiezen. De snijtanden dienen in ’t algemeen om het voedsel af te bijten; zij hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36, h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn danook vooral groot bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in ’t geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.—Op de hoektanden volgen dekiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken. (Vgl. bl.24). Bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij geheelfijngemalenis. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer, maar vande rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo worden dus bij ’t kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)Fig. 35.Fig. 35.I. snijtand, II. hoektand, III. kies van een’ mensch. a = kroon. b = wortel.De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door te zeggen: de snijtanden en hoektanden “wisselen”. Die, welke ’t eerst verschijnen, heetenmelktanden; de later komende noemt menblijvende tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke ’t naast aan de hoektanden grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt men “valsche”, de laatstbedoelde “ware kiezen” (fig. 36).Fig. 36. Schedel van den hond.Fig. 36. Schedel van den hond.Bkb = bovenkaaksbeen; Tkb = tusschenkaaksbeen; sn = snijtanden; h = hoektand; vk = valsche kiezen; wk = ware kiezen; s = scheurkies; knk = knobbelkiezen.Het aantal tanden vanverschillendesoort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten opverre naniet gelijk. Men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde “tandformule”, waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft, beginnendemet de middenste snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in de onderkaak.2 + 1 + 5Tandformule van den mensch———2 + 1 + 50 + 0 + 6het rund———4 + 0 + 63 +(1)+ 6het paard———3 +(1)+ 63 + 1 + 6den hond———3 + 1 + 7Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft, in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat dezekunnenvoorkomen (bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een’beperkten groei,d. i. zij zijn op een’ bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde “slagtanden” van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen deze steeds in lengte toe.—Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen, 3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren, 7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren, 13. Vogelbekdieren.Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.Orde Roofdieren.In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl.47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde “scheurkies”) zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38,knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk teknippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor ’t verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor ’t stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij ’t geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de ’t best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.Fig. 38.Fig. 38.A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. diederlandroofdieren, 2o. die derzeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a.de familiën derkatachtigen, derhondachtigen, dermarterachtigen, derberen.Familie der katachtigen.Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.Familie der hondachtigen.Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Familie der marterachtigen.Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Orde Insekteneters.Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in ’t algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een’ snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Hetgebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).—De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl.12).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Inlandsche vertegenwoordigers zijn:spitsmuizen,mol,egel.Spitsmuizenofmolmuizen(fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Demol(fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op denmiddag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, ’t welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in ’t algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een’ of anderen grooten “molshoop”. Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met “jagen” doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een’ doolhof van gangen (f,g,h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een’ dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een’ langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen “jachtveld” leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijneprooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus “molleritten” ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.Fig. 46. Molsnest.Fig. 46. Molsnest.Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Deegel(fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een’ bal inéénrolt,waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een’ winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.Orde Vleermuizen.Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen’ snuit. Het ’t meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige,voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, ’t welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.Orde Knaagdieren.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij ’t knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in ’t oog, wanneer door de eene ofandere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde “olifantstanden” (Zie fig. 51).Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl.45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.De dieren dezer orde hebben voor ’t meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:haasachtigen,muisachtigen,woelmuisachtigen,eekhorens.Familie der haasachtigen.Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.Familie der muisachtigen.De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Familie der woelmuizen.Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.Familie der eekhorens.De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)Orde Eenhoevigen.Deze orde bevat slechts ééne familie: die derpaardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl.12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van “pijp” geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men “griffelbeentjes” noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een’ planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.De snijtanden hebben een’ heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een’ menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl.49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt;2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over ’t glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in ’t midden eene opening, omgeven door 1o. een’ ring cement, 2o. een’ ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een’ ring glazuur en 5o. een’ ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wijgeven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls dentarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als eenwilddan wel als eenverwilderdpaard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa’s (“Cimmarones” en “Mustangs”).—Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:OosterscheofedeleenWesterscheofzware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.Deezelis een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.—De jongen van paard en ezel noemt menmuildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,—muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één’ hoef aan iederen poot, welkenietherkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar ’t voedsel, verschillend.—Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Devarkenachtigenhebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een’ weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.—Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.—De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58,59).Voorheen kwam in ons geheele land hetwilde zwijnvoor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over ’t geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,—ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Hettamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemdegrootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,—aan een’ grooten, smallen kop,—aan bijzonder lange pooten,—aan een’ zeer naar boven gekromden rug (“karperrug”), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een’ kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1½ M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorigeChineesche zwijn, dat korte pootjes en een’ breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan ⅓ of zelfs maar ¼ van het lichaamsgewicht van ’t grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.—In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in ’t algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire,enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.Orde Herkauwers of Tweehoevigen.Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven (“klauwen”), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl.45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij ’t kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl.46).Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, depens(fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheidvan veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam “herkauwers”.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.Fig. 61. Maag van het rund.Fig. 61. Maag van het rund.De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de “samengestelde maag” te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: depens(fig. 60, A), demutsofnetmaag(B), deboekpensofboekmaag(C) en delebmaag(D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de “enkelvoudige” maag van deandere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in deonmiddellijkenabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde “slokdarmspleet” (fig. 62,ab) naar de derde maagafdeeling, deboekpensofboekmaag, voort. Delebmaagis de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.—De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, ’t welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d’) is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootereof kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f;fig. 62, III).—De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h;fig. 62, V).Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij ’t kauwen tot eene soort van pap worden, gaan—althans voor een groot gedeelte—dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).—Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij ’t kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.—In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden,drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een “kauwmaag” kunnen heeten.—Het vierde gedeelte ongeveer van ’t leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12½ Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat—als niets anders wordt gegeven—zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12½ Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12½ = 62½ Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een’ tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voorde volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7–2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om ’t hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.—Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij ’t kauwen en bij ’t herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan ’t herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een’ zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.—Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie derholhoornigenen die derhertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.Familie der holhoornigen.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).Familie der hertachtigen.De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

Klasse I. Zoogdieren.Fig. 28.Fig. 28.B. Voet van een’ rundervoorpoot. Daarnevens (bij A) eene menschenhand, waarin die deelen gestippeld zijn, welke aan deelen van den rundervoorpoot beantwoorden.Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij na de geboorte een’ tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben, die melk afzonderen.Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in Hoofdstuk I (bl.1–29) over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft, zij naar bl.5verwezen. Slechts op enkele punten wil ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid veelkleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl.fig. 5metfig. 33). Het aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap (fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine (“rudimentaire”) teenen. Ook bij ’t varken (fig. 29) zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste (buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in ’t algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard heeft één stevig middelvoetsbeen (“pijp”), waaraan een teen vast zit, en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen (“griffelbeentjes”,fig. 30), welke geene teenen dragen.—Bij het rund, het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).—Wat betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl.12.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant,en wel in bepaalde uithollingen, welke men “tandkassen” noemt. Den bouw van eenen zoogdiertand kan men uitfig. 31leeren kennen. Men onderscheidt aan zoo’n tand in de eerste plaats de zoogenoemde “tandholte” (p), welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door hettandbeen(d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat. Het nog hardereemailofglazuur(e) bedekt bij den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele “tandkroon”, d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt. De “tandwortel”, d. i. het gedeelte van den tand, dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde “cement” (c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één’ wortel, andere hebben er meer.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.e= email of glazuur;d= tandbeen;c= cement;p= tandholte.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is, noemt menbedektetanden; er zijn echter Zoogdieren, bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde plaatsen (in den vorm van “plooien”) glazuur over de oppervlakte verbreid is. Zulke “geplooide” kiezen vindt men alleen bij de plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).Fig. 33. Paardeschedel.Fig. 33. Paardeschedel.a= tusschenkaaksbeen;b= bovenkaaksbeen;S= snijtanden;H= hoektanden;M= voorste (wisselende) kiezen; daarachter de niet wisselende kiezen.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden, nl. desnijtanden, dehoektandenen demaaltandenofkiezen. De snijtanden dienen in ’t algemeen om het voedsel af te bijten; zij hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36, h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn danook vooral groot bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in ’t geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.—Op de hoektanden volgen dekiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken. (Vgl. bl.24). Bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij geheelfijngemalenis. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer, maar vande rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo worden dus bij ’t kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)Fig. 35.Fig. 35.I. snijtand, II. hoektand, III. kies van een’ mensch. a = kroon. b = wortel.De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door te zeggen: de snijtanden en hoektanden “wisselen”. Die, welke ’t eerst verschijnen, heetenmelktanden; de later komende noemt menblijvende tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke ’t naast aan de hoektanden grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt men “valsche”, de laatstbedoelde “ware kiezen” (fig. 36).Fig. 36. Schedel van den hond.Fig. 36. Schedel van den hond.Bkb = bovenkaaksbeen; Tkb = tusschenkaaksbeen; sn = snijtanden; h = hoektand; vk = valsche kiezen; wk = ware kiezen; s = scheurkies; knk = knobbelkiezen.Het aantal tanden vanverschillendesoort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten opverre naniet gelijk. Men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde “tandformule”, waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft, beginnendemet de middenste snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in de onderkaak.2 + 1 + 5Tandformule van den mensch———2 + 1 + 50 + 0 + 6het rund———4 + 0 + 63 +(1)+ 6het paard———3 +(1)+ 63 + 1 + 6den hond———3 + 1 + 7Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft, in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat dezekunnenvoorkomen (bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een’beperkten groei,d. i. zij zijn op een’ bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde “slagtanden” van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen deze steeds in lengte toe.—Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen, 3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren, 7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren, 13. Vogelbekdieren.Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.Orde Roofdieren.In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl.47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde “scheurkies”) zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38,knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk teknippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor ’t verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor ’t stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij ’t geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de ’t best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.Fig. 38.Fig. 38.A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. diederlandroofdieren, 2o. die derzeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a.de familiën derkatachtigen, derhondachtigen, dermarterachtigen, derberen.Familie der katachtigen.Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.Familie der hondachtigen.Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Familie der marterachtigen.Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Orde Insekteneters.Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in ’t algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een’ snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Hetgebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).—De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl.12).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Inlandsche vertegenwoordigers zijn:spitsmuizen,mol,egel.Spitsmuizenofmolmuizen(fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Demol(fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op denmiddag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, ’t welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in ’t algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een’ of anderen grooten “molshoop”. Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met “jagen” doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een’ doolhof van gangen (f,g,h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een’ dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een’ langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen “jachtveld” leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijneprooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus “molleritten” ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.Fig. 46. Molsnest.Fig. 46. Molsnest.Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Deegel(fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een’ bal inéénrolt,waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een’ winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.Orde Vleermuizen.Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen’ snuit. Het ’t meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige,voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, ’t welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.Orde Knaagdieren.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij ’t knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in ’t oog, wanneer door de eene ofandere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde “olifantstanden” (Zie fig. 51).Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl.45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.De dieren dezer orde hebben voor ’t meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:haasachtigen,muisachtigen,woelmuisachtigen,eekhorens.Familie der haasachtigen.Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.Familie der muisachtigen.De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Familie der woelmuizen.Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.Familie der eekhorens.De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)Orde Eenhoevigen.Deze orde bevat slechts ééne familie: die derpaardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl.12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van “pijp” geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men “griffelbeentjes” noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een’ planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.De snijtanden hebben een’ heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een’ menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl.49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt;2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over ’t glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in ’t midden eene opening, omgeven door 1o. een’ ring cement, 2o. een’ ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een’ ring glazuur en 5o. een’ ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wijgeven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls dentarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als eenwilddan wel als eenverwilderdpaard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa’s (“Cimmarones” en “Mustangs”).—Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:OosterscheofedeleenWesterscheofzware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.Deezelis een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.—De jongen van paard en ezel noemt menmuildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,—muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één’ hoef aan iederen poot, welkenietherkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar ’t voedsel, verschillend.—Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Devarkenachtigenhebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een’ weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.—Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.—De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58,59).Voorheen kwam in ons geheele land hetwilde zwijnvoor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over ’t geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,—ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Hettamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemdegrootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,—aan een’ grooten, smallen kop,—aan bijzonder lange pooten,—aan een’ zeer naar boven gekromden rug (“karperrug”), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een’ kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1½ M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorigeChineesche zwijn, dat korte pootjes en een’ breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan ⅓ of zelfs maar ¼ van het lichaamsgewicht van ’t grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.—In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in ’t algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire,enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.Orde Herkauwers of Tweehoevigen.Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven (“klauwen”), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl.45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij ’t kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl.46).Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, depens(fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheidvan veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam “herkauwers”.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.Fig. 61. Maag van het rund.Fig. 61. Maag van het rund.De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de “samengestelde maag” te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: depens(fig. 60, A), demutsofnetmaag(B), deboekpensofboekmaag(C) en delebmaag(D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de “enkelvoudige” maag van deandere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in deonmiddellijkenabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde “slokdarmspleet” (fig. 62,ab) naar de derde maagafdeeling, deboekpensofboekmaag, voort. Delebmaagis de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.—De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, ’t welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d’) is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootereof kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f;fig. 62, III).—De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h;fig. 62, V).Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij ’t kauwen tot eene soort van pap worden, gaan—althans voor een groot gedeelte—dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).—Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij ’t kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.—In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden,drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een “kauwmaag” kunnen heeten.—Het vierde gedeelte ongeveer van ’t leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12½ Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat—als niets anders wordt gegeven—zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12½ Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12½ = 62½ Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een’ tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voorde volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7–2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om ’t hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.—Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij ’t kauwen en bij ’t herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan ’t herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een’ zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.—Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie derholhoornigenen die derhertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.Familie der holhoornigen.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).Familie der hertachtigen.De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

Fig. 28.Fig. 28.B. Voet van een’ rundervoorpoot. Daarnevens (bij A) eene menschenhand, waarin die deelen gestippeld zijn, welke aan deelen van den rundervoorpoot beantwoorden.

Fig. 28.

B. Voet van een’ rundervoorpoot. Daarnevens (bij A) eene menschenhand, waarin die deelen gestippeld zijn, welke aan deelen van den rundervoorpoot beantwoorden.

Zoogdieren zijn warmbloedige gewervelde dieren, die gewoonlijk met haren bekleed zijn en levende jongen ter wereld brengen, welke zij na de geboorte een’ tijd lang zoogen, tot welk doel de wijfjes aan den buik, aan de borst of aan deze beide lichaamsdeelen melkklieren hebben, die melk afzonderen.

Wanneer hier de hoofdpunten uit den lichaamsbouw der Zoogdieren nader ter sprake komen, dan kan voor vele zaken worden verwezen naar hetgeen in Hoofdstuk I (bl.1–29) over den bouw van het dierlijke lichaam is meegedeeld; want daar was vooral op het lichaam van den mensch en de verdere Zoogdieren het oog gevestigd. Bepaaldelijk wat den bouw van het skelet betreft, zij naar bl.5verwezen. Slechts op enkele punten wil ik hier wijzen. De schedel is bij alle Zoogdieren naar evenredigheid veelkleiner dan bij den mensch; de aangezichtsbeenderen, met name de kaakbeenderen, echter zijn veel grooter. (Vgl.fig. 5metfig. 33). Het aantal halswervels bedraagt bij de Zoogdieren zeven; van de andere soorten van wervels vindt men bij de onderscheiden Zoogdieren een verschillend getal. Het aantal teenen (vingers) bedraagt aan elken poot hoogstens 5; het is echter bij vele Zoogdieren geringer. Zoo ontbreekt de duim aan den achterpoot van den hond en aan alle pooten van het varken; terwijl bij het neushoorndier drie, bij rund en schaap (fig. 28) slechts twee teenen aan elken poot tot volledige ontwikkeling zijn gekomen, en het paard (fig. 30) aan ieder been slechts ééne teen heeft. Behalve de tot normale ontwikkeling gekomen teenen komen bij sommige Zoogdieren nog zeer kleine teenen voor, die den grond niet raken; zoo hebben de herten achter de twee flink ontwikkelde nog twee kleine (“rudimentaire”) teenen. Ook bij ’t varken (fig. 29) zijn de twee voorste (middelste) teenen grooter dan de twee achterste (buitenste). Het aantal middelvoets-(middelhands)-beenderen is in ’t algemeen gelijk aan het aantal teenen: aan ieder middelhandsbeen is één teen bevestigd. Toch zijn op dezen regel uitzonderingen: het paard heeft één stevig middelvoetsbeen (“pijp”), waaraan een teen vast zit, en daarachter twee dunne middelvoetsbeenderen (“griffelbeentjes”,fig. 30), welke geene teenen dragen.—Bij het rund, het schaap en de geit zijn aan elken poot twee teenen, die natuurlijk ieder aan een middelvoetsbeen verbonden zijn; maar de beide middelvoetsbeenderen van denzelfden poot zijn aan elkander vastgegroeid (fig. 28).—Wat betreft de wijze, waarop de verschillende Zoogdieren hunne voeten op den grond neerzetten, kan ik verwijzen naar bl.12.

Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.

Fig. 29 Voet van een varkensvoorpoot.

Fig. 30. Achterpoot v. een paard.Fig. 30. Achterpoot v. een paard.

Fig. 30. Achterpoot v. een paard.

De tanden zijn bij de Zoogdieren in de kaakbeenderen ingeplant,en wel in bepaalde uithollingen, welke men “tandkassen” noemt. Den bouw van eenen zoogdiertand kan men uitfig. 31leeren kennen. Men onderscheidt aan zoo’n tand in de eerste plaats de zoogenoemde “tandholte” (p), welke echter bij het levende dier opgevuld is met eene massa, die bloedvaten en zenuwen bevat. Deze holte wordt door hettandbeen(d) omgeven, eene harde stof, waaruit het grootste gedeelte van den tand bestaat. Het nog hardereemailofglazuur(e) bedekt bij den mensch en bij vele andere Zoogdieren de geheele “tandkroon”, d. i. dat gedeelte van den tand, hetwelk uit het tandvleesch te voorschijn komt. De “tandwortel”, d. i. het gedeelte van den tand, dat in het kaakbeen is ingeplant, is met het zoogenoemde “cement” (c) aan den wand der tandkas vastgehecht. Sommige tanden hebben één’ wortel, andere hebben er meer.

Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.e= email of glazuur;d= tandbeen;c= cement;p= tandholte.

Fig. 31. Overlangsche doorsnede door eene menschenkies.

e= email of glazuur;d= tandbeen;c= cement;p= tandholte.

Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.

Fig. 32. Geplooide kiezen, van de kroonvlakte gezien.

Alle tanden, van welke de kroon over hare gansche oppervlakte met glazuur bedekt is, noemt menbedektetanden; er zijn echter Zoogdieren, bij welke sommige der tanden (vooral de kiezen) aan hunne kroonvlakte voor een groot deel uit tandbeen bestaan, en waar slechts op bepaalde plaatsen (in den vorm van “plooien”) glazuur over de oppervlakte verbreid is. Zulke “geplooide” kiezen vindt men alleen bij de plantenetende Zoogdieren; maar daarover nader (fig. 32).

Fig. 33. Paardeschedel.Fig. 33. Paardeschedel.a= tusschenkaaksbeen;b= bovenkaaksbeen;S= snijtanden;H= hoektanden;M= voorste (wisselende) kiezen; daarachter de niet wisselende kiezen.

Fig. 33. Paardeschedel.

a= tusschenkaaksbeen;b= bovenkaaksbeen;S= snijtanden;H= hoektanden;M= voorste (wisselende) kiezen; daarachter de niet wisselende kiezen.

Fig. 34. Schedel van de wilde kat.Fig. 34. Schedel van de wilde kat.

Fig. 34. Schedel van de wilde kat.

Men onderscheidt naar den vorm en naar de plaats, waar zij in de kaken gezeten zijn, bij hetzelfde Zoogdier drie soorten van tanden, nl. desnijtanden, dehoektandenen demaaltandenofkiezen. De snijtanden dienen in ’t algemeen om het voedsel af te bijten; zij hebben eene scherpe kroonvlakte. De snijtanden der bovenkaak zijn in het tusschenkaaksbeen (fig. 33, 36) ingeplant; die der onderkaak staan daar tegenover in het onderkaaksbeen. De hoektanden (fig. 36, h) zijn aan hunne kroonvlakte puntig; zij zijn danook vooral groot bij dieren, die zich met andere dieren voeden, en dienen om der prooi stukken vleesch uit het lichaam te scheuren. Groote hoektanden vindt men bijv. bij leeuw, kat, wezel; terwijl de planteneters kleine of in ’t geheel geene hoektanden hebben (fig. 33: paard; rund; konijn). De hoektanden der bovenkaak zitten in het bovenkaaksbeen, dáár waar dit aan het tusschenkaaksbeen grenst.—Op de hoektanden volgen dekiezen, die dienen om de spijzen zoodanig in fijnere stukken te verdeelen, dat de verteringsvochten er gemakkelijk op kunnen inwerken. (Vgl. bl.24). Bij de vleescheters is het voldoende dat de opgenomen spijs in stukjes wordt geknipt; bij de planteneters echter zou op deze wijze de spijsvertering niet genoeg worden voorbereid. De plantaardige spijs toch kan (om redenen, welke later zullen worden uitééngezet) alleen dàn goed worden verteerd, als zij geheelfijngemalenis. De planteneters bewegen hunne onderkaak niet op en neer, maar vande rechterzijde naar de linker en omgekeerd. Zoo worden dus bij ’t kauwen de platte kroonvlakten der geplooide kiezen van de onderkaak over die van de bovenkaak gewreven, terwijl tusschen deze kroonvlakten zich de spijzen bevinden. Daar het glazuur harder is dan het tandbeen, slijt het laatste meer af, en de kroonvlakten der kiezen vertoonen aldus bij de planteneters al spoedig hooger uitstekende lijsten van glazuur; daardoor worden de kiezen voor het fijnmalen van spijzen steeds geschikter. (Denkt aan molensteenen!)

Fig. 35.Fig. 35.I. snijtand, II. hoektand, III. kies van een’ mensch. a = kroon. b = wortel.

Fig. 35.

I. snijtand, II. hoektand, III. kies van een’ mensch. a = kroon. b = wortel.

De snijtanden en hoektanden, welke de jonge dieren bij de geboorte hebben of korteren of langeren tijd daarna krijgen, worden na verloop van zekeren tijd door andere tanden vervangen. Men drukt dit uit door te zeggen: de snijtanden en hoektanden “wisselen”. Die, welke ’t eerst verschijnen, heetenmelktanden; de later komende noemt menblijvende tanden. Van de kiezen wisselen degene, welke ’t naast aan de hoektanden grenzen; de verder verwijderde wisselen niet. De eerst bedoelde noemt men “valsche”, de laatstbedoelde “ware kiezen” (fig. 36).

Fig. 36. Schedel van den hond.Fig. 36. Schedel van den hond.Bkb = bovenkaaksbeen; Tkb = tusschenkaaksbeen; sn = snijtanden; h = hoektand; vk = valsche kiezen; wk = ware kiezen; s = scheurkies; knk = knobbelkiezen.

Fig. 36. Schedel van den hond.

Bkb = bovenkaaksbeen; Tkb = tusschenkaaksbeen; sn = snijtanden; h = hoektand; vk = valsche kiezen; wk = ware kiezen; s = scheurkies; knk = knobbelkiezen.

Het aantal tanden vanverschillendesoort is bij de onderscheiden zoogdiersoorten opverre naniet gelijk. Men drukt dit aantal uit door eene zoogenoemde “tandformule”, waarin men doorgaans slechts de helft van het aantal tanden opschrijft, beginnendemet de middenste snijtanden. Men trekt eene streep en schrijft boven deze het halve getal tanden in de bovenkaak, er onder het halve getal tanden in de onderkaak.

2 + 1 + 5Tandformule van den mensch———2 + 1 + 50 + 0 + 6het rund———4 + 0 + 63 +(1)+ 6het paard———3 +(1)+ 63 + 1 + 6den hond———3 + 1 + 7

Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.

Fig. 37. Schedel van een Holsteinsch rund, van ter zijde gezien.

Door de bovenstaande tandformule van het rund wordt uitgedrukt, dat dit dier in de bovenkaak geene, in de onderkaak 8 snijtanden heeft, in boven- noch benedenkaak hoektanden bezit, en aan elken kant in iedere kaak 6 kiezen. Door het tusschen haakjes plaatsen der hoektanden van het paard (zie boven) wordt aangeduid, dat dezekunnenvoorkomen (bij den hengst is dit het geval), maar dat zij ook kunnen ontbreken.

Bij de meeste Zoogdieren hebben de tanden een’beperkten groei,d. i. zij zijn op een’ bepaalden tijd volgroeid en blijven dan zooals ze waren, tot zij uitvallen. Bij sommige diersoorten echter komen tanden voor, die geregeld doorgaan met groeien; zoo is het gesteld met de snijtanden van konijnen, ratten en paarden, ook met de zoogenoemde “slagtanden” van olifanten en walrussen, en met de hoektanden der varkens. In vele gevallen (konijnen, ratten, paarden) echter is de slijtage aan de kroonvlakte zoo groot, dat niettegenstaande hunnen voortdurenden groei, de tanden niet grooter worden. Waar geen slijtage van de tanden tegen elkander is (walrus, olifant, varken), daar nemen deze steeds in lengte toe.—

Men onderscheidt de klasse der Zoogdieren in de volgende orden, welke hier echter niet alle nader worden behandeld: 1. Menschen, 2. Apen, 3. Roofdieren, 4. Insekteneters, 5. Vleermuizen, 6. Knaagdieren, 7. Eenhoevigen, 8. Dikhuidigen of Veelhoevigen, 9. Herkauwers of Tweehoevigen, 10. Walvisschen, 11. Tandelooze dieren, 12. Buideldieren, 13. Vogelbekdieren.

Orde 1, 2, 10, 11, 12 en 13 blijven hier buiten bespreking.

Orde Roofdieren.In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl.47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde “scheurkies”) zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38,knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk teknippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor ’t verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor ’t stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij ’t geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de ’t best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.Fig. 38.Fig. 38.A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. diederlandroofdieren, 2o. die derzeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a.de familiën derkatachtigen, derhondachtigen, dermarterachtigen, derberen.Familie der katachtigen.Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.Familie der hondachtigen.Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Familie der marterachtigen.Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)

In iedere kaak bevinden zich zes betrekkelijk kleine snijtanden, en aan iederen kant van deze een groote, scherpe hoektand (fig. 34, 36). De valsche kiezen (bl.47) en de eerste der ware kiezen (de zoogenoemde “scheurkies”) zijn in sterke mate zijdelings samengedrukt, zoodat hare kroonvlakte scherp is (fig. 38); ook zijn zij aan hare geheele oppervlakte met glazuur overdekt. Daar nu de onderkaak smaller is dan de bovenkaak en zich uitsluitend op en neer kan bewegen, niet heen en weer, zoo snijden de scherpe randen der kronen van de valsche kiezen en met name der scheurkiezen van de onderkaak langs die van de daartegenover staande kiezen der bovenkaak; en alles wat daartusschen komt, wordt als met eene schaar stukgeknipt. Achter de scheurkies staan gewoonlijk nog eene of twee andere ware kiezen, welker kroonvlakte echter niet scherp, maar hobbelig is, ongeveer als die van de kiezen van den mensch (fig. 38,knk); zij dienen dan ook niet om de spijzen stuk teknippen, maar meer om ze te vermorzelen. Bij die roofdieren, welke voor ’t verslinden van dieren het meest volkomen zijn ingericht (kat, leeuw), is het aantal knobbelkiezen gering of ontbreken deze zoo goed als geheel; daardoor komen de scheurkiezen, welke vooral voor ’t stuk knippen der prooi moeten dienen, dichter bij ’t geledingsgewricht der beide kaken te staan, zoodat die van de bovenkaak met des te meer kracht langs die van de onderkaak knippen. Korte kaken zijn dus een kenmerk van de ’t best voor roof ingerichte roofdieren. Natuurlijk zijn ook de wangspieren, die de onderkaak bewegen, bij de dieren dezer orde zeer stevig, en is het dier des te beter voor roof geschikt, naarmate zij meer ontwikkeld zijn. Een korte, ronde kop is dus kenmerkend voor een deugdelijk roofdier.

Fig. 38.Fig. 38.A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.

Fig. 38.

A = bovenkaak, B = onderkaak van den hond; de tanden tegen de kroonvlakte gezien.sn= snijtanden,h= hoektanden,Vk= valsche kiezen,Wk= ware kiezen,s= scheurkies,knk= knobbelkiezen.

De klauwen zijn vooral bij sommige familiën bijzonder scherp. De roofdieren zijn stevig gebouwd, bewegen zich snel, ruiken en zien scherp.

Men kan de roofdieren in twee onderorden verdeelen: 1o. diederlandroofdieren, 2o. die derzeeroofdieren. Tot de laatsten, welke ik hier niet nader behandel, behooren de robben en walrussen. Tot de eersten o. a.de familiën derkatachtigen, derhondachtigen, dermarterachtigen, derberen.

Familie der katachtigen.Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.

Flink gebouwde roofdieren, met groote hoektanden en scheurkiezen, met twee valsche kiezen in iedere helft van iedere kaak (fig. 34), terwijl in de bovenkaak een zeer kleine, in de onderkaak in ’t geheel geen knobbelkies aanwezig is. Tong als een rasp, met horenachtige uitsteekseltjes bezet. De katachtigen zijn teengangers, d. i. zij gaan alleen op de teenen (bl.12). Op de volgende wijze bewaren zij hunne scherpe klauwen voor afslijting. Het laatste kootje, waarop de klauw bevestigd is (fig. 39, 3), is in den rusttoestand opgelicht, en wordt in dezen stand gehouden door een’ elastischen band, die naar het tweede vingerkootje (2) loopt. Wil de kat hare klauwen gebruiken, dan trekt zich eene stevige buigspier samen, waardoor de klauw neerwaarts wordt gebogen, zoodat zij eerst nu van onder de vacht te voorschijn komt.—De katachtigen hebben eene zeer buigzame, bewegelijke ruggegraat, die hun bij ’t klimmen en bij ’t springen van hooge voorwerpen af te stade komt. Het zijn bloeddorstige dieren, die vooral bij nacht op roof uitgaan. Zij hebben oogen, die in ’t schemerdonker schitteren, en eene spleetvormige pupil.

Fig. 39. Teen van een katachtig dier.Fig. 39. Teen van een katachtig dier.

Fig. 39. Teen van een katachtig dier.

Tot de katachtigen behooren vele groote buitenlandsche soorten, zooals leeuwen, tijgers en panthers; ook dehuiskat, die niet afstamt van de in de Midden-Europeesche wouden levendewildekat, maar van de in Nubië en Soedan levendeNubische kat. De kat is op verre na niet zoo lang huisdier als de hond; dit ligt trouwens in den aard der zaak: zoowel de jagersvolken als de nomadische herdersvolken hielden reeds in vóórhistorische tijden honden, zonder welke zij hun bedrijf niet zouden kunnen hebben uitgeoefend; katten konden eerst als huisdier worden gehouden toen er landbouwende volken waren, die vaste woonplaatsen hadden betrokken. De oude Egyptenaren hielden katten als huisdieren; maar in Noord- en Midden-Europa werd de kat eerst in de tiende eeuw of later ingevoerd.

Familie der hondachtigen.Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)

Kop langer dan bij de katachtigen (fig. 36). Hoektanden en scheurkiezen minder groot; in iedere kaak twee knobbelkiezen (fig. 38). Een gladde tong. De hondachtigen zijn teengangers (bl.51); de klauwen kunnen niet worden opgelicht en zijn veel minder scherp dan die der katachtigen.

Tot de hondachtigen behooren o. a. dehond, dewolf(die sedert ongeveer eene eeuw in ons land geheel is uitgeroeid) en devos. De verschillende rassen van honden hebben, evenals de wolven, eene ronde pupil, de vossen eene spleetvormige; ook zijn de laatstgenoemden lager op de pooten en hebben zij een’ langeren, zwaarder behaarden staart.

Men onderscheidt zeer verschillende rassen van honden, die men hoofdzakelijk tot de volgende groepen kan brengen: 1o.huishonden(herdershond, keeshond), 2o.zijdehonden(zijdehond, Bologneserhondje, Newfoundlander, St. Bernhardshond), 3o.taksenofdashonden, 4o.jachthonden(staande honden, parforcehonden), 5o.bullebijters(mops, bulhond, doggen), 6o.windhonden. Men kan den stamvorm niet aanwijzen, waarvan onze honden zijn afgestamd; hoogstwaarschijnlijk zijn niet alle groepen van honden van dezelfde soort afkomstig.

Devosis met den staart 8 dM. tot 1 M. lang, rossig van kleur.In Drente, Gelderland en Noord-Brabant komt hij bij ons ’t meest voor, in Holland en Zeeland ontbreekt hij. Hij nestelt in onderaardsche holen, alleen op zandbodem, maar trekt van daar dikwijls een tijd lang naar kleistreken, nl. wanneer de veldmuizen zich daar sterk hebben vermeerderd. Als muizenverdelger en als verdelger van meikevers en engerlingen is hij nuttig; maar door het rooven van kippen en eenden doet hij nadeel. Voor de jacht is hij natuurlijk schadelijk.

Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)

Fig. 40. De vos. (1/10 nat. gr.)

Familie der marterachtigen.Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)

Lichaam slank, in de lengte gerekt, met korte pooten. Kop klein en plat; schedel vrij lang, maar kaken kort. Tong glad. Klauwen scherp. De dieren dezer familie zetten nu de geheele voetzool, dan alleen de teenen op den grond. Hun slank, buigzaam lichaam en de korte pooten maken hen geschikt om in allerlei holen en gaten te kruipen en daar muizen, konijnen, enz. te vervolgen.

De meeste marterachtigen stinken, daar zij uit klieren, die aan’t achtereinde van het lichaam gelegen zijn, eene stinkende stof afscheiden. Van vele marterachtigen heeft de wintervacht veel waarde als bont.

Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)

Fig. 41. Een hermelijn, een’ haas aanvallend, (⅛ nat. gr.)

Tot de marterachtigen behooren vooreerst de in bosschen levendeboommarteren de in schuren nestelendesteenmarterof hetfluwijn. De laatste vernielt heel wat pluimgedierte.—Meer komen hier voor debunsing, degroote wezelof hethermelijnen dekleine wezel. De bunsing (ulk, mud, meert), om zijn’ stank bijzonder bekend, doet nut als muizenverdelger, maar rooft veel kippen. De groote wezel (bruin in den zomer, wit in den winter) onderscheidt zich van den kleinen wezel door eene zwarte punt aan het uiteinde vanden staart. Vooral de kleine wezel doodt veel veldmuizen; de groote wezel vernielt meer konijnen. Beiden dooden kippen en eenden; verder rooven zij ook eieren. Voor de jacht zijn zij schadelijk door het dooden van hazen, patrijzen en ander wild; voor den landbouwer doen zij veel meer nut dan schade.

Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)

Fig. 42. De vischotter. (1/12 nat. gr.)

Marters en wezels bijten gewoonlijk hunne prooi de halsslagader door en zuigen het aangevallen dier het bloed af, tot het uitgeput neervalt. Daarna grijpen zij, als zij er kans toe zien, een ander dier aan, dat zij op gelijke wijze dooden, enz. Op deze wijze maken zij veel meer slachtoffers dan zij zouden doen, als zij de door hen gedoode dieren ookopaten. Aan zijne bloeddorst en moordlust is het toe te schrijven, dat een enkel wezeltje op éénen dag wel dertig veldmuizen dooden kan; maar door dezelfde eigenschappen komt het dat een marter, bunsing, hermelijn of wezel, die in een kippenhok komt, dit—als hij niet gestoord wordt—geheel leeg moordt.

De otter en de das verschillen in onderscheiden opzichten van de andere marterachtigen.

Deotterheeft zwemvliesjes tusschen de teenen, houdt zich in waterrijke streken op en leeft voornamelijk van visch.—De plompe, dikkedaskomt slechts hier en daar in ons land op zandgrond voor.

Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)

Fig. 43. De das. (1/12 nat. gr.)

Orde Insekteneters.Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in ’t algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een’ snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Hetgebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).—De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl.12).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Inlandsche vertegenwoordigers zijn:spitsmuizen,mol,egel.Spitsmuizenofmolmuizen(fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Demol(fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op denmiddag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, ’t welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in ’t algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een’ of anderen grooten “molshoop”. Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met “jagen” doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een’ doolhof van gangen (f,g,h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een’ dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een’ langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen “jachtveld” leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijneprooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus “molleritten” ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.Fig. 46. Molsnest.Fig. 46. Molsnest.Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Deegel(fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een’ bal inéénrolt,waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een’ winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.

Daar zij zich met kleine dieren (insekten, wormen, slakken) voeden, zijn de insekteneters in ’t algemeen klein van stuk. Die soorten, welke ook wel van grootere dieren zich voeden (de egel, die muizen eet) zijn iets grooter. De vertegenwoordigers van deze orde leven allen op of in den grond. De neus is tot een’ snuit verlengd (fig. 44), en dient als tastwerktuig, vooral bij die soorten, welke in den grond leven en bij welke de oogen zeer weinig ontwikkeld zijn (mol, spitsmuizen). Alle tanden zijn geheel met glazuur overdekt; de kroon heeft eene of meer spitse punten. Als de mond gesloten is, grijpen de punten van de tanden der bovenkaak in de ruimten tusschen die der onderkaak en omgekeerd. Bijt het dier zijne prooi, dan dringen de punten der kiezen van beide kaken in het lichaam van het insekt, dat het heeft aangegrepen. (Hetgebit van de dieren dezer orde is gelijk aan dat der vleermuizen: fig. 49).—De ooren zijn bij de in den grond levende insekteneters zeer klein. De dieren dezer orde gaan op de geheele voetzool (bl.12).

Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).

Fig. 44. De Waterspitsmuis. (Iets minder dan de helft verkleind).

Inlandsche vertegenwoordigers zijn:spitsmuizen,mol,egel.

Spitsmuizenofmolmuizen(fig. 44) zijn kleine, op muizen gelijkende diertjes, die zich echter door haren spitsen snuit dadelijk van ware muizen onderscheiden. Zij leven in de gangen, welke veldmuizen en andere dieren in den grond graven en eten vele schadelijke insekten, welke in den grond leven.

Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)

Fig. 45. De mol. (De helft verkleind.)

Demol(fig. 45) heeft een dik, rolrond lichaam met korte pooten. De voorpooten zijn breed, spadevormig, en dienen om gangen door den grond te graven. De oogen zijn klein, tusschen de beharing van den kop nauwelijks zichtbaar. De pels is zacht, schitterend zwart. De mol gaat in den morgen, op denmiddag en in den avond uit om de insekten en regenwormen te eten, die hij in den grond wel niet kan zien, maar van welker aanwezigheid hem het uitstekend tastgevoel overtuigt, ’t welk in zijnen snuit zetelt. Door zijn woelen wordt hij voor sommige gewassen schadelijk; maar in ’t algemeen kan men zeggen, dat hij meer nut doet dan nadeel. Het nest van den mol bevindt zich onder den een’ of anderen grooten “molshoop”. Het bestaat (zie fig. 46) vooreerst uit eene enge woonkamer, waar hij al den tijd, dien hij niet met “jagen” doorbrengt, ligt te slapen. Rondom de woonkamer vindt men een’ doolhof van gangen (f,g,h), die de vijanden, welke den mol in den grond mochten achtervolgen (wezels, andere mollen) op een’ dwaalspoor brengen. Van het eigenlijke nest (c) loopt een gang (b) naar den tunnel (a), een’ langeren of korteren gang, die naar het soms op tamelijk grooten afstand gelegen “jachtveld” leidt. De wanden van het nest en van de hier vermelde gangen zijn zeer hard; maar de verdere gangen, die de mol graaft, om zijneprooi te vangen, storten spoedig weer in. In den zomer, wanneer de insekten zich dicht bij de oppervlakte bevinden, graaft het dier ook dicht bij de bodemoppervlakte, en doet aldus “molleritten” ontstaan. In den winter, als de insekten en regenwormen in de diepte van den bodem verscholen zijn, graaft de mol insgelijks dieper.

Fig. 46. Molsnest.Fig. 46. Molsnest.

Fig. 46. Molsnest.

Soms brengt hij in zijn nest een groot aantal regenwormen als wintervoorraad bijeen, welke hij van de voorste lichaamsleden berooft. Daardoor kunnen de wormen het mollenest niet verlaten; want de voorste leden des lichaams hebben zij bepaald noodig om zich door den grond heen voort te werken, dus om te ontvluchten.

Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)

Fig. 47. Egel met jongen. (⅕ nat. gr.)

Deegel(fig. 47) is veel grooter dan de mol en de spitsmuizen; hij is aan de rugzijde met stekels bezet. Als hij zich tot een’ bal inéénrolt,waarbij kop en pooten worden ingetrokken, is hij tegen den aanval van bijkans alle dieren beschermd. Tegen den avond gaat hij op de muizenjacht uit; over dag houdt hij zich schuil. Hij heeft een’ winterslaap. Door het dooden van insekten en vooral van veldmuizen is de egel nuttig; enkele malen echter valt hij de kuikens in een kippenhok aan en wordt aldus schadelijk.

Orde Vleermuizen.Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen’ snuit. Het ’t meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige,voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, ’t welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.

Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)

Fig. 48. De grootoorvleermuis. (Iets verkleind.)

Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)

Fig. 49. Schedel van de vale vleermuis. (Vergr.)

Met uitzondering van enkele tropische soorten, die vruchten eten, leven alle vleermuizen van insekten, die zij in de vlucht vangen. Haar gebit verschilt dan ook niet van dat der Insekteneters; maar daar zij niet in den grond leven, hebben zij geen’ snuit. Het ’t meest in het oog vallende kenmerk is de eigenaardige bewegingstoestel. De beenderen van den benedenarm, de middelhandsbeenderen en de vingers (met uitzondering van den duim) zijn bijzonder lang; en tusschen de lange vingers, tusschen de voorste en de achterste ledematen, ook tusschen de beide achterste ledematen zelve, bevindt zich eene veerkrachtige,voor vliegen en voor voelen geschikte huid. Daar de vleermuizen nachtdieren zijn, is het gezichtsvermogen weinig ontwikkeld; zij verlaten zich op haar tastgevoel, ’t welk, behalve in het vliegvlies, ook in de groote oorschelpen zetelt. Sommige soorten hebben huidaanhangselen aan den neus en de lippen, die insgelijks zeer gevoelig zijn. De vleermuizen slapen bij dag; zij houden zich dan in holle boomen, in schoorsteenen, in leegstaande gebouwen, enz. op. Op dergelijke plaatsen brengen zij ook den tijd van hunnen winterslaap door. Bij nacht of in de schemeringuren vangen zij vele vliegen, nachtvlinders en andere insekten, zoodat men ze gerust nuttige dieren mag noemen.

Orde Knaagdieren.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij ’t knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in ’t oog, wanneer door de eene ofandere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde “olifantstanden” (Zie fig. 51).Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl.45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.De dieren dezer orde hebben voor ’t meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:haasachtigen,muisachtigen,woelmuisachtigen,eekhorens.Familie der haasachtigen.Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.Familie der muisachtigen.De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Familie der woelmuizen.Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.Familie der eekhorens.De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)

Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.

Fig. 50. Schedel van ’t konijn; de kaakbeenderen opengebeiteld, om den wortel der tanden te toonen.

In de beide kaken twee lange snijtanden, die aan hun worteleinde steeds doorgroeien, terwijl zij aan de kroonvlakte voortdurend afslijten. Deze snijtanden dienen om te knagen, waarbij de onderkaak snel vooruit en achteruit wordt bewogen. Bij ’t knagen slijten de snijtanden aan den achterkant meer af dan aan den vóórkant, omdat deze laatste met eene dikke laag glazuur bedekt is. De kroonvlakte der snijtanden krijgt aldus een beitelvormig voorkomen. Dat de groei dezer snijtanden onbeperkt is, valt duidelijk in ’t oog, wanneer door de eene ofandere omstandigheid de gewone afslijting niet kan plaatsgrijpen, bijv. wanneer de onderkaak eenigszins scheef onder de bovenkaak staat. Dan groeien de niet afslijtende snijtanden steeds door en vormen zoogenoemde “olifantstanden” (Zie fig. 51).

Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.

Fig. 51. Hazeschedel met olifantstanden.

De knaagdieren hebben geene hoektanden. De kiezen zijn bij de zuivere planteneters (hazen, konijnen) geplooid (bl.45, 46); bij die, welke nevens plantaardig ook dierlijk voedsel gebruiken (ratten, muizen, eekhorens), aan de kroonvlakte geheel met glazuur overdekt.

Bij de meeste knaagdieren zijn de achterpooten langer dan de voorpooten, zoodat de gang meer of min huppelend is.

De dieren dezer orde hebben voor ’t meerendeel een sterk voortplantingsvermogen; het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat sommige soorten zeer schadelijk kunnen zijn.

Tot de knaagdieren behooren de volgende inlandsche familiën:haasachtigen,muisachtigen,woelmuisachtigen,eekhorens.

Familie der haasachtigen.Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.

Schedel lang. Twee kleine snijtanden achter de beide groote van de bovenkaak.—Geplooide kiezen.—Ooren lang, lepelvormig.—Bovenlip gespleten.—Snorharen.—Twee inlandsche soorten:haas(fig. 41) enkonijn.

Dehaasis grooter dan het (wilde) konijn. De vacht is roestkleurig grijs; de ondervacht wit. Ooren langer dan de kop.—De haas komt in alle streken van ons land voor: op zand, veen enklei. Het wijfje werpt hare jongen, die reeds bij de geboorte behaard zijn en de oogen open hebben, in een open “leger”.—De haas eet zelden veel voedsel (kool, koolzaadplanten, knollen, klaver, lupinen, jonge graanplanten) op dezelfde plek van een’ akker; doordat hij nu hier, dan daar een plantje wegvreet, valt de door hem teweeggebrachte schade minder in ’t oog dan die van ’t konijn.

Hetwilde konijn. Vacht geelachtig grijs; ondervacht loodkleurig grijs. Ooren iets korter dan de kop. Minder lange achterpooten dan de haas.—Het wijfje werpt hare jongen, die bij de geboorte kaal en blind zijn, in een nest, dat zij in den grond graaft.—Het konijn komt slechts op zandgrond voor, daar de andere bodemsoorten voor ’t graven van de konijnenholen te vast zijn; maar zeer losse zandgrond deugt daarvoor ook al weer niet. ’t Konijn is dus zeer plaatselijk in zijn voorkomen. (Vooral in de duinen!).—De schade valt meer in ’t oog dan die van den haas, omdat het konijn meer op ééne en dezelfde plaats blijft eten. Maar ook door woelen wordt dit dier zeer schadelijk, daar het de planten uit den grond werpt en oorzaak wordt van zandstuivingen. Vooral in den winter, wanneer het gewone voeder van kruidachtigen aard (koolzaad, boerenkool, wintergranen, enz.) onder de sneeuw bedekt is, knagen het konijn en de haas beiden aan de schors van boomstammen, waardoor vooral jonge boompjes soms gedood worden.—Detamme konijnen, hoe verschillend ook de onderscheiden rassen zijn, stammen allen van het wilde konijn af.

Familie der muisachtigen.De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)

De muisachtigen gelijken zeer veel op de woelmuisachtigen (volgende familie); maar zij hebben in ’t algemeen een’ slankeren lichaamsbouw, langere pooten, een’ meer spitsen kop, een’ langeren staart (met uitzondering van den hamster, die een’ zeer korten staart heeft).—De achterpooten zijn merkelijk langer dan de voorpooten; van daar de meer huppelende beweging (fig. 52).

In ons land komen voor: dezwarte rat, debruine raten dehuismuis, die in huizen en schuren alle mogelijke eetbare zaken wegrooven,—dedwergmuis, die in graanhalmen, vlasplanten, rietstengels, kreupelhout, enz. haar bolvormig nestje bouwt, maar weinig schadelijk wordt,—ten slotte deboschmuis. Deze is geelgrijs op den rug, terwijl de witte buikzijde van de rugzijde scherp is afgescheiden. Zij komt in bosschen, maar ook op ’t veld voor, en leeft van insekten en vogeleieren zoowel als van zaden; ook begeeft zij zich wel in schuren en huizen.

Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)

Fig. 52. Zwarte rat. (⅓ nat. gr.)

De kortstaartigehamster, zoo groot als een flinke rat, is aan de rugzijde licht geelbruin, terwijl buikzijde en pooten zwart zijn. In ons land komt zij nergens anders voor dan op de zware kleigrondenvan Zuidelijk Limburg. Zij vreet tarwe, boonen, erwten, en sleept vooral veel voedsel in haar nest bijéén. Zeer schadelijk.

Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)

Fig. 53. De hamster. (⅖ nat. gr.)

Familie der woelmuizen.Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.

Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)

Fig. 54. De waterrat. (½ nat. gr.)

Punten van verschil tusschen woelmuizen en muizen: zie bl.63. Inlandsche soorten zijn dewaterraten develdmuis.

Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)

Fig. 55. Veldmuizen. (½ nat. gr.)

Men verwarre dewaterrat(fig. 54) niet met debruine rat(fig. 52), die, daar zij soms te water gaat, wel eens “waterrat” wordt genoemd. De echte waterrat houdt zich aan de oevers van rivieren, beekjes, kanalen, grachten, enz. op, ook op vochtige, laag gelegen weiden en akkers. Door haar woelen vernielt zij de weiden, en beschadigt zij de te velde staande gewassen en ook de dijken. Zij vreet voornamelijk graankorrels,aardappelen, knollen, enz. en sleept deze plantendeelen ook naar haar hol. Zij doodt kuikens van eenden en ganzen. De waterrat heeft eene lengte van 1½ dM. zonder den staart; zij is bruingrijs of zwartbruin van kleur. Eene lichtere verscheidenheid, die men “vreetwolf” of “aardwolf” noemt, komt op hoogere gronden voor en doorknaagt den voet van boomstammen.

Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)

Fig. 56. Eekhoren. (⅓ nat. gr.)

Develdmuis(fig. 55), kenbaar aan haren zeer korten staart, is geelgrijs van kleur. Hare sterke vermeerdering is oorzaak, dat zij in streken, die voor haar oponthoud zeer geschikt zijn (kleigronden en lage venen) zeer schadelijk wordt, èn door wat zij bij haar woelen vernielt èn door hetgeen zij opvreet. Bouw- en weilanden worden soms door haar zoodanig geteisterd, dat deze in ’t midden van den zomer geheel kaal zijn. Het aantal veldmuizen, dat overwintert,is gewoonlijk gering, en de schade begint vooral in ’t midden of in de tweede helft van den zomer groot te worden.

Familie der eekhorens.De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)

De eekhorens zijn, vooral aan hunnen langen, behaarden staart te kennen. Hetgewone eekhorentje(roodbruin van kleur) is in onze bosschen (vooral in Gelderland en Noord-Brabant) zeer algemeen. ’t Hoofdvoedsel bestaat uit boomzaden; maar in den winter haalt de eekhoren wel eens schors en bast van boomen af, en doet op deze wijze veel schade. (Fig. 56.)

Orde Eenhoevigen.Deze orde bevat slechts ééne familie: die derpaardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl.12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van “pijp” geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men “griffelbeentjes” noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een’ planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.De snijtanden hebben een’ heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een’ menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl.49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt;2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over ’t glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in ’t midden eene opening, omgeven door 1o. een’ ring cement, 2o. een’ ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een’ ring glazuur en 5o. een’ ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wijgeven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls dentarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als eenwilddan wel als eenverwilderdpaard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa’s (“Cimmarones” en “Mustangs”).—Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:OosterscheofedeleenWesterscheofzware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.Deezelis een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.—De jongen van paard en ezel noemt menmuildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,—muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.

Deze orde bevat slechts ééne familie: die derpaardachtigen, tot welke paard en ezel behooren, alsmede eenige soorten van wilde dieren, die echter in Europa niet voorkomen (zebra, quagga, dauw, wilde ezel, enz.). De eenhoevigen hebben aan ieder der ledematen slechts ééne teen, die echter bijzonder groot is, en aan haren top met eenen hoef (bl.12) bekleed is. Deze teen is op het uiteinde van een groot middelvoets(hands-)been geplaatst, waaraan men den naam van “pijp” geeft; achter dit been bevinden zich nog twee zeer kleine middelvoetsbeentjes, die men “griffelbeentjes” noemt (fig. 30), en waaraan slechts in hoogst zeldzame gevallen een uiterst klein teentje te zien is. (Het meest komen nog deze extra-teentjes voor bij muildieren en muilezels).

De paardachtigen hebben in ieder van de beide kaken zes snijtanden en aan elken kant zes kiezen (fig. 33); de laatste zijn aan hare kroon vlakte van émailplooien voorzien, zooals men dat bij een’ planteneter verwachten kan. De hoektanden zijn altijd klein, en ontbreken gewoonlijk bij de vrouwelijke dieren.

De snijtanden hebben een’ heel eigenaardigen bouw. Een paardensnijtand onderscheidt zich van een’ menschensnijtand: 1o. doordat de groei ervan onbeperkt is (zie bl.49), ofschoon de grootte dezelfde blijft, doordat de slijtage doorgaans juist tegen den groei opweegt;2o. doordat het cement, hetwelk bij den menschensnijtand uitsluitend den wortel bedekt, zich ook over ’t glazuur van de kroon uitstrekt; 3o. doordat, uitgaande van de kroonvlakte, zich eene plooi van cement en émail naar beneden uitstrekt, die zich dus een eindweegs in het tandbeen voortzet. Een nog ongebruikte tand heeft dus aan zijne kroonvlakte eene groeve, en deze is in de snijtanden der bovenkaak dubbel zoo diep als in die der onderkaak. Wanneer nu een paard zijne snijtanden een tijd lang heeft gebruikt, zoodat zij eenigszins zijn afgesleten, dan vertoont zich de kroonvlakte als volgt: in ’t midden eene opening, omgeven door 1o. een’ ring cement, 2o. een’ ring glazuur, 3o. het tandbeen, 4o. een’ ring glazuur en 5o. een’ ring cement. De holte is niet altijd als een gat zichtbaar, maar is gewoonlijk met vaste zelfstandigheden uit de spijzen en uit het speeksel (kalk) gevuld, welke zelfstandigheden echter brokkelig en los zijn, volstrekt niet vast, zooals de eigenlijke bestanddeelen van den tand. Daar de groeve zich slechts tot op zekere diepte in den tand uitstrekt, terwijl de kroonvlakte voortdurend afslijt, moeten de tanden hunne opening aan de oppervlakte vroeger of later verliezen.

Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.

Fig. 57. Verticale doorsnede door een’ snijtand van een paard.

c= cement;e= email;d= tandbeen; * = indeuking.

Daar bij de tandwisseling niet alle snijtanden te gelijk te voorschijn komen, maar het buitenste paar een jaar na het tweede, dit laatste weer een jaar na het middelste paar, zoo moet ook de opening van den éénen snijtand een jaar na die van den anderen snijtand door afslijting verdwijnen. En daar deze afslijting op regelmatige wijze geschiedt, kan men den ouderdom van een paard vrij nauwkeurig naar het al of niet aanwezig zijn der opening in de verschillende tanden bepalen.

De paardachtigen zijn planteneters; echter eten zij bij voorkeur de toppen der grasplanten met de daaraan aanwezige zaden. (Wijgeven den paarden haver). Daar zij dus meer geconcentreerd voedsel gebruiken dan de herkauwers (bijv. het rund), hebben zij een darmkanaal van iets geringer afmeting. Bepaaldelijk de maag is klein.

Van welke wilde diersoort onze tamme paarden afstammen, is niet bekend. Men ziet dikwijls dentarpan, die in groote troepen de Steppen van Midden-Azië bewoont, voor den stamvorm aan, maar zonder voldoenden grond, daar het niet zeker is, of dit dier als eenwilddan wel als eenverwilderdpaard moet worden beschouwd. Verwilderde paarden (nakomelingen van dieren, die uit kudden van tamme paarden ontsnapt zijn) vindt men o.a. op Sardinië, in Zuidelijk Rusland, in Syrië en in de Amerikaansche Llanos en Pampa’s (“Cimmarones” en “Mustangs”).—Men onderscheidt twee hoofdgroepen van tamme paarden:OosterscheofedeleenWesterscheofzware. Tot de eerstgenoemden behooren: het Arabische, het Perzische, het Turksche, het Hongaarsche, het Andalusische paard; tot de Westersche paarden: het Holsteiner, het Friesche, het Geldersche, het Zeeuwsche, het Brabantsche, het Normandische ras. Verscheiden beroemde rassen zijn door kruising van andere rassen ontstaan en zoo zijn er vele paardenrassen, die afstammelingen zoowel van Oostersche als van Westersche paarden zijn; dit is bijv. het geval met het Oldenburger paard en met de Orloffs (Rusland). Het bekende Engelsche volbloedpaard is uit louter Westersche paarden aangefokt; het levert de beroemde Engelsche renpaarden.

Deezelis een uitstekend lastdier, maar ook een zeer goed trekdier; hij is minder teer en met minder goed voedsel tevreden dan het paard. Bij zorgvuldiger verpleging dan hij hier te lande geniet, zou hij zeker ook hier even groot en fraai worden als in de landen rondom de Middellandsche Zee.—De jongen van paard en ezel noemt menmuildier, wanneer de vader een ezelhengst, de moeder eene merrie (hit) is,—muilezel, als de vader een paardehengst (hit), de moeder eene ezelin is. Zij staan beiden tusschen de twee stamvormen in, maar schijnen niet altijd gelijk te zijn.

Orde Dikhuidigen of Veelhoevigen.Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één’ hoef aan iederen poot, welkenietherkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar ’t voedsel, verschillend.—Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Devarkenachtigenhebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een’ weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.—Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.—De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58,59).Voorheen kwam in ons geheele land hetwilde zwijnvoor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over ’t geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,—ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Hettamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemdegrootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,—aan een’ grooten, smallen kop,—aan bijzonder lange pooten,—aan een’ zeer naar boven gekromden rug (“karperrug”), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een’ kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1½ M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorigeChineesche zwijn, dat korte pootjes en een’ breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan ⅓ of zelfs maar ¼ van het lichaamsgewicht van ’t grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.—In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in ’t algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire,enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.

Tot deze orde brengt men kort en goed al die hoefdieren met meer dan één’ hoef aan iederen poot, welkenietherkauwen. De huid is doorgaans dik; het gebit is, al naar ’t voedsel, verschillend.—Men rekent er toe o.a. de neushorendieren, de nijlpaarden en de varkens. Slechts over de laatsten spreek ik nader, en nog maar alleen over die soorten, welke in tammen of wilden staat in Midden-Europa voorkomen.

Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.

Fig. 58. Schedel van een wild zwijn.

Devarkenachtigenhebben aan iederen voet vier vingers, waarvan de twee middelsten flink uitgegroeid zijn, terwijl de twee anderen (vergelijkbaar met onzen pink en onzen wijsvinger) klein blijven (fig. 29) en slechts bij zware varkens op een’ weeken grond den bodem raken. De duim ontbreekt: alle vingers bestaan uit drie kootjes.—Bovenkaak en neus zijn lang en vormen eenen snuit; op het vóóreinde van dezen snuit staan de neusgaten.—De varkens eten zoowel spijzen van plantaardigen als van dierlijken oorsprong; hunne kiezen hebben diensvolgens veel overeenkomst met die van den mensch; de hoektanden kunnen bij de mannetjes zeer sterk uitgroeien en buigen zich dan opwaarts (fig. 58,59).

Voorheen kwam in ons geheele land hetwilde zwijnvoor; thans is dit beperkt tot Limburg, en slechts bij uitzondering wordt er een in een ander deel van ons land geschoten. Het wilde zwijn is zwart. Oorspronkelijk leeft het in lage, moerassige streken; maar daar de lagere landen over ’t geheel meer door menschen bewoond zijn dan voor dit dier wenschelijk is, is het in de meeste landen naar de boschrijke streken teruggedrongen. Voedsel: knollen, aardappelen,peulvruchten, hazelnoten, beukenzaden, eikels, truffels,—ook insekten, wormen, slakken, vogeleieren.

Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.

Fig. 59. Kop van een mannelijk varken.

Hettamme varken. Voorheen fokte men in Europa algemeen de zoogenoemdegrootoorige varkens, kenbaar aan lange, breede, tot over de oogen naar voren hangende ooren,—aan een’ grooten, smallen kop,—aan bijzonder lange pooten,—aan een’ zeer naar boven gekromden rug (“karperrug”), aan het bezit van vele, stijve borstels, die op den rug een’ kam vormen. In hunnen uitwendigen en inwendigen bouw gelijken deze grootoorige varkens veel op het wilde zwijn, hoewel bij de meeste in Nederland voorkomende exemplaren de kleur van huid en borstels geelachtig wit is en niet zwart, zooals bij het wilde varken. In de Oostelijke deelen van ons land wordt het grootoorige varken nog wel hier en daar in onvervalschten toestand gehouden. Het is laat volwassen en eerst in het derde jaar geschikt om te worden vetgemest; dan echter is het ook een kolossaal dier, bijkans 1 M. hoog en minstens 1½ M. lang; het vleesch is zeer smakelijk, niet bijzonder vet.

In Oostelijk Azië, Zuid-Afrika en Australië teelt men het kortoorigeChineesche zwijn, dat korte pootjes en een’ breeden rug heeft, weinig haren of borstels draagt, en niet meer dan ⅓ of zelfs maar ¼ van het lichaamsgewicht van ’t grootoorige varken bereikt, maar zeer spoedig volwassen en voor vetmesting geschikt is.—In Engeland heeft men door kruising van het Chineesche met het inheemsche grootoorige zwijn allerlei tusschenrassen gefokt, die in ’t algemeen grooter zijn dan het Chineesche zwijntje, maar toch voor vetmesting zeer geschikt. Deze Engelsche rassen (Yorkshire, Berkshire,enz.) zijn in Nederland dikwijls ingevoerd om er weer ons inlandsch varken mee te kruisen.

Orde Herkauwers of Tweehoevigen.Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven (“klauwen”), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl.45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij ’t kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl.46).Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, depens(fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheidvan veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam “herkauwers”.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.Fig. 61. Maag van het rund.Fig. 61. Maag van het rund.De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de “samengestelde maag” te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: depens(fig. 60, A), demutsofnetmaag(B), deboekpensofboekmaag(C) en delebmaag(D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de “enkelvoudige” maag van deandere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in deonmiddellijkenabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde “slokdarmspleet” (fig. 62,ab) naar de derde maagafdeeling, deboekpensofboekmaag, voort. Delebmaagis de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.—De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, ’t welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d’) is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootereof kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f;fig. 62, III).—De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h;fig. 62, V).Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij ’t kauwen tot eene soort van pap worden, gaan—althans voor een groot gedeelte—dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).—Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij ’t kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.—In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden,drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een “kauwmaag” kunnen heeten.—Het vierde gedeelte ongeveer van ’t leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12½ Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat—als niets anders wordt gegeven—zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12½ Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12½ = 62½ Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een’ tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voorde volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7–2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om ’t hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.—Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij ’t kauwen en bij ’t herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan ’t herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een’ zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.—Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie derholhoornigenen die derhertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.Familie der holhoornigen.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).Familie der hertachtigen.De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

Deze dieren (rund, schaap, geit, hert) bezitten nooit meer dan twee volledig ontwikkelde hoeven (“klauwen”), die natuurlijk ieder het laatste kootje van eene teen bedekken. Bij de meeste herkauwers zijn echter achter deze twee teenen nog twee zeer kleine teentjes aanwezig, die den grond niet bereiken. Ook de middelhands(voets-)beenderen, waaraan deze laatsten bevestigd zijn, zijn zeer klein gebleven. De twee middelhandsbeenderen, waaraan de twee teenen vastzitten, zijn met elkander vergroeid, maar zóó dat men duidelijk den naad kan zien (fig. 28).

Het gebit der herkauwende dieren is als volgt (fig. 37). In de bovenkaak ontbreken de snijtanden; zij worden door eene horenachtige bekleeding van de kaak vervangen. In de onderkaak vindt men acht snijtanden met eene meer of minder beitelvormige kroon. Hoektanden ontbreken, of zij komen alleen bij de mannetjes voor (herten). De kiezen zijn doorgaans ten getale van zes aan weerskanten in iedere kaak aanwezig; zij zijn geplooid (bl.45), zooals men bij uitsluitende planteneters kan verwachten. De onderkaak wordt bij ’t kauwen onder de bovenkaak heen en weer bewogen (bl.46).

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit gras en andere groene kruiden, en bevat veel water en ook veel onverteerbare stof. Van daar dat het dagelijksch rantsoen, dat een herkauwer noodig heeft, zeer omvangrijk is; het darmkanaal heeft dan ook zeer groote afmetingen.

Wel wordt het voedsel bij het opnemen in den mond gekauwd, maar daar het zooveel onverteerbare deelen bevat, waarbinnen de verteerbare stoffen a. h. w. zijn opgesloten, zoo wordt het voor eene goede vertering niet genoeg verbrijzeld. Daarom gaat het bij het doorslikken niet dadelijk naar de maag, maar eerst naar eene tijdelijke bewaarplaats, depens(fig. 60, A) genoemd, waar het bij de in het lichaam heerschende temperatuur en bij de aanwezigheidvan veel vocht (speeksel, water uit de spijzen, opgenomen drank) in gisting overgaat, zoodat de onverteerbare deelen in de spijzen voor een deel omgezet en dus verwijderd worden, waardoor de spijzen zich nu gemakkelijk geheel laten verbrijzelen, wanneer de massa uit de pens weer is opgestegen door den slokdarm en in de mondholte op nieuw gekauwd wordt. Vandaar de naam “herkauwers”.

Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.

Fig. 60. Samengestelde maag van een rund.

A = pens; B = muts; C = boekmaag; D = lebmaag; X = slokdarm; 3 = twaalfvingerige darm.

Fig. 61. Maag van het rund.Fig. 61. Maag van het rund.De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.

Fig. 61. Maag van het rund.

De pens is doorgesneden en op zij gelegd; het gedeelte, dat over muts en boekpens heenligt, is weggelaten. a = slokdarm; b = pens; c = muts; dd’ = lippen van de slokdarmspleet; ee’ = boekpens, opgesneden om hare bladen (f) te laten zien; g = opening tusschen boekpens en lebmaag; i = plooien van ’t slijmvlies v. d. lebmaag; k = twaalfvingerige darm.

De pens ligt met nog een paar verwijdingen van den darm vlak bij de eigenlijke maag; en men is gewoon, al deze bij elkaar gelegen verwijde gedeelten van den darm met elkaar de “samengestelde maag” te noemen. De deelen van deze samengestelde maag zijn de volgende: depens(fig. 60, A), demutsofnetmaag(B), deboekpensofboekmaag(C) en delebmaag(D). De laatstgenoemde afdeeling stemt in werking met de “enkelvoudige” maag van deandere dieren overeen. De slokdarm heeft eene opening in de pens. en wel op die plaats, waar de muts in deonmiddellijkenabijheid ligt; intusschen zet hij zich in de zoogenoemde “slokdarmspleet” (fig. 62,ab) naar de derde maagafdeeling, deboekpensofboekmaag, voort. Delebmaagis de laatste afdeeling, aan welke zich de twaalfvingerige darm (fig. 60, 3) aansluit.—De wanden der verschillende maagafdeelingen zij zeer ongelijk gebouwd. Dikke spierlagen bezit vooral de pens; zij vormen er pilaarachtige verhevenheden en gewelven, waardoor deze maagafdeeling in verschillende ruimten wordt ingedeeld (fig. 62, bij I, waar men in de pens ziet). Het slijmvlies, ’t welk de pens van binnen bekleedt, is met korte, vrij harde, puntvormige uitsteeksels bezet. Dat van de muts (fig. 62, II; fig. 61, tusschen de lippen d en d’) is bedekt met een netwerk van plooien, welke vier-, vijf- of zeshoekige vakjes begrenzen. In de boekpens springt het slijmvlies met platte, bladvormige, grootereof kleinere uitsteeksels naar binnen (fig. 61, f;fig. 62, III).—De lebmaag heeft een dik, weekachtig slijmvlies met vele plooien en klieren (fig. 61, i, h;fig. 62, V).

Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.

Fig. 62. Rundermaag, opengesneden.

I = pens; II = muts; III = boekpens; V = lebmaag;s= slokdarm;ab= slokdarmspleet;p= portier;d= twaalfvingerige darm.

Alleen vloeistoffen, welke bij geringe hoeveelheden te gelijk worden ingezogen en die spijzen, welke bij ’t kauwen tot eene soort van pap worden, gaan—althans voor een groot gedeelte—dadelijk naar de laatste twee maagafdeelingen. (Jonge herkauwers, die nog van de moedermelk leven, hebben dan ook eene betrekkelijk kleine pens, daar deze bij hen nog zonder verrichting is; de lebmaag is bij hen de grootste afdeeling).—Dranken, die in groote teugen worden opgenomen en doorgeslikt, kunnen de nauwe slokdarmspleet niet volgen; zij worden in de pens uitgestort. Zoo ook de spijzen, die bij ’t kauwen niet in eene papachtige massa zijn veranderd.—In de pens blijven de spijzen verscheiden uren; daar worden zij duchtig met het ingeslikte speeksel en met den opgenomen drank doorééngekneed en gaan zij in gisting over. Daarna worden zij bij kleine hoeveelheden door den slokdarm heen weer naar boven gebracht. De spijsbrokken komen dan achter in de mondholte, waar zij worden herkauwd, om vervolgens nog eens te worden ingeslikt. Wat nu van de spijzen na het herkauwen papachtig is geworden,drukt bij de neerwaartsche voortbeweging den toegang van den slokdarm tot de pens niet open, maar vloeit bedaard door de gootvormige slokdarmspleet in de boekpens en van daar naar de lebmaag, om in deze laatstgenoemde afdeeling eene verdere vertering te ondergaan.

Vooral ook doordat de pens rechtstreeks met de boekpens in verbinding staat, kunnen er toch ook licht meer vaste plantendeelen in de boekpens komen; deze nu blijven tusschen de dicht bijééngelegen bladen van dit orgaan hangen, en worden dan vóór ze verder worden voortbewogen, op de volgende wijze meer fijn gemaakt. De bladen van de boekpens bezitten kleine, maar scherpe, horenachtige uitsteekseltjes, die als eene soort van tanden kunnen dienst doen. Bevinden zich nu plantendeelen tusschen de bovenbedoelde bladen, en trekt zich de wand van de boekpens samen, dan worden deze plantendeelen daar a. h. w. fijngemalen. De boekpens zou dus een “kauwmaag” kunnen heeten.—

Het vierde gedeelte ongeveer van ’t leven wordt bij de meeste herkauwende dieren met herkauwen besteed. Dat dit wel het geval moet zijn, laat zich voor het rund op de volgende wijze berekenen. Stel dat eene koe per dag van 24 uren 12½ Kilogram hooi opneemt: een rantsoen, dat—als niets anders wordt gegeven—zeker niet te hoog kan worden genoemd. Men heeft door proefnemingen uitgemaakt, dat hooi, terwijl het door een rund wordt gekauwd, 4 maal zijn eigen gewicht aan speeksel opneemt. 12½ Kilogr. hooi wordt dus in de pens van het rund tot 5 × 12½ = 62½ Kilogr. spijsmassa. Inderdaad weegt de inhoud van een runderpens 60 tot 75, enkele malen 90 tot 100 Kilogr. Heeft de spijsmassa een’ tijd lang in de pens vertoefd, dan stijgt zij in kleine spijsbrokken naar boven, die bij een rund een gemiddeld gewicht van 120 gram hebben. De geheele inhoud van de pens, 62.500 gram, moet dus, om te worden herkauwd, in 62.500/120 = 520 spijsbrokken worden verdeeld; ieder van deze moet opstijgen, herkauwd worden en neerdalen naar de boekpens. Dit geschiedt alles betrekkelijk snel; maar voor het opstijgen, herkauwen en neerdalen van elken spijsbrok zijn toch gemiddeld ongeveer 50 seconden noodig; voorde volledige verwerking van 520 spijsbrokken dus 520 × 50 = 26000 seconden = 7–2/9 uur. Stel nu dat 1/7 van de opgenomen spijzen niet worden herkauwd, dan heeft toch in ieder geval een rund 6 uur noodig om ’t hooi, dat in 24 uren wordt opgenomen, te herkauwen.—Eet het rund gras, dan neemt dit niet zooveel speeksel op als hooi; maar het gras zelf is meer waterrijk en het rund neemt er dus een grooter volumen van op.

Het samentrekken van de spierwanden van de pens, waardoor de spijsbrok in den slokdarm wordt geperst, de samentrekkingen der slokdarmspieren bij het omhoog- en het naar beneden bewegen van den spijsbrok, de samentrekkingen der kauwspieren bij ’t kauwen en bij ’t herkauwen, dat alles eischt veel inspanning; en het behoeft dus geene verwondering te verwekken, dat een dier, terwijl het herkauwt, niet tevens voor andere belangrijke inspanning geschikt is. Men ziet dan ook de runderen rust nemen, wanneer zij aan ’t herkauwen gaan; en een os scheidt met herkauwen uit, als hij voor een’ zwaar beladen wagen of voor den ploeg wordt gespannen.—

Tot de orde der herkauwers brengt men, behalve de buitenlandsche kameelen en giraffes, de familie derholhoornigenen die derhertachtigen. De eerste van de twee familiën is voor ons de belangrijkste, omdat rund, schaap en geit er toe behooren.

Familie der holhoornigen.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).

Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.

Fig. 63. Runderhoren op de doorsnede.

A= voorhoofdsbeen met de voortzetting ervan (beenpit);B= huid. en welB1= leerhuid,B2= opperhuid, die op den horen tot horenscheede is vervormd;h= haren.

Horens komen in ’t algemeen in beide geslachten voor, en wel bijallewilde soorten. Slechts bij sommige tamme rassen van runderen en schapen, die door de bescherming, welke zij van den mensch genieten, geene horens noodig hebben, ontbreken deze organen, ’t zij in beide geslachten of alleen bij de vrouwelijke dieren.—Den naam heeft de familie te danken aan den bouw der horens (fig. 63.). Deze bestaan uit eenehorenscheede, welke debeenpitomgeeft, die niets anders is dan een uitsteeksel van het voorhoofdsbeen. Dit laatste is inwendig hol; de holte in ’t voorhoofdsbeen heet devoorhoofdsboezem; en deze zet zich in de beenpit voort. Bij degeboorte zijn nog geene horens aanwezig. Weldraontstaataan weerskanten van den kop eene uitgroeiing aan ’t voorhoofdsbeen, zoodat men twee knobbels opmerkt, die aanvankelijk door de behaarde huid van den kop bedekt zijn. Naarmate deze knobbels meer uitgroeien, wordt de opperhuid meer en meer horenachtig en vormt zij aldus de horenscheede; terwijl de leerhuid, die bloedvaten en zenuwen bevat, haar met de beenpit blijft verbinden. Doordat de groei van de horens niet altijd regelmatig plaatsgrijpt, ontstaan op de horenscheede ringen.

Runderenhebben horens, die op de doorsnede, althans aan de spits, rolrond zijn, en van den kop afgebogen. De omgeving van den neus (“neusspiegel”) is onbehaard en slijmig. De bovenlip is niet, als bij de schapen en de geiten, door eene loodrechte groeve in twee deelen verdeeld.—De runderen zijn plompe, stevige dieren; verscheiden soorten ervan zijn tot huisdieren gemaakt.

In vroeger eeuwen heeft in Europa (in ons land tot de 14eeeuw) hetoerrundof deurusgeleefd: een zeer groot rund, dat in alle hoofdpunten van zijnen lichaamsbouw zoodanig met de huisrunderen van Nederland en de aangrenzende landen overeenstemt, dat men in den urus den stamvorm meent te moeten zien van ons rundvee. Men houdt het er echter voor, dat de huisrunderen in andere streken der wereld, ook in sommige deelen van Europa, van andere stamvormen afkomstig zijn, zonder dat men deze juist weet aan te geven. En door het verschillende klimaat èn door de verschillende teelt en verpleging van de runderen in de onderscheiden streken der aarde zijn zeerverschillende runderrassen gevormd, waarvan sommige meer geschikt zijn voor ’t geven van veel melk, terwijl andere meer vleesch en vet in hun lichaam vormen en weer andere voor het verrichten van arbeid geschikt zijn.—Buffelszijn vrij groote runderen met naar achteren gebogen horens; men kent wilde soorten en soorten, die als huisdier worden gehouden. (Huisdieren zijn de gewone buffel in Italië en N.-Amerika, alsmede de karbouw in Indië).—Bisonshebben een’ hoogen schoft, zoodat de rug van voren naar achteren sterk helt. Kop en hals zijn zeer sterk behaard. In enkele deelen van Rusland en in de weinig bevolkte deelen van Noord-Amerika leven nog bisons in ’t wild. Tot huisdier is geen enkele soort gemaakt.

Fig. 64. Groninger koe.Fig. 64. Groninger koe.

Fig. 64. Groninger koe.

Fig. 65. Schapekoppen.Fig. 65. Schapekoppen.De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.

Fig. 65. Schapekoppen.

De gehoornde kop is die van een’ ram; de andere die van eene ooi.

Fig. 66. Friesch schaap.Fig. 66. Friesch schaap.

Fig. 66. Friesch schaap.

Fig. 67. Drentsch schaap.Fig. 67. Drentsch schaap.

Fig. 67. Drentsch schaap.

Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.

Fig. 68. Kop van den Alpensteenbok.

Schapenhebben horens, die vele ringen vertoonen en op de doorsnede ongeveer ovaal zijn, terwijl de afplatting in de richtingvan voren naar achteren is. Vele inlandsche schapenrassen evenwel hebben geen horens, of alleen het mannetje heeft ze. Neus en bovenlip der schapen zijn behaard; de laatste is in ’t midden van eene loodrechte groeve voorzien. Voorhoofd vlak, bovenkant van den neus gebogen.—Men vindt verschillende soorten van wilde schapen, o. a. denmoeflon(op Sardinië, Corsica en het Balkan-schiereiland). Van detamme schapen, welker afstamming niet met zekerheid bekend is, worden vele rassen uitsluitend of hoofdzakelijk om de wol gehouden; andere ook om het vleesch.—Wolharen zijn aan hunnen buitenkant niet glad, maar min of meer geschubd. De schubbetjes schuiven ongeveer als de pannen van een dak over elkaar. Daardoor en door hunne vetachtige oppervlakte kleven zij altijd tot strengetjes aanéén, welke strengetjes alle meer of mindersterk in bochten gedraaid zijn. De geheele wolbekleeding der schapen vormt aldus een samenhangend “vlies”, dat bij ’t scheren één geheel blijft.

Geiten(fig. 68) hebben ook een’ behaarden neus en bovenlip, de laatste met eene groeve. Hare horens zijn eveneens sterk geringd en op de doorsnede ongeveer ovaal; maar de afplatting is in de richting van den linkerkant naar den rechter. De bovenkant van den neus is niet gebogen.—Tot de geiten behooren eenige wilde soorten, o. a. desteenbok(Alpen, Pyrenaeën) en verder detamme geiten, die voornamelijk om hare uitstekende melk worden gehouden. DeKaschmirgeit(Kaschmir en Thibet) en deAngorageit(Klein-Azië; thans ook o. a. in Spanje, Italië, Frankrijk en Amerika aangekweekt) leveren kostbare haren (“wol”).

Familie der hertachtigen.De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.

De familie der hertachtigen is vooral gekenmerkt door de inwendig dichte, zeer vertakte horens, welke te zamen het “gewei” vormen, alleen bij ’t mannetje voorkomen en ieder jaar afvallen, om telkens—zoolang het hert in wasdom blijft toenemen—te worden vervangen door een gewei met eenen tak meer aan elken horen. De herten zijn, bij de holhoornigen vergeleken, vlugge, ranke dieren.—In ons land komen hertachtigen nog slechts hoofdzakelijk op de Veluwe voor; daar vindt men twee soorten: het grooteedelherten de kleineree. In vroeger eeuwen waren de herten over ons geheele land verbreid; zij werden toen ook veel grooter.—Edelhert en ree zijn beiden voor den landbouw schadelijkdoor het opeten en vertrappen van rogge en ander wintergraan, van klaver, lupinen, koolplanten en verschillende landbouwgewassen.—Het edelhert wordt hier te lande ook wel in parken gehouden; meer gebruikt men daarvoor hetdamhert, dat oorspronkelijk uit Klein-Azië in Europa werd ingevoerd.—

Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.

Fig. 69. Edelhert; 1/20 nat. gr.

De overige Zoogdierorden bevatten geene vertegenwoordigers, die hier nader zouden moeten worden behandeld.


Back to IndexNext