EERSTE HOOFDSTUK.ALGEMEENE SCHETS VAN HET GEHEELE KUNSTSTUK.§ 1.Het vertrek, waarin het kunststuk staat, en waartoe het als behoort, is een langwerpig vierkant, dertien voeten breed, en ongeveer zestien lang. De schoorsteen is in het midden van twee schuiframen, en de zijde over den schoorsteen is net betimmerd, met eene bedstede in het midden en eene kast aan weêrskanten. De ruimte boven de deuren der kasten en de bedstede is met drie paneelen voorzien; het middelste en grootste, dat boven de bedstede is, wordt van de twee anderen door twee pilasters gescheiden.§ 2.De kamer heeft eene dubbele zoldering: de eene, die op de balken ligt en in de kamer niet te zien is; de andere vijf tot zes duimen van de balken af, zoodat er zich geene balken in de kamer vertoonen. Het eigenlijk gezegdplanetariumis daaraan gehecht, en het raderwerk in de gemelde tusschenruimte, van vijf of zes duimen, verborgen. Ziehier, hoe zich alles vertoont, wanneer men voor den schoorsteen of in het midden der kamer staat.§ 3.De oogen naar boven slaande, ziet men een planeetstelsel, op hetwelk al de Planeten zich rondom de Zon, in hare waretijden en betrekkelijke afstanden, bewegende, vertoond worden, en bovendien de Maan, die in ééne maand, zoowel om haren as als om de Aarde draait, en tevens met de Aarde in één jaar om de Zon gevoerd wordt. De Planeten zijn allen bollen, van welke de halve oppervlakte verguld is, welke vergulden zijde naar de Zon gekeerd is. De stijltjes, op welke die bollen gevestigd zijn, gaan door sleuven, in de zoldering cirkelswijze gesneden. Saturnus beweegt zich in eenen cirkel van tien voeten middellijn. Deze cirkel wordt door eenen anderen omringd, op welken een wijzer de schijnbare plaats en beweging der Zon, alsmede de hemelteekens, maanden en dagen aanwijst.§ 4.Verder naar de bedstede treft men aan deze zoldering drie cirkels aan. Op den rand van de middelste, die twee voeten in middellijn beslaat, zijn de namen der zeven dagen van de week geteekend, en ieder dag is in vier-en-twintig uren zeer zigtbaar verdeeld. Een wijzer, die in zeven dagen ééns ronddraait, wijst iederen dag en elk uur aan. In de ruimte tusschen den rand en het middelpunt is eene sleuf, in welke men het jaargetal ziet. Dit getal blijft een geheel jaar staan, en verandert des nachts van den 31 December op den 1 Januarij daaraanvolgende, zoodat men met het begin des jaars een nieuw getal aantreft. Deze cirkel, niets bijzonders behelzende, zal in het vervolg geene nadere beschrijving noodig hebben.§ 5.Aan de regterhand van dezen cirkel (§4) is er een, waarop de plaats van den klimmenden knoop der Maan aangewezen wordt; en aan de linkerhand een ander, die tot aanwijzing van het verste punt (apogæum) der Maan dient. Van die twee cirkels zal in het vervolg veel breeder gesproken worden.§ 6.Boven de bedstede, in het middelste paneel, treft men een schoonplanisphaeriumof hemelsplein aan, door eenen horizont of gezigteinder van achttien duimen omringd. De rand des horizonts is in uren verdeeld. Op het hemelsplein zijn de voornaamste sterren geteekend, en ook eene in teekenen verdeeldeecliptica, op welke zich een Zonnetje beweegt. Het hemelsplein doet dagelijks met de Zon ééne omwenteling, en de Zon doorloopt bovendien deeclipticain één jaar. Men ziet derhalve op ieder oogenblik des daags de plaats der Zon aan den hemel, en des morgens en des avonds de plaats en het uur van haren op- en ondergang. Ook wordt men de standplaatsen, den op- en ondergang der voornaamste sterren, die teFranekergezien kunnen worden, alle oogenblikken des daags en des nachts gewaar. Om de sterren te gemakkelijker aan den hemel, hetzij door hare regte opklimmingen (ascensiones rectae), hetzij door hare afstanden van de acht voornaamste streken van het kompas, te kunnen vinden, nadat men ze op het hemelsplein gezocht heeft, gaan er naar den horizont, uit het middelpunt van het hemelsplein, eenige regte uurlijnen, en uit het toppunt eenige kromme lijnen, die de gemelde streken verbeelden, zijnde alleen de meridiaan, zoo als het behoort, regt.§ 7.Op het zelfde paneel, naast het hemelsplein, is aan ieder kant een klein cirkelstuk: dat aan de linkerhand wijst het uur van Zons-opgang, het andere dat van Zons-ondergang aan; behalve dat beide deze uren op het oogenblik, dat de Zon inderdaad op- of ondergaat, door de nagebootste Zon op den horizont van het hemelsplein aangewezen worden.§ 8.Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijn twee kleine wijzers. De bovensteaan de regterhand wijst den afstand der Maan van haren klimmenden knoop aan; de onderste den afstand der Maan vanAries, of hare lengte langs deeclipticagerekend; de bovenste wijzer aan de linkerhand toont aan, hoe ver de Maan van haar verste punt (apogæum) van de Aarde af is, en de onderste dient ter aanwijzing van den afstand der Maan van de Zon, waaruit haar ouderdom en hare lichtgestalten (phases) kennelijk zijn.§ 9.Eindelijk is er op ieder der zijpaneelen, boven de kasten, een wijzer; die aan de linkerhand wijst het uur aan van den opgang, en de andere dat van den ondergang der Maan.§ 10.Ziedaar eene korte schets van alles, wat door dit schoone werktuig aangewezen wordt. Een groot getal bewegingen, voorwaar! die alle in en op haren behoorlijken tijd geschieden, en alle door één uurwerk, maar uit vier raderen bestaande, veroorzaakt worden. Dit uurwerk, het raderwerk van het hemelsplein, dat der maanwijzers en de rondsels, die de beweging in hetplanetariumoverbrengen, zijn in de ruimte, die er boven tusschen de bedstede en kasten en de balken is, verborgen. Het uurwerk wordt eenmaal ’s weeks opgewonden, doch het zoude niet moeijelijk te maken zijn, dat het langer konde gaan.Hoewel al de deelen zoodanig onderling en met het uurwerk verbonden zijn, dat zij allen te zamen hunne bewegingen volbrengen, vallen er echter hieromtrent twee dingen aan te merken. Het eerste is, dat ieder stuk gemakkelijk weggenomen kan worden, zonder dat de beweging der overige gestoord wordt; hetwelk noodzakelijk is, om alle wanorde te voorkomen, wanneer er, in vervolg van tijd, aan het eene of andere stuk iets mogtkomen te ontbreken, en om te beletten, dat alles, om het gebrek van één stuk, zoude behoeven stil te staan.§ 11.De andere aanmerking is, dat, hoewel het geheele werktuig zijne beweging van een uurwerk ontvangt, het echter zeer gemakkelijk er van afgezonderd, en door een ander middel in beweging gebragt kan worden. Te dien einde laat men het rad, dat de beweging van het uurwerk ontvangt en aan alle de overige raderen mededeelt, door het wegnemen van een paar wiggetjes, zakken. Dan staan al de bewegingen, behalve dat van het uurwerk, stil. Vervolgens wordt eene as, die aan het eene einde eene schijf, waarom een touw loopt, en aan het andere eene schroef zonder einde draagt, door het losmaken van een schroefje, nedergelaten; de draad van de schroef zonder einde vat alsdan de koperen takken van een rad, hetwelk met al de overige verbonden is. Dit touw loopt beneden in de bedstede over eene schrijf, welke, in een der kasten, door eene kruk bewogen wordt. Wanneer men dan de kruk omdraait, wordt het geheele werktuig met de hand, even als te voren door het uurwerk, bewogen. Deze afzonderlijke beweging is, om twee redenen, zeer dienstig: vooreerst, om hetzij aan liefhebbers, hetzij aan leerlingen, indien men het werktuig tot onderwijs, waartoe het zeer geschikt is, wilde gebruiken, al de verschijnselen, die door de beweging van het uurwerk niet dan in verloop van vele jaren plaats kunnen hebben, in eenen zeer korten tijd aan te toonen; ten anderen, om door dit middel den toestand, die in vorige tijden reeds plaats gehad heeft, of in volgende jaren plaats staat te hebben, na te gaan.§ 12.Het uiterlijke aanzien van het geheele stuk is reeds zeer net, en zal sierlijk zijn, wanneer alles, volgens het bestek, geschilderd, verguld en geteekend zal wezen, hetgeen in dezen zomer staat te geschieden (1780). De schikking is ook zeerwel uitgedacht, vermits dit anderzins omslagtig stuk geene plaats wegneemt, en van alle kanten beter kan beschouwd worden, dan indien het in eene glazen kast in het midden van het vertrek stond. Ook is het zeer aangenaam, dat men, in de kamer zittende, de oogen maar heeft op te heffen, om den geheelen planetenstand en den ganschen sterrenhemel te overzien.§ 13.Het gezegde zij, tot eene algemeene schets, genoeg. Doch, hoe voordeelig men ook daaruit over het stuk mogt denken, zoude men echter slechts een zeer flaauw denkbeeld van zijne innerlijke fraaiheid en van het vernuft des makers hebben. Het zal derhalve noodig zijn, in eenige bijzonderheden te treden, en sommige dingen wat naauwkeuriger te ontvouwen.Een opmerkend lezer heeft reeds kunnen bespeuren, dat dit kunststuk geen enkelplanetariumis, maar dat het uit drie onderscheidene deelen bestaat.1o. Het eigenlijk gezegdeplanetarium, dat aan de zoldering van de kamer te zien is (§3).2o. Hetplanisphaerium, of hemelsplein, met de daartoe behoorende wijzers van den op- en ondergang der zon (§6,7).3o. De maanwijzers, die op de pilasters (§8), op de zijpaneelen (§9) en aan de zoldering zelve (§5) te zien zijn. Deze wijzen allen de ongelijke, en in schijn ongeregelde, bewegingen der maan aan.Dit zijn de drie stukken, welke wij thans nader moeten beschouwen en naauwkeuriger beschrijven.
EERSTE HOOFDSTUK.ALGEMEENE SCHETS VAN HET GEHEELE KUNSTSTUK.§ 1.Het vertrek, waarin het kunststuk staat, en waartoe het als behoort, is een langwerpig vierkant, dertien voeten breed, en ongeveer zestien lang. De schoorsteen is in het midden van twee schuiframen, en de zijde over den schoorsteen is net betimmerd, met eene bedstede in het midden en eene kast aan weêrskanten. De ruimte boven de deuren der kasten en de bedstede is met drie paneelen voorzien; het middelste en grootste, dat boven de bedstede is, wordt van de twee anderen door twee pilasters gescheiden.§ 2.De kamer heeft eene dubbele zoldering: de eene, die op de balken ligt en in de kamer niet te zien is; de andere vijf tot zes duimen van de balken af, zoodat er zich geene balken in de kamer vertoonen. Het eigenlijk gezegdplanetariumis daaraan gehecht, en het raderwerk in de gemelde tusschenruimte, van vijf of zes duimen, verborgen. Ziehier, hoe zich alles vertoont, wanneer men voor den schoorsteen of in het midden der kamer staat.§ 3.De oogen naar boven slaande, ziet men een planeetstelsel, op hetwelk al de Planeten zich rondom de Zon, in hare waretijden en betrekkelijke afstanden, bewegende, vertoond worden, en bovendien de Maan, die in ééne maand, zoowel om haren as als om de Aarde draait, en tevens met de Aarde in één jaar om de Zon gevoerd wordt. De Planeten zijn allen bollen, van welke de halve oppervlakte verguld is, welke vergulden zijde naar de Zon gekeerd is. De stijltjes, op welke die bollen gevestigd zijn, gaan door sleuven, in de zoldering cirkelswijze gesneden. Saturnus beweegt zich in eenen cirkel van tien voeten middellijn. Deze cirkel wordt door eenen anderen omringd, op welken een wijzer de schijnbare plaats en beweging der Zon, alsmede de hemelteekens, maanden en dagen aanwijst.§ 4.Verder naar de bedstede treft men aan deze zoldering drie cirkels aan. Op den rand van de middelste, die twee voeten in middellijn beslaat, zijn de namen der zeven dagen van de week geteekend, en ieder dag is in vier-en-twintig uren zeer zigtbaar verdeeld. Een wijzer, die in zeven dagen ééns ronddraait, wijst iederen dag en elk uur aan. In de ruimte tusschen den rand en het middelpunt is eene sleuf, in welke men het jaargetal ziet. Dit getal blijft een geheel jaar staan, en verandert des nachts van den 31 December op den 1 Januarij daaraanvolgende, zoodat men met het begin des jaars een nieuw getal aantreft. Deze cirkel, niets bijzonders behelzende, zal in het vervolg geene nadere beschrijving noodig hebben.§ 5.Aan de regterhand van dezen cirkel (§4) is er een, waarop de plaats van den klimmenden knoop der Maan aangewezen wordt; en aan de linkerhand een ander, die tot aanwijzing van het verste punt (apogæum) der Maan dient. Van die twee cirkels zal in het vervolg veel breeder gesproken worden.§ 6.Boven de bedstede, in het middelste paneel, treft men een schoonplanisphaeriumof hemelsplein aan, door eenen horizont of gezigteinder van achttien duimen omringd. De rand des horizonts is in uren verdeeld. Op het hemelsplein zijn de voornaamste sterren geteekend, en ook eene in teekenen verdeeldeecliptica, op welke zich een Zonnetje beweegt. Het hemelsplein doet dagelijks met de Zon ééne omwenteling, en de Zon doorloopt bovendien deeclipticain één jaar. Men ziet derhalve op ieder oogenblik des daags de plaats der Zon aan den hemel, en des morgens en des avonds de plaats en het uur van haren op- en ondergang. Ook wordt men de standplaatsen, den op- en ondergang der voornaamste sterren, die teFranekergezien kunnen worden, alle oogenblikken des daags en des nachts gewaar. Om de sterren te gemakkelijker aan den hemel, hetzij door hare regte opklimmingen (ascensiones rectae), hetzij door hare afstanden van de acht voornaamste streken van het kompas, te kunnen vinden, nadat men ze op het hemelsplein gezocht heeft, gaan er naar den horizont, uit het middelpunt van het hemelsplein, eenige regte uurlijnen, en uit het toppunt eenige kromme lijnen, die de gemelde streken verbeelden, zijnde alleen de meridiaan, zoo als het behoort, regt.§ 7.Op het zelfde paneel, naast het hemelsplein, is aan ieder kant een klein cirkelstuk: dat aan de linkerhand wijst het uur van Zons-opgang, het andere dat van Zons-ondergang aan; behalve dat beide deze uren op het oogenblik, dat de Zon inderdaad op- of ondergaat, door de nagebootste Zon op den horizont van het hemelsplein aangewezen worden.§ 8.Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijn twee kleine wijzers. De bovensteaan de regterhand wijst den afstand der Maan van haren klimmenden knoop aan; de onderste den afstand der Maan vanAries, of hare lengte langs deeclipticagerekend; de bovenste wijzer aan de linkerhand toont aan, hoe ver de Maan van haar verste punt (apogæum) van de Aarde af is, en de onderste dient ter aanwijzing van den afstand der Maan van de Zon, waaruit haar ouderdom en hare lichtgestalten (phases) kennelijk zijn.§ 9.Eindelijk is er op ieder der zijpaneelen, boven de kasten, een wijzer; die aan de linkerhand wijst het uur aan van den opgang, en de andere dat van den ondergang der Maan.§ 10.Ziedaar eene korte schets van alles, wat door dit schoone werktuig aangewezen wordt. Een groot getal bewegingen, voorwaar! die alle in en op haren behoorlijken tijd geschieden, en alle door één uurwerk, maar uit vier raderen bestaande, veroorzaakt worden. Dit uurwerk, het raderwerk van het hemelsplein, dat der maanwijzers en de rondsels, die de beweging in hetplanetariumoverbrengen, zijn in de ruimte, die er boven tusschen de bedstede en kasten en de balken is, verborgen. Het uurwerk wordt eenmaal ’s weeks opgewonden, doch het zoude niet moeijelijk te maken zijn, dat het langer konde gaan.Hoewel al de deelen zoodanig onderling en met het uurwerk verbonden zijn, dat zij allen te zamen hunne bewegingen volbrengen, vallen er echter hieromtrent twee dingen aan te merken. Het eerste is, dat ieder stuk gemakkelijk weggenomen kan worden, zonder dat de beweging der overige gestoord wordt; hetwelk noodzakelijk is, om alle wanorde te voorkomen, wanneer er, in vervolg van tijd, aan het eene of andere stuk iets mogtkomen te ontbreken, en om te beletten, dat alles, om het gebrek van één stuk, zoude behoeven stil te staan.§ 11.De andere aanmerking is, dat, hoewel het geheele werktuig zijne beweging van een uurwerk ontvangt, het echter zeer gemakkelijk er van afgezonderd, en door een ander middel in beweging gebragt kan worden. Te dien einde laat men het rad, dat de beweging van het uurwerk ontvangt en aan alle de overige raderen mededeelt, door het wegnemen van een paar wiggetjes, zakken. Dan staan al de bewegingen, behalve dat van het uurwerk, stil. Vervolgens wordt eene as, die aan het eene einde eene schijf, waarom een touw loopt, en aan het andere eene schroef zonder einde draagt, door het losmaken van een schroefje, nedergelaten; de draad van de schroef zonder einde vat alsdan de koperen takken van een rad, hetwelk met al de overige verbonden is. Dit touw loopt beneden in de bedstede over eene schrijf, welke, in een der kasten, door eene kruk bewogen wordt. Wanneer men dan de kruk omdraait, wordt het geheele werktuig met de hand, even als te voren door het uurwerk, bewogen. Deze afzonderlijke beweging is, om twee redenen, zeer dienstig: vooreerst, om hetzij aan liefhebbers, hetzij aan leerlingen, indien men het werktuig tot onderwijs, waartoe het zeer geschikt is, wilde gebruiken, al de verschijnselen, die door de beweging van het uurwerk niet dan in verloop van vele jaren plaats kunnen hebben, in eenen zeer korten tijd aan te toonen; ten anderen, om door dit middel den toestand, die in vorige tijden reeds plaats gehad heeft, of in volgende jaren plaats staat te hebben, na te gaan.§ 12.Het uiterlijke aanzien van het geheele stuk is reeds zeer net, en zal sierlijk zijn, wanneer alles, volgens het bestek, geschilderd, verguld en geteekend zal wezen, hetgeen in dezen zomer staat te geschieden (1780). De schikking is ook zeerwel uitgedacht, vermits dit anderzins omslagtig stuk geene plaats wegneemt, en van alle kanten beter kan beschouwd worden, dan indien het in eene glazen kast in het midden van het vertrek stond. Ook is het zeer aangenaam, dat men, in de kamer zittende, de oogen maar heeft op te heffen, om den geheelen planetenstand en den ganschen sterrenhemel te overzien.§ 13.Het gezegde zij, tot eene algemeene schets, genoeg. Doch, hoe voordeelig men ook daaruit over het stuk mogt denken, zoude men echter slechts een zeer flaauw denkbeeld van zijne innerlijke fraaiheid en van het vernuft des makers hebben. Het zal derhalve noodig zijn, in eenige bijzonderheden te treden, en sommige dingen wat naauwkeuriger te ontvouwen.Een opmerkend lezer heeft reeds kunnen bespeuren, dat dit kunststuk geen enkelplanetariumis, maar dat het uit drie onderscheidene deelen bestaat.1o. Het eigenlijk gezegdeplanetarium, dat aan de zoldering van de kamer te zien is (§3).2o. Hetplanisphaerium, of hemelsplein, met de daartoe behoorende wijzers van den op- en ondergang der zon (§6,7).3o. De maanwijzers, die op de pilasters (§8), op de zijpaneelen (§9) en aan de zoldering zelve (§5) te zien zijn. Deze wijzen allen de ongelijke, en in schijn ongeregelde, bewegingen der maan aan.Dit zijn de drie stukken, welke wij thans nader moeten beschouwen en naauwkeuriger beschrijven.
EERSTE HOOFDSTUK.ALGEMEENE SCHETS VAN HET GEHEELE KUNSTSTUK.
§ 1.Het vertrek, waarin het kunststuk staat, en waartoe het als behoort, is een langwerpig vierkant, dertien voeten breed, en ongeveer zestien lang. De schoorsteen is in het midden van twee schuiframen, en de zijde over den schoorsteen is net betimmerd, met eene bedstede in het midden en eene kast aan weêrskanten. De ruimte boven de deuren der kasten en de bedstede is met drie paneelen voorzien; het middelste en grootste, dat boven de bedstede is, wordt van de twee anderen door twee pilasters gescheiden.§ 2.De kamer heeft eene dubbele zoldering: de eene, die op de balken ligt en in de kamer niet te zien is; de andere vijf tot zes duimen van de balken af, zoodat er zich geene balken in de kamer vertoonen. Het eigenlijk gezegdplanetariumis daaraan gehecht, en het raderwerk in de gemelde tusschenruimte, van vijf of zes duimen, verborgen. Ziehier, hoe zich alles vertoont, wanneer men voor den schoorsteen of in het midden der kamer staat.§ 3.De oogen naar boven slaande, ziet men een planeetstelsel, op hetwelk al de Planeten zich rondom de Zon, in hare waretijden en betrekkelijke afstanden, bewegende, vertoond worden, en bovendien de Maan, die in ééne maand, zoowel om haren as als om de Aarde draait, en tevens met de Aarde in één jaar om de Zon gevoerd wordt. De Planeten zijn allen bollen, van welke de halve oppervlakte verguld is, welke vergulden zijde naar de Zon gekeerd is. De stijltjes, op welke die bollen gevestigd zijn, gaan door sleuven, in de zoldering cirkelswijze gesneden. Saturnus beweegt zich in eenen cirkel van tien voeten middellijn. Deze cirkel wordt door eenen anderen omringd, op welken een wijzer de schijnbare plaats en beweging der Zon, alsmede de hemelteekens, maanden en dagen aanwijst.§ 4.Verder naar de bedstede treft men aan deze zoldering drie cirkels aan. Op den rand van de middelste, die twee voeten in middellijn beslaat, zijn de namen der zeven dagen van de week geteekend, en ieder dag is in vier-en-twintig uren zeer zigtbaar verdeeld. Een wijzer, die in zeven dagen ééns ronddraait, wijst iederen dag en elk uur aan. In de ruimte tusschen den rand en het middelpunt is eene sleuf, in welke men het jaargetal ziet. Dit getal blijft een geheel jaar staan, en verandert des nachts van den 31 December op den 1 Januarij daaraanvolgende, zoodat men met het begin des jaars een nieuw getal aantreft. Deze cirkel, niets bijzonders behelzende, zal in het vervolg geene nadere beschrijving noodig hebben.§ 5.Aan de regterhand van dezen cirkel (§4) is er een, waarop de plaats van den klimmenden knoop der Maan aangewezen wordt; en aan de linkerhand een ander, die tot aanwijzing van het verste punt (apogæum) der Maan dient. Van die twee cirkels zal in het vervolg veel breeder gesproken worden.§ 6.Boven de bedstede, in het middelste paneel, treft men een schoonplanisphaeriumof hemelsplein aan, door eenen horizont of gezigteinder van achttien duimen omringd. De rand des horizonts is in uren verdeeld. Op het hemelsplein zijn de voornaamste sterren geteekend, en ook eene in teekenen verdeeldeecliptica, op welke zich een Zonnetje beweegt. Het hemelsplein doet dagelijks met de Zon ééne omwenteling, en de Zon doorloopt bovendien deeclipticain één jaar. Men ziet derhalve op ieder oogenblik des daags de plaats der Zon aan den hemel, en des morgens en des avonds de plaats en het uur van haren op- en ondergang. Ook wordt men de standplaatsen, den op- en ondergang der voornaamste sterren, die teFranekergezien kunnen worden, alle oogenblikken des daags en des nachts gewaar. Om de sterren te gemakkelijker aan den hemel, hetzij door hare regte opklimmingen (ascensiones rectae), hetzij door hare afstanden van de acht voornaamste streken van het kompas, te kunnen vinden, nadat men ze op het hemelsplein gezocht heeft, gaan er naar den horizont, uit het middelpunt van het hemelsplein, eenige regte uurlijnen, en uit het toppunt eenige kromme lijnen, die de gemelde streken verbeelden, zijnde alleen de meridiaan, zoo als het behoort, regt.§ 7.Op het zelfde paneel, naast het hemelsplein, is aan ieder kant een klein cirkelstuk: dat aan de linkerhand wijst het uur van Zons-opgang, het andere dat van Zons-ondergang aan; behalve dat beide deze uren op het oogenblik, dat de Zon inderdaad op- of ondergaat, door de nagebootste Zon op den horizont van het hemelsplein aangewezen worden.§ 8.Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijn twee kleine wijzers. De bovensteaan de regterhand wijst den afstand der Maan van haren klimmenden knoop aan; de onderste den afstand der Maan vanAries, of hare lengte langs deeclipticagerekend; de bovenste wijzer aan de linkerhand toont aan, hoe ver de Maan van haar verste punt (apogæum) van de Aarde af is, en de onderste dient ter aanwijzing van den afstand der Maan van de Zon, waaruit haar ouderdom en hare lichtgestalten (phases) kennelijk zijn.§ 9.Eindelijk is er op ieder der zijpaneelen, boven de kasten, een wijzer; die aan de linkerhand wijst het uur aan van den opgang, en de andere dat van den ondergang der Maan.§ 10.Ziedaar eene korte schets van alles, wat door dit schoone werktuig aangewezen wordt. Een groot getal bewegingen, voorwaar! die alle in en op haren behoorlijken tijd geschieden, en alle door één uurwerk, maar uit vier raderen bestaande, veroorzaakt worden. Dit uurwerk, het raderwerk van het hemelsplein, dat der maanwijzers en de rondsels, die de beweging in hetplanetariumoverbrengen, zijn in de ruimte, die er boven tusschen de bedstede en kasten en de balken is, verborgen. Het uurwerk wordt eenmaal ’s weeks opgewonden, doch het zoude niet moeijelijk te maken zijn, dat het langer konde gaan.Hoewel al de deelen zoodanig onderling en met het uurwerk verbonden zijn, dat zij allen te zamen hunne bewegingen volbrengen, vallen er echter hieromtrent twee dingen aan te merken. Het eerste is, dat ieder stuk gemakkelijk weggenomen kan worden, zonder dat de beweging der overige gestoord wordt; hetwelk noodzakelijk is, om alle wanorde te voorkomen, wanneer er, in vervolg van tijd, aan het eene of andere stuk iets mogtkomen te ontbreken, en om te beletten, dat alles, om het gebrek van één stuk, zoude behoeven stil te staan.§ 11.De andere aanmerking is, dat, hoewel het geheele werktuig zijne beweging van een uurwerk ontvangt, het echter zeer gemakkelijk er van afgezonderd, en door een ander middel in beweging gebragt kan worden. Te dien einde laat men het rad, dat de beweging van het uurwerk ontvangt en aan alle de overige raderen mededeelt, door het wegnemen van een paar wiggetjes, zakken. Dan staan al de bewegingen, behalve dat van het uurwerk, stil. Vervolgens wordt eene as, die aan het eene einde eene schijf, waarom een touw loopt, en aan het andere eene schroef zonder einde draagt, door het losmaken van een schroefje, nedergelaten; de draad van de schroef zonder einde vat alsdan de koperen takken van een rad, hetwelk met al de overige verbonden is. Dit touw loopt beneden in de bedstede over eene schrijf, welke, in een der kasten, door eene kruk bewogen wordt. Wanneer men dan de kruk omdraait, wordt het geheele werktuig met de hand, even als te voren door het uurwerk, bewogen. Deze afzonderlijke beweging is, om twee redenen, zeer dienstig: vooreerst, om hetzij aan liefhebbers, hetzij aan leerlingen, indien men het werktuig tot onderwijs, waartoe het zeer geschikt is, wilde gebruiken, al de verschijnselen, die door de beweging van het uurwerk niet dan in verloop van vele jaren plaats kunnen hebben, in eenen zeer korten tijd aan te toonen; ten anderen, om door dit middel den toestand, die in vorige tijden reeds plaats gehad heeft, of in volgende jaren plaats staat te hebben, na te gaan.§ 12.Het uiterlijke aanzien van het geheele stuk is reeds zeer net, en zal sierlijk zijn, wanneer alles, volgens het bestek, geschilderd, verguld en geteekend zal wezen, hetgeen in dezen zomer staat te geschieden (1780). De schikking is ook zeerwel uitgedacht, vermits dit anderzins omslagtig stuk geene plaats wegneemt, en van alle kanten beter kan beschouwd worden, dan indien het in eene glazen kast in het midden van het vertrek stond. Ook is het zeer aangenaam, dat men, in de kamer zittende, de oogen maar heeft op te heffen, om den geheelen planetenstand en den ganschen sterrenhemel te overzien.§ 13.Het gezegde zij, tot eene algemeene schets, genoeg. Doch, hoe voordeelig men ook daaruit over het stuk mogt denken, zoude men echter slechts een zeer flaauw denkbeeld van zijne innerlijke fraaiheid en van het vernuft des makers hebben. Het zal derhalve noodig zijn, in eenige bijzonderheden te treden, en sommige dingen wat naauwkeuriger te ontvouwen.Een opmerkend lezer heeft reeds kunnen bespeuren, dat dit kunststuk geen enkelplanetariumis, maar dat het uit drie onderscheidene deelen bestaat.1o. Het eigenlijk gezegdeplanetarium, dat aan de zoldering van de kamer te zien is (§3).2o. Hetplanisphaerium, of hemelsplein, met de daartoe behoorende wijzers van den op- en ondergang der zon (§6,7).3o. De maanwijzers, die op de pilasters (§8), op de zijpaneelen (§9) en aan de zoldering zelve (§5) te zien zijn. Deze wijzen allen de ongelijke, en in schijn ongeregelde, bewegingen der maan aan.Dit zijn de drie stukken, welke wij thans nader moeten beschouwen en naauwkeuriger beschrijven.
§ 1.
Het vertrek, waarin het kunststuk staat, en waartoe het als behoort, is een langwerpig vierkant, dertien voeten breed, en ongeveer zestien lang. De schoorsteen is in het midden van twee schuiframen, en de zijde over den schoorsteen is net betimmerd, met eene bedstede in het midden en eene kast aan weêrskanten. De ruimte boven de deuren der kasten en de bedstede is met drie paneelen voorzien; het middelste en grootste, dat boven de bedstede is, wordt van de twee anderen door twee pilasters gescheiden.
§ 2.
De kamer heeft eene dubbele zoldering: de eene, die op de balken ligt en in de kamer niet te zien is; de andere vijf tot zes duimen van de balken af, zoodat er zich geene balken in de kamer vertoonen. Het eigenlijk gezegdplanetariumis daaraan gehecht, en het raderwerk in de gemelde tusschenruimte, van vijf of zes duimen, verborgen. Ziehier, hoe zich alles vertoont, wanneer men voor den schoorsteen of in het midden der kamer staat.
§ 3.
De oogen naar boven slaande, ziet men een planeetstelsel, op hetwelk al de Planeten zich rondom de Zon, in hare waretijden en betrekkelijke afstanden, bewegende, vertoond worden, en bovendien de Maan, die in ééne maand, zoowel om haren as als om de Aarde draait, en tevens met de Aarde in één jaar om de Zon gevoerd wordt. De Planeten zijn allen bollen, van welke de halve oppervlakte verguld is, welke vergulden zijde naar de Zon gekeerd is. De stijltjes, op welke die bollen gevestigd zijn, gaan door sleuven, in de zoldering cirkelswijze gesneden. Saturnus beweegt zich in eenen cirkel van tien voeten middellijn. Deze cirkel wordt door eenen anderen omringd, op welken een wijzer de schijnbare plaats en beweging der Zon, alsmede de hemelteekens, maanden en dagen aanwijst.
§ 4.
Verder naar de bedstede treft men aan deze zoldering drie cirkels aan. Op den rand van de middelste, die twee voeten in middellijn beslaat, zijn de namen der zeven dagen van de week geteekend, en ieder dag is in vier-en-twintig uren zeer zigtbaar verdeeld. Een wijzer, die in zeven dagen ééns ronddraait, wijst iederen dag en elk uur aan. In de ruimte tusschen den rand en het middelpunt is eene sleuf, in welke men het jaargetal ziet. Dit getal blijft een geheel jaar staan, en verandert des nachts van den 31 December op den 1 Januarij daaraanvolgende, zoodat men met het begin des jaars een nieuw getal aantreft. Deze cirkel, niets bijzonders behelzende, zal in het vervolg geene nadere beschrijving noodig hebben.
§ 5.
Aan de regterhand van dezen cirkel (§4) is er een, waarop de plaats van den klimmenden knoop der Maan aangewezen wordt; en aan de linkerhand een ander, die tot aanwijzing van het verste punt (apogæum) der Maan dient. Van die twee cirkels zal in het vervolg veel breeder gesproken worden.
§ 6.
Boven de bedstede, in het middelste paneel, treft men een schoonplanisphaeriumof hemelsplein aan, door eenen horizont of gezigteinder van achttien duimen omringd. De rand des horizonts is in uren verdeeld. Op het hemelsplein zijn de voornaamste sterren geteekend, en ook eene in teekenen verdeeldeecliptica, op welke zich een Zonnetje beweegt. Het hemelsplein doet dagelijks met de Zon ééne omwenteling, en de Zon doorloopt bovendien deeclipticain één jaar. Men ziet derhalve op ieder oogenblik des daags de plaats der Zon aan den hemel, en des morgens en des avonds de plaats en het uur van haren op- en ondergang. Ook wordt men de standplaatsen, den op- en ondergang der voornaamste sterren, die teFranekergezien kunnen worden, alle oogenblikken des daags en des nachts gewaar. Om de sterren te gemakkelijker aan den hemel, hetzij door hare regte opklimmingen (ascensiones rectae), hetzij door hare afstanden van de acht voornaamste streken van het kompas, te kunnen vinden, nadat men ze op het hemelsplein gezocht heeft, gaan er naar den horizont, uit het middelpunt van het hemelsplein, eenige regte uurlijnen, en uit het toppunt eenige kromme lijnen, die de gemelde streken verbeelden, zijnde alleen de meridiaan, zoo als het behoort, regt.
§ 7.
Op het zelfde paneel, naast het hemelsplein, is aan ieder kant een klein cirkelstuk: dat aan de linkerhand wijst het uur van Zons-opgang, het andere dat van Zons-ondergang aan; behalve dat beide deze uren op het oogenblik, dat de Zon inderdaad op- of ondergaat, door de nagebootste Zon op den horizont van het hemelsplein aangewezen worden.
§ 8.
Op ieder der twee pilasters, die het middelste paneel van de twee anderen afscheiden, zijn twee kleine wijzers. De bovensteaan de regterhand wijst den afstand der Maan van haren klimmenden knoop aan; de onderste den afstand der Maan vanAries, of hare lengte langs deeclipticagerekend; de bovenste wijzer aan de linkerhand toont aan, hoe ver de Maan van haar verste punt (apogæum) van de Aarde af is, en de onderste dient ter aanwijzing van den afstand der Maan van de Zon, waaruit haar ouderdom en hare lichtgestalten (phases) kennelijk zijn.
§ 9.
Eindelijk is er op ieder der zijpaneelen, boven de kasten, een wijzer; die aan de linkerhand wijst het uur aan van den opgang, en de andere dat van den ondergang der Maan.
§ 10.
Ziedaar eene korte schets van alles, wat door dit schoone werktuig aangewezen wordt. Een groot getal bewegingen, voorwaar! die alle in en op haren behoorlijken tijd geschieden, en alle door één uurwerk, maar uit vier raderen bestaande, veroorzaakt worden. Dit uurwerk, het raderwerk van het hemelsplein, dat der maanwijzers en de rondsels, die de beweging in hetplanetariumoverbrengen, zijn in de ruimte, die er boven tusschen de bedstede en kasten en de balken is, verborgen. Het uurwerk wordt eenmaal ’s weeks opgewonden, doch het zoude niet moeijelijk te maken zijn, dat het langer konde gaan.
Hoewel al de deelen zoodanig onderling en met het uurwerk verbonden zijn, dat zij allen te zamen hunne bewegingen volbrengen, vallen er echter hieromtrent twee dingen aan te merken. Het eerste is, dat ieder stuk gemakkelijk weggenomen kan worden, zonder dat de beweging der overige gestoord wordt; hetwelk noodzakelijk is, om alle wanorde te voorkomen, wanneer er, in vervolg van tijd, aan het eene of andere stuk iets mogtkomen te ontbreken, en om te beletten, dat alles, om het gebrek van één stuk, zoude behoeven stil te staan.
§ 11.
De andere aanmerking is, dat, hoewel het geheele werktuig zijne beweging van een uurwerk ontvangt, het echter zeer gemakkelijk er van afgezonderd, en door een ander middel in beweging gebragt kan worden. Te dien einde laat men het rad, dat de beweging van het uurwerk ontvangt en aan alle de overige raderen mededeelt, door het wegnemen van een paar wiggetjes, zakken. Dan staan al de bewegingen, behalve dat van het uurwerk, stil. Vervolgens wordt eene as, die aan het eene einde eene schijf, waarom een touw loopt, en aan het andere eene schroef zonder einde draagt, door het losmaken van een schroefje, nedergelaten; de draad van de schroef zonder einde vat alsdan de koperen takken van een rad, hetwelk met al de overige verbonden is. Dit touw loopt beneden in de bedstede over eene schrijf, welke, in een der kasten, door eene kruk bewogen wordt. Wanneer men dan de kruk omdraait, wordt het geheele werktuig met de hand, even als te voren door het uurwerk, bewogen. Deze afzonderlijke beweging is, om twee redenen, zeer dienstig: vooreerst, om hetzij aan liefhebbers, hetzij aan leerlingen, indien men het werktuig tot onderwijs, waartoe het zeer geschikt is, wilde gebruiken, al de verschijnselen, die door de beweging van het uurwerk niet dan in verloop van vele jaren plaats kunnen hebben, in eenen zeer korten tijd aan te toonen; ten anderen, om door dit middel den toestand, die in vorige tijden reeds plaats gehad heeft, of in volgende jaren plaats staat te hebben, na te gaan.
§ 12.
Het uiterlijke aanzien van het geheele stuk is reeds zeer net, en zal sierlijk zijn, wanneer alles, volgens het bestek, geschilderd, verguld en geteekend zal wezen, hetgeen in dezen zomer staat te geschieden (1780). De schikking is ook zeerwel uitgedacht, vermits dit anderzins omslagtig stuk geene plaats wegneemt, en van alle kanten beter kan beschouwd worden, dan indien het in eene glazen kast in het midden van het vertrek stond. Ook is het zeer aangenaam, dat men, in de kamer zittende, de oogen maar heeft op te heffen, om den geheelen planetenstand en den ganschen sterrenhemel te overzien.
§ 13.
Het gezegde zij, tot eene algemeene schets, genoeg. Doch, hoe voordeelig men ook daaruit over het stuk mogt denken, zoude men echter slechts een zeer flaauw denkbeeld van zijne innerlijke fraaiheid en van het vernuft des makers hebben. Het zal derhalve noodig zijn, in eenige bijzonderheden te treden, en sommige dingen wat naauwkeuriger te ontvouwen.
Een opmerkend lezer heeft reeds kunnen bespeuren, dat dit kunststuk geen enkelplanetariumis, maar dat het uit drie onderscheidene deelen bestaat.
1o. Het eigenlijk gezegdeplanetarium, dat aan de zoldering van de kamer te zien is (§3).
2o. Hetplanisphaerium, of hemelsplein, met de daartoe behoorende wijzers van den op- en ondergang der zon (§6,7).
3o. De maanwijzers, die op de pilasters (§8), op de zijpaneelen (§9) en aan de zoldering zelve (§5) te zien zijn. Deze wijzen allen de ongelijke, en in schijn ongeregelde, bewegingen der maan aan.
Dit zijn de drie stukken, welke wij thans nader moeten beschouwen en naauwkeuriger beschrijven.