Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der 17eeeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingenopgemaakt, welke tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne godsdienst hadden verkregen?
Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van deFriesche Doopsgezinde Societeitin 1695. Deze bestond in eene verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om »liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen, dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten worden ondersteund.” Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering, welke eerlang in den loop der 18eeeuw ten gevolge had, dat in die plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij- en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament, dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne afzonderinginde wereld overgegaan.
Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens hunne eigene broederen, als:bekker,van giffenen de Franeker Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig genoegen namen in derStaten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden, waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren. Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld; terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in 1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen (op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg warende gegrondheid daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit dreigende onheil werd afgewend.[308]
De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan te zijn, trof in 1738 drie leeraren vanHeerenveenende Knype, waarvan twee van hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig genoeg was geweest die handelinginquisitiete noemen. Doch de geleerdejoannes stinstra, leeraar teHarlingen, die in deze zaak den meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiënover de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijkmet Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen vanFrieslanden alle theologische faculteiten inNederlandhet boek vanstinstrazouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraarvenema, reeds vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand, geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde, niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van velen tegenvenemaopwekte, werdstinstraafgezet, en, ondanks de dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij intusschen, op verzoek van verlichte edelen enstaatsleden, tijdens den landsdag, dikwijls teLeeuwardenkwam prediken, bij welke gelegenheid de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder ter eere vanstinstra, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der 18eeeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men den bijnaam vanTolerantenhad gegeven, begon zich te verzetten tegen de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud.
De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool teAmsterdamin 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen, die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der werken vanrichardson,tillotson,blairenz. zich jegens de vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten,waren steeds vrienden van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan- en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee Doopsgezinde instellingen:Teijler’s Godgeleerd en Tweede Genootschap(1779) en deMaatschappij: tot nut van ’t Algemeen(1785), de bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten doel—met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de geschriften vanstinstra,nieuwenhuis,de vries,oosterbaan,stijl,koopmans,hanekuik,hoekstra,brouwer,wielingen anderen bestendig getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.
Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde Kerk over te gaan.[311]Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000, hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen. Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen. Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust, maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.
Sedertlutherin 1517 openlijk den kamp waagde tegenRomeen de misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval inFriesland, volgens de berigten van zijn tijdgenootpeter van thaborop het jaar 1524[313]. »Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk beroerd, en waren er teAmsterdamvooral groote ongeregeldheden voorgevallen. Hoewel er inFrieslanddaarover toen nog niet zulke twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden, dielutherbijvielen, en zelfs twee priesters van het kloosterAanjumnaar hem toegeloopen.” Reeds vroeger, onder de Saksische regering, hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool teWittenbergbezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermitsluthereerst in 1546 overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen inFrieslanddenkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook, dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegende ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd,lutheren zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van zijne schriften en gevoelens verboden[315].
En evenwel, hoe groot die invloed vanlutherinFrieslandook geweest is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen, is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16eeeuw hier eene, naar hem genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren de plakkaten meer gerigt tegenmenno simonsen de hervormings-gezinden in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de aanneming van de bijzondere begrippen vanzwinglien daarna vankalvijnbij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd hebben. Sommigen hunner begaven zich naarOost-Friesland, anderen vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat het getal dergenen, die de leerstellingen vanlutherbleven aankleven, gering zal geweest zijn.
In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede. Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden herwaarts over. Ook aan de Akademie teFranekerbevonden zich veelal verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste, uitDuitschland,Zweden,Denemarkenenz. 31 bedroeg, deden zij eene eerste poging, om inFrieslandeene Luthersche Kerk op te rigten.Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend predikant,johannes duræus, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.
Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte vergaderingen zoowel teLeeuwardenals teHarlingen, welke oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te hebben, om teLeeuwardeneene kerk te bouwen, een predikant uitAmsterdamhadden ontvangen, die zoowel hier als teHarlingenal te openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de vergaderingen belet of verstrooid zouden worden.
Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672 kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu een rijk lid der gemeente, Jhr.andreas möller, aanbood, om op die plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken, hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde.
Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317]. Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des welsprekenden leeraarsaugustus sterk, onder wien de gemeente tot 6 à 700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie gebouwd.
Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche gemeenten inFrieslandbekend zijn. De gemeente teHarlingen, te gelijker tijd met die vanLeeuwardenontstaan, had in den beginne gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van lieverlede in de 18eeeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben, gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er teHarlingentwee gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van deEvangelisch Lutherschebleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam vanHersteldedaar vóór voegde.
Ook teBalkis eene kleine gemeente geweest, gelijk mede opAmeland, welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen ’s jaars bezocht werd door den predikant vanLeeuwarden, die dan in de Hervormde kerk teBallumdoop en avondmaal bediende. Evenzoo werdWorkumeen filiaal-gemeente vanHarlingen. TeSneek,Franeker,Dokkum,Makkum,Dragten,Joure,het Bildten elders bevonden zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere afzondering grootendeels heeft doenverdwijnen. Het getal Evangelisch Lutherschen inFrieslandis thans, in 1851, echter niet grooter dan 700, en dat der Herstelde van 126.
De aanneming van de zaak der hervorming inFrieslandwas bij de omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593 verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren, hielden zich uit vrees schuil.” Dit verklaart althans Paterwillebrordus van der heijden, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke de zendelingen derJezuitenvan 1593 tot 1638 inFrieslandhebben aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen, waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming.
De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige landliedenen zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds in 1606 vestigde zich teLeeuwardeneen wereldlijk priester,lambertus engelberts lambringa, die in 1609 doorsasbout vosmaer, zich noemende opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken vanLeeuwardenwerd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te planten. Een hunner,carbonelli, had wel 600 zielen voor hunne zaak gewonnen. In 1636, toenvan der heijdenwel acht priesters tot medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen teLeeuwardenvan hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun ongeveer 800 zielen aanbragt.
Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid, verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën, bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd. Nadat,volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten,Leeuwardenaanwillem warighem,Zwolle,GroningenenSneekaanarnold cathuisenHarlingenaangerardus carbonelliwaren ten deel gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist” teHarlingentot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op aanklagt der classis vanFraneker, dat huis onverwachts door 35 soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal brieven en andere stukken van den priesterwarighemwerd gevonden. De Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe groote neersticheyt de Jesuyten harenegotiatie(so sij ’t noemen) dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke soecken voort te planten”[319].
In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen zielen te winnen met Godts gratie.” En inderdaad,als wij lezen hoe dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,—en als wij daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten destijds ingebragt, zoodat de klassis vanFranekerhet in 1662 noodig vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde verrigt”[320]—dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van conventiculen,” waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten vernieuwden,—zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen. Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad vanLeeuwardenzoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren”, de Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr.van campenliet wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze stad de berigten van de vervolgingen,welke de Fransche Hervormden, ten gevolge der herroeping van het edikt vanNantes, hadden te verduren: zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren, schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk verbrand werden[321].
Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden,” gelijk de geleerdehuberzegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de machtigste inEuropa, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht aen denPausen daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden gehouden”[323].
Eerst nadat de edele PausclemensXIV (ganganelli) de orde der Jezuiten had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat hetder R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald, dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324].
Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke Cleregie teLeeuwarden, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl de provisioneele Representanten van het volk vanFriesland, bij besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonderin de talrijkste gemeenteLeeuwarden, welk een geest van onderlinge welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden, duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland.
’t Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen werden,—de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten vanHollandvrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander.
Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uitPortugalovergekomene Israëliten zich omstreeks 1595 teAmsterdamvestigde[327]. DeHoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en zetten in 1645 eenige gezinnen zich teLeeuwardenneder. Zij werden door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam. Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten (?) verplicht waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen”[328]. Nadat hun getal, dat in 1754 teLeeuwarden140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433 zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig toe, dat deNederlandsche IsraëliteninFrieslandthans eenSynagogaal Ressortuitmaken, met eene Hoofdsynagoge teLeeuwarden, door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: teGorredijk,Harlingen,Bolsward,LemmerenSneek, met twee bijkerken teNoordwoldeenHindeloopen; terwijl hun getal op den 1 Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.
[285]Winsemius, 595-710;schotanus, 790-884;Charterb.IV 119, 144, 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.;foeke sjoerds,Beschrijv.II 727 env.;lorgion,Geschied. der Kerkhervorming in Friesl.110 env. ende Ned. Herv. Kerk in Friesl.1 env.[286]Lorgion,de Herv. Kerk, 3 env. Zie over de Synodebl. 240hier vóór.[287]Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van Prof.muurling,over de echt Christelijke Beginselen der oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk, Gron. 1849. Mijne voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen voortreffelijken geleerde gegrond.[288]Zie dit breeder bijypeijendermout,Geschied. der Ned. Herv. Kerk, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.[289]Zie de stukken betrekkelijk de Synode in hetCharterb.V 219, 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270;Reg. Staats-res.378, 785;winsemius, 900;foeke sjoerds,Beschrijv.II 738;lorgion,de Herv. Kerk, 63 env.;ypeijendermout, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en vooralbrandt,Hist. der Reformatie, II 552, IV 17-22, 285, 288, 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze provincie „niet prakticabel, en tegen ’s lands resolutien strijdig in vele punten.”[290]Zie de bijzonderheden daaromtrent bijbrandt, II 3, 12, 243, 430, III 141, IV 17 env. ook erkend doorypeijendermout, II 213, 219, 230, Aant. bl. 165;lorgion,de Herv. Kerk, 65;van kampen,Vad. Geschied.I 476;Karakterkunde, II 19.[291]Charterb.V 282, 320;lorgion,de Herv. Kerk, 67-77, 83, 314, 330. Overkamphuijzen’sverblijf en graf teDokkumzie men de berigten van Prof.de crane, in zijneLetter- en Geschiedkundige Verzameling, Leeuw. 1841, 37.[292]Woorden van Prof.muurling, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met verwijzing naar de verhandd. van Prof.kist,over de beginselen en het onvoltooide der Kerkhervormingen Prof.hofstede de groot,over den gang der Godgeleerdh. in Nederl.beide in hetNed. Archief, I en II.[293]Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve:Samsons Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maeckenenz. In XLIIIleer en troost-rijcke Prædicatiën. doortheod. couperum, Præd. teWarga.Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.[294]Zie bewijzen daarvan inAanteekening 26, enbl. 260hier vóór.[295]Zie bewijzen daarvan inAanteekening 26, enbl. 260hier vóór.[296]Zie medeAanteek. 26.[297]Charterboek, V 972, 1203.[298]Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij vereerdenbekker. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do.diest lorgion,B. Bekker in Franekerenin Amsterdam, Gron. 1848 en 51, 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.[299]Dus oordeelde de beroemdecampegius vitringain de voorrede van zijn boekover den Tempel van Ezechiel, Fran. 1687.[300]Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do.h. van berkum,de Labadie en de Labadisten, Sneek 1851, 2 dln.[301]Zieblaupot ten cate,Doopsgez. in Friesland, 208, 351;lorgion,de Herv. Kerk, 240;ypeijendermout, III 455. Het stuk vanburmaniaaanvenema, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld:Gelofte aan Vulcaan, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam vanTolerantenhadden ontvangen. Zoo zegt hij in ’t begin:Zo vloek ik ’t laffe werk, de kwaad’ aantekeningenVan ’t gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringenVan een Systema, daar hun Weetenschap op rust,Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.—Gij waart het, schrand’re man, die ’t eerst U onderwondOm van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.[302]Opzoomer,het Wezen der Deugd, 1, 20.[303]Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk vanFriesland, van 21 Febr. 1795,Verzaameling van Placaaten, I 24.[304]Charterboek, IV 241;winsemius, 700;blaupot ten cate,Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, 124. Zie ook hier voorbl. 167-174,199.[305]Het merkwaardigProtocol, dat is, de gantsche handelinge des ghesprecx, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der regering vanLeeuwardentegenwoordig waren, in den volgenden jare gedrukt, in 4o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de Stedelijke Bibliotheek vanLeeuwarden. Zie een uitvoerig verslag daarvan bijblaupot ten cate, bl. 131-137.[306]Charterboek, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der Gedeputeerde Staten en der Regering vanLeeuwarden.[307]ZieCharterboek, V 747, 749, 814, 1122;Register op Staats-resolutiën, 179;ten cate, 176.[308]Charterb.V 670, VI 130;ten cate, 148, 312, 313. De gevoelens van de Poolsche Godgeleerdenleliusenfaustus socinus, in 1638 verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.[309]Dit verhalenypeijendermout, III 531 op grond van hetHistorisch Verhaal omtrent Ds. de Cock, 58, waar zelfs gezegd wordt, dat hij „het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens) onder zijn gehoor had.” Zie ooklorgion,de Herv. Kerk, 241 enten cate, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als inFriesland, veel geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.[310]Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof.siegenbeek,over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis, handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze, in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt, geplaatst in het 6edl. vankistenroyaards,Archief, Leiden 1835, 203.[311]Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft Do.blaupot ten cateeen afzonderlijk werkje geschreven, getiteld:Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden, Amst. 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk van Do.j. h. halbertsma,de Doopsgezinden en hunne herkomst, Dev. 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er inFrieslandwel 27 gemeenten te niet gegaan.[312]Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de Eerw. Heerenschultz jacobienschutte, inAant. 19breeder vermeld. Zie ookbl. 164hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijneGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 118.[313]Kronijk, in hetArchiefvanvisserenamersfoordt, II 427.[314]Bijschultz jacobi, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560 is gedrukt.[315]Zie deze plakkaten in hetCharterboek, II 107, 194, 415, 514, 563, 594, 626, 633 env.[316]Uit de Akademische akten medegedeeld door Do.lorgion,de Hervormde Kerk, 118.[317]Zie dit besluit in hetCharterb.V 1194 en bijschutte, 189; alsmedeReg. Staats-res.447;ypeijendermout, I Aant. bl. 153.[318]Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Frieslandis de titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de Heerenamersfoordtenevertszis uitgegeven, met vele belangrijke aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.[319]Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatiois de latijnsche, enDer Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl.de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke Bibliotheek vanLeeuwardenbewaarde geschrift, dat den Heerenamersfoordtenevertszzelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en 250 melding maken naar eene schets, welkescheltemadaarvan gaf inkistenroyaards,Archief, III 399.[320]Lorgion, Bijlagen totde Ned. Herv. Kerk, 340.[321]Ziesylvius,Vervolg opaitzema, 1687, III 95.[322]Zie al de Staatsbesluiten vermeld op hetRegister, bl. 352, 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in hetCharterboek; alsmede meerdere bijzonderheden in mijneGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 171, 197.[323]Heedendaegse Rechts-geleertheyt,Leeuw.1699, I 25.[324]ZieVerzameling van Placaten, IV 367, 372.[325]Aldaar, I 24.[326]Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap vanFrieslandthans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31 statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, teSneekwonende, aan het hoofd.[327]Wagenaar,Amsterdam, II 220. Sedert is dit onderwerp herhaaldelijk en uitvoerig behandeld invan wijn,Huiszittend Leeven, Amst. 1801;van hamelsveld,Geschiedenis der Joden, ald. 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch Genootschap bekroonde verhandeling van den Heerh. j. koenen, 1843, wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.[328]ZieReg. Staats-res.370, 598, 344, waar het plakkaat en formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in deGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 198.
[285]Winsemius, 595-710;schotanus, 790-884;Charterb.IV 119, 144, 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.;foeke sjoerds,Beschrijv.II 727 env.;lorgion,Geschied. der Kerkhervorming in Friesl.110 env. ende Ned. Herv. Kerk in Friesl.1 env.
[286]Lorgion,de Herv. Kerk, 3 env. Zie over de Synodebl. 240hier vóór.
[287]Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van Prof.muurling,over de echt Christelijke Beginselen der oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk, Gron. 1849. Mijne voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen voortreffelijken geleerde gegrond.
[288]Zie dit breeder bijypeijendermout,Geschied. der Ned. Herv. Kerk, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.
[289]Zie de stukken betrekkelijk de Synode in hetCharterb.V 219, 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270;Reg. Staats-res.378, 785;winsemius, 900;foeke sjoerds,Beschrijv.II 738;lorgion,de Herv. Kerk, 63 env.;ypeijendermout, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en vooralbrandt,Hist. der Reformatie, II 552, IV 17-22, 285, 288, 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze provincie „niet prakticabel, en tegen ’s lands resolutien strijdig in vele punten.”
[290]Zie de bijzonderheden daaromtrent bijbrandt, II 3, 12, 243, 430, III 141, IV 17 env. ook erkend doorypeijendermout, II 213, 219, 230, Aant. bl. 165;lorgion,de Herv. Kerk, 65;van kampen,Vad. Geschied.I 476;Karakterkunde, II 19.
[291]Charterb.V 282, 320;lorgion,de Herv. Kerk, 67-77, 83, 314, 330. Overkamphuijzen’sverblijf en graf teDokkumzie men de berigten van Prof.de crane, in zijneLetter- en Geschiedkundige Verzameling, Leeuw. 1841, 37.
[292]Woorden van Prof.muurling, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met verwijzing naar de verhandd. van Prof.kist,over de beginselen en het onvoltooide der Kerkhervormingen Prof.hofstede de groot,over den gang der Godgeleerdh. in Nederl.beide in hetNed. Archief, I en II.
[293]Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve:Samsons Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maeckenenz. In XLIIIleer en troost-rijcke Prædicatiën. doortheod. couperum, Præd. teWarga.Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.
[294]Zie bewijzen daarvan inAanteekening 26, enbl. 260hier vóór.
[295]Zie bewijzen daarvan inAanteekening 26, enbl. 260hier vóór.
[296]Zie medeAanteek. 26.
[297]Charterboek, V 972, 1203.
[298]Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij vereerdenbekker. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do.diest lorgion,B. Bekker in Franekerenin Amsterdam, Gron. 1848 en 51, 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.
[299]Dus oordeelde de beroemdecampegius vitringain de voorrede van zijn boekover den Tempel van Ezechiel, Fran. 1687.
[300]Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do.h. van berkum,de Labadie en de Labadisten, Sneek 1851, 2 dln.
[301]Zieblaupot ten cate,Doopsgez. in Friesland, 208, 351;lorgion,de Herv. Kerk, 240;ypeijendermout, III 455. Het stuk vanburmaniaaanvenema, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld:Gelofte aan Vulcaan, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam vanTolerantenhadden ontvangen. Zoo zegt hij in ’t begin:Zo vloek ik ’t laffe werk, de kwaad’ aantekeningenVan ’t gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringenVan een Systema, daar hun Weetenschap op rust,Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.—Gij waart het, schrand’re man, die ’t eerst U onderwondOm van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.
[302]Opzoomer,het Wezen der Deugd, 1, 20.
[303]Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk vanFriesland, van 21 Febr. 1795,Verzaameling van Placaaten, I 24.
[304]Charterboek, IV 241;winsemius, 700;blaupot ten cate,Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, 124. Zie ook hier voorbl. 167-174,199.
[305]Het merkwaardigProtocol, dat is, de gantsche handelinge des ghesprecx, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der regering vanLeeuwardentegenwoordig waren, in den volgenden jare gedrukt, in 4o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de Stedelijke Bibliotheek vanLeeuwarden. Zie een uitvoerig verslag daarvan bijblaupot ten cate, bl. 131-137.
[306]Charterboek, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der Gedeputeerde Staten en der Regering vanLeeuwarden.
[307]ZieCharterboek, V 747, 749, 814, 1122;Register op Staats-resolutiën, 179;ten cate, 176.
[308]Charterb.V 670, VI 130;ten cate, 148, 312, 313. De gevoelens van de Poolsche Godgeleerdenleliusenfaustus socinus, in 1638 verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.
[309]Dit verhalenypeijendermout, III 531 op grond van hetHistorisch Verhaal omtrent Ds. de Cock, 58, waar zelfs gezegd wordt, dat hij „het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens) onder zijn gehoor had.” Zie ooklorgion,de Herv. Kerk, 241 enten cate, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als inFriesland, veel geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.
[310]Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof.siegenbeek,over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis, handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze, in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt, geplaatst in het 6edl. vankistenroyaards,Archief, Leiden 1835, 203.
[311]Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft Do.blaupot ten cateeen afzonderlijk werkje geschreven, getiteld:Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden, Amst. 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk van Do.j. h. halbertsma,de Doopsgezinden en hunne herkomst, Dev. 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er inFrieslandwel 27 gemeenten te niet gegaan.
[312]Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de Eerw. Heerenschultz jacobienschutte, inAant. 19breeder vermeld. Zie ookbl. 164hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijneGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 118.
[313]Kronijk, in hetArchiefvanvisserenamersfoordt, II 427.
[314]Bijschultz jacobi, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560 is gedrukt.
[315]Zie deze plakkaten in hetCharterboek, II 107, 194, 415, 514, 563, 594, 626, 633 env.
[316]Uit de Akademische akten medegedeeld door Do.lorgion,de Hervormde Kerk, 118.
[317]Zie dit besluit in hetCharterb.V 1194 en bijschutte, 189; alsmedeReg. Staats-res.447;ypeijendermout, I Aant. bl. 153.
[318]Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Frieslandis de titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de Heerenamersfoordtenevertszis uitgegeven, met vele belangrijke aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.
[319]Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatiois de latijnsche, enDer Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl.de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke Bibliotheek vanLeeuwardenbewaarde geschrift, dat den Heerenamersfoordtenevertszzelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en 250 melding maken naar eene schets, welkescheltemadaarvan gaf inkistenroyaards,Archief, III 399.
[320]Lorgion, Bijlagen totde Ned. Herv. Kerk, 340.
[321]Ziesylvius,Vervolg opaitzema, 1687, III 95.
[322]Zie al de Staatsbesluiten vermeld op hetRegister, bl. 352, 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in hetCharterboek; alsmede meerdere bijzonderheden in mijneGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 171, 197.
[323]Heedendaegse Rechts-geleertheyt,Leeuw.1699, I 25.
[324]ZieVerzameling van Placaten, IV 367, 372.
[325]Aldaar, I 24.
[326]Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap vanFrieslandthans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31 statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, teSneekwonende, aan het hoofd.
[327]Wagenaar,Amsterdam, II 220. Sedert is dit onderwerp herhaaldelijk en uitvoerig behandeld invan wijn,Huiszittend Leeven, Amst. 1801;van hamelsveld,Geschiedenis der Joden, ald. 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch Genootschap bekroonde verhandeling van den Heerh. j. koenen, 1843, wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.
[328]ZieReg. Staats-res.370, 598, 344, waar het plakkaat en formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in deGeschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, II 198.
Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel, heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.
Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde inFrieslandzou zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware, goede en schoone; zelfs metHolland, welks roem in kunsten en wetenschappen ook door den Baroncollot d’escuryzoo eervol is gehandhaafd.Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers, de voortreffelijkevan kampen, mede erkend: »Het is inderdaad hoogstmerkwaardig, datFriesland, een zoo middelmatig Gewest van het kleineNederland, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke uitgebreidheid inEuropa”[329].
Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij, het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust, doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.
In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:
In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;—ondanks gebrek aan krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten verzekeren;—niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der regering over de mate en de grenzen des gezags—waren de Staten vanFrieslandzeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te stichten; vooral, om de kerk van geschiktepredikanten te voorzien. Zij meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool, tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van 1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koningfilipsherhaalden en Graafwillem lodewijkvan Nassautot hunnen Stadhouder verkozen, besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment”[330].
Het voormalige Kruisebroeders-klooster teFranekerwerd daartoe aangewezen, en de voor acht jaren teLeidengestichte Akademie tot voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee,tiaraendrusius, vanLeidenherwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585 plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatorennamens de Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de beoefening van de wetenschappen zoo geschikteFranekerte bezoeken. De akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331]. Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664 tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had bedragen[332].
Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In deGodgeleerdheidwaren hetlydius,van der lindenenlubbertus, en op hun voetspoor tweeschotanussen,cloppenburgenarnoldus, die den roem der Hoogeschool vestigden, gelijkwitsius,van marck, tweevitringa’s, tweevan der waeyens,roëll,conradi,venemaenvan voorst, die hem handhaafden en uitbreidden. In deRegtsgeleerdheidwerd teFranekereene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder dehoogleerarenvan beijma, tweeschotanussen,van den sande,faberenbouricius, die later nog overtroffen werden doorwissenbach, tweehubers,noodt,schulting,westenbergenheineccius, die Europeschen roem verwierven, alsmede door tweevoorda’s,wieling,trotz,cannegieterenz. DeGenees-,Wis-enNatuurkundige Wetenschappenvonden ijverige beoefenaars inauletius,clingbijl,metius,m. winsemius,van der lindenenholwarda, doch vooral in tweematthæussen, tweefulleniussen,muys,loré,ouwens, tweeypeijs, tweebrugmansen,camper,van swindenenz. Inzonderheid bloeide hier de beoefening van deOude Talen,LetterenenGeschiedenisonder mannen als:tiara,drusiusenamama, die de grondslagen legden, waaroprhala,pasor,p. winsemius,mollenterentiusvoortbouwden, om onderbos,schultens,wesselingenvriemoetzich uit te breiden en doorhemsterhuis,burman,d’arnaud,valckenaerenschradereene schitterende hoogte te bereiken, waarvan ondervan lennep,van kootenenwassenberghnog de stralen blonken[333].
Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte, door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden; mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer vanFranekerhebben verbonden. ’t Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van kennis voor ons vaderland, daar hij »Franekereens de eerste en voornaamsteHoogeschool vanNederlanden de kweekhof van groote mannen voorLeyden” noemde[334].
»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen, die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie”[335]. De eenmaal ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met haer brengen”[336].
Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden de Staten, die tot dusverre de belangender Akademie zoo onbekrompen hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage” in te voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool schijnbaar met luister werd gevierd.
Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige verdeeldheden en beroerten, waarvanFranekervooral de zetel was, en ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend bestaan voort; totdat het Keizernapoléonbehaagde, haar in 1812 op te heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te vernietigen[337].
Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren teFranekerheeftFrieslandeen groot getalGodgeleerdenvoortgebragt of gekweekt, die òf als Hoogleerarenop de andere vaderlandsche leerscholen, òf als Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de leer der Kerk te handhaven.gellius snecanus,sibrandus wommelius,festus hommiusengellius de boumawaren in de eerste tijden even werkzaam om de Kerk te vestigen, als laterfranciscus elgersma,domicus goltzius,arnoldus landreben,theodorus scheltinga,henricus siccamaenhero sibersma, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften vantheodorusenwilhelmus à brakelwaren vooral lang algemeen geacht; zelfs werd deRedelijke Godsdienstdes laatsten van 1700 tot 1767 17 malen herdrukt.david flud van giffenenbalthazar bekkerpoogden echter meer heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen.Joh. wesselius,theodorus van thuynen,nicolaas schiere,ibertus fennema,martinus swartteenjohannes plantinuswaren in de 18eeeuw door leer en schriften zeer in achting.aggæus haitsma,gavius nauta,joannes stinstra,benjamin frieswijk,johannes habbemaenhero oosterbaanmuntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken, waren het de Friesche predikantenfokko liefsting,jacobus engelsma mebius,petrusenjan brouwer,petrusengerbrand bruiningenjohannes henricus nieuwold, die, even als vervolgens de hoogleerarenjodocus heringa ez.,eelke tinga,annæus ypeij,lucas suringarenelias annes borger, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere te herstellen.
Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in deRegtsgeleerdheidgrooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die, welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: teLeidenjucke van beijma,bernardus schotanus,gerlach scheltinga,bavius voordaenjan valckenaer; teUtrecht, behalve de zelfdeschotanusenvalckenaer,cyprianus regnerus van oostergaenjacobusenjohannes henricus voorda; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen mannen alsmeinardus van aitzemateRochelle,franciscus meinardustePoitiersendominicus van arumteJenade leerstoelen van het regt met roem hebben bekleed.
Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol der Raden van het Hof vanFriesland, welker roem van bekwaamheid en strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de aanzienlijken vanFrieslandin achting stond[339]. Nog talrijker is de Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgeblonken[340].Velen hunner mogten toch als leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven. Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als:rombertus ulenburg,eco ysbrandi,keimpeenfrans van donia, de Ambassadeurwillem van haren,allard pieter van jongestal,sicco van goslinga,ulbe aylva van burmania,tjaardenhessel douwe ernst van aylva; gelijk mede vanwillemenonno zwier van haren,wybrand van itsma,nicolaas arnoldi,epo sjuck van burmania,philip frederikenjohan vegilin van claerbergen,georg frederikBaronthoe schwartzenbergenz.; terwijl de geslachtensaeckma,grovestins,van sminia,van aylva,van eijsinga,lycklama,van wyckel,bouricius,beucker,rengers,van scheltinga,huber,van vierssen,aitzema,andringa,de blauenz. onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgemunt[341].