EERSTE HOOFDSTUK.EEN ONDERGAAND RAS.Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.SCHILDPADVANGST.In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.WEER-VERSTOORDERS.In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.EEN DINER.De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.ZWARTE KUNST.Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.WANDSCHILDERINGENHaai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”BRIEF-STOKKEN.Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.„Hallo, mister, goeden dag.”„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.„En wat staat er dan wel in?”Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.„Vertelt hij niets méér?”Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.PARELMOER-VISCHHOEKEN.In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.WILDE DYNAMIET.Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.DE LEGENDE VAN EEN GROT.Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.EEN ZIELVOLLE DANS.Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”1Neolithische tijdperk: een voorhistorisch tijdperk, waarin wapenen en werktuigen van gepolijsten steen gebruikt werden.↑2Vandaar de Engelsche naam:sucker, zuiger.↑3Mierenleeuw (Myrmelion), een insekt behoorende tot deNeuropterawaarvan de larve trechtervormige valkuilen maakt in zand en stof, op den bodem waarvan het zich verbergt. Zoodra een mier of ander insektinden kuil valt komt zij te voorschijn om het te verslinden.↑4Boschjesman, kolonist in het Australisch binnenland.↑5Corrobboree, godsdienstige bijeenkomst met dansen en feestmaal der Australische inboorlingen.↑
EERSTE HOOFDSTUK.EEN ONDERGAAND RAS.Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.SCHILDPADVANGST.In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.WEER-VERSTOORDERS.In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.EEN DINER.De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.ZWARTE KUNST.Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.WANDSCHILDERINGENHaai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”BRIEF-STOKKEN.Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.„Hallo, mister, goeden dag.”„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.„En wat staat er dan wel in?”Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.„Vertelt hij niets méér?”Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.PARELMOER-VISCHHOEKEN.In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.WILDE DYNAMIET.Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.DE LEGENDE VAN EEN GROT.Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.EEN ZIELVOLLE DANS.Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”1Neolithische tijdperk: een voorhistorisch tijdperk, waarin wapenen en werktuigen van gepolijsten steen gebruikt werden.↑2Vandaar de Engelsche naam:sucker, zuiger.↑3Mierenleeuw (Myrmelion), een insekt behoorende tot deNeuropterawaarvan de larve trechtervormige valkuilen maakt in zand en stof, op den bodem waarvan het zich verbergt. Zoodra een mier of ander insektinden kuil valt komt zij te voorschijn om het te verslinden.↑4Boschjesman, kolonist in het Australisch binnenland.↑5Corrobboree, godsdienstige bijeenkomst met dansen en feestmaal der Australische inboorlingen.↑
EERSTE HOOFDSTUK.EEN ONDERGAAND RAS.Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.SCHILDPADVANGST.In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.WEER-VERSTOORDERS.In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.EEN DINER.De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.ZWARTE KUNST.Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.WANDSCHILDERINGENHaai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”BRIEF-STOKKEN.Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.„Hallo, mister, goeden dag.”„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.„En wat staat er dan wel in?”Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.„Vertelt hij niets méér?”Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.PARELMOER-VISCHHOEKEN.In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.WILDE DYNAMIET.Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.DE LEGENDE VAN EEN GROT.Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.EEN ZIELVOLLE DANS.Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”1Neolithische tijdperk: een voorhistorisch tijdperk, waarin wapenen en werktuigen van gepolijsten steen gebruikt werden.↑2Vandaar de Engelsche naam:sucker, zuiger.↑3Mierenleeuw (Myrmelion), een insekt behoorende tot deNeuropterawaarvan de larve trechtervormige valkuilen maakt in zand en stof, op den bodem waarvan het zich verbergt. Zoodra een mier of ander insektinden kuil valt komt zij te voorschijn om het te verslinden.↑4Boschjesman, kolonist in het Australisch binnenland.↑5Corrobboree, godsdienstige bijeenkomst met dansen en feestmaal der Australische inboorlingen.↑
EERSTE HOOFDSTUK.EEN ONDERGAAND RAS.Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.SCHILDPADVANGST.In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.WEER-VERSTOORDERS.In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.EEN DINER.De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.ZWARTE KUNST.Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.WANDSCHILDERINGENHaai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”BRIEF-STOKKEN.Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.„Hallo, mister, goeden dag.”„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.„En wat staat er dan wel in?”Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.„Vertelt hij niets méér?”Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.PARELMOER-VISCHHOEKEN.In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.WILDE DYNAMIET.Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.DE LEGENDE VAN EEN GROT.Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.EEN ZIELVOLLE DANS.Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”
EEN ONDERGAAND RAS.Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.
EEN ONDERGAAND RAS.
Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.
Sommige onderzoekers vertellen ons dat de inboorlingen van Australië uit Egypte stammen, vanwaar zij hun oude totems en gebruiken meebrachten, andere, dat zij nog vertegenwoordigers zijn van het Neolithische tijdperk1, terwijl weer anderen verzekeren dat Australië de eigenlijke wieg van het geheele menschelijk ras is. Zonder een bepaalde meening over deze theorieën te hebben, kan men wel zeggen dat de steenen bijlen, schelp-messen en vischhoeken van parelmoer en schildpad, die bij de inboorlingen in gebruik zijn, behooren tot de uitrusting van een volk dat op één lijn staat met die stammen, die in andere deelen der wereld, eeuwen geleden, de herinnering aan hun bestaan nalieten in teekeningen op het ivoor van den mammouth en de beenderen van het rendier. Voorwerpen, geheel gelijkend op die overblijfselen van een ver verleden, zijn hier nog van dagelijksch gebruik. Nog is de steentijd niet voorbij.
Voor de hedendaagsche negers geldt het „bestaan isde bevrediging der natuurlijke behoefte.” Het verleden is voor hen, zoo niet geheel en al vergeten, dan toch niet de moeite waard om over te denken en evenmin kennen zij zorg voor de toekomst. Ambacht en handwerk, voor een paar jaar nog vrij algemeen, verdwijnen meer en meer, elke nieuwigheid door de wonder-machtige blanken ingevoerd, levert een nieuw bewijs voor de ongeschiktheid van den inboorling in den strijd om het bestaan, zoodra zijn oorspronkelijke levenswijze wordt verstoord. Een gebogen ijzerdraadje is een goedkoop en doelmatig plaatsvervanger voor een parelmoeren vischhoek, waarvan de vervaardiging zooveel handigheid en tijd vereischt en de schunnigste deken is altijd nog bruikbaarder dan het kunstvaardigste kleed uit schors van een vijgenboom gemaakt. In tallooze behoeften wordt thans door de blanken voorzien en het gevolg is het verval en in vergetelheid geraken van de oorspronkelijke eerwaardige en dikwijls kunstige ambachten. Nog altijd versieren onze negers rotsen en boomen met hun ruwe houtskool-teekeningen, maar de kunst om steenen bijlen te maken is reeds verloren gegaan, ofschoon de boomen nog de sporen vertoonen der bijlen, die door het voorgaand geslacht werden gehanteerd. De komst der blanken heeft allen vooruitgang volkomen stop gezet. Zwakke, eenpersoons kano’s van boombast zijn de eenige vaartuigen hier, ofschoon de grootvaders der negers op Hinchinbrook-eiland en de eilanden van Rockingham-baai bekend waren om hun outrigger-booten, al maakten zij die niet zelf. Eer de kunst der Papoea’s dieper op de trage Australiërs had kunnen inwerken, kwamen de blanken er tusschen en thans zijn nog maar zeer enkelen instaat het werk hunner ouders na te bootsen. Ook een groot aantal legenden, die van geslacht op geslacht overgingen, zijn verloren gegaan en zelfs de namen van zeer gebruikelijke voorwerpen zijn vergeten.
Het uitsterven der negers op plaatsen die vroeger sterk bevolkt waren, gaat verwonderlijk snel. Nog geen twintig jaar geleden was het vastland tegenover Dunk-eiland dicht bevolkt, thans wonen er nog slechts enkelen. Nog in het gezicht van Brammo-baai ligt de plek waar eens een stam „officieel” werd uitgeroeid, wegens het vermoorden van de bemanning van een gestrand schip, en ik ken een neger die een lidteeken op den wang draagt van een kogel dien hij ontving toen zijn moeder bij die gelegenheid vluchtte—en vergeefs—met hem als klein kind op den rug.
In die dagen werden „lastige” negers zonder veel plichtplegingen onschadelijk gemaakt. Meer dan eens heb ik het verhaal gehoord van den ondergang van een bende „myals” (wilde negers), die door een kolonist gebruikt werden om zijn land te ontginnen. Zij deden hun werk, maar ontvingen hun loon niet, waarop zij zich zelf hielpen, een stier doodden, opaten en verdwenen. Een poosje later, toen de planter hen weer noodig had, beloofde hij hun vergiffenis voor hun misdaad en zette hen weer aan het werk. Op een goeden dag, op etenstijd, werd er een emmer melk in het kamp gebracht en rondgedeeld. De melk was vergiftigd. „Een kerel voel hier,” zei mijn berichtgever, zich op de maag slaand, „Loop weg, val neer, uit. Ander kerel loop weg, uit. Allemaal dood, overal.”
Er doen nog andere verhalen van vergiftigd meel en brood de ronde.
Twee negers bekenden voor het gerecht dat zij hun meester vermoord hadden om geen andere reden dan dat hij weigerde hen bij den maaltijd een stukje van zijn vleesch te geven. Aan den anderen kant kunnen voorbeelden van even groote gevoelloosheid van blanken worden aangehaald. In een knorrige bui smeet eens een neger een paar dekens, die hij moest dragen neer en vluchtte het bosch in. Zijn baas vond het noodig aan de overigen eenstreng voorbeeld te stellen en schoot plotseling een volkomen onschuldigen neger, die aan de overzijde der rivier juist te voorschijn kwam, neer. Zijn lichaam viel in het water en dreef stroomafwaarts. Een van de negers, terwille van wier tuchtbesef deze moord werd begaan, deelde mij het geval mede.
Ik breng deze feiten slechts in herinnering als voorbeelden van de slechte verhouding die destijds tusschen negers en blanken bestond. Dit alles behoort nu tot het verleden, wij levens thans in een tijdperk van officieele bescherming der oerbevolking, misschien wel van een beetje te groote bemoeizucht.
In de volgende bladen is het niet mijn bedoeling den Australischen inboorling nauwkeurig en diepgaand te beschrijven, maar slechts een paar kijkjes op zijn leven en karakter te geven.
SCHILDPADVANGST.In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.
SCHILDPADVANGST.
In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.
In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch (Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van schildpadden, dugong’s, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild zijn, machtig te worden.
In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij, kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderdengaleislaven om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten afzeilen.
De schildvisch (Echeniis remoraenEcheniis naucrates), door de negers „Cum-mai” genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden; zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht wordt vastgezogen2. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil, dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.
Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. „Goed voeren” is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch, totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de negers hem een lijn boven den gevorkten staart,zoodat hij er niet uit kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat, dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid nog eens doorheen.
Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er op uit. Deze kano’s bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors, bij voorkeur van een „Gulgong” (Eucalyptus robusta), van den „Carrlee” (Acaciaaulacocarpa) of van den „Wee-ree” (Calophyllum inophyllum) dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste van de weinige technischevoortbrengselender negers. Zij worden voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim, waarvan ieder man er twee heeft.
Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd is, bestaat uit twee strengen van den bast der „Boo-bah” (Ficus fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert, terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger, dienen als dobber.
Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezetlaat men de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit, zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.
Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano’s waarin een blanke nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorstevenop te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten van een gewoon man gaan.
Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong’s geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge beweging zijn de eerste vereischten.
Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft, nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met een: „dat kerel-visch niet goed nu,” onmeedoogend op het strand werpt, dan wordt meestal tot een „Kummaorie” besloten.
Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden, rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende, spetterende massa met een dikken stok omroert.In een anderen kuil, dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed, noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine, olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen, om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over schildpad te spreken.
WEER-VERSTOORDERS.In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.
WEER-VERSTOORDERS.
In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.
In de droge streken van Australië, waar het zelden regent, bezitten de negers een verwonderlijk vermogen om water te ontdekken. Herhaaldelijk zijn blanken, die de verborgen kenteekenen van zijn aanwezigheid niet konden zien, onder al de martelingen der verdorsting omgekomen in streken, waar, volgens de inboorlingen, het water overvloedig en betrekkelijk gemakkelijk te bereiken was. Hier, op onze eilanden, is er echter nooit het minste gebrek aan water en klagen de negers eerder over te veel regen en wordt ruw weer dikwijls toegeschrevenaan de booze invloeden van een of ander slecht geluimd man. Meestal woont de verwekker van een storm ver weg, op de Palm-eilanden, te Hinchinbrook of Mourilyan en is het niet mogelijk hem onder kruisverhoor te nemen; maar des te minder reden is er om aan zijn schuld te twijfelen.
Een oude vrouw, Kitty genaamd, die op Hinchinbrook-eiland woonde, was vermaard wegens haar succesvolle beïnvloeding van het weer. Zij was een grimmig wijf, dat met eerbied en ontzag behandeld werd. Niet alleen over wind en regen, maar ook over donder en bliksem heerschte zij en haar te beleedigen stond gelijk met het veroorzaken van een verschrikkelijken storm. Nog jaren na haar dood geloofden de negers aan haar booze macht. Een van de weinige blanken die ooit beproefden de hoogste piek van het eiland te beklimmen, vertelde mij dat zijn zwarte metgezellen, nadat zij een zekere hoogte bereikt hadden, niet anders dan angstig fluisterend spraken om Kitty’s geest niet te vertoornen en ten slotte geen stap verder meer wilden doen. Hij ging toen alleen naar den top en den volgenden morgen waren de inboorlingen hoogst verbaasd hem levend terug te zien en nog onbegrijpelijker vonden zij het dat er ook geen orkaan losbrak.
Hoe fantastisch de voorstelling van menschelijken invloed op het weer ook is, mogen wij haar toch wel met eenige toegevendheid beschouwen, als wij er even aan denken dat hetzelfde geloof tot nog voor vrij kort geleden in het verlichte Engeland heerschte.
Een andere oorzaak van slecht weer is het eten van een z.g. stekelvarken (Echidna)—een lekkernij, die alleen voor de wijze, bezadigde ouden van dagen bestemd is—door een jongen man. Wanneer eenjongeman van het verboden vleesch eet, gebeurt er een verschrikkelijk ongeluk: „alle wolken vallen naar beneden.” Op een goeden dag had Tom een klein stekelvarken gevangen enlevend mee naar huis gebracht. In den namiddag stak er een zuid-ooster storm op die geweldige regenwolken tegen de bergen op het vastland aandreef. Een dier wolken hing boven den top van Clump-Point en had den vorm van een fantastische, dreigende gestalte. Allen wezen er vol ontzetting naar en voorspelden zwaren wind en regen, die overnacht ook werkelijk kwamen. Den volgenden morgen verklaarde een van hen dat de nachtelijke storm was veroorzaakt doordat Tom een stekelvarken had gegeten. Wij hadden gezien dat zijn oude, schrompelige schoonmoeder, het beest had toebereid. Maar Tom, ter verantwoording geroepen, wierp de beschuldiging verontwaardigd van zich. „Ik niet eten dat kerel-stekelvark, ik hem wegsmijten.” De verschijning boven Clump-point had hem tot het besef van zijn groote verantwoordelijkheid gebracht en hij had werkelijk zijn tractatie opgeofferd.
Maar zijn aanklager liet zich niet uit het veld slaan. Als Tom het dan niet gedaan had, dan was het „die kerel daar achter de bergen” of „een ander daar bij Hinchinbrook.” Na dit te hebben vastgesteld kwam er een kalme, wijze glimlach op zijn gelaat en ook voor de anderen was het geheele mysterie verklaard.
Ook de meeste andere lekkernijen zijn voor de jongere stamgenooten verboden waar. Gratige brasem en haring mogen de jongens en meisjes eten en ook wel het grover vleesch van de schildpad, maar alle zachter visch of vleesch is uitsluitend voor de ouderen; zij alleen kunnen het ongestraft aanraken.
EEN DINER.De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.
EEN DINER.
De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.
De inboorlingen van Dunk-eiland baden niet iederen dag in overvloed. Bij zeer regenachtig weer moeten zijzelfs met het soberste voedsel genoegen nemen. Een zeker soort haai wordt steeds met graagte gegeten, maar andere weer zijn te mager en te taai om anders dan in zeer buitengewone omstandigheden te kunnen worden verdragen. Oesters zijn er altijd in overvloed, maar een dieet, uitsluitend beperkt tot deze delikaatste aller mosselen staat zelfs het verhemelte van een neger spoedig tegen.
Gewoonlijk echter was er rijkelijk voedsel en behoefde het slechts te worden ingezameld en gekookt. Dikwijls werd het op de plaats zelf, zóó versch uit de hand der Natuur, opgegeten. Maar ook de negers houden van verandering, zelfs als zij een achteruitgang beteekent van het zuiver bereide en gekookte eten van den blanke tot de sterke brouwsels van hun eigen kampen. Soms, als het verlangen naar iets anders te sterk werd, roeide de heele bevolking naar hetvastelandof een der andere eilanden om naar schildpadden en schildpad-eieren te zoeken, die op Dunk-eiland schaarsch zijn.
Het is verwonderlijk zooveel en zoo verschillend voedsel op het eiland kan worden gevonden, ofschoon er geen enkele poging tot kunstmatigen aankweek wordt gedaan. De negers denken niet aan den dag van morgen, maar nemen gedachteloos de rijke gaven der aarde aan. Men zou zich best een feestmaal kunnen voorstellen als het volgende:
Het diner zou kunnen beginnen met wat oesters (drie of vier variëteiten), een hors d’oeuvres van verschillende vischsoorten kon worden gevolgd door „echte” schildpadsoep, opgediend in het oorspronkelijke schild en toebereid op de boven beschreven wijze. Vervolgens een prachtig stuk dugong, eveneens „ge-kummaoried,” met entrées van schildpad-koteletten en gebakken insekten-poppen, ivoorwit met gele koppen. Als de kevers, waartoe deze poppen en larven zich ontwikkelen, uit een brok rottend hout te voorschijn worden gehaald, rieken zij naar truffels. Zij geven twee verschillende piepende geluidenvan zich, uit de keel en uit het achterlijf en zingen zoo een duet tot de heete asch hen voor eeuwig doet zwijgen en in een noot-achtige lekkernij verandert. Geroosterde struikhoen-eieren en gebakken kraaivisch, blauwwit en leerachtig, „van die stof waarvan droomen gemaakt zijn” zouden niet mogen ontbreken. Rauwe zee-egel, zout en opwekkend, zou de volgende gangen kunnen inleiden.
Tal van groenten zouden kunnen worden opgediend. En er zou overvloed zijn van schelpdieren: alikruiken, mosselen, enz. Verder dolfijnen, krabben en slangen. Van de vogels vooral duiven en bij uitzondering misschien eens een struikhoen, dat zoo moeilijk te vangen is.
Zoetigheden zouden het zwakke punt van het menu vormen, ofschoon er toch een pudding op zou kunnen voorkomen van geraspte Eupomatia-noten met honing en een oranjekleurige vlade, geschraapt van den buitenkant der vruchten van denPandanus odoratissimus.
Het dessert daarentegen, kon weer rijk en vol verscheidenheid zijn. De dorstlesschende en prikkelendeXimenia americana, de Herbert-river-kers, eenigszins in smaak op aalbessen gelijkend, de vingerkers, zoet en zacht; de framboos en de sneeuwwitte bes vanEugenia suborbicularis, flauw als een onrijpe mispel, en nog vele andere vruchten zouden op de tafel prijken. Ook vijgen, varieerend in grootte van een kers tot een tennisbal en in kleur van wit door alle tinten: geel, groen, rood en purper heen tot zwart toe.
En terwijl de mannen met bijlen en platte steenen de taaie noten van de „Moo-jee” (Terminalia melanocarpa) en de vruchten van de „Can-kee” (Pandanus aquaticus) bewerkten om er de kleine, zoete pitten uit te halen, of terwijl zij behagelijk de zuurachtige en scherpe larven der groene boom-mieren uitzogen onder een afterdinner-praatje, konden de vrouwen naar hartelust hun met honing aangezoet water drinken, of de zaden vande chineesch-blauwe vrucht der inlandsche gember kauwen.
ZWARTE KUNST.Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.WANDSCHILDERINGENHaai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”
ZWARTE KUNST.
Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.WANDSCHILDERINGENHaai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”
Na lang en ijverig zoeken ontdekte ik op het eiland twee kunstgalerijen. De overlevering gewaagt van nog een derde, waarnaar ik echter nog steeds zoek. Wat ik de zaal van de „Lagere Richting” zou willen noemen is een grot aan de oostelijke helling, die het gemakkelijkst van uit zee, bij kalm weer, is te bereiken. Zij ligt een paar honderd voet boven den zeespiegel, geheel verscholen onder de dichte wildernis die deze zijde van het eiland overdekt. Slechts door een toeval ontdekte ik haar. Over de zee-route bereikt men haar van uit een kleine natuurlijke haven, juist groot genoeg voor een bootje. Van hier klimt men eerst over naakte rotsen en dan door dichte struiken, waarbij men voortdurend van de hulp van luchtwortels en slingerplanten gebruik moet maken om tegen de steilte op te komen. Na een paar minuten is de zaal bereikt; zij is van eenvoudige architektuur: een granietrots met een vertikalen wand waartegen een veel grootere onder een helling van 60 graden aanleunt.
WANDSCHILDERINGEN
Haai, mierenegels en schildpad.Haai, mierenegels en schildpad.
Haai, mierenegels en schildpad.
Hagedis zonder kop.Hagedis zonder kop.
Hagedis zonder kop.
Oorspronkelijk bevonden zich hier vijf teekeningen, waarvan er twee geheel en al onkenbaar geworden waren, alleen een paar zwakke roode strepen waren er van over. De andere, beter te onderscheiden voorstellingen zijn op dezelfde wijze verminkt als zekere veelgeprezen antieke beelden. Twee stellen blijkbaar hagedissen voor en de andere schijnt de afbeelding van een monsterachtig wezen, een menschelijke gedaante met een rudimentairen staart te zijn. Een Duitsch filosoof zou hierop misschien de theorie baseeren dat de Australische inboorling de langgezochte „ontbrekende schakel” is in de keten dermenschelijke ontwikkeling. Doch hoe dit zij, de argelooze kunstenaar veroorloofde zich nog meer vrijheden ten opzichte van de goddelijke menschelijke gedaante. Volgens de overlevering hadden alle menschelijke figuren eens zwarte hoofden, doch hiervan is thans geen spoor meer te zien. Eén teekening, waarbij nog een rood hoofd eenigszins te onderscheiden valt, schijnt deze overlevering te weerspreken. De oppervlakte van den rotswand was met een platten steen vlak geschuurd; misschien denzelfden steen waarmede de kunstenaar de harde wortels kneusde, die een deel van zijn dieet vormden.
Van geheel anderen aard zijn de schilderingen in de zaal der „Hoogere Richting.” Deze ligt midden in een verwarde, dichtbegroeide opeenhooping van geweldige rotsen. Omstandige verhalen over de schatten die er te zien waren hadden mij doen volharden in mijn pogingen ook deze grot te ontdekken, ofschoon geen van de nog levende inboorlingen mij de juiste plaats wist aan te duiden. Hoe trotsch zij ook op hun schilderingen waren, niemand had ze ooit gezien; iedereen herhaalde slechts geloovig wat „oude menschen” er eens van hadden verteld. De ervaring had mij weliswaar geleerd de getuigenis van zulke „oude menschen” met de noodige voorzichtigheid en reserve te aanvaarden, maar ik kon toch niet nalaten steeds te blijven zoeken.
Van schepen, die aan de oostzijde van het eiland voorbij varen, kan men een forsche witte streep waarnemen op een groote rots. De gangbare meening onder de negers nu was, dat de fresco’s zich bevonden op een rotsblok onder den steilen top die door den witten band werd aangewezen. Deze meening bleek juist te zijn; op een ontdekkingstocht, dien ik van de landzijde uit ondernam, vond ik ze eindelijk, na moeitevol geklouter over rotsen en door schemerende ravijnen vol varens en orchideeën of door nauwe, donkere spleten, op een groot granietblok een klein eindje onder den bewusten topaan de zeezijde. Bij de uitvoering moet de kunstenaar op zijn rug hebben gelegen, want de schilderingen bevinden zich op de vlakke zoldering en de grot is, behalve bij den breeden ingang, niet hoog genoeg om er zelfs maar in te kunnen zitten. De oploopende grond is bedekt met een dik, bruin poeder vol kuiltjes van mierenleeuwen (Myrmelion)3; een koele, droge plek, die zelfs de plasregens van ontelbare natte seizoenen niet vochtig konden maken. Men voelt dat men er het stof der eeuwen opwoelt.
Zeshonderd voet beneden laaft de zee de brandende rotsen en klotst in de koele grotten en ofschoon het uitzicht er op belemmerd wordt door rotsen en geweldige boomen, zou een kunstenaarsziel, die zich zoekt te uiten, zeker dankbaar zijn voor haar glanzen. Bij den ingang van de grot liggen een paar verkoolde takken en een stuk parelmoerschelp, het begin van een vischhoek. Deze overblijfselen verleenen aan het tooneel een pathetische belangwekkendheid. Terwijl ik ze peinzend beschouwde deed een kikvorsch diep in de grot een weergalmend gekwaak hooren en een loophoen, dat boven ons in den grond krabde, maakte een steen los, die tikkelend naar beneden sprong. Tom, die mij vergezelde, maakte mij angstig opmerkzaam op deze manifestaties van den dooden schilder, maar ik liet mij niet afschrikken, al voelde ik eenigen schroom de plechtige rust te verstoren.
Bij de gedachte aan de uitbundige loftuitingen van al degenen die de fresco’s niet gezien hadden, was een gevoel van teleurstelling toen ik hen ontdekte onvermijdelijk. Zij kunnen bezwaarlijk hooger gesteld worden dan gewone lei-krabbeltjes, maar zij hebben een zekeresymmetrie en gevoel van verhouding en het feit, dat hun maker een van de ruwste, laagst-staande menschelijke wezens was, is voldoende om hen in mijn oog even belangwekkend te doen zijn als het werk van menig wereldberoemd meester.
Klaarblijkelijk is eerst de oppervlakte van de rots eenigszins glad gemaakt, slechts in één geval volgt de teekening de oneffenheden. Al het werk is uitgevoerd in een kalkachtige aarde van dof-roode kleur. Schilderingen naar de levende natuur en stillevens komen beide voor. De schildpad is natuurgetrouw, maar de opvallendste en scherpst-omlijnde van alle teekeningen is het minst overtuigend. Zij doet denken aan de fantastische schrapjes en lijnen die sommige menschen in een abstracte bui of in verveling op hun vloeipapier zetten en die niets ter wereld beteekenen.
Bij een vergelijking van de twee kunstgalerijen lijdt het geen twijfel dat er op Dunk-eiland minstens twee kunstenaars hebben gewoond, waarvan de een zich toelegde op de realistische weergave van reptielen en menschen en de ander op conventioneele wijze de dieren en wapens van zijn tijd uitbeeldde. De een toonde zijn fantasie door een van zijn reptielen een half menschelijke gedaante te geven, de ander door een weelderige ornamentiek.
De meesten van ons hebben oogenblikken van vervoering gekend voor het werk van een of ander groot kunstenaar, wiens gaven zich in geestdriftig en volhardend streven naar volmaking ontwikkelden. Maar zijn niet ook deze onbeholpen teekeningen openbaringen van talent, oorspronkelijk en on-academisch? Zij zijn een eerste begin, een spontane kiem, zij getuigen van een wilde ziel, voor het eerst door bewuste aesthetische aandoening ontroerd en geleid. Zij zijn de eerste en eenigste pogingen van een onbeschaafd, onmondig ras om dat licht te bereiken „dat droomen tot daden wekt.”
BRIEF-STOKKEN.Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.„Hallo, mister, goeden dag.”„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.„En wat staat er dan wel in?”Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.„Vertelt hij niets méér?”Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.
BRIEF-STOKKEN.
Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.„Hallo, mister, goeden dag.”„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.„En wat staat er dan wel in?”Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.„Vertelt hij niets méér?”Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.
Op een goeden middag betraden een paar ballingen van Princes-Charlotte-baai—300 mijlen noordelijk—ons strand. Verbannen voelden zij zich en zij hunkerden om weer naar hun land terug te keeren, ofschoon zij zich voor een half jaar verhuurd hadden voor de bêche-de-mer-vangst en hun tocht pas was begonnen. Een van hen stapte trotsch en gewichtig rond en ook de anderen hadden iets ongewoons over zich, een weerschijn van de glorie van Mattie’s gelaat straalde ook uit het hunne. Met al de waardigheid van een gezant, die een hoogst gewichtige tijding brengt, begroette hij mij.
„Hallo, mister, goeden dag.”
„Goeden dag,” antwoordde ik. „Kom je van dien kotter?”
„Ja, mister. Mickie hier zitten nu? Mij breng hem brief.”
„Neen, Mickie is op de Palm-eilanden.”
En Mattie, geheel terneer geslagen: „Bosoen gaf dat brief voor Mickie.” En een klein pakje te voorschijn halend, liet hij mij een stuk grijs hout zien van de grootte en vorm van een potlood en waarin twee elkaar kruisende lijnen gesneden waren.
De brief was niets anders dan een uiterlijk teeken dat de afzender nog leefde en vertrouwen stelde in den brenger, die al het nieuws mondeling moest meedeelen. Het was een groote teleurstelling voor Mattie te hooren dat Mickie er niet was en na het houten document een poosje te hebben geliefkoosd, wikkelde hij het weer zorgvuldig in en verborg het onder zijn hemd. En de teleurstelling was algemeen, uit alle gezichten was de glans verdwenen. Gedurende de volgende dagen kreeg elk om zijn beurt den kostbaren brief te bewaren en steeds was de bezitter te herkennen door een belachelijk vertoon van zelfbewustheid en trots.
Brieven van inboorlingen zijn zeer verschillend. Sommigen beweren dat zij in staat zijn ze te verklaren, maar volgens mijn ervaring, wordt onveranderlijk het nieuws dat zij heeten te brengen door den overhandiger verteld en is het volstrekt niet noodzakelijk dat de ruwe sneden en krassen op het hout ook maar eenige beteekenis hebben. De bewering van enkele negers, dat zij boodschappen uitsluitend door middel van stokken kunnen overzenden, wordt door allen die haar onderzocht hebben afgewezen.
Op een zekere plantage was eens de zoon van den eigenaar in een naburige rivier verdronken. Het verdriet der ouders werd door allen in de geheele streek gedeeld, ook door de negers in een naburig kamp, die, nadat de eerste schok voorbij was, besloten de droeve tijding ook aan meer verwijderde vrienden mee te deelen. Met veel moeite werd een brief opgesteld, bestaande uit een kort, vlak stuk hout, over welks geheele lengte een golvende lijn gesneden was die in het midden door een inkeeping werd doorbroken. Een bode vertrok en een week later wist men in kampen, honderden mijlen verder, tot in bijzonderheden wat er gebeurd was. Algemeen werd geloofd dat de brief het bericht had overgebracht, maar is het niet duidelijk, dat in werkelijkheid de bode alles mondeling meedeelde en de geheele brief, waarvan de golvende lijn de rivier en de inkeeping de noodlottige diepe plek voorstelde, slechts diende om zijn boodschap meer geloofwaardig te maken?
Eens vond ik George bezig een brief te schrijven; spiraalvormige, elkaar kruisende groeven in een stuk pijnboomhout van vier duim lang en een kwart duim breed. George beweert steeds dat hij Engelsch kan schrijven, maar hij is er nooit toe te bewegen zijn kunst te vertoonen. Ik was dus nieuwsgierig zijn literair talent eens op de proef te stellen. „Voor wie is dat, George?” vroeg ik. Lang en verbaasd staarde George op den stok, met een uitdrukking van diepe concentratie, tot hijeindelijk met een glimlach van verlichting antwoordde: „Voor Charlie.”
Charlie is de naam van een neger die kort geleden het eiland had bezocht.
„En wat staat er dan wel in?”
Weer een lang zwijgen, waarin George zijn verbeeldingskracht angstwekkend scheen te overspannen. Zijn voorhoofd rimpelde, zijn lippen beefden, zijn hoofd schudde heen en weer, een paar malen lichtte als een plotselinge ingeving over zijn gelaat, dat dan weer een uitdrukking van het diepste nadenken aannam. Eindelijk zei hij: „J-a-a. Ik vertellen mij soms zien Toby.”
Toby is een van de oorspronkelijke inboorlingen van Dunk-eiland.
„Vertelt hij niets méér?”
Hetzelfde zwijgen, de zelfde wanhopige inspanning. Dan: „Dit voor Johnny Tritton, vroeger in Cooktown, nu ergens hier wandelen.”
Ik vroeg nog verder, maar het was duidelijk dat de arme kerel zijn hersens vergeefs pijnigde om zijn brief een beteekenis te geven, voortdurend aarzelde hij en telkens sprak hij zichzelf op vermakelijke wijze tegen.
Mijn opvatting omtrent de beteekenis van briefstokken wordt wel het beste bevestigd door het volgende. De boschjesman4die te paard de post onder de kolonisten van het binnenland rondbrengt, kreeg herhaaldelijk ook briefstokken van negers mee. Onveranderlijk ging zulk een opdracht vergezeld van een mondelinge boodschap: een verzoek om een pijp, een mes, een spiegel, een zakdoek, of een vraag naar het verblijf of de gezondheid van een bloedverwant of vriend. En de postbode ontdekte al heel gauw dat de soms zeer zorgvuldig bewerkte stokken in geen enkel verband stonden met de mondelinge boodschap, want herhaaldelijk raakten de stokkenhopeloos door de war zonder dat er ooit het geringste misverstand door ontstond.
PARELMOER-VISCHHOEKEN.In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.
PARELMOER-VISCHHOEKEN.
In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.
In deze streken is de kunst van het vervaardigen van parelmoer-vischhoeken verloren gegaan. Oude menschen weten nog te vertellen hoe zij gemaakt werden, maar konden het toch nooit praktisch voordoen. Om goede exemplaren te verkrijgen moest ik dus mijn toevlucht nemen tot archaeologisch onderzoek. Bij het overhoop halen van de resten van een oude kampeerplaats nu vond ik belangwekkende sporen van den vlijt en het geduld van vroegere geslachten. Het groote aantal begonnen en mislukte vischhoeken dat ik in deze oude „keuken” aantrof, bewees dat de zee wel het meeste voedsel leverde aan de toenmalige bevolking. De broosheid van het product en de ruwheid van de gebruikte werktuigen moeten het geduld der makers wel op een zeer zware proef hebben gesteld en hen veel teleurstellingen hebben veroorzaakt en bij menig onbehouwen exemplaar dat wij te voorschijn haalden, zullen hun geesten wel gezucht hebben: „Dat waren mislukkingen.” Maar eindelijk vonden wij er toch een die werkelijk in zijn soort volmaakt was, een kleine wassende maan van parelmoer, die van buitengewoon geduld en handigheid getuigde.
De wijze van vervaardiging was als volgt: met behulp van een scherp stuk kwarts werd een zwartlippige parelmoerschelp afgebikt tot een ronde schijf. Hierin werd met een ander werktuig een gaatje gemaakt, dat met een koraaltak verder werd uitgeschuurd tot de schijf een ring geworden was. Daarna werd er een segment uitgebroken en van de overschietende wassendemaan de beide punten op een zachten steen geslepen. Er werd ook wel van de veel zeldzamer goudlippige parelmoerschelp gebruik gemaakt en als er niets anders te vinden was ook van de hamer-oester. Wij vonden ook het resultaat van een mislukte poging op een stuk glas, dat zeker van een of ander vergaan schip afkomstig was.
Hoeken van parelmoer zooals deze of van schildpad en zonder weerhaak kunnen misschien eenig licht werpen op het Homerische: „zij vingen visch met de horens van ossen.” De oude Grieken gebruikten vischhoeken van brons die geheel op deze Australische geleken.
Uit den toestand van het kamp en den leeftijd van den neger die mij bij het onderzoek hielp en die verklaarde dat dergelijke hoeken in zijn jeugd nog gebruikt werden, maar dat hij er nooit een had zien maken, trok ik de gevolgtrekking, dat deze producten van een verloren kunst dertig à veertig jaar oud moesten zijn.
Vanwaar de zoo bijzondere vorm der hoeken? Zij, die beweren dat alle menschelijke werktuigen aan voorbeelden uit de natuur ontleend zijn, vinden hierop spoedig een antwoord. De onderste schelp van de gewone oester neemt, als zij op het strand ligt, dikwijls de gedaante van een maansikkel aan en gelijkt dan sterk op de ruwe vischhoeken van parelmoer. Is het niet zeer aannemelijk dat de laatsten naar dit natuurlijke model werden vervaardigd? Opmerkelijk is het, dat de hedendaagsche negers, wanneer zij een vischhoek van ijzerdraad maken, hem nog steeds den vorm van een wassende maan geven, ofschoon zij toch ontelbare malen de meerdere voortreffelijkheid van het Europeesch model moeten hebben opgemerkt. Het schijnt alsof zij onbewust, als de vogels bij hun nestbouw en hun trek, hun voorouders nabootsen.
Een dergelijk voorbeeld van natuurnabootsing levert de boomerang. Reeds de kinderen ziet men spelen met de sikkelvormige bladeren derAcacia holcocarpaen zondertwijfel speelden de kinderen in een ver verleden op dezelfde wijze en lachten even vroolijk als het opgeworpen blad van zelf terug keerde. Misschien dat een knaap, terwijl zijn vader met een knots een kangoeroe vervolgde, zijn steenen bijl en schelpmes gebruikte om zich een sterker speelgoed te snijden. En misschien dat later, op jacht of in ’t gevecht, zijn speelgoed hem een zeer bruikbaar wapen bleek.
In elk geval bezitten wij in de wordingsgeschiedenis van den boomerang en den parelmoer-vischhoek onbetwijfelbare voorbeelden van onmiddellijke beïnvloeding der menschelijke kunst door de natuur.
WILDE DYNAMIET.Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.
WILDE DYNAMIET.
Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.
Bij al de negers die ik ken zijn de ruwe kantjes der barbaarschheid min of meer afgesleten. Ik maak er dan ook geen aanspraak op in deze schetsen een volkomen nauwkeurige beschrijving van het oorspronkelijke ondergaande ras te geven, maar deel slechts verspreide feiten en waarnemingen mede die misschien, of misschien ook niet, van belang kunnen zijn.
Eens, toen wij op de klippen aan het visschen waren, raakte het aas op. Mickie zei: „Wel, wij vang hem massa kleine kerels-visch met wilde dynamiet.” En op mijn vraag wat hij van dynamiet wist: „Niet blanke man’s dynamiet, maar wilde dynamiet, ik laten zien.”
Op de glinsterende rotsen, met de wortels zich vasthoudend in de spleten, groeide een lage wingerd, of liever een soort kruipende struik met bladen als van de mirt en trossen witte bloemen. „Dat kerel wilde dynamiet,” zei Mickie, terwijl hij een paar bosjes uitrukte en bijeen pakte. Hij propte de planten in elkaar tot een klein bundeltje en wierp daarop de gekneusde massa in eengeïsoleerd poeltje tusschen de rotsen waarin veel kleine visschen zwommen en dompelde haar herhaaldelijk met zijn nulla-nulla onder. Na een paar minuten begonnen de vischjes wild te worden en deden krampachtige pogingen uit het water te springen, totdat zij de een na den ander bedwelmd raakten en aan de oppervlakte kwamen drijven, waarop Mickie zijn hoed er mee vol schepte. De overige visschen kwamen, toen de bedwelmende kracht der bladeren had uitgewerkt, weer spoedig bij.
Mickie, die wel eens dynamiet had zien gebruiken om visch op groote schaal te dooden, had daarom dezen naam gegeven aan de plant die aan de inboorlingen bekend is als „Paggarra” en aan den plantkundige alsDerris scandens.
Een andere manier waarop de negers de visschen uit door de eb achtergelaten poeltjes vangen is ze te bedwelmen met de binnenschors der „Koie-yan” (Faradaya splendida). Deze wordt met een schelp afgekrabd, op den bodem van een kuiltje in het zand uitgespreid en met gloeiende steenen bedekt. Ook wrijft men de heete steenen wel met het poeder der schors in. Terwijl de steenen nog warm zijn worden zij in het water geworpen, waarop de visschen bedwelmd worden en sterven. Hoe de negers achter deze eigenschappen gekomen zijn en hen leerden gebruiken, weet ik niet. De opeenvolgende geslachten nemen hun kennis van de voorafgaande over als van zelf sprekend, zonder eenige vraag of uitleg.
DE LEGENDE VAN EEN GROT.Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.
DE LEGENDE VAN EEN GROT.
Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.
Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar de juiste ligging er vanis het antwoord onveranderlijk: „Oud man, hij ben gezien hem,” en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland, waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe: „Mij denk, dat oud man humbug.”
DE GROT DER VALLENDE STER.DE GROT DER VALLENDE STER.
DE GROT DER VALLENDE STER.
Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden, zoo verhalen zij, plukte een reus, „de duvel-duvel zelf,” met zijn geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer „op de top daar bij Hinchinbrook.” Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheidder legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep, diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk, dat er nog nooit een mensch in is geweest. „Als mensch daar ingaan, dan mensch ziek worden, dan mensch dood.”
Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat de grot den naam draagt van „Coo-bee co-tan-you,” hetgeen beteekent „grot der vallende ster,” ofschoon de negers niettemin vasthouden aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.
Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.
EEN ZIELVOLLE DANS.Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.
EEN ZIELVOLLE DANS.
Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.
Van de vele corrobboree’s5die ik heb bijgewoond was wel de eigenaardigste eene die op Dunk-eiland werd uitgevoerd door een aantal negers die uit Princes-Charlotte-baai,ongeveer 200 mijlen noordelijker kwamen.
De meest voorkomende dansen zijn nabootsingen van het huppelen en vleugelkleppen der grootere vogels. De mannen, besmeerd met strepen en klodders van witte en bruine klei en het haar getooid met dons en veeren, vormen een cirkel en murmelen, hun lichaam naar voren buigend, in diepe tonen een begeleiding bij het zeer zachte tikken op hun boomerangs of het kloppen op weerklinkende blokjes hout. Op een gegeven oogenblik, bij een crescendo, slaan de uitvoerende hun armen uit, werpen het hoofd achterover en uiten gelijktijdig een geluid als het schreeuwen van een vogel. Dan springen zij op en draaien, met de armen klapwiekend in het rond, tot zij, als bij impuls, weer tegelijk ophouden.
De corrobboree van de bezoekers uit Princes-Charlotte-baai was eveneens een nabootsing van de natuur, maar van de natuur in een van haar meest ondichterlijke uitingen; haar motief was niets anders dan een zeer alledaagsch hondengevecht.
Terwijl het orkest op de boomerangs tokkelde, in de handen klapte en knorde, naderden twee spiernaakte negers met stijve sprongetjes, zonder de beenen te buigen, het vuur. Daarop deden zij de knieën snel en onophoudelijk tegen elkaar klapperen en stootten klanken uit als het knorren en brommen van nijdige honden. Naarmate het gevecht ernstiger werd namen bewegingen en geluiden in snelheid en sterkte toe. De groote kunst der vertooning bestond in het lang uithouden, in het in de maat blijven met het orkest en de natuurgetrouwheid der klanknabootsingen.
De meest volhardende danser was Yellowbelly. Het eerst danste hij met den grinnikenden Peter, daarna achtereenvolgens met den vetten Charley, den zwaren Johnny, den schuwen Mammeroo en den kleinen, dooven Anthony. Zijn lichaam glom en droop van het zweet en zijn oogen schitterden van trots om zijn ongeëvenaardeprestatie. Alle toeschouwers waren een en al dankbare verbazing. De geest van Terpsichore was over hem gekomen en zijn geestdrift steeg weldra tot een soort razernij, die niet alleen de bewoners van Dunk-eiland, maar zelfs zijn eigen vrienden in verrukking bracht. Nooit hadden zij een zoo klassieke uitvoering, zulke schitterende beenbewegingen, zulk een realistisch gegrom en gekef en gesmoord gezucht bijgewoond. Yellowbelly danste en danste zoo dat allen er door werden meegesleept en in ademlooze stilte toekeken, weg in zoete herinneringen aan een kamp ergens in hun vaderland, waar smerige honden vechten om wat rotte visch of schildpadbeenderen, temidden van het gekrijsch van vrouwen en kinderen. En toen de laatste tonen van het orkest eindelijk „in de stilte verstierven” stortte Yellowbelly hijgend en aamechtig op den grond. Maar als het orkest het nog langer had kunnen uithouden, zou hij zeker hebben doorgedanst tot den morgen.
DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”
DE OORSPRONG VAN HET ZUIDERKRUIS.
Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”
Volgens Mickie is het Zuiderkruis van aardschen oorsprong. Hij verhaalt zijn geschiedenis als volgt.
„Jij zien dat kerel. Dat eene noem ik dooey-dooey, net als de haai, dat kerel u ben geschoten in zee. Twee kerels, meer groot, komen achter dooey-dooey, twee zwarte. Twee zwarte waren gaan visschen langs rif daar bij kaap Marlow. Zij ben gezeten in kano en spietsen dat dooey-dooey, o, groote kerel! Dat dooey-dooey, als hij speer krijgt, duikt naar beneden, onder boot, gooit hem om. Twee zwarten zwemmen, heel lang, kunnen dat kano niet pakken. Zwemmen, zwemmen, langweg, achter kano, komen nooit aan strand. Een kerel zeggen: „Broeder, waar nu?” „Lang weg, zwem verder, broeder.”Komen bij Barrier. Twee zwarten zwem, zwem, zwem, voorbij Barrier. Zwem, uit, goeien dag, komen niet terug. Zwemmen waar wolken raken de zee. Zwemmen hooger, hoog, lang naar boven. Nu zitten daar boven, allemaal. Dooey-dooey eerst, twee kerel-negers achter.”
1Neolithische tijdperk: een voorhistorisch tijdperk, waarin wapenen en werktuigen van gepolijsten steen gebruikt werden.↑2Vandaar de Engelsche naam:sucker, zuiger.↑3Mierenleeuw (Myrmelion), een insekt behoorende tot deNeuropterawaarvan de larve trechtervormige valkuilen maakt in zand en stof, op den bodem waarvan het zich verbergt. Zoodra een mier of ander insektinden kuil valt komt zij te voorschijn om het te verslinden.↑4Boschjesman, kolonist in het Australisch binnenland.↑5Corrobboree, godsdienstige bijeenkomst met dansen en feestmaal der Australische inboorlingen.↑
1Neolithische tijdperk: een voorhistorisch tijdperk, waarin wapenen en werktuigen van gepolijsten steen gebruikt werden.↑
2Vandaar de Engelsche naam:sucker, zuiger.↑
3Mierenleeuw (Myrmelion), een insekt behoorende tot deNeuropterawaarvan de larve trechtervormige valkuilen maakt in zand en stof, op den bodem waarvan het zich verbergt. Zoodra een mier of ander insektinden kuil valt komt zij te voorschijn om het te verslinden.↑
4Boschjesman, kolonist in het Australisch binnenland.↑
5Corrobboree, godsdienstige bijeenkomst met dansen en feestmaal der Australische inboorlingen.↑