BIJVOEGSELSTOT DEVOORGAANDE BESCHRIJVING,BENEVENS EENAANHANGSELWEGENS EENKLEIN PLANETARIUM,DOOREISE EISINGA,GEVOEGD BIJ DEN TWEEDEN DRUK VAN 1824.De beschrijving van den hoogleeraarVan Swinden, in den jare 1780 in het licht gegeven, is bij dezen herdruk bijna woordelijk in zijn geheel gelaten1.Ik zal de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk ondergaan heeft, naar de volgorde der §§ opgeven.§4.In den eersten druk staat: „Verder naar de Bedsteede, treft men op dezelfde zolderingdrieCirkels aan.” Aldaar zijn nuvijfcirkels of wijzers. Zie de plaat.§5.Het woordklimmende knoopis nu verwisseld metMaans noordknoop, dat de zelfde beteekenis heeft. Zie de plaat.§8.leest men: „Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijntweekleine wijzers.” Dit is nueenop ieder pilaster. Zie de plaat. De beide bovenste wijzers heb ik laten zakken tot op het midden van de pilasters, en de beide onderste zijn van daar weggenomen, en aan den zolder geplaatst. De overige veranderingen, die deze § ondergaan heeft, ziet men in het zesde hoofdstuk, over de Maanwijzers, §88en vervolgens.§12.Het uiterlijke aanzien was in 1780, toen de hoogleeraar de beschrijving in het licht gaf, maar met krijt afgeteekend, en is in 1781 door mij zelven, met eenige hulp van mijnen thans overledenen broederS. Eisinga, naar eisch volbragt, en er is in de sedert verloopene drie en veertig jaren niets aan verbeterd. Zelfs de verplaatste Maanwijzersplaten zijn nog maar op papier afgeteekend. Alleen het bordje of plankje met jaargetallen is reeds tweemaal vervolgd, omdat er maar 23 jaargetallen op kunnen geplaatst worden. Met het vierde jaar na 1774 was hetplanetariumreeds gangbaar. (Zie de inleiding tot de beschrijving vanVan Swinden.) In 1776 was de verzetting der jaargetallen klaar, en geschilderd tot 1798; de tweede 23 jaargetallen liepen van 1799 tot 1821 ingesloten; die, welke thans op het bordje geschilderd staan, loopen van 1822 tot 1844 ingesloten. Door deze lange reeks van jaren is de uiterlijke glans al vrij wat verdonkerd, voornamelijk de hemelsblaauwe grondkleur en het wit; misschien wordt hetzelve binnen kort weder in zijnen vorigenluister opgeschilderd en verguld. Dit is thans des te noodiger, omdat bij de tweede uitgave drie in koper gegraveerde en gekleurde platen gevoegd zijn, welke anders het werk zelve in uiterlijk aanzien zouden overtreffen; waardoor de liefhebbers, die, in vervolg van tijd, het werktuig komen bezigtigen, zich te leur gesteld zouden kunnen rekenen, omdat de platen het werk zelve in uiterlijken glans verre te boven gaan.§42.Om de Aardemiddelpuntige lengte van iedere planeet vrij naauwkeurig te kunnen vinden, heb ik, na de uitgave der beschrijving van den heerVan Swinden, benevens den draad uit het middelpunt der Zon, waaraan eene groote vergulde bal hangt, ook eenen draad van het Aardbolletje laten afhangen, waaraan een kleiner balletje is vast gemaakt, hetwelk dus met onze Aarde, eens in het jaar, om de bal, die van de Zon afhangt, beweegt. Deze beide vergulden ballen, waarvan de groote of Zonnebal van hout, en de kleine of Aardbal van lood is, dienen alleen, om, door hunne zwaarte, de beide draden of touwtjes regt te houden. Door middel van deze beide touwtjes kan men de schijnbare of Aardemiddelpuntige plaatsen van al de planeten zoeken, op deze wijze: Men gaat aan den kant van de kamer, zoodanig, dat de planeet, welker schijnbare of Aardemiddelpuntige lengte men begeert te weten, achter den graad van onze Aarde komt; dan ziet men te gelijk, waar de draad van de Zon op deeclipticaof zevende sleuf valt: het teeken en de draad van dezelve is de plaats van die planeet, uit onze Aarde beschouwd. Als de planeet met de Zon en de Aarde in eene regte lijn staat, is de ware plaats ook de schijnbare; is de planeet aan de regterhand van de Zon, dan is de schijnbare lengte altijd minder dan de ware lengte; integendeel, de planeet aan de linkerhand zijnde, is de schijnbare lengte altijd meer dan de ware lengte. In het eerste geval komt de planeet voor de Zon op, en gaat voor dezelve onder; en in het tweede gaat zij na de Zon op en onder.§ 86 (nu §88).De lichtgestalten der Maan werden bij de eerste uitgave van dit werk vertoond op de pilaster aan de linkerhand, door den ondersten wijzer op dezelve, met nameafstand der Maan van de Zon, volgens het laatste gedeelte van §8. Zij worden nu vertoond aan den zolder aan de regterhand (zie de plaat), door eenen langen wijzer, die in 29 dagen 12 uren en 44 minuten ééns rondgaat. De plaat voor dezen wijzer is verdeeld in 24 wassende en afnemende lichtgestalten, zoodat men dagelijks dephasisder Maan ziet aangewezen. Binnen de wassende en afnemende lichtgestalten is nog een cirkel, in 29½ dagen verdeeld, verbeeldende den ouderdom der Maan (dat is, het getal van de dagen, die verloopen zijn na de laatste nieuwe Maan), veel duidelijker dan te voren op de pilaster, omdat de cirkel, waarin de 24 verschillende lichtgestalten worden aangewezen, 22 duim in diameter is, daar de opening in de plaat, waarvan § 91 (nu §93) gehandeld wordt, maar 1 duim middellijn had. De wijzer draagt nu tot opschriftlichtgestalten der Maan. De afstand der Maan van de Zon is voor ieder der afgebeelde 24 lichtgestalten 15 graden of een half teeken. Met de nieuwe Maan staat de wijzer op eene geheel duistere plek; in den eerstvolgenden stand is een klein strookje verlicht; verder teekent de wijzer op het zesde vak, dat is drie teekens van de Zon, het eerste kwartier, half verlicht; wast verder aan, tot dat de wijzer de twaalfde plek aanwijst, dan is het volle Maan; neemt vervolgens weder af, tot dat het licht gedeelte half verdwenen is, dan is het laatste kwartier; neemt vervolgens af, tot dat het licht gedeelte geheel verdwenen is, dan is het weder nieuwe Maan.De ongelijke lengte der Maneschijnen, dat is, de tijd van de eene nieuwe Maan tot de andere, neemt deze wijzer naauwkeurig in acht, volgens de beschrijving vanVan Swinden, § 92 tot 95. (nu §94tot97) ingesloten.Tot de aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde (zie bl. 100 van den 1sten, bl. 113 van den 2denen bl. 128 van den3dendruk)behooren vijf Maanwijzers. Er waren, bij de eerste uitgave van de beschrijving, twee groote aan de zoldering (§5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de linker pilaster (§8); nu heeft men drie groote aan den zolder, genaamdlengte der Maan op de ecliptica, hetverste punt der Maan, en deMaans noordknoop, en op ieder pilaster een kleine; die aan de regterhand voor den afstand der Maan van den noordknoop, en die aan de linkerhand voor den afstand van het verste punt (zie de Plaat).§ 109 (nu §111).De wijzer onder op de regter pilaster, die de lengte der Maan aanwijst, is nu van de pilaster aan den zolder gebragt, aan de linkerhand, op de plaat genaamdlengte der Maan op de ecliptica.De redenen, welke mij bewogen hebben, om de beide onderste wijzers van de pilasters weg te nemen en aan de zoldering te plaatsen, was, omdat aan den zolder meer ruimte was, om de wijzers te verlengen, daardoor grootere cirkels te beschrijven, en de teekens en lichtgestalten naauwkeuriger te kunnen doen zien; ook had ik tot de beweging van die beide wijzers nog andere tanden berekend, die nog iets nader bij de waarheid kwamen.Hierdoor ontstond eene geheele verschikking en verplaatsing in meest al het raderwerk voor de Maanwijzers, De beide bovenste wijzers moesten zakken tot in het midden, en voor de aan den zolder overgebragte moesten nieuwe assen en verscheidene nieuwe raderen worden gemaakt.Over de Platen, bij den tweeden druk gevoegd.De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den HoogleeraarVan Swindenzoo naauwkeurig beschreven,in naturate komen bezigtigen,nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1½ duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net ⅛ van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopmanKlaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3¾ graad inAries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het ⅓ gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1⅓ graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3¾ graad inAries, en dus inconjunctiemet de Zon. Jupiter was bijna 3 graden inPisces. Mars 26 graden inLeo. De Aarde 3¾ graden inLibra. De Maan 11 graden inLeo. Venus 11 en Mercurius 26 graden inCancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden inLeo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden inAries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10½ dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzingvan het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft:de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10½ dagen na de nieuwe; dus kwam zijbij dagop.Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17½ graden.Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op deecliptica3¾ graad inAries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven denhorizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn:Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog;Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog;Alamak Mirach, hethoofd van Andromedaen de Ram, in het oost-noord-oosten; deZwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog;Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog;Wega, of de heldere in deLier, in het zuid-westen, 73 graden hoog;Herculesen denoorder Kroon, in het westen;Bootes, de helderste in dezelve,Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; degroote Beerin het noord-westen, en dekleine Beerin het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden,zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren2.De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeftde Maan gaat onder, teekende 4½ uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopmanKlaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op §42van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten vanFriesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen,openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heerC. Ekama, professor teLeiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.1Alleen heeft er eene geringe verschikking plaats gehad in de nummers der §§. In den eersten druk vindt men de § 76, 80 en 110 tweemaal, en door een teeken (*) onderscheiden; in dezen herdruk zijn de nummers geregeld vervolgd. Omtrent die §§, welke in dit bijvoegsel voorkomen, en van dezen herdruk verschillen, wordt dit verschil aangewezen.↑2De buitenste rand van deze wijzerplaat, alsmede die op de linker pilaster, die den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, is in 30 graden verdeeld; welke graden, wegens de kleinheid dier wijzerplaten, niet duidelijk konden worden afgeteekend op de plaat No. 2.↑AANHANGSEL.Het laatste stuk, door mij uitgedacht en afgeteekend, is eenplanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde, met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus zijn geplaatst, in hare betrekkelijke afstanden van de Zon en hare uitmiddelpuntigheden en knoopen. Saturnus loopbaan, in derzelver middelbaren afstand van de Zon, is gesteld op 43 duim (oude Friesche maat); de andere planeten in evenredigheid, als 4 ☿︎, 7 ♀︎, 10 ♁︎,15 ♂︎, 52 ♃︎ en 95 ♄︎. Deze afteekening is gezien doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, een buitengewoon natuur- en werktuigkundige onderzoeker en liefhebber (deszelfs stand in de maatschappij in aanmerking genomen zijnde), en net werkman in hout, koper, ivoor, ijzer enz., die ook zich zelven eene draaibank en meer andere gereedschappen had vervaardigd, waarmede hij, door zijn vindingrijk vernuft, in staat is, om velerhande kunstwerk te maken. Na het zien van dit mijn afgeteekendplanetarium, werd deze opgewekt, om hetzelve te vervaardigen. Hiertoe werd verkozen een vlak bord, groot 20 duim in middellijn, verbeeldende deecliptica. Hetzelve is aan den buitenrand verdeeld in teekens en graden van denzodiak, en in maanden en dagen, ons jaar uitmakende. De wegen der genoemde planeten zijn daarop van 5 tot 5 graden doorboord, om de bolletjes, die op koperen laafjes geplaatst zijn, te kunnen zetten, waar ze behooren (voorondersteld zijnde, de plaats, waar ze op zekeren tijd moeten staan, bekend te zijn); ze worden van onderen op het bord met een schroefje vastgezet. Jupiter en Saturnus zijn ieder op een stokje geplaatst, omdat hunafstand ver buiten het bord valt. Onze Aardbol is omringd door eenenmeridiaan, waarin hij om zijne aspunten kan draaijen. Binnen dezen meridiaanring is een platte ring, verbeeldende denhorizont; op dezen zijn de zestien hoofdstreken van het kompas geteekend. Op het Aardbolletje zelf zijn de hoofdcirkels, als deaequator,ecliptica, keerkringen en poolcirkels, alsmede de hoofdsteden van ieder keizer- of koningrijk, en land en zee, door mijnen neefSipke Eisinganetjes afgeteekend, voor zoo veel de kleinheid van het bolletje dit toeliet. Dehorizontkan, door het losmaken van een schroefje, op alle poolshoogten geplaatst worden. De aspunten der Aarde gaan door denmeridiaan; op het eene aspunt is een koperen plaatje geschroefd, waardoor men het bolletje met de hand kan ronddraaijen; op het andere aspunt wordt een wijzertje tusschen een borstje en een plaatje vast bekneld, en op den meridiaanring is om de as eene koperen plaat vastgemaakt, welker buitenrand verdeeld is in maanden en dagen van ons jaar. Binnen dezen jaarcirkel is nog een cirkel, in 2 maal 12 uren verdeeld; deze uurcirkel kan in den jaarcirkel ronddraaijen.Als men nu dit werktuig gebruiken wil, plaatst men de planeetbollen ieder op zijne plaats op het bord, alsmede onzen Aardbol, met zijne aspunten paralel met de lijnen, die op het bord getrokken zijn. Dehorizontom den Aardbol kan men plaatsen, op welke poolshoogte men verkiest; men draait de verkozene plaats onder denmeridiaan, en zet den uurcirkel met het middaguur op de maand en den dag van het jaar, en het wijzertje op 12 uur; dan ziet men de Zon, de Maan en de planeten, door het ronddraaijen van de Aarde, op- en ondergaan en in welke streek van het kompas ze staan, alsmede den tijd, wanneer ze opkomen, door denmeridiaangaan en ondergaan, op die poolshoogte enmeridiaan, waarop men denhorizontgesteld heeft.Het werktuig is geplaatst op een langwerpig vierkant stoeltje, op welks langste hoeken twee pilaartjes zijn, waarin het bord inAriesenLibrakan draaijen. Aan het bord is een halve cirkelvan hout, 3½ duim breed, vastgemaakt, en schuift langs eene sleuf in een voetje, dat in het midden van het langwerpig vierkant stoeltje staat. Deze halve cirkel is aan den eenen kant, van de evennachtslijn tot aan de noordpool, verdeeld in 90 graden, en aan den anderen kant, van de evennachtslijn tot aan de zuidpool, ook in 90 graden, om het bord, dat deeclipticaverbeeldt, te kunnen stellen, op wat poolshoogte men verkiest. De 66½ graden zijn aan weêrskanten het middelpunt van den halven cirkel, omdat onder de poolcirkels deeclipticainCancerenCapricornushorizontaal ligt: want onder den noorder-poolcirkel komt de Zon inCapricornusop den middag wel in, maar niet boven denhorizont, en inCancerkomt zij te middernacht wel in denhorizont, maar gaat er niet onder. Bij den zuider-poolcirkel is het regt omgekeerd.BIJVOEGSELSTOT DEN DERDEN DRUK VAN 1851.Sedert de hoogl.J. H. van Swindenhet kunstig planetarium vanEisingabeschreef, zijn ruim 70 jaren verloopen,—jaren, waarin door sterrekundige waarneming en navorsching eene meer volledige en naauwkeurige kennis aangaande het zonnestelsel is verkregen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat in de voorgaande, op nieuw in het licht gegevene Beschrijving eenige opgaven voorkomen, waarvoor de hedendaagsche, meer volmaakte sterrekunde andere in de plaats heeft te stellen. Die verouderde opgaven betreffen inzonderheid het aantal der bekende hoofd- en bijplaneten, de hoedanigheden (elementen), waardoor de eene planetarische loopbaan van de andere onderscheiden is, alsmede eenige eigenschappen, welke de planeten zelven aan den dag leggen.Evenmin als wij vrijheid vonden, wezentlijke veranderingen aan te brengen inVan Swinden’sBeschrijving, en hem in de uitlegging van het zonnestelsel op een standpunt te plaatsen, ’t welk eerst 70 jaren na de vervaardiging vanEisinga’skunstgewrocht bereikt is; evenmin meenen wij eenige voorname opgaven te mogen achterhouden, welke soortgelijke, minder naauwkeurige, in den tekst of in de noten voorkomende, zouden behooren te vervangen. Wij zullen deze verbeteringen aanbrengen in eenige beknopte overzigten, en daarmede hopen wij menigen lezer van dit werkje, die belang stelt te vernemen, wat thans van het zonnestelsel bekend is, eenigermate te gemoet te komen.I.OVERZIGTDER PLANETEN, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.Uranus13 Maart 1781ontdekt doorW. Herschel.Ceres1 Jan. 1801J. Piazzi.Pallas28 Maart 1802H. M. W. Olbers.Juno1 Sept. 1804C. L. Harding.Vesta29 Maart 1807H. M. W. Olbers.Astraea8 Dec. 1845K. C. Hencke.Neptunus24 Sept. 1846G. Galle1.Hebe1 Julij 1847K. C. Hencke.Iris13 Aug. 1847J. R. Hind.Flora18 Oct. 1847J. R. Hind.Metis26 April 1848A. Graham.Hygiea14 April 1849De Gasparis.Parthenope11 Mei 1850De Gasparis.Clio(Victoria)13 Sept. 1850J. R. Hind.Egeria2 Nov. 1850De Gasparis.Buitendien is den 20 Mei 1851 doorHindnog eene planeet ontdekt, welkeIrenewordt genoemd. Eindelijk heeftDe Gasparisden 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.II.OVERZIGTDER BIJ-PLANETEN OF WACHTERS, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.In 1780 waren er vijf wachters vanSaturnusbekend; een van hen was reeds in 1655 doorChristiaan Huygensontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 doorCassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 doorW. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijdenof te doen ophouden, heeftJ. Herschelaan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten:Mimas,Enceladus,Tethys,Dione,Rhea,Titan,Japetus. TusschenTitan(den doorHuygensontdekten) enJapetusheeftLassellonlangs nog een achtsten ontdekt, dieHyperionwordt genoemd.De ring, welkeSaturnusomgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 doorW. Herschelontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte doorKaterenEnckeopgemerkt; en naarluidtvan ’t geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen teRomegebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.Nopens het aantal der wachters, die omUranusomloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welkeW. Herschelden 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meentLamonteen hunner op nieuw te hebben gezien, ’t welk aan geen anderen sedertHerschelhad mogen gelukken. Onlangs hebben zich echterLassellenO. Struveovertuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen omUranusbeschrijven.Ook omNeptunusbeweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst doorLassell, den 10den October 1846, gezien en later doorBondenA. Struvevlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 doorBondontdekt zijn. Buitendien meenenLassellenChallisbespeurd te hebben, datNeptunus, even alsSaturnus, omgeven is door een ring.IIIOVERZIGTVAN DE LOOPBANEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.GEMIDD. AFSTANDVAN DE ZON.aEXCENTRICITEIT.bOMLOOPSTIJD.LENGTE VAN HET PERIHELIUM.cLENGTE DES KLIMMENDEN KNOOPS.cHELLING DER BAAN.cWARE.TROPISCHE.d.u.m.s.d.u.m.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.Mercurius0,387100,205628723154687231435745727+5,81462355-10,077013+0,18Venus0,723330,00682224164972241641251241426-3,24751130-20,5032331-0,07Aarde1,000000,016783656910.749636554847.57111001127+11,24Mars1,523690,09325686233025686221818333638+15,46481618-25,221516-0,01Flora2,200720,1563811921138119272733353110185755254Vesta2,362000,08856132522513251655249113710320287757Iris2,372470,2267913341813341245414616259502652759Hebe2,402200,192401360135918331656221384914144222Astraea2,575250,187671509113115094491353023141264151918Juno2,670500,255561593234615931618541713170523513210Ceres2,765360,076741679162216799111474124805350103656Pallas2,771140,242001684223416841520121511723830343519Jupiter5,202770,04822433214274330141410114533+6,65984838-15,9011842-0,23Saturnus9,538850,05603107595162310746223010895441+19,311121634-19,5422930-0,15Uranus19,182390,04660306861941363058621485168524+2,2873848-36,0504629+0,03Neptunus30,20260,00838606241960238111113411305391472aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑Aanmerking.Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uitPopuläre AstronomievonJ. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen vanFlora,Iris,Hebe,AstraeaenNeptunushebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn.Jahngeeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.NAMEN.GEMIDD. AFSTAND VAN DE ZON, OF HALVE GROOTE AS.SIDERISCHE OF WARE OMLOOPSTIJD IN DAGEN.Mercurius0,38788Venus0,723225Aarde1,000365Mars1,524687Flora2,2021,321Vesta2,3611,325Iris2,3841,344Metis2,3861,346Hebe2,4261,380Parthenope2,4421,392Astraea2,5771,511Juno2,6691,593Ceres2,7711,685Pallas2,7731,686Hygiea3,1222,015Jupiter5,2034,333Saturnus9,53910,759Uranus19,18230,686Neptunus30,174165½ jaar.Dienaangaande iso.a.aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd vanFlorabehoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen vanLuther, de halve groote as vanParthenopegelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening vanGoldschmidt, de halve baan-as vanClio(Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.IV.OVERZIGTVAN EENIGE HOEDANIGHEDEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.OMWENTELINGSTIJD.MIDDELLIJN.AFPLATTING.BETREKKELIJKE VOLUMEN.SCHIJNBARE.WARE.BETREKKELIJKE.u.m.s.m.Mercurius2456,696710,391 : 16,8Venus23212117,101,7150,991 : 1,004Aarde235641,7191,00StartFraction 1 Over 299 EndFractionMars2437225,88840,511 : 7,33Vesta0,29660,031 : 17688Pallas0,551450,081 : 1661Jupiter9552638,420,01811,65one-seventeenth1491 : 1Saturnus10291717,116,3059,49one-tenth772 : 1Uranus4,17,8664,57one-ninth87 : 1Neptunus2,47,3004,2577 : 1Zon610 u.1920,8192,608112,051409725 : 1EINDE.1Nadat de vermoedelijke plaats van het onbekend hemelligchaam doorLeverrierwas aangewezen. De loopbaan dezer planeet was ook reeds doorAdamsberekend geworden.↑Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Het bovenste gedeelte dezer plaat bevindt zich aan den zolder der kamer, het benedenste boven de bedstede en kasten.Getekend door E. Eisinga en K. J. Sannes, naar den stand der hemelligchamen op Vrijdag den 24 Maart 1829, des morgens te 7½ uur.ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Beschrijving van het Rijks-Planetarium te FranekerAuteur:Jean Henri van Swinden (1746–1823)InfoBijdrager:Wopke Eekhoff (1809–1880)InfoIllustrator:Klaas Joh. Sannes (c.1763–1830)InfoTaal:Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)Oorspronkelijke uitgiftedatum:1851CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2020-04-12 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstandn.v.t.AthenaeumAthenæum2n.v.t.AkademienAkademiën1 / 04studienstudiën1 / 05TheorieThéorie1 / 015deskundigendeskundige117,87,110,114,148[Niet in bron].121welverrewel verre125[Niet in bron]”125[Niet in bron]„135waardidigenwaardigen247zee-horologienzee-horologiën1 / 048,60ItalieItalië1 / 055bebeschrijvenbeschrijven256eenen157HoogduischHoogduitsch15766e161impositienimpositiën1 / 061havenspecienhavenspeciën1 / 066apogaeumapogæum269dwaal-sterrendwaalsterren171,77anomalienanomaliën1 / 084biliotheekbibliotheek184bijby286onmiddelijkonmiddellijk187Einleitung zu KentnisAnleiting zur Kenntnis587AaardeAarde1107evenachtslijnevennachtslijn1112Einleitung zur KentnisAnleiting zur Kenntnis4118.[Verwijderd]1143[Niet in bron]zal4151[Niet in bron])1156[Niet in bron],1161luidluidt1162-163IVIII2AfkortingenOverzicht van gebruikte afkortingen.AfkortingUitgeschrevenL.K.Laatste kwartierN.M.Nieuwe Maano.a.onder andere
BIJVOEGSELSTOT DEVOORGAANDE BESCHRIJVING,BENEVENS EENAANHANGSELWEGENS EENKLEIN PLANETARIUM,DOOREISE EISINGA,GEVOEGD BIJ DEN TWEEDEN DRUK VAN 1824.De beschrijving van den hoogleeraarVan Swinden, in den jare 1780 in het licht gegeven, is bij dezen herdruk bijna woordelijk in zijn geheel gelaten1.Ik zal de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk ondergaan heeft, naar de volgorde der §§ opgeven.§4.In den eersten druk staat: „Verder naar de Bedsteede, treft men op dezelfde zolderingdrieCirkels aan.” Aldaar zijn nuvijfcirkels of wijzers. Zie de plaat.§5.Het woordklimmende knoopis nu verwisseld metMaans noordknoop, dat de zelfde beteekenis heeft. Zie de plaat.§8.leest men: „Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijntweekleine wijzers.” Dit is nueenop ieder pilaster. Zie de plaat. De beide bovenste wijzers heb ik laten zakken tot op het midden van de pilasters, en de beide onderste zijn van daar weggenomen, en aan den zolder geplaatst. De overige veranderingen, die deze § ondergaan heeft, ziet men in het zesde hoofdstuk, over de Maanwijzers, §88en vervolgens.§12.Het uiterlijke aanzien was in 1780, toen de hoogleeraar de beschrijving in het licht gaf, maar met krijt afgeteekend, en is in 1781 door mij zelven, met eenige hulp van mijnen thans overledenen broederS. Eisinga, naar eisch volbragt, en er is in de sedert verloopene drie en veertig jaren niets aan verbeterd. Zelfs de verplaatste Maanwijzersplaten zijn nog maar op papier afgeteekend. Alleen het bordje of plankje met jaargetallen is reeds tweemaal vervolgd, omdat er maar 23 jaargetallen op kunnen geplaatst worden. Met het vierde jaar na 1774 was hetplanetariumreeds gangbaar. (Zie de inleiding tot de beschrijving vanVan Swinden.) In 1776 was de verzetting der jaargetallen klaar, en geschilderd tot 1798; de tweede 23 jaargetallen liepen van 1799 tot 1821 ingesloten; die, welke thans op het bordje geschilderd staan, loopen van 1822 tot 1844 ingesloten. Door deze lange reeks van jaren is de uiterlijke glans al vrij wat verdonkerd, voornamelijk de hemelsblaauwe grondkleur en het wit; misschien wordt hetzelve binnen kort weder in zijnen vorigenluister opgeschilderd en verguld. Dit is thans des te noodiger, omdat bij de tweede uitgave drie in koper gegraveerde en gekleurde platen gevoegd zijn, welke anders het werk zelve in uiterlijk aanzien zouden overtreffen; waardoor de liefhebbers, die, in vervolg van tijd, het werktuig komen bezigtigen, zich te leur gesteld zouden kunnen rekenen, omdat de platen het werk zelve in uiterlijken glans verre te boven gaan.§42.Om de Aardemiddelpuntige lengte van iedere planeet vrij naauwkeurig te kunnen vinden, heb ik, na de uitgave der beschrijving van den heerVan Swinden, benevens den draad uit het middelpunt der Zon, waaraan eene groote vergulde bal hangt, ook eenen draad van het Aardbolletje laten afhangen, waaraan een kleiner balletje is vast gemaakt, hetwelk dus met onze Aarde, eens in het jaar, om de bal, die van de Zon afhangt, beweegt. Deze beide vergulden ballen, waarvan de groote of Zonnebal van hout, en de kleine of Aardbal van lood is, dienen alleen, om, door hunne zwaarte, de beide draden of touwtjes regt te houden. Door middel van deze beide touwtjes kan men de schijnbare of Aardemiddelpuntige plaatsen van al de planeten zoeken, op deze wijze: Men gaat aan den kant van de kamer, zoodanig, dat de planeet, welker schijnbare of Aardemiddelpuntige lengte men begeert te weten, achter den graad van onze Aarde komt; dan ziet men te gelijk, waar de draad van de Zon op deeclipticaof zevende sleuf valt: het teeken en de draad van dezelve is de plaats van die planeet, uit onze Aarde beschouwd. Als de planeet met de Zon en de Aarde in eene regte lijn staat, is de ware plaats ook de schijnbare; is de planeet aan de regterhand van de Zon, dan is de schijnbare lengte altijd minder dan de ware lengte; integendeel, de planeet aan de linkerhand zijnde, is de schijnbare lengte altijd meer dan de ware lengte. In het eerste geval komt de planeet voor de Zon op, en gaat voor dezelve onder; en in het tweede gaat zij na de Zon op en onder.§ 86 (nu §88).De lichtgestalten der Maan werden bij de eerste uitgave van dit werk vertoond op de pilaster aan de linkerhand, door den ondersten wijzer op dezelve, met nameafstand der Maan van de Zon, volgens het laatste gedeelte van §8. Zij worden nu vertoond aan den zolder aan de regterhand (zie de plaat), door eenen langen wijzer, die in 29 dagen 12 uren en 44 minuten ééns rondgaat. De plaat voor dezen wijzer is verdeeld in 24 wassende en afnemende lichtgestalten, zoodat men dagelijks dephasisder Maan ziet aangewezen. Binnen de wassende en afnemende lichtgestalten is nog een cirkel, in 29½ dagen verdeeld, verbeeldende den ouderdom der Maan (dat is, het getal van de dagen, die verloopen zijn na de laatste nieuwe Maan), veel duidelijker dan te voren op de pilaster, omdat de cirkel, waarin de 24 verschillende lichtgestalten worden aangewezen, 22 duim in diameter is, daar de opening in de plaat, waarvan § 91 (nu §93) gehandeld wordt, maar 1 duim middellijn had. De wijzer draagt nu tot opschriftlichtgestalten der Maan. De afstand der Maan van de Zon is voor ieder der afgebeelde 24 lichtgestalten 15 graden of een half teeken. Met de nieuwe Maan staat de wijzer op eene geheel duistere plek; in den eerstvolgenden stand is een klein strookje verlicht; verder teekent de wijzer op het zesde vak, dat is drie teekens van de Zon, het eerste kwartier, half verlicht; wast verder aan, tot dat de wijzer de twaalfde plek aanwijst, dan is het volle Maan; neemt vervolgens weder af, tot dat het licht gedeelte half verdwenen is, dan is het laatste kwartier; neemt vervolgens af, tot dat het licht gedeelte geheel verdwenen is, dan is het weder nieuwe Maan.De ongelijke lengte der Maneschijnen, dat is, de tijd van de eene nieuwe Maan tot de andere, neemt deze wijzer naauwkeurig in acht, volgens de beschrijving vanVan Swinden, § 92 tot 95. (nu §94tot97) ingesloten.Tot de aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde (zie bl. 100 van den 1sten, bl. 113 van den 2denen bl. 128 van den3dendruk)behooren vijf Maanwijzers. Er waren, bij de eerste uitgave van de beschrijving, twee groote aan de zoldering (§5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de linker pilaster (§8); nu heeft men drie groote aan den zolder, genaamdlengte der Maan op de ecliptica, hetverste punt der Maan, en deMaans noordknoop, en op ieder pilaster een kleine; die aan de regterhand voor den afstand der Maan van den noordknoop, en die aan de linkerhand voor den afstand van het verste punt (zie de Plaat).§ 109 (nu §111).De wijzer onder op de regter pilaster, die de lengte der Maan aanwijst, is nu van de pilaster aan den zolder gebragt, aan de linkerhand, op de plaat genaamdlengte der Maan op de ecliptica.De redenen, welke mij bewogen hebben, om de beide onderste wijzers van de pilasters weg te nemen en aan de zoldering te plaatsen, was, omdat aan den zolder meer ruimte was, om de wijzers te verlengen, daardoor grootere cirkels te beschrijven, en de teekens en lichtgestalten naauwkeuriger te kunnen doen zien; ook had ik tot de beweging van die beide wijzers nog andere tanden berekend, die nog iets nader bij de waarheid kwamen.Hierdoor ontstond eene geheele verschikking en verplaatsing in meest al het raderwerk voor de Maanwijzers, De beide bovenste wijzers moesten zakken tot in het midden, en voor de aan den zolder overgebragte moesten nieuwe assen en verscheidene nieuwe raderen worden gemaakt.Over de Platen, bij den tweeden druk gevoegd.De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den HoogleeraarVan Swindenzoo naauwkeurig beschreven,in naturate komen bezigtigen,nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1½ duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net ⅛ van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopmanKlaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3¾ graad inAries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het ⅓ gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1⅓ graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3¾ graad inAries, en dus inconjunctiemet de Zon. Jupiter was bijna 3 graden inPisces. Mars 26 graden inLeo. De Aarde 3¾ graden inLibra. De Maan 11 graden inLeo. Venus 11 en Mercurius 26 graden inCancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden inLeo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden inAries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10½ dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzingvan het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft:de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10½ dagen na de nieuwe; dus kwam zijbij dagop.Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17½ graden.Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op deecliptica3¾ graad inAries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven denhorizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn:Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog;Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog;Alamak Mirach, hethoofd van Andromedaen de Ram, in het oost-noord-oosten; deZwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog;Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog;Wega, of de heldere in deLier, in het zuid-westen, 73 graden hoog;Herculesen denoorder Kroon, in het westen;Bootes, de helderste in dezelve,Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; degroote Beerin het noord-westen, en dekleine Beerin het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden,zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren2.De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeftde Maan gaat onder, teekende 4½ uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopmanKlaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op §42van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten vanFriesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen,openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heerC. Ekama, professor teLeiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.1Alleen heeft er eene geringe verschikking plaats gehad in de nummers der §§. In den eersten druk vindt men de § 76, 80 en 110 tweemaal, en door een teeken (*) onderscheiden; in dezen herdruk zijn de nummers geregeld vervolgd. Omtrent die §§, welke in dit bijvoegsel voorkomen, en van dezen herdruk verschillen, wordt dit verschil aangewezen.↑2De buitenste rand van deze wijzerplaat, alsmede die op de linker pilaster, die den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, is in 30 graden verdeeld; welke graden, wegens de kleinheid dier wijzerplaten, niet duidelijk konden worden afgeteekend op de plaat No. 2.↑
BIJVOEGSELSTOT DEVOORGAANDE BESCHRIJVING,BENEVENS EENAANHANGSELWEGENS EENKLEIN PLANETARIUM,DOOREISE EISINGA,GEVOEGD BIJ DEN TWEEDEN DRUK VAN 1824.
De beschrijving van den hoogleeraarVan Swinden, in den jare 1780 in het licht gegeven, is bij dezen herdruk bijna woordelijk in zijn geheel gelaten1.Ik zal de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk ondergaan heeft, naar de volgorde der §§ opgeven.§4.In den eersten druk staat: „Verder naar de Bedsteede, treft men op dezelfde zolderingdrieCirkels aan.” Aldaar zijn nuvijfcirkels of wijzers. Zie de plaat.§5.Het woordklimmende knoopis nu verwisseld metMaans noordknoop, dat de zelfde beteekenis heeft. Zie de plaat.§8.leest men: „Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijntweekleine wijzers.” Dit is nueenop ieder pilaster. Zie de plaat. De beide bovenste wijzers heb ik laten zakken tot op het midden van de pilasters, en de beide onderste zijn van daar weggenomen, en aan den zolder geplaatst. De overige veranderingen, die deze § ondergaan heeft, ziet men in het zesde hoofdstuk, over de Maanwijzers, §88en vervolgens.§12.Het uiterlijke aanzien was in 1780, toen de hoogleeraar de beschrijving in het licht gaf, maar met krijt afgeteekend, en is in 1781 door mij zelven, met eenige hulp van mijnen thans overledenen broederS. Eisinga, naar eisch volbragt, en er is in de sedert verloopene drie en veertig jaren niets aan verbeterd. Zelfs de verplaatste Maanwijzersplaten zijn nog maar op papier afgeteekend. Alleen het bordje of plankje met jaargetallen is reeds tweemaal vervolgd, omdat er maar 23 jaargetallen op kunnen geplaatst worden. Met het vierde jaar na 1774 was hetplanetariumreeds gangbaar. (Zie de inleiding tot de beschrijving vanVan Swinden.) In 1776 was de verzetting der jaargetallen klaar, en geschilderd tot 1798; de tweede 23 jaargetallen liepen van 1799 tot 1821 ingesloten; die, welke thans op het bordje geschilderd staan, loopen van 1822 tot 1844 ingesloten. Door deze lange reeks van jaren is de uiterlijke glans al vrij wat verdonkerd, voornamelijk de hemelsblaauwe grondkleur en het wit; misschien wordt hetzelve binnen kort weder in zijnen vorigenluister opgeschilderd en verguld. Dit is thans des te noodiger, omdat bij de tweede uitgave drie in koper gegraveerde en gekleurde platen gevoegd zijn, welke anders het werk zelve in uiterlijk aanzien zouden overtreffen; waardoor de liefhebbers, die, in vervolg van tijd, het werktuig komen bezigtigen, zich te leur gesteld zouden kunnen rekenen, omdat de platen het werk zelve in uiterlijken glans verre te boven gaan.§42.Om de Aardemiddelpuntige lengte van iedere planeet vrij naauwkeurig te kunnen vinden, heb ik, na de uitgave der beschrijving van den heerVan Swinden, benevens den draad uit het middelpunt der Zon, waaraan eene groote vergulde bal hangt, ook eenen draad van het Aardbolletje laten afhangen, waaraan een kleiner balletje is vast gemaakt, hetwelk dus met onze Aarde, eens in het jaar, om de bal, die van de Zon afhangt, beweegt. Deze beide vergulden ballen, waarvan de groote of Zonnebal van hout, en de kleine of Aardbal van lood is, dienen alleen, om, door hunne zwaarte, de beide draden of touwtjes regt te houden. Door middel van deze beide touwtjes kan men de schijnbare of Aardemiddelpuntige plaatsen van al de planeten zoeken, op deze wijze: Men gaat aan den kant van de kamer, zoodanig, dat de planeet, welker schijnbare of Aardemiddelpuntige lengte men begeert te weten, achter den graad van onze Aarde komt; dan ziet men te gelijk, waar de draad van de Zon op deeclipticaof zevende sleuf valt: het teeken en de draad van dezelve is de plaats van die planeet, uit onze Aarde beschouwd. Als de planeet met de Zon en de Aarde in eene regte lijn staat, is de ware plaats ook de schijnbare; is de planeet aan de regterhand van de Zon, dan is de schijnbare lengte altijd minder dan de ware lengte; integendeel, de planeet aan de linkerhand zijnde, is de schijnbare lengte altijd meer dan de ware lengte. In het eerste geval komt de planeet voor de Zon op, en gaat voor dezelve onder; en in het tweede gaat zij na de Zon op en onder.§ 86 (nu §88).De lichtgestalten der Maan werden bij de eerste uitgave van dit werk vertoond op de pilaster aan de linkerhand, door den ondersten wijzer op dezelve, met nameafstand der Maan van de Zon, volgens het laatste gedeelte van §8. Zij worden nu vertoond aan den zolder aan de regterhand (zie de plaat), door eenen langen wijzer, die in 29 dagen 12 uren en 44 minuten ééns rondgaat. De plaat voor dezen wijzer is verdeeld in 24 wassende en afnemende lichtgestalten, zoodat men dagelijks dephasisder Maan ziet aangewezen. Binnen de wassende en afnemende lichtgestalten is nog een cirkel, in 29½ dagen verdeeld, verbeeldende den ouderdom der Maan (dat is, het getal van de dagen, die verloopen zijn na de laatste nieuwe Maan), veel duidelijker dan te voren op de pilaster, omdat de cirkel, waarin de 24 verschillende lichtgestalten worden aangewezen, 22 duim in diameter is, daar de opening in de plaat, waarvan § 91 (nu §93) gehandeld wordt, maar 1 duim middellijn had. De wijzer draagt nu tot opschriftlichtgestalten der Maan. De afstand der Maan van de Zon is voor ieder der afgebeelde 24 lichtgestalten 15 graden of een half teeken. Met de nieuwe Maan staat de wijzer op eene geheel duistere plek; in den eerstvolgenden stand is een klein strookje verlicht; verder teekent de wijzer op het zesde vak, dat is drie teekens van de Zon, het eerste kwartier, half verlicht; wast verder aan, tot dat de wijzer de twaalfde plek aanwijst, dan is het volle Maan; neemt vervolgens weder af, tot dat het licht gedeelte half verdwenen is, dan is het laatste kwartier; neemt vervolgens af, tot dat het licht gedeelte geheel verdwenen is, dan is het weder nieuwe Maan.De ongelijke lengte der Maneschijnen, dat is, de tijd van de eene nieuwe Maan tot de andere, neemt deze wijzer naauwkeurig in acht, volgens de beschrijving vanVan Swinden, § 92 tot 95. (nu §94tot97) ingesloten.Tot de aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde (zie bl. 100 van den 1sten, bl. 113 van den 2denen bl. 128 van den3dendruk)behooren vijf Maanwijzers. Er waren, bij de eerste uitgave van de beschrijving, twee groote aan de zoldering (§5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de linker pilaster (§8); nu heeft men drie groote aan den zolder, genaamdlengte der Maan op de ecliptica, hetverste punt der Maan, en deMaans noordknoop, en op ieder pilaster een kleine; die aan de regterhand voor den afstand der Maan van den noordknoop, en die aan de linkerhand voor den afstand van het verste punt (zie de Plaat).§ 109 (nu §111).De wijzer onder op de regter pilaster, die de lengte der Maan aanwijst, is nu van de pilaster aan den zolder gebragt, aan de linkerhand, op de plaat genaamdlengte der Maan op de ecliptica.De redenen, welke mij bewogen hebben, om de beide onderste wijzers van de pilasters weg te nemen en aan de zoldering te plaatsen, was, omdat aan den zolder meer ruimte was, om de wijzers te verlengen, daardoor grootere cirkels te beschrijven, en de teekens en lichtgestalten naauwkeuriger te kunnen doen zien; ook had ik tot de beweging van die beide wijzers nog andere tanden berekend, die nog iets nader bij de waarheid kwamen.Hierdoor ontstond eene geheele verschikking en verplaatsing in meest al het raderwerk voor de Maanwijzers, De beide bovenste wijzers moesten zakken tot in het midden, en voor de aan den zolder overgebragte moesten nieuwe assen en verscheidene nieuwe raderen worden gemaakt.Over de Platen, bij den tweeden druk gevoegd.De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den HoogleeraarVan Swindenzoo naauwkeurig beschreven,in naturate komen bezigtigen,nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1½ duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net ⅛ van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopmanKlaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3¾ graad inAries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het ⅓ gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1⅓ graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3¾ graad inAries, en dus inconjunctiemet de Zon. Jupiter was bijna 3 graden inPisces. Mars 26 graden inLeo. De Aarde 3¾ graden inLibra. De Maan 11 graden inLeo. Venus 11 en Mercurius 26 graden inCancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden inLeo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden inAries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10½ dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzingvan het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft:de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10½ dagen na de nieuwe; dus kwam zijbij dagop.Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17½ graden.Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op deecliptica3¾ graad inAries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven denhorizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn:Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog;Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog;Alamak Mirach, hethoofd van Andromedaen de Ram, in het oost-noord-oosten; deZwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog;Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog;Wega, of de heldere in deLier, in het zuid-westen, 73 graden hoog;Herculesen denoorder Kroon, in het westen;Bootes, de helderste in dezelve,Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; degroote Beerin het noord-westen, en dekleine Beerin het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden,zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren2.De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeftde Maan gaat onder, teekende 4½ uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopmanKlaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op §42van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten vanFriesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen,openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heerC. Ekama, professor teLeiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.
De beschrijving van den hoogleeraarVan Swinden, in den jare 1780 in het licht gegeven, is bij dezen herdruk bijna woordelijk in zijn geheel gelaten1.
Ik zal de veranderingen en verbeteringen, welke het kunststuk ondergaan heeft, naar de volgorde der §§ opgeven.
§4.
In den eersten druk staat: „Verder naar de Bedsteede, treft men op dezelfde zolderingdrieCirkels aan.” Aldaar zijn nuvijfcirkels of wijzers. Zie de plaat.
§5.
Het woordklimmende knoopis nu verwisseld metMaans noordknoop, dat de zelfde beteekenis heeft. Zie de plaat.
§8.
leest men: „Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijntweekleine wijzers.” Dit is nueenop ieder pilaster. Zie de plaat. De beide bovenste wijzers heb ik laten zakken tot op het midden van de pilasters, en de beide onderste zijn van daar weggenomen, en aan den zolder geplaatst. De overige veranderingen, die deze § ondergaan heeft, ziet men in het zesde hoofdstuk, over de Maanwijzers, §88en vervolgens.
§12.
Het uiterlijke aanzien was in 1780, toen de hoogleeraar de beschrijving in het licht gaf, maar met krijt afgeteekend, en is in 1781 door mij zelven, met eenige hulp van mijnen thans overledenen broederS. Eisinga, naar eisch volbragt, en er is in de sedert verloopene drie en veertig jaren niets aan verbeterd. Zelfs de verplaatste Maanwijzersplaten zijn nog maar op papier afgeteekend. Alleen het bordje of plankje met jaargetallen is reeds tweemaal vervolgd, omdat er maar 23 jaargetallen op kunnen geplaatst worden. Met het vierde jaar na 1774 was hetplanetariumreeds gangbaar. (Zie de inleiding tot de beschrijving vanVan Swinden.) In 1776 was de verzetting der jaargetallen klaar, en geschilderd tot 1798; de tweede 23 jaargetallen liepen van 1799 tot 1821 ingesloten; die, welke thans op het bordje geschilderd staan, loopen van 1822 tot 1844 ingesloten. Door deze lange reeks van jaren is de uiterlijke glans al vrij wat verdonkerd, voornamelijk de hemelsblaauwe grondkleur en het wit; misschien wordt hetzelve binnen kort weder in zijnen vorigenluister opgeschilderd en verguld. Dit is thans des te noodiger, omdat bij de tweede uitgave drie in koper gegraveerde en gekleurde platen gevoegd zijn, welke anders het werk zelve in uiterlijk aanzien zouden overtreffen; waardoor de liefhebbers, die, in vervolg van tijd, het werktuig komen bezigtigen, zich te leur gesteld zouden kunnen rekenen, omdat de platen het werk zelve in uiterlijken glans verre te boven gaan.
§42.
Om de Aardemiddelpuntige lengte van iedere planeet vrij naauwkeurig te kunnen vinden, heb ik, na de uitgave der beschrijving van den heerVan Swinden, benevens den draad uit het middelpunt der Zon, waaraan eene groote vergulde bal hangt, ook eenen draad van het Aardbolletje laten afhangen, waaraan een kleiner balletje is vast gemaakt, hetwelk dus met onze Aarde, eens in het jaar, om de bal, die van de Zon afhangt, beweegt. Deze beide vergulden ballen, waarvan de groote of Zonnebal van hout, en de kleine of Aardbal van lood is, dienen alleen, om, door hunne zwaarte, de beide draden of touwtjes regt te houden. Door middel van deze beide touwtjes kan men de schijnbare of Aardemiddelpuntige plaatsen van al de planeten zoeken, op deze wijze: Men gaat aan den kant van de kamer, zoodanig, dat de planeet, welker schijnbare of Aardemiddelpuntige lengte men begeert te weten, achter den graad van onze Aarde komt; dan ziet men te gelijk, waar de draad van de Zon op deeclipticaof zevende sleuf valt: het teeken en de draad van dezelve is de plaats van die planeet, uit onze Aarde beschouwd. Als de planeet met de Zon en de Aarde in eene regte lijn staat, is de ware plaats ook de schijnbare; is de planeet aan de regterhand van de Zon, dan is de schijnbare lengte altijd minder dan de ware lengte; integendeel, de planeet aan de linkerhand zijnde, is de schijnbare lengte altijd meer dan de ware lengte. In het eerste geval komt de planeet voor de Zon op, en gaat voor dezelve onder; en in het tweede gaat zij na de Zon op en onder.
§ 86 (nu §88).
De lichtgestalten der Maan werden bij de eerste uitgave van dit werk vertoond op de pilaster aan de linkerhand, door den ondersten wijzer op dezelve, met nameafstand der Maan van de Zon, volgens het laatste gedeelte van §8. Zij worden nu vertoond aan den zolder aan de regterhand (zie de plaat), door eenen langen wijzer, die in 29 dagen 12 uren en 44 minuten ééns rondgaat. De plaat voor dezen wijzer is verdeeld in 24 wassende en afnemende lichtgestalten, zoodat men dagelijks dephasisder Maan ziet aangewezen. Binnen de wassende en afnemende lichtgestalten is nog een cirkel, in 29½ dagen verdeeld, verbeeldende den ouderdom der Maan (dat is, het getal van de dagen, die verloopen zijn na de laatste nieuwe Maan), veel duidelijker dan te voren op de pilaster, omdat de cirkel, waarin de 24 verschillende lichtgestalten worden aangewezen, 22 duim in diameter is, daar de opening in de plaat, waarvan § 91 (nu §93) gehandeld wordt, maar 1 duim middellijn had. De wijzer draagt nu tot opschriftlichtgestalten der Maan. De afstand der Maan van de Zon is voor ieder der afgebeelde 24 lichtgestalten 15 graden of een half teeken. Met de nieuwe Maan staat de wijzer op eene geheel duistere plek; in den eerstvolgenden stand is een klein strookje verlicht; verder teekent de wijzer op het zesde vak, dat is drie teekens van de Zon, het eerste kwartier, half verlicht; wast verder aan, tot dat de wijzer de twaalfde plek aanwijst, dan is het volle Maan; neemt vervolgens weder af, tot dat het licht gedeelte half verdwenen is, dan is het laatste kwartier; neemt vervolgens af, tot dat het licht gedeelte geheel verdwenen is, dan is het weder nieuwe Maan.
De ongelijke lengte der Maneschijnen, dat is, de tijd van de eene nieuwe Maan tot de andere, neemt deze wijzer naauwkeurig in acht, volgens de beschrijving vanVan Swinden, § 92 tot 95. (nu §94tot97) ingesloten.
Tot de aanwijzing van de beweging der Maan om de Aarde (zie bl. 100 van den 1sten, bl. 113 van den 2denen bl. 128 van den3dendruk)behooren vijf Maanwijzers. Er waren, bij de eerste uitgave van de beschrijving, twee groote aan de zoldering (§5), de twee kleine op de regter pilaster, en de bovenste op de linker pilaster (§8); nu heeft men drie groote aan den zolder, genaamdlengte der Maan op de ecliptica, hetverste punt der Maan, en deMaans noordknoop, en op ieder pilaster een kleine; die aan de regterhand voor den afstand der Maan van den noordknoop, en die aan de linkerhand voor den afstand van het verste punt (zie de Plaat).
§ 109 (nu §111).
De wijzer onder op de regter pilaster, die de lengte der Maan aanwijst, is nu van de pilaster aan den zolder gebragt, aan de linkerhand, op de plaat genaamdlengte der Maan op de ecliptica.
De redenen, welke mij bewogen hebben, om de beide onderste wijzers van de pilasters weg te nemen en aan de zoldering te plaatsen, was, omdat aan den zolder meer ruimte was, om de wijzers te verlengen, daardoor grootere cirkels te beschrijven, en de teekens en lichtgestalten naauwkeuriger te kunnen doen zien; ook had ik tot de beweging van die beide wijzers nog andere tanden berekend, die nog iets nader bij de waarheid kwamen.
Hierdoor ontstond eene geheele verschikking en verplaatsing in meest al het raderwerk voor de Maanwijzers, De beide bovenste wijzers moesten zakken tot in het midden, en voor de aan den zolder overgebragte moesten nieuwe assen en verscheidene nieuwe raderen worden gemaakt.
Over de Platen, bij den tweeden druk gevoegd.De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den HoogleeraarVan Swindenzoo naauwkeurig beschreven,in naturate komen bezigtigen,nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1½ duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net ⅛ van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopmanKlaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3¾ graad inAries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het ⅓ gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1⅓ graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3¾ graad inAries, en dus inconjunctiemet de Zon. Jupiter was bijna 3 graden inPisces. Mars 26 graden inLeo. De Aarde 3¾ graden inLibra. De Maan 11 graden inLeo. Venus 11 en Mercurius 26 graden inCancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden inLeo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden inAries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10½ dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzingvan het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft:de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10½ dagen na de nieuwe; dus kwam zijbij dagop.Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17½ graden.Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op deecliptica3¾ graad inAries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven denhorizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn:Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog;Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog;Alamak Mirach, hethoofd van Andromedaen de Ram, in het oost-noord-oosten; deZwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog;Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog;Wega, of de heldere in deLier, in het zuid-westen, 73 graden hoog;Herculesen denoorder Kroon, in het westen;Bootes, de helderste in dezelve,Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; degroote Beerin het noord-westen, en dekleine Beerin het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden,zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren2.De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeftde Maan gaat onder, teekende 4½ uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopmanKlaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op §42van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten vanFriesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen,openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heerC. Ekama, professor teLeiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.
Over de Platen, bij den tweeden druk gevoegd.
De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den HoogleeraarVan Swindenzoo naauwkeurig beschreven,in naturate komen bezigtigen,nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1½ duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net ⅛ van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopmanKlaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3¾ graad inAries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het ⅓ gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1⅓ graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3¾ graad inAries, en dus inconjunctiemet de Zon. Jupiter was bijna 3 graden inPisces. Mars 26 graden inLeo. De Aarde 3¾ graden inLibra. De Maan 11 graden inLeo. Venus 11 en Mercurius 26 graden inCancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden inLeo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden inAries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10½ dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzingvan het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft:de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10½ dagen na de nieuwe; dus kwam zijbij dagop.Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17½ graden.Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op deecliptica3¾ graad inAries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven denhorizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn:Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog;Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog;Alamak Mirach, hethoofd van Andromedaen de Ram, in het oost-noord-oosten; deZwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog;Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog;Wega, of de heldere in deLier, in het zuid-westen, 73 graden hoog;Herculesen denoorder Kroon, in het westen;Bootes, de helderste in dezelve,Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; degroote Beerin het noord-westen, en dekleine Beerin het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden,zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren2.De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeftde Maan gaat onder, teekende 4½ uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopmanKlaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op §42van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten vanFriesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen,openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heerC. Ekama, professor teLeiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.
De drie, bij den tweeden druk gevoegde, platen kunnen dienen, om aan liefhebbers, die, wegens verafgelegene woonplaats, ouderdom of beroep, niet, of althans bezwaarlijk, in de gelegenheid zijn, om het werk, door den HoogleeraarVan Swindenzoo naauwkeurig beschreven,in naturate komen bezigtigen,nog klaarder denkbeeld te geven van de uiterlijke vertooning van het geheele werktuig. Ook kunnen ze dienen, om de betrekkelijke of uitgestrekte grootte van iedere loopbaan der planeten aan te toonen: want ze zijn naar het werk zelf in mijne kamer afgeteekend, volgens de schaal op plaat No. 1, welke schaal ieder voet in 1½ duim oude Friesche maat bevat, en dus zijn de afteekeningen net ⅛ van de grootte van het eigenlijke werk. Dit is almede de betrekkelijke grootte van de wijzerplaten, op de platen No. 1 en 2 afgeteekend.
De platen No. 1 en 2 zijn door mij zelven, met behulp van mijnen vriend, den koopmanKlaas Joh. Sannes, in de maanden Maart en April 1820 gemaakt, en de standplaatsen der planeetbollen, Zon- en Maanwijzers zijn gesteld, zoo als het werktuig, hetwelk door de schommeling van eenen slinger bewogen wordt, dezelve aanwees op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. Toen stond de Zon- en Datumwijzer, die langs de grootste of buitenste sleuf aan den zolder beweegt, en op de plaat No. 1 is afgeteekend, op 3¾ graad inAries, voor de lengte van de Zon, met het binneneinde, en op het ⅓ gedeelte van den 24 dag der maand Maart, en wees 1⅓ graad noorder declinatie der Zon met het buiteneinde aan. De planeet Saturnus was ook 3¾ graad inAries, en dus inconjunctiemet de Zon. Jupiter was bijna 3 graden inPisces. Mars 26 graden inLeo. De Aarde 3¾ graden inLibra. De Maan 11 graden inLeo. Venus 11 en Mercurius 26 graden inCancer. Het verste punt van de Maan was 28 graden inLeo, en de noorder knoop van dezelve was 2 graden inAries. De wijzer voor de lichtgestalten der Maan teekende deszelfs ouderdom 10½ dagen. De dagwijzer Vrijdag morgen tusschen 7 en 8 uur, en het jaargetal binnen den cirkel der dagen 1820.
De plaat No. 2 verbeeldt dat gedeelte van het werktuig, dat aan de schutting is te zien. Zij is naar de zelfde schaal als de plaat No. 1 afgeteekend, en het hemelsplein, met de Zon en vaste sterren (voor zoo veel de kleinheid der teekening toeliet), benevens de Zon- en Maanwijzers zijn ook volgens aanwijzingvan het originele werk geteekend, op Vrijdag den 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De wijzer boven de kast aan de linkerhand, die tot opschrift heeft:de Maan komt op, teekende toen een half kwartier over 12 uur; dat dit op den middag, en niet na middernacht was, blijkt uit den stand des wijzers, op plaat No. 1, die de lichtgestalten der Maan aanwijst, met haren ouderdom, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan, of 10½ dagen na de nieuwe; dus kwam zijbij dagop.
Het wijzertje op de pilaster aan de linkerhand, dat den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, teekende O teekens en 17½ graden.
Het wijzertje op het middelste paneel aan de linkerhand wees den Zons-opgang iets voor 6 uur.
Het hemelsplein, waarop de schijnbare beweging der Zon en vaste sterren vertoond wordt, teekende op gemelden tijd de plaats der Zon op deecliptica3¾ graad inAries, in het oost-zuid-oosten, 14 graden boven denhorizont. De voornaamste sterren, die destijds boven den horizont waren, zijn:Capella, in het noord-noord-oosten, 12 graden hoog;Pleiades, noord-oost ten oosten, 3 graden hoog;Alamak Mirach, hethoofd van Andromedaen de Ram, in het oost-noord-oosten; deZwaan, in het zuid-oosten, 70 graden hoog;Atiar, de heldere in den Arend, in het zuiden, 46 graden hoog;Wega, of de heldere in deLier, in het zuid-westen, 73 graden hoog;Herculesen denoorder Kroon, in het westen;Bootes, de helderste in dezelve,Arcturus, in het westen ten noorden, 20 graden hoog; degroote Beerin het noord-westen, en dekleine Beerin het noord-noord-westen enz. Deze standplaatsen van eenige vaste sterren zijn hier aangeteekend, omdat dezelve op de plaat No. 2, wegens de kleinheid van het hemelsplein, niet wel duidelijk konden vertoond worden.
Het wijzertje aan de regterhand, naast het hemelsplein, wees den ondergang der Zon, op gemelden 24 Maart, iets na 6 uur.
Het wijzertje op de regter pilaster, dat den afstand der Maan van den noorder-knoop aanwijst, teekende IV teekens en 11 graden,zoodat de teeken- en de graadwijzer bijna regt boven elkander waren2.
De wijzer boven de kast aan de regterhand, die tot opschrift heeftde Maan gaat onder, teekende 4½ uur; dat dit in den morgenstond was, blijkt uit de vergelijking van den wijzer, die de lichtgestalten der Maan, of haren ouderdom, zie plaat No. 1, aanwijst, zijnde toen tusschen het eerste kwartier en de volle Maan.
De plaat No. 3 is eene perspective afteekening van het geheele vertrek, waarin het werktuig geplaatst is, uit het oogpunt te zien voor den schoorsteen, 3 voet boven den vloer, geteekend door den koopmanKlaas Joh. Sannes. De planeetbollen en Zon- en Maanwijzers zijn aldaar afgebeeld, zoo als zij zich vertoonden op meergemelden 24 Maart 1820, des morgens om 7½ uur. De beide vergulden ballen, die uit de Zon en van onzen Aardbol afhangen, zijn op deze plaat, naar hunne betrekkelijke grootte, afgeteekend. De voor liefhebbers zeer aangename dienst, welke door de dagelijksche beweging van den kleinen bal om den Zonnebal wordt te weeg gebragt, is alhier, in de verandering op §42van de beschrijving, naauwkeurig aangewezen.
Voor het overige, daar men de binnenkamer moest afteekenen, gelijk zij bij de bezigtiging van het werktuig zich vertoont, vindt men haar betimmerd en gemeubileerd, gelijk zij was sedert het jaar 1774. Alleen het zilver, dat in het vertrek gewoonlijk staat op eene tafel, is een present van de Staten vanFriesland, in 1784 ontvangen, en onder op deze plaat, aan de regterhand, afgeteekend. Het overige, dat tot den toenmaligen smaak van betimmering eener burgerlijke kamer behoorde, is op de beide laatste platen, No. 2 en 3, afgebeeld; en ik vond geene reden, om niet in mijne hooge jaren voor de wereld, of beter voor liefhebbers der wetenschappen, mij niet ongenegen,openlijk aan den dag te leggen, dat de betimmering en meubilering van mijne kamer eene halve eeuw ten achteren zijn bij den hedendaagschen smaak.
Ik sluit mijne Bijvoegsels in de hoop, dat deze tweede druk van des hoogleeraars beschrijving goeden aftrek vinden moge, en dat behalve de inteekenaars, ook andere liefhebbers zich dien mogen aanschaffen.
Mag het mij, door gunst van den Albestuurder, gebeuren, de jaren mijns levens verlengd te zien, en die zielsvermogens in mijnen ouderdom te behouden, welke zijne liefde mij nog schenkt, ik wensch dan opregtelijk aan het verzoek en de uitnoodiging van velen, bijzonder van den hooggeleerden heerC. Ekama, professor teLeiden, te voldoen; en vlei mij, onder medehulp van deskundigen, in staat te zullen zijn, om eene naauwkeurige Beschrijving van het inwendige zamenstel van het werkstuk, door mij vervaardigd, en door de vereischte platen toegelicht, te kunnen uitgeven. Alleen, hoe ligt deze wensch, vooral in mijnen ouderdom, kan uitblijven, gevoel ik ten volle, en laat het Gode aanbevolen, of de nakomelingschap zulk eene beschrijving, althans onder mijn eigen toezigt, zal mogen ontvangen.
Om echter iets van mijne latere werkzaamheden nog aan de lezers mede te deelen, ontvangen zij nog van mijne hand het volgende Aanhangsel.
1Alleen heeft er eene geringe verschikking plaats gehad in de nummers der §§. In den eersten druk vindt men de § 76, 80 en 110 tweemaal, en door een teeken (*) onderscheiden; in dezen herdruk zijn de nummers geregeld vervolgd. Omtrent die §§, welke in dit bijvoegsel voorkomen, en van dezen herdruk verschillen, wordt dit verschil aangewezen.↑2De buitenste rand van deze wijzerplaat, alsmede die op de linker pilaster, die den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, is in 30 graden verdeeld; welke graden, wegens de kleinheid dier wijzerplaten, niet duidelijk konden worden afgeteekend op de plaat No. 2.↑
1Alleen heeft er eene geringe verschikking plaats gehad in de nummers der §§. In den eersten druk vindt men de § 76, 80 en 110 tweemaal, en door een teeken (*) onderscheiden; in dezen herdruk zijn de nummers geregeld vervolgd. Omtrent die §§, welke in dit bijvoegsel voorkomen, en van dezen herdruk verschillen, wordt dit verschil aangewezen.↑2De buitenste rand van deze wijzerplaat, alsmede die op de linker pilaster, die den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, is in 30 graden verdeeld; welke graden, wegens de kleinheid dier wijzerplaten, niet duidelijk konden worden afgeteekend op de plaat No. 2.↑
1Alleen heeft er eene geringe verschikking plaats gehad in de nummers der §§. In den eersten druk vindt men de § 76, 80 en 110 tweemaal, en door een teeken (*) onderscheiden; in dezen herdruk zijn de nummers geregeld vervolgd. Omtrent die §§, welke in dit bijvoegsel voorkomen, en van dezen herdruk verschillen, wordt dit verschil aangewezen.↑
2De buitenste rand van deze wijzerplaat, alsmede die op de linker pilaster, die den afstand der Maan van het verste punt aanwijst, is in 30 graden verdeeld; welke graden, wegens de kleinheid dier wijzerplaten, niet duidelijk konden worden afgeteekend op de plaat No. 2.↑
AANHANGSEL.Het laatste stuk, door mij uitgedacht en afgeteekend, is eenplanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde, met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus zijn geplaatst, in hare betrekkelijke afstanden van de Zon en hare uitmiddelpuntigheden en knoopen. Saturnus loopbaan, in derzelver middelbaren afstand van de Zon, is gesteld op 43 duim (oude Friesche maat); de andere planeten in evenredigheid, als 4 ☿︎, 7 ♀︎, 10 ♁︎,15 ♂︎, 52 ♃︎ en 95 ♄︎. Deze afteekening is gezien doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, een buitengewoon natuur- en werktuigkundige onderzoeker en liefhebber (deszelfs stand in de maatschappij in aanmerking genomen zijnde), en net werkman in hout, koper, ivoor, ijzer enz., die ook zich zelven eene draaibank en meer andere gereedschappen had vervaardigd, waarmede hij, door zijn vindingrijk vernuft, in staat is, om velerhande kunstwerk te maken. Na het zien van dit mijn afgeteekendplanetarium, werd deze opgewekt, om hetzelve te vervaardigen. Hiertoe werd verkozen een vlak bord, groot 20 duim in middellijn, verbeeldende deecliptica. Hetzelve is aan den buitenrand verdeeld in teekens en graden van denzodiak, en in maanden en dagen, ons jaar uitmakende. De wegen der genoemde planeten zijn daarop van 5 tot 5 graden doorboord, om de bolletjes, die op koperen laafjes geplaatst zijn, te kunnen zetten, waar ze behooren (voorondersteld zijnde, de plaats, waar ze op zekeren tijd moeten staan, bekend te zijn); ze worden van onderen op het bord met een schroefje vastgezet. Jupiter en Saturnus zijn ieder op een stokje geplaatst, omdat hunafstand ver buiten het bord valt. Onze Aardbol is omringd door eenenmeridiaan, waarin hij om zijne aspunten kan draaijen. Binnen dezen meridiaanring is een platte ring, verbeeldende denhorizont; op dezen zijn de zestien hoofdstreken van het kompas geteekend. Op het Aardbolletje zelf zijn de hoofdcirkels, als deaequator,ecliptica, keerkringen en poolcirkels, alsmede de hoofdsteden van ieder keizer- of koningrijk, en land en zee, door mijnen neefSipke Eisinganetjes afgeteekend, voor zoo veel de kleinheid van het bolletje dit toeliet. Dehorizontkan, door het losmaken van een schroefje, op alle poolshoogten geplaatst worden. De aspunten der Aarde gaan door denmeridiaan; op het eene aspunt is een koperen plaatje geschroefd, waardoor men het bolletje met de hand kan ronddraaijen; op het andere aspunt wordt een wijzertje tusschen een borstje en een plaatje vast bekneld, en op den meridiaanring is om de as eene koperen plaat vastgemaakt, welker buitenrand verdeeld is in maanden en dagen van ons jaar. Binnen dezen jaarcirkel is nog een cirkel, in 2 maal 12 uren verdeeld; deze uurcirkel kan in den jaarcirkel ronddraaijen.Als men nu dit werktuig gebruiken wil, plaatst men de planeetbollen ieder op zijne plaats op het bord, alsmede onzen Aardbol, met zijne aspunten paralel met de lijnen, die op het bord getrokken zijn. Dehorizontom den Aardbol kan men plaatsen, op welke poolshoogte men verkiest; men draait de verkozene plaats onder denmeridiaan, en zet den uurcirkel met het middaguur op de maand en den dag van het jaar, en het wijzertje op 12 uur; dan ziet men de Zon, de Maan en de planeten, door het ronddraaijen van de Aarde, op- en ondergaan en in welke streek van het kompas ze staan, alsmede den tijd, wanneer ze opkomen, door denmeridiaangaan en ondergaan, op die poolshoogte enmeridiaan, waarop men denhorizontgesteld heeft.Het werktuig is geplaatst op een langwerpig vierkant stoeltje, op welks langste hoeken twee pilaartjes zijn, waarin het bord inAriesenLibrakan draaijen. Aan het bord is een halve cirkelvan hout, 3½ duim breed, vastgemaakt, en schuift langs eene sleuf in een voetje, dat in het midden van het langwerpig vierkant stoeltje staat. Deze halve cirkel is aan den eenen kant, van de evennachtslijn tot aan de noordpool, verdeeld in 90 graden, en aan den anderen kant, van de evennachtslijn tot aan de zuidpool, ook in 90 graden, om het bord, dat deeclipticaverbeeldt, te kunnen stellen, op wat poolshoogte men verkiest. De 66½ graden zijn aan weêrskanten het middelpunt van den halven cirkel, omdat onder de poolcirkels deeclipticainCancerenCapricornushorizontaal ligt: want onder den noorder-poolcirkel komt de Zon inCapricornusop den middag wel in, maar niet boven denhorizont, en inCancerkomt zij te middernacht wel in denhorizont, maar gaat er niet onder. Bij den zuider-poolcirkel is het regt omgekeerd.
AANHANGSEL.
Het laatste stuk, door mij uitgedacht en afgeteekend, is eenplanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde, met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus zijn geplaatst, in hare betrekkelijke afstanden van de Zon en hare uitmiddelpuntigheden en knoopen. Saturnus loopbaan, in derzelver middelbaren afstand van de Zon, is gesteld op 43 duim (oude Friesche maat); de andere planeten in evenredigheid, als 4 ☿︎, 7 ♀︎, 10 ♁︎,15 ♂︎, 52 ♃︎ en 95 ♄︎. Deze afteekening is gezien doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, een buitengewoon natuur- en werktuigkundige onderzoeker en liefhebber (deszelfs stand in de maatschappij in aanmerking genomen zijnde), en net werkman in hout, koper, ivoor, ijzer enz., die ook zich zelven eene draaibank en meer andere gereedschappen had vervaardigd, waarmede hij, door zijn vindingrijk vernuft, in staat is, om velerhande kunstwerk te maken. Na het zien van dit mijn afgeteekendplanetarium, werd deze opgewekt, om hetzelve te vervaardigen. Hiertoe werd verkozen een vlak bord, groot 20 duim in middellijn, verbeeldende deecliptica. Hetzelve is aan den buitenrand verdeeld in teekens en graden van denzodiak, en in maanden en dagen, ons jaar uitmakende. De wegen der genoemde planeten zijn daarop van 5 tot 5 graden doorboord, om de bolletjes, die op koperen laafjes geplaatst zijn, te kunnen zetten, waar ze behooren (voorondersteld zijnde, de plaats, waar ze op zekeren tijd moeten staan, bekend te zijn); ze worden van onderen op het bord met een schroefje vastgezet. Jupiter en Saturnus zijn ieder op een stokje geplaatst, omdat hunafstand ver buiten het bord valt. Onze Aardbol is omringd door eenenmeridiaan, waarin hij om zijne aspunten kan draaijen. Binnen dezen meridiaanring is een platte ring, verbeeldende denhorizont; op dezen zijn de zestien hoofdstreken van het kompas geteekend. Op het Aardbolletje zelf zijn de hoofdcirkels, als deaequator,ecliptica, keerkringen en poolcirkels, alsmede de hoofdsteden van ieder keizer- of koningrijk, en land en zee, door mijnen neefSipke Eisinganetjes afgeteekend, voor zoo veel de kleinheid van het bolletje dit toeliet. Dehorizontkan, door het losmaken van een schroefje, op alle poolshoogten geplaatst worden. De aspunten der Aarde gaan door denmeridiaan; op het eene aspunt is een koperen plaatje geschroefd, waardoor men het bolletje met de hand kan ronddraaijen; op het andere aspunt wordt een wijzertje tusschen een borstje en een plaatje vast bekneld, en op den meridiaanring is om de as eene koperen plaat vastgemaakt, welker buitenrand verdeeld is in maanden en dagen van ons jaar. Binnen dezen jaarcirkel is nog een cirkel, in 2 maal 12 uren verdeeld; deze uurcirkel kan in den jaarcirkel ronddraaijen.Als men nu dit werktuig gebruiken wil, plaatst men de planeetbollen ieder op zijne plaats op het bord, alsmede onzen Aardbol, met zijne aspunten paralel met de lijnen, die op het bord getrokken zijn. Dehorizontom den Aardbol kan men plaatsen, op welke poolshoogte men verkiest; men draait de verkozene plaats onder denmeridiaan, en zet den uurcirkel met het middaguur op de maand en den dag van het jaar, en het wijzertje op 12 uur; dan ziet men de Zon, de Maan en de planeten, door het ronddraaijen van de Aarde, op- en ondergaan en in welke streek van het kompas ze staan, alsmede den tijd, wanneer ze opkomen, door denmeridiaangaan en ondergaan, op die poolshoogte enmeridiaan, waarop men denhorizontgesteld heeft.Het werktuig is geplaatst op een langwerpig vierkant stoeltje, op welks langste hoeken twee pilaartjes zijn, waarin het bord inAriesenLibrakan draaijen. Aan het bord is een halve cirkelvan hout, 3½ duim breed, vastgemaakt, en schuift langs eene sleuf in een voetje, dat in het midden van het langwerpig vierkant stoeltje staat. Deze halve cirkel is aan den eenen kant, van de evennachtslijn tot aan de noordpool, verdeeld in 90 graden, en aan den anderen kant, van de evennachtslijn tot aan de zuidpool, ook in 90 graden, om het bord, dat deeclipticaverbeeldt, te kunnen stellen, op wat poolshoogte men verkiest. De 66½ graden zijn aan weêrskanten het middelpunt van den halven cirkel, omdat onder de poolcirkels deeclipticainCancerenCapricornushorizontaal ligt: want onder den noorder-poolcirkel komt de Zon inCapricornusop den middag wel in, maar niet boven denhorizont, en inCancerkomt zij te middernacht wel in denhorizont, maar gaat er niet onder. Bij den zuider-poolcirkel is het regt omgekeerd.
Het laatste stuk, door mij uitgedacht en afgeteekend, is eenplanetarium, waarop de loopbanen van Mercurius, Venus, de Aarde, met de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus zijn geplaatst, in hare betrekkelijke afstanden van de Zon en hare uitmiddelpuntigheden en knoopen. Saturnus loopbaan, in derzelver middelbaren afstand van de Zon, is gesteld op 43 duim (oude Friesche maat); de andere planeten in evenredigheid, als 4 ☿︎, 7 ♀︎, 10 ♁︎,15 ♂︎, 52 ♃︎ en 95 ♄︎. Deze afteekening is gezien doorWillem Jans Jansen, landbouwer teDongjum, een buitengewoon natuur- en werktuigkundige onderzoeker en liefhebber (deszelfs stand in de maatschappij in aanmerking genomen zijnde), en net werkman in hout, koper, ivoor, ijzer enz., die ook zich zelven eene draaibank en meer andere gereedschappen had vervaardigd, waarmede hij, door zijn vindingrijk vernuft, in staat is, om velerhande kunstwerk te maken. Na het zien van dit mijn afgeteekendplanetarium, werd deze opgewekt, om hetzelve te vervaardigen. Hiertoe werd verkozen een vlak bord, groot 20 duim in middellijn, verbeeldende deecliptica. Hetzelve is aan den buitenrand verdeeld in teekens en graden van denzodiak, en in maanden en dagen, ons jaar uitmakende. De wegen der genoemde planeten zijn daarop van 5 tot 5 graden doorboord, om de bolletjes, die op koperen laafjes geplaatst zijn, te kunnen zetten, waar ze behooren (voorondersteld zijnde, de plaats, waar ze op zekeren tijd moeten staan, bekend te zijn); ze worden van onderen op het bord met een schroefje vastgezet. Jupiter en Saturnus zijn ieder op een stokje geplaatst, omdat hunafstand ver buiten het bord valt. Onze Aardbol is omringd door eenenmeridiaan, waarin hij om zijne aspunten kan draaijen. Binnen dezen meridiaanring is een platte ring, verbeeldende denhorizont; op dezen zijn de zestien hoofdstreken van het kompas geteekend. Op het Aardbolletje zelf zijn de hoofdcirkels, als deaequator,ecliptica, keerkringen en poolcirkels, alsmede de hoofdsteden van ieder keizer- of koningrijk, en land en zee, door mijnen neefSipke Eisinganetjes afgeteekend, voor zoo veel de kleinheid van het bolletje dit toeliet. Dehorizontkan, door het losmaken van een schroefje, op alle poolshoogten geplaatst worden. De aspunten der Aarde gaan door denmeridiaan; op het eene aspunt is een koperen plaatje geschroefd, waardoor men het bolletje met de hand kan ronddraaijen; op het andere aspunt wordt een wijzertje tusschen een borstje en een plaatje vast bekneld, en op den meridiaanring is om de as eene koperen plaat vastgemaakt, welker buitenrand verdeeld is in maanden en dagen van ons jaar. Binnen dezen jaarcirkel is nog een cirkel, in 2 maal 12 uren verdeeld; deze uurcirkel kan in den jaarcirkel ronddraaijen.
Als men nu dit werktuig gebruiken wil, plaatst men de planeetbollen ieder op zijne plaats op het bord, alsmede onzen Aardbol, met zijne aspunten paralel met de lijnen, die op het bord getrokken zijn. Dehorizontom den Aardbol kan men plaatsen, op welke poolshoogte men verkiest; men draait de verkozene plaats onder denmeridiaan, en zet den uurcirkel met het middaguur op de maand en den dag van het jaar, en het wijzertje op 12 uur; dan ziet men de Zon, de Maan en de planeten, door het ronddraaijen van de Aarde, op- en ondergaan en in welke streek van het kompas ze staan, alsmede den tijd, wanneer ze opkomen, door denmeridiaangaan en ondergaan, op die poolshoogte enmeridiaan, waarop men denhorizontgesteld heeft.
Het werktuig is geplaatst op een langwerpig vierkant stoeltje, op welks langste hoeken twee pilaartjes zijn, waarin het bord inAriesenLibrakan draaijen. Aan het bord is een halve cirkelvan hout, 3½ duim breed, vastgemaakt, en schuift langs eene sleuf in een voetje, dat in het midden van het langwerpig vierkant stoeltje staat. Deze halve cirkel is aan den eenen kant, van de evennachtslijn tot aan de noordpool, verdeeld in 90 graden, en aan den anderen kant, van de evennachtslijn tot aan de zuidpool, ook in 90 graden, om het bord, dat deeclipticaverbeeldt, te kunnen stellen, op wat poolshoogte men verkiest. De 66½ graden zijn aan weêrskanten het middelpunt van den halven cirkel, omdat onder de poolcirkels deeclipticainCancerenCapricornushorizontaal ligt: want onder den noorder-poolcirkel komt de Zon inCapricornusop den middag wel in, maar niet boven denhorizont, en inCancerkomt zij te middernacht wel in denhorizont, maar gaat er niet onder. Bij den zuider-poolcirkel is het regt omgekeerd.
BIJVOEGSELSTOT DEN DERDEN DRUK VAN 1851.Sedert de hoogl.J. H. van Swindenhet kunstig planetarium vanEisingabeschreef, zijn ruim 70 jaren verloopen,—jaren, waarin door sterrekundige waarneming en navorsching eene meer volledige en naauwkeurige kennis aangaande het zonnestelsel is verkregen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat in de voorgaande, op nieuw in het licht gegevene Beschrijving eenige opgaven voorkomen, waarvoor de hedendaagsche, meer volmaakte sterrekunde andere in de plaats heeft te stellen. Die verouderde opgaven betreffen inzonderheid het aantal der bekende hoofd- en bijplaneten, de hoedanigheden (elementen), waardoor de eene planetarische loopbaan van de andere onderscheiden is, alsmede eenige eigenschappen, welke de planeten zelven aan den dag leggen.Evenmin als wij vrijheid vonden, wezentlijke veranderingen aan te brengen inVan Swinden’sBeschrijving, en hem in de uitlegging van het zonnestelsel op een standpunt te plaatsen, ’t welk eerst 70 jaren na de vervaardiging vanEisinga’skunstgewrocht bereikt is; evenmin meenen wij eenige voorname opgaven te mogen achterhouden, welke soortgelijke, minder naauwkeurige, in den tekst of in de noten voorkomende, zouden behooren te vervangen. Wij zullen deze verbeteringen aanbrengen in eenige beknopte overzigten, en daarmede hopen wij menigen lezer van dit werkje, die belang stelt te vernemen, wat thans van het zonnestelsel bekend is, eenigermate te gemoet te komen.I.OVERZIGTDER PLANETEN, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.Uranus13 Maart 1781ontdekt doorW. Herschel.Ceres1 Jan. 1801J. Piazzi.Pallas28 Maart 1802H. M. W. Olbers.Juno1 Sept. 1804C. L. Harding.Vesta29 Maart 1807H. M. W. Olbers.Astraea8 Dec. 1845K. C. Hencke.Neptunus24 Sept. 1846G. Galle1.Hebe1 Julij 1847K. C. Hencke.Iris13 Aug. 1847J. R. Hind.Flora18 Oct. 1847J. R. Hind.Metis26 April 1848A. Graham.Hygiea14 April 1849De Gasparis.Parthenope11 Mei 1850De Gasparis.Clio(Victoria)13 Sept. 1850J. R. Hind.Egeria2 Nov. 1850De Gasparis.Buitendien is den 20 Mei 1851 doorHindnog eene planeet ontdekt, welkeIrenewordt genoemd. Eindelijk heeftDe Gasparisden 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.II.OVERZIGTDER BIJ-PLANETEN OF WACHTERS, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.In 1780 waren er vijf wachters vanSaturnusbekend; een van hen was reeds in 1655 doorChristiaan Huygensontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 doorCassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 doorW. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijdenof te doen ophouden, heeftJ. Herschelaan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten:Mimas,Enceladus,Tethys,Dione,Rhea,Titan,Japetus. TusschenTitan(den doorHuygensontdekten) enJapetusheeftLassellonlangs nog een achtsten ontdekt, dieHyperionwordt genoemd.De ring, welkeSaturnusomgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 doorW. Herschelontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte doorKaterenEnckeopgemerkt; en naarluidtvan ’t geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen teRomegebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.Nopens het aantal der wachters, die omUranusomloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welkeW. Herschelden 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meentLamonteen hunner op nieuw te hebben gezien, ’t welk aan geen anderen sedertHerschelhad mogen gelukken. Onlangs hebben zich echterLassellenO. Struveovertuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen omUranusbeschrijven.Ook omNeptunusbeweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst doorLassell, den 10den October 1846, gezien en later doorBondenA. Struvevlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 doorBondontdekt zijn. Buitendien meenenLassellenChallisbespeurd te hebben, datNeptunus, even alsSaturnus, omgeven is door een ring.IIIOVERZIGTVAN DE LOOPBANEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.GEMIDD. AFSTANDVAN DE ZON.aEXCENTRICITEIT.bOMLOOPSTIJD.LENGTE VAN HET PERIHELIUM.cLENGTE DES KLIMMENDEN KNOOPS.cHELLING DER BAAN.cWARE.TROPISCHE.d.u.m.s.d.u.m.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.Mercurius0,387100,205628723154687231435745727+5,81462355-10,077013+0,18Venus0,723330,00682224164972241641251241426-3,24751130-20,5032331-0,07Aarde1,000000,016783656910.749636554847.57111001127+11,24Mars1,523690,09325686233025686221818333638+15,46481618-25,221516-0,01Flora2,200720,1563811921138119272733353110185755254Vesta2,362000,08856132522513251655249113710320287757Iris2,372470,2267913341813341245414616259502652759Hebe2,402200,192401360135918331656221384914144222Astraea2,575250,187671509113115094491353023141264151918Juno2,670500,255561593234615931618541713170523513210Ceres2,765360,076741679162216799111474124805350103656Pallas2,771140,242001684223416841520121511723830343519Jupiter5,202770,04822433214274330141410114533+6,65984838-15,9011842-0,23Saturnus9,538850,05603107595162310746223010895441+19,311121634-19,5422930-0,15Uranus19,182390,04660306861941363058621485168524+2,2873848-36,0504629+0,03Neptunus30,20260,00838606241960238111113411305391472aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑Aanmerking.Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uitPopuläre AstronomievonJ. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen vanFlora,Iris,Hebe,AstraeaenNeptunushebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn.Jahngeeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.NAMEN.GEMIDD. AFSTAND VAN DE ZON, OF HALVE GROOTE AS.SIDERISCHE OF WARE OMLOOPSTIJD IN DAGEN.Mercurius0,38788Venus0,723225Aarde1,000365Mars1,524687Flora2,2021,321Vesta2,3611,325Iris2,3841,344Metis2,3861,346Hebe2,4261,380Parthenope2,4421,392Astraea2,5771,511Juno2,6691,593Ceres2,7711,685Pallas2,7731,686Hygiea3,1222,015Jupiter5,2034,333Saturnus9,53910,759Uranus19,18230,686Neptunus30,174165½ jaar.Dienaangaande iso.a.aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd vanFlorabehoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen vanLuther, de halve groote as vanParthenopegelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening vanGoldschmidt, de halve baan-as vanClio(Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.IV.OVERZIGTVAN EENIGE HOEDANIGHEDEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.OMWENTELINGSTIJD.MIDDELLIJN.AFPLATTING.BETREKKELIJKE VOLUMEN.SCHIJNBARE.WARE.BETREKKELIJKE.u.m.s.m.Mercurius2456,696710,391 : 16,8Venus23212117,101,7150,991 : 1,004Aarde235641,7191,00StartFraction 1 Over 299 EndFractionMars2437225,88840,511 : 7,33Vesta0,29660,031 : 17688Pallas0,551450,081 : 1661Jupiter9552638,420,01811,65one-seventeenth1491 : 1Saturnus10291717,116,3059,49one-tenth772 : 1Uranus4,17,8664,57one-ninth87 : 1Neptunus2,47,3004,2577 : 1Zon610 u.1920,8192,608112,051409725 : 1EINDE.1Nadat de vermoedelijke plaats van het onbekend hemelligchaam doorLeverrierwas aangewezen. De loopbaan dezer planeet was ook reeds doorAdamsberekend geworden.↑
BIJVOEGSELSTOT DEN DERDEN DRUK VAN 1851.
Sedert de hoogl.J. H. van Swindenhet kunstig planetarium vanEisingabeschreef, zijn ruim 70 jaren verloopen,—jaren, waarin door sterrekundige waarneming en navorsching eene meer volledige en naauwkeurige kennis aangaande het zonnestelsel is verkregen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat in de voorgaande, op nieuw in het licht gegevene Beschrijving eenige opgaven voorkomen, waarvoor de hedendaagsche, meer volmaakte sterrekunde andere in de plaats heeft te stellen. Die verouderde opgaven betreffen inzonderheid het aantal der bekende hoofd- en bijplaneten, de hoedanigheden (elementen), waardoor de eene planetarische loopbaan van de andere onderscheiden is, alsmede eenige eigenschappen, welke de planeten zelven aan den dag leggen.Evenmin als wij vrijheid vonden, wezentlijke veranderingen aan te brengen inVan Swinden’sBeschrijving, en hem in de uitlegging van het zonnestelsel op een standpunt te plaatsen, ’t welk eerst 70 jaren na de vervaardiging vanEisinga’skunstgewrocht bereikt is; evenmin meenen wij eenige voorname opgaven te mogen achterhouden, welke soortgelijke, minder naauwkeurige, in den tekst of in de noten voorkomende, zouden behooren te vervangen. Wij zullen deze verbeteringen aanbrengen in eenige beknopte overzigten, en daarmede hopen wij menigen lezer van dit werkje, die belang stelt te vernemen, wat thans van het zonnestelsel bekend is, eenigermate te gemoet te komen.I.OVERZIGTDER PLANETEN, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.Uranus13 Maart 1781ontdekt doorW. Herschel.Ceres1 Jan. 1801J. Piazzi.Pallas28 Maart 1802H. M. W. Olbers.Juno1 Sept. 1804C. L. Harding.Vesta29 Maart 1807H. M. W. Olbers.Astraea8 Dec. 1845K. C. Hencke.Neptunus24 Sept. 1846G. Galle1.Hebe1 Julij 1847K. C. Hencke.Iris13 Aug. 1847J. R. Hind.Flora18 Oct. 1847J. R. Hind.Metis26 April 1848A. Graham.Hygiea14 April 1849De Gasparis.Parthenope11 Mei 1850De Gasparis.Clio(Victoria)13 Sept. 1850J. R. Hind.Egeria2 Nov. 1850De Gasparis.Buitendien is den 20 Mei 1851 doorHindnog eene planeet ontdekt, welkeIrenewordt genoemd. Eindelijk heeftDe Gasparisden 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.II.OVERZIGTDER BIJ-PLANETEN OF WACHTERS, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.In 1780 waren er vijf wachters vanSaturnusbekend; een van hen was reeds in 1655 doorChristiaan Huygensontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 doorCassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 doorW. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijdenof te doen ophouden, heeftJ. Herschelaan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten:Mimas,Enceladus,Tethys,Dione,Rhea,Titan,Japetus. TusschenTitan(den doorHuygensontdekten) enJapetusheeftLassellonlangs nog een achtsten ontdekt, dieHyperionwordt genoemd.De ring, welkeSaturnusomgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 doorW. Herschelontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte doorKaterenEnckeopgemerkt; en naarluidtvan ’t geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen teRomegebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.Nopens het aantal der wachters, die omUranusomloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welkeW. Herschelden 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meentLamonteen hunner op nieuw te hebben gezien, ’t welk aan geen anderen sedertHerschelhad mogen gelukken. Onlangs hebben zich echterLassellenO. Struveovertuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen omUranusbeschrijven.Ook omNeptunusbeweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst doorLassell, den 10den October 1846, gezien en later doorBondenA. Struvevlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 doorBondontdekt zijn. Buitendien meenenLassellenChallisbespeurd te hebben, datNeptunus, even alsSaturnus, omgeven is door een ring.IIIOVERZIGTVAN DE LOOPBANEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.GEMIDD. AFSTANDVAN DE ZON.aEXCENTRICITEIT.bOMLOOPSTIJD.LENGTE VAN HET PERIHELIUM.cLENGTE DES KLIMMENDEN KNOOPS.cHELLING DER BAAN.cWARE.TROPISCHE.d.u.m.s.d.u.m.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.Mercurius0,387100,205628723154687231435745727+5,81462355-10,077013+0,18Venus0,723330,00682224164972241641251241426-3,24751130-20,5032331-0,07Aarde1,000000,016783656910.749636554847.57111001127+11,24Mars1,523690,09325686233025686221818333638+15,46481618-25,221516-0,01Flora2,200720,1563811921138119272733353110185755254Vesta2,362000,08856132522513251655249113710320287757Iris2,372470,2267913341813341245414616259502652759Hebe2,402200,192401360135918331656221384914144222Astraea2,575250,187671509113115094491353023141264151918Juno2,670500,255561593234615931618541713170523513210Ceres2,765360,076741679162216799111474124805350103656Pallas2,771140,242001684223416841520121511723830343519Jupiter5,202770,04822433214274330141410114533+6,65984838-15,9011842-0,23Saturnus9,538850,05603107595162310746223010895441+19,311121634-19,5422930-0,15Uranus19,182390,04660306861941363058621485168524+2,2873848-36,0504629+0,03Neptunus30,20260,00838606241960238111113411305391472aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑Aanmerking.Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uitPopuläre AstronomievonJ. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen vanFlora,Iris,Hebe,AstraeaenNeptunushebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn.Jahngeeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.NAMEN.GEMIDD. AFSTAND VAN DE ZON, OF HALVE GROOTE AS.SIDERISCHE OF WARE OMLOOPSTIJD IN DAGEN.Mercurius0,38788Venus0,723225Aarde1,000365Mars1,524687Flora2,2021,321Vesta2,3611,325Iris2,3841,344Metis2,3861,346Hebe2,4261,380Parthenope2,4421,392Astraea2,5771,511Juno2,6691,593Ceres2,7711,685Pallas2,7731,686Hygiea3,1222,015Jupiter5,2034,333Saturnus9,53910,759Uranus19,18230,686Neptunus30,174165½ jaar.Dienaangaande iso.a.aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd vanFlorabehoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen vanLuther, de halve groote as vanParthenopegelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening vanGoldschmidt, de halve baan-as vanClio(Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.IV.OVERZIGTVAN EENIGE HOEDANIGHEDEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.OMWENTELINGSTIJD.MIDDELLIJN.AFPLATTING.BETREKKELIJKE VOLUMEN.SCHIJNBARE.WARE.BETREKKELIJKE.u.m.s.m.Mercurius2456,696710,391 : 16,8Venus23212117,101,7150,991 : 1,004Aarde235641,7191,00StartFraction 1 Over 299 EndFractionMars2437225,88840,511 : 7,33Vesta0,29660,031 : 17688Pallas0,551450,081 : 1661Jupiter9552638,420,01811,65one-seventeenth1491 : 1Saturnus10291717,116,3059,49one-tenth772 : 1Uranus4,17,8664,57one-ninth87 : 1Neptunus2,47,3004,2577 : 1Zon610 u.1920,8192,608112,051409725 : 1EINDE.
Sedert de hoogl.J. H. van Swindenhet kunstig planetarium vanEisingabeschreef, zijn ruim 70 jaren verloopen,—jaren, waarin door sterrekundige waarneming en navorsching eene meer volledige en naauwkeurige kennis aangaande het zonnestelsel is verkregen. Het is derhalve niet te verwonderen, dat in de voorgaande, op nieuw in het licht gegevene Beschrijving eenige opgaven voorkomen, waarvoor de hedendaagsche, meer volmaakte sterrekunde andere in de plaats heeft te stellen. Die verouderde opgaven betreffen inzonderheid het aantal der bekende hoofd- en bijplaneten, de hoedanigheden (elementen), waardoor de eene planetarische loopbaan van de andere onderscheiden is, alsmede eenige eigenschappen, welke de planeten zelven aan den dag leggen.
Evenmin als wij vrijheid vonden, wezentlijke veranderingen aan te brengen inVan Swinden’sBeschrijving, en hem in de uitlegging van het zonnestelsel op een standpunt te plaatsen, ’t welk eerst 70 jaren na de vervaardiging vanEisinga’skunstgewrocht bereikt is; evenmin meenen wij eenige voorname opgaven te mogen achterhouden, welke soortgelijke, minder naauwkeurige, in den tekst of in de noten voorkomende, zouden behooren te vervangen. Wij zullen deze verbeteringen aanbrengen in eenige beknopte overzigten, en daarmede hopen wij menigen lezer van dit werkje, die belang stelt te vernemen, wat thans van het zonnestelsel bekend is, eenigermate te gemoet te komen.
I.OVERZIGTDER PLANETEN, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.Uranus13 Maart 1781ontdekt doorW. Herschel.Ceres1 Jan. 1801J. Piazzi.Pallas28 Maart 1802H. M. W. Olbers.Juno1 Sept. 1804C. L. Harding.Vesta29 Maart 1807H. M. W. Olbers.Astraea8 Dec. 1845K. C. Hencke.Neptunus24 Sept. 1846G. Galle1.Hebe1 Julij 1847K. C. Hencke.Iris13 Aug. 1847J. R. Hind.Flora18 Oct. 1847J. R. Hind.Metis26 April 1848A. Graham.Hygiea14 April 1849De Gasparis.Parthenope11 Mei 1850De Gasparis.Clio(Victoria)13 Sept. 1850J. R. Hind.Egeria2 Nov. 1850De Gasparis.Buitendien is den 20 Mei 1851 doorHindnog eene planeet ontdekt, welkeIrenewordt genoemd. Eindelijk heeftDe Gasparisden 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.
I.OVERZIGTDER PLANETEN, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.
Uranus13 Maart 1781ontdekt doorW. Herschel.Ceres1 Jan. 1801J. Piazzi.Pallas28 Maart 1802H. M. W. Olbers.Juno1 Sept. 1804C. L. Harding.Vesta29 Maart 1807H. M. W. Olbers.Astraea8 Dec. 1845K. C. Hencke.Neptunus24 Sept. 1846G. Galle1.Hebe1 Julij 1847K. C. Hencke.Iris13 Aug. 1847J. R. Hind.Flora18 Oct. 1847J. R. Hind.Metis26 April 1848A. Graham.Hygiea14 April 1849De Gasparis.Parthenope11 Mei 1850De Gasparis.Clio(Victoria)13 Sept. 1850J. R. Hind.Egeria2 Nov. 1850De Gasparis.Buitendien is den 20 Mei 1851 doorHindnog eene planeet ontdekt, welkeIrenewordt genoemd. Eindelijk heeftDe Gasparisden 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.
Uranus13 Maart 1781ontdekt doorW. Herschel.Ceres1 Jan. 1801J. Piazzi.Pallas28 Maart 1802H. M. W. Olbers.Juno1 Sept. 1804C. L. Harding.Vesta29 Maart 1807H. M. W. Olbers.Astraea8 Dec. 1845K. C. Hencke.Neptunus24 Sept. 1846G. Galle1.Hebe1 Julij 1847K. C. Hencke.Iris13 Aug. 1847J. R. Hind.Flora18 Oct. 1847J. R. Hind.Metis26 April 1848A. Graham.Hygiea14 April 1849De Gasparis.Parthenope11 Mei 1850De Gasparis.Clio(Victoria)13 Sept. 1850J. R. Hind.Egeria2 Nov. 1850De Gasparis.
Buitendien is den 20 Mei 1851 doorHindnog eene planeet ontdekt, welkeIrenewordt genoemd. Eindelijk heeftDe Gasparisden 29 Julij 1851 er nog eene ontdekt.
II.OVERZIGTDER BIJ-PLANETEN OF WACHTERS, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.In 1780 waren er vijf wachters vanSaturnusbekend; een van hen was reeds in 1655 doorChristiaan Huygensontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 doorCassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 doorW. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijdenof te doen ophouden, heeftJ. Herschelaan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten:Mimas,Enceladus,Tethys,Dione,Rhea,Titan,Japetus. TusschenTitan(den doorHuygensontdekten) enJapetusheeftLassellonlangs nog een achtsten ontdekt, dieHyperionwordt genoemd.De ring, welkeSaturnusomgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 doorW. Herschelontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte doorKaterenEnckeopgemerkt; en naarluidtvan ’t geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen teRomegebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.Nopens het aantal der wachters, die omUranusomloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welkeW. Herschelden 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meentLamonteen hunner op nieuw te hebben gezien, ’t welk aan geen anderen sedertHerschelhad mogen gelukken. Onlangs hebben zich echterLassellenO. Struveovertuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen omUranusbeschrijven.Ook omNeptunusbeweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst doorLassell, den 10den October 1846, gezien en later doorBondenA. Struvevlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 doorBondontdekt zijn. Buitendien meenenLassellenChallisbespeurd te hebben, datNeptunus, even alsSaturnus, omgeven is door een ring.
II.OVERZIGTDER BIJ-PLANETEN OF WACHTERS, WELKE SEDERT HET JAAR 1780 TOT OP HET EINDE VAN 1850 ZIJN ONTDEKT.
In 1780 waren er vijf wachters vanSaturnusbekend; een van hen was reeds in 1655 doorChristiaan Huygensontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 doorCassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 doorW. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijdenof te doen ophouden, heeftJ. Herschelaan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten:Mimas,Enceladus,Tethys,Dione,Rhea,Titan,Japetus. TusschenTitan(den doorHuygensontdekten) enJapetusheeftLassellonlangs nog een achtsten ontdekt, dieHyperionwordt genoemd.De ring, welkeSaturnusomgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 doorW. Herschelontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte doorKaterenEnckeopgemerkt; en naarluidtvan ’t geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen teRomegebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.Nopens het aantal der wachters, die omUranusomloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welkeW. Herschelden 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meentLamonteen hunner op nieuw te hebben gezien, ’t welk aan geen anderen sedertHerschelhad mogen gelukken. Onlangs hebben zich echterLassellenO. Struveovertuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen omUranusbeschrijven.Ook omNeptunusbeweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst doorLassell, den 10den October 1846, gezien en later doorBondenA. Struvevlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 doorBondontdekt zijn. Buitendien meenenLassellenChallisbespeurd te hebben, datNeptunus, even alsSaturnus, omgeven is door een ring.
In 1780 waren er vijf wachters vanSaturnusbekend; een van hen was reeds in 1655 doorChristiaan Huygensontdekt: de vier andere van 1671 tot 1687 doorCassini. Sedert, en wel het eerst in 1788 en 1789 doorW. Herschel, zijn nog twee andere Saturnus-manen waargenomen. Om verwarring te vermijdenof te doen ophouden, heeftJ. Herschelaan die zeven satellieten eigene namen gegeven. Zij heeten nu, in volgorde der afstanden van de hoofd-planeet, te beginnen met den naasten:Mimas,Enceladus,Tethys,Dione,Rhea,Titan,Japetus. TusschenTitan(den doorHuygensontdekten) enJapetusheeftLassellonlangs nog een achtsten ontdekt, dieHyperionwordt genoemd.
De ring, welkeSaturnusomgeeft, is niet enkelvoudig, maar bestaat uit eenige, van elkander afgezonderde, concentrische deelen. De voornaamste kring van afscheiding in den ring werd het eerst in 1787 doorW. Herschelontdekt. Later werd eene tweede dergelijke, doch minder breede tusschenruimte doorKaterenEnckeopgemerkt; en naarluidtvan ’t geen gemeld wordt, zou aan de sterrekundigen teRomegebleken zijn, dat de gordel, welken men voor het uiterste gedeelte van den ring hield, zelf voor een drieledig ringen-stelsel was te houden.
Nopens het aantal der wachters, die omUranusomloopen, heerscht groote onzekerheid. Twee althans zijn op voldoende wijze bekend. Zij zijn die, welkeW. Herschelden 11den Januarij 1787 ontdekte. Van 1790 tot 1794 kwamen in den telescoop van denzelfden sterrekundige nu en dan lichtpunten te voorschijn, die insgelijks Uranus-wachters schenen te zijn. Latere waarnemingen hebben het bestaan dier wachters niet buiten twijfel gesteld; alleen meentLamonteen hunner op nieuw te hebben gezien, ’t welk aan geen anderen sedertHerschelhad mogen gelukken. Onlangs hebben zich echterLassellenO. Struveovertuigd, dat, behalve de twee wel bekende, nog twee andere wachters hunne loopbanen omUranusbeschrijven.
Ook omNeptunusbeweegt zich ten minste ééne maan. Zij werd het eerst doorLassell, den 10den October 1846, gezien en later doorBondenA. Struvevlijtig waargenomen. Een tweede satelliet zou den 17den October 1847 doorBondontdekt zijn. Buitendien meenenLassellenChallisbespeurd te hebben, datNeptunus, even alsSaturnus, omgeven is door een ring.
IIIOVERZIGTVAN DE LOOPBANEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.GEMIDD. AFSTANDVAN DE ZON.aEXCENTRICITEIT.bOMLOOPSTIJD.LENGTE VAN HET PERIHELIUM.cLENGTE DES KLIMMENDEN KNOOPS.cHELLING DER BAAN.cWARE.TROPISCHE.d.u.m.s.d.u.m.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.Mercurius0,387100,205628723154687231435745727+5,81462355-10,077013+0,18Venus0,723330,00682224164972241641251241426-3,24751130-20,5032331-0,07Aarde1,000000,016783656910.749636554847.57111001127+11,24Mars1,523690,09325686233025686221818333638+15,46481618-25,221516-0,01Flora2,200720,1563811921138119272733353110185755254Vesta2,362000,08856132522513251655249113710320287757Iris2,372470,2267913341813341245414616259502652759Hebe2,402200,192401360135918331656221384914144222Astraea2,575250,187671509113115094491353023141264151918Juno2,670500,255561593234615931618541713170523513210Ceres2,765360,076741679162216799111474124805350103656Pallas2,771140,242001684223416841520121511723830343519Jupiter5,202770,04822433214274330141410114533+6,65984838-15,9011842-0,23Saturnus9,538850,05603107595162310746223010895441+19,311121634-19,5422930-0,15Uranus19,182390,04660306861941363058621485168524+2,2873848-36,0504629+0,03Neptunus30,20260,00838606241960238111113411305391472aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑Aanmerking.Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uitPopuläre AstronomievonJ. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen vanFlora,Iris,Hebe,AstraeaenNeptunushebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn.Jahngeeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.NAMEN.GEMIDD. AFSTAND VAN DE ZON, OF HALVE GROOTE AS.SIDERISCHE OF WARE OMLOOPSTIJD IN DAGEN.Mercurius0,38788Venus0,723225Aarde1,000365Mars1,524687Flora2,2021,321Vesta2,3611,325Iris2,3841,344Metis2,3861,346Hebe2,4261,380Parthenope2,4421,392Astraea2,5771,511Juno2,6691,593Ceres2,7711,685Pallas2,7731,686Hygiea3,1222,015Jupiter5,2034,333Saturnus9,53910,759Uranus19,18230,686Neptunus30,174165½ jaar.Dienaangaande iso.a.aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd vanFlorabehoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen vanLuther, de halve groote as vanParthenopegelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening vanGoldschmidt, de halve baan-as vanClio(Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.
IIIOVERZIGTVAN DE LOOPBANEN DER HOOFD-PLANETEN.
NAMEN.GEMIDD. AFSTANDVAN DE ZON.aEXCENTRICITEIT.bOMLOOPSTIJD.LENGTE VAN HET PERIHELIUM.cLENGTE DES KLIMMENDEN KNOOPS.cHELLING DER BAAN.cWARE.TROPISCHE.d.u.m.s.d.u.m.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.Mercurius0,387100,205628723154687231435745727+5,81462355-10,077013+0,18Venus0,723330,00682224164972241641251241426-3,24751130-20,5032331-0,07Aarde1,000000,016783656910.749636554847.57111001127+11,24Mars1,523690,09325686233025686221818333638+15,46481618-25,221516-0,01Flora2,200720,1563811921138119272733353110185755254Vesta2,362000,08856132522513251655249113710320287757Iris2,372470,2267913341813341245414616259502652759Hebe2,402200,192401360135918331656221384914144222Astraea2,575250,187671509113115094491353023141264151918Juno2,670500,255561593234615931618541713170523513210Ceres2,765360,076741679162216799111474124805350103656Pallas2,771140,242001684223416841520121511723830343519Jupiter5,202770,04822433214274330141410114533+6,65984838-15,9011842-0,23Saturnus9,538850,05603107595162310746223010895441+19,311121634-19,5422930-0,15Uranus19,182390,04660306861941363058621485168524+2,2873848-36,0504629+0,03Neptunus30,20260,00838606241960238111113411305391472aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑Aanmerking.Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uitPopuläre AstronomievonJ. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen vanFlora,Iris,Hebe,AstraeaenNeptunushebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn.Jahngeeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.NAMEN.GEMIDD. AFSTAND VAN DE ZON, OF HALVE GROOTE AS.SIDERISCHE OF WARE OMLOOPSTIJD IN DAGEN.Mercurius0,38788Venus0,723225Aarde1,000365Mars1,524687Flora2,2021,321Vesta2,3611,325Iris2,3841,344Metis2,3861,346Hebe2,4261,380Parthenope2,4421,392Astraea2,5771,511Juno2,6691,593Ceres2,7711,685Pallas2,7731,686Hygiea3,1222,015Jupiter5,2034,333Saturnus9,53910,759Uranus19,18230,686Neptunus30,174165½ jaar.Dienaangaande iso.a.aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd vanFlorabehoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen vanLuther, de halve groote as vanParthenopegelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening vanGoldschmidt, de halve baan-as vanClio(Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.
NAMEN.GEMIDD. AFSTANDVAN DE ZON.aEXCENTRICITEIT.bOMLOOPSTIJD.LENGTE VAN HET PERIHELIUM.cLENGTE DES KLIMMENDEN KNOOPS.cHELLING DER BAAN.cWARE.TROPISCHE.d.u.m.s.d.u.m.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.gr.m.s.s.Mercurius0,387100,205628723154687231435745727+5,81462355-10,077013+0,18Venus0,723330,00682224164972241641251241426-3,24751130-20,5032331-0,07Aarde1,000000,016783656910.749636554847.57111001127+11,24Mars1,523690,09325686233025686221818333638+15,46481618-25,221516-0,01Flora2,200720,1563811921138119272733353110185755254Vesta2,362000,08856132522513251655249113710320287757Iris2,372470,2267913341813341245414616259502652759Hebe2,402200,192401360135918331656221384914144222Astraea2,575250,187671509113115094491353023141264151918Juno2,670500,255561593234615931618541713170523513210Ceres2,765360,076741679162216799111474124805350103656Pallas2,771140,242001684223416841520121511723830343519Jupiter5,202770,04822433214274330141410114533+6,65984838-15,9011842-0,23Saturnus9,538850,05603107595162310746223010895441+19,311121634-19,5422930-0,15Uranus19,182390,04660306861941363058621485168524+2,2873848-36,0504629+0,03Neptunus30,20260,00838606241960238111113411305391472aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑
aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑
aDe hier aangenomene eenheid, te weten: de gemiddelde afstand der Aarde van de Zon, heeft eene lengte van 20682440 geogr. mijlen.↑
bOnder excentriciteit verstaat men hier, het verschil van den grootsten en kleinsten afstand, gedeeld door het dubbelde van den gemiddelden afstand.↑
cDeze tweede kolom geeft de verandering te kennen, die de bovenstaande grootheid in één jaar ondergaat.↑
Aanmerking.Deze tafel is met eenige verkorting overgenomen uitPopuläre AstronomievonJ. H. Mädler, Berlin 1849 De daarin voorkomende opgaven gelden voor het jaar 1840, wat de 11 planeten betreft, die destijds bekend waren. De nieuwste berekeningen der loopbanen vanFlora,Iris,Hebe,AstraeaenNeptunushebben getallen-waarden opgeleverd, die eenigzins van de bovenstaande verschillen. Dit is almede het geval voor sommige der planeten, die in het begin dezer eeuw ontdekt zijn.Jahngeeft in zijn sterrekundig weekblad (Wöchentliche Unterhaltungen) van 17 Augustus 1850, als slotsom der jongste baan-berekeningen, de navolgende tafel, betrekking hebbende tot 19 der 23 thans bekende planeten.
NAMEN.GEMIDD. AFSTAND VAN DE ZON, OF HALVE GROOTE AS.SIDERISCHE OF WARE OMLOOPSTIJD IN DAGEN.Mercurius0,38788Venus0,723225Aarde1,000365Mars1,524687Flora2,2021,321Vesta2,3611,325Iris2,3841,344Metis2,3861,346Hebe2,4261,380Parthenope2,4421,392Astraea2,5771,511Juno2,6691,593Ceres2,7711,685Pallas2,7731,686Hygiea3,1222,015Jupiter5,2034,333Saturnus9,53910,759Uranus19,18230,686Neptunus30,174165½ jaar.
Dienaangaande iso.a.aan te merken, dat in plaats van 1321 voor den omloopstijd vanFlorabehoort gelezen te worden 1193; alsmede, dat volgens latere berekeningen vanLuther, de halve groote as vanParthenopegelijk 2,451, en de omloopstijd dier planeet gelijk 1401 moet gesteld worden; eindelijk, dat, volgens de berekening vanGoldschmidt, de halve baan-as vanClio(Victoria) 2,333 en hare omloopstijd 1302 bedraagt.
IV.OVERZIGTVAN EENIGE HOEDANIGHEDEN DER HOOFD-PLANETEN.NAMEN.OMWENTELINGSTIJD.MIDDELLIJN.AFPLATTING.BETREKKELIJKE VOLUMEN.SCHIJNBARE.WARE.BETREKKELIJKE.u.m.s.m.Mercurius2456,696710,391 : 16,8Venus23212117,101,7150,991 : 1,004Aarde235641,7191,00StartFraction 1 Over 299 EndFractionMars2437225,88840,511 : 7,33Vesta0,29660,031 : 17688Pallas0,551450,081 : 1661Jupiter9552638,420,01811,65one-seventeenth1491 : 1Saturnus10291717,116,3059,49one-tenth772 : 1Uranus4,17,8664,57one-ninth87 : 1Neptunus2,47,3004,2577 : 1Zon610 u.1920,8192,608112,051409725 : 1EINDE.
IV.OVERZIGTVAN EENIGE HOEDANIGHEDEN DER HOOFD-PLANETEN.
NAMEN.OMWENTELINGSTIJD.MIDDELLIJN.AFPLATTING.BETREKKELIJKE VOLUMEN.SCHIJNBARE.WARE.BETREKKELIJKE.u.m.s.m.Mercurius2456,696710,391 : 16,8Venus23212117,101,7150,991 : 1,004Aarde235641,7191,00StartFraction 1 Over 299 EndFractionMars2437225,88840,511 : 7,33Vesta0,29660,031 : 17688Pallas0,551450,081 : 1661Jupiter9552638,420,01811,65one-seventeenth1491 : 1Saturnus10291717,116,3059,49one-tenth772 : 1Uranus4,17,8664,57one-ninth87 : 1Neptunus2,47,3004,2577 : 1Zon610 u.1920,8192,608112,051409725 : 1EINDE.
NAMEN.OMWENTELINGSTIJD.MIDDELLIJN.AFPLATTING.BETREKKELIJKE VOLUMEN.SCHIJNBARE.WARE.BETREKKELIJKE.u.m.s.m.Mercurius2456,696710,391 : 16,8Venus23212117,101,7150,991 : 1,004Aarde235641,7191,00StartFraction 1 Over 299 EndFractionMars2437225,88840,511 : 7,33Vesta0,29660,031 : 17688Pallas0,551450,081 : 1661Jupiter9552638,420,01811,65one-seventeenth1491 : 1Saturnus10291717,116,3059,49one-tenth772 : 1Uranus4,17,8664,57one-ninth87 : 1Neptunus2,47,3004,2577 : 1Zon610 u.1920,8192,608112,051409725 : 1
EINDE.
1Nadat de vermoedelijke plaats van het onbekend hemelligchaam doorLeverrierwas aangewezen. De loopbaan dezer planeet was ook reeds doorAdamsberekend geworden.↑
1Nadat de vermoedelijke plaats van het onbekend hemelligchaam doorLeverrierwas aangewezen. De loopbaan dezer planeet was ook reeds doorAdamsberekend geworden.↑
1Nadat de vermoedelijke plaats van het onbekend hemelligchaam doorLeverrierwas aangewezen. De loopbaan dezer planeet was ook reeds doorAdamsberekend geworden.↑
Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Het bovenste gedeelte dezer plaat bevindt zich aan den zolder der kamer, het benedenste boven de bedstede en kasten.Getekend door E. Eisinga en K. J. Sannes, naar den stand der hemelligchamen op Vrijdag den 24 Maart 1829, des morgens te 7½ uur.
Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Het bovenste gedeelte dezer plaat bevindt zich aan den zolder der kamer, het benedenste boven de bedstede en kasten.Getekend door E. Eisinga en K. J. Sannes, naar den stand der hemelligchamen op Vrijdag den 24 Maart 1829, des morgens te 7½ uur.
Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.Het bovenste gedeelte dezer plaat bevindt zich aan den zolder der kamer, het benedenste boven de bedstede en kasten.Getekend door E. Eisinga en K. J. Sannes, naar den stand der hemelligchamen op Vrijdag den 24 Maart 1829, des morgens te 7½ uur.
Afbeelding van het uitwendig aanzien van het Rijks Planetarium te Franeker.
Het bovenste gedeelte dezer plaat bevindt zich aan den zolder der kamer, het benedenste boven de bedstede en kasten.
Getekend door E. Eisinga en K. J. Sannes, naar den stand der hemelligchamen op Vrijdag den 24 Maart 1829, des morgens te 7½ uur.
ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Beschrijving van het Rijks-Planetarium te FranekerAuteur:Jean Henri van Swinden (1746–1823)InfoBijdrager:Wopke Eekhoff (1809–1880)InfoIllustrator:Klaas Joh. Sannes (c.1763–1830)InfoTaal:Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)Oorspronkelijke uitgiftedatum:1851CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2020-04-12 Begonnen.Externe ReferentiesDit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstandn.v.t.AthenaeumAthenæum2n.v.t.AkademienAkademiën1 / 04studienstudiën1 / 05TheorieThéorie1 / 015deskundigendeskundige117,87,110,114,148[Niet in bron].121welverrewel verre125[Niet in bron]”125[Niet in bron]„135waardidigenwaardigen247zee-horologienzee-horologiën1 / 048,60ItalieItalië1 / 055bebeschrijvenbeschrijven256eenen157HoogduischHoogduitsch15766e161impositienimpositiën1 / 061havenspecienhavenspeciën1 / 066apogaeumapogæum269dwaal-sterrendwaalsterren171,77anomalienanomaliën1 / 084biliotheekbibliotheek184bijby286onmiddelijkonmiddellijk187Einleitung zu KentnisAnleiting zur Kenntnis587AaardeAarde1107evenachtslijnevennachtslijn1112Einleitung zur KentnisAnleiting zur Kenntnis4118.[Verwijderd]1143[Niet in bron]zal4151[Niet in bron])1156[Niet in bron],1161luidluidt1162-163IVIII2AfkortingenOverzicht van gebruikte afkortingen.AfkortingUitgeschrevenL.K.Laatste kwartierN.M.Nieuwe Maano.a.onder andere
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Overzicht van gebruikte afkortingen.