Hoofdafdeeling III. Wormen.

Hoofdafdeeling III. Wormen.Wormen zijn tweezijdig-symmetrische (bl.32) dieren, die als buitenste bekleeding een’huidspierzakhebben. Onder de opperhuid namenlijk, die niet verhard is, bevindt zich eene laag, welke niet uitsluitend uit de leerhuid bestaat, maar aan welker samenstelling steeds spiervezels deelnemen, die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen. De wormen bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen.Bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee, bij anderen niet; maar in elk geval spelen deze pootjes, welke altijd ongeleed zijn, daarbij eene ondergeschikte rol. Sommige wormen bezitten zuignappen, waarmee zij zich vastzuigen, en het lichaam bijtrekkend, zich voortbewegen.—Er zijn gelede wormen (regenworm, lintwormen) en ongelede (spoelwormen, leverbot). Bij de gelede wormen is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend. Bij vele lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen; want ieder lid leidt een’ tijd lang een zelfstandig leven. Zóó groot is de zelfstandigheid der leden van een’ regenworm niet; deze leden blijven altijd een geheel uitmaken.—Tot de Wormen behooren verscheiden, zeer uitéénloopende groepen. Ik vermeld slechts de klassen derringwormen,spoelwormenenplatwormen.Klasse Ringwormen.Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes, welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven. Dit laatste is ’t geval bij deregenwormen, bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij één en ’t zelfde individu. De regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond, tot op eene diepte van 2½ Meter en meer. Zij eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.—De regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien en andere planten, vooral van kiemplantjes (in ’t bijzonder die van bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig,vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000 Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes, die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen, welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.Klasse Spoelwormen.Fig. 156.Fig. 156.A= spoelworm van den mensch.B= kop van dezen worm. (A nat. gr.; B vergr.)Lichaam ongeleed, rolvormig, naar de uiteinden toe versmald. Geen pootjes en borstels aanwezig.—Onder de Spoelwormen heeft men groepen, welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren; andere, die in den grond of in planten leven. De in dieren parasiteerende Spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing; d. i. één en dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in ’t zelfde dier door, maar gaat—wanneer het dier, waarin hij leeft, door een ander wordt opgegeten, in dit laatste over, of brengt een deel zijns levens in ’t water door om later parasiet te worden. Het spreekt van zelf, dat zulke spoelwormen, die zich met verhuizing ontwikkelen, veel kans hebben, dat zij niet terecht komen juist in de diersoort, waarin zij kunnen leven; zal de soort niet uitsterven, dan is dus het voortbrengen van een groot aantal eieren noodig.—De in planten levende spoelwormen verhuizen hoogstens vanden bodem naar de plant, die erop groeit en van deze terug naar den bodem; de kans van te verdwalen, zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken, is veel geringer. Uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden, waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren leggen, die dus zeer klein moeten zijn, terwijl de in planten of in den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren leggen. Vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk, dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatiën, dat elkander per jaar opvolgt, niet zoo zeer aan het buitengewoon groote aantal eieren, door ieder dier gelegd.Ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten.a.Spoelwormen, die in dieren parasiteeren: vele soorten van darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren;—de spoelworm, die in de luchtpijp der schapen en die, welke in de luchtpijp der runderen leeft;—de trichine, die als larve in de spiervezels van het varken gevonden wordt, en dus, wanneer een mensch zulk met trichinen besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet, in den darm van den mensch overgaat. Daar, in den darm, wordt de trichine volwassen en plant zij zich voort; de jonge trichinen, die bij duizenden worden voortgebracht, doorboren den darmwand en vestigen zich later in de spieren van den mensch. De trichine kan oorzaak worden van eene zeer gevaarlijke ziekte bij den mensch.b.Spoelwormen, die in planten woekeren: het stengelaaltje (oorzaak van eene eigenaardige ziekte in rogge, haver, uien, boekweit, klaver, enz.);—het tarweaaltje (oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan op de plaats, waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar zitten);—het bietenaaltje (oorzaak van eene ernstige ziekte in de suikerbieten, in haver en eenige andere planten.Klasse Platwormen.Een plat, dikwijls bladvormig lichaam; doorgaans geene lichaamsholte: de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld.—Hiertoe brengen wij deLintwormenen deZuigwormen.Orde Lintwormen.Fig. 157. Lintworm Taenia solium.Fig. 157. LintwormTaenia solium.A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)Den lichaamsbouw van een’ lintworm kan men uitfig. 157leeren kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen “kop”, die zich naar achteren toe voortzet in een’ nog smalleren “hals”,—verder een zeer groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop, die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt zóó den zoogenoemden “hals”; spoedig echter vormt zich op een’ kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde, zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop, zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen, zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een’ bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is, laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van ’t dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd, hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen een geheel uitmaken.De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in ’t geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op, welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een’ krans van haakjes (fig. 157, B).—Het aantal eieren, ’t welk een lid voortbrengt, kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen, soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door eruit te kruipen. Zoo’n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo’n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van eenebepaaldelintwormsoort in den darm van eenbepaalddier geraken, kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak, dat in elk geval de soort niet uitsterft.—Wanneer nu een lid (of de eieren van een lid) in den darm van een’ geschikten hospes te recht komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze (fig. 158,a) zijn rond, glashelder, natuurlijkmikroskopisch klein, en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt zij zich in ’t eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg.—Komt zij in een orgaan terecht, dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan, dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen “blaasworm”, die groeit, tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm (fig. 158,b), die in ieder opzicht op een’ lintwormkop gelijkt; zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een’ hakenkrans, maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later—’t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, ’t zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht—trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet meer devloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, ’t welk spoedig door een tweede gevolgd wordt, enz.—Zoolang het dier, waarin de blaasworm leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm, zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.—De levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die, welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo leeft de lintwormTaenia soliumin den darm van den mensch; de blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde “gortigheid” of “vinnigheid”;—. de lintwormTaenia saginataleeft insgelijks in den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in ’t vleesch van ’t rund;—de lintwormTaenia Coenurusleeft in den darm van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap, dat door dezen parasiet de “draaiziekte” krijgt.Fig. 158.Fig. 158.Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)Orde Zuigwormen.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst; bij deinandere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of 2.—Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen analeopening.—Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich zelven bevruchten.—De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten isnogmeer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met verhuizing.—Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. deleverbot, die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken) parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt, zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.Hoofdafdeeling IV. Weekdieren.Fig. 160.Fig. 160.Deze hoofdafdeeling, tot welke de oesters, slakken, inktvisschen behooren, wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte, welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is, hoewel het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke mate zich vervormt. Vooral is dit het geval bij die slakken (de “huisjesslakken”), welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten, en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig gewonden is. De huidbekleeding der Weekdieren is zeer eigenaardig. Op eene bepaalde plaats van ’t lichaam vormt zich een grootere of kleinere huidplooi of huidlap (de “mantel”), welke eene bepaalde ruimte, de “mantelholte”, naar de functie ook “ademhalingsholte” genoemd, omsluit. Deze mantel zondert bij de meeste Weekdieren eene kalkmassa af, ’t zij aan den buitenkant, ’t zij aan den binnenkant. Bij de meeste Weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte plaats; zoo ontstaat eeneschaalofschelp(huisjesslakken, oester). In andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels (inktvisch, sommige naakte slakken),of er ontstaat slechts eene ophooping van kalkkorrels (andere naakte slakken.)Fig. 161.Fig. 161.Infig. 160is eene schematische voorstelling gegeven van de loodrechte doorsnede door ’t lichaam van een schelpdier of mosselachtig Weekdier. Het lichaam L wordt omgeven door de huid, die bijmden “mantel” vormt, welke de schalen S afzondert, die bijbmet elkander bewegelijk geleed zijn. In de mantelholte bevinden zich de kieuwenk. Aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit spieren bestaanden voetV, die voor opzwelling vatbaar is en aldus tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden. Deze voet is bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm, maar dient toch steeds voor voortbeweging (graven, zwemmen, springen).—Infig. 161is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld. In ’t algemeen onderscheidt men daar dezelfde organen als infig. 160; maar de mantelmis er kleiner en overdekt niet den voet (V), die aan de onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient, (m′is daar de “mantelholte”).—De voornaamste klassen der Weekdieren zijn 1º. deKoppootigen, 2º. deBuikpootigenofSlakkken, 3º. deSchelpdieren.DeKoppootigenhebben een’ kop, die scherp van de rest des lichaams is afgezonderd, en waarop, rondom de aan den kop geplaatste mondopening, van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn. (Vb. inktvisschen, nautilus, papiernautilus.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)DeBuikpootigenofSlakkenhebben een’ kop, die (ongelede) voelhorens alsmede de oogen draagt; deze laatsten staan bij vele slakken op den top der voelhorens. De voet is aan de buikzijde afgeplat en dient om te kruipen. De mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts de rugzijde des diers, doorgaans slechts een deel daarvan. Ook de meestal spiraalvormig gewonden schelp (“horen”) omhult dus slechts een gedeelte van ’t lichaam; echter kan toch de geheele rest van ’t lichaam in dezen horen zich terugtrekken.—De slakken hebben wel kaken; maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste plantendeelen is de tong, die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat bedekt is, welke uit talrijke, in regelmatige rijen geplaatste tandjes bestaat. Wanneer de tong wordt uitgestoken, dan richten zich de tandjes op; zoo vormt zich eene rasp, die door vooruit- en teruggaande beweging de spijs fijn maakt.—De in zee levende slakken ademen door kieuwen, welke zich in de mantelholte bevinden; de meesten der in ’t zoete water levende en alle op ’t land levende soorten zijn zoogenoemde “longslakken”, bij welke de binnenwand der mantelholte (fig. 161,m′) zelf als ademhalingsorgaan fungeert.Tot de zeeslakken behooren dewulkenen dealikruiken; tot de landslakken: dehuisjesslakken(fig. 163) en denaakte slakken(fig. 162). Tot deze laatsten behooren sommige soorten, diein vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen, vooral de jonge planten. Degrauwe veldslakis de meest beruchte soort.—Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Schelpdieren. Zonder kop. De mantel scheidt twee schelpen af, die aan de rugzijde van ’t dier met elkaar geleed zijn (fig. 160). De voet is kielvormig. De ademhaling geschiedt door kieuwen.—Oester;eetbare mossel; de in tropische zeeën levendeparelmossel;zoetwatermossel;paalworm.Hoofdafdeeling V. Stekelhuidigen.Straalsgewijs symmetrisch gebouwde dieren; d. i. rondom de as liggen de aan elkaar gelijke deelen, die te zamen het lichaam vormen, (fig. 18). Dikwijls zijn de dieren dezer hoofdafdeeling vijfstralig. De mondopening ligt aan den onderkant des lichaams. De huid bezit talrijke mikroskopische kalkafzettingen, of zij vormt stevige kalkplaten; zeer dikwijls ook draagt zij stekels (vandaar de naam).—De Stekelhuidigen bewegen zich met behulp van in rijen geplaatste voetjes, die kunnen worden uitgestulpt en ingetrokken.—Zeesterren,zeeëgels,zeekomkommers. Alle Stekelhuidigen leven in de zee; zeeëgels worden soms in de landen nabij de kust voor bemesting gebruikt.Hoofdafdeeling VI. Holtedieren.Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Ook de diersoorten van deze hoofdafdeelingen zijn met weinige uitzonderingen straalsgewijs symmetrisch van bouw. Zij bestaan uit eenen lichaamswand, welke eene lichaamsholte insluit, die bij de eenvoudigst gebouwde Holtedieren (zoetwaterpolyp) zakvormig is, maar bij de hoogere dieren dezer groep uit verschillende afdeelingen is samengesteld, en niet slechts voor de opneming van spijs en voor de vertering, maar ook voor de rondvoering der verteerde voedende stoffen dient. Bij verscheiden Holtedieren zet zich in den lichaamswand eene harde zelfstandigheid af, die ook na den dood blijft bestaan; daaruit zijn opgebouwd de roode koralen, die voor de vervaardiging van verschillende sieraden dienen, alsmede de polypen, welke de “koraaleilanden” vormen.—Met uitzondering alleen van de sponzen, bezitten alle Holtedieren zoogenoemde “netelorganen”, met behulp van welke zij de door hen gevangen dieren dooden, en waardoor zij voor den aanval van andere dieren beschut zijn.—Zij planten zich door eieren voort, vele echter door vorming van knoppen, die zich later kunnen afscheiden en aldus zelfstandige dieren worden. (Zoetwaterpolyp). Bij vele soorten komt het echter voor, dat de knoppen gedurende haar geheele leven blijven vastzitten; dan vormen zij een’ zoogenoemden “polypenstok”. Er zijn ook vrij in de zee rondzwemmende Holtedieren, nl. de kwallen (fig. 164).—Daar bijkans alle Holtedieren in de zee leven, en de weinige overigen in ’t zoete water, zijn zij geen van allen voor den landbouw van beteekenis.Hoofdafdeeling VII. Protozoën.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Deze hoofdafdeeling omvat meestal mikroskopische, in ieder geval zeer kleine, in de zee of in ’t zoete water, of althans op vochtige plaatsen levende diertjes, die uit eene weeke, taaie, samentrekbare zelfstandigheid (het zoogenoemde “protoplasma”) bestaan, welke al of niet door eenen wand omgeven is, en die soms een schaaltje afzondert.Infusoriën,AmoebenenMonerenbehooren hiertoe (fig. 165).

Hoofdafdeeling III. Wormen.Wormen zijn tweezijdig-symmetrische (bl.32) dieren, die als buitenste bekleeding een’huidspierzakhebben. Onder de opperhuid namenlijk, die niet verhard is, bevindt zich eene laag, welke niet uitsluitend uit de leerhuid bestaat, maar aan welker samenstelling steeds spiervezels deelnemen, die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen. De wormen bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen.Bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee, bij anderen niet; maar in elk geval spelen deze pootjes, welke altijd ongeleed zijn, daarbij eene ondergeschikte rol. Sommige wormen bezitten zuignappen, waarmee zij zich vastzuigen, en het lichaam bijtrekkend, zich voortbewegen.—Er zijn gelede wormen (regenworm, lintwormen) en ongelede (spoelwormen, leverbot). Bij de gelede wormen is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend. Bij vele lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen; want ieder lid leidt een’ tijd lang een zelfstandig leven. Zóó groot is de zelfstandigheid der leden van een’ regenworm niet; deze leden blijven altijd een geheel uitmaken.—Tot de Wormen behooren verscheiden, zeer uitéénloopende groepen. Ik vermeld slechts de klassen derringwormen,spoelwormenenplatwormen.Klasse Ringwormen.Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes, welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven. Dit laatste is ’t geval bij deregenwormen, bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij één en ’t zelfde individu. De regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond, tot op eene diepte van 2½ Meter en meer. Zij eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.—De regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien en andere planten, vooral van kiemplantjes (in ’t bijzonder die van bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig,vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000 Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes, die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen, welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.Klasse Spoelwormen.Fig. 156.Fig. 156.A= spoelworm van den mensch.B= kop van dezen worm. (A nat. gr.; B vergr.)Lichaam ongeleed, rolvormig, naar de uiteinden toe versmald. Geen pootjes en borstels aanwezig.—Onder de Spoelwormen heeft men groepen, welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren; andere, die in den grond of in planten leven. De in dieren parasiteerende Spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing; d. i. één en dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in ’t zelfde dier door, maar gaat—wanneer het dier, waarin hij leeft, door een ander wordt opgegeten, in dit laatste over, of brengt een deel zijns levens in ’t water door om later parasiet te worden. Het spreekt van zelf, dat zulke spoelwormen, die zich met verhuizing ontwikkelen, veel kans hebben, dat zij niet terecht komen juist in de diersoort, waarin zij kunnen leven; zal de soort niet uitsterven, dan is dus het voortbrengen van een groot aantal eieren noodig.—De in planten levende spoelwormen verhuizen hoogstens vanden bodem naar de plant, die erop groeit en van deze terug naar den bodem; de kans van te verdwalen, zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken, is veel geringer. Uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden, waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren leggen, die dus zeer klein moeten zijn, terwijl de in planten of in den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren leggen. Vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk, dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatiën, dat elkander per jaar opvolgt, niet zoo zeer aan het buitengewoon groote aantal eieren, door ieder dier gelegd.Ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten.a.Spoelwormen, die in dieren parasiteeren: vele soorten van darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren;—de spoelworm, die in de luchtpijp der schapen en die, welke in de luchtpijp der runderen leeft;—de trichine, die als larve in de spiervezels van het varken gevonden wordt, en dus, wanneer een mensch zulk met trichinen besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet, in den darm van den mensch overgaat. Daar, in den darm, wordt de trichine volwassen en plant zij zich voort; de jonge trichinen, die bij duizenden worden voortgebracht, doorboren den darmwand en vestigen zich later in de spieren van den mensch. De trichine kan oorzaak worden van eene zeer gevaarlijke ziekte bij den mensch.b.Spoelwormen, die in planten woekeren: het stengelaaltje (oorzaak van eene eigenaardige ziekte in rogge, haver, uien, boekweit, klaver, enz.);—het tarweaaltje (oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan op de plaats, waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar zitten);—het bietenaaltje (oorzaak van eene ernstige ziekte in de suikerbieten, in haver en eenige andere planten.Klasse Platwormen.Een plat, dikwijls bladvormig lichaam; doorgaans geene lichaamsholte: de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld.—Hiertoe brengen wij deLintwormenen deZuigwormen.Orde Lintwormen.Fig. 157. Lintworm Taenia solium.Fig. 157. LintwormTaenia solium.A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)Den lichaamsbouw van een’ lintworm kan men uitfig. 157leeren kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen “kop”, die zich naar achteren toe voortzet in een’ nog smalleren “hals”,—verder een zeer groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop, die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt zóó den zoogenoemden “hals”; spoedig echter vormt zich op een’ kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde, zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop, zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen, zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een’ bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is, laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van ’t dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd, hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen een geheel uitmaken.De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in ’t geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op, welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een’ krans van haakjes (fig. 157, B).—Het aantal eieren, ’t welk een lid voortbrengt, kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen, soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door eruit te kruipen. Zoo’n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo’n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van eenebepaaldelintwormsoort in den darm van eenbepaalddier geraken, kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak, dat in elk geval de soort niet uitsterft.—Wanneer nu een lid (of de eieren van een lid) in den darm van een’ geschikten hospes te recht komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze (fig. 158,a) zijn rond, glashelder, natuurlijkmikroskopisch klein, en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt zij zich in ’t eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg.—Komt zij in een orgaan terecht, dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan, dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen “blaasworm”, die groeit, tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm (fig. 158,b), die in ieder opzicht op een’ lintwormkop gelijkt; zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een’ hakenkrans, maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later—’t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, ’t zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht—trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet meer devloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, ’t welk spoedig door een tweede gevolgd wordt, enz.—Zoolang het dier, waarin de blaasworm leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm, zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.—De levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die, welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo leeft de lintwormTaenia soliumin den darm van den mensch; de blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde “gortigheid” of “vinnigheid”;—. de lintwormTaenia saginataleeft insgelijks in den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in ’t vleesch van ’t rund;—de lintwormTaenia Coenurusleeft in den darm van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap, dat door dezen parasiet de “draaiziekte” krijgt.Fig. 158.Fig. 158.Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)Orde Zuigwormen.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst; bij deinandere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of 2.—Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen analeopening.—Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich zelven bevruchten.—De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten isnogmeer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met verhuizing.—Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. deleverbot, die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken) parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt, zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.Hoofdafdeeling IV. Weekdieren.Fig. 160.Fig. 160.Deze hoofdafdeeling, tot welke de oesters, slakken, inktvisschen behooren, wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte, welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is, hoewel het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke mate zich vervormt. Vooral is dit het geval bij die slakken (de “huisjesslakken”), welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten, en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig gewonden is. De huidbekleeding der Weekdieren is zeer eigenaardig. Op eene bepaalde plaats van ’t lichaam vormt zich een grootere of kleinere huidplooi of huidlap (de “mantel”), welke eene bepaalde ruimte, de “mantelholte”, naar de functie ook “ademhalingsholte” genoemd, omsluit. Deze mantel zondert bij de meeste Weekdieren eene kalkmassa af, ’t zij aan den buitenkant, ’t zij aan den binnenkant. Bij de meeste Weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte plaats; zoo ontstaat eeneschaalofschelp(huisjesslakken, oester). In andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels (inktvisch, sommige naakte slakken),of er ontstaat slechts eene ophooping van kalkkorrels (andere naakte slakken.)Fig. 161.Fig. 161.Infig. 160is eene schematische voorstelling gegeven van de loodrechte doorsnede door ’t lichaam van een schelpdier of mosselachtig Weekdier. Het lichaam L wordt omgeven door de huid, die bijmden “mantel” vormt, welke de schalen S afzondert, die bijbmet elkander bewegelijk geleed zijn. In de mantelholte bevinden zich de kieuwenk. Aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit spieren bestaanden voetV, die voor opzwelling vatbaar is en aldus tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden. Deze voet is bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm, maar dient toch steeds voor voortbeweging (graven, zwemmen, springen).—Infig. 161is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld. In ’t algemeen onderscheidt men daar dezelfde organen als infig. 160; maar de mantelmis er kleiner en overdekt niet den voet (V), die aan de onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient, (m′is daar de “mantelholte”).—De voornaamste klassen der Weekdieren zijn 1º. deKoppootigen, 2º. deBuikpootigenofSlakkken, 3º. deSchelpdieren.DeKoppootigenhebben een’ kop, die scherp van de rest des lichaams is afgezonderd, en waarop, rondom de aan den kop geplaatste mondopening, van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn. (Vb. inktvisschen, nautilus, papiernautilus.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)DeBuikpootigenofSlakkenhebben een’ kop, die (ongelede) voelhorens alsmede de oogen draagt; deze laatsten staan bij vele slakken op den top der voelhorens. De voet is aan de buikzijde afgeplat en dient om te kruipen. De mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts de rugzijde des diers, doorgaans slechts een deel daarvan. Ook de meestal spiraalvormig gewonden schelp (“horen”) omhult dus slechts een gedeelte van ’t lichaam; echter kan toch de geheele rest van ’t lichaam in dezen horen zich terugtrekken.—De slakken hebben wel kaken; maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste plantendeelen is de tong, die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat bedekt is, welke uit talrijke, in regelmatige rijen geplaatste tandjes bestaat. Wanneer de tong wordt uitgestoken, dan richten zich de tandjes op; zoo vormt zich eene rasp, die door vooruit- en teruggaande beweging de spijs fijn maakt.—De in zee levende slakken ademen door kieuwen, welke zich in de mantelholte bevinden; de meesten der in ’t zoete water levende en alle op ’t land levende soorten zijn zoogenoemde “longslakken”, bij welke de binnenwand der mantelholte (fig. 161,m′) zelf als ademhalingsorgaan fungeert.Tot de zeeslakken behooren dewulkenen dealikruiken; tot de landslakken: dehuisjesslakken(fig. 163) en denaakte slakken(fig. 162). Tot deze laatsten behooren sommige soorten, diein vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen, vooral de jonge planten. Degrauwe veldslakis de meest beruchte soort.—Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Schelpdieren. Zonder kop. De mantel scheidt twee schelpen af, die aan de rugzijde van ’t dier met elkaar geleed zijn (fig. 160). De voet is kielvormig. De ademhaling geschiedt door kieuwen.—Oester;eetbare mossel; de in tropische zeeën levendeparelmossel;zoetwatermossel;paalworm.Hoofdafdeeling V. Stekelhuidigen.Straalsgewijs symmetrisch gebouwde dieren; d. i. rondom de as liggen de aan elkaar gelijke deelen, die te zamen het lichaam vormen, (fig. 18). Dikwijls zijn de dieren dezer hoofdafdeeling vijfstralig. De mondopening ligt aan den onderkant des lichaams. De huid bezit talrijke mikroskopische kalkafzettingen, of zij vormt stevige kalkplaten; zeer dikwijls ook draagt zij stekels (vandaar de naam).—De Stekelhuidigen bewegen zich met behulp van in rijen geplaatste voetjes, die kunnen worden uitgestulpt en ingetrokken.—Zeesterren,zeeëgels,zeekomkommers. Alle Stekelhuidigen leven in de zee; zeeëgels worden soms in de landen nabij de kust voor bemesting gebruikt.Hoofdafdeeling VI. Holtedieren.Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Ook de diersoorten van deze hoofdafdeelingen zijn met weinige uitzonderingen straalsgewijs symmetrisch van bouw. Zij bestaan uit eenen lichaamswand, welke eene lichaamsholte insluit, die bij de eenvoudigst gebouwde Holtedieren (zoetwaterpolyp) zakvormig is, maar bij de hoogere dieren dezer groep uit verschillende afdeelingen is samengesteld, en niet slechts voor de opneming van spijs en voor de vertering, maar ook voor de rondvoering der verteerde voedende stoffen dient. Bij verscheiden Holtedieren zet zich in den lichaamswand eene harde zelfstandigheid af, die ook na den dood blijft bestaan; daaruit zijn opgebouwd de roode koralen, die voor de vervaardiging van verschillende sieraden dienen, alsmede de polypen, welke de “koraaleilanden” vormen.—Met uitzondering alleen van de sponzen, bezitten alle Holtedieren zoogenoemde “netelorganen”, met behulp van welke zij de door hen gevangen dieren dooden, en waardoor zij voor den aanval van andere dieren beschut zijn.—Zij planten zich door eieren voort, vele echter door vorming van knoppen, die zich later kunnen afscheiden en aldus zelfstandige dieren worden. (Zoetwaterpolyp). Bij vele soorten komt het echter voor, dat de knoppen gedurende haar geheele leven blijven vastzitten; dan vormen zij een’ zoogenoemden “polypenstok”. Er zijn ook vrij in de zee rondzwemmende Holtedieren, nl. de kwallen (fig. 164).—Daar bijkans alle Holtedieren in de zee leven, en de weinige overigen in ’t zoete water, zijn zij geen van allen voor den landbouw van beteekenis.Hoofdafdeeling VII. Protozoën.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Deze hoofdafdeeling omvat meestal mikroskopische, in ieder geval zeer kleine, in de zee of in ’t zoete water, of althans op vochtige plaatsen levende diertjes, die uit eene weeke, taaie, samentrekbare zelfstandigheid (het zoogenoemde “protoplasma”) bestaan, welke al of niet door eenen wand omgeven is, en die soms een schaaltje afzondert.Infusoriën,AmoebenenMonerenbehooren hiertoe (fig. 165).

Hoofdafdeeling III. Wormen.Wormen zijn tweezijdig-symmetrische (bl.32) dieren, die als buitenste bekleeding een’huidspierzakhebben. Onder de opperhuid namenlijk, die niet verhard is, bevindt zich eene laag, welke niet uitsluitend uit de leerhuid bestaat, maar aan welker samenstelling steeds spiervezels deelnemen, die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen. De wormen bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen.Bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee, bij anderen niet; maar in elk geval spelen deze pootjes, welke altijd ongeleed zijn, daarbij eene ondergeschikte rol. Sommige wormen bezitten zuignappen, waarmee zij zich vastzuigen, en het lichaam bijtrekkend, zich voortbewegen.—Er zijn gelede wormen (regenworm, lintwormen) en ongelede (spoelwormen, leverbot). Bij de gelede wormen is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend. Bij vele lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen; want ieder lid leidt een’ tijd lang een zelfstandig leven. Zóó groot is de zelfstandigheid der leden van een’ regenworm niet; deze leden blijven altijd een geheel uitmaken.—Tot de Wormen behooren verscheiden, zeer uitéénloopende groepen. Ik vermeld slechts de klassen derringwormen,spoelwormenenplatwormen.Klasse Ringwormen.Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes, welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven. Dit laatste is ’t geval bij deregenwormen, bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij één en ’t zelfde individu. De regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond, tot op eene diepte van 2½ Meter en meer. Zij eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.—De regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien en andere planten, vooral van kiemplantjes (in ’t bijzonder die van bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig,vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000 Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes, die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen, welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.Klasse Spoelwormen.Fig. 156.Fig. 156.A= spoelworm van den mensch.B= kop van dezen worm. (A nat. gr.; B vergr.)Lichaam ongeleed, rolvormig, naar de uiteinden toe versmald. Geen pootjes en borstels aanwezig.—Onder de Spoelwormen heeft men groepen, welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren; andere, die in den grond of in planten leven. De in dieren parasiteerende Spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing; d. i. één en dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in ’t zelfde dier door, maar gaat—wanneer het dier, waarin hij leeft, door een ander wordt opgegeten, in dit laatste over, of brengt een deel zijns levens in ’t water door om later parasiet te worden. Het spreekt van zelf, dat zulke spoelwormen, die zich met verhuizing ontwikkelen, veel kans hebben, dat zij niet terecht komen juist in de diersoort, waarin zij kunnen leven; zal de soort niet uitsterven, dan is dus het voortbrengen van een groot aantal eieren noodig.—De in planten levende spoelwormen verhuizen hoogstens vanden bodem naar de plant, die erop groeit en van deze terug naar den bodem; de kans van te verdwalen, zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken, is veel geringer. Uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden, waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren leggen, die dus zeer klein moeten zijn, terwijl de in planten of in den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren leggen. Vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk, dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatiën, dat elkander per jaar opvolgt, niet zoo zeer aan het buitengewoon groote aantal eieren, door ieder dier gelegd.Ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten.a.Spoelwormen, die in dieren parasiteeren: vele soorten van darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren;—de spoelworm, die in de luchtpijp der schapen en die, welke in de luchtpijp der runderen leeft;—de trichine, die als larve in de spiervezels van het varken gevonden wordt, en dus, wanneer een mensch zulk met trichinen besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet, in den darm van den mensch overgaat. Daar, in den darm, wordt de trichine volwassen en plant zij zich voort; de jonge trichinen, die bij duizenden worden voortgebracht, doorboren den darmwand en vestigen zich later in de spieren van den mensch. De trichine kan oorzaak worden van eene zeer gevaarlijke ziekte bij den mensch.b.Spoelwormen, die in planten woekeren: het stengelaaltje (oorzaak van eene eigenaardige ziekte in rogge, haver, uien, boekweit, klaver, enz.);—het tarweaaltje (oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan op de plaats, waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar zitten);—het bietenaaltje (oorzaak van eene ernstige ziekte in de suikerbieten, in haver en eenige andere planten.Klasse Platwormen.Een plat, dikwijls bladvormig lichaam; doorgaans geene lichaamsholte: de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld.—Hiertoe brengen wij deLintwormenen deZuigwormen.Orde Lintwormen.Fig. 157. Lintworm Taenia solium.Fig. 157. LintwormTaenia solium.A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)Den lichaamsbouw van een’ lintworm kan men uitfig. 157leeren kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen “kop”, die zich naar achteren toe voortzet in een’ nog smalleren “hals”,—verder een zeer groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop, die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt zóó den zoogenoemden “hals”; spoedig echter vormt zich op een’ kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde, zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop, zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen, zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een’ bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is, laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van ’t dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd, hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen een geheel uitmaken.De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in ’t geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op, welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een’ krans van haakjes (fig. 157, B).—Het aantal eieren, ’t welk een lid voortbrengt, kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen, soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door eruit te kruipen. Zoo’n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo’n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van eenebepaaldelintwormsoort in den darm van eenbepaalddier geraken, kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak, dat in elk geval de soort niet uitsterft.—Wanneer nu een lid (of de eieren van een lid) in den darm van een’ geschikten hospes te recht komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze (fig. 158,a) zijn rond, glashelder, natuurlijkmikroskopisch klein, en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt zij zich in ’t eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg.—Komt zij in een orgaan terecht, dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan, dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen “blaasworm”, die groeit, tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm (fig. 158,b), die in ieder opzicht op een’ lintwormkop gelijkt; zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een’ hakenkrans, maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later—’t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, ’t zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht—trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet meer devloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, ’t welk spoedig door een tweede gevolgd wordt, enz.—Zoolang het dier, waarin de blaasworm leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm, zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.—De levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die, welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo leeft de lintwormTaenia soliumin den darm van den mensch; de blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde “gortigheid” of “vinnigheid”;—. de lintwormTaenia saginataleeft insgelijks in den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in ’t vleesch van ’t rund;—de lintwormTaenia Coenurusleeft in den darm van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap, dat door dezen parasiet de “draaiziekte” krijgt.Fig. 158.Fig. 158.Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)Orde Zuigwormen.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst; bij deinandere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of 2.—Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen analeopening.—Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich zelven bevruchten.—De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten isnogmeer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met verhuizing.—Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. deleverbot, die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken) parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt, zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.

Wormen zijn tweezijdig-symmetrische (bl.32) dieren, die als buitenste bekleeding een’huidspierzakhebben. Onder de opperhuid namenlijk, die niet verhard is, bevindt zich eene laag, welke niet uitsluitend uit de leerhuid bestaat, maar aan welker samenstelling steeds spiervezels deelnemen, die aan de binnenzijde van de huid zijn gelegen. De wormen bewegen zich voort door de verschillende afdeelingen van den aldus gevormden huidspierzak samen te trekken en weer te ontspannen.

Bij sommige wormen werken tot deze voortbeweging ook pootjes mee, bij anderen niet; maar in elk geval spelen deze pootjes, welke altijd ongeleed zijn, daarbij eene ondergeschikte rol. Sommige wormen bezitten zuignappen, waarmee zij zich vastzuigen, en het lichaam bijtrekkend, zich voortbewegen.—Er zijn gelede wormen (regenworm, lintwormen) en ongelede (spoelwormen, leverbot). Bij de gelede wormen is de graad van zelfstandigheid der leden zeer verschillend. Bij vele lintwormen kan men ieder lid als een zelfstandig dier beschouwen; want ieder lid leidt een’ tijd lang een zelfstandig leven. Zóó groot is de zelfstandigheid der leden van een’ regenworm niet; deze leden blijven altijd een geheel uitmaken.—Tot de Wormen behooren verscheiden, zeer uitéénloopende groepen. Ik vermeld slechts de klassen derringwormen,spoelwormenenplatwormen.

Klasse Ringwormen.Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes, welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven. Dit laatste is ’t geval bij deregenwormen, bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij één en ’t zelfde individu. De regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond, tot op eene diepte van 2½ Meter en meer. Zij eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.—De regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien en andere planten, vooral van kiemplantjes (in ’t bijzonder die van bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig,vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000 Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes, die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen, welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.

Gelede wormen met een rolrond lichaam en met voetstompjes, welke langere of kortere borsteltjes dragen; echter kunnen ook de voetstompjes ontbreken en dan zitten de borstelbundeltjes in groeven. Dit laatste is ’t geval bij deregenwormen, bij welke alleen bij vergrooting de borstelbundeltjes zichtbaar zijn. De regenwormen zijn hermaphrodiet; d. i. men vindt mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen bij één en ’t zelfde individu. De regenwormen komen hoofdzakelijk op eenigszins waterhoudenden humusgrond voor, althans niet op zeer armen zandgrond en in leem. Nu en dan komen zij met hunne gangen aan de oppervlakte, om de stoffen, welke onverteerd uit de door hen ingeslikte aarde en uit de door hen opgenomen plantendeelen zijn overgebleven, in den vorm van eigenaardige hoopjes weer af te geven. De gangen loopen meestal scheef, bij uitzondering ook wel recht naar beneden in den grond, tot op eene diepte van 2½ Meter en meer. Zij eindigen in eene verwijding, waarin de worm ineengerold, den winter doorbrengt, nadat hij de uitmonding van den gang met een prop van bladeren, takjes, stroo of papier heeft dichtgestopt.—De regenworm voedt zich hoofdzakelijk met de organische stoffen, welke zich in humusrijken grond bevinden; maar hij neemt ook bladeren van kool, uien en andere planten, vooral van kiemplantjes (in ’t bijzonder die van bieten) op. Hij trekt deze plantendeelen ongeveer 5 cM. diep in zijne gangen, en bevochtigt ze daar met eene zure, door hem uitgescheiden vloeistof, waardoor ze eenigszins worden aangetast alvorens te worden opgenomen. Wèl doen de regenwormen, doordat zij aldus kiemplanten vernielen, eenige schade, maar gewoonlijk zeer plaatselijk. In ieder geval weegt die schade op verre na niet op tegen het nut, dat zij teweeg brengen door het graven van hunne gangen. Daardoor toch kan de lucht veel beter in alle deelen van den grond binnendringen, wat voor het plantenleven van het hoogste gewicht is. Nog op andere wijze worden de regenwormen in den grond voor het plantenleven nuttig,vooral door hun groot getal. Darwin heeft uitgerekend dat in vele streken elk jaar op iedere Hektare gronds een gewicht van 25000 Kgr. aarde het lichaam der regenwormen passeert en aldus uit de diepte naar de oppervlakte wordt gebracht; zoodat de geheele aan de oppervlakte liggende, humus bevattende laag in weinige jaren hunnen darm gepasseerd heeft. Zij praepareeren aldus op uitstekende wijze den bodem voor den plantengroei, daar zij de verschillende deelen er van telkens weer met de lucht in aanraking brengen. Zij brengen alle steentjes naar beneden, want zij brengen de door hen opgeworpen aardhoopjes naar boven; en deze bevatten natuurlijk alleen steentjes, die klein genoeg zijn om den darm der regenwormen te passeeren. Zij mengen, evenals de tuinman, de bovendeelen goed dooréén, en zij begraven in minder tijd dan men zou kunnen vermoeden, de voorwerpen, welke aan de oppervlakte mochten liggen (beenderen, schelpen, doode dieren, bladeren), uit welke spoedig weer plantenvoedsel gevormd wordt.

Klasse Spoelwormen.Fig. 156.Fig. 156.A= spoelworm van den mensch.B= kop van dezen worm. (A nat. gr.; B vergr.)Lichaam ongeleed, rolvormig, naar de uiteinden toe versmald. Geen pootjes en borstels aanwezig.—Onder de Spoelwormen heeft men groepen, welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren; andere, die in den grond of in planten leven. De in dieren parasiteerende Spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing; d. i. één en dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in ’t zelfde dier door, maar gaat—wanneer het dier, waarin hij leeft, door een ander wordt opgegeten, in dit laatste over, of brengt een deel zijns levens in ’t water door om later parasiet te worden. Het spreekt van zelf, dat zulke spoelwormen, die zich met verhuizing ontwikkelen, veel kans hebben, dat zij niet terecht komen juist in de diersoort, waarin zij kunnen leven; zal de soort niet uitsterven, dan is dus het voortbrengen van een groot aantal eieren noodig.—De in planten levende spoelwormen verhuizen hoogstens vanden bodem naar de plant, die erop groeit en van deze terug naar den bodem; de kans van te verdwalen, zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken, is veel geringer. Uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden, waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren leggen, die dus zeer klein moeten zijn, terwijl de in planten of in den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren leggen. Vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk, dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatiën, dat elkander per jaar opvolgt, niet zoo zeer aan het buitengewoon groote aantal eieren, door ieder dier gelegd.Ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten.a.Spoelwormen, die in dieren parasiteeren: vele soorten van darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren;—de spoelworm, die in de luchtpijp der schapen en die, welke in de luchtpijp der runderen leeft;—de trichine, die als larve in de spiervezels van het varken gevonden wordt, en dus, wanneer een mensch zulk met trichinen besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet, in den darm van den mensch overgaat. Daar, in den darm, wordt de trichine volwassen en plant zij zich voort; de jonge trichinen, die bij duizenden worden voortgebracht, doorboren den darmwand en vestigen zich later in de spieren van den mensch. De trichine kan oorzaak worden van eene zeer gevaarlijke ziekte bij den mensch.b.Spoelwormen, die in planten woekeren: het stengelaaltje (oorzaak van eene eigenaardige ziekte in rogge, haver, uien, boekweit, klaver, enz.);—het tarweaaltje (oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan op de plaats, waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar zitten);—het bietenaaltje (oorzaak van eene ernstige ziekte in de suikerbieten, in haver en eenige andere planten.

Fig. 156.Fig. 156.A= spoelworm van den mensch.B= kop van dezen worm. (A nat. gr.; B vergr.)

Fig. 156.

A= spoelworm van den mensch.B= kop van dezen worm. (A nat. gr.; B vergr.)

Lichaam ongeleed, rolvormig, naar de uiteinden toe versmald. Geen pootjes en borstels aanwezig.—Onder de Spoelwormen heeft men groepen, welker vertegenwoordigers allen in dieren parasiteeren; andere, die in den grond of in planten leven. De in dieren parasiteerende Spoelwormen ontwikkelen zich allen met verhuizing; d. i. één en dezelfde worm brengt niet zijn geheele leven in ’t zelfde dier door, maar gaat—wanneer het dier, waarin hij leeft, door een ander wordt opgegeten, in dit laatste over, of brengt een deel zijns levens in ’t water door om later parasiet te worden. Het spreekt van zelf, dat zulke spoelwormen, die zich met verhuizing ontwikkelen, veel kans hebben, dat zij niet terecht komen juist in de diersoort, waarin zij kunnen leven; zal de soort niet uitsterven, dan is dus het voortbrengen van een groot aantal eieren noodig.—De in planten levende spoelwormen verhuizen hoogstens vanden bodem naar de plant, die erop groeit en van deze terug naar den bodem; de kans van te verdwalen, zoodat zij niet tot verdere ontwikkeling zouden kunnen geraken, is veel geringer. Uit het bovenstaande zal dus duidelijk zijn geworden, waarom de in dieren parasiteerende spoelwormen een groot getal eieren leggen, die dus zeer klein moeten zijn, terwijl de in planten of in den grond levende soorten een kleiner getal betrekkelijk groote eieren leggen. Vermeerderen zich de in planten woekerende soorten sterk, dan is dit vooral toe te schrijven aan het groote aantal generatiën, dat elkander per jaar opvolgt, niet zoo zeer aan het buitengewoon groote aantal eieren, door ieder dier gelegd.

Ik noem hier slechts enkele belangrijke soorten.

a.Spoelwormen, die in dieren parasiteeren: vele soorten van darmspoelwormen bij den mensch en bij vele huisdieren;—de spoelworm, die in de luchtpijp der schapen en die, welke in de luchtpijp der runderen leeft;—de trichine, die als larve in de spiervezels van het varken gevonden wordt, en dus, wanneer een mensch zulk met trichinen besmet rauw of onvoldoend gekookt varkensvleesch eet, in den darm van den mensch overgaat. Daar, in den darm, wordt de trichine volwassen en plant zij zich voort; de jonge trichinen, die bij duizenden worden voortgebracht, doorboren den darmwand en vestigen zich later in de spieren van den mensch. De trichine kan oorzaak worden van eene zeer gevaarlijke ziekte bij den mensch.

b.Spoelwormen, die in planten woekeren: het stengelaaltje (oorzaak van eene eigenaardige ziekte in rogge, haver, uien, boekweit, klaver, enz.);—het tarweaaltje (oorzaak dat zwartwandige gallen ontstaan op de plaats, waar bij een normale plant de tarwekorrels in de aar zitten);—het bietenaaltje (oorzaak van eene ernstige ziekte in de suikerbieten, in haver en eenige andere planten.

Klasse Platwormen.Een plat, dikwijls bladvormig lichaam; doorgaans geene lichaamsholte: de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld.—Hiertoe brengen wij deLintwormenen deZuigwormen.Orde Lintwormen.Fig. 157. Lintworm Taenia solium.Fig. 157. LintwormTaenia solium.A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)Den lichaamsbouw van een’ lintworm kan men uitfig. 157leeren kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen “kop”, die zich naar achteren toe voortzet in een’ nog smalleren “hals”,—verder een zeer groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop, die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt zóó den zoogenoemden “hals”; spoedig echter vormt zich op een’ kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde, zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop, zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen, zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een’ bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is, laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van ’t dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd, hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen een geheel uitmaken.De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in ’t geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op, welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een’ krans van haakjes (fig. 157, B).—Het aantal eieren, ’t welk een lid voortbrengt, kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen, soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door eruit te kruipen. Zoo’n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo’n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van eenebepaaldelintwormsoort in den darm van eenbepaalddier geraken, kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak, dat in elk geval de soort niet uitsterft.—Wanneer nu een lid (of de eieren van een lid) in den darm van een’ geschikten hospes te recht komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze (fig. 158,a) zijn rond, glashelder, natuurlijkmikroskopisch klein, en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt zij zich in ’t eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg.—Komt zij in een orgaan terecht, dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan, dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen “blaasworm”, die groeit, tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm (fig. 158,b), die in ieder opzicht op een’ lintwormkop gelijkt; zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een’ hakenkrans, maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later—’t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, ’t zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht—trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet meer devloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, ’t welk spoedig door een tweede gevolgd wordt, enz.—Zoolang het dier, waarin de blaasworm leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm, zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.—De levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die, welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo leeft de lintwormTaenia soliumin den darm van den mensch; de blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde “gortigheid” of “vinnigheid”;—. de lintwormTaenia saginataleeft insgelijks in den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in ’t vleesch van ’t rund;—de lintwormTaenia Coenurusleeft in den darm van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap, dat door dezen parasiet de “draaiziekte” krijgt.Fig. 158.Fig. 158.Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)Orde Zuigwormen.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst; bij deinandere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of 2.—Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen analeopening.—Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich zelven bevruchten.—De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten isnogmeer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met verhuizing.—Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. deleverbot, die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken) parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt, zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.

Een plat, dikwijls bladvormig lichaam; doorgaans geene lichaamsholte: de ruimte tusschen de inwendige organen en den huidspierzak wordt door eene sponsachtige zelfstandigheid aangevuld.—Hiertoe brengen wij deLintwormenen deZuigwormen.

Orde Lintwormen.Fig. 157. Lintworm Taenia solium.Fig. 157. LintwormTaenia solium.A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)Den lichaamsbouw van een’ lintworm kan men uitfig. 157leeren kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen “kop”, die zich naar achteren toe voortzet in een’ nog smalleren “hals”,—verder een zeer groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop, die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt zóó den zoogenoemden “hals”; spoedig echter vormt zich op een’ kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde, zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop, zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen, zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een’ bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is, laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van ’t dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd, hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen een geheel uitmaken.De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in ’t geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op, welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een’ krans van haakjes (fig. 157, B).—Het aantal eieren, ’t welk een lid voortbrengt, kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen, soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door eruit te kruipen. Zoo’n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo’n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van eenebepaaldelintwormsoort in den darm van eenbepaalddier geraken, kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak, dat in elk geval de soort niet uitsterft.—Wanneer nu een lid (of de eieren van een lid) in den darm van een’ geschikten hospes te recht komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze (fig. 158,a) zijn rond, glashelder, natuurlijkmikroskopisch klein, en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt zij zich in ’t eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg.—Komt zij in een orgaan terecht, dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan, dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen “blaasworm”, die groeit, tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm (fig. 158,b), die in ieder opzicht op een’ lintwormkop gelijkt; zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een’ hakenkrans, maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later—’t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, ’t zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht—trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet meer devloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, ’t welk spoedig door een tweede gevolgd wordt, enz.—Zoolang het dier, waarin de blaasworm leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm, zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.—De levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die, welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo leeft de lintwormTaenia soliumin den darm van den mensch; de blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde “gortigheid” of “vinnigheid”;—. de lintwormTaenia saginataleeft insgelijks in den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in ’t vleesch van ’t rund;—de lintwormTaenia Coenurusleeft in den darm van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap, dat door dezen parasiet de “draaiziekte” krijgt.Fig. 158.Fig. 158.Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)

Fig. 157. Lintworm Taenia solium.Fig. 157. LintwormTaenia solium.A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)

Fig. 157. LintwormTaenia solium.

A = een stuk uit het voor-, uit het midden- en uit het achtergedeelte (Nat. gr.) B = kop:a= zuignappen;b= hakenkrans. (Vergr.)

Den lichaamsbouw van een’ lintworm kan men uitfig. 157leeren kennen. Men onderscheidt een zeer kleinen “kop”, die zich naar achteren toe voortzet in een’ nog smalleren “hals”,—verder een zeer groot aantal leden, van welke de eersten zeer smal en kort en de volgenden grooter zijn, naarmate zij verder van den kop verwijderd zijn. In den aanvang bestaat de lintworm uit niets anders dan den kop, die zich met zuignappen of dergelijke organen aan den wand des darms vasthoudt. Later groeit het achtereinde van den kop in de lengte en vormt zóó den zoogenoemden “hals”; spoedig echter vormt zich op een’ kleinen afstand van het uiteinde van dezen hals een dwarswand. Daardoor wordt alzoo het eerste lid afgesnoerd, dat aan den hals bevestigd blijft, tot weer een nieuw lid, onmiddellijk vóór het eerstgevormde, zich afzondert. Op gelijke wijze vormt zich ieder volgend nieuw lid. Die, welke zich bevinden op den grootsten afstand van den kop, zijn de oudste leden. Ieder lid bezit zijne eigen geslachtsorganen, zoowel mannelijke als vrouwelijke; ieder lid groeit zelfstandig en wordt op een’ bepaalden tijd geslachtsrijp, terwijl de dichter naar den kop toe gelegen leden dit nog niet zijn. Zoodra een lid volgroeid is, laat het los, verlaat (gewoonlijk met de uitwerpselen) den darm van ’t dier, waarin de lintworm leeft, en kruipt weg, soms over groote afstanden; later barst het, zoodat de eieren vrij raken. Een lid van den lintworm moet dus als een afzonderlijk dier worden beschouwd, hoewel toch de leden, zoolang zij aan elkaar bevestigd zijn, te zamen een geheel uitmaken.

De kop kan, gelijk blijkt uit hetgeen boven werd gezegd, in ’t geheel niet worden vergeleken met den kop van een ander dier; hij heeft geenen mond. De lintworm heeft trouwens ook geenen darm: kop en leden nemen ieder voor zich de verteerde voedende stoffen op, welke in den darm, waarin zij leven, aanwezig zijn; deze voedende stoffen dringen osmotisch door den lichaamswand van den lintworm. Aan den top van den kop vindt men ter bevestiging aan den darmwand zuignappen en bij sommige soorten ook een’ krans van haakjes (fig. 157, B).—Het aantal eieren, ’t welk een lid voortbrengt, kan tienduizenden bedragen. Wanneer deze eieren beginnen te rijpen, soms reeds eerder, zondert zich het lid van de overige leden af; het verlaat den darm, hetzij passief met de uitwerpselen, of actief door eruit te kruipen. Zoo’n lintwormlid, naar buiten gekomen, kruipt als eene slak verder en hecht zich dikwijls vast aan de eene of andere plant. Nu laat het zich hooren, dat zeer licht een lintwormlid of althans eenige door zoo’n lid afgezonderde eieren door een grazend dier kunnen worden opgenomen. Slechts dàn wanneer een lid of de eieren van eenebepaaldelintwormsoort in den darm van eenbepaalddier geraken, kunnen de eieren tot verdere ontwikkeling komen. Het spreekt dus van zelf dat slechts een betrekkelijk gering aantal eieren tot verdere ontwikkeling geraakt; maar de sterke voortplanting is de oorzaak, dat in elk geval de soort niet uitsterft.—Wanneer nu een lid (of de eieren van een lid) in den darm van een’ geschikten hospes te recht komt, dan worden het lid en de eischalen (of de eischalen alleen) in de maag of den darm verteerd, en de larven komen te voorschijn. Deze (fig. 158,a) zijn rond, glashelder, natuurlijkmikroskopisch klein, en bezitten drie paar haakjes, met behulp van welke zij alras den darmwand doorboren, zoodat zij spoedig in de bloedvaten komen; de bloedstroom voert ze dan naar alle mogelijke deelen des lichaams. Al naar de soort van lintworm, waarvan de larve afkomstig is, vestigt zij zich in ’t eene of het andere orgaan van den hospes. Zoo kan de larve van de eene soort slechts tusschen de vezels van eene spier tot verdere ontwikkeling komen, die van eene andere soort nergens anders dan in hersenen of ruggemerg.—Komt zij in een orgaan terecht, dat voor hare verdere ontwikkeling niet geschikt is, dan blijft zij daar klein en sterft weldra; maar komt zij in een geschikt orgaan, dan ondergaat zij de volgende veranderingen. Zij verliest daar hare haken en verandert in eenen van binnen hollen “blaasworm”, die groeit, tot hij de voor de soort normale grootte heeft bereikt. Intusschen vormt zich eene instulping aan de binnenzijde van den blaasworm (fig. 158,b), die in ieder opzicht op een’ lintwormkop gelijkt; zij heeft zuignappen, bij sommige soorten ook een’ hakenkrans, maar aan de binnenzijde in plaats van aan den buitenkant. Later—’t zij reeds in den door den blaasworm bewoonden hospes, ’t zij nadat de blaasworm met diens vleesch in den darm van een ander dier is overgebracht—trekt zich de blaas eenigszins samen; zij kan dus niet meer devloeistof bevatten, waarmee zij gevuld is, en zoo wordt de instulping omgestulpt, als een vinger van eenen handschoen, zoodat de zuignappen aan den buitenkant komen. Zoo is dan de kop van den lintworm ontstaan, waaraan nog alleen maar de blaas bevestigd is (fig. 158,c). Deze laatste wordt spoedig verteerd; de kop beweegt zich met behulp van de zuignappen aan den binnenkant van den darm, groeit in de lengte en snoert weldra zijn eerste lid af, ’t welk spoedig door een tweede gevolgd wordt, enz.—Zoolang het dier, waarin de blaasworm leeft, niet door een ander dier wordt opgegeten, blijft de blaasworm, zonder het vermogen tot verdere ontwikkeling te verliezen, soms jaren lang op denzelfden ontwikkelingstrap staan.—De levensgeschiedenis van sommige lintwormen verschilt in bijzonderheden eenigszins van die, welke boven werd beschreven. Steeds echter heeft iedere lintwormsoort twee diersoorten noodig om hare geheele geschiedenis te doorleven. Zoo leeft de lintwormTaenia soliumin den darm van den mensch; de blaasworm, die er bij behoort, leeft tusschen de spiervezels van het varken en veroorzaakt bij dit dier de zoogenaamde “gortigheid” of “vinnigheid”;—. de lintwormTaenia saginataleeft insgelijks in den darm van den mensch, maar de daarbij behoorende blaasworm in ’t vleesch van ’t rund;—de lintwormTaenia Coenurusleeft in den darm van den hond, de daarbij behoorende blaasworm in de hersenenholte van het schaap, dat door dezen parasiet de “draaiziekte” krijgt.

Fig. 158.Fig. 158.Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)

Fig. 158.

Lintworm in verschillende ontwikkelingstoestanden:a= larve;b= kop, nog als instulping van den blaasworm;c= blaas met omgestulpten kop. (Alles zeer vergroot,ahet meest,chet minst.)

Orde Zuigwormen.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst; bij deinandere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of 2.—Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen analeopening.—Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich zelven bevruchten.—De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten isnogmeer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met verhuizing.—Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. deleverbot, die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken) parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt, zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.

Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.

Fig. 159. De groote leverbot; nat. gr.

Plat, tong- of bladvormig, ongeleed; parasiteerend in dieren of ook wel buiten op dieren (in dit geval echter uitsluitend op visschen of schaaldieren). Aan de buikzijde des lichaams zijn zuignappen geplaatst; bij deinandere dieren parasiteerende soorten nooit meer dan 1 of 2.—Een darm, die zich in twee takken verdeelt, welke blind eindigen en bij sommige soorten zelven weer blindzakken hebben; in ieder geval geen analeopening.—Bijkans alle zuigwormen zijn hermaphrodieten, die zich zelven bevruchten.—De levensgeschiedenis van de meeste zuigwormsoorten isnogmeer samengesteld dan die der lintwormen; zij geschiedt ook met verhuizing.—Ik noem slechts ééne zeer bekende soort, nl. deleverbot, die in de galgangen van schaap en rund (minder van paard en varken) parasiteert en daardoor oorzaak wordt dat geen gal in den darm komt, zoodat de spijsvertering en dus de voeding der inwendige deelen niet op voldoende wijze plaatsgrijpen, waardoor soms duizenden schapen sterven.

Hoofdafdeeling IV. Weekdieren.Fig. 160.Fig. 160.Deze hoofdafdeeling, tot welke de oesters, slakken, inktvisschen behooren, wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte, welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is, hoewel het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke mate zich vervormt. Vooral is dit het geval bij die slakken (de “huisjesslakken”), welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten, en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig gewonden is. De huidbekleeding der Weekdieren is zeer eigenaardig. Op eene bepaalde plaats van ’t lichaam vormt zich een grootere of kleinere huidplooi of huidlap (de “mantel”), welke eene bepaalde ruimte, de “mantelholte”, naar de functie ook “ademhalingsholte” genoemd, omsluit. Deze mantel zondert bij de meeste Weekdieren eene kalkmassa af, ’t zij aan den buitenkant, ’t zij aan den binnenkant. Bij de meeste Weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte plaats; zoo ontstaat eeneschaalofschelp(huisjesslakken, oester). In andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels (inktvisch, sommige naakte slakken),of er ontstaat slechts eene ophooping van kalkkorrels (andere naakte slakken.)Fig. 161.Fig. 161.Infig. 160is eene schematische voorstelling gegeven van de loodrechte doorsnede door ’t lichaam van een schelpdier of mosselachtig Weekdier. Het lichaam L wordt omgeven door de huid, die bijmden “mantel” vormt, welke de schalen S afzondert, die bijbmet elkander bewegelijk geleed zijn. In de mantelholte bevinden zich de kieuwenk. Aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit spieren bestaanden voetV, die voor opzwelling vatbaar is en aldus tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden. Deze voet is bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm, maar dient toch steeds voor voortbeweging (graven, zwemmen, springen).—Infig. 161is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld. In ’t algemeen onderscheidt men daar dezelfde organen als infig. 160; maar de mantelmis er kleiner en overdekt niet den voet (V), die aan de onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient, (m′is daar de “mantelholte”).—De voornaamste klassen der Weekdieren zijn 1º. deKoppootigen, 2º. deBuikpootigenofSlakkken, 3º. deSchelpdieren.DeKoppootigenhebben een’ kop, die scherp van de rest des lichaams is afgezonderd, en waarop, rondom de aan den kop geplaatste mondopening, van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn. (Vb. inktvisschen, nautilus, papiernautilus.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)DeBuikpootigenofSlakkenhebben een’ kop, die (ongelede) voelhorens alsmede de oogen draagt; deze laatsten staan bij vele slakken op den top der voelhorens. De voet is aan de buikzijde afgeplat en dient om te kruipen. De mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts de rugzijde des diers, doorgaans slechts een deel daarvan. Ook de meestal spiraalvormig gewonden schelp (“horen”) omhult dus slechts een gedeelte van ’t lichaam; echter kan toch de geheele rest van ’t lichaam in dezen horen zich terugtrekken.—De slakken hebben wel kaken; maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste plantendeelen is de tong, die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat bedekt is, welke uit talrijke, in regelmatige rijen geplaatste tandjes bestaat. Wanneer de tong wordt uitgestoken, dan richten zich de tandjes op; zoo vormt zich eene rasp, die door vooruit- en teruggaande beweging de spijs fijn maakt.—De in zee levende slakken ademen door kieuwen, welke zich in de mantelholte bevinden; de meesten der in ’t zoete water levende en alle op ’t land levende soorten zijn zoogenoemde “longslakken”, bij welke de binnenwand der mantelholte (fig. 161,m′) zelf als ademhalingsorgaan fungeert.Tot de zeeslakken behooren dewulkenen dealikruiken; tot de landslakken: dehuisjesslakken(fig. 163) en denaakte slakken(fig. 162). Tot deze laatsten behooren sommige soorten, diein vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen, vooral de jonge planten. Degrauwe veldslakis de meest beruchte soort.—Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Schelpdieren. Zonder kop. De mantel scheidt twee schelpen af, die aan de rugzijde van ’t dier met elkaar geleed zijn (fig. 160). De voet is kielvormig. De ademhaling geschiedt door kieuwen.—Oester;eetbare mossel; de in tropische zeeën levendeparelmossel;zoetwatermossel;paalworm.

Fig. 160.Fig. 160.

Fig. 160.

Deze hoofdafdeeling, tot welke de oesters, slakken, inktvisschen behooren, wordt gevormd door ongelede dieren zonder geraamte, welker lichaam in aanleg altijd tweezijdig symmetrisch is, hoewel het bij sommige soorten gedurende den verderen groei in sterke mate zich vervormt. Vooral is dit het geval bij die slakken (de “huisjesslakken”), welke in een spiraalvormig huisje zijn ingesloten, en bij welke ook het grootste gedeelte van het lichaam spiraalvormig gewonden is. De huidbekleeding der Weekdieren is zeer eigenaardig. Op eene bepaalde plaats van ’t lichaam vormt zich een grootere of kleinere huidplooi of huidlap (de “mantel”), welke eene bepaalde ruimte, de “mantelholte”, naar de functie ook “ademhalingsholte” genoemd, omsluit. Deze mantel zondert bij de meeste Weekdieren eene kalkmassa af, ’t zij aan den buitenkant, ’t zij aan den binnenkant. Bij de meeste Weekdieren grijpt deze kalkafzetting aan de buitenoppervlakte plaats; zoo ontstaat eeneschaalofschelp(huisjesslakken, oester). In andere gevallen vormt zich de schaal aan de binnenzijde des mantels (inktvisch, sommige naakte slakken),of er ontstaat slechts eene ophooping van kalkkorrels (andere naakte slakken.)

Fig. 161.Fig. 161.

Fig. 161.

Infig. 160is eene schematische voorstelling gegeven van de loodrechte doorsnede door ’t lichaam van een schelpdier of mosselachtig Weekdier. Het lichaam L wordt omgeven door de huid, die bijmden “mantel” vormt, welke de schalen S afzondert, die bijbmet elkander bewegelijk geleed zijn. In de mantelholte bevinden zich de kieuwenk. Aan den benedenkant van het lichaam vindt men den uit spieren bestaanden voetV, die voor opzwelling vatbaar is en aldus tusschen de beide schelpen door naar buiten kan treden. Deze voet is bij de onderscheiden schelpdieren ongelijk van vorm, maar dient toch steeds voor voortbeweging (graven, zwemmen, springen).—Infig. 161is eene slak in doorsnede schematisch voorgesteld. In ’t algemeen onderscheidt men daar dezelfde organen als infig. 160; maar de mantelmis er kleiner en overdekt niet den voet (V), die aan de onderzijde plat is en altijd voor voortkruipen dient, (m′is daar de “mantelholte”).—De voornaamste klassen der Weekdieren zijn 1º. deKoppootigen, 2º. deBuikpootigenofSlakkken, 3º. deSchelpdieren.

DeKoppootigenhebben een’ kop, die scherp van de rest des lichaams is afgezonderd, en waarop, rondom de aan den kop geplaatste mondopening, van zuignappen voorziene vangarmen geplaatst zijn. (Vb. inktvisschen, nautilus, papiernautilus.)

Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)

Fig. 162. Groote naakte slak. (Nat. gr.)

DeBuikpootigenofSlakkenhebben een’ kop, die (ongelede) voelhorens alsmede de oogen draagt; deze laatsten staan bij vele slakken op den top der voelhorens. De voet is aan de buikzijde afgeplat en dient om te kruipen. De mantel is gewoonlijk klein en bedekt slechts de rugzijde des diers, doorgaans slechts een deel daarvan. Ook de meestal spiraalvormig gewonden schelp (“horen”) omhult dus slechts een gedeelte van ’t lichaam; echter kan toch de geheele rest van ’t lichaam in dezen horen zich terugtrekken.—De slakken hebben wel kaken; maar het hoofdorgaan voor het verbrijzelen van de aangetaste plantendeelen is de tong, die aan de bovenzijde met eene wrijfplaat bedekt is, welke uit talrijke, in regelmatige rijen geplaatste tandjes bestaat. Wanneer de tong wordt uitgestoken, dan richten zich de tandjes op; zoo vormt zich eene rasp, die door vooruit- en teruggaande beweging de spijs fijn maakt.—De in zee levende slakken ademen door kieuwen, welke zich in de mantelholte bevinden; de meesten der in ’t zoete water levende en alle op ’t land levende soorten zijn zoogenoemde “longslakken”, bij welke de binnenwand der mantelholte (fig. 161,m′) zelf als ademhalingsorgaan fungeert.

Tot de zeeslakken behooren dewulkenen dealikruiken; tot de landslakken: dehuisjesslakken(fig. 163) en denaakte slakken(fig. 162). Tot deze laatsten behooren sommige soorten, diein vochtige tijden onze kultuurgewassen beschadigen, vooral de jonge planten. Degrauwe veldslakis de meest beruchte soort.—

Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)

Fig. 163. Soort van Huisjesslak, nl. de Wijngaardslak. (Nat. gr.)

Schelpdieren. Zonder kop. De mantel scheidt twee schelpen af, die aan de rugzijde van ’t dier met elkaar geleed zijn (fig. 160). De voet is kielvormig. De ademhaling geschiedt door kieuwen.—Oester;eetbare mossel; de in tropische zeeën levendeparelmossel;zoetwatermossel;paalworm.

Hoofdafdeeling V. Stekelhuidigen.Straalsgewijs symmetrisch gebouwde dieren; d. i. rondom de as liggen de aan elkaar gelijke deelen, die te zamen het lichaam vormen, (fig. 18). Dikwijls zijn de dieren dezer hoofdafdeeling vijfstralig. De mondopening ligt aan den onderkant des lichaams. De huid bezit talrijke mikroskopische kalkafzettingen, of zij vormt stevige kalkplaten; zeer dikwijls ook draagt zij stekels (vandaar de naam).—De Stekelhuidigen bewegen zich met behulp van in rijen geplaatste voetjes, die kunnen worden uitgestulpt en ingetrokken.—Zeesterren,zeeëgels,zeekomkommers. Alle Stekelhuidigen leven in de zee; zeeëgels worden soms in de landen nabij de kust voor bemesting gebruikt.

Straalsgewijs symmetrisch gebouwde dieren; d. i. rondom de as liggen de aan elkaar gelijke deelen, die te zamen het lichaam vormen, (fig. 18). Dikwijls zijn de dieren dezer hoofdafdeeling vijfstralig. De mondopening ligt aan den onderkant des lichaams. De huid bezit talrijke mikroskopische kalkafzettingen, of zij vormt stevige kalkplaten; zeer dikwijls ook draagt zij stekels (vandaar de naam).—De Stekelhuidigen bewegen zich met behulp van in rijen geplaatste voetjes, die kunnen worden uitgestulpt en ingetrokken.—Zeesterren,zeeëgels,zeekomkommers. Alle Stekelhuidigen leven in de zee; zeeëgels worden soms in de landen nabij de kust voor bemesting gebruikt.

Hoofdafdeeling VI. Holtedieren.Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Ook de diersoorten van deze hoofdafdeelingen zijn met weinige uitzonderingen straalsgewijs symmetrisch van bouw. Zij bestaan uit eenen lichaamswand, welke eene lichaamsholte insluit, die bij de eenvoudigst gebouwde Holtedieren (zoetwaterpolyp) zakvormig is, maar bij de hoogere dieren dezer groep uit verschillende afdeelingen is samengesteld, en niet slechts voor de opneming van spijs en voor de vertering, maar ook voor de rondvoering der verteerde voedende stoffen dient. Bij verscheiden Holtedieren zet zich in den lichaamswand eene harde zelfstandigheid af, die ook na den dood blijft bestaan; daaruit zijn opgebouwd de roode koralen, die voor de vervaardiging van verschillende sieraden dienen, alsmede de polypen, welke de “koraaleilanden” vormen.—Met uitzondering alleen van de sponzen, bezitten alle Holtedieren zoogenoemde “netelorganen”, met behulp van welke zij de door hen gevangen dieren dooden, en waardoor zij voor den aanval van andere dieren beschut zijn.—Zij planten zich door eieren voort, vele echter door vorming van knoppen, die zich later kunnen afscheiden en aldus zelfstandige dieren worden. (Zoetwaterpolyp). Bij vele soorten komt het echter voor, dat de knoppen gedurende haar geheele leven blijven vastzitten; dan vormen zij een’ zoogenoemden “polypenstok”. Er zijn ook vrij in de zee rondzwemmende Holtedieren, nl. de kwallen (fig. 164).—Daar bijkans alle Holtedieren in de zee leven, en de weinige overigen in ’t zoete water, zijn zij geen van allen voor den landbouw van beteekenis.

Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)

Fig. 164. Kleine soort van kwal. (Vergr.)

Ook de diersoorten van deze hoofdafdeelingen zijn met weinige uitzonderingen straalsgewijs symmetrisch van bouw. Zij bestaan uit eenen lichaamswand, welke eene lichaamsholte insluit, die bij de eenvoudigst gebouwde Holtedieren (zoetwaterpolyp) zakvormig is, maar bij de hoogere dieren dezer groep uit verschillende afdeelingen is samengesteld, en niet slechts voor de opneming van spijs en voor de vertering, maar ook voor de rondvoering der verteerde voedende stoffen dient. Bij verscheiden Holtedieren zet zich in den lichaamswand eene harde zelfstandigheid af, die ook na den dood blijft bestaan; daaruit zijn opgebouwd de roode koralen, die voor de vervaardiging van verschillende sieraden dienen, alsmede de polypen, welke de “koraaleilanden” vormen.—Met uitzondering alleen van de sponzen, bezitten alle Holtedieren zoogenoemde “netelorganen”, met behulp van welke zij de door hen gevangen dieren dooden, en waardoor zij voor den aanval van andere dieren beschut zijn.—Zij planten zich door eieren voort, vele echter door vorming van knoppen, die zich later kunnen afscheiden en aldus zelfstandige dieren worden. (Zoetwaterpolyp). Bij vele soorten komt het echter voor, dat de knoppen gedurende haar geheele leven blijven vastzitten; dan vormen zij een’ zoogenoemden “polypenstok”. Er zijn ook vrij in de zee rondzwemmende Holtedieren, nl. de kwallen (fig. 164).—Daar bijkans alle Holtedieren in de zee leven, en de weinige overigen in ’t zoete water, zijn zij geen van allen voor den landbouw van beteekenis.

Hoofdafdeeling VII. Protozoën.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Deze hoofdafdeeling omvat meestal mikroskopische, in ieder geval zeer kleine, in de zee of in ’t zoete water, of althans op vochtige plaatsen levende diertjes, die uit eene weeke, taaie, samentrekbare zelfstandigheid (het zoogenoemde “protoplasma”) bestaan, welke al of niet door eenen wand omgeven is, en die soms een schaaltje afzondert.Infusoriën,AmoebenenMonerenbehooren hiertoe (fig. 165).

Fig. 165. Monere, zeer vergroot.Fig. 165. Monere, zeer vergroot.

Fig. 165. Monere, zeer vergroot.

Deze hoofdafdeeling omvat meestal mikroskopische, in ieder geval zeer kleine, in de zee of in ’t zoete water, of althans op vochtige plaatsen levende diertjes, die uit eene weeke, taaie, samentrekbare zelfstandigheid (het zoogenoemde “protoplasma”) bestaan, welke al of niet door eenen wand omgeven is, en die soms een schaaltje afzondert.Infusoriën,AmoebenenMonerenbehooren hiertoe (fig. 165).


Back to IndexNext