Chapter 13

“Dierbare Mejuffrouw Suze!Ik heb in een zeer nare spanning verkeerd sedert ik de laatste maal opVredelustwas, en vooral sedert je met papa en mamanaar Holland bent vertrokken. Ik weet op mijn woord van eer niet wat ik er van denken moet, maar, des te beter weet ik, dat die persoon Van Bavik een gemeen sjusjet is daar niemand van weten wil. Dierbare Suus, ik heb je zoo lief, en waarom je zoo veranderd ben, begrijp ik in ’t geheel niet, net zoo min als van je ouwelui. Als het alleen van dat Sirenengezang komt, dan moet ik je nadrukkelijk zeggen, daar niet langer naar te luisteren om reden boven gezegd. Je bent veel te lief en te goed om ongelukkig te worden. O! Suus! ik hou toch zoo idiolaat van je, en alles zou zich wel schikken, als de zaken loopen zoo als onderget. hoopt. Je weet, de notaris Van Saffelen dood is; het spijt mij ijselijk, maar nu het eenmaal zoo is, nu doet het mij toch pleizierdathij mij den weg wees om in zijne plaats te komen. Toen, met het burgemeesterschap, had ik aan den Koning geschreven met verzoek om geheimhouding; maar, dáár moet je niet gaan Suus. Eerst naar den Procureur-Generaal en dan naar den Minister in Den Haag; allebei heel vriendelijke menschen die zeiden, aan mij te zullen denken. O lieve Suus, als jij maar van me houdt, en niet als vroeger een gemeen sjusjet met den post gaat strijken dan isalles niets.Onderget. in Amsterdam zijnde, heeft overal op de Heerengracht als een gek naar Nº. 260 gezocht om je te vinden; en nu besluit ik deze hopende hij te recht zal komen. Zeg maar niet dat ik je schreef, en nog eens, luister maar niet naar een ander die te onfatsoenlijk is om het in een brief als deze neder te stellen.Kan het zijn, zend mij dan een woordje van liefde tot bescheid; denk ik je al zoo lang gekend heb. Hoop met mij, ik den notarispost zal krijgen; het protekol is in handen van den notaris uit E. die met Van Bavik op en neer gaat, dat maakt mij soms zoo benauwd.Nogmaals gegroet Dierbare Suus, ik heb waarachtig alles voor je over, en geloof mij,Dierbare Mejuffrouw Suze!UWelEd. Dienstw. Dien. en Minnaar.B. Flitz.Kat. Not.B. den 12 Mei 18.5.PS. Atjuu Suus!”Deze brief, dien wij Barend letterlijk naschreven, werd aan het bekende adres verzonden, en door Suze Gliekke ontvangen, juist toen zij alleen met lichte hoofdpijn te huis was, terwijl de overige familieleden zich in Artis bevonden.In den namiddag van een schoonen Mei-avond—twee weken ongeveer na de terugkomst van de familie Gliekke opVredelust—vinden wij Alexander Van Bavik voor het opgeschoven raam zijner schrijfkamer weder.Zijn gelaat draagt de duidelijkste sporen eener blijde zeer blijde gemoedsstemming, en in zijn hand houdt hij een brief, welks korte inhoud door hem reeds verscheidene malen werd gelezen en herlezen.“Moeder! Engel! dat is uw werk,” spreekt hij halfluide in vervoering, en Fik die naast zijn stoel te snorken lag, eensklaps bij de voorpooten vattende, springt hij op, en danst met zijn vriend de kamer door, zóó wild, dat Fik, die al tamelijk oud is, en zelfs in zijn jonge dagen niet dol veel van dansen hield, begint te pruttelen, en juffrouw Kamp eenige oogenblikken later om ’t hoekje van de deur kijkt, en vraagt, of burgemeester om ’t servies op ’t kastje zal denken, en heengaat met een:“’t Is niet pluis in den bol!”Een half uur later zit de burgemeester voor zijn schrijftafel en schrijft:“Liefste Vriendin!De nacht is voorbij, de morgenschemering breekt aan, en de zon van ons heil zal weldra lichten. Innig beminde, de scheidsmuur zal vallen. Mijn maatschappelijke positie werd een schoone verbetering toegezegd. Spoedig zal ik u aan ’t kloppende hart mogen drukken. Spoedig zal ik u geheel kunnen toebehooren, en—maar neen, de last tot zwijgen werd mij nadrukkelijk opgelegd. Vooriedermoet ik zwijgen.—Maar voor u....?—Het allereerst!—Of zoudt ge voor het altaar der liefde hechten aan het woord van hem, die den vriend geen trouw hield, en wiens ontrouw u alzoo eenmaal gebleken was?Vaarwel mijn innig geliefde Suze. Spoedig hoop ik u een meer uitvoerig, een geheel bevredigend antwoord te kunnen toezenden, zoo de omstandigheden mij niet mochten veroorloven u in persoon woorden van liefde te komen toespreken.Geloof mij Uw onveranderlijk trouwe vriend:Alexander.B. 28 Mei 18.5.”Deze haastig geschreven brief, werd even haastig gevouwen en verzegeld, terwijl alleen het: “Aan Suze,” op de buitenzijde werd gesteld, en—nog dien zelfden middag zag Barend Flitz, die bij de weduwe Van Saffelen thee dronk, Van Bavik het raam voorbij stappen.—Waar mocht dat heengaan? Naar stad? Neen! vervl.... naar de Gliekkes!“Zei je wat Barend?” vraagde de weduwe.“Neen mevrouw, niets,” antwoordde Flitz: “Maar weet u ik heb haast, ik heb iets te doen. Dank u, ’k heb volstrekt geen dorstmeer. Neem mij niet kwalijk,” en hij greep naar zijn hoed en vatte zijn “siks pens”2en verliet, zonder mevrouw op haar verdere vragen te antwoorden, het vertrek.Had de candidaat-notaris, toen hij mevrouw Van Saffelens huiskamer betrad, voor eenige oogenblikken eigen angsten en zorgen vergeten, om de bedroefde, met de bespiegelingen hoe alles door hem zou worden aangelegd indien hij als notaris “in plaats van mijnheer mocht worden benoemd,” wat op te vroolijken; (!) had hij—omhaareen aangename afleiding te bezorgen (?) van de veranderingen gesproken, die hij in de notariswoning zou maken, wanneer mevrouw—die toch zeker in kamers zou gaan—haar verlaten had, was hij, tot meerdere opbeuring misschien, bij die bespiegelingen zelfs een enkele maal in ’t komieke gevallen: sedert hij het valsche gelaat van dien Bavik weder aanschouwde, waren al die droombeelden vervlogen, en was al het komieke op eenmaal verdwenen; het kookte hem feller dan immer in de borst, en, terwijl mevrouw Van Saffelen niet wist wat Barend zoo eensklaps tot vertrekken had genoopt, en de heer Meyer Jr.—die Flitz tegen ’t vallen van den avond even buiten het dorp ontmoette—niet begreep hoe hij zoo kortaf “bonswaar,” had gezegd, zat Barend Flitz met zijn dikken haakstok in het akkermaalshout, dat de rechterzijde der laan vanVredelust, benevens de linkerzijde van den landweg begrensde, en wachtte..... wachtte op het “gemeene sjusjet,” wachtte lang, zeer lang met weinig vredelievende gevoelens.Zooals Barend daar tusschen de takken en blaren gezeten was, had hij volkomen den tijd om zich alles te herinneren wat het negatieve vriendschapsvuur voordienpersoon in zijn binnenste kon brandende houden. Bij alles herdacht hij ook zijn laatste bezoek opVredelust. Na de terugkomst der familie was hij niet in gebreke gebleven haar een verwelkom-visite te brengen, maar hoe.... hoe werd hij ontvangen!? Mijnheer was hem in de gang te gemoet gekomen, en had zijn vriendelijken groet niet beantwoord zooals hij dat voorheen zou gedaan hebben. De dames had hij niet kunnen spreken, want zij waren druk aan den schoonmaak, die tot haar terugkomst was uitgesteld; en terwijl Barend, op Gliekkes verzoek, mede naar de goudvischkom was gewandeld—zonder zelfs te zijn binnengelaten,—had hij veel van goudvisschen en telkens weder van goudvisschen gehoord, doch van háár had hij niets vernomen, van háár, die ook na zijn schrijven niets van zich hooren liet; van haar die ingepakt, en hem totaal ontstolen was!Meer dan drie volle uren had de candidaat-notaris reeds in zijn schuilhoek doorgebracht, zonder dat eenig levend wezen het hek vanVredelustwas uitgetreden. ’t Was erg donker, want de bewolkte lucht beroofde het aardrijk van het zachte stargeglim, en Flitz, die volstrekt niets zien kon, scherpte des te sterker zijn gehoor, maar hoorde.... ook volstrekt niets dan, nu eens het voorbijrijdenvan een kar of wagen op den landweg, en dan weder het zacht getikkel van regendroppels op het eikenloof waaronder hij verscholen zat.Dat Flitz zoo langzamerhand van den drup iets meekreeg, zal niemand verwonderen, evenmin als het iemand bevreemden zal dat het toeven aan die plaats, hem om verschillende redenen hoe langer zoo onaangenamer werd. Eensklaps echter begint hem het hart vreeselijk te bonzen.—Hij hoort iets.—Ja, duidelijk.... zuchten! Zuchten, somwijlen afgewisseld door een onderaardsch brommend geluid.—Rechts aan de zijde van den landweg schuifelt iets.—Het bloed stijgt hem met geweld naar ’t voorhoofd, doch stroomt insgelijks met geweld naar de hoofdbron terug, nu dat zelfde gerucht en geschuifel zich ter linkerzijde, in de laan vanVredelust, laat hooren. ’t Schiet hem ijselijk in de beenen, zóó ijselijk, dat hem de knieën knikken. Desix pencewordt met een zenuwachtige krachtsinspanning aan het benedeneinde omklemd; de dikke haak is zijn eenige wapen, een wapen zeer geschikt om beentjes te lichten, maar zeker niet bestand tegen een aanval van helsche machten.Nadat het gezucht en geschuifel nu eens verder af en dan weder meer nabij, onzen Barend nog eenigen tijd het angstzweet uit al zijn poriën had gelokt, treft plotseling, zeer nabij de plaats waar hij zich bevindt, een akelig spookachtig gebrom zijne ooren. Duidelijk verneemt hij ketengerammel, en.... juist zint hij op het middel om door een zijsprong het akkermaalshout en tevens het monster te ontspringen, toen hij een hevigen gil uitstoot, want met een ander akelig geluid, dat veel overeenkomst met het hoesten van een oude tooverkol heeft, is het spook-monster op hem aangevlogen, en gevoelt hij den heksenklauw hem ’t vleesch van zijn rechterbeen scheuren! zoodat zijne angstkreten zich weldra ijzingwekkend in het rond doen hooren.“Fik! Alla! Hier Fik!” klinkt het gebiedend van de landwegzijde. Doch Fik—het spookmonster—Fik die nog steeds tusschen zijn oude tanden de broekspijp van den bevenden aspirant-notaris klemt, schijnt niet genegen om, zonder zijn prooi, tot den baas terug te keeren, en, steeds rukkend en wederrukkend, sliert hij Flitz—die van den schrik geen kracht bezit om weerstand te bieden—door de takken met zich voort, totdat ze beiden op den landweg staan, en een krachtig: “Kerel wie ben je?” Flitz in de ooren dreunt.“Ik!” schreeuwt Flitz met holle stem; maar voegt er stenend bij: “Roep in ’s hemelsnaam dat akelige beest.... of....”“Alla Fik, laat los! Hier!......hierzeg ik je!!” klinkt het weder gebiedend, maar ook even gebiedend nogmaals: “Spreek, wie ben je?”“Ik!—ikzelf,” is het antwoord, en wij durven niet vast bepalen of dat antwoord in den eenvoud des harten werd gegeven, of wel dat onze Barend den naam maar liefst wilde verzwijgen van hem, die uren achtereen in ’t kreupelhout zat om den burgervader een beentje te lichten.De baas van Fik meent de stem vanikte hebben herkend; datikklonk zoo Flitzig, doch—het verlangde antwoord niet ontvangende, voelt hij zich gerechtigd den door Fik gevangen persoon, een landlooper te noemen; en nader tredende—terwijl hij in de zwarte figuur nu volkomen den candidaat-notaris herkent—vat hij hem bij den kraag, en zegt met nadruk:“Dat zitten tusschen ’t kreupelhout in den laten avond komt mij razend verdacht voor; misschien heb je geen logies in ’t dorp of in een hooiberg kunnen krijgen; hé? Welnu, ik zal je een betere slaapplaats geven dan onder den drup der blâren. Vooruit! je zult heerlijk slapen onder den toren! Vooruit zeg ik je! En, zoo je misschien een buitengewonen dienst van je beenen denkt te vergen, reken er op dat Fik en mijn persoon er zes te zamen hebben. Voorwaarts, marsch!—Fik, links!”De oude trouwe Fik plaatst zich op ’t commando aan de linkerzijde van zijn gebieder, dochikdie nog bevend van angst, den man van gezag niet herkent, prevelt iets van: “Laat me gaan asjeblief?” en verwenscht heimelijk zijn nare “posietsje,” te meer daar hij tot overmaat van ramp zijn haakvormig wapen in ’t kreupelhout achterliet, dewijl de beide handen hem onontbeerlijk waren geweest om de nijdige takken uit het aangezicht te keeren.“Maar hemel! geloof toch.... ik ben....” zucht de gevangene.“Een landlooper, een struikroover of nog erger misschien,” valt de meester van Fik hem dreigend in de rede: “Voorwaarts! marsch! of anders zal mijn trouwe bloedhond genoodzaakt zijn z’n tanden met je strot te doen kennis maken.”Fik eenbloedhond! Gelukkig! Fik de goede oude hoort het niet, maar de candidaat des te beter. Een bloedhond! En haastig wendt hij zich om en stapt, zonder een woord te spreken met een akelig gezicht voorwaarts, en verzwijgt nog steeds zijn naam, ofschoon het noemen er van hem misschien de vrijheid zou hebben teruggegeven.’t Gaat voorwaarts. Fik, naast zijn baas in gepeins voortstappende, geniet het voorrecht om door diens parapluie voor den steeds dichter stroomenden regen te worden beschut. Flitz wordt doornat. Langs de kwast van zijn pet, die treurig neerhangt, glijdt het regenwater in den réservoir tusschen hals en stropdas, zoodat hij van tijd tot tijd allerzonderlingst met zijne schouderblaren werkt. ’t Gaat voorwaarts, doch Van Bavik—men heeft hem ongetwijfeld terstond herkend—vindt zich een paar malen verplicht zijn gevangene een zachte drukking te geven, daar Flitz weinig lust gevoelt om het logement te betrekken, ’t welk hem is toegezegd.’t Gaat voorwaarts, doch nauwelijks heeft ons drietal den zoogenaamden Molenhoek omgeslagen, waardoor de gloeiende Nº. één der dorpsverlichting in de duisternis zichtbaar wordt, of Barend wendt zich tot den strengen man die hem volgt, en zegt op een toon, die van zijn angst getuigt:“Hoor beste vriend, als ik je eens.... een paar kwartjes gaf, wat dunkt je? Waarachtig, ik ben een fatsoenlijk man; misschien ken je me wel, ik heet mijnheer Flitz.”“Verschrikkelijk! verschrikkelijk! Omkooping van ’t gerecht!” roept debeste vriend, op een toon, die den gevangene bewijst hoezeer zijn voorslag de verontwaardiging van den gerechtsman heeft opgewekt: “Twee kwartjes! En dan een valschen naam opgeven! Denk je dat ik mij knollen voor citroenen laat verkoopen? Een heer zou zich bij ontijd op een afgelegene plaats tusschen ’t struikgewas verbergen! Voorwaarts zeg ik je!” En, als tot zichzelven sprekende, vervolgt hij: “Verzwarende omstandigheden, ’t Opgeven van een valschen naam!” En luider: “Vooruit dan!—Fik geef acht!” Maar Barend, die op het achtgeven van denbloedhondniet bijzonder gesteld is, volgt het tot hem gerichte commando, terwijl hij stil voortgaande herhaaldelijk de waarachtige verzekering geeft, dathijen niemand anders danhijde heer Flitz is, ’t geen het kleinste kind van ’t dorp zal kunnen bevestigen.In ’t einde heeft ons gezelschap de dorpsstraat bereikt. Gelukkig voor den druipenden candidaat, dat de plassende regen, al wat leeft, binnenshuis houdt. Zij treden den hoek van het schoolhuis om. Daar, aan de linkerzijde is de woning van den notaris-weduwe, en het raam van ’t kantoor, waarbinnen zelfs de stomme boeken zouden kunnen getuigen dathijwel degelijk Flitz is.“Voorwaarts!” roept de vreemde diender nogmaals, en, ginds vertoont zich het kerkgebouw—dat nog zwarter dan de duisternis zelve is; het gevreesde kerkgebouw, dat hij zoo ontelbare malen met een dubbeltje en een cent in zijn rechter-vestjeszak is binnengegaan, waar zijn eigen naam in drie verschillende banken gesneden staat, waarvan hij de kleinste ruitjes in ’t groote raam honderden malen heeft overgeteld; waarin hij zoo menig rustig uurtje heeft doorgebracht, en waarvan hij nu—zoo geen onvoorziene redding daagt—het onder den toren tot nachtverblijf zal bekomen, in ’t akelige gezelschap van de doodsbaar, waarop nog onlangs de kist van den notaris stond.Akelige voorstelling!—Maar hoor, eensklaps klinkt het achter hem: “Halt!” en omziende bespeurt hij dat hij zich ter plaatse bevindt, waar die wilde Let hem eens zoo’n leelijke poets speelde, en ziet hij dat de gevreesde meester van den bloedhond, zijn hand aan de deurklink van ’tGeldersche Wapenslaat, terwijl hij oogenblikkelijk daarna, nogmaals diens gebiedende stem hoort, met het bevel om binnen te gaan.Flitz treedt binnen. Het licht van ’t olielampje, dat in de gang brandt, doet hem in den aanvang nog minder zien dan buiten, waar hij zwarter tegen zwart toch onderscheiden kon.Fik niest.Van Bavik, die beterlichtkan verdragen, schuift zijn gevangene zachtkens zijn kamer binnen; sluit de deur; doet een lucifer ontbranden, waardoor Flitz opnieuw de oogen sluit en Fik nogmaals niest; ontsteekt zijn lamp, en, terwijl Fik zijn nest ruikt, zich afschudt en daarna op ’t kussen in ’t mandje rolt, ruikt Flitz lont; schudt zenuwachtig met zijn hoofd, en wenscht zich verre van hier—liefst op zijn “paardenhare,” met hoofd en alonderde dekens.Treurig! Akelig treurig staat hij daar, de ongelukkige candidaat-notaris, tegenover den man die hij thans bij ’t lamplicht volkomen herkent, tegenover hem dien hij verfoeit, veracht, en wien hij een val in ’t zand, benevens een roffel met den “siks pens” had toegezworen; tegenover den valschaard, den Judas—die hem zijn “kroon van ’t hoofd had genomen en Suus voor den neus wegkaapte,” die lafhartig en leugenachtig, dat kleine beest in ’t nest een bloedhond noemde, om, bang als hijzelf was, zijn tegenpartij vrees aan te jagen. Doch ook, daar stond hij tegenover hém, die nu recht had te vragen: wáárom hij zich in ’t kreupelhout verborgen had. Tegenover den man, die op een scherpen toon dreigde, en.... verbeelll! stijf en stout vol hield hem niet te kennen, met de bewering dat de heer Flitz—een lief en charmant mensch, zijn intieme vriend—nimmer de dwaasheid in ’t hoofd zou hebben gekregen, om zich “uit de grap”—zooals hij gezegd had—des avonds laat in ’t natte kreupelhout te verbergen; en, al bestond er werkelijk eenige gelijkenis tusschen hem en genoemden heer, hij het niet zijn kon, maar een gemeene struikroover moest wezen.Wat Flitz ook ter zijner verdediging mocht aanvoeren, alles was vruchteloos, evenzeer als het een vergeefsche poging bleef, om den burgemeester tot de overtuiging te brengen dat hij werkelijk de persoon was die Van Bavik daareven—hoe valschaardig!—zijnintiemevriend had genoemd.“Spreek van geluk kerel, dat ik niet terstond met de handboei te voorschijn kom,” zegt Van Bavik eindelijk: “Binnen een paar minuten zal mijn veldwachter hier zijn, om je naar het hotel te expedieeren vanwaar je morgen vroegtijdig naar W. zult worden overgebracht, en, dewijl het je zeker niet onverschillig kan wezen welk lot je verder zal bereid worden, zoo wil ik,—in naam des Konings! de goedheid hebben zijn geëerbiedigden wil onder je oogen te brengen: de straf voor landlooperij, verdacht oponthoud, poging tot omkooping en naamvervalsching,—beide laatste zoo sterk voor een misdadig opzet pleitende. Zie hier,” en de jonge burgervader houdt den ongelukkigen candidaat het blad voor, waarop het vonnis voor zooveel boosheid gedrukt staat.De confusie maakte bij onzen Flitz, van lieverlede voor een gevoel plaats, dat hem zegt: je hebt toch ook handen aan je lijf Barend. Er kiemt een denkbeeld, dat men den draak met hem steekt; hij wil een anderen toon aanslaan, doch bezint zich dat het verblijf in ’t kreupelhout toch altijd een naar punt ter verdediging zal wezen.—Een gemoedelijk woord dan, een woord.... Maar nog eer het besluit is genomen omtrent de wijze waarop hij zich zal verdedigen, dreunt het: “Lees dan kerel!” hem met kracht in de ooren, en.... een oogenblik later vliegt Fik, met een allerijselijkst geblaf uit zijn nest op den vreemdeling aan, daar deze letterlijk gilt toen hij zijn vonnis heeft gelezen, vervat in de woorden:“Z. M. heeft benoemd tot notaris te B., den heer B. Flitz.”Fik bekomt een sterke vermaning om “koest” naar zijn nest te gaan, en op het oogenblik dat Van Bavik zijn gevangene tot kalmtestemt, door hem trouwhartig de hand te schudden en met zijn benoeming geluk te wenschen, gilt de ontstelde juffrouw Kamp buiten de geslotene deur:“In ’s hemelsnaam wat is hier te doen?”De burgemeester acht het onnoodig om voor zijn huisgenooten te verbergen wat in het nieuwsblad gedrukt staat, en terwijl Flitz nog niet van zijn verbazing bekomen, den zonderlingen vijand als wezenloos blijft aanstaren, houdt deze der ontstelde vrouw, door echtvriend en dienstboden gevolgd, de courant voor, en zegt: “Ziet ge, wij lachten met ons drieën omdathierde benoeming van den heer Flitz tot notaris, endaarde mijne tot kantonrechter te W. staat.”Weinige oogenblikken later trok het personeel, aan ’tWapen van Gelderlandverbonden, terug naar de plaats van waar het gekomen was, doch juffrouw Kamp, alles behalve lachende, want.... wie verzekerde haar dat een nieuwe burgemeester ook als deze, bij háár den intrek nemen, en even prompt in de betaling zou zijn!De veldwachter verscheen, maar, er was “van des burgemeesters orders” volstrekt niets, dan dat hij het nieuwsblad bij de heeren wethouders ter inzage zou bezorgen, dewijl zij anders in weerwil der groote verbeteringen in het postwezen, het blad—hedenavond door Van Bavik uit de stad meegebracht—eerst den volgenden dag des namiddags zouden te zien krijgen.Wij zullen niet verhalen wat er verder in de kamer van den nieuw benoemden kantonrechter verhandeld werd, ’t zij genoeg gezegd dat de beide heeren te zamen een glas wijn dronken, dat Flitz een uur later zijn zonderlingen vijand de hand schudde, en in tamelijk verwarde woorden betuigde, dat een mensch zich bedriegen kan, dat hij het “waarachtig” niet geweten had, en hartelijk hoopte dat Van Bavik, wat gepasseerd was als gepasseerd zou beschouwen, totdat hij in eene stemming—hemelsbreed verschillende van die waarin hij binnenkwam—de kamer verliet, en in ’t naar huis gaan ontelbare malen de woorden: “Ik notaris!” herhaalde.En de nieuw benoemde kantonrechter, waarmede besloot hij den gewichtigen dag?Zie, hij neemt het langwerpige boek met den groen lederen omslag, legt het vóór zich op de schrijftafel, en schrijft op bladz. 142:“28 Mei 18.5.“Zóó spoedig verwachtte ik de blijde uitkomst niet. Morgen zal Suze mijn brief ontvangen, en schier gelijktijdig het raadsel, daarin vervat, uit het nieuwsblad zien opgelost.“De kantonrechter van W. met een inkomen van circa twee duizend gulden, zal in genade worden ontvangen door de ouders, die den burgemeester van B. op een inkomen van vierhonderd gulden, de hand hunner lieveling moesten ontzeggen.“De hooggeplaatste neef, de neef mijner lieve moeder heeft, zonder zijn plicht te verzaken, aan mijne wenschen voldaan. Zal het land schade lijden door mijne benoeming? Mocht die neef voor den dooven ouden man—nu reeds voor den Grooten Rechter verschenen—niet een jong mensch in de plaats stellen, die met harten ziel zijn belangrijke roeping hoopt te vervullen, al is hij dan ook de zoon eener beminde nicht?—Is hethemeuvel te duiden dat hij, met betrekking tot den notarispost, den raad van den burgemeester der plaats het oor leende, den raad van den neef—burgemeester—die een geluk, door hem zelven zoo vurig begeerd, ook gaarne een ander geschonken zag? die in gemoede kou verklaren, dat de aspirant de achting van den overleden notaris genoot, en gedurende diens ziekte met ijver de werkzaamheden verrichtte?“De morgenschemering is reeds voorbij. Een schoone dag is aangebroken, een dag die den sleutel tot een reeks van nog blijdere dagen geeft. Groot is mijne blijdschap; streelend het gevoel, dat ik een weinig tot het geluk van hem mocht medewerken wien ik, ondanks mij zelven, een ergernis geworden was.“Slaap wel mijn liefste vrouwtje! Droom liefelijk, gij moogt het.“Rust wel mijn waardste Flitz! Eerst kwelde ik u buiten mijn toedoen; dezen avond deed ik het om uwe vreugde en uwe verrassing nog grooter te maken! Rust wel en droom genoeglijk; gij kunt het.“Slaap wel, neef van mijn engelachtige moeder; gij hebt geen kwaad gedaan. Zie in uw droom twee dankbare aangezichten.... misschien ontwaart ge op den achtergrond er nog twee, die u welgevalliger zijn.“Slaap wel mijn beste trouwe Fik, snork naar hartelust. Je gaat weer naar stad, hoor! en je krijgt ’en nieuwen halsband ook, zoo oud als je bent, ’en halsband met een opschrift: Voor moed, beleid en trouw. En zeker, als je jonger waart, en op twee beenen gingt, dan—dan spande ik mijn besten kruiwagen in om je een veldwachterspost te bezorgen.“Slaapt allen wel! Ookikga slapen, in de blijdste stemming, met een hart dat uitroept:“O goedheid Gods, nooit recht geprezen!Heethijeen mensch, dien Gij niet treft?Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,Die ’t hart niet vroolijk tot U heft!Neen!allesaan God dank te weten,Zij steedsmijnplicht,mijnwerk,mijnlied!De Heer heeft nimmer mij vergeten;Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!”In de dagen die volgden, klonk het nieuwtje door B. en omliggende plaatsjes van mond tot mond: Burgemeester Van Bavik kantonrechter te W.—en Flitz—notaris! ’t Algemeen houdt van veranderingen, en daarom had het vrede met Van Baviks benoeming,al werd er op den armen Minister heel wat afgegeven, die ook al—’t was eigenlijk schande—neefjes en nichtjes—let wel “nichtjes”—boven anderen voortrok.—In B. c. a. zou iedereen natuurlijkvreemdenboveneigenhebben voorgetrokken!.... hm!!!De jonge dorpelingen, vooral degenen die voor weinige maanden: Leve de burgemeester! hadden geschreeuwd, en ’t levendigst hunne vreugde over zijn komst aan den dag legden, waren ook nu weder het meest met zijn vertrek ingenomen. Geen wonder, het zou weer feest in ’t dorp worden; ze zouden weer rijden; en—licht dat een nieuwe wat scheutiger dan deze zou zijn, want voor alles wat er gedaan werd, had Van Bavik slechts een som van vijftig gulden gegeven, waarvoor alleen de armen waren onthaald geworden. De oudere dorpelingen, die de pret meer in hunne beurzen hadden gevoeld, meenden dat die gekheid voor een nieuwe nu wel achterwegen kon blijven; maar, ofschoon wij niet kunnen zeggen wat er bij de komst van dien nieuwe gebeurd is, wij gelooven vast dat de jongelieden den boventoon hebben gekregen, want, dat brengt de tijdgeest zoo mee.’t Sprak van zelf dat er machtig veel visites werden gebracht aan den kantonrechter Van Bavik, en aan den notaris Flitz; vooral aan den laatste, dewijl er van den eerste ook al zoo raar gepraat was, maar ook voornamelijk dewijl hij den dag na zijn benoeming in den avond was vertrokken, en nu, twee dagen later, nog niet was teruggekeerd.Flitz ontving visites, en tapte madera alsof het water was. Hij ontving van al de dorpsheeren—ja ook van sommige dames—visites, maar die één, die één kwam niet opdagen,hijniet, die vroeger de eerste zou geweest zijn.“Nog een glaasje? ’en halfje dan?” zei Flitz, met de madera-karaf schermende.“Dankje, heusch niet, hi hi!” lachte juffrouw Doortje Haspels, die met pa was medegegaan, en ’t ijselijk aardig vond om eens in een kamer van ’en jongeheer te zitten.“Toe maar!” dreigde Flitz; maar eensklaps werd hij vuurrood, want een zeer bekend hoofd schoof het raam voorbij, en een oogenblik later klonk de winkelschel—Flitz had kamers bij een bakker—terwijl er onmiddellijk daarna op de deur werd getikt.“Binnen!!!” riep de notaris—zoo hard dat juffrouw Doortje er “puur” van ontstelde en.... de persoon die binnentrad was de heer vanVredelust.Wij laten den aangenaam verrasten notaris, voor Gliekkes welgemeenden gelukwensch op het hartelijkst zijn dank betuigen, en spoeden ons naarVredelust, ten einde ons te overtuigen dat de dames, zooals Gliekke zijn vriend verzekerde, welvarende zijn.’t Bevreemdt ons bij het binnentreden van ’t woonvertrek, de dames niet alleen, maar in ’t gezelschap van den heer ex-burgemeester Van Bavik aan te treffen.“’t Zal Gliekke razend spijten,” zegt mevrouw: “Nog geen uurgeleden ging hij naar het dorp om zoowel ú als den heer Flitz een felicitatiebezoek te brengen. Eerst gisteren zag hij de benoemingen bij toeval in de Staats-Courant. Waarlijk uw verblijf alhier is van korten duur geweest, terwijl wij door onze lange afwezigheid slechts weinig van uw aangenaam gezelschap konden genieten.”“En toch durf ik hopen mevrouw,” antwoordt Van Bavik: “dat mijne kennismaking met u en de uwen geen voorbijgaande zal geweest zijn. W. ligt slechts een klein uur van hier; vooral des zomers is het een lieve wandeling; en....” liet hij er na een kleine pauze op volgen: “wanneer ik in mijn nieuwe betrekking te W. gevestigd zal zijn, vertrouw ik dat ook dames mijn nederige woning zullen betreden, terwijl een lief vrouwtje haar met blijdschap ontvangen zal.”“Een vrouwtje!” roept mevrouw Gliekke met een kermisgezicht, terwijl Suze een blik op Van Baviks tweeden roksknoop werpt, even onderzoekend als dien, waarmede zij iederen morgen uit haar venster den weerhaan begroet.“Geëngageerd!?”“Ja, waarlijk mevrouw,” herneemt Van Bavik: “en zeer zou ik mij bedriegen, indien mejuffrouw uwe dochter en haar naamgenoot, mijn beminde Suze, na een kennismaking, welke ik hoop dat eerlang zal plaats hebben, geen vriendinnen werden.”“Suze....?”“Suzette Van Hilsdorp,” zegt de heer ex-burgemeester, en wil er nog iets bijvoegen, maar wordt door den terugkeerenden heer Gliekke, gestoord, die, met de beide handen vooruit, hem in éénen adem gelukwenscht, en verhaalt dat hij “bot ving” maar blijde is hem hier nog aan te treffen.Gliekke, door zijne gade op de hoogte der belangrijke mededeeling gebracht, vervalt ten tweeden male in een hartelijken gelukwensch waarmede de dames instemmen.’t Gesprek tusschen de heeren wordt levendig.De heer des huizes stelt zich veel van de conversatie met mijnheer en mevrouw Van Bavik voor, wanneer zij althans twee- of driemalen opVredelustwillen komen tegen hij eenmaal in stad, dewijl hij vooral na dat laatste verblijf in mevrouws stad—nog meer afkeer van al wat stad is gekregen heeft. Ook de benoeming van Flitz geeft aanleiding tot levendigheid in ’t gesprek, en nadat de heer des huizes ten slotte nog heeft aangemerkt, dat Van Bavik al heel vlug een tweede ik voor ’t nieuwe nestje heeft gezocht, en deze daarop glimlachende heeft geantwoord, dat bij zulk een benoeming noodwendig eenSuzebehoort, ziet hij, dat de Suze, die tegenover hem zit, een kleur krijgt, terwijl Gliekke, die den kantonrechter weinige oogenblikken later in persoon uitlaat, hem nog—in vertrouwen—toefluistert: “En Flitz is doodelijk. Enfin, ’t wordt nú wat anders.”Om een verkeerde gevolgtrekking ten opzichte van Suze Gliekke bij den lezer te voorkomen, zoo voeren wij hem naar het oogenblik terug, waarin wij het meisje met den belangrijken brief van Barend Flitz in handen, Heerengracht No. 260 achterlieten.Wat Suze na de lezing er van gevoelde, loste zich op in de woorden:“Die goeje Flitz!”De goeje Flitz! Neen, háár had de gebrekkige stijl niet gehinderd, want vader Van Alphen leerde dat men moet schrijven zooals men praat; en Flitz had waarlijk geschreven zóó als hij zou gesproken hebben.Die goeje Flitz! Hij toch was de eenige geweest die haar een woordje had toegesproken, dat maar zelden een meisjes-oor kan treffen zonder in het maagdelijk hartje weerklank te vinden, Barend was de eenige geweest die Suus—ofschoon op plompe wijze—het woordjeliefdedeed hooren.Bemind te worden.... och, het is zoo’n zalig gevoel! De uitverkorene eens mans te zijn.... o, het is zoo’n streelende gewaarwording.Pardon dames, wij weten ’t wel, gij laat ook blauwtjes loopen; maar wij weten ’t evenzeer, dat er dan ook niet zelden papa’s en mama’s achter de schermen zitten; dan klinken de woorden: Geen bestaan, slechte conduite, of veel te min, ook meestal bovenuit.Och, voor het wezen dat, volgens een onzer zangers,van liefde leeft, is het zoo’n streelende gedachte dat zijbemindwordt, en van dien één, uit duizenden de uitverkorene is. Vandaar ook dat Adèle met Piet—over wiens lafheid ze vroeger op ’t kransje zoo lostrok—heden engagement-visites maakt; dat Jeane met Adriaan—wiens groote neus zoo dikwijls haar spotlust wekte—morgen één neus zal uitmaken; dat Nelly met Willem—wiens ernst en stijfheid hem eertijds in hare oogen tot een onuitstaanbaar être maakten—binnen kort dezelfde dorpspastorie hoopt te betrekken; dat Gonne om Heinrich—wien ze op de stoomboot leerde kennen, en na dien tijd slechts tweemalen ten harent ontving—ouders en broeders en zusters en vrienden en vaderland wil verlaten, om het dierbare wezen—van wien ze weinig meer weet dan dat hij een “ganz grosser Weinhändler” is—naar het groote Duitschland te volgen.Die goeje Flitz! Hij was het die haar gezegd had: “Suus ik heb je zoo lief!” en, ofschoon de nieuwe burgemeester iets raars in haar gemoed had doen trillen, vooral toen zij, door Barends verklaring geschokt, hem zoo buitengewoon hoorde zingen, zij was weder geheel en alFlitzgeworden, nadat papa zoo ongevoelig, zoo onaardig over dien goeden jongen had losgetrokken, en haar verbood gemeenzaam met hem te zijn zooals zij het tot hiertoe geweest was.Na het vertrek vanVredelusthad ze veel aan den vriend gedacht, en weinig vermaak in de genoegens geschept, die haar in de stad van mama waren aangeboden. De neven vond ze onuitstaanbaar, vooral neef Doris die altijd als ze uitgingen met zijn arm kwam aanzetten, alsof ze nietalleenkon loopen!Die goeje Flitz! Hij had haar gezocht, maar natuurlijk in die groote stad niet kunnen vinden. Zij zelve wist immers ook nooit—wanneer ze huiswaarts keerde—op welke hoogte zij zich bevond, en zou buiten twijfel in zijne plaats verdwaald zijn.Die nieuwe burgemeester! Wie had kunnen denken dat hij, zooals Flitz schreef:“veel te onfatsoenlijk was om het in een brief als deze neder te stellen.” Wat mocht het zijn dat hem, die waarlijk toch heel aardig en nog veel meer was, zoo in minachting bracht, terwijl Barend scheen te vermoeden dat hij hem nog bovendien bij haar in den weg stond?Maar, als Flitz iets zeide dan moest het wel waar zijn, en ’t bleek dus almede dat het alles geen goud is wat blinkt.Hoe dikwijls stond het geschreven: “Dierbare Suze!”Die goeje Flitz! Misschien zou hij notaris worden, “althans, zoo geen gemeen sujet met den post ging strijken.”Die goeje Flitz! dat was de grondtoon der overdenkingen van ’t lieve meisjegeweesten nu.... nu ze na het vertrek van den ex-burgemeester op haar kamer zit, nu kan ze niet gelooven dat hij, die zoo hartelijk over Flitz sprak, zijn vijand kon wezen, en vertrouwt dat Barend zich ten zijnen opzichte bedroog, terwijl ze gedurig de woorden herdenkt: “Bij zulk een benoeming behoort eenSuze.”Nog dien zelfden middag had er tusschen de ouders Gliekke in het woonvertrek een onderhoud plaats, ’t welk besloten werd met de verklaring van mevrouw: “Als jij er vóór bent, dan beniker niet tegen; ’t zal dus de vraag zijn of Suus...?” En Suus die spoedig daarop geroepen werd, en kort en zakelijk vernam dat Barend Flitz in een vertrouwelijk gesprek met papa om de hand zijner dochter gevraagd had,—antwoordde op papa’s vraag: “Wat dunkt je er van?”niets, maar wandelde den volgenden dag gearmd met den nieuwen notaris door de boschjes vanVredelust, en nog een dag later door de lange dorpsstraat.Hoe de hekken zoo spoedig verhangen waren begreep niemand, maar zeker is het dat de slechte noten, die er van den burgemeester Van Bavik waren gekraakt, door de schoonste loftuitingen werden vervangen, en Flitz verzekerde aan Suze, dat de nieuwe kantonrechter van W. de “sjoviaalste” kerel was dien hij ooit ontmoette, en dat hij vast geloofde mede doorzijntusschenkomst de benoeming in den zak te hebben.Wij mogen den lezer, vóór dat wij hetpoint finaleplaatsen, eenige kleine ophelderingen niet onthouden.Waarom solliciteerde Van Bavik, behalve de reden uit zijn dagboek vernomen, éérst naar het burgemeesterschap te B. c. a.?Omdat het de eenige vacante post in den omtrek van W. was, en te W. woonde het meisje, dat hij in de academiestad leerde kennen en teeder beminde.Vanwaar zijn afgetrokken antwoorden aan den heer Gliekke, toen deze den jongen burgervader over de plichten sprak, die hij zelf als vader te vervullen had.Omdat de vaderzijnerSuze, met den heer Gliekke op dat punt geheel overeenstemde.Waarom die avondwandelingen naar W. terwijl de toegang tot Van Hilsdorps woning hem na zijn eerste aanzoek ontzegd was?Omdat Suze Hilsdorp een vriendin had die gaarne briefjes en geplukte vergeet-mij-nietjes overbracht, en met toestemming van haar echtgenoot—Alexanders academievriend—den geestigen jongen met liefde herbergde.Ziet gij wel lezer, dat wij zeer discreet in ’t doorbladeren van het dagboek waren.Vaarwel! Morgen zal er een diner opVredelustzijn. Een prachtig verlovingsdiner; en Suze Hilsdorp zal tegenover Barend Flitz, Suze Gliekke tegenover Alexander Van Bavik zitten.En nu eindigen wij onze vertelling, maar roepen eerst luide: Voorzichtig gij, die schittert door vernuft en talenten, er kunnen slangen sissen in de kransen die men u toewerpt, grijp niet al te haastig! En gij die nooit zult schitteren, zoek geen venijn in al de schoone bloemen, de bloemen die rijk zijn in kleuren, en mild zijn in geuren.1Dit lied, van den heer Dr. J. P. Heije, en treffend op muziek gebracht door den heer W. Broedelet, weerspreekt het beweren zoo krachtig, dat onze schoone moedertaal niet bij uitnemendheid voor den zang zoude geschikt zijn. ’t Is treurig dat men in ons vaderland zoo weinig nationaaltrots bezit, en alles mooier en beter vindt wat uit den vreemde komt.2Six pence, een dikke, houten wandelstok met een baak tot handvat.

“Dierbare Mejuffrouw Suze!Ik heb in een zeer nare spanning verkeerd sedert ik de laatste maal opVredelustwas, en vooral sedert je met papa en mamanaar Holland bent vertrokken. Ik weet op mijn woord van eer niet wat ik er van denken moet, maar, des te beter weet ik, dat die persoon Van Bavik een gemeen sjusjet is daar niemand van weten wil. Dierbare Suus, ik heb je zoo lief, en waarom je zoo veranderd ben, begrijp ik in ’t geheel niet, net zoo min als van je ouwelui. Als het alleen van dat Sirenengezang komt, dan moet ik je nadrukkelijk zeggen, daar niet langer naar te luisteren om reden boven gezegd. Je bent veel te lief en te goed om ongelukkig te worden. O! Suus! ik hou toch zoo idiolaat van je, en alles zou zich wel schikken, als de zaken loopen zoo als onderget. hoopt. Je weet, de notaris Van Saffelen dood is; het spijt mij ijselijk, maar nu het eenmaal zoo is, nu doet het mij toch pleizierdathij mij den weg wees om in zijne plaats te komen. Toen, met het burgemeesterschap, had ik aan den Koning geschreven met verzoek om geheimhouding; maar, dáár moet je niet gaan Suus. Eerst naar den Procureur-Generaal en dan naar den Minister in Den Haag; allebei heel vriendelijke menschen die zeiden, aan mij te zullen denken. O lieve Suus, als jij maar van me houdt, en niet als vroeger een gemeen sjusjet met den post gaat strijken dan isalles niets.Onderget. in Amsterdam zijnde, heeft overal op de Heerengracht als een gek naar Nº. 260 gezocht om je te vinden; en nu besluit ik deze hopende hij te recht zal komen. Zeg maar niet dat ik je schreef, en nog eens, luister maar niet naar een ander die te onfatsoenlijk is om het in een brief als deze neder te stellen.Kan het zijn, zend mij dan een woordje van liefde tot bescheid; denk ik je al zoo lang gekend heb. Hoop met mij, ik den notarispost zal krijgen; het protekol is in handen van den notaris uit E. die met Van Bavik op en neer gaat, dat maakt mij soms zoo benauwd.Nogmaals gegroet Dierbare Suus, ik heb waarachtig alles voor je over, en geloof mij,Dierbare Mejuffrouw Suze!UWelEd. Dienstw. Dien. en Minnaar.B. Flitz.Kat. Not.B. den 12 Mei 18.5.PS. Atjuu Suus!”Deze brief, dien wij Barend letterlijk naschreven, werd aan het bekende adres verzonden, en door Suze Gliekke ontvangen, juist toen zij alleen met lichte hoofdpijn te huis was, terwijl de overige familieleden zich in Artis bevonden.In den namiddag van een schoonen Mei-avond—twee weken ongeveer na de terugkomst van de familie Gliekke opVredelust—vinden wij Alexander Van Bavik voor het opgeschoven raam zijner schrijfkamer weder.Zijn gelaat draagt de duidelijkste sporen eener blijde zeer blijde gemoedsstemming, en in zijn hand houdt hij een brief, welks korte inhoud door hem reeds verscheidene malen werd gelezen en herlezen.“Moeder! Engel! dat is uw werk,” spreekt hij halfluide in vervoering, en Fik die naast zijn stoel te snorken lag, eensklaps bij de voorpooten vattende, springt hij op, en danst met zijn vriend de kamer door, zóó wild, dat Fik, die al tamelijk oud is, en zelfs in zijn jonge dagen niet dol veel van dansen hield, begint te pruttelen, en juffrouw Kamp eenige oogenblikken later om ’t hoekje van de deur kijkt, en vraagt, of burgemeester om ’t servies op ’t kastje zal denken, en heengaat met een:“’t Is niet pluis in den bol!”Een half uur later zit de burgemeester voor zijn schrijftafel en schrijft:“Liefste Vriendin!De nacht is voorbij, de morgenschemering breekt aan, en de zon van ons heil zal weldra lichten. Innig beminde, de scheidsmuur zal vallen. Mijn maatschappelijke positie werd een schoone verbetering toegezegd. Spoedig zal ik u aan ’t kloppende hart mogen drukken. Spoedig zal ik u geheel kunnen toebehooren, en—maar neen, de last tot zwijgen werd mij nadrukkelijk opgelegd. Vooriedermoet ik zwijgen.—Maar voor u....?—Het allereerst!—Of zoudt ge voor het altaar der liefde hechten aan het woord van hem, die den vriend geen trouw hield, en wiens ontrouw u alzoo eenmaal gebleken was?Vaarwel mijn innig geliefde Suze. Spoedig hoop ik u een meer uitvoerig, een geheel bevredigend antwoord te kunnen toezenden, zoo de omstandigheden mij niet mochten veroorloven u in persoon woorden van liefde te komen toespreken.Geloof mij Uw onveranderlijk trouwe vriend:Alexander.B. 28 Mei 18.5.”Deze haastig geschreven brief, werd even haastig gevouwen en verzegeld, terwijl alleen het: “Aan Suze,” op de buitenzijde werd gesteld, en—nog dien zelfden middag zag Barend Flitz, die bij de weduwe Van Saffelen thee dronk, Van Bavik het raam voorbij stappen.—Waar mocht dat heengaan? Naar stad? Neen! vervl.... naar de Gliekkes!“Zei je wat Barend?” vraagde de weduwe.“Neen mevrouw, niets,” antwoordde Flitz: “Maar weet u ik heb haast, ik heb iets te doen. Dank u, ’k heb volstrekt geen dorstmeer. Neem mij niet kwalijk,” en hij greep naar zijn hoed en vatte zijn “siks pens”2en verliet, zonder mevrouw op haar verdere vragen te antwoorden, het vertrek.Had de candidaat-notaris, toen hij mevrouw Van Saffelens huiskamer betrad, voor eenige oogenblikken eigen angsten en zorgen vergeten, om de bedroefde, met de bespiegelingen hoe alles door hem zou worden aangelegd indien hij als notaris “in plaats van mijnheer mocht worden benoemd,” wat op te vroolijken; (!) had hij—omhaareen aangename afleiding te bezorgen (?) van de veranderingen gesproken, die hij in de notariswoning zou maken, wanneer mevrouw—die toch zeker in kamers zou gaan—haar verlaten had, was hij, tot meerdere opbeuring misschien, bij die bespiegelingen zelfs een enkele maal in ’t komieke gevallen: sedert hij het valsche gelaat van dien Bavik weder aanschouwde, waren al die droombeelden vervlogen, en was al het komieke op eenmaal verdwenen; het kookte hem feller dan immer in de borst, en, terwijl mevrouw Van Saffelen niet wist wat Barend zoo eensklaps tot vertrekken had genoopt, en de heer Meyer Jr.—die Flitz tegen ’t vallen van den avond even buiten het dorp ontmoette—niet begreep hoe hij zoo kortaf “bonswaar,” had gezegd, zat Barend Flitz met zijn dikken haakstok in het akkermaalshout, dat de rechterzijde der laan vanVredelust, benevens de linkerzijde van den landweg begrensde, en wachtte..... wachtte op het “gemeene sjusjet,” wachtte lang, zeer lang met weinig vredelievende gevoelens.Zooals Barend daar tusschen de takken en blaren gezeten was, had hij volkomen den tijd om zich alles te herinneren wat het negatieve vriendschapsvuur voordienpersoon in zijn binnenste kon brandende houden. Bij alles herdacht hij ook zijn laatste bezoek opVredelust. Na de terugkomst der familie was hij niet in gebreke gebleven haar een verwelkom-visite te brengen, maar hoe.... hoe werd hij ontvangen!? Mijnheer was hem in de gang te gemoet gekomen, en had zijn vriendelijken groet niet beantwoord zooals hij dat voorheen zou gedaan hebben. De dames had hij niet kunnen spreken, want zij waren druk aan den schoonmaak, die tot haar terugkomst was uitgesteld; en terwijl Barend, op Gliekkes verzoek, mede naar de goudvischkom was gewandeld—zonder zelfs te zijn binnengelaten,—had hij veel van goudvisschen en telkens weder van goudvisschen gehoord, doch van háár had hij niets vernomen, van háár, die ook na zijn schrijven niets van zich hooren liet; van haar die ingepakt, en hem totaal ontstolen was!Meer dan drie volle uren had de candidaat-notaris reeds in zijn schuilhoek doorgebracht, zonder dat eenig levend wezen het hek vanVredelustwas uitgetreden. ’t Was erg donker, want de bewolkte lucht beroofde het aardrijk van het zachte stargeglim, en Flitz, die volstrekt niets zien kon, scherpte des te sterker zijn gehoor, maar hoorde.... ook volstrekt niets dan, nu eens het voorbijrijdenvan een kar of wagen op den landweg, en dan weder het zacht getikkel van regendroppels op het eikenloof waaronder hij verscholen zat.Dat Flitz zoo langzamerhand van den drup iets meekreeg, zal niemand verwonderen, evenmin als het iemand bevreemden zal dat het toeven aan die plaats, hem om verschillende redenen hoe langer zoo onaangenamer werd. Eensklaps echter begint hem het hart vreeselijk te bonzen.—Hij hoort iets.—Ja, duidelijk.... zuchten! Zuchten, somwijlen afgewisseld door een onderaardsch brommend geluid.—Rechts aan de zijde van den landweg schuifelt iets.—Het bloed stijgt hem met geweld naar ’t voorhoofd, doch stroomt insgelijks met geweld naar de hoofdbron terug, nu dat zelfde gerucht en geschuifel zich ter linkerzijde, in de laan vanVredelust, laat hooren. ’t Schiet hem ijselijk in de beenen, zóó ijselijk, dat hem de knieën knikken. Desix pencewordt met een zenuwachtige krachtsinspanning aan het benedeneinde omklemd; de dikke haak is zijn eenige wapen, een wapen zeer geschikt om beentjes te lichten, maar zeker niet bestand tegen een aanval van helsche machten.Nadat het gezucht en geschuifel nu eens verder af en dan weder meer nabij, onzen Barend nog eenigen tijd het angstzweet uit al zijn poriën had gelokt, treft plotseling, zeer nabij de plaats waar hij zich bevindt, een akelig spookachtig gebrom zijne ooren. Duidelijk verneemt hij ketengerammel, en.... juist zint hij op het middel om door een zijsprong het akkermaalshout en tevens het monster te ontspringen, toen hij een hevigen gil uitstoot, want met een ander akelig geluid, dat veel overeenkomst met het hoesten van een oude tooverkol heeft, is het spook-monster op hem aangevlogen, en gevoelt hij den heksenklauw hem ’t vleesch van zijn rechterbeen scheuren! zoodat zijne angstkreten zich weldra ijzingwekkend in het rond doen hooren.“Fik! Alla! Hier Fik!” klinkt het gebiedend van de landwegzijde. Doch Fik—het spookmonster—Fik die nog steeds tusschen zijn oude tanden de broekspijp van den bevenden aspirant-notaris klemt, schijnt niet genegen om, zonder zijn prooi, tot den baas terug te keeren, en, steeds rukkend en wederrukkend, sliert hij Flitz—die van den schrik geen kracht bezit om weerstand te bieden—door de takken met zich voort, totdat ze beiden op den landweg staan, en een krachtig: “Kerel wie ben je?” Flitz in de ooren dreunt.“Ik!” schreeuwt Flitz met holle stem; maar voegt er stenend bij: “Roep in ’s hemelsnaam dat akelige beest.... of....”“Alla Fik, laat los! Hier!......hierzeg ik je!!” klinkt het weder gebiedend, maar ook even gebiedend nogmaals: “Spreek, wie ben je?”“Ik!—ikzelf,” is het antwoord, en wij durven niet vast bepalen of dat antwoord in den eenvoud des harten werd gegeven, of wel dat onze Barend den naam maar liefst wilde verzwijgen van hem, die uren achtereen in ’t kreupelhout zat om den burgervader een beentje te lichten.De baas van Fik meent de stem vanikte hebben herkend; datikklonk zoo Flitzig, doch—het verlangde antwoord niet ontvangende, voelt hij zich gerechtigd den door Fik gevangen persoon, een landlooper te noemen; en nader tredende—terwijl hij in de zwarte figuur nu volkomen den candidaat-notaris herkent—vat hij hem bij den kraag, en zegt met nadruk:“Dat zitten tusschen ’t kreupelhout in den laten avond komt mij razend verdacht voor; misschien heb je geen logies in ’t dorp of in een hooiberg kunnen krijgen; hé? Welnu, ik zal je een betere slaapplaats geven dan onder den drup der blâren. Vooruit! je zult heerlijk slapen onder den toren! Vooruit zeg ik je! En, zoo je misschien een buitengewonen dienst van je beenen denkt te vergen, reken er op dat Fik en mijn persoon er zes te zamen hebben. Voorwaarts, marsch!—Fik, links!”De oude trouwe Fik plaatst zich op ’t commando aan de linkerzijde van zijn gebieder, dochikdie nog bevend van angst, den man van gezag niet herkent, prevelt iets van: “Laat me gaan asjeblief?” en verwenscht heimelijk zijn nare “posietsje,” te meer daar hij tot overmaat van ramp zijn haakvormig wapen in ’t kreupelhout achterliet, dewijl de beide handen hem onontbeerlijk waren geweest om de nijdige takken uit het aangezicht te keeren.“Maar hemel! geloof toch.... ik ben....” zucht de gevangene.“Een landlooper, een struikroover of nog erger misschien,” valt de meester van Fik hem dreigend in de rede: “Voorwaarts! marsch! of anders zal mijn trouwe bloedhond genoodzaakt zijn z’n tanden met je strot te doen kennis maken.”Fik eenbloedhond! Gelukkig! Fik de goede oude hoort het niet, maar de candidaat des te beter. Een bloedhond! En haastig wendt hij zich om en stapt, zonder een woord te spreken met een akelig gezicht voorwaarts, en verzwijgt nog steeds zijn naam, ofschoon het noemen er van hem misschien de vrijheid zou hebben teruggegeven.’t Gaat voorwaarts. Fik, naast zijn baas in gepeins voortstappende, geniet het voorrecht om door diens parapluie voor den steeds dichter stroomenden regen te worden beschut. Flitz wordt doornat. Langs de kwast van zijn pet, die treurig neerhangt, glijdt het regenwater in den réservoir tusschen hals en stropdas, zoodat hij van tijd tot tijd allerzonderlingst met zijne schouderblaren werkt. ’t Gaat voorwaarts, doch Van Bavik—men heeft hem ongetwijfeld terstond herkend—vindt zich een paar malen verplicht zijn gevangene een zachte drukking te geven, daar Flitz weinig lust gevoelt om het logement te betrekken, ’t welk hem is toegezegd.’t Gaat voorwaarts, doch nauwelijks heeft ons drietal den zoogenaamden Molenhoek omgeslagen, waardoor de gloeiende Nº. één der dorpsverlichting in de duisternis zichtbaar wordt, of Barend wendt zich tot den strengen man die hem volgt, en zegt op een toon, die van zijn angst getuigt:“Hoor beste vriend, als ik je eens.... een paar kwartjes gaf, wat dunkt je? Waarachtig, ik ben een fatsoenlijk man; misschien ken je me wel, ik heet mijnheer Flitz.”“Verschrikkelijk! verschrikkelijk! Omkooping van ’t gerecht!” roept debeste vriend, op een toon, die den gevangene bewijst hoezeer zijn voorslag de verontwaardiging van den gerechtsman heeft opgewekt: “Twee kwartjes! En dan een valschen naam opgeven! Denk je dat ik mij knollen voor citroenen laat verkoopen? Een heer zou zich bij ontijd op een afgelegene plaats tusschen ’t struikgewas verbergen! Voorwaarts zeg ik je!” En, als tot zichzelven sprekende, vervolgt hij: “Verzwarende omstandigheden, ’t Opgeven van een valschen naam!” En luider: “Vooruit dan!—Fik geef acht!” Maar Barend, die op het achtgeven van denbloedhondniet bijzonder gesteld is, volgt het tot hem gerichte commando, terwijl hij stil voortgaande herhaaldelijk de waarachtige verzekering geeft, dathijen niemand anders danhijde heer Flitz is, ’t geen het kleinste kind van ’t dorp zal kunnen bevestigen.In ’t einde heeft ons gezelschap de dorpsstraat bereikt. Gelukkig voor den druipenden candidaat, dat de plassende regen, al wat leeft, binnenshuis houdt. Zij treden den hoek van het schoolhuis om. Daar, aan de linkerzijde is de woning van den notaris-weduwe, en het raam van ’t kantoor, waarbinnen zelfs de stomme boeken zouden kunnen getuigen dathijwel degelijk Flitz is.“Voorwaarts!” roept de vreemde diender nogmaals, en, ginds vertoont zich het kerkgebouw—dat nog zwarter dan de duisternis zelve is; het gevreesde kerkgebouw, dat hij zoo ontelbare malen met een dubbeltje en een cent in zijn rechter-vestjeszak is binnengegaan, waar zijn eigen naam in drie verschillende banken gesneden staat, waarvan hij de kleinste ruitjes in ’t groote raam honderden malen heeft overgeteld; waarin hij zoo menig rustig uurtje heeft doorgebracht, en waarvan hij nu—zoo geen onvoorziene redding daagt—het onder den toren tot nachtverblijf zal bekomen, in ’t akelige gezelschap van de doodsbaar, waarop nog onlangs de kist van den notaris stond.Akelige voorstelling!—Maar hoor, eensklaps klinkt het achter hem: “Halt!” en omziende bespeurt hij dat hij zich ter plaatse bevindt, waar die wilde Let hem eens zoo’n leelijke poets speelde, en ziet hij dat de gevreesde meester van den bloedhond, zijn hand aan de deurklink van ’tGeldersche Wapenslaat, terwijl hij oogenblikkelijk daarna, nogmaals diens gebiedende stem hoort, met het bevel om binnen te gaan.Flitz treedt binnen. Het licht van ’t olielampje, dat in de gang brandt, doet hem in den aanvang nog minder zien dan buiten, waar hij zwarter tegen zwart toch onderscheiden kon.Fik niest.Van Bavik, die beterlichtkan verdragen, schuift zijn gevangene zachtkens zijn kamer binnen; sluit de deur; doet een lucifer ontbranden, waardoor Flitz opnieuw de oogen sluit en Fik nogmaals niest; ontsteekt zijn lamp, en, terwijl Fik zijn nest ruikt, zich afschudt en daarna op ’t kussen in ’t mandje rolt, ruikt Flitz lont; schudt zenuwachtig met zijn hoofd, en wenscht zich verre van hier—liefst op zijn “paardenhare,” met hoofd en alonderde dekens.Treurig! Akelig treurig staat hij daar, de ongelukkige candidaat-notaris, tegenover den man die hij thans bij ’t lamplicht volkomen herkent, tegenover hem dien hij verfoeit, veracht, en wien hij een val in ’t zand, benevens een roffel met den “siks pens” had toegezworen; tegenover den valschaard, den Judas—die hem zijn “kroon van ’t hoofd had genomen en Suus voor den neus wegkaapte,” die lafhartig en leugenachtig, dat kleine beest in ’t nest een bloedhond noemde, om, bang als hijzelf was, zijn tegenpartij vrees aan te jagen. Doch ook, daar stond hij tegenover hém, die nu recht had te vragen: wáárom hij zich in ’t kreupelhout verborgen had. Tegenover den man, die op een scherpen toon dreigde, en.... verbeelll! stijf en stout vol hield hem niet te kennen, met de bewering dat de heer Flitz—een lief en charmant mensch, zijn intieme vriend—nimmer de dwaasheid in ’t hoofd zou hebben gekregen, om zich “uit de grap”—zooals hij gezegd had—des avonds laat in ’t natte kreupelhout te verbergen; en, al bestond er werkelijk eenige gelijkenis tusschen hem en genoemden heer, hij het niet zijn kon, maar een gemeene struikroover moest wezen.Wat Flitz ook ter zijner verdediging mocht aanvoeren, alles was vruchteloos, evenzeer als het een vergeefsche poging bleef, om den burgemeester tot de overtuiging te brengen dat hij werkelijk de persoon was die Van Bavik daareven—hoe valschaardig!—zijnintiemevriend had genoemd.“Spreek van geluk kerel, dat ik niet terstond met de handboei te voorschijn kom,” zegt Van Bavik eindelijk: “Binnen een paar minuten zal mijn veldwachter hier zijn, om je naar het hotel te expedieeren vanwaar je morgen vroegtijdig naar W. zult worden overgebracht, en, dewijl het je zeker niet onverschillig kan wezen welk lot je verder zal bereid worden, zoo wil ik,—in naam des Konings! de goedheid hebben zijn geëerbiedigden wil onder je oogen te brengen: de straf voor landlooperij, verdacht oponthoud, poging tot omkooping en naamvervalsching,—beide laatste zoo sterk voor een misdadig opzet pleitende. Zie hier,” en de jonge burgervader houdt den ongelukkigen candidaat het blad voor, waarop het vonnis voor zooveel boosheid gedrukt staat.De confusie maakte bij onzen Flitz, van lieverlede voor een gevoel plaats, dat hem zegt: je hebt toch ook handen aan je lijf Barend. Er kiemt een denkbeeld, dat men den draak met hem steekt; hij wil een anderen toon aanslaan, doch bezint zich dat het verblijf in ’t kreupelhout toch altijd een naar punt ter verdediging zal wezen.—Een gemoedelijk woord dan, een woord.... Maar nog eer het besluit is genomen omtrent de wijze waarop hij zich zal verdedigen, dreunt het: “Lees dan kerel!” hem met kracht in de ooren, en.... een oogenblik later vliegt Fik, met een allerijselijkst geblaf uit zijn nest op den vreemdeling aan, daar deze letterlijk gilt toen hij zijn vonnis heeft gelezen, vervat in de woorden:“Z. M. heeft benoemd tot notaris te B., den heer B. Flitz.”Fik bekomt een sterke vermaning om “koest” naar zijn nest te gaan, en op het oogenblik dat Van Bavik zijn gevangene tot kalmtestemt, door hem trouwhartig de hand te schudden en met zijn benoeming geluk te wenschen, gilt de ontstelde juffrouw Kamp buiten de geslotene deur:“In ’s hemelsnaam wat is hier te doen?”De burgemeester acht het onnoodig om voor zijn huisgenooten te verbergen wat in het nieuwsblad gedrukt staat, en terwijl Flitz nog niet van zijn verbazing bekomen, den zonderlingen vijand als wezenloos blijft aanstaren, houdt deze der ontstelde vrouw, door echtvriend en dienstboden gevolgd, de courant voor, en zegt: “Ziet ge, wij lachten met ons drieën omdathierde benoeming van den heer Flitz tot notaris, endaarde mijne tot kantonrechter te W. staat.”Weinige oogenblikken later trok het personeel, aan ’tWapen van Gelderlandverbonden, terug naar de plaats van waar het gekomen was, doch juffrouw Kamp, alles behalve lachende, want.... wie verzekerde haar dat een nieuwe burgemeester ook als deze, bij háár den intrek nemen, en even prompt in de betaling zou zijn!De veldwachter verscheen, maar, er was “van des burgemeesters orders” volstrekt niets, dan dat hij het nieuwsblad bij de heeren wethouders ter inzage zou bezorgen, dewijl zij anders in weerwil der groote verbeteringen in het postwezen, het blad—hedenavond door Van Bavik uit de stad meegebracht—eerst den volgenden dag des namiddags zouden te zien krijgen.Wij zullen niet verhalen wat er verder in de kamer van den nieuw benoemden kantonrechter verhandeld werd, ’t zij genoeg gezegd dat de beide heeren te zamen een glas wijn dronken, dat Flitz een uur later zijn zonderlingen vijand de hand schudde, en in tamelijk verwarde woorden betuigde, dat een mensch zich bedriegen kan, dat hij het “waarachtig” niet geweten had, en hartelijk hoopte dat Van Bavik, wat gepasseerd was als gepasseerd zou beschouwen, totdat hij in eene stemming—hemelsbreed verschillende van die waarin hij binnenkwam—de kamer verliet, en in ’t naar huis gaan ontelbare malen de woorden: “Ik notaris!” herhaalde.En de nieuw benoemde kantonrechter, waarmede besloot hij den gewichtigen dag?Zie, hij neemt het langwerpige boek met den groen lederen omslag, legt het vóór zich op de schrijftafel, en schrijft op bladz. 142:“28 Mei 18.5.“Zóó spoedig verwachtte ik de blijde uitkomst niet. Morgen zal Suze mijn brief ontvangen, en schier gelijktijdig het raadsel, daarin vervat, uit het nieuwsblad zien opgelost.“De kantonrechter van W. met een inkomen van circa twee duizend gulden, zal in genade worden ontvangen door de ouders, die den burgemeester van B. op een inkomen van vierhonderd gulden, de hand hunner lieveling moesten ontzeggen.“De hooggeplaatste neef, de neef mijner lieve moeder heeft, zonder zijn plicht te verzaken, aan mijne wenschen voldaan. Zal het land schade lijden door mijne benoeming? Mocht die neef voor den dooven ouden man—nu reeds voor den Grooten Rechter verschenen—niet een jong mensch in de plaats stellen, die met harten ziel zijn belangrijke roeping hoopt te vervullen, al is hij dan ook de zoon eener beminde nicht?—Is hethemeuvel te duiden dat hij, met betrekking tot den notarispost, den raad van den burgemeester der plaats het oor leende, den raad van den neef—burgemeester—die een geluk, door hem zelven zoo vurig begeerd, ook gaarne een ander geschonken zag? die in gemoede kou verklaren, dat de aspirant de achting van den overleden notaris genoot, en gedurende diens ziekte met ijver de werkzaamheden verrichtte?“De morgenschemering is reeds voorbij. Een schoone dag is aangebroken, een dag die den sleutel tot een reeks van nog blijdere dagen geeft. Groot is mijne blijdschap; streelend het gevoel, dat ik een weinig tot het geluk van hem mocht medewerken wien ik, ondanks mij zelven, een ergernis geworden was.“Slaap wel mijn liefste vrouwtje! Droom liefelijk, gij moogt het.“Rust wel mijn waardste Flitz! Eerst kwelde ik u buiten mijn toedoen; dezen avond deed ik het om uwe vreugde en uwe verrassing nog grooter te maken! Rust wel en droom genoeglijk; gij kunt het.“Slaap wel, neef van mijn engelachtige moeder; gij hebt geen kwaad gedaan. Zie in uw droom twee dankbare aangezichten.... misschien ontwaart ge op den achtergrond er nog twee, die u welgevalliger zijn.“Slaap wel mijn beste trouwe Fik, snork naar hartelust. Je gaat weer naar stad, hoor! en je krijgt ’en nieuwen halsband ook, zoo oud als je bent, ’en halsband met een opschrift: Voor moed, beleid en trouw. En zeker, als je jonger waart, en op twee beenen gingt, dan—dan spande ik mijn besten kruiwagen in om je een veldwachterspost te bezorgen.“Slaapt allen wel! Ookikga slapen, in de blijdste stemming, met een hart dat uitroept:“O goedheid Gods, nooit recht geprezen!Heethijeen mensch, dien Gij niet treft?Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,Die ’t hart niet vroolijk tot U heft!Neen!allesaan God dank te weten,Zij steedsmijnplicht,mijnwerk,mijnlied!De Heer heeft nimmer mij vergeten;Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!”In de dagen die volgden, klonk het nieuwtje door B. en omliggende plaatsjes van mond tot mond: Burgemeester Van Bavik kantonrechter te W.—en Flitz—notaris! ’t Algemeen houdt van veranderingen, en daarom had het vrede met Van Baviks benoeming,al werd er op den armen Minister heel wat afgegeven, die ook al—’t was eigenlijk schande—neefjes en nichtjes—let wel “nichtjes”—boven anderen voortrok.—In B. c. a. zou iedereen natuurlijkvreemdenboveneigenhebben voorgetrokken!.... hm!!!De jonge dorpelingen, vooral degenen die voor weinige maanden: Leve de burgemeester! hadden geschreeuwd, en ’t levendigst hunne vreugde over zijn komst aan den dag legden, waren ook nu weder het meest met zijn vertrek ingenomen. Geen wonder, het zou weer feest in ’t dorp worden; ze zouden weer rijden; en—licht dat een nieuwe wat scheutiger dan deze zou zijn, want voor alles wat er gedaan werd, had Van Bavik slechts een som van vijftig gulden gegeven, waarvoor alleen de armen waren onthaald geworden. De oudere dorpelingen, die de pret meer in hunne beurzen hadden gevoeld, meenden dat die gekheid voor een nieuwe nu wel achterwegen kon blijven; maar, ofschoon wij niet kunnen zeggen wat er bij de komst van dien nieuwe gebeurd is, wij gelooven vast dat de jongelieden den boventoon hebben gekregen, want, dat brengt de tijdgeest zoo mee.’t Sprak van zelf dat er machtig veel visites werden gebracht aan den kantonrechter Van Bavik, en aan den notaris Flitz; vooral aan den laatste, dewijl er van den eerste ook al zoo raar gepraat was, maar ook voornamelijk dewijl hij den dag na zijn benoeming in den avond was vertrokken, en nu, twee dagen later, nog niet was teruggekeerd.Flitz ontving visites, en tapte madera alsof het water was. Hij ontving van al de dorpsheeren—ja ook van sommige dames—visites, maar die één, die één kwam niet opdagen,hijniet, die vroeger de eerste zou geweest zijn.“Nog een glaasje? ’en halfje dan?” zei Flitz, met de madera-karaf schermende.“Dankje, heusch niet, hi hi!” lachte juffrouw Doortje Haspels, die met pa was medegegaan, en ’t ijselijk aardig vond om eens in een kamer van ’en jongeheer te zitten.“Toe maar!” dreigde Flitz; maar eensklaps werd hij vuurrood, want een zeer bekend hoofd schoof het raam voorbij, en een oogenblik later klonk de winkelschel—Flitz had kamers bij een bakker—terwijl er onmiddellijk daarna op de deur werd getikt.“Binnen!!!” riep de notaris—zoo hard dat juffrouw Doortje er “puur” van ontstelde en.... de persoon die binnentrad was de heer vanVredelust.Wij laten den aangenaam verrasten notaris, voor Gliekkes welgemeenden gelukwensch op het hartelijkst zijn dank betuigen, en spoeden ons naarVredelust, ten einde ons te overtuigen dat de dames, zooals Gliekke zijn vriend verzekerde, welvarende zijn.’t Bevreemdt ons bij het binnentreden van ’t woonvertrek, de dames niet alleen, maar in ’t gezelschap van den heer ex-burgemeester Van Bavik aan te treffen.“’t Zal Gliekke razend spijten,” zegt mevrouw: “Nog geen uurgeleden ging hij naar het dorp om zoowel ú als den heer Flitz een felicitatiebezoek te brengen. Eerst gisteren zag hij de benoemingen bij toeval in de Staats-Courant. Waarlijk uw verblijf alhier is van korten duur geweest, terwijl wij door onze lange afwezigheid slechts weinig van uw aangenaam gezelschap konden genieten.”“En toch durf ik hopen mevrouw,” antwoordt Van Bavik: “dat mijne kennismaking met u en de uwen geen voorbijgaande zal geweest zijn. W. ligt slechts een klein uur van hier; vooral des zomers is het een lieve wandeling; en....” liet hij er na een kleine pauze op volgen: “wanneer ik in mijn nieuwe betrekking te W. gevestigd zal zijn, vertrouw ik dat ook dames mijn nederige woning zullen betreden, terwijl een lief vrouwtje haar met blijdschap ontvangen zal.”“Een vrouwtje!” roept mevrouw Gliekke met een kermisgezicht, terwijl Suze een blik op Van Baviks tweeden roksknoop werpt, even onderzoekend als dien, waarmede zij iederen morgen uit haar venster den weerhaan begroet.“Geëngageerd!?”“Ja, waarlijk mevrouw,” herneemt Van Bavik: “en zeer zou ik mij bedriegen, indien mejuffrouw uwe dochter en haar naamgenoot, mijn beminde Suze, na een kennismaking, welke ik hoop dat eerlang zal plaats hebben, geen vriendinnen werden.”“Suze....?”“Suzette Van Hilsdorp,” zegt de heer ex-burgemeester, en wil er nog iets bijvoegen, maar wordt door den terugkeerenden heer Gliekke, gestoord, die, met de beide handen vooruit, hem in éénen adem gelukwenscht, en verhaalt dat hij “bot ving” maar blijde is hem hier nog aan te treffen.Gliekke, door zijne gade op de hoogte der belangrijke mededeeling gebracht, vervalt ten tweeden male in een hartelijken gelukwensch waarmede de dames instemmen.’t Gesprek tusschen de heeren wordt levendig.De heer des huizes stelt zich veel van de conversatie met mijnheer en mevrouw Van Bavik voor, wanneer zij althans twee- of driemalen opVredelustwillen komen tegen hij eenmaal in stad, dewijl hij vooral na dat laatste verblijf in mevrouws stad—nog meer afkeer van al wat stad is gekregen heeft. Ook de benoeming van Flitz geeft aanleiding tot levendigheid in ’t gesprek, en nadat de heer des huizes ten slotte nog heeft aangemerkt, dat Van Bavik al heel vlug een tweede ik voor ’t nieuwe nestje heeft gezocht, en deze daarop glimlachende heeft geantwoord, dat bij zulk een benoeming noodwendig eenSuzebehoort, ziet hij, dat de Suze, die tegenover hem zit, een kleur krijgt, terwijl Gliekke, die den kantonrechter weinige oogenblikken later in persoon uitlaat, hem nog—in vertrouwen—toefluistert: “En Flitz is doodelijk. Enfin, ’t wordt nú wat anders.”Om een verkeerde gevolgtrekking ten opzichte van Suze Gliekke bij den lezer te voorkomen, zoo voeren wij hem naar het oogenblik terug, waarin wij het meisje met den belangrijken brief van Barend Flitz in handen, Heerengracht No. 260 achterlieten.Wat Suze na de lezing er van gevoelde, loste zich op in de woorden:“Die goeje Flitz!”De goeje Flitz! Neen, háár had de gebrekkige stijl niet gehinderd, want vader Van Alphen leerde dat men moet schrijven zooals men praat; en Flitz had waarlijk geschreven zóó als hij zou gesproken hebben.Die goeje Flitz! Hij toch was de eenige geweest die haar een woordje had toegesproken, dat maar zelden een meisjes-oor kan treffen zonder in het maagdelijk hartje weerklank te vinden, Barend was de eenige geweest die Suus—ofschoon op plompe wijze—het woordjeliefdedeed hooren.Bemind te worden.... och, het is zoo’n zalig gevoel! De uitverkorene eens mans te zijn.... o, het is zoo’n streelende gewaarwording.Pardon dames, wij weten ’t wel, gij laat ook blauwtjes loopen; maar wij weten ’t evenzeer, dat er dan ook niet zelden papa’s en mama’s achter de schermen zitten; dan klinken de woorden: Geen bestaan, slechte conduite, of veel te min, ook meestal bovenuit.Och, voor het wezen dat, volgens een onzer zangers,van liefde leeft, is het zoo’n streelende gedachte dat zijbemindwordt, en van dien één, uit duizenden de uitverkorene is. Vandaar ook dat Adèle met Piet—over wiens lafheid ze vroeger op ’t kransje zoo lostrok—heden engagement-visites maakt; dat Jeane met Adriaan—wiens groote neus zoo dikwijls haar spotlust wekte—morgen één neus zal uitmaken; dat Nelly met Willem—wiens ernst en stijfheid hem eertijds in hare oogen tot een onuitstaanbaar être maakten—binnen kort dezelfde dorpspastorie hoopt te betrekken; dat Gonne om Heinrich—wien ze op de stoomboot leerde kennen, en na dien tijd slechts tweemalen ten harent ontving—ouders en broeders en zusters en vrienden en vaderland wil verlaten, om het dierbare wezen—van wien ze weinig meer weet dan dat hij een “ganz grosser Weinhändler” is—naar het groote Duitschland te volgen.Die goeje Flitz! Hij was het die haar gezegd had: “Suus ik heb je zoo lief!” en, ofschoon de nieuwe burgemeester iets raars in haar gemoed had doen trillen, vooral toen zij, door Barends verklaring geschokt, hem zoo buitengewoon hoorde zingen, zij was weder geheel en alFlitzgeworden, nadat papa zoo ongevoelig, zoo onaardig over dien goeden jongen had losgetrokken, en haar verbood gemeenzaam met hem te zijn zooals zij het tot hiertoe geweest was.Na het vertrek vanVredelusthad ze veel aan den vriend gedacht, en weinig vermaak in de genoegens geschept, die haar in de stad van mama waren aangeboden. De neven vond ze onuitstaanbaar, vooral neef Doris die altijd als ze uitgingen met zijn arm kwam aanzetten, alsof ze nietalleenkon loopen!Die goeje Flitz! Hij had haar gezocht, maar natuurlijk in die groote stad niet kunnen vinden. Zij zelve wist immers ook nooit—wanneer ze huiswaarts keerde—op welke hoogte zij zich bevond, en zou buiten twijfel in zijne plaats verdwaald zijn.Die nieuwe burgemeester! Wie had kunnen denken dat hij, zooals Flitz schreef:“veel te onfatsoenlijk was om het in een brief als deze neder te stellen.” Wat mocht het zijn dat hem, die waarlijk toch heel aardig en nog veel meer was, zoo in minachting bracht, terwijl Barend scheen te vermoeden dat hij hem nog bovendien bij haar in den weg stond?Maar, als Flitz iets zeide dan moest het wel waar zijn, en ’t bleek dus almede dat het alles geen goud is wat blinkt.Hoe dikwijls stond het geschreven: “Dierbare Suze!”Die goeje Flitz! Misschien zou hij notaris worden, “althans, zoo geen gemeen sujet met den post ging strijken.”Die goeje Flitz! dat was de grondtoon der overdenkingen van ’t lieve meisjegeweesten nu.... nu ze na het vertrek van den ex-burgemeester op haar kamer zit, nu kan ze niet gelooven dat hij, die zoo hartelijk over Flitz sprak, zijn vijand kon wezen, en vertrouwt dat Barend zich ten zijnen opzichte bedroog, terwijl ze gedurig de woorden herdenkt: “Bij zulk een benoeming behoort eenSuze.”Nog dien zelfden middag had er tusschen de ouders Gliekke in het woonvertrek een onderhoud plaats, ’t welk besloten werd met de verklaring van mevrouw: “Als jij er vóór bent, dan beniker niet tegen; ’t zal dus de vraag zijn of Suus...?” En Suus die spoedig daarop geroepen werd, en kort en zakelijk vernam dat Barend Flitz in een vertrouwelijk gesprek met papa om de hand zijner dochter gevraagd had,—antwoordde op papa’s vraag: “Wat dunkt je er van?”niets, maar wandelde den volgenden dag gearmd met den nieuwen notaris door de boschjes vanVredelust, en nog een dag later door de lange dorpsstraat.Hoe de hekken zoo spoedig verhangen waren begreep niemand, maar zeker is het dat de slechte noten, die er van den burgemeester Van Bavik waren gekraakt, door de schoonste loftuitingen werden vervangen, en Flitz verzekerde aan Suze, dat de nieuwe kantonrechter van W. de “sjoviaalste” kerel was dien hij ooit ontmoette, en dat hij vast geloofde mede doorzijntusschenkomst de benoeming in den zak te hebben.Wij mogen den lezer, vóór dat wij hetpoint finaleplaatsen, eenige kleine ophelderingen niet onthouden.Waarom solliciteerde Van Bavik, behalve de reden uit zijn dagboek vernomen, éérst naar het burgemeesterschap te B. c. a.?Omdat het de eenige vacante post in den omtrek van W. was, en te W. woonde het meisje, dat hij in de academiestad leerde kennen en teeder beminde.Vanwaar zijn afgetrokken antwoorden aan den heer Gliekke, toen deze den jongen burgervader over de plichten sprak, die hij zelf als vader te vervullen had.Omdat de vaderzijnerSuze, met den heer Gliekke op dat punt geheel overeenstemde.Waarom die avondwandelingen naar W. terwijl de toegang tot Van Hilsdorps woning hem na zijn eerste aanzoek ontzegd was?Omdat Suze Hilsdorp een vriendin had die gaarne briefjes en geplukte vergeet-mij-nietjes overbracht, en met toestemming van haar echtgenoot—Alexanders academievriend—den geestigen jongen met liefde herbergde.Ziet gij wel lezer, dat wij zeer discreet in ’t doorbladeren van het dagboek waren.Vaarwel! Morgen zal er een diner opVredelustzijn. Een prachtig verlovingsdiner; en Suze Hilsdorp zal tegenover Barend Flitz, Suze Gliekke tegenover Alexander Van Bavik zitten.En nu eindigen wij onze vertelling, maar roepen eerst luide: Voorzichtig gij, die schittert door vernuft en talenten, er kunnen slangen sissen in de kransen die men u toewerpt, grijp niet al te haastig! En gij die nooit zult schitteren, zoek geen venijn in al de schoone bloemen, de bloemen die rijk zijn in kleuren, en mild zijn in geuren.1Dit lied, van den heer Dr. J. P. Heije, en treffend op muziek gebracht door den heer W. Broedelet, weerspreekt het beweren zoo krachtig, dat onze schoone moedertaal niet bij uitnemendheid voor den zang zoude geschikt zijn. ’t Is treurig dat men in ons vaderland zoo weinig nationaaltrots bezit, en alles mooier en beter vindt wat uit den vreemde komt.2Six pence, een dikke, houten wandelstok met een baak tot handvat.

“Dierbare Mejuffrouw Suze!Ik heb in een zeer nare spanning verkeerd sedert ik de laatste maal opVredelustwas, en vooral sedert je met papa en mamanaar Holland bent vertrokken. Ik weet op mijn woord van eer niet wat ik er van denken moet, maar, des te beter weet ik, dat die persoon Van Bavik een gemeen sjusjet is daar niemand van weten wil. Dierbare Suus, ik heb je zoo lief, en waarom je zoo veranderd ben, begrijp ik in ’t geheel niet, net zoo min als van je ouwelui. Als het alleen van dat Sirenengezang komt, dan moet ik je nadrukkelijk zeggen, daar niet langer naar te luisteren om reden boven gezegd. Je bent veel te lief en te goed om ongelukkig te worden. O! Suus! ik hou toch zoo idiolaat van je, en alles zou zich wel schikken, als de zaken loopen zoo als onderget. hoopt. Je weet, de notaris Van Saffelen dood is; het spijt mij ijselijk, maar nu het eenmaal zoo is, nu doet het mij toch pleizierdathij mij den weg wees om in zijne plaats te komen. Toen, met het burgemeesterschap, had ik aan den Koning geschreven met verzoek om geheimhouding; maar, dáár moet je niet gaan Suus. Eerst naar den Procureur-Generaal en dan naar den Minister in Den Haag; allebei heel vriendelijke menschen die zeiden, aan mij te zullen denken. O lieve Suus, als jij maar van me houdt, en niet als vroeger een gemeen sjusjet met den post gaat strijken dan isalles niets.Onderget. in Amsterdam zijnde, heeft overal op de Heerengracht als een gek naar Nº. 260 gezocht om je te vinden; en nu besluit ik deze hopende hij te recht zal komen. Zeg maar niet dat ik je schreef, en nog eens, luister maar niet naar een ander die te onfatsoenlijk is om het in een brief als deze neder te stellen.Kan het zijn, zend mij dan een woordje van liefde tot bescheid; denk ik je al zoo lang gekend heb. Hoop met mij, ik den notarispost zal krijgen; het protekol is in handen van den notaris uit E. die met Van Bavik op en neer gaat, dat maakt mij soms zoo benauwd.Nogmaals gegroet Dierbare Suus, ik heb waarachtig alles voor je over, en geloof mij,Dierbare Mejuffrouw Suze!UWelEd. Dienstw. Dien. en Minnaar.B. Flitz.Kat. Not.B. den 12 Mei 18.5.PS. Atjuu Suus!”

“Dierbare Mejuffrouw Suze!

Ik heb in een zeer nare spanning verkeerd sedert ik de laatste maal opVredelustwas, en vooral sedert je met papa en mamanaar Holland bent vertrokken. Ik weet op mijn woord van eer niet wat ik er van denken moet, maar, des te beter weet ik, dat die persoon Van Bavik een gemeen sjusjet is daar niemand van weten wil. Dierbare Suus, ik heb je zoo lief, en waarom je zoo veranderd ben, begrijp ik in ’t geheel niet, net zoo min als van je ouwelui. Als het alleen van dat Sirenengezang komt, dan moet ik je nadrukkelijk zeggen, daar niet langer naar te luisteren om reden boven gezegd. Je bent veel te lief en te goed om ongelukkig te worden. O! Suus! ik hou toch zoo idiolaat van je, en alles zou zich wel schikken, als de zaken loopen zoo als onderget. hoopt. Je weet, de notaris Van Saffelen dood is; het spijt mij ijselijk, maar nu het eenmaal zoo is, nu doet het mij toch pleizierdathij mij den weg wees om in zijne plaats te komen. Toen, met het burgemeesterschap, had ik aan den Koning geschreven met verzoek om geheimhouding; maar, dáár moet je niet gaan Suus. Eerst naar den Procureur-Generaal en dan naar den Minister in Den Haag; allebei heel vriendelijke menschen die zeiden, aan mij te zullen denken. O lieve Suus, als jij maar van me houdt, en niet als vroeger een gemeen sjusjet met den post gaat strijken dan isalles niets.

Onderget. in Amsterdam zijnde, heeft overal op de Heerengracht als een gek naar Nº. 260 gezocht om je te vinden; en nu besluit ik deze hopende hij te recht zal komen. Zeg maar niet dat ik je schreef, en nog eens, luister maar niet naar een ander die te onfatsoenlijk is om het in een brief als deze neder te stellen.

Kan het zijn, zend mij dan een woordje van liefde tot bescheid; denk ik je al zoo lang gekend heb. Hoop met mij, ik den notarispost zal krijgen; het protekol is in handen van den notaris uit E. die met Van Bavik op en neer gaat, dat maakt mij soms zoo benauwd.

Nogmaals gegroet Dierbare Suus, ik heb waarachtig alles voor je over, en geloof mij,

Dierbare Mejuffrouw Suze!UWelEd. Dienstw. Dien. en Minnaar.B. Flitz.Kat. Not.

B. den 12 Mei 18.5.PS. Atjuu Suus!”

Deze brief, dien wij Barend letterlijk naschreven, werd aan het bekende adres verzonden, en door Suze Gliekke ontvangen, juist toen zij alleen met lichte hoofdpijn te huis was, terwijl de overige familieleden zich in Artis bevonden.

In den namiddag van een schoonen Mei-avond—twee weken ongeveer na de terugkomst van de familie Gliekke opVredelust—vinden wij Alexander Van Bavik voor het opgeschoven raam zijner schrijfkamer weder.

Zijn gelaat draagt de duidelijkste sporen eener blijde zeer blijde gemoedsstemming, en in zijn hand houdt hij een brief, welks korte inhoud door hem reeds verscheidene malen werd gelezen en herlezen.

“Moeder! Engel! dat is uw werk,” spreekt hij halfluide in vervoering, en Fik die naast zijn stoel te snorken lag, eensklaps bij de voorpooten vattende, springt hij op, en danst met zijn vriend de kamer door, zóó wild, dat Fik, die al tamelijk oud is, en zelfs in zijn jonge dagen niet dol veel van dansen hield, begint te pruttelen, en juffrouw Kamp eenige oogenblikken later om ’t hoekje van de deur kijkt, en vraagt, of burgemeester om ’t servies op ’t kastje zal denken, en heengaat met een:

“’t Is niet pluis in den bol!”

Een half uur later zit de burgemeester voor zijn schrijftafel en schrijft:

“Liefste Vriendin!De nacht is voorbij, de morgenschemering breekt aan, en de zon van ons heil zal weldra lichten. Innig beminde, de scheidsmuur zal vallen. Mijn maatschappelijke positie werd een schoone verbetering toegezegd. Spoedig zal ik u aan ’t kloppende hart mogen drukken. Spoedig zal ik u geheel kunnen toebehooren, en—maar neen, de last tot zwijgen werd mij nadrukkelijk opgelegd. Vooriedermoet ik zwijgen.—Maar voor u....?—Het allereerst!—Of zoudt ge voor het altaar der liefde hechten aan het woord van hem, die den vriend geen trouw hield, en wiens ontrouw u alzoo eenmaal gebleken was?Vaarwel mijn innig geliefde Suze. Spoedig hoop ik u een meer uitvoerig, een geheel bevredigend antwoord te kunnen toezenden, zoo de omstandigheden mij niet mochten veroorloven u in persoon woorden van liefde te komen toespreken.Geloof mij Uw onveranderlijk trouwe vriend:Alexander.B. 28 Mei 18.5.”

“Liefste Vriendin!

De nacht is voorbij, de morgenschemering breekt aan, en de zon van ons heil zal weldra lichten. Innig beminde, de scheidsmuur zal vallen. Mijn maatschappelijke positie werd een schoone verbetering toegezegd. Spoedig zal ik u aan ’t kloppende hart mogen drukken. Spoedig zal ik u geheel kunnen toebehooren, en—maar neen, de last tot zwijgen werd mij nadrukkelijk opgelegd. Vooriedermoet ik zwijgen.—Maar voor u....?—Het allereerst!—Of zoudt ge voor het altaar der liefde hechten aan het woord van hem, die den vriend geen trouw hield, en wiens ontrouw u alzoo eenmaal gebleken was?

Vaarwel mijn innig geliefde Suze. Spoedig hoop ik u een meer uitvoerig, een geheel bevredigend antwoord te kunnen toezenden, zoo de omstandigheden mij niet mochten veroorloven u in persoon woorden van liefde te komen toespreken.

Geloof mij Uw onveranderlijk trouwe vriend:

Alexander.B. 28 Mei 18.5.”

Deze haastig geschreven brief, werd even haastig gevouwen en verzegeld, terwijl alleen het: “Aan Suze,” op de buitenzijde werd gesteld, en—nog dien zelfden middag zag Barend Flitz, die bij de weduwe Van Saffelen thee dronk, Van Bavik het raam voorbij stappen.—Waar mocht dat heengaan? Naar stad? Neen! vervl.... naar de Gliekkes!

“Zei je wat Barend?” vraagde de weduwe.

“Neen mevrouw, niets,” antwoordde Flitz: “Maar weet u ik heb haast, ik heb iets te doen. Dank u, ’k heb volstrekt geen dorstmeer. Neem mij niet kwalijk,” en hij greep naar zijn hoed en vatte zijn “siks pens”2en verliet, zonder mevrouw op haar verdere vragen te antwoorden, het vertrek.

Had de candidaat-notaris, toen hij mevrouw Van Saffelens huiskamer betrad, voor eenige oogenblikken eigen angsten en zorgen vergeten, om de bedroefde, met de bespiegelingen hoe alles door hem zou worden aangelegd indien hij als notaris “in plaats van mijnheer mocht worden benoemd,” wat op te vroolijken; (!) had hij—omhaareen aangename afleiding te bezorgen (?) van de veranderingen gesproken, die hij in de notariswoning zou maken, wanneer mevrouw—die toch zeker in kamers zou gaan—haar verlaten had, was hij, tot meerdere opbeuring misschien, bij die bespiegelingen zelfs een enkele maal in ’t komieke gevallen: sedert hij het valsche gelaat van dien Bavik weder aanschouwde, waren al die droombeelden vervlogen, en was al het komieke op eenmaal verdwenen; het kookte hem feller dan immer in de borst, en, terwijl mevrouw Van Saffelen niet wist wat Barend zoo eensklaps tot vertrekken had genoopt, en de heer Meyer Jr.—die Flitz tegen ’t vallen van den avond even buiten het dorp ontmoette—niet begreep hoe hij zoo kortaf “bonswaar,” had gezegd, zat Barend Flitz met zijn dikken haakstok in het akkermaalshout, dat de rechterzijde der laan vanVredelust, benevens de linkerzijde van den landweg begrensde, en wachtte..... wachtte op het “gemeene sjusjet,” wachtte lang, zeer lang met weinig vredelievende gevoelens.

Zooals Barend daar tusschen de takken en blaren gezeten was, had hij volkomen den tijd om zich alles te herinneren wat het negatieve vriendschapsvuur voordienpersoon in zijn binnenste kon brandende houden. Bij alles herdacht hij ook zijn laatste bezoek opVredelust. Na de terugkomst der familie was hij niet in gebreke gebleven haar een verwelkom-visite te brengen, maar hoe.... hoe werd hij ontvangen!? Mijnheer was hem in de gang te gemoet gekomen, en had zijn vriendelijken groet niet beantwoord zooals hij dat voorheen zou gedaan hebben. De dames had hij niet kunnen spreken, want zij waren druk aan den schoonmaak, die tot haar terugkomst was uitgesteld; en terwijl Barend, op Gliekkes verzoek, mede naar de goudvischkom was gewandeld—zonder zelfs te zijn binnengelaten,—had hij veel van goudvisschen en telkens weder van goudvisschen gehoord, doch van háár had hij niets vernomen, van háár, die ook na zijn schrijven niets van zich hooren liet; van haar die ingepakt, en hem totaal ontstolen was!

Meer dan drie volle uren had de candidaat-notaris reeds in zijn schuilhoek doorgebracht, zonder dat eenig levend wezen het hek vanVredelustwas uitgetreden. ’t Was erg donker, want de bewolkte lucht beroofde het aardrijk van het zachte stargeglim, en Flitz, die volstrekt niets zien kon, scherpte des te sterker zijn gehoor, maar hoorde.... ook volstrekt niets dan, nu eens het voorbijrijdenvan een kar of wagen op den landweg, en dan weder het zacht getikkel van regendroppels op het eikenloof waaronder hij verscholen zat.

Dat Flitz zoo langzamerhand van den drup iets meekreeg, zal niemand verwonderen, evenmin als het iemand bevreemden zal dat het toeven aan die plaats, hem om verschillende redenen hoe langer zoo onaangenamer werd. Eensklaps echter begint hem het hart vreeselijk te bonzen.—Hij hoort iets.—Ja, duidelijk.... zuchten! Zuchten, somwijlen afgewisseld door een onderaardsch brommend geluid.—Rechts aan de zijde van den landweg schuifelt iets.—Het bloed stijgt hem met geweld naar ’t voorhoofd, doch stroomt insgelijks met geweld naar de hoofdbron terug, nu dat zelfde gerucht en geschuifel zich ter linkerzijde, in de laan vanVredelust, laat hooren. ’t Schiet hem ijselijk in de beenen, zóó ijselijk, dat hem de knieën knikken. Desix pencewordt met een zenuwachtige krachtsinspanning aan het benedeneinde omklemd; de dikke haak is zijn eenige wapen, een wapen zeer geschikt om beentjes te lichten, maar zeker niet bestand tegen een aanval van helsche machten.

Nadat het gezucht en geschuifel nu eens verder af en dan weder meer nabij, onzen Barend nog eenigen tijd het angstzweet uit al zijn poriën had gelokt, treft plotseling, zeer nabij de plaats waar hij zich bevindt, een akelig spookachtig gebrom zijne ooren. Duidelijk verneemt hij ketengerammel, en.... juist zint hij op het middel om door een zijsprong het akkermaalshout en tevens het monster te ontspringen, toen hij een hevigen gil uitstoot, want met een ander akelig geluid, dat veel overeenkomst met het hoesten van een oude tooverkol heeft, is het spook-monster op hem aangevlogen, en gevoelt hij den heksenklauw hem ’t vleesch van zijn rechterbeen scheuren! zoodat zijne angstkreten zich weldra ijzingwekkend in het rond doen hooren.

“Fik! Alla! Hier Fik!” klinkt het gebiedend van de landwegzijde. Doch Fik—het spookmonster—Fik die nog steeds tusschen zijn oude tanden de broekspijp van den bevenden aspirant-notaris klemt, schijnt niet genegen om, zonder zijn prooi, tot den baas terug te keeren, en, steeds rukkend en wederrukkend, sliert hij Flitz—die van den schrik geen kracht bezit om weerstand te bieden—door de takken met zich voort, totdat ze beiden op den landweg staan, en een krachtig: “Kerel wie ben je?” Flitz in de ooren dreunt.

“Ik!” schreeuwt Flitz met holle stem; maar voegt er stenend bij: “Roep in ’s hemelsnaam dat akelige beest.... of....”

“Alla Fik, laat los! Hier!......hierzeg ik je!!” klinkt het weder gebiedend, maar ook even gebiedend nogmaals: “Spreek, wie ben je?”

“Ik!—ikzelf,” is het antwoord, en wij durven niet vast bepalen of dat antwoord in den eenvoud des harten werd gegeven, of wel dat onze Barend den naam maar liefst wilde verzwijgen van hem, die uren achtereen in ’t kreupelhout zat om den burgervader een beentje te lichten.

De baas van Fik meent de stem vanikte hebben herkend; datikklonk zoo Flitzig, doch—het verlangde antwoord niet ontvangende, voelt hij zich gerechtigd den door Fik gevangen persoon, een landlooper te noemen; en nader tredende—terwijl hij in de zwarte figuur nu volkomen den candidaat-notaris herkent—vat hij hem bij den kraag, en zegt met nadruk:

“Dat zitten tusschen ’t kreupelhout in den laten avond komt mij razend verdacht voor; misschien heb je geen logies in ’t dorp of in een hooiberg kunnen krijgen; hé? Welnu, ik zal je een betere slaapplaats geven dan onder den drup der blâren. Vooruit! je zult heerlijk slapen onder den toren! Vooruit zeg ik je! En, zoo je misschien een buitengewonen dienst van je beenen denkt te vergen, reken er op dat Fik en mijn persoon er zes te zamen hebben. Voorwaarts, marsch!—Fik, links!”

De oude trouwe Fik plaatst zich op ’t commando aan de linkerzijde van zijn gebieder, dochikdie nog bevend van angst, den man van gezag niet herkent, prevelt iets van: “Laat me gaan asjeblief?” en verwenscht heimelijk zijn nare “posietsje,” te meer daar hij tot overmaat van ramp zijn haakvormig wapen in ’t kreupelhout achterliet, dewijl de beide handen hem onontbeerlijk waren geweest om de nijdige takken uit het aangezicht te keeren.

“Maar hemel! geloof toch.... ik ben....” zucht de gevangene.

“Een landlooper, een struikroover of nog erger misschien,” valt de meester van Fik hem dreigend in de rede: “Voorwaarts! marsch! of anders zal mijn trouwe bloedhond genoodzaakt zijn z’n tanden met je strot te doen kennis maken.”

Fik eenbloedhond! Gelukkig! Fik de goede oude hoort het niet, maar de candidaat des te beter. Een bloedhond! En haastig wendt hij zich om en stapt, zonder een woord te spreken met een akelig gezicht voorwaarts, en verzwijgt nog steeds zijn naam, ofschoon het noemen er van hem misschien de vrijheid zou hebben teruggegeven.

’t Gaat voorwaarts. Fik, naast zijn baas in gepeins voortstappende, geniet het voorrecht om door diens parapluie voor den steeds dichter stroomenden regen te worden beschut. Flitz wordt doornat. Langs de kwast van zijn pet, die treurig neerhangt, glijdt het regenwater in den réservoir tusschen hals en stropdas, zoodat hij van tijd tot tijd allerzonderlingst met zijne schouderblaren werkt. ’t Gaat voorwaarts, doch Van Bavik—men heeft hem ongetwijfeld terstond herkend—vindt zich een paar malen verplicht zijn gevangene een zachte drukking te geven, daar Flitz weinig lust gevoelt om het logement te betrekken, ’t welk hem is toegezegd.

’t Gaat voorwaarts, doch nauwelijks heeft ons drietal den zoogenaamden Molenhoek omgeslagen, waardoor de gloeiende Nº. één der dorpsverlichting in de duisternis zichtbaar wordt, of Barend wendt zich tot den strengen man die hem volgt, en zegt op een toon, die van zijn angst getuigt:

“Hoor beste vriend, als ik je eens.... een paar kwartjes gaf, wat dunkt je? Waarachtig, ik ben een fatsoenlijk man; misschien ken je me wel, ik heet mijnheer Flitz.”

“Verschrikkelijk! verschrikkelijk! Omkooping van ’t gerecht!” roept debeste vriend, op een toon, die den gevangene bewijst hoezeer zijn voorslag de verontwaardiging van den gerechtsman heeft opgewekt: “Twee kwartjes! En dan een valschen naam opgeven! Denk je dat ik mij knollen voor citroenen laat verkoopen? Een heer zou zich bij ontijd op een afgelegene plaats tusschen ’t struikgewas verbergen! Voorwaarts zeg ik je!” En, als tot zichzelven sprekende, vervolgt hij: “Verzwarende omstandigheden, ’t Opgeven van een valschen naam!” En luider: “Vooruit dan!—Fik geef acht!” Maar Barend, die op het achtgeven van denbloedhondniet bijzonder gesteld is, volgt het tot hem gerichte commando, terwijl hij stil voortgaande herhaaldelijk de waarachtige verzekering geeft, dathijen niemand anders danhijde heer Flitz is, ’t geen het kleinste kind van ’t dorp zal kunnen bevestigen.

In ’t einde heeft ons gezelschap de dorpsstraat bereikt. Gelukkig voor den druipenden candidaat, dat de plassende regen, al wat leeft, binnenshuis houdt. Zij treden den hoek van het schoolhuis om. Daar, aan de linkerzijde is de woning van den notaris-weduwe, en het raam van ’t kantoor, waarbinnen zelfs de stomme boeken zouden kunnen getuigen dathijwel degelijk Flitz is.

“Voorwaarts!” roept de vreemde diender nogmaals, en, ginds vertoont zich het kerkgebouw—dat nog zwarter dan de duisternis zelve is; het gevreesde kerkgebouw, dat hij zoo ontelbare malen met een dubbeltje en een cent in zijn rechter-vestjeszak is binnengegaan, waar zijn eigen naam in drie verschillende banken gesneden staat, waarvan hij de kleinste ruitjes in ’t groote raam honderden malen heeft overgeteld; waarin hij zoo menig rustig uurtje heeft doorgebracht, en waarvan hij nu—zoo geen onvoorziene redding daagt—het onder den toren tot nachtverblijf zal bekomen, in ’t akelige gezelschap van de doodsbaar, waarop nog onlangs de kist van den notaris stond.

Akelige voorstelling!—Maar hoor, eensklaps klinkt het achter hem: “Halt!” en omziende bespeurt hij dat hij zich ter plaatse bevindt, waar die wilde Let hem eens zoo’n leelijke poets speelde, en ziet hij dat de gevreesde meester van den bloedhond, zijn hand aan de deurklink van ’tGeldersche Wapenslaat, terwijl hij oogenblikkelijk daarna, nogmaals diens gebiedende stem hoort, met het bevel om binnen te gaan.

Flitz treedt binnen. Het licht van ’t olielampje, dat in de gang brandt, doet hem in den aanvang nog minder zien dan buiten, waar hij zwarter tegen zwart toch onderscheiden kon.

Fik niest.

Van Bavik, die beterlichtkan verdragen, schuift zijn gevangene zachtkens zijn kamer binnen; sluit de deur; doet een lucifer ontbranden, waardoor Flitz opnieuw de oogen sluit en Fik nogmaals niest; ontsteekt zijn lamp, en, terwijl Fik zijn nest ruikt, zich afschudt en daarna op ’t kussen in ’t mandje rolt, ruikt Flitz lont; schudt zenuwachtig met zijn hoofd, en wenscht zich verre van hier—liefst op zijn “paardenhare,” met hoofd en alonderde dekens.

Treurig! Akelig treurig staat hij daar, de ongelukkige candidaat-notaris, tegenover den man die hij thans bij ’t lamplicht volkomen herkent, tegenover hem dien hij verfoeit, veracht, en wien hij een val in ’t zand, benevens een roffel met den “siks pens” had toegezworen; tegenover den valschaard, den Judas—die hem zijn “kroon van ’t hoofd had genomen en Suus voor den neus wegkaapte,” die lafhartig en leugenachtig, dat kleine beest in ’t nest een bloedhond noemde, om, bang als hijzelf was, zijn tegenpartij vrees aan te jagen. Doch ook, daar stond hij tegenover hém, die nu recht had te vragen: wáárom hij zich in ’t kreupelhout verborgen had. Tegenover den man, die op een scherpen toon dreigde, en.... verbeelll! stijf en stout vol hield hem niet te kennen, met de bewering dat de heer Flitz—een lief en charmant mensch, zijn intieme vriend—nimmer de dwaasheid in ’t hoofd zou hebben gekregen, om zich “uit de grap”—zooals hij gezegd had—des avonds laat in ’t natte kreupelhout te verbergen; en, al bestond er werkelijk eenige gelijkenis tusschen hem en genoemden heer, hij het niet zijn kon, maar een gemeene struikroover moest wezen.

Wat Flitz ook ter zijner verdediging mocht aanvoeren, alles was vruchteloos, evenzeer als het een vergeefsche poging bleef, om den burgemeester tot de overtuiging te brengen dat hij werkelijk de persoon was die Van Bavik daareven—hoe valschaardig!—zijnintiemevriend had genoemd.

“Spreek van geluk kerel, dat ik niet terstond met de handboei te voorschijn kom,” zegt Van Bavik eindelijk: “Binnen een paar minuten zal mijn veldwachter hier zijn, om je naar het hotel te expedieeren vanwaar je morgen vroegtijdig naar W. zult worden overgebracht, en, dewijl het je zeker niet onverschillig kan wezen welk lot je verder zal bereid worden, zoo wil ik,—in naam des Konings! de goedheid hebben zijn geëerbiedigden wil onder je oogen te brengen: de straf voor landlooperij, verdacht oponthoud, poging tot omkooping en naamvervalsching,—beide laatste zoo sterk voor een misdadig opzet pleitende. Zie hier,” en de jonge burgervader houdt den ongelukkigen candidaat het blad voor, waarop het vonnis voor zooveel boosheid gedrukt staat.

De confusie maakte bij onzen Flitz, van lieverlede voor een gevoel plaats, dat hem zegt: je hebt toch ook handen aan je lijf Barend. Er kiemt een denkbeeld, dat men den draak met hem steekt; hij wil een anderen toon aanslaan, doch bezint zich dat het verblijf in ’t kreupelhout toch altijd een naar punt ter verdediging zal wezen.—Een gemoedelijk woord dan, een woord.... Maar nog eer het besluit is genomen omtrent de wijze waarop hij zich zal verdedigen, dreunt het: “Lees dan kerel!” hem met kracht in de ooren, en.... een oogenblik later vliegt Fik, met een allerijselijkst geblaf uit zijn nest op den vreemdeling aan, daar deze letterlijk gilt toen hij zijn vonnis heeft gelezen, vervat in de woorden:

“Z. M. heeft benoemd tot notaris te B., den heer B. Flitz.”

Fik bekomt een sterke vermaning om “koest” naar zijn nest te gaan, en op het oogenblik dat Van Bavik zijn gevangene tot kalmtestemt, door hem trouwhartig de hand te schudden en met zijn benoeming geluk te wenschen, gilt de ontstelde juffrouw Kamp buiten de geslotene deur:

“In ’s hemelsnaam wat is hier te doen?”

De burgemeester acht het onnoodig om voor zijn huisgenooten te verbergen wat in het nieuwsblad gedrukt staat, en terwijl Flitz nog niet van zijn verbazing bekomen, den zonderlingen vijand als wezenloos blijft aanstaren, houdt deze der ontstelde vrouw, door echtvriend en dienstboden gevolgd, de courant voor, en zegt: “Ziet ge, wij lachten met ons drieën omdathierde benoeming van den heer Flitz tot notaris, endaarde mijne tot kantonrechter te W. staat.”

Weinige oogenblikken later trok het personeel, aan ’tWapen van Gelderlandverbonden, terug naar de plaats van waar het gekomen was, doch juffrouw Kamp, alles behalve lachende, want.... wie verzekerde haar dat een nieuwe burgemeester ook als deze, bij háár den intrek nemen, en even prompt in de betaling zou zijn!

De veldwachter verscheen, maar, er was “van des burgemeesters orders” volstrekt niets, dan dat hij het nieuwsblad bij de heeren wethouders ter inzage zou bezorgen, dewijl zij anders in weerwil der groote verbeteringen in het postwezen, het blad—hedenavond door Van Bavik uit de stad meegebracht—eerst den volgenden dag des namiddags zouden te zien krijgen.

Wij zullen niet verhalen wat er verder in de kamer van den nieuw benoemden kantonrechter verhandeld werd, ’t zij genoeg gezegd dat de beide heeren te zamen een glas wijn dronken, dat Flitz een uur later zijn zonderlingen vijand de hand schudde, en in tamelijk verwarde woorden betuigde, dat een mensch zich bedriegen kan, dat hij het “waarachtig” niet geweten had, en hartelijk hoopte dat Van Bavik, wat gepasseerd was als gepasseerd zou beschouwen, totdat hij in eene stemming—hemelsbreed verschillende van die waarin hij binnenkwam—de kamer verliet, en in ’t naar huis gaan ontelbare malen de woorden: “Ik notaris!” herhaalde.

En de nieuw benoemde kantonrechter, waarmede besloot hij den gewichtigen dag?

Zie, hij neemt het langwerpige boek met den groen lederen omslag, legt het vóór zich op de schrijftafel, en schrijft op bladz. 142:

“28 Mei 18.5.

“Zóó spoedig verwachtte ik de blijde uitkomst niet. Morgen zal Suze mijn brief ontvangen, en schier gelijktijdig het raadsel, daarin vervat, uit het nieuwsblad zien opgelost.

“De kantonrechter van W. met een inkomen van circa twee duizend gulden, zal in genade worden ontvangen door de ouders, die den burgemeester van B. op een inkomen van vierhonderd gulden, de hand hunner lieveling moesten ontzeggen.

“De hooggeplaatste neef, de neef mijner lieve moeder heeft, zonder zijn plicht te verzaken, aan mijne wenschen voldaan. Zal het land schade lijden door mijne benoeming? Mocht die neef voor den dooven ouden man—nu reeds voor den Grooten Rechter verschenen—niet een jong mensch in de plaats stellen, die met harten ziel zijn belangrijke roeping hoopt te vervullen, al is hij dan ook de zoon eener beminde nicht?—Is hethemeuvel te duiden dat hij, met betrekking tot den notarispost, den raad van den burgemeester der plaats het oor leende, den raad van den neef—burgemeester—die een geluk, door hem zelven zoo vurig begeerd, ook gaarne een ander geschonken zag? die in gemoede kou verklaren, dat de aspirant de achting van den overleden notaris genoot, en gedurende diens ziekte met ijver de werkzaamheden verrichtte?

“De morgenschemering is reeds voorbij. Een schoone dag is aangebroken, een dag die den sleutel tot een reeks van nog blijdere dagen geeft. Groot is mijne blijdschap; streelend het gevoel, dat ik een weinig tot het geluk van hem mocht medewerken wien ik, ondanks mij zelven, een ergernis geworden was.

“Slaap wel mijn liefste vrouwtje! Droom liefelijk, gij moogt het.

“Rust wel mijn waardste Flitz! Eerst kwelde ik u buiten mijn toedoen; dezen avond deed ik het om uwe vreugde en uwe verrassing nog grooter te maken! Rust wel en droom genoeglijk; gij kunt het.

“Slaap wel, neef van mijn engelachtige moeder; gij hebt geen kwaad gedaan. Zie in uw droom twee dankbare aangezichten.... misschien ontwaart ge op den achtergrond er nog twee, die u welgevalliger zijn.

“Slaap wel mijn beste trouwe Fik, snork naar hartelust. Je gaat weer naar stad, hoor! en je krijgt ’en nieuwen halsband ook, zoo oud als je bent, ’en halsband met een opschrift: Voor moed, beleid en trouw. En zeker, als je jonger waart, en op twee beenen gingt, dan—dan spande ik mijn besten kruiwagen in om je een veldwachterspost te bezorgen.

“Slaapt allen wel! Ookikga slapen, in de blijdste stemming, met een hart dat uitroept:

“O goedheid Gods, nooit recht geprezen!Heethijeen mensch, dien Gij niet treft?Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,Die ’t hart niet vroolijk tot U heft!Neen!allesaan God dank te weten,Zij steedsmijnplicht,mijnwerk,mijnlied!De Heer heeft nimmer mij vergeten;Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!”

“O goedheid Gods, nooit recht geprezen!

Heethijeen mensch, dien Gij niet treft?

Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,

Die ’t hart niet vroolijk tot U heft!

Neen!allesaan God dank te weten,

Zij steedsmijnplicht,mijnwerk,mijnlied!

De Heer heeft nimmer mij vergeten;

Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet!”

In de dagen die volgden, klonk het nieuwtje door B. en omliggende plaatsjes van mond tot mond: Burgemeester Van Bavik kantonrechter te W.—en Flitz—notaris! ’t Algemeen houdt van veranderingen, en daarom had het vrede met Van Baviks benoeming,al werd er op den armen Minister heel wat afgegeven, die ook al—’t was eigenlijk schande—neefjes en nichtjes—let wel “nichtjes”—boven anderen voortrok.—In B. c. a. zou iedereen natuurlijkvreemdenboveneigenhebben voorgetrokken!.... hm!!!

De jonge dorpelingen, vooral degenen die voor weinige maanden: Leve de burgemeester! hadden geschreeuwd, en ’t levendigst hunne vreugde over zijn komst aan den dag legden, waren ook nu weder het meest met zijn vertrek ingenomen. Geen wonder, het zou weer feest in ’t dorp worden; ze zouden weer rijden; en—licht dat een nieuwe wat scheutiger dan deze zou zijn, want voor alles wat er gedaan werd, had Van Bavik slechts een som van vijftig gulden gegeven, waarvoor alleen de armen waren onthaald geworden. De oudere dorpelingen, die de pret meer in hunne beurzen hadden gevoeld, meenden dat die gekheid voor een nieuwe nu wel achterwegen kon blijven; maar, ofschoon wij niet kunnen zeggen wat er bij de komst van dien nieuwe gebeurd is, wij gelooven vast dat de jongelieden den boventoon hebben gekregen, want, dat brengt de tijdgeest zoo mee.

’t Sprak van zelf dat er machtig veel visites werden gebracht aan den kantonrechter Van Bavik, en aan den notaris Flitz; vooral aan den laatste, dewijl er van den eerste ook al zoo raar gepraat was, maar ook voornamelijk dewijl hij den dag na zijn benoeming in den avond was vertrokken, en nu, twee dagen later, nog niet was teruggekeerd.

Flitz ontving visites, en tapte madera alsof het water was. Hij ontving van al de dorpsheeren—ja ook van sommige dames—visites, maar die één, die één kwam niet opdagen,hijniet, die vroeger de eerste zou geweest zijn.

“Nog een glaasje? ’en halfje dan?” zei Flitz, met de madera-karaf schermende.

“Dankje, heusch niet, hi hi!” lachte juffrouw Doortje Haspels, die met pa was medegegaan, en ’t ijselijk aardig vond om eens in een kamer van ’en jongeheer te zitten.

“Toe maar!” dreigde Flitz; maar eensklaps werd hij vuurrood, want een zeer bekend hoofd schoof het raam voorbij, en een oogenblik later klonk de winkelschel—Flitz had kamers bij een bakker—terwijl er onmiddellijk daarna op de deur werd getikt.

“Binnen!!!” riep de notaris—zoo hard dat juffrouw Doortje er “puur” van ontstelde en.... de persoon die binnentrad was de heer vanVredelust.

Wij laten den aangenaam verrasten notaris, voor Gliekkes welgemeenden gelukwensch op het hartelijkst zijn dank betuigen, en spoeden ons naarVredelust, ten einde ons te overtuigen dat de dames, zooals Gliekke zijn vriend verzekerde, welvarende zijn.

’t Bevreemdt ons bij het binnentreden van ’t woonvertrek, de dames niet alleen, maar in ’t gezelschap van den heer ex-burgemeester Van Bavik aan te treffen.

“’t Zal Gliekke razend spijten,” zegt mevrouw: “Nog geen uurgeleden ging hij naar het dorp om zoowel ú als den heer Flitz een felicitatiebezoek te brengen. Eerst gisteren zag hij de benoemingen bij toeval in de Staats-Courant. Waarlijk uw verblijf alhier is van korten duur geweest, terwijl wij door onze lange afwezigheid slechts weinig van uw aangenaam gezelschap konden genieten.”

“En toch durf ik hopen mevrouw,” antwoordt Van Bavik: “dat mijne kennismaking met u en de uwen geen voorbijgaande zal geweest zijn. W. ligt slechts een klein uur van hier; vooral des zomers is het een lieve wandeling; en....” liet hij er na een kleine pauze op volgen: “wanneer ik in mijn nieuwe betrekking te W. gevestigd zal zijn, vertrouw ik dat ook dames mijn nederige woning zullen betreden, terwijl een lief vrouwtje haar met blijdschap ontvangen zal.”

“Een vrouwtje!” roept mevrouw Gliekke met een kermisgezicht, terwijl Suze een blik op Van Baviks tweeden roksknoop werpt, even onderzoekend als dien, waarmede zij iederen morgen uit haar venster den weerhaan begroet.

“Geëngageerd!?”

“Ja, waarlijk mevrouw,” herneemt Van Bavik: “en zeer zou ik mij bedriegen, indien mejuffrouw uwe dochter en haar naamgenoot, mijn beminde Suze, na een kennismaking, welke ik hoop dat eerlang zal plaats hebben, geen vriendinnen werden.”

“Suze....?”

“Suzette Van Hilsdorp,” zegt de heer ex-burgemeester, en wil er nog iets bijvoegen, maar wordt door den terugkeerenden heer Gliekke, gestoord, die, met de beide handen vooruit, hem in éénen adem gelukwenscht, en verhaalt dat hij “bot ving” maar blijde is hem hier nog aan te treffen.

Gliekke, door zijne gade op de hoogte der belangrijke mededeeling gebracht, vervalt ten tweeden male in een hartelijken gelukwensch waarmede de dames instemmen.

’t Gesprek tusschen de heeren wordt levendig.

De heer des huizes stelt zich veel van de conversatie met mijnheer en mevrouw Van Bavik voor, wanneer zij althans twee- of driemalen opVredelustwillen komen tegen hij eenmaal in stad, dewijl hij vooral na dat laatste verblijf in mevrouws stad—nog meer afkeer van al wat stad is gekregen heeft. Ook de benoeming van Flitz geeft aanleiding tot levendigheid in ’t gesprek, en nadat de heer des huizes ten slotte nog heeft aangemerkt, dat Van Bavik al heel vlug een tweede ik voor ’t nieuwe nestje heeft gezocht, en deze daarop glimlachende heeft geantwoord, dat bij zulk een benoeming noodwendig eenSuzebehoort, ziet hij, dat de Suze, die tegenover hem zit, een kleur krijgt, terwijl Gliekke, die den kantonrechter weinige oogenblikken later in persoon uitlaat, hem nog—in vertrouwen—toefluistert: “En Flitz is doodelijk. Enfin, ’t wordt nú wat anders.”

Om een verkeerde gevolgtrekking ten opzichte van Suze Gliekke bij den lezer te voorkomen, zoo voeren wij hem naar het oogenblik terug, waarin wij het meisje met den belangrijken brief van Barend Flitz in handen, Heerengracht No. 260 achterlieten.

Wat Suze na de lezing er van gevoelde, loste zich op in de woorden:

“Die goeje Flitz!”

De goeje Flitz! Neen, háár had de gebrekkige stijl niet gehinderd, want vader Van Alphen leerde dat men moet schrijven zooals men praat; en Flitz had waarlijk geschreven zóó als hij zou gesproken hebben.

Die goeje Flitz! Hij toch was de eenige geweest die haar een woordje had toegesproken, dat maar zelden een meisjes-oor kan treffen zonder in het maagdelijk hartje weerklank te vinden, Barend was de eenige geweest die Suus—ofschoon op plompe wijze—het woordjeliefdedeed hooren.

Bemind te worden.... och, het is zoo’n zalig gevoel! De uitverkorene eens mans te zijn.... o, het is zoo’n streelende gewaarwording.

Pardon dames, wij weten ’t wel, gij laat ook blauwtjes loopen; maar wij weten ’t evenzeer, dat er dan ook niet zelden papa’s en mama’s achter de schermen zitten; dan klinken de woorden: Geen bestaan, slechte conduite, of veel te min, ook meestal bovenuit.

Och, voor het wezen dat, volgens een onzer zangers,van liefde leeft, is het zoo’n streelende gedachte dat zijbemindwordt, en van dien één, uit duizenden de uitverkorene is. Vandaar ook dat Adèle met Piet—over wiens lafheid ze vroeger op ’t kransje zoo lostrok—heden engagement-visites maakt; dat Jeane met Adriaan—wiens groote neus zoo dikwijls haar spotlust wekte—morgen één neus zal uitmaken; dat Nelly met Willem—wiens ernst en stijfheid hem eertijds in hare oogen tot een onuitstaanbaar être maakten—binnen kort dezelfde dorpspastorie hoopt te betrekken; dat Gonne om Heinrich—wien ze op de stoomboot leerde kennen, en na dien tijd slechts tweemalen ten harent ontving—ouders en broeders en zusters en vrienden en vaderland wil verlaten, om het dierbare wezen—van wien ze weinig meer weet dan dat hij een “ganz grosser Weinhändler” is—naar het groote Duitschland te volgen.

Die goeje Flitz! Hij was het die haar gezegd had: “Suus ik heb je zoo lief!” en, ofschoon de nieuwe burgemeester iets raars in haar gemoed had doen trillen, vooral toen zij, door Barends verklaring geschokt, hem zoo buitengewoon hoorde zingen, zij was weder geheel en alFlitzgeworden, nadat papa zoo ongevoelig, zoo onaardig over dien goeden jongen had losgetrokken, en haar verbood gemeenzaam met hem te zijn zooals zij het tot hiertoe geweest was.

Na het vertrek vanVredelusthad ze veel aan den vriend gedacht, en weinig vermaak in de genoegens geschept, die haar in de stad van mama waren aangeboden. De neven vond ze onuitstaanbaar, vooral neef Doris die altijd als ze uitgingen met zijn arm kwam aanzetten, alsof ze nietalleenkon loopen!

Die goeje Flitz! Hij had haar gezocht, maar natuurlijk in die groote stad niet kunnen vinden. Zij zelve wist immers ook nooit—wanneer ze huiswaarts keerde—op welke hoogte zij zich bevond, en zou buiten twijfel in zijne plaats verdwaald zijn.

Die nieuwe burgemeester! Wie had kunnen denken dat hij, zooals Flitz schreef:“veel te onfatsoenlijk was om het in een brief als deze neder te stellen.” Wat mocht het zijn dat hem, die waarlijk toch heel aardig en nog veel meer was, zoo in minachting bracht, terwijl Barend scheen te vermoeden dat hij hem nog bovendien bij haar in den weg stond?

Maar, als Flitz iets zeide dan moest het wel waar zijn, en ’t bleek dus almede dat het alles geen goud is wat blinkt.

Hoe dikwijls stond het geschreven: “Dierbare Suze!”

Die goeje Flitz! Misschien zou hij notaris worden, “althans, zoo geen gemeen sujet met den post ging strijken.”

Die goeje Flitz! dat was de grondtoon der overdenkingen van ’t lieve meisjegeweesten nu.... nu ze na het vertrek van den ex-burgemeester op haar kamer zit, nu kan ze niet gelooven dat hij, die zoo hartelijk over Flitz sprak, zijn vijand kon wezen, en vertrouwt dat Barend zich ten zijnen opzichte bedroog, terwijl ze gedurig de woorden herdenkt: “Bij zulk een benoeming behoort eenSuze.”

Nog dien zelfden middag had er tusschen de ouders Gliekke in het woonvertrek een onderhoud plaats, ’t welk besloten werd met de verklaring van mevrouw: “Als jij er vóór bent, dan beniker niet tegen; ’t zal dus de vraag zijn of Suus...?” En Suus die spoedig daarop geroepen werd, en kort en zakelijk vernam dat Barend Flitz in een vertrouwelijk gesprek met papa om de hand zijner dochter gevraagd had,—antwoordde op papa’s vraag: “Wat dunkt je er van?”niets, maar wandelde den volgenden dag gearmd met den nieuwen notaris door de boschjes vanVredelust, en nog een dag later door de lange dorpsstraat.

Hoe de hekken zoo spoedig verhangen waren begreep niemand, maar zeker is het dat de slechte noten, die er van den burgemeester Van Bavik waren gekraakt, door de schoonste loftuitingen werden vervangen, en Flitz verzekerde aan Suze, dat de nieuwe kantonrechter van W. de “sjoviaalste” kerel was dien hij ooit ontmoette, en dat hij vast geloofde mede doorzijntusschenkomst de benoeming in den zak te hebben.

Wij mogen den lezer, vóór dat wij hetpoint finaleplaatsen, eenige kleine ophelderingen niet onthouden.

Waarom solliciteerde Van Bavik, behalve de reden uit zijn dagboek vernomen, éérst naar het burgemeesterschap te B. c. a.?

Omdat het de eenige vacante post in den omtrek van W. was, en te W. woonde het meisje, dat hij in de academiestad leerde kennen en teeder beminde.

Vanwaar zijn afgetrokken antwoorden aan den heer Gliekke, toen deze den jongen burgervader over de plichten sprak, die hij zelf als vader te vervullen had.

Omdat de vaderzijnerSuze, met den heer Gliekke op dat punt geheel overeenstemde.

Waarom die avondwandelingen naar W. terwijl de toegang tot Van Hilsdorps woning hem na zijn eerste aanzoek ontzegd was?

Omdat Suze Hilsdorp een vriendin had die gaarne briefjes en geplukte vergeet-mij-nietjes overbracht, en met toestemming van haar echtgenoot—Alexanders academievriend—den geestigen jongen met liefde herbergde.

Ziet gij wel lezer, dat wij zeer discreet in ’t doorbladeren van het dagboek waren.

Vaarwel! Morgen zal er een diner opVredelustzijn. Een prachtig verlovingsdiner; en Suze Hilsdorp zal tegenover Barend Flitz, Suze Gliekke tegenover Alexander Van Bavik zitten.

En nu eindigen wij onze vertelling, maar roepen eerst luide: Voorzichtig gij, die schittert door vernuft en talenten, er kunnen slangen sissen in de kransen die men u toewerpt, grijp niet al te haastig! En gij die nooit zult schitteren, zoek geen venijn in al de schoone bloemen, de bloemen die rijk zijn in kleuren, en mild zijn in geuren.

1Dit lied, van den heer Dr. J. P. Heije, en treffend op muziek gebracht door den heer W. Broedelet, weerspreekt het beweren zoo krachtig, dat onze schoone moedertaal niet bij uitnemendheid voor den zang zoude geschikt zijn. ’t Is treurig dat men in ons vaderland zoo weinig nationaaltrots bezit, en alles mooier en beter vindt wat uit den vreemde komt.2Six pence, een dikke, houten wandelstok met een baak tot handvat.

1Dit lied, van den heer Dr. J. P. Heije, en treffend op muziek gebracht door den heer W. Broedelet, weerspreekt het beweren zoo krachtig, dat onze schoone moedertaal niet bij uitnemendheid voor den zang zoude geschikt zijn. ’t Is treurig dat men in ons vaderland zoo weinig nationaaltrots bezit, en alles mooier en beter vindt wat uit den vreemde komt.

2Six pence, een dikke, houten wandelstok met een baak tot handvat.


Back to IndexNext