14.Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden.

Nooren, Finnen, fiere Deenen,Die hun overmacht vereenen,Landen op de Friesche kust.Meer nog dan de woeste dieren,Dan de wolven, raven, gieren,Die hun krijgsstandaarden cieren,Zijn ze op roof en buit belust.Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,Maar geen plonderzieke scharen,Zullen immer sidd’ring barenIn der Friezen fier gemoed.De ijz’ren knods blinkt in hun handen:Wie hen driftig aan durft randen,Heeft zijn stoutheid ras geboet.Alle volkren op deze aardZien wij eens hun naam verliezen;Maar de grootsche naam van FriezenBlijft in eeuwigheid vermaard.

Nooren, Finnen, fiere Deenen,Die hun overmacht vereenen,Landen op de Friesche kust.Meer nog dan de woeste dieren,Dan de wolven, raven, gieren,Die hun krijgsstandaarden cieren,Zijn ze op roof en buit belust.

Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,Maar geen plonderzieke scharen,Zullen immer sidd’ring barenIn der Friezen fier gemoed.De ijz’ren knods blinkt in hun handen:Wie hen driftig aan durft randen,Heeft zijn stoutheid ras geboet.

Alle volkren op deze aardZien wij eens hun naam verliezen;Maar de grootsche naam van FriezenBlijft in eeuwigheid vermaard.

[22]Zievan leeuwen’sschets dezer togten voor deHerinnering aan het geslacht Sirtema van Grovestins, inde Vrije Fries, V 232, en vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer invallen.[23]De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het belangrijke werk van Dr.j. h. van bolhuis,de Noormannen in Nederland, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve onze Kronyken op vele plaatsen,molhuijsen, innijhoff’sBijdragen, VII 182;bosscha,Neêrlands Heldendaden, I 22;foeke sjoerds,Jaarboeken, III 224 enz.[24]De Roem van twintig eeuwen, 1831.

[22]Zievan leeuwen’sschets dezer togten voor deHerinnering aan het geslacht Sirtema van Grovestins, inde Vrije Fries, V 232, en vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer invallen.

[23]De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het belangrijke werk van Dr.j. h. van bolhuis,de Noormannen in Nederland, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve onze Kronyken op vele plaatsen,molhuijsen, innijhoff’sBijdragen, VII 182;bosscha,Neêrlands Heldendaden, I 22;foeke sjoerds,Jaarboeken, III 224 enz.

[24]De Roem van twintig eeuwen, 1831.

De opvolgers vankarelden grooteen van zijn zoonlodewijkden vrome, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om de drie jaren inFrieslandkwamen, om in buitengewone zaken regt te spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen.

Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk, tusschen hetSincfalen deReker, dat eerlang door deGraven van Holland en Zeeland, deBisschoppen van Utrechten andere Heeren als eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte of het eigenlijkFriesland, tusschen deRekeren deEems, genoot eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste strooptogten der Denen. Het derde gedeelte,Oost-Friesland, tusschen deEemsen denWezer, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de Saksers later veroverd was, had reeds vankarel’szoon,lodewijkden vrome, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen denWezeren deElbe, en van daar tot denEider(de Noord- of Strand-Friezen), sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan afgetrokken.

Hierdoor ontstond de staat derZeven Vrije Friesche Zeelandenof aan zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van elkander waren afgescheiden. Heteerste Zeelandlag tusschen deRekeren hetFlieen was het latereWest-Frieslandof een groot deel vanNoord-Holland.

Hettweede Zeeland, tusschen hetFlieen deMiddelzeeof hetBoorndiep, bevatteWestergoo,Stavoren,GaasterlandenDoniawerstal, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordigFriesland.

Hetderde Zeeland, tusschen deMiddelzeeen deLauwers, maakte een groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschapOostergoometOpsterland,Utingeradeel,HaskerlandenÆngwirdenuit.

De zuidoostelijke streken van dit gewest, alsSchoterland,Lemsterlanden deStellingwerven, vormden met het noordelijk gedeelte vanOverijsselen geheelDrenthe, die te zamen vermoedelijk het GraafschapIslegoouitmaakten, hetvierde Zeeland.

De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincieGroningenis zamengesteld, als: hetGooregt,Hunsego,Fivelgo, hetOldampt,Westerwoldeen hetWester-kwartier, benevensReiderland, tusschen deLauwersen deEems, maakten hetvijfde Zeelanduit.

Hetzesdeenzevende Zeelandbevatte de landstreken, waaruitOost-Frieslandenz. bestaat, en strekte zich van deEemstot denWezeruit, terwijl deJadede grens tusschen deze beide deelen was.

Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om, in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden, en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men denOpstalsboom, een beplante heuvel in de nabijheid der stadAurikinOost-Friesland, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde. Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het niet welgevallig was of nadermoest worden besproken. Alles geschiedde overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard bleven[25].

In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen aard.

In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere standen des volks in meest alle overheerde landen vanEuropamet lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen lang, zelfs tot in de 15eeeuw[26], heeft dat verbond bestaan, en eene vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor degeldigheid van den oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning GraafwillemII in 1248 en door Keizerrudolfin 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd, zoodat zij een wettig gezag bezaten[27]. Zuivere vrijheidsmin en hechte volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht. »Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt”[28].

De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in bandeloosheid:—toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de vergaderingen van denOpstalsboomwerden verlegd naar het in magt sterk toenemendeGroningen. Doch te vergeefs. Het had zijne verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland,West-Friesland, bezweek, na zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt der Graven vanHolland.Oost-Frieslandwerd een buit van trotsche Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan de Bisschoppen vanBremenenMunsternog sommige gedeelten van dat land moesten afstaan. InOverijssel(hetOver-sticht) enDrenthevestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag, gelijk hij reeds lang deed in de stadGroningenen hetGooregt, welke hij door Stedevoogden liet besturen[29]. Alléén het tegenwoordigeFriesland, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij, dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15eeeuw, waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het tweede en derde (OostergooenWestergoo), zijn tot nog toe vrij en anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks. Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welkehen geschonken is van den grooten Koningkarel, waartoe zij vele zware strijden hebben geslagen tegen de Graven vanHolland, om hunne landen te beschermen. OokStellingwerfenSchoterlandzijn nog vrij, doch hebben zware aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen vanUtrecht, die het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (Kuinder,Giethoorn,Vollenhove,SteenwijkenDrenthe) hebben bedwongen”[30].

Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan Hertogalbertvan Saksen, die hen tot eendragt en rust, tot orde en regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een groot deel der onafhankelijkheid.

[25]Naar aanleiding vanwiarda’swerkje over deLanddagen der Friezen bij Upstalboom, gaf de Heer Mr.a. teltingdaarvan in deLeeuw. Cour.1831, No. 79 eene Herinnering, welke voor een groot gedeelte is overgenomen invan leeuwen’sAantt. opit aade Friesche terp, bl. 399. Zie ookschotanus, 170 entabl.16.[26]Het verbond van 1430, in hetVriesch Charterboek, I 494, schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. ZieAant. 9.[27]ZieVriesch Charterb.I 94;foeke sjoerds,Jaarb.III 120.[28]Zieroyaards,Geschiedenis der invoering en vestiging van het Christend.41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel aangehaald.[29]Ypeijenfeith,Oudheden van het Gooregt en Groningen, 1836, I, 37 env.;diest lorgion,Geschiedkundige Beschrijving van Groningen, 1849, 18 env.;driessen,Monum. Gron.857.[30]Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden inschotanus,Kronyk,tablinum, 19, en, met de vertaling, infoeke sjoerds,Beschrijving, I 55. Vergelijk verderAanteekening 9.

[25]Naar aanleiding vanwiarda’swerkje over deLanddagen der Friezen bij Upstalboom, gaf de Heer Mr.a. teltingdaarvan in deLeeuw. Cour.1831, No. 79 eene Herinnering, welke voor een groot gedeelte is overgenomen invan leeuwen’sAantt. opit aade Friesche terp, bl. 399. Zie ookschotanus, 170 entabl.16.

[26]Het verbond van 1430, in hetVriesch Charterboek, I 494, schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. ZieAant. 9.

[27]ZieVriesch Charterb.I 94;foeke sjoerds,Jaarb.III 120.

[28]Zieroyaards,Geschiedenis der invoering en vestiging van het Christend.41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel aangehaald.

[29]Ypeijenfeith,Oudheden van het Gooregt en Groningen, 1836, I, 37 env.;diest lorgion,Geschiedkundige Beschrijving van Groningen, 1849, 18 env.;driessen,Monum. Gron.857.

[30]Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden inschotanus,Kronyk,tablinum, 19, en, met de vertaling, infoeke sjoerds,Beschrijving, I 55. Vergelijk verderAanteekening 9.

Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen op hunne kust bestendig te bestrijden in deNoordzee. Wel had de natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze, zoo men wil in de 7eeeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en waterkeeringen aan te leggen:—in gewone gevallen bood dit alles genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.

Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,En randde de kusten des Vaderlands aan,Wat waarde had dan nog het leven?Dan dekte het zeezout het zuchtende land,Verwijderde staag het bedwingende strand,Deed honderden, duizenden sneven.En huizen, en hoven, en menschen, en veeVerzwolg ze, die woeste, verslindende zee,En naakt en berooid moest hij vlugtenDe landman;—’t verlies van zijn have getroost,Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,Wier dood er zoo velen deed zuchten.En groende zijn weide als de lente verscheen?Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!Die zee, ach die zee wou niet wijken!En schoon ook de landwind verdroogde die plas,De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31].

Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,En randde de kusten des Vaderlands aan,Wat waarde had dan nog het leven?Dan dekte het zeezout het zuchtende land,Verwijderde staag het bedwingende strand,Deed honderden, duizenden sneven.

En huizen, en hoven, en menschen, en veeVerzwolg ze, die woeste, verslindende zee,En naakt en berooid moest hij vlugtenDe landman;—’t verlies van zijn have getroost,Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,Wier dood er zoo velen deed zuchten.

En groende zijn weide als de lente verscheen?Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!Die zee, ach die zee wou niet wijken!En schoon ook de landwind verdroogde die plas,De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31].

Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade, welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg. Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee—zee werd in land herschapen.—Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten aanzien van het tegenwoordigeFrieslandwillen wij de voornaamste bijzonderheden daarvan mededeelen.

De laaggelegene noordwesthoek vanNederlandstond natuurlijk het meest bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting van hetboezemwater des lands. DeIJssel, door het Marsdiep uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der wateren van den Rijn werd belast. HetFlie, dat door de Vecht, het Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren uit het zuidelijkFriesland, waar langs het vroeger een deel zijner krachten had afgezet naar deMiddelzeeof hetBoorndiep. De aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de 7eeeuw, tusschenTerschellingenAmelandhad bekomen, waardoor zij de Boorn en vele wateren vanOostergooenWestergoogemakkelijker afvoerde. Verder was het deLauwers, welke, vereenigd met de Ee, de Hunse en de Aa, zich tusschenAmelandenSchiermonnikoogmet een breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd, verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven, en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschenFrieslandenNoord-Hollandweggeslagen en met het oude meerFlevo vereenigd werd, waardoor deZuiderzeeis ontstaan[32].

Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschenMedemblikenFlielandweggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw, bekwam die kom bezuidenFlieland, omstreeks 1237, nog grootere uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden, welkeFrieslanddrie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige landen bewesten de Friesche kust, vanHarlingentot voorbijHindeloopen, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuidende Lemmernog grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo verdubbeld.

Nadat in 1277 beoostenGroningeneene groote uitgestrektheid aan den mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd verspreid, dat geheelFrieslandverzwolgen was. Het getal der daarbij omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had deWesterzeeweder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de landstreek tusschenHarlingenenTerschelling;terwijl de overige landen bezuiden dit eiland enAmeland, een groot gedeelte der tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de landstreek tusschenMedemblik,EnkhuizenenStavorenverzwolgen, waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en deZuiderzeenagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33]. (ZieAanteekening 10.)

Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen, wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te beschermen tegen meerdere verliezen.

Natuur! van wie de stervelingenEen eigen Vaderland ontfingen,Wat heeft ons met uw haat belaân,Dat wij alleen van alle volkenVoor ’t brijzelend geweld der diepe waterkolkenAan alle kant ten doelwit staan?Doch dat we ons niet van haar beklagen!In weervergelding dezer plagenSchonk ze ons een onverschrokken moed,Om stout ten golven uit te stijgen,Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,Ten prijz’ van eigen zweet en bloed[34].

Natuur! van wie de stervelingenEen eigen Vaderland ontfingen,Wat heeft ons met uw haat belaân,Dat wij alleen van alle volkenVoor ’t brijzelend geweld der diepe waterkolkenAan alle kant ten doelwit staan?

Doch dat we ons niet van haar beklagen!In weervergelding dezer plagenSchonk ze ons een onverschrokken moed,Om stout ten golven uit te stijgen,Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,Ten prijz’ van eigen zweet en bloed[34].

Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust vanOostergooen den oostoever vanWestergooopgeworpen ter breideling van den breeden zeeboezem deMiddelzeeof hetBoorndiep. Ook had men Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat, gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, deMiddelzeevan tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13een 14eeeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van deOudeschouwvoorbijSneekenYlsttotBolsward, en was de Hem- en Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den tegenwoordigen Slagtedijk, vanBolsward, overBozum,WeidumenBerlikumnaarDijkshoek, omzoomde haar aan de noord- en westzijde; terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van deOudeschouwoverLeeuwardenen verder voorbijStienstot onderHallum, haar ter oostzijde bedwongen.

Toen nu, ten gevolge der verwijding van denFliestroom,de toevoer van water uit het zuiden naar deMiddelzeeverminderde, bewaarde deze stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, vanRauwerdin zuidwestelijke rigting langsScharnegoutum,TirnsenFolsgaretot nabijBolsward. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond reeds in 1277 de kerk van het dorpNieuwlandgesticht werd. De uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de 13een 14eeeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte vanhet Bildtvinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheidNieuwland, welke in 1505 door de bedijking vanhet Bildtwerd afgesloten, eene belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten de Friesche kust.

Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante verkregen.Leeuwarden,Sneek,YlstenBolsward, welke als Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en daardoor geheel andere belangen toegedaan.Harlingen,WorkumenHindeloopendaarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen;Stavorenechter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd opgenomen,—Stavorenhad, ten gevolge van al die zeeveroveringenen de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292 tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten, en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368 door verbonden met de Koningen vanDenemarkenenZwedenbevestigd en uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420 de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk zijn toegenomen[35].

Ofschoon later nog een aantal watervloedenFrieslandoverstroomden en vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschenvloed der zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis, indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren geweest;—indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te behouden zorg en inspanning kostten,—zij zouden geene zoo grootsche overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de woedende Noordzee.

Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht bewonderen—hier, in dit gedeelte van het oudeFriesland, zijn de talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer volksdichters na:

Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,Oeralde ljeawe Friesce groun!Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,Dy Friesen oen hjar lôan forboen.Trochloftich folk fen disse alde namme!Weas jimmer op dy alders great.Bljou iwich fen dy grise hege stammeIen grien, ien kreftich doerjend leat[36].

Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,Oeralde ljeawe Friesce groun!Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,Dy Friesen oen hjar lôan forboen.

Trochloftich folk fen disse alde namme!Weas jimmer op dy alders great.Bljou iwich fen dy grise hege stammeIen grien, ien kreftich doerjend leat[36].

[31]Mr.a. van halmael jr.,Lied, Kaspar Robles door den Frieschen Landman toegezongen, geplaatst in de Aantt. op deHulde aan H. J. Groen, door Mr.robidé van der aa, Leeuw. 1825, 18.[32]Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr.ottema’sKaart van de Zuiderzee, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, inde Vrije Fries, IV 183, inAanteekening 10nader vermeld.[33]Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land gemaakt worden.[34]Bilderdijk,de ware Liefde tot het Vaderland.[35]ZieCharterboekI 72, 124, 227, 232 enz.Westerman,Beschrijving van Stavoren, van 1613, achter zijneZeepostille. Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders vanStavorende eerste geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de Koning vanDenemarkenhun het voorregt verleende van bij het doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden; ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.[36]Dr.e. halbertsmainde Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 226.

[31]Mr.a. van halmael jr.,Lied, Kaspar Robles door den Frieschen Landman toegezongen, geplaatst in de Aantt. op deHulde aan H. J. Groen, door Mr.robidé van der aa, Leeuw. 1825, 18.

[32]Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr.ottema’sKaart van de Zuiderzee, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, inde Vrije Fries, IV 183, inAanteekening 10nader vermeld.

[33]Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land gemaakt worden.

[34]Bilderdijk,de ware Liefde tot het Vaderland.

[35]ZieCharterboekI 72, 124, 227, 232 enz.Westerman,Beschrijving van Stavoren, van 1613, achter zijneZeepostille. Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders vanStavorende eerste geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de Koning vanDenemarkenhun het voorregt verleende van bij het doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden; ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.

[36]Dr.e. halbertsmainde Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 226.

In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheelEuropain beweging bragt.Palestinaof hetHeilige land, waar de stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de Christenen aandeden, wekten inEuropaden godsdienstijver van vorsten en volken op tot het doen van een kruistogt, omPalestinaweder in de magt der Christenen te brengen.

De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het gelukte echter deze kruisvaarders de stedenNicéa,Antiochië,CesaréaenJeruzalemte veroveren, en het koningrijkJeruzalemte stichten, waarvangodfried van bouillon, Hertog vanNeder-Lotharingen, tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.

’t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook nakarelden grootehadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig bijstand geboden, en bekend is het, dat deburmania’s,cammingha’s,roorda’sen anderen in de 11eeeuw met roem overladen terugkeerden uit het leger van KeizerhendrikIII, dien zij op zijne oorlogstogten inBoheme,Hongarijeenelders gevolgd waren[37]. In bijna al de kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt uittrokken, als de leden der geslachten:liauckama,botnia,hermana,galama,fortemanen anderen. Bijzonder onderscheidden zich door dapperheideelko liauckamaenfeiko botnia, waarom zij tot bevelhebbers over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering vanJeruzalem, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders geslagen. Bij de belegering vanNicéasneuvelde de laatste afstammeling derfortemansmetsicko liauckamaenepo hartmanop het bed van eer (1097).

Onderscheidene andere edelen, alshomme homminga,goffe roorda,sicko camminghaentjalling ockingavoerden eerlang nieuwe benden Friezen aan. In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van dapperheid, waaromboudewijn, de tweede Koning vanJeruzalem, en andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naarJaffa, vanwaar zij zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, inFrieslandterugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt werden ontvangen (1106).

Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119, 1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217 ondernomen. De PriesteroliviervanKeulenwas naarFrieslandgezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich teDokkumen elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze vloot zich met die van GraafwillemI vanHolland. Na zich lang inPortugalte hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der Italiaansche stadCorneto, waar zij van PaushonoriusIII vele gunstbewijzen ontvingen.

In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke Egyptische stadDamiate, aan een der monden van den Nijl en de Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen ongehinderd konden opslaan.

Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bijDamiatete komen, moest er een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren belegeren. Dappere tegenweerdeed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend gestreden. Een jong ridder uitLuikbeklom het eerst den toren. Hem volgde een zeer jonge Fries,haijo, vanWolvega, die, met een dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij bij de belegering vanDamiate, dat in het laatst van 1219 overging. De Patriarch vanJeruzalemenoliviergaven de Friezen bij hunnen aftogt loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners vanDokkum, in welke zeeplaats vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende, alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald.”

De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door het opperhoofd der kerk, PaushonoriusIII, dankbaar erkend, bij gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer, also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven; vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie ’t Heylige oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor ’t aertsche Jerusalem, het eeuwige sullen bekomen.”[38]

Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch edelman uit het geslacht vanroorda, vanGenum, kon niet dulden, dat zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen.Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valtroordahem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij, dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen. Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog eeuwen lang na hem hebben gedaan.

Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden vanEuropavan der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten kruistogt van 1147 inPortugalgeland, was het mede door hunne hulp, dat de magtige stadLissabon, na een lang en hevig beleg, aan de magt der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held,poptatus, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven zal zijn[39]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25 schepen, de Portugesche stadSanta Mariaop de Saracenen veroveren. In 1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een(bijna ongeloofelijk) bewijs daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich teSusegevestigd hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken priester,gerlacus, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40].

Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der voornaamste vorsten vanEuropa. Tweemartena’sstonden bij Keizerfrederik barbarossa(Roodbaard) om hunne kloekmoedigheid in hooge gunst. De een sneuvelde inItalië; de andere was ’s Keizers lotgenoot in den dood op zijnen togt naarPalestina(1199). In den noodlottigen kruistogt vanlodewijkIX, tegenTunis, waren het de Friezen, die althans nog eenig voordeel behaalden. Keizerrudolfbewees de Friesche edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zichwatse joulsmaals een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, wasjuw dekama, die KoningeduardI, bij de verovering vanSchotlandbelangrijke diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond, met een derbeyma’s, den dood inItalië, waar zij tePisabegraven werden op last van KeizerhendrikVII, wien zij met hunne landgenootenaylva,hettingaen anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312). Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te doen wedervaren[41].

Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hunbeleid, bij de belegering van de stadAken, in 1248. De Hollandsche GraafwillemII, door den invloed van den Paus tot Keizer vanDuitschlandverkozen, moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren Koningkoenraadhield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban gedanen KeizerfrederikII, en weigerde haar over te geven. Juist hadden verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt naarPalestinate doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte, indien zij zich naarAkenwilden begeven, om deze stad voor Koningwillemin te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.

Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende Friezen, aangevoerd door een moedig edelman,tjaard dotinga, in het leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat, door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijkebronnen der omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich eindelijk overgaf, en Koningwillemzijne luisterrijke intrede inAkendeed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.

Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de eerste verordening, welke Koningwillem, na zijne krooning, als aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de Friezen bezaten, als door Keizerkarelden grootehun gegund, bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering vanAken”[42]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden. Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.

Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der Christenen aldaar bewoog den Franschen KoninglodewijkIX en den Engelschen Prinseduard, nog eene poging te doen om het te herwinnen, waartoe ook de Paus in deNederlandenhet kruis deed prediken. In alle deelen vanFrieslandbetoonden vele personen zich tot hulp bereid, en weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269 inscheepten. Na eenigen tijd inVlaanderenvertoefd te hebben, vertrokken zij naarMarseille, waar het kruisleger zich zou verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche kust, omTuniste belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met veel onverschrokkenheid den Graaf vanVlaandereneene overwinning op de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naarPtolemaïsenTyrus, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het bezit der Saracenen moesten laten. (ZieAanteekening 11.)

Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.


Back to IndexNext