ZEVENDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.DE VLIEGENVORST.Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.EEN TRAGEDIE IN GEEL.Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.GOED IN HUN ROL.Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.MIEREN.Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.DE BRUIDSVLUCHT.Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.DE VLIEGENVORST.Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.EEN TRAGEDIE IN GEEL.Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.GOED IN HUN ROL.Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.MIEREN.Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.DE BRUIDSVLUCHT.Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.DE VLIEGENVORST.Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.EEN TRAGEDIE IN GEEL.Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.GOED IN HUN ROL.Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.MIEREN.Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.DE BRUIDSVLUCHT.Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.DE VLIEGENVORST.Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.EEN TRAGEDIE IN GEEL.Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.GOED IN HUN ROL.Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.MIEREN.Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.DE BRUIDSVLUCHT.Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

DE VLIEGENVORST.Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.

DE VLIEGENVORST.

Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.

Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een, in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad, zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En wanneer haar vermoedensjuist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje, het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen, maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.

Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als een vriendin en weldoenster der menschheid.

EEN TRAGEDIE IN GEEL.Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.

EEN TRAGEDIE IN GEEL.

Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.

Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van „de wandelaar”, heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een naderonderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin; een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem—een samenzwering waarvan beide voordeel hadden—herhaalde zich op dien schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht te bewaren.

GOED IN HUN ROL.Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.

GOED IN HUN ROL.

Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.

Weinig insekten loonen de waarneming beter dan de mantis (biddende roofsprinkhaan) en de wandelende tak, die, zelf bijzonder vraatzuchtig, alle mogelijke soorten van bedrog en vermomming aanwenden om aan hun vijanden te ontgaan. Bijna alle variëteiten bieden schitterende voorbeelden van kleur-bescherming. Een mantissoort, die hier wordt gevonden, is zwart en ruw, men treft hem alleen aan op verkoold hout. De vleugelschilden hebben de kenmerkende korreligheid en glans van versch houtskool. Een andere heeft een grijze kleur, gelijk aan die van het doode hout waarop hij leeft, weer een andere is bruin en licht behaard als de schors van de bijzondere soort eucalyptus waarop hij wordt gevonden. De meest gracelijke gelijkt op twee glanzende groene bladeren, waarvan midden- en zijnerven op volmaakte wijze zijn nagebootst.

De spooksprinkhanen (wandelende takken,Phasma) behoorentot de zonderlingste insekten. Een mooi exemplaar kan wel langer zijn dan een voet. Het lichaam ziet er gewoonlijk uit als een dorre tak; de achterpooten, grillig en onder verschillende hoeken uitgestoken en grijs en bruin als het lichaam zelf, geven denzelfden indruk; het middelste paar schijnt tot steun te dienen, terwijl de voorpooten in hun volle lengte evenwijdig aan elkaar worden uitgestrekt, zoodat de kop dicht tusschen de dijen beklemd is, in elk waarvan zich een kleine uitholling bevindt waar hij in past. Als het insekt zich niet beweegt is het zeer moeilijk te ontdekken. Met zijn lange, stijf gehouden achterpooten schijnt het iederen vogel te waarschuwen: „Wees toch niet zoo dwaas te denken dat deze dorre twijgjes pooten zijn, behoorend bij een eetbaar lichaam.” Maar zelfs als de vogel zich niet laat verschalken en naderbij komt, blijkt het hem plotseling, dat hij niets meer of minder heeft gevonden dan.... een slang. De lange, slanke voorpooten vormen samen den langzaam smaller wordenden staart, het andere einde stelt den kop voor, met open bek, met oogen en kaken en een uitgestoken tong. En dit uiteinde zwaait even als de kop van een vertoornde slang en kromt zich, als op het punt toe te schieten. Zelfs de brutaalste vogels vliegen er met een kreet van schrik voor weg. Wekenlang heb ik deze wonderlijke wezens waargenomen en onveranderlijk vond ik dat bij een nadering van de hand zij hun slangvormig achterlijf haar dreigend tegemoet kromden. Een loophoen, dat een acht duim langen duizendpoot zonder aarzeling aanvalt, maakt een ontsteld lawaai als het een wandelenden tak vindt, vooral als het insekt met zijn volkomen onschadelijken staart dreigt.

Een exemplaar van een wandelenden tak, dat zich bevindt in het museum van den heer W. Rotschild te Tring en dat uit Malacca afkomstig is, gelijkt op Malaccariet en wordt als volgt beschreven: „Men zegt dat, wanneer het insekt door een vijand wordt aangevallen,of in gevaar is, het het tiende (laatste) segment van zijn lichaam als een verrekijker uitschuift en daarbij een mondvormige opening met een tong-achtig orgaan er in vertoont, die het dier het uiterlijk geven van een slang. Op het negende segment bevindt zich ook een vlek die op een oog gelijkt.”

De vertegenwoordiger der familie op Dunk-eiland heeft dit vermogen om het laatste segment uit te schuiven niet, maar neemt niettemin toch de houding van een slang aan.

In sommige opzichten lijkt de wandelende tak op demantis religiosa, maar hij schijnt niet zoo vraatzuchtig te zijn als deze, die zijn biddende houding alleen aanneemt om zijn prooi eerder tekunnengrijpen. Ofschoon ik twee exemplaren drie maanden lang ’s morgens, ’s middags en ’s avonds observeerde, heb ik maar eens een van hen zien eten. Het insekt voedt zich uitsluitend met plantaardig voedsel, maar de wijze waarop het eet is zonderling. Zijn rol van beweginglooze slang zou, wanneer het bij het eten den kop bewoog, zonder uitwerking blijven en de Natuur heeft zich dan ook voor zulk een vergissing in acht genomen. Door een rij van tasters, drie aan weerszijde, wordt de rand van een blad naar den mond gebracht, die vertikaal opengaat. De tasters doen het blad voortschuiven, terwijl een sikkelvormige inham snel wordt uitgeknabbeld, waarna zij het blad weer naar zijn uitgangspunt terug bewegen. En zoo gaat het verder, terwijl de voorpooten, aan een tak gehaakt, het lichaam met een glijdende, haast onmerkbare beweging voortstuwen, naar gelang het blad wordt opgegeten. Tusschen de maaltijden liggen de tasters, als de bladen van een zakmes, vlak tegen den mond saamgevouwen.

Negers rangschikken de meeste voortbrengselen der natuur onder twee rubrieken: „Goed voor eten.” „Niet goed voor eten.” Bijna alles behoort onder de eerstegroep, ook de „Taloo” of „Yam-boo.” Onmeedoogend worden het insekt de pooten uitgerukt, waarna het kronkelend lijf in de gloeiende asch wordt gelegd, totdat het knapt en met veel genot wordt gegeten.

MIEREN.Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.

MIEREN.

Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.

Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren; mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de „witte mier” (die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor allen afval.

De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in ’t algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen titel draagt van „emerald-kleurige blad-bewoner” construeert een „zak” uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een grooter, om te krullen en de kanten er van met witte,katoenachtige stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel—geheel anders als haar slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten—en buitengewoon vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een gevoelige huid wordt gevreesd.

Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van 12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.

De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol, door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende vlinder er uit te voorschijn.

Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan, geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een half dozijn mieren zijn er voortdurend meebezig. Het begint met een blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen, die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig zakje, met nauw sluitende naden, gereed.

Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder, dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjesbij elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.

Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren uitsluitend als woning.

Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af, schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen mieren kunnen wegzwemmen.

Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met niets anders als koud en flauw voedsel vullen.

De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle gewicht mee te werken.

Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend materiaal zijn gemaakt.

DE BRUIDSVLUCHT.Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

DE BRUIDSVLUCHT.

Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.

Onder de vele onderhoudende en lieflijke tooneelen die zich afspelen aan den zoom der wildernis, waar de zaagvormige bladeren van de Godsvaren een levend netwerk over en tusschen den warboel der bladeren vormen, is er geen lieflijker dan de bruidsvlucht van een groen en gouden vlinder (Ornithoptera cassandra). Menschen, die bij hun huwelijk zich zoo mooi mogelijk opschikken en zich op hun best trachten voor te doen, mogen hun belangstelling niet onthouden aan andere, meer etherische wezens, wie de goddelijke hartstocht bezielt. Alle schepsels hebben hun oogenblikken vangeluk en de vlinder—„de belichaming van rein geluk, gelukkig in wat hij heeft en nog gelukkiger in zijn zoeken naar iets anders”, openbaart zijn liefde-verlangen en smart als de hoogste bloei van zijn schoon en blij bestaan.

Bij de vrijage van deze vlindersoort spreidt het mannetje bijzondere bekoorlijkheid ten toon, voor de betoovering waarvan het wijfje zonder aarzelen bezwijkt. Luchtig fladdert hij in den zonneschijn, stralend in een gewaad van groen, goud en zwart. Hij heeft nektar gedronken uit de scharlaken hibiscusbloemen en heeft in wilde, stormachtige vlucht boven de hoogste Baloghia gevlogen. Hij is dronken van liefde. Maar, te oordeelen naar de uiterlijke verschijning, heeft hij een vrij onwaardige bruid gekozen. Zij is veel grooter, donkerder en zwaarder en heeft heel weinig van de schittering van haren hartstochtelijken minnaar aan haar vleugels, ofschoon haar lichaam daarentegen met een onvermoed rood versierd is. Haar vlucht is gewoonlijk moeilijk en traag, haar geheele gedrag is ingetogen, haast stijf. Zij is degelijk als een matrone, terwijl alleen reeds de vorm van de vleugels van haar minnaar op een gansch andere opvatting van het leven wijst. Hij is levendig, boordevol van nerveuse kracht, vrij, onbezorgd, inconsequent, maar volmaakt onweerstaanbaar.

Wanneer het paar, in den tijd dat de verbeelding van vlinders vervuld is van liefdedroomen, samenkomt, schiet hij heftig tot haar neer om dan in een gracelijken boog weer op te stijgen, blijkbaar om haar met het gespeel zijner kleuren te betooveren. En dadelijk laat zij alle preutschheid varen en begint een trillende, fladderende vlucht, rijzend en dalend met teere, rhytmische bevalligheid. Hij, met snelle vleugelslagen boven haar zwevend, volgt harmonisch al haar bewegingen. Zij vliegt over de boomtoppen of tusschen de varens en struiken langs de blauwe bessen der inlandsche gember, terwijl hij haar metuitgezochte, maar stoutmoedige hoffelijkheid steeds meer bekoort. In schitterende spiralen flitst hij rond haar heen als zij rust, om daarna zijn trillende vlucht weer te vervolgen, geheel in harmonie met haar eigen, steeds bewogener gefladder. En hoe ingewikkeld zij den dans ook maakt, hoe lang zij hem ook doet duren, steeds volgt hij, vol blijheid en vertrouwen in heel zijn doen. Dan laat de bruid zich neder op de roode knoppen van een magnolia om zich te verfrisschen. Haar wieken sidderen onder het zuigen, terwijl haar bewonderaar een meter boven haar heen en weer zweeft, even stil staat in een houding die zijn bekoorlijkheden op hun voordeeligst doen uitkomen, weer cirkelt met het air van een mateloos ijdelen, zelfbewusten fat en dan omlaag zwiert tot zijn wieken de hare raken. En opnieuw dwarrelt het lieflijke paar door de schemerende wildernis. Een levende, schoon klanklooze symphonie, een teere harmonie van blijde, hartstochtelijke trillingen.


Back to IndexNext