Gekleurdbladerige en andere sierplanten.

(8)Ik neem het woordGeraniumhier in den meer algemeenen zin. Aan hen die het weten behoef ik niet te zeggen dat deze naam eigenlijk onjuist is, en die het niet weten zoeken het uit dit boekje niet te leeren. Als er van Geraniums wordt gesproken weet ieder wat bedoeld wordt.

Behalve de éénjarige of zaadplanten en die, welke eigenlijk tot de potgewassen behooren, maar die in den zomer uitstekend voor bloembedden geschikt zijn, bedient men zich tegenwoordig voor dit doel ook veel van bont- en gekleurdbladerige planten, inzonderheid voor zoogenaamde mozaïek- of kleurbedden.

Ofschoon een goed verdeeld mozaïekbed in een daarmede harmonieerende omgeving werkelijk schoon kan zijn, zijn ze toch over 't algemeen slechts als producten van wansmaak, van een zucht naar opschik met schrille kleurente beschouwen. Dit kan niet verwonderen, daar er in de eerste plaats een goed begrip van de harmonie der kleuren, in de tweede plaats een fijnen smaak, en eindelijk veel kweekerskunde voor noodig is, om ze werkelijk goed te maken. Bedenkt men daar nog bij dat ze vrij kostbaar zijn, dan zal men mij wel toestemmen dat de eigenaar van een kleinen tuin verstandig doet met er niet mede te beginnen, daar hij met veel minder moeite en voor minder geld iets veel degelijkers kan hebben. Die intusschen aan zijn tuin een coquet aanzien wil geven, en op zulk een mozaïekbed gesteld is, moet zich tot een degelijk bloemist wenden en het dien overlaten.

Maar, afgezien hiervan, kunnen sommige bont- en gekleurdbladerige planten toch ook in een kleinen tuin goed te pas gebracht worden, hetzij dat men er een klein groepje van op een zonnig plekje bijeen plant, hetzij men ze gebruikt voor een rand om een perk met bloemplanten, waarbij men dan natuurlijk heeft op te letten, dat men geen roodbladerige om een perk met roodbloeiende planten plaatst.

Vooral onder deZonale-Geraniumszijn er met verschillend gekleurde bladeren, deze met helder witte, die met goudgele randen, terwijl er ook zijn in welker bladeren het geel met bruin en helderrood op keurige wijze gemengd is. De zilverbonte mag inderdaad voor elken tuin in aanmerking komen; de driekleurigen zijn alleen geschikt voor hen, die van hun tuin wat meer werk willen maken.

Ook onder deFuchsia'szijn er enkelen met fraai bonte bladeren. Vervolgens komt de zoo gezochteColeusin aanmerking. Van het groot aantal variëteiten met grillig gekleurde bladeren zijn er echter maar enkelen geschikt om in den tuin geplant te worden, en in de eerste plaats zeker Verschaffelt'sColeus, (C.Verschaffeltii), met haardonker purperachtig bruine bladeren. Men late zich dan ook niet verlokken door de fraaiere, levendigere kleuren der anderen, daar die meest allen te zwak zijn, en er alleen in zeer warme zomers en dan nog in de gunstigste omstandigheden wat grond en standplaats betreft, iets oogelijks van terecht komt. OokIresine Lindenii, met donker purperroode bladeren, die een heldere middennerf hebben, wordt voor dit doel gebruikt. Dan heeft men onder de wit-, of liever lichtgrijsbladerige planten in de eerste plaats een distelsoort,Centaurea candidissima, voortsCerastium tomentosum,Kleinia repens.... Maar Latijnsche namen genoeg reeds in een boekje, waarin die niet behooren. Wil men zich hiermede bezighouden, dan bezoeke men in Mei een flinke bloemisterij, waar men zien kan welke van deze planten in massa worden gekweekt; dit is vrij wat beter dan zich te verliezen in een lange lijst van plantennamen.

Maar men hoede zich vooral tegen overdrijving, waartoe het gebruik van gekleurdbladerige planten maar al te vaak aanleiding geeft, en waardoor vooral kleine tuinen soms een potsierlijk aanzien verkrijgen. Groen moet daarin de hoofdrol spelen, kleuren moeten er alleen hier en daar afwisseling en leven aan geven, en die verkrijgt men in voldoende mate door bloemen. Geheel onopgemerkt mocht ik echter de bont- en gekleurdbladerige planten niet laten, al was het maar om tegen een smakelooze toepassing er van te waarschuwen.—

Kan men het in een kleinen tuin zeer goed zonder bontbladerige planten stellen, minder goed is dit het geval zonder enkele sierplanten.

Zoo noemt men, en terecht, die gewassen, welke zich door groote, fraai gevormde bladeren, of door een buitengewoon sierlijke groeiwijze onderscheiden, en die geheelalleen in het gras of op uitstekende en zeer in 't oogloopende punten geplaatst, een effect teweegbrengen, dat op geen andere wijze te verkrijgen is.

In buitenplaatsen en parken wordt daarvan een druk en zeer nuttig gebruik gemaakt; de keuze is dan ook overruim, daar deze plantenrubriek niet binnen enge grenzen beperkt is, maar haar vertegenwoordigers heeft onder de gewassen van alle hemelstreken; planten met het meest uiteenloopende voorkomen, met lange grasachtige, met breede waaiervormige bladeren, hoog opgroeiend en laag blijvend, die in den open grond geplant of in potten of kuipen gehouden worden, enz. enz.—

Onder die, welke gedurende den zomer het beste in den open grond staan, noem ik in de eerste plaats het zoogenaamde Indische Bloemriet (Canna). In lossen, goed gemesten grond, op een zoo warm mogelijke plaats ontwikkelen deze planten zich in den zomer zeer fraai. Hoewel men er meestal een perk mede vol plant, kan de eigenaar van een kleinen tuin het zeer goed stellen met er op een paar plaatsen b.v. een drie- of vijftal tot een groepje bijeen te planten, en zelfs geheel alleenstaande doet een forscheCannazich sierlijk voor.

Tot voor enkele jaren kweekte men deze planten bijna uitsluitend om de fraaie bladeren (waarbij ook bruinen), de bloemen toch beteekenden niet veel; tegenwoordig echter bezit men ook een ras van grootbloemigeCanna's, die voor kleine tuinen zeker de voorkeur verdienen. Men behandelt ze op dezelfde wijze als deDahlia'sen deKnol-Begonia's; waarbij echter niet uit het oog verloren mag worden, dat ze 's winters op geen te koele plaats mogen liggen.

Een sierplant in den waren zin des woords is de Abyssinische Banaan of Enset (Musa Ensete), een plant die, op een eenigszins tegen den wind beschutte, warme standplaatszich in den zomer prachtig ontwikkelt. In het najaar zit men er echter mee, wijl ze dan opgenomen, in een kuip gezet en in een goed lichte kas moet overwinterd worden, en daarna ook wel wat te groot wordt voor een kleinen tuin. Toch ziet men ze er wel eens, en altijd maken ze, als ze goed vrij staan, een heerlijk effect. 't Is maar de vraag of men daar wat voor over heeft.

Dan het zoogenaamde Pampas-gras (Gynerium argenteum). Deze fraaie Grasplant levert minder bezwaar op; ze heeft een zeer gracieus voorkomen, stoelt spoedig uit tot een flinke bos van lange, bevallig naar alle zijden overhangende bladeren; en brengt in den nazomer (soms wel eens wat heel laat) prachtige pluimen voort, welker zilverglanzige schubjes in de zon schitteren, en die, tijdig afgesneden, den geheelen winter door een sieraad van de huiskamer kunnen zijn. Men kan deGyneriumin het najaar in den grond laten staan, als men maar zorg draagt dan de bladeren wat bijeen te binden, de wortels goed met blad te dekken en de plant met stroo te omwoelen. In gewone, d. w. z. niet ál te strenge winters houdt ze het aldus goed uit.

Een zeer aanbevelenswaardige sierplant is ook de zoogen. Wonderboom (Rianus)(9), waarvan een aantal soorten en variëteiten bekend zijn, terwijl de groote bruinbladerige voor dit doel de beste is. Men kan ze zelf wel van zaad kweeken. Men legt dan bijv. een vijftal korrels in April in een bloempot, 2 c.M. diep in de aarde, en zet dien pot op een warme plaats, tot de zaden kiemen. Dan plaatst men dien achter een zonnig raam en houdt de aarde goed vochtig. Tegen half Mei plant men ze in den open grond; eenmaal aan 't groeien, ontwikkelen zij zich snel. Hetbeste plant men er drie bijeen op een geheel vrije, zonnige plek. Men kan deze drie planten gemakkelijk met een stevigen stok, die in 't midden staat, rechtop houden, dat zeer noodig is.

Ook enkele in potten of kuipjes staande planten kan men gebruiken, maar in een kleinen tuin niet veel. Vooreerst het Nieuw-Zeelandsch Vlas (Pharmium tenax), een voor dit doel terecht zeer geliefde plant. De van ouds bekende groenbladerige is zeker de sierlijkste, maar er zijn ook bontbladerigen, die voor dit doel zeer geschikt zijn, en waaraan sommigen de voorkeur geven.

De veel als kamerplant gekweekteAralia japonicageeft met hare groote, handvormige, glanzende bladeren mede aan een tuin veel afwisseling. Het moet dan echter een mooie, tot onder toe met bladeren bezette, gezonde plant zijn. Beide planten leveren het gemak dat men ze zelf kan overwinteren. Heeft men een vestibule, waar het niet al te streng kan vriezen (een beetje vorst hindert niet), dan zullen ze die in den winter tot sieraad strekken. DePhormiumkan overigens ook in een kelder den winter doorbrengen en deAraliais uitnemend voor de kamer geschikt, en dan liefst een kamer, waarin niet of slechts nu en dan gestookt wordt; natuurlijk is een plaats dicht bij 't raam noodzakelijk, wijl men anders kans heeft dat de bladeren geel worden.

Dan heeft men die planten, welke iedereen als Aloë's kent, hoewel het eigenlijk geenAloë's, maarAgave'szijn. Vroeger trof men bij partikulieren alleen de honderdjarige en de bonte aan, tegenwoordig kan men zonder veel moeite ook andere krijgen, waarbij er zijn die kleiner blijven. Voor hen, die niet goed zijn ingericht, zijn ze echter in den winter wel wat lastig; men kan ze in een kleinen tuin dan ook goed ontberen.

Sierplanten van dezen aard zijn er trouwens in menigte, en in bijzonder gunstige conditie hiervoor verkeert hij, die aan zijn huis een veranda heeft, welke 's winters met glas kan gesloten worden, en waar men dergelijke planten gemakkelijk bewaart, terwijl ze dan het gezicht uit de kamer zeer verlevendigen. De vorst houdt men daar gemakkelijk uit door er een kleinen vulkachel in te plaatsen, die echter niet meer mag gestookt worden, dan noodig is om de ruimte maar juist vorstvrij te houden. Vriest het niet, dan zet men een der buitendeuren gedeeltelijk of geheel open.

Die een gesloten veranda aldus wil inrichten—en het is zeer aan te bevelen, omdat men dan eenige fraaie sierplanten voor den tuin kan bewaren—moet er niet op rekenen daar 's winters te kunnen zitten; 't is er dan te koud. Wel is het gemakkelijk om, door het openzetten der kamerdeuren, de temperatuur te doen rijzen, maar, kan dit ook al geen kwaad als men het een enkele maal, bij een feestelijke gelegenheid b.v. doet, men moet er geen gewoonte van maken, daar stof, kamerlucht en warmte voor deze planten nadeelig zijn; en ze moeten mooi, ze moeten vooral gezond blijven, willen ze het karakter van sierplanten niet verliezen.

(9)Deze is geen boom, maar, in onze tuinen, een éénjarige plant.

Het onderhoud van den Tuin.

Velen meenen, althans zij geven aanleiding om dit te gelooven, dat, wanneer in het voorjaar alles aan een tuin is gedaan, wat strekken kan om dien een fraai en proper aanzien te geven, zij de rest wel aan de Natuur kunnen overlaten.

Nu, dat kunnen ze ook, maar dan zal deze aan dat stukje grond spoedig een geheel ander aanzien geven, stellig weinig in overeenstemming met onze opvatting van orde en zindelijkheid.

De Natuur mag vrij en onbelemmerd heerschen buiten, en wat zij dan schept is altijd mooi, veel mooier dan wij het met veel moeite en kosten kunnen maken; maar dat is dan geen tuin. Dáárin moet de eigenaar heer en meester wezen; hij gebruikt daartoe haar goede gaven, maar hij gebruikt ze overeenkomstig zijn bedoelingen. En de Natuur schikt zich daarin, maar zij is terstond gereed hare rechten te hernemen, zoodra wij er niet langer de hand aan houden.

„Er de hand aan houden”, dat is het rechte woord. Iedereen weet wat men daardoor te verstaan heeft; iedereen begrijpt dus wat ik met het onderhoud van een tuin bedoel.

Men moet er de hand aan houden, en niets soms twee, drie weken achtereen alles maar stilletjes laten groeien en bloeien, denkende dat het dan mooi genoeg is; want, zeker, dán zal het mooie er spoedig af zijn.

Kan de eigenaar van eenkleinentuin dien zelf in orde houden?

Voor het meerendeel zeker; zelfs geheel, wanneer hij niet tegen eenige lichaamsinspanning opziet, en zich er op toelegt sommige handgrepen te leeren, die tot de bijzonderheden van het tuinbouwvak behooren. Wil hij het eerste niet of kan hij het niet, en heeft hij geen tijd of lust voor het laatste, dan zal hij in het voorjaar gedurende enkele dagen de hulp van een goed werkman moeten inroepen; wat er later te doen valt, moet men echter zooveel mogelijk zelf trachten te doen.

Dit is om verschillende reden wenschelijk. Eerstens kan men dan alles—en zoo heel veel is het niet—zeer geregeld doen, en blijven niet sommige dingen ongeregeld lang liggen en men houdt den tuin dan veel netter in orde, dat vooral voor een kleinen tuin van beteekenis is; ten tweede wordt de belangstelling daardoor gaandeweg grooter, en heeft men van het groeien en bloeien veel meer voldoening; terwijl vooral de stadbewoner of hij die stil leeft, daarin een dagelijksche gelegenheid vindt voor een gezonde lichaamsbeweging in de open lucht.

Het eerste wat reeds vroeg in 't voorjaar, als het niet vriest, moet gebeuren, is den tuin opknappen. Men begint met het snoeien van de heesters en vruchtboomen, als men die heeft, wat niet maar een inkorten is der takken op goed geluk, maar waarbij men dient te weten wat men doet; waarom men sommige heesters in het voorjaar liever niet moet snoeien, enz.

Over het snoeien hier in bijzonderheden te treden kanik niet; hiertoe ga men te rade bij een deskundige, of raadplege men een meer uitgebreid tuinboek. Alleen merk ik op, dat men er op moet letten welke heesters vroeg in 't voorjaar bloeien, en men dezen eerst moet snoeien nà den bloei, daar men anders te veel bloemen opoffert; immers deze bloeien geregeld uit de jonge takken, en snijdt men die nu vóór den bloei in, dan verwijdert men de aanstaande bloemen. Dit is iets, waar men met een weinigje opmerkzaamheid zelf gemakkelijk achter kan komen.

Ook moet men vroeg in 't seizoen de Rozen nog stil laten staan en dezen niet snoeien, voordat men mag aannemen, dat er geen vorst meer te verwachten is. Worden de Rozen nadat ze reeds gesnoeid zijn nog door vorst getroffen, dan is er veel kans dat de takken een eind insterven. Het begin van April is hiervoor vroeg genoeg.

Die nu reeds vroeg in 't voorjaar zijn tuin in orde wil hebben, harke dat snoeisel terstond bijeen en neme het op, waarna de rabatten en de met heesters bezette perken geschoffeld en netjes aangeharkt worden, en hetzelfde met de paden geschiedt.

Is het gras plaatselijk dood gegaan of leelijk geworden, wat vooral in stadstuinen licht kan gebeuren, dan moet men dat niet laten zitten, in afwachting of het mogelijk nog goed zal uitgroeien. Daartoe zijn de graszoden te goedkoop, en wanneer men er jaarlijks de hand aan houdt zal het zoo erg niet zijn, dat men niet aan een halve roê graszoden genoeg zou hebben. Met 72 zoden kan men toch, als men ze doorsnijdt, 144 voet beleggen, dat is ten naastenbij vijftig Meter. Zoo houdt men dit sieraad van den tuin goed in orde met weinig kosten. Laat men het daarentegen te lang liggen, dan bederft men het effect en heeft men er later veel meer aan te doen. Is de tuin goed licht, en wordt het gras niet plaatselijk gestadigbetreden, dan blijft het goed, en heeft men het in 't voorjaar maar wat met een hark uit te kammen, om er een frisch aanzien aan te geven. Men ziet dan tevens na of de kanten zuiver zijn en steekt ze geregeld af.

Dit alles doet men liefst zoo vroeg mogelijk, en wel, als het weer het toelaat, reeds in 't laatst van Februari. Al maakte men vóór den winter alles nóg zoo goed in orde, toch blijkt, wanneer de vorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, dat de winter eigenaardige sporen in den tuin achterliet. De grond is op- en losgevroren; er zijn takken uit de boomen of uit die der buren afgewaaid; dorre, pas zeer laat afgevallen bladeren liggen hier en daar in hoeken gestoven of zitten van onderen tusschen de heesters geklemd, in één woord, het ziet er nog winterachtig uit, en juist dit moet men zoo spoedig mogelijk veranderen. Heeft men nu in 't begin van Maart alles in orde, dan maken de eerste voorjaarsbloemen een veel bevalliger effect. De Sneeuwklokjes zijn er zóó vroeg bij, dat men ze met den besten wil niet vóór kan wezen, maar anders is het met Crocussen en iets later met Tulpen. Deze komen ook wel vroeg, maar toch niet zoo vroeg, of men kan wel zorgen haar in een opgeredderden boel te ontvangen; maar dan moet men er natuurlijk zelf niet te laat bij wezen. En het is opmerkelijk hoeveel vriendelijker deze er uitzien, als de omgeving met dien bloei in overeenstemming is. Men ontvangt dan echte lente-indrukken, ook al talmt de lente vervelend lang.

Het is juist dán, dat een tuin achter of vóór het huis, ook al is het weer nog te guur om er in te wandelen, voor de meeste menschen, wier leven opgaat in de stadsdrukten en in hun maatschappelijke bemoeiingen, groote waarde heeft. Het lapje grond zij zóó klein, dat men bijna verlegen is het een tuin te noemen, men ziet er toch hetleven, na een doodschen slaap, weer met jonge en frissche kracht ontspruiten; men ontvangt er een groet der Natuur, en haar glimlach vaagt vele sombere gedachten en herinneringen weg.

Hoe netter de tuin dan is, hoe vriendelijker die glimlach, hoe helderder de zon dan schijnt te wezen, en komen ook al gure buien het werk verstoren, ja een sneeuwlaag het geheel tijdelijk aan het oog onttrekken, de orde is weer spoedig hersteld, en wat men dàn reeds gehad heeft mag pure winst gerekend worden.

Heeft men in Februari en 't begin van Maart alles aldus in orde gebracht, dan kan men het stil laten liggen tot tegen April, als men er maar om denkt de Rozen te snoeien voordat zij gaan uitgroeien. Dit is een kleine moeite, en, als men een snoeischaar of secateur heeft, doet men in zoo'n tuin in een uur al heel wat.

In het laatst van Maart, soms ook iets later, ziet men zijn vaste of overblijvende planten na. Licht is er een die men wil verplaatsen, omdat in den vorigen zomer bleek dat zij op een andere plaats beter zou staan. Ook wil men er allicht een scheuren, teneinde er meer planten van te krijgen. Men wacht hiermede liefst totdat ze goed teeken van leven geven, d. w. z. tot zij beginnen uit te groeien. Het vroeger te doen kan wel geen kwaad, maar men moet dan geoefend zijn, om te zien of ze al dan niet leven, terwijl men, wanneer men ze wil scheuren of verdeelen, als zij gesproten zijn beter kan zien wat men heeft en vooral wat men doet.

Het ééne werk volgt nu vrij geregeld op het andere, en, bijaldien men in een kleinen tuin alles maar geregeld en op zijn tijd verricht, zal men het best afkunnen. Tegen het midden van April is het tijd om te zaaien. Dit vroeger te doen is niet raadzaam, wijl men dan gevaar loopt dat de jonge en teere kiemplantjes door nachtvorst verlorengaan. Het midden van April, zelfs de tweede helft van deze maand, is nog vroeg genoeg. Langer dan tot Mei moet men daar echter in geen geval mede wachten, althans voor zoover het de éénjarige of gewone zaadplanten betreft. Ook de tweejarigen kan men in 't begin van Mei zaaien; dit kan echter even goed nog een paar maanden later geschieden.

Is het een groeizaam voorjaar, dan zal men reeds vóór Mei het gras moeten maaien. Ook dit kan men gemakkelijk zelf doen, wijl de grasmaaimachines tegenwoordig zoo goed ingericht zijn, dat een dame ze kan hanteeren. Men wete echter wel, dat men met zulk een machine niets kan uitrichten, wanneer men het gras te hoog liet opgroeien. Men moet het reeds maaien, zoodra er goed leven in blijkt te zijn; dán gaat dit spoedig en gemakkelijk, het gras wordt er temeer gesloten door en het onkruid verdwijnt, wijl dit tegen dat telkens afmaaien niet opgewassen is. Ik zeg telkens afmaaien, want uit het bovenstaande blijkt dat men het na het eerste maaien, óók niet lang mag laten worden; hooger dan 3–4 c.M. moet het niet worden, zoodat men er wekelijks eens met de machine over moet gaan, 't welk dan weinig tijd kost en volstrekt geen inspanning van beteekenis vordert. Het afgemaaide gras beteekent dan niet veel. Houdt men het zeer kort, dan ziet men het niet eens liggen, en kan het ook wel blijven liggen. Is het wat te veel daartoe, dan harkt men het weg of veegt men het, zoo het gazon dicht en goed gesloten is, met een bezem bijeen.

Hoe opwekkend het gezicht op het in het voorjaar groenende gras ook is, toch wordt het eigenlijk pas mooi, wordt het, gelijk het in een tuin behoort te zijn, nadat het voor den eersten keer werd gemaaid en de kanten goed scherp werden afgestoken.

De eerste ontwikkeling van het gras is meestal ongelijk; gewoonlijk toch zijn verschillende grassoorten dooreen gegroeid, waarvan de ééne zich in het voorjaar vroeger en krachtiger ontwikkelt dan de andere; na het eerste maaien wordt het beter en het zal ook wel niet meer in 't oog loopen, wanneer het maaien geregeld wekelijks geschiedt.

Dit kan voor een kleinen tuin onmogelijk een wezenlijk bezwaar opleveren, tenzij men het niet zelf met een machine wil doen en een tuinman met dit werk belast. Deze gebruikt liever een zeis, en om het gras goed met de zeis te kunnen maaien, moet het wat langer zijn, en kan men er wel drie à vier weken mede wachten. Ook op die wijze onderhoudt men het goed, maar men krijgt er toch nooit zulk een dicht, gelijk en mollig tapijt van, alswanneermen er dikwijls met een machine overheen gaat.

't Is waar, met een goede grasmachine (grasperkscheerders noemt men ze ook) is licht ƒ25 gemoeid, maar, wanneer men die niet laat verwaarloozen heeft men ze ook voor lang, en rekent men nu dat men toch zeker voor het maaien van het gras in een kleinen tuin telkens een gulden zal moeten geven, dan is men er al vrij spoedig en heeft men voortdurend een netteren tuin. Een niet te ontkennen bezwaar is echter dat men er niet overal mede terecht kan ze goed te scherpen. Hieromtrent dient men zich dus vooraf gewisheid te verschaffen, anders zit men er later meê.

Ik sprak over het onderhoud van het gras iets uitvoeriger, wijl dit, net en goed onderhouden, hoofdzaak is voor elken tuin en voor een kleinen tuin inzonderheid. Men moet dan ook dit maaien of kort houden voortzetten tot zoo laat in het najaar, dat men ziet dat er volstrekt geen groei meer in is.

Door het in Februari te oversproeien met dunne gier zal men een goeden groei ervan bevorderen, terwijl ook de kleur dan veel donkerder is.

Ook met water besproeien in den zomer, is, bij voortdurende droogte, in de meeste gevallen zeer nuttig; op sommige plaatsen, waar de grond zeer zandig en uit den aard droog is, zelfs bepaald noodzakelijk. Heeft men water van een waterleiding tot zijn dispositie, dan levert die besproeiing volstrekt geen bezwaar op, en moet men het, bij aanhoudende droogte, in geenen tuin verzuimen. Men heeft hiervoor verplaatsbare sproeiers, die aan een tuinslang verbonden worden en over een oppervlakte van p.m. 10 Meter in doorsnede het water gestadig als een dichten regen verspreiden. Door die b.v. om het halfuur te verplaatsen kan men den grond gemakkelijk goed vochtig houden; men rekene er daarbij op de slang niet te kort te nemen.

Deze wijze van besproeien is veel doelmatiger dan dit te doen met een straalpijp, ten eerste wijl dit laatste veel bewerkelijker is en vooral ook wijl de besproeiing daarmede nooit zoo gelijkmatig en afdoende geschiedt.

Heeft men geen waterdruk, dan zijn zulke toestellen natuurlijk ook niet te gebruiken, en wordt de besproeiing heel wat lastiger. Men moet het dan met een gieter doen, en het laat zich hooren dat men zich dan ook alleen tot het strikt noodzakelijke beperkt, of zelfs genoodzaakt kan zijn het geheel na te laten. Dit hangt dan van omstandigheden af. Op humusgronden, hetzij die lichter of zwaarder zijn, is het gras tegen de grootste hitte en droogte bestand; het mag er dan ook al tijdelijk niet mooier op worden, het zal toch, onmiddellijk nadat het heeft geregend, weer opleven; op schrale zandgronden kan het echter gevaar loopen van met wortels en al te verbranden. Men kan dit echter goeddeels voorkomen, doorer geregeld elken winter een dunne laag goed verkruimelden mest over te strooien. Toch is, zelfs bij dezen maatregel, besproeiing in den zomer ver van overbodig, ofschoon dan ook misschien niet absoluut noodzakelijk.—

In de eerste dagen van Mei bezorge men de bloemperken; immers voor zooverre men die bestemde voorGeraniums,Fuchsia'sen dergelijken, die er in het voorjaar als jonge planten op geplaatst moeten worden, gelijk dit, de Rozenbedden uitgezonderd, over 't algemeen het geval is. Vroeger moet men dit niet doen, omdat dan het weer nog niet te vertrouwen is en één koude nacht alles kan bederven.

Reeds in Mei zullen enkele vaste planten allicht zoo hoog worden, dat ze door wind of slagregen kans loopen omver geworpen te worden. Dan, maar ook niet vroeger, zet men er een stok bij, die altijd iets korter moet zijn dan men berekent dat de plant hoog zal worden. Hetzelfde doe men later bij enkele zaadplanten en bij deDahlia's. Bij deze laatsten, zoomede bij Zonnebloemen, Stokrozen en andere kruidachtige, hoogopgroeiende planten plaatse men een stevigen stok van ongeveer 1½ Meter, tenzij men weet dat deDahlia'stot een laag blijvend ras behooren. Er zijn er toch die in 't geheel geen steunsel behoeven, en waar dit niet noodig is moet men het ook achterwege laten.

Over het algemeen neme men als vasten regel aan, dat de stokken, die in vele gevallen onvermijdelijk zijn, zoo min mogelijk in 't oog mogen loopen, waarom het ook zaak is ze groen te verven, maar dan geen gedraaide en vooral geen roode of witte kopjes er op. Dit staat afschuwelijk en verraadt, wat men er ook van moge zeggen, in dit opzicht althans een weinig gekuischten smaak.

Van nu af houde men aan alles zeer geregeld de hand, waarbij het schoonhouden van de perken en paden, na de zorg voor het gras, allereerst in aanmerking komt.

Wanneer men een tuin goed schoon houdt, en dus aan het onkruid den tijd niet gunt om te bloeien, allerminst om zaad voort te brengen, zal men er ook gaandeweg minder last van krijgen, maar geheel vrij van onkruid komt men toch nooit, daar voortdurend zaden door den wind, ook door de vogels, van elders worden aangevoerd. Maar het wordt heel wat anders, als men dit tot zaad laat komen, in welk geval er soms jaren noodig zijn om de nakomelingen daarvan onder de knie te krijgen.

En er zijn onkruiden, juist de meest verspreide, die reeds zaden in overvloed hebben uitgestrooid, eer men er nog erg in heeft dat ze bloeien. Dit zijn vooral het éénjarige Beemdgras (Poa annua) en de Muur (Alsine media); ook mag men gerust het gemeene Kruiskruid (Senecio vulgaris) hierbij rekenen, dat nog te gevaarlijker is, wijl de vederlichte zaadkorreltjes overal heenwaaien.

Niets echter is gemakkelijker dan dit te voorkomen, daar men het zich slechts tot gewoonte behoeft te maken minstens eens om de twee weken de perken en de paden te schoffelen en aan te harken, wat toch in elk geval aanbeveling verdient, wijl pas geharkte paden er veel aangenamer uitzien dan die, waarvan de aarde door den regen vastgeslagen is.

Voor dit schoffelen neemt men een drogen, zonnigen dag waar, omdat het kleine onkruid, dat allicht tusschen de tanden van den hark ontsnapt, dan verbrandt, terwijl het anders, bij vochtig weer, zich licht weder met de worteltjes in den grond vasthecht, en het is juist dit kleine onkruid, waartegen men gestadig strijd moet voeren.

De paden harkt men vanzelf meer aan; die wat keurig op zijn tuin is, doet dit elken morgen.

Hiervan heeft men de meeste voldoening, wanneer men ze bestrooit met fijn grint, hetwelk trouwens welals het beste middel te beschouwen is om de paden zooveel mogelijk vrij van onkruid en droog tevens te houden. Heeft men er bij den eersten aanleg een laag van een paar cM., over gestrooid, dan zal men later jaarlijks alleen daar wat noodig hebben, waar veel geloopen wordt en de grond te hard werd om dien goed te kunnen schoffelen. Het bovenlaagje moet los blijven, maar ook niet meer dan het bovenlaagje, zoodat men er vooral niet te veel grint op mag uitstrooien, wijl dit het begaan ervan bemoeilijkt. Een pad, dat matig begrint is, laat zich gemakkelijk schoffelen en aanharken, welk laatste een aangename ochtendbezigheid is, voor iemand die schik in zijn tuin heeft.

Heeft men een bloemperk waar in Augustus het mooie afraakt, dan moet men dit veranderen, wijl het dan den tuin niet meer tot sieraad strekt. Er zijn licht in 't najaar bloeiende planten te verkrijgen, om het te vernieuwen.Astersb.v. komen hiervoor goed te pas.

Is de zomer voorbij, heeft een vroege vorst deDahlia's,Heliotropen,Geranium's, enz. bedorven, dan is het zaak een flinke opruiming te houden; de vaste planten snijdt men af, deDahlia's,Canna'sen deKnol-Begonia'sneemt men op; sierplanten in potten bergt men, waar men er gelegenheid voor heeft, en het afgevallen blad harkt men steeds bijeen; het dient allicht voor een enkele plant, die dekking behoeft.

Velen hebben de gewoonte om, als 't in October guur wordt, te zeggen: de tuin geeft nu toch niets meer,laat den boel dus nu maar rusten tot het voorjaar. Dit is zeer verkeerd gezien. De tuin kan ten allen tijde wat geven, dus ook in den herfst, ook in den winter, maar natuurlijk in elk seizoen niet hetzelfde. Daartoe is, en ik kan er niet genoeg op drukken, vóór alles netheid, zindelijkheid en orde noodig, ten allen tijde. Zelfs in den winter is hetgezicht op een goed onderhouden tuin verkwikkend en niet minder in den herfst, die toch nog kleuren, zelfs nog bloemen geeft. Men leere van wat elk jaargetijde ons beschikbaar stelt het rechte gebruik te maken; men zal er zijn tuin te meer om gaan waardeeren, en de uren daaraan besteed allesbehalve tot de verlorene, maar wel degelijk tot de goed gebruikte rekenen.

De tuin als speelplaats voor kinderen.

Wanneer men een kleinen tuin en een huis vol kinderen heeft, dan zegt het heel wat om te zorgen dat alles goed in orde blijft, in den tuin zoowel als in huis. En nu gebeurt het nog al eens, dat men juist aan een huis met tuin de voorkeur geeft met het oog op de kinderen, opdat dezen zomer en winter, als het weêr het maar eenigszins toelaat, kunnen genieten van de frissche lucht, en het hun daarbij niet aan de noodige lichaamsbeweging behoeft te ontbreken, terwijl men ze toch steeds in zijn onmiddellijke nabijheid en in 't oog heeft.

Is men nu wat heel ruim in deze opvatting, dan loopt de tuin, inzonderheid als die niet groot is, de paden niet zeer breed zijn en er geen ruime speelplaats is, inderdaad groot gevaar, en men kan dan gerust zeggen dat de kosten en moeiten daaraan in 't voorjaar besteed, nutteloos waren, daar reeds, vóórdat de zomer op de helft is, de tuin zijn aantrekkelijk aanzien, door verwaarloozing verloor.

Hierin schuilt geen overdrijving; wel stem ik gaarne toe, dat de uitzonderingen hierop zeer talrijk zijn; maar laat die tot over de helft loopen, dan blijven er nog genoeg gevallen over, die schijnbaar de uitspraak wettigen dat zulke menschen geen tuin waard zijn.

Ik zeg schijnbaar, want inderdaad is het veelal precies andersom. In vele gevallen stellen ze er niet minder prijs op dat alles er steeds keurig uitziet, en ze hebben daar ook heel wat voor over, maar hun kinderen en dezer gezondheid gaan boven alles, en zij zijn heilig overtuigd dat men onmogelijk dezen vrij in den tuin kan laten omspringen, en dien toch zoo keurig in orde kan houden, als het behoort en als zij het zelve wel zouden wenschen. Zij schikken zich in wat zij onvermijdelijk achten, en rekenen zich in elk geval gelukkig dat ze voor hun jonge gasten frissche lucht en ruimte hebben.

Een zeer sprekend voorbeeld daarvan zag ik niet lang geleden. Een mijner kennissen had een groot huis gekocht, waarachter een vrij uitgestrekte tuin lag, die echter als zoodanig bijna niet meer te herkennen was. Hij aarzelde geen oogenblik dien tuin in het voorjaar geheel te doen vernieuwen, ging daarbij op zeer onbekrompen wijze te werk, daar hij, die vroeger geen tuin had, dien nu zeer netjes wenschte; bediende zich van goede werkkrachten en kocht zonder aarzelen alles, wat men zeide noodig te hebben. Het gevolg hiervan was dan ook dat die tuin, toen de lente dáár was, niets te wenschen overliet en de jaloezie wekte van niet weinigen. Ik zag dien toen ook, en moest erkennen dat men er van had gemaakt wat er, zonder pronkerigen opschik, met mogelijkheid van te maken was, en dat die tuin, nú reeds fraai, bij goed onderhoud, na weinige jaren een ware lusthof zou zijn.

Zonder die gelegenheid te zoeken, kwam ik er toevallig ook eens in den nazomer, en het was toen inderdaad bedroevend te zien hoe daar was huisgehouden. Van de grasbanden was slechts hier en daar een stuk overgebleven. In een der vrij breede paden was een schommel en in een ander een wipplank geplaatst, waaromheen letterlijkalles vertreden was. Zelfs door de bloemperken was geloopen, stengels en takken waren gebroken, ja zelfs geheele planten uit den grond gerukt, in één woord, de keurig afgewerkte tuin van het voorjaar was in die halve wildernis met geen mogelijkheid meer te herkennen.

Ofschoon ik er niet van houd aanmerkingen te maken, was de toestand daar toch zoodanig, dat ik niet nalaten kón op te merken, hoe jammer het was, dat de kinderen daar zoo te keer gegaan hadden. Ja, de eigenaar vond dit ook, maar wat het zwaarste was, meende hij, moest ook het zwaarste wegen. Hij zou dat gaarne alles steeds in orde zien, hij was een liefhebber van orde, en op zijn eigen kamer, maar ook daar alléén, waar de kinderen niet mochten komen, liet die niets te wenschen over, maar de tuin was in de eerste plaats voor de kinderen.

—De jongens moeten er in kunnen ravotten naar hartelust, en als ze er steeds aan moeten denken, waar ze hun voeten zetten, is het plezier er voor hen af; de meisjes hebben plezier in bloemen; ze gebruiken die voor bloemmandjes, ze teekenen ze, en nu gaat het toch niet aan haar het plukken te verbieden. De lust en het opgewekte leven der kinderen gaat bij mij boven alles.

Tegen dit beginsel valt niet veel in te brengen; het is maar de vraag wat men door dit ravotten naar hartelust verstaat en of kinderen die aan tucht, al is dit geen uiterst strenge tucht, gewoon zijn, iets minder zullen genieten, wanneer zij, in den tuin spelende, er op letten waar ze hun voeten zetten. Zoo ken ik iemand, die maar even tien kinderen heeft, waarvan het oudste niet meer dan 13 à 14 jaar oud is. Achter zijn huis, waarin, de speelkamer niet uitgezonderd, keurige orde heerscht, is een zeer kleine tuin, die er altoos even netjes uitziet; en toch, als iemand er van houdt om zijn kinderen ter willete zijn, zelf met hen te stoeien en hun lustige spelen in den tuin aan te moedigen, is hij het.

't Is eenvoudig verschil van opvatting omtrent de wijze van opvoeding en de toepassing daarvan, en we hebben ons hier niet bezig te houden met de vraag welke opvatting de beste of de ware is.

Waar we ons echter wel mede hebben bezig te houden is deze vraag: kan hij, die een kleinen tuin bij zijn huis heeft, dien wellicht zoo inrichten, dat hij aan zijn kinderen de gelegenheid geeft en hun volle vrijheid laat daarin te ravotten naar hartelust, en er toch als tuin nog plezier van hebben, zonder de jaarlijks terugkomende kosten van bijna geheele vernieuwing?

Ziedaar een vraag die gewoonlijk door schrijvers over tuinaanlegkunst en door meer of minder ervarene aanleggers over 't hoofd wordt gezien. Dit komt voornamelijk hierdoor, dat de eersten, zoo ze zich al met kleine tuinen bezighouden, daarbij altijd het aesthetische beginsel op den voorgrond stellen, zonder te letten op het doel, dat de eigenaars er van in sommige gevallen voornamelijk beoogen; terwijl de laatsten zich geen tuin kunnen denken zonder een tuinaanleg naar de gewone opvatting, zoodat zij dan ook steeds een aanleg maken, en het niet bij hen zou opkomen daarbij af te wijken van vaste gewoonten.

Denkt men zich dan ook op klein terrein, en ik stel mij hier weder een oppervlakte van 40 bij 15 Meter, dus op verre na niet het kleinste, voor, een tuinin den gewonen zin, dan is het antwoord op de bovengestelde vraag stellig ontkennend.

In een tuin, gelijk wij dien in de vorige hoofdstukken bedoelden, mogen de kinderen niet bandeloos rondspringen; mogen ze niet over 't gras, vooral niet over de grasbanden, ook niet op de perken loopen; mogen ze niet plukken,al naar 't hun in den zin komt; in één woord, ze moeten zich daarin aan tucht gewennen, anders bederft de boel, en te spoediger, naarmate zij daarbij ruwer te werk gaan.

Zegt men nu: ik wil mijn kinderen daar volle vrijheid laten en offer daaraan gaarne de sierlijkheid van den tuin op, maar toch zou ik dien wel gaarne steeds zooveel mogelijk in orde zien, dan kan men dien wensch zeer goed bevredigen, als men het er van 't begin af naar inricht; men kan den kinderen een ruimere gelegenheid geven om zich ongedwongen te vermaken, en heeft er dan maar geregeld een weinigje de hand aan te houden; het denkbeeld van een eigenlijken aanleg moet men dan echter loslaten, van een aanleg althans in den gewonen zin.

Ik meen dat het geheel in de bedoeling met dit zeer oppervlakkige boekje ligt, om ook diegenen hiertoe op den weg te helpen, die in dit geval verkeeren, want juist onder de eigenaars van kleine tuinen treft men er velen aan, die er hartzeer van hebben, hun tuin, waar ze toch overigens wel schik in hebben, nadat die pas opnieuw in orde gebracht is, weder te zien bederven, maar die toch nog liever den tuin bedorven zien, dan dat zij—altijd naar hunne opvatting—de vreugde en 't genot hunner kinderen bederven; terwijl ik nog zwijg van hen, die te achteloos zijn om daar het oog op te houden, en zich teleurgesteld gevoelen, wanneer de onvermijdelijke gevolgen daarvan niet uitblijven.

Laat ons eens zien hoe we dit het best inrichten, en, mag dit dan ook zoo onæsthetisch zijn als het wil, ik twijfel er geen oogenblik aan of men zal de doelmatigheid ervan erkennen.

Wij nemen hier dus weder aan dat we tot onze beschikking hebben een langwerpig vierkant stuk grond, en wel van 40 Meter lengte bij 15 Meter breedte. Weet men hoedit voor dit doel is in te richten, dan zal men die inrichting ook wel naar omstandigheden voor een grooter of kleiner grondvlak kunnen wijzigen.

Schets van een kleinen tuin als kinderspeelplaats ingericht.Schets van een kleinen tuin als kinderspeelplaats ingericht.

Nu begint men met hiervan aan het achtereinde 10 Meter af te nemen, welke ruimte meer bepaald voor kinderspeelplaats wordt bestemd. Dit is dus een oppervlakte van 150 vierk. Meter. In een der hoeken maakt men een afdak of beter nog een koepeltje, bestemd niet alleen voor vluchthaven bij een plotseling opkomende regenbui, maar ook voor tochtvrije rustplaats en tevens tot berging van verschillende losse voorwerpen.

Om deze speelplaats plant men aan drie zijden kloek groeiende opgaande boomen, op de nevensstaande schets door sterretjes aangewezen. Plaatst men die op 4 Meter afstand, dan zullen ze vrij spoedig luwte en schaduw, in elk gevaleen gewenschte dekking geven. Iepen zijn voor dit doel goed geschikt; Platanen mogen hiervoor, om het stuiven der haartjes in het voorjaar (zie bladz.29), niet aangeraden worden.

Men zorge bij de inrichting vooral dat deze plek niet nat kan zijn, en legge daarom den grond eenigszins tonrond. Ligt hij in het midden een Decimeter hooger dan aan de kanten en voorts goed gelijk, dan zal het regenwater er ook geregeld afloopen, en het er, zelfs kort na een zware bui, weer droog zijn. Dit is een voornaam punt, waarop men dus reeds bij het begin goed moet letten.

Verder kan men de droogte goed bevorderen door over den gelijk gemaakten grond een flinke laag fijn gruis van cokes uit te spreiden, en er daarna goed met een zwaren grasrol over heen te gaan, zoo men dien kan krijgen; anders moet dit cokesgruis goed vast getrapt worden. Hiertoe moet men geen koolasch gebruiken, immers als men het bedoelde gruis kan verkrijgen. Koolasch heeft op verre na zulk een goed effect niet, omdat men er te veel grove slakken en asch in vindt; de slakken worden er uitgeharkt en de asch geeft voor dit doel niets. In cokesgruis is geen asch en zijn ook geen groote stukken. Aan de gasfabriek is het doorgaans voor een bagatel te verkrijgen, en er is geen beter middel dan dit om paden droog en vast te maken.

Zoodra dit gesloten is, dat na eenige weken, vooral wanneer het intusschen flink regende en men het wat beloopen had, het geval zal zijn, spreidt men er een tamelijk dikke laag fijn grint over. Hierdoor krijgt men een zachte, bijna stofvrije oppervlakte, die zelfs bij regenachtig weer betrekkelijk droog is. Schelpen deugen voor dit doel niet, daar ze te scherp zijn en de kinderen zich, bij struikelen of vallen, eraan kunnen verwonden. Wit zand is ter bestrooiing ook ondoelmatig; bij droog en heet weerwordt het te warm, het weerkaatst het zonlicht te zeer en stuift als het wat waait in de oogen. Fijn grint is zacht genoeg voor dit doel, mits het niet te dun uitgestrooid wordt; het is in alle opzichten rustiger.

Hier is voldoende ruimte voor een schommel, een wipplank, of wat men er anders wenscht, terwijl er ook gemakkelijk plaats te vinden is voor een zandhoop, die voor kleine kinderen veelal gewenscht wordt.

Hetgeen er nu van den grond overschiet heeft een lengte van 30 Meter, waarvan nog 2 Meter voor een straatje afgaan. We hebben dus nog maar 28 Meter lengte bij 15 Meter breedte en ook hier moet op veel ruimte gerekend worden, zoo we althans zooveel mogelijk willen voorkomen dat het gras vertreden wordt. En toch is dit nog wel zoo in te richten, dat het volstrekt niet popperig wordt, en er uit het huis gezien lief uitziet, ook goede gelegenheid voor het genot van de buitenlucht biedt.

Een middenvak kan hier niet komen, want dit zou, zoo we twee zeer breede paden maakten, te klein worden of wel deze worden, met het oog op het bijzondere doel, te smal. Maar dit behoeft ook niet. We planten vlak in het midden een boom, waarvan we kunnen verwachten dat hij reeds in een paar jaren schaduw genoeg geeft om er onder te kunnen zitten. Hiervoor is ontegenzeglijk een Kastanjeboom (nu geen dubbelbloemige maar een gewone, omdat die flinker groeit) het best, en voorts plaatsen we dicht bij het huis, op het midden der breedte, een voetstuk waarop een beeld of beter nog een groote vaas, groot genoeg om er een sierplant en enkele afhangende bloeiende planten in te kunnen zetten. Een rustieke bloemmand is ook goed.

Vervolgens bepalen we de grenzen voor twee aan elkander gelijkvormige zijrabatten, die op twee plaatsen ongeveer6 en op het midden, juist waar de boom geplant is, 4 Meter breedte hebben.

We houden dan in het midden een pad over, dat op de beide smalste plaatsen 3 à 3½ Meter breedte heeft, terwijl het zich juist in het midden tot een pleintje verbreedt, ruimte genoeg biedende om er een tuintafel en eenige stoelen te kunnen plaatsen, zonder dat die de passage te nauw maken. Bij het huis kan men in die zijrabatten een paar bloemperken aanleggen, en voor hetzelfde is gelegenheid voorbij den boom, terwijl verder deze rabatten met een paar niet te groot wordende boomen of boomheesters, met bloemheesters en vaste planten worden bezet, waarover in de vorige hoofdstukken is gesproken. Langs de rabatten legt men een breeden grasband, dus van geheele zoden; dit is beter in verhouding tot de breedte van het pad, dan wanneer men halve zoden gebruikt; men heeft toch niet zooveel gras noodig dat dit een bezwaar zou zijn.

Op deze wijze verkrijgt men een aangename zitplaats midden in den tuin, en is men tevens dicht bij de speelplaats, wat voor zorgzame moeders, vooral van kleine kinderen, een groote geruststelling is.

Het zal, vooral daar, waar men de kinderen geheel naar hun zin laat huishouden, op die speelplaats veelal niet zeer ordelijk zijn, reden waarom het zaak is, die aan het gezicht te onttrekken, waarmee men bovendien aan de jonge gasten zeker een dienst bewijst.

Wanneer men nu het breede binnenpad, een Meter of acht voorbij den boom in tweeën splitst, dan houdt men in het midden een vrij groot stuk over en dit geeft een goede gelegenheid voor een winter en zomer groenen achtergrond, terwijl het tevens het gezicht op de speelplaats maskeert. Hier plant men van achteren een dubbele rij „Arbor Vitae's” (Thuja occidentalis), b. v. met een rijAucaba'ser voor. Is de grond er goed, dan zou men er ookRhododendron'svoor kunnen planten. Als men die nu niet te klein neemt, dan krijgt men aldus een fraai gesloten geheel, en plaatst men er dan in 't voorjaar bloeiende planten vóór, liefst zulke die, eenmaal geplant, voor den geheelen zomer goed zijn, b.v.Zonale-Geraniums, dan zal dit van de rustplaats onder den boom af een fraai gezicht opleveren.

Eenvoudiger inrichting dan deze is niet denkbaar, en toch beloof ik U, dat het gezicht daarop, ook uit het huis, lief zal zijn, waarbij natuurlijk verondersteld wordt dat het goed wordt afgemaakt.

Dat beschadiging door kinderen ook hier niet uitgesloten is, spreekt van zelve, maar toch is daar al zeer weinig aanleiding toe, mits er geen roekelooze moedwil in 't spel komt, waartegen niets veilig is.

Ook afgescheiden van de speelplaats is er ruimte in overvloed om zich te bewegen, en al zal het gras den voetdruk der jonge gasten toch wel eens voelen, 't zal meer uitzondering dan regel zijn, en dan hindert het niet. Achterin zijn de twee paden, die direct op de speelplaats uitkomen, nog 2 Meter breed, zoodat het ook daar zoo'n vaart niet zal loopen, en moet men dan al hier en daar een gedeelte van een grasrand in 't voorjaar vernieuwen, zoo beteekent dit zeker al zeer weinig.

Richt men het aldus of op soortgelijke wijze in, dan kan hij, die er wat wilde jongens op nahoudt en dezen toch in den tuin liefst maar naar hartelust wil laten ravotten, toch van zijn kleinen tuin nog plezier genoeg hebben, zonder zich bloot te stellen aan een telkens opkomend gevoel van ergernis.

Vruchtboomen moet men daar liefst niet inbrengen, en bij de keuze der planten liefst zoodanige nemen, die eenstootje kunnen velen. Men moet in dit geval consequent zijn, en toonen dat men het ernstig meent, dat de tuin voornamelijk voor de kinderen dient. Wat men er dan verder zelf van geniet, dat heeft men toe; het kan echter meer zijn dan men allicht vermoedt.

Dat dit beginsel, met behoud van een ruim speelterrein, ook nog op een veel kleinere ruimte kan toegepast worden, begrijpt men. Zelfs wanneer het stuk goed tien Meter minder lengte heeft, kan men het, met een kleine wijziging nog op dezelfde manier inrichten.

Een afzonderlijk en afgesloten speelplaats acht ik echter in gevallen als de hier bedoelde bepaald noodzakelijk. Men houdt toch altijd nog wel zooveel over, dat men daar met wat inschikkelijkheid het woord „tuin” voor kan gebruiken. Klein wordt die zeker, maar metkleinetuinen hadden wij hier ook eigenlijk alleen te doen.—


Back to IndexNext