Geurt ontstelde hevig toen hij Ritters vriend zoo onverwacht zag vallen, zelfs aan de mogelijkheid had hij niet gedacht.—Wat te doen! De schipper aan het roer riep luide: “Geef ’m wat lange haver! Ransel z’n luie bast!”—Z’n luie bast! Arme Hans! je verstaat het niet, gelukkig voor jou! je zoudt weemoedig zijn geworden en misschien met wrok den laatsten stond zijn tegemoet gegaan. Je verstaat het niet, maar Geurt des te beter.... en.... Neen, wel roept hij: “Huup huup!” wel trekt hij aan den toom, en spant hij zijn geringe krachten in om je weer op de been te krijgen, doch je mishandelen in dezen stond.... neen, dát kan hij niet. Je brekende oogen, die zoo weemoedig schijnen te vragen: Waar is mijn goede baas toch? zij treffen de zijnen. Aanstonds laat hij zijn pogen varen, en, terwijl het medelijden hem ijlings zijn oude pet met water doet vullen, om te beproeven, of een teuge den amechtige ook zal verkwikken, doorziet hij het netelige van zijn eigen toestand.—Zoo Hans eens kapot ging! zou Toon dan niet vragen? zou Toon hem geen bedrieger noemen?—En, op het geroep van den schipper geen antwoord gevende, voegde hij net zieltogende paard de vriendelijkste namen toe; streek het over den zakkenden kop, en riep eindelijk tot den schipper, dat hij toch komen zou om, ware het mogelijk, den stakker, die zoo raar deed, in ’t leven te behouden.Geurts beroep op de hulp van den ongevoeligen schipper bleef vruchteloos; met de handen onder zijn kin en de ellebogen op het roer geleund, ging hij bijditen bijdatvoort, om jager en paard naar weinig uitgezochte plaatsen te verwenschen, er gedurig bijvoegende: “Jakker d’r op, zoo je niet luier dan je luie knol bent.”Ten einde raad, en al meer vreezende dat Hans het niet kroppen zou, zag Geurt in ’t ronde of er dan geen meelijdend schepsel in den omtrek was, die hem raad of hulp zou willen verschaffen.Het ijzeren hek vanWater-zichtis slechts een vijftig schreden van die plaats verwijderd. En, ijlings loopt hij er heen; treedt het binnen, en aarzelt niet het fraaie huis te naderen, waar hij hijgende aankomt. Na een korte aarzeling rukt hij aan de schel, zóó sterk, dat mama en dochter Brolet—die aan de achterzijde der woning in de schaduw eener warande zitten te puffen, en niets weten te zeggen dan dat zij stikken—elkaar verbaasd aanzien, en bijna op het denkbeeld komen, dat de zonnegloed brand deed ontstaan.Leendert de huisknecht, die, evenals de koetsier, den tentwagen in ’t koetshuis had uitgekozen om er zijn af....ge....mat....te leden rust te bezorgen, vernam het schellen niet. De meisjes in de keuken, wier kornetten los, en wier armen slap langs haar zittende lichamen hingen, begrepen dat Leendert wel komen zou, en bleven waar ze waren.“Ieder zijnvak!” zei Krisje; zoodat mevrouw bij het tweede gelui—terwijl ze zich steeds met haar waaier zocht te verkoelen—opstond; iets van “die booien!” prevelde, de gang betrad, en de voordeur—die voor een tochtje was opengelaten—naderende, al spoedig voor den angstigen Geurt stond.“Wat wil je zoo haastig vriendje?” vraagde mevrouw.“Och! of je me helpen kan juffrouw!” antwoordde Geurt met ter neergeslagen oogen, en, ware hij niet zoozeer met Hans vervuld geweest, hij zou voorzeker—onvoorbereid om zoo iets voornaams te ontmoeten—er nog veel minder vrij hebben bijgevoegd. “Als je niet dadelijk helpt dan zal het te laat zijn!”“Maar wát is er dan toch?” vraagde mevrouw.“Zie je juffrouw, ’t is eigenlijk buiten mijn schuld,” antwoordde Geurt: “want mishandeld heb ik hem niet, maar zie je, de warmte! Is er dan niemand die me kan helpen eer ie kapot gaat?”“Kapot!” herhaalde mevrouw: “Spreek je van een beest of van een voorwerp.”“Och ja, van Hans, juffrouw!” hernam Geurt haastig: “Maar heb je dan geen mansvolk hier, en kun je geen drank geven? De rijke lui weten altijd meer dan een ander. Toe gauw, eer het te laat is, want Hans leit op z’n asem.” En zich daarna omwendende, liep hij ijlings terug, maar riep nog in ’t heengaan: “Gauw dan, hij leit vlak bij ’t hek.”Eenige minuten later trotseerden mevrouw en Jeannette,—Papa was nog niet uit Den Haag teruggekeerd—de vreeselijke warmte, om aan hare nieuwsgierigheid te voldoen.Behalve stroohoeden met vervaarlijke randen, droegen zij groote Oostersche zonneschermen, die ze, als noodzakelijk bij eenéquipementvoor ’t buitenleven, in dengrand bazarhadden gekocht. Leendert en Willem volgden geeuwende, terwijl Kris en Leentje met de boezelaars boven hare hoofden, aan ’t hek bleven gluren om óók eens te zien wat er eigenlijk te doen was.Toon Ritter ligt op dezelfde plaats waar wij hem reeds een paar malen hebben aangetroffen. De dokter, die hem eenige uren geleden bezocht, heeft hem alweer een drank voorgeschreven, maar zich evenzeer alweder verwonderd over de taaiheid van dat gestel.Op dit oogenblik ontwaakt de man uit een lichte sluimering.“Waar ben je?” zegt hij flauw en met gesloten oogen, terwijl hij met de hand bezijden zich voelt, en die eindelijk op den rand zijner kribbe laat rusten: “Ik droomde daar van den tijd toen je nog klein waart Hans, toen je kleine oogen mij zoo goedig aanzagen, en toen ik—om jou—om jou verd.... raakte, hé!—Maar Hans, ik heb daar ook gedroomd: dat Hij ’en groote pen van goud nam, en zei: “Ik zal het maar doorhalen! hé! en ’t was vreeselijk licht ook, en ik las, ofschoon ik m’n bril niet had:“Toon Ritter,” en daarachter dat leelijke woord—je weet wel. Maar Hij sprak weer: “Die gelooft heeft zal zalig worden,” en streek toen met mooien inkt dat leelijke woord uit, en schudde mij de hand, en gaf me brood met lekkeren wijn, net zooveel als ik lustte. Zie je, ’k was in den hemel; en toen ik wel genoeg had, en net als vanouds op m’n twee beenen liep, toen zag ik ook jou weer, mijn goeje Hans; maar niet zooals je nou bent, maar blank van vel, en fraai van leden, en zwart van haar, want weet je, jij zelf waart bij Teunis in ’t kuiltje. En weet je nou Hans, waarom ik ertochkwam?” vraagt Ritter terwijl hij opnieuw met de hand naar het paard zoekt, dat zich niet aan zijn zijde bevindt; “omdat ik geloofd had dat Hij alles kan, en omdat ik trouw was geweest voor jou.... hé! dat spreek je niet tegen?”Ritter strekt al gedurig zijn magere vingers verder uit om het dier te bereiken, doch, dewijl zijn uiterste poging vruchteloos blijft, wendt hij zich om; opent de oogen; werpt een doffen blik in ’t ronde, en roept eensklaps met een door den schrik versterkte stem: “Hans! Hans! waar ben je gebleven?”Zie, hij schijnt tot bezinning te komen. Geurt heeft zijn vriend meegenomen, dewijl hetbetervoor hem zou zijn; ’t is waar... doch, tóén was het morgen en nu.... ’t moet wel tegen den avond loopen. Zou Geurt hem vergeten? En naarmate de zwakke jager zich over het uitblijven van den jongeling met den bruine al ongeruster maakt, bromt hij gedurig, dat het niet meer gebeuren zal, want hij gevoelt het maar al te zeer dat hij nog slechts kort met hem vereenigd zal blijven; en, eenmaal had hij bij zich zelven gezworen: het dier te zullen verzorgen en trouw te bewaken tot aan zijn einde.Naarmate de tijd al meer en meer verliep, klom Ritters bezorgdheid. Zoo hard hij zulks vermocht riep hij het dier eenige malen bij zijn naam, en eenige malen ook den naam van hem, aan wiens zorg hij zijn vriend veilig had toevertrouwd. Geen antwoord, geen geluid zelfs—dan het gegons der muggen.’t Kostte Ritter een groote inspanning, om, zooals hij vroeger meermalen deed, ook nu op de vingers een schel gefluit voort te brengen, maar toch het gelukte, en zóó zelfs, dat de kalkoenen op een nabijgelegen hoeve, zich verplicht gevoelden het met een oorverdoovend gegil te beantwoorden.Intusschen het fluitend signaal bewerkte niet wat Ritter verlangde. Hans kwam niet opdagen, en Geurt evenmin. ’t Waren pijnlijke oogenblikken die de zwakke sleet; zijn eigen toestand had hem nooit zoo bekommerd als het thans de onzekerheid deed wat er toch met Hans mocht gebeurd zijn; en, zijne handen vouwende, zuchtte hij tot Hem die alles kan: “Heere, verlos mij uit de benauwdheid!”Zat Ritter in de benauwdheid—op een paar schreden van de hut verwijderd, stond er een wiens hart niet minder beklemd was. Geurt had het snijdend geluid zeer wel gehoord, en ’t was hem door de ziel gegaan. Reeds verscheidene malen had hij zich totnabij Ritters woning begeven, doch telkens ook was hij teruggekeerd, dewijl de moed hem ontbrak om den man onder de oogen te treden.Hoor! weder klinkt het schel gefluit, en eensklaps zich vermannende, loopt de jonkman tot nabij de hut; blijft eenige oogenblikken voor de kleine deur staan, maar eindelijk—eindelijk opent hij haar; treedt met een kloppend hart binnen, en staat weldra, doch zonder een woord te spreken, voor den nederliggenden jager.“Waar is Hans?” vraagt Ritter terstond, terwijl hij de oogen op de opengelaten deur houdt gevestigd, in de verwachting dat het paard nog volgen zal.Geurt ziet voor zich neder maar antwoordt niet.“Waar is Hans?—Maar spreek dan!” roept Toon, terwijl de grootste onrust op zijn gelaat is te lezen: “Den ganschen dag heb je hem buiten gehouden!” en weder doet hij het snijdende fluitje hooren nog in de hoop dat het paard zal verschijnen.Eenige oogenblikken lang heerscht er in het verblijf een pijnlijke stilte; eensklaps echter heft Ritter zich met geweld overeind, en den zwijgenden Geurt met zijn donkerbruine oogen strak aanstarende, zegt hij op akeligen toon: “Bij God, zeg dan, zeg.... waar is Hans?”Maar Geurt kan niet spreken; en de hand voor de oogen drukkende, komt hij den spreker een schrede naderbij, maar berst te gelijk in tranen uit.Eene rilling doorloopt Ritters leden. Zich geheel voorover buigende, grijpt hij Geurt bij zijn buis; trekt hem geheel tot zich, en zegt met een gesmoorde stem: “Zeg—zeg ellendige! heb je mijn Hans vermoord?”Dat was te veel! Hoewel de bitterste zelf beschuldiging hem pijnde,dieverdenking woog al te zwaar; en het was door haar dat Geurt de kracht bekwam tot het doen eener volledige bekentenis, en verhaalde, hoe hij met de beste bedoelingen het paard had gebruikt voor het werk, waartoe hij toch meende dat het geschapen was; maar, dat de warmte hem moest hebben bevangen, zoodat de stakker er nu inderdaad niet best aan toe was.Ritter, die onder het hakkelend en gedurig afgebroken verhaal van den jonkman, hem niet zelden een blik had toegeworpen, die van zijn onrust en hevige smart getuigde, staarde hem, toen hij ophield met spreken, eenige oogenblikken sprakeloos doch met bevende lippen aan. Doch, nadat Geurt de hand des jagers had gegrepen, en nu innig geroerd om vergiffenis smeekte, wendde Ritter eensklaps den blik van hem af, en riep met een akelige stem:“Ik heb hem verlaten! Mijn eed!! O God!” maar liet er terstond op volgen, terwijl hij den brenger der Jobstijding aanzag: “Je hebt niet gezegd of hij dood is; zeg, leeft hij niet meer? Zeg, waar heb je mijn Hans gelaten?”“Neen neen! dood was hij niet,” zei Geurt zeer snel.“Niet! niet!” riep de jager, den spreker in de rede vallende, terwijl een bruinachtig roode kleur zijn geelbleek gelaat kwam kleuren: “Niet!?—Hijsch mij op!—Hier,—hier dan; zie, ikben zoo slap niet.—Hans, ik wil je nog zien! Help dan! Dáár, daar liggen de spullen: help! als je niet wilt dat je de eeuwige pijn treft!” En de man, wiens krachten den arts ten eenenmale als uitgeput hadden toegeschenen, wierp het dek van zich af; greep den boomstok, en trok er de bedoelde bovenkleed ing mee naar zich toe.“Maar in ’s hemels naam, wat wil je?” sprak Geurt ontsteld: “Toon! hoe zou je naarWater-zichtkomen? Jij, die te zwak bent om op te staan. En wie zou je helpen! Je weet datmijnkrachten....”“Zwijg!” riep Ritter in zenuwachtige opgewondenheid: “Wil jij me niet helpen, hé! dan zal ik alleen er wel komen; want zien zál ik hem—al moest ik ook kruipen!”Wat Geurt ook spreken of raden mocht, de oude jager was niet te bewegen om van zijn voornemen af te zien. Hij wilde en zou zich naar zijn Hans begeven, al ware het ook ten koste zijner laatste krachten. Die zelfopoffering zou wellicht de doemwaardigheid vernietigen, welke hij,—door de zorg van het paard, ofschoon met een goede bedoeling, aan een ander te vertrouwen,—opnieuwover zich gebracht had.’t Verdient toch opmerking dat de arme jager bij het bittere leed, dat hem inderdaad door een ander werd berokkend, geenszins dien bewerker hard viel of met beschuldigingen en smaadredenen overlaadde, maar alleen zich zelven beschuldigde, en slechts de gevreesde straf voorzichmeende weggelegd. ’t Verdient opmerking, want, ofschoon wij,—eveneens zouden gedaan hebben, en de droevige gevolgen van begane misslagen steeds ons zelven wijten, er zijn toch een aantalanderemenschen, die de schuld maar terstond op een ander werpen....! Adam had het niet gedaan: de vrouw had het gedaan; de vrouw? wel neen, die leelijke slang! Ja wel, dieanderemenschen hebben gewoonlijk vrouwen of slangen bij de hand, die met het pak bezwaard worden; en weet ge wie vooral zoo ontelbare malen voor hen de schuld moet dragen,—edoch in andere gevallen dan het beschrevene—’t is het kind met dien breeden, mismaakt breeden rug, dat dieanderemenschen “temperament” noemen.En Geurt hielp den jager zooveel hem mogelijk was, maar begreep ook hoe langer zoo meer, dat het voor hem een vergeefsche poging zou zijn om den zwakken en daarbij verminkten man, zonder meerdere hulp, ter plaatse te brengen waar zich zijn stervende makker bevond. Plotseling rees er een gedachte bij hem op, en met de woorden: “Wacht, ik zal eens zien....” liep hij de hut uit; en ofschoon Ritter hem nariep, die vreesde dat Geurt niet terug zou komen, vervolgde hij zijn weg tot nabij de hoeve,—waar de kalkoenen opnieuw het gefluit van den jager beantwoordden—maar kwam ook, geen twee minuten later, in een kleine roeiboot langzaam het stroompje afzakken.Menige pijnlijke kreet ontvlood er aan Ritters lippen, eer hij met de zwakke hulp van den jongeling, het bootje bereikte, en daarinhalf liggende gezeten was. De hoop om Hans nog levend te vinden steunde echter zijne krachten, en gedurig moest Geurt, die maar slap de riemen bewoog, van Ritter de aansporing vernemen:“Maak toch wat haast, eer het te laat is!”Voor weinige minuten was Brolet van zijn tocht naar de residentie teruggekeerd, ookhijhad het dien dag schrikkelijk benauwd gehad. Geen wonder: brandende zon en—kokend bloed!Mevrouw Brolet, die de ramen van haar echtvriends kamer had opengeschoven opdat de avondkoelte hem eenige verfrissching zou schenken, was mede met deeau de colognein de weer, maar noch het een noch het ander baatte om den verhitten man tot kalmte te brengen.Zonder een rechtstreeksch antwoord op haar belangstellende vragen te bekomen, verstond mevrouw uit de afgebrokene bittere woorden van haar gewoonlijk zoo zachtaardigen echtvriend genoeg, om er uit op te maken, dat zijne poging niet met den gewenschten uitslag was bekroond.Vol bitteren wrevel was de man, en waarom? Omdat hij, die zelf ten allen tijde de wetten verdedigd en zich wars van elke knoeierij had betoond, nu, daar het zijn eigen belang gold, gaarne die wet had zien krommen, om, wat krom was recht te maken.En, wat wilde hij dan?Immers, hij wilde zijn kind behouden, haar niet prijs geven aan.... Neen, neen, dat wilde hij niet, en terwijl de diplomaat halfluide zwoer, dat hij een middel zou uitdenken om den noodlottigen slag te keeren, al spanden ook alle aardsche machten te zamen, rees hij van zijne zitplaats op, en liep, met de hand tegen het voorhoofd gedrukt, haastig de kamer op en neer.Mevrouw Brolet, die een onbepaald vertrouwen op het beleid en goed verstand van haar echtgenoot had, gevoelde zich door die laatste positieve woorden geruster, en spoedde zich naar beneden om het oog over een verfrisschend avondgerecht te laten gaan.Nog maar weinige oogenblikken bevond mevrouw zich in het beneden-achtervertrek, toen door de openstaande tuindeur Jeannette binnenkwam, gevolgd door den baron Tolenveld, die zijn eigenaardige buiging voor de aanstaande schoonmama maakte.“O mama,” sprak Jeannette haastig: “u moet met papa eens gauw meegaan. Toen wij zooeven, na in de plaats te hebben gewandeld, voorbij het turfschuurtje kwamen waar dat akelige paard is gebracht, toen kwam Leendert er uit, en zei, dat de baas van het dier was gekomen, en dat het kluchtig was om te hooren zooals die man tot het arme dier sprak. U moet dadelijk komen,” voegde zij er bij: “Nietwaar Tolenveld, volgens den knecht moet het welcurieuszijn? Kom!” en snel verliet zij het vertrek; en de baronzei in zich zelven: “Cura, curiosus,” en volgde zijnefutura, zonder op de aanstaande schoonouders te wachten.Reeds vóór de geliefden,—of beter, de verloofden—bevinden wij ons in het gezegde turfschuurtje, om er van de “curieuse klucht” getuigen te zijn.Op den steenen vloer, waarover een bos stroo is uitgespreid, ligt de bruine vriend van Toon Ritter; hij ligt er met de pooten uitgestrekt, nog eveneens als toen hij er voor weinige uren met een stenend geluid den laatsten adem uitblies. Alleen de kop, welke na dien stond zijdelings achterover in het stroo was gezakt, wordt eenigszins omhoog gehouden. ’t Is de arm van den ouden jager die hem omvat, en zijn ruige kin er op rusten laat, terwijl hij zelf op een omgekeerde kuip gezeten, wordt ondersteund door den zwakken Geurt, die mede tegen een stapel hakhout een rustpunt heeft gevonden.Aanvankelijk vernemen wij niets dan een klagend gezucht ’t welk nu en dan des jagers lippen ontsnapt.“Ouwe stakker! Heeft Toon z’n woord gebroken!” klinkt eindelijk Ritters hokkende stem; “heeft hij jou uit het oog verloren en zich ten tweeden male den eeuwigen toorn op den hals gehaald?—Zeg, brave ouwe stumper! moest je die goeje oogen dicht doen, zonder Toon naast je te zien? Zeg, kun je ze dan nog niet eenmaal opslaan—dat ik ze toedruk? Zeg, zou er dan nog geen greintje leven in je zijn? Huup Hans! huup!” en met de vlakke hand slaat Ritter zijn makker op het gevoellooze lichaam.—“Dood! mors dood!” steunt de jager opnieuw: “Och! waarom heeft Hij die alles kan, jou niet ’en poosje langer bij asem gelaten? hé? of, Toon vooraf den genadeslag gegeven? Verdoemd als ik ben!—Waarom ook stond ik je af aan een ander!”De laatste woorden des jagers werden op een zoo diep verslagen toon geuit, dat Geurt een zenuwachtige rilling gevoelde, en hem bewogen toefluisterde. “Maar Toon, de schuld is immers aan mij! Ik maakte misbruik van je goed vertrouwen; ik was het die Hans—doch zonder opzet....”“Zwijg! zwijg! Paai me toch niet!” roept Toon met een nare stem: “Wat jij deedt, da’s jou zaak, maar wat er tusschen hem en z’n baas was, dat raakt jou geen zier. Zeg, zeg—ouwe!’” besluit de grijze met fluisterende stem, terwijl hij zijn hoofd geheel op den kop van zijn dooden makker laat rusten, en de voorboden der sloopster zijner krachten, zijn van inspanning doodelijk vermoeid lichaam doen trillen: “Zeg, kon je maar—bidden—hé; maar je hebt daar nooit geen verstand—van gehad.—Ikdurf het niet,—en de Eerste—hé!! verdoemt me!”Zie, de “klucht!” heeft ons dermate beziggehouden dat wij het binnentreden der verloofden niet bemerkten, en nóg zouden we ’t hoofd niet van den armen man hebben afgewend, zoo we niet ter zijde een zacht gepraat hadden vernomen.“Maar wie is die ongelukkige man toch?” vraagt Jeannette aan hem, wiens gade ze hoopt te worden, terwijl een mengeling van deernis en afschuw op haar gelaat is te lezen.“Men noemt hem Toon de Witte, geloof ik,” fluisterde Tolenveld: “hij woont in de armoedige hut die eenige malen uw aandacht trok.”Er volgt een langdurige stilte, door niets afgebroken dan het gezucht van den jager die, ten halve met den rug naar de aanwezigen bij den ingang van het schuurtje gekeerd, hen niet bemerkte, en evenmin bespeurt dat, eenige oogenblikken later, nóg een heer en dame, het tamelijk donkere verblijf binnentreden.Zichtbaar onaangenaam wordt de heer Brolet door de tegenwoordigheid des barons getroffen, dien hij na zijne thuiskomst nog niet ontmoette. Even spoedig echter als de voorhoofdrimpels verschenen, verdwijnen ze weder, en een vriendschappelijke groet der heeren breekt de stilte, en doet den lijdenden jager even het hoofd naar de zijde wenden, waar zijne bezoekers zich bevinden.“Een zonderlinge vertooning,” zegt Brolet op een toon die eenigszins zijn wrevele stemming verraadt, en voegt er wat zachter tot zijn echtgenoot bij: “Waarom werd dat volk hier binnengehaald?”Mevrouw Brolet fluistert eenige bevredigende en vergoelijkende woorden, en besluit, op den jager wijzende: “Pauvre homme, il a l’air bien souffrant!”“A qui la faute!” zegt Brolet schouderophalend, doch wordt evenals zijne dames een oogenblik later met deernis vervuld, daar hij den jager ziet trillen en beven, terwijl deze, door een hevige benauwdheid overvallen, langzaam in de armen van den jongeling zinkt, die hem met moeite ondersteunt.Jeannette laat Tolenvelds arm los, en roept op meewarigen toon, terwijl haar kleur door een doodelijk bleek wordt vervangen: “Hoe akelig! Och, wie helpt hem?”Mevrouw Brolet mede ontsteld, doet een schrede naar den armen lijder, doch wordt door haar echtvriend in den weg getreden, welke laatste den jager ijlings nadert, en, zonder op de onreinheid der kleeding acht te geven, hem in zijn armen vat. Den insgelijks bevenden Geurt gelast hij, om haastig de hulp der dienstboden te gaan inroepen; zij moeten een paar dekens en de flacon uit mevrouws toilet ten spoedigste medebrengen.Nog vóór dat Geurt het schuurtje verlaat, zijn de dames, door haar natuurlijk gevoel gedreven, reeds met hulpvaardige bedoelingen ter deure uitgesneld.De baron, die zelden zijn bedaardheid verliest, wankelt een oogenblik tusschen het plichtbesef om de aanstaande moeder zijner kinderen te volgen, en dat, ’t welk hem zegt den heer Brolet de behulpzame hand te bieden; doch, in zijn tweestrijd besluit hij noch tot het een, noch tot het ander, en blijft waar hij zich bevindt, maar verzoekt den heer Brolet toch maar vrij uit te spreken, zoo er iets mocht wezen waarin hij zijn hulp behoeft.De gevraagde is te zeer met den lijder vervuld, dan dat hij den voorslag des barons kan beantwoorden; zijne oogen zijn onafgebroken op het akelige gelaat van den man gevestigd, dien hij in zijne armen houdt, en terwijl deze al sneller ademhalende, enkele malen de woorden: “Hans! Hans!” met een naar geluid doet hooren,klopt het hart van den hulpvaardige met hevige slagen; maar spreekt hij toch gedurig van: moed houden, en dat het wel beter zal gaan.Zie, ’t moet een geweldige koorts zijn, die den arme als het ware verscheurt. Gedurig drukt hij de hand tegen het gloeiende hoofd, dat hem bonst alsof ’t bersten zal; eenige malen grijpt hij in de kleeding waar zij hem de hijgende borst bedekt, als waant hij zich daardoor lucht te zullen verschaffen. De last wordt Brolet te zwaar. Gelukkig! daar treden de knechts het schuurtje binnen; ze hebben dekens, een paar kussens, benevens eenige fleschjes en andere zaken bij zich, welke mevrouw heeft geoordeeld dat noodig of nuttig konden zijn.—Zou ze ook nú op dankbaarheid hebben gerekend....?Leendert vervangt de plaats van zijn meester.Gedurig een zonderling onderzoekenden blik op den kranke werpende, is Brolet niettemin ijverig in de weer om met den koetsier een tamelijk geschikt leger voor den jager te spreiden. Dit gereed zijnde, gelast hij zijnen bedienden, om den ongelukkige behoedzaam daarop neer te leggen. Zulks geschiedt; en nauwelijks heeft een lavende teug de brandende tong verkoeld, en houdt de huisknecht een natten doek op het gloeiende voorhoofd, terwijl Willem reeds met het bevel is verdwenen: om Juno in te spannen en terstond den dokter uit het naburige dorp te halen, of de man opent flauw de oogen, en werpt voor de eerste maal een blik op zijn voornamen helper.Zie.... de glinsterende oogen, wat blijven ze strak op den man gevestigd—die zich haastig tot den baron wendt, en hem noopt tot de dames te gaan, “daar alles nu geschikt is.”—Zie, wat spalkt hij die oogleden wijd.... en wijder open; wat akelige, schrikkelijk akelige uitdrukking op dat vermagerde bleeke gelaat; hoor, wat naar gegorgel in de keel, alsof zij te zeer is toegeschroeid om een woord te doen hooren. Zie.... zie... hoe akelig!—Daar schudt hem een wreede demon. Maar toch, hoor, het is alsof in dat nare gereutel de woorden: “Mijn Hans!” nog even zijn mond ontsnappen.’t Is nacht, doch geen zooals men zich daags voorspeld had, van onweer en plasregens; maar strak en helder enzwoel, en weder een dag voorspellende als die, welke straks ter ruste ging.De pendule in het slaapvertrek der echtelieden Brolet heeft reeds één geslagen. Nog geen half uur geleden is de heer des huizes die kamer binnengetreden.Was het zijn goedhartige aard, die hem zoolang alleen bij den lijder in het schuurtje deed vertoeven, dewijl hij ook Leendert—tot diens verwondering—bevolen had om zich dorpwaarts te spoeden, ten einde eenige eenvoudige geneesmiddelen uit de apotheekte halen, ofschoon Leendert meende, dat mevrouw ze wel in huis had, doch die—volgens mijnheer—niet versch genoeg waren? Was het enkel uit medelijden, dat hij de uren, sedert dien eersten stond verloopen, zooveel mogelijk zonder andere hulp bij den armen jager heeft doorgebracht, wiens einde door den geneesheer, gedurende zijn kortstondig en laat avondbezoek, als zeer nabij voorspeld was? Waren er ook andere redenen? Leendert is er zeker van, want—achter het schuurtje is eene sloot, en tusschen die sloot en het schuurtje bleef nog een voetbreed gronds, waarop distels en klitsplanten welig tieren. En nu.... jammerlijk zijn die schoone bladen vertrapt, vooral ter plaatse waar zich die reet in de planken bevindt.Op het oogenblik dat wij Brolet wedervinden, staat hij met over elkander geslagen armen tegenover zijn echtgenoote, die, in een leunstoel gezeten, haar aangezicht met de beide handen bedekt.“Spreek dan Octavie!” zegt Brolet met gesmoorde doch gejaagde stem: “zou zulk een toeval mij niet de haren te berge doen rijzen? Kon er een rampzaliger denkbeeld rijpen dan naar deze streek te trekken? Ken je zulk een toeval, dat ons den man hier doet weervinden, van wien wij sedert al die jaren niets meer vernamen!? Maar antwoord mij dan,wátmoet ik doen?”“Zij zal het besterven!” zucht mevrouw, terwijl een stroom van tranen haar wangen besproeit.“Besterven!?” herhaalt de man, en treedt op het raam toe waardoor hij, aan ’t einde der laan, het schijnsel van het licht ontwaart ’t welk binnen het schuurtje brandt: “Neen, neen! dat zal ze niet!” herneemt hij terugkeerende: “Als je dáár geweest waart,” en hij wijst in de pas verlatene richting; “dáár, en je hadt den angst en de smeekende blikken van den ongelukkige, zooals ik gezien; je hadt zijn diep treffende, schoon weinig samenhangende woorden gehoord, je hart zou evenals het mijne hebben geklopt! Maar zeg, meen je ’t waarlijk, zal ons kind het besterven?”Eenige oogenblikken staat de vragende man weder voor zijn weenende vrouw zonder antwoord te bekomen, maar eensklaps slaat mevrouw Brolet den blik tot hem op, en de hoop is op haar gelaat te lezen, dat hare vraag: “Maar François, is ’t geen bedrog?” een antwoord zal uitlokken ’t welk nog niet den stempel der volste overtuiging draagt.Maar neen, helaas! bedrogen had hij zich niet; de waarheid sprak maar al te luide, en in weinige, vluchtige woorden gaf hij aan zijn gade de bitterste bewijzen eener zekerheid, welke hij zich zelven zoo gaarne ontveinsd had.Nog had Brolet zijn verslag niet ten volle geëindigd, toen een vreemd geluid op het portaal de aandacht der echtelieden wekte.“Jeannette! o God! zoo zij ’t gehoord had!” roept mevrouw, en wil ijlings opstaan; doch Brolet houdt haar terug, en terwijl hij bare hand in de zijne vat, fluistert hij snel en merkbaar bewogen: “Octavie, wees bedaard; heeft Jeannette ons waarlijk beluisterd,—zegen dan met mij een toeval, ’t welk mij van den pijnlijksten lastontheft. Zij heeft dan vernomen ’t geen het noodlot mij dwingt haar te zeggen. O! ik gevoel het, mijn levensvreugd ware verwoest, indien het denkbeeld mij bijbleef, dat ik uit zwakheid de laatste bede van een uitgaanden levensgeest had versmaad. Ja, een ontzettend toeval doet ons huiveren, en verijdelt mijne plannen; maar nu, schep moed, wie weet of de uitkomst ons niet de rust zal schenken, waarnaar wij reeds zoolang en zoo vurig verlangden.”“Mijn arm kind!” zuchtte mevrouw: “God moge haar nabij zijn!”Brolet fronst de wenkbrauwen; drukt zijn echtgenoote een kus op het voorhoofd, en verlaat haastig de kamer. Op het portaal gekomen, ontdekt hijhaarniet, die zijne verbeelding er gemeend had te vinden. Hare kamer grenst aan die der ouders. Met een zacht kloppen zal hij haar wekken. Doch zie, de deur is niet gesloten, zij staat op een kier.“Jeannette!” roept hij zacht: “slaap je mijn kind?” en eenige malen herhaalt hij de vraag, doch zonder een antwoord te vernemen. De vader aarzelt niet de deur wat verder te openen; hij ziet naar binnen, en nogmaals roept hij luider: “Jeannette!”—Maar neen, zij is er niet.Ontwaakt uit een korte sluimering die haar geest had vermoeid, met een afzichtelijk dood paard ’t welk gedurig, om haar te vangen, de stijve voorpooten uitstrekte, had een ongewoon gerucht in de aangrenzende kamer harer ouders, Jeannettes opmerkzaamheid getrokken. Bij ’t naar bed gaan heeft zij in stilte de bespottelijke menschlievendheid van haar papa bewonderd, die zelfs zijn domestieken de nachtrust had gegund om bij die “akeligheid in het schuurtje”, waar zij het te benauwd had gekregen “de rol vanziekenverplegerte spelen.” ’t Ontstelde haar eenigermate de stem haars vaders te hooren. Was hij terug, dan voorzeker moest die man wel dood zijn.—Hu! daar was toch iets akeligs in; daarginder in dat schuurtje: een dood paard, en een dood mensch nog daarbij!Haar legerstede verlatende, was Jeannette op den wand toegetreden, die haar van het slaapvertrek der ouders scheidde. Ofschoon nu en dan eenige klanken vernemende, kon zij, door den halfsteenschen muur, toch onmogelijk goed verstaan wat er gesproken werd. Het luider noemen van haar naam had echter dermate hare belangstelling gewekt, dat zij in allerijl eenige kleeren heeft aangetrokken, en, het vertrek in stilte verlatende, op het portaal aan de kamer der ouders heeft geluisterd.Geen vijf minuten later bevond het meisje zich weder binnen haar slaapverblijf, doch toen.... hoe geheel anders stonden haar gelaatstrekken dan vóór het verlaten harer kamer. Een lijkkleur had zich over haar wezen verspreid; haar boezem jaagde onstuimig, en vreeselijk trilde haar geheele lichaam, terwijl haar blikken verwilderd in het ronde zwieren. Krampachtig klemden zich hare vingeren om de leuning van een stoel; haar knikkende knieën benamen haar schier de macht om zich staande te houden, doch—eindelijk was het, alsof een besluit werd genomen, alsof een plotseling opgekomendenkbeeld haar krachten vernieuwde. Zij trad op het raam toe; staarde een oogenblik op het schuurtje aan ’t einde der laan; bracht de hand aan haar voorhoofd; had nogmaals een gevoel alsof het bloed in hare aderen stolde, maar, ook dát oogenblik ging voorbij, en zich eensklaps naar de deur wendende, verliet zij weder het vertrek; sloop met een fel bonzend hart doch met onhoorbaren tred voorbij de kamer der ouders, en daalde langs de breede marmeren trap snel naar beneden.Terzelfder tijd dat Brolet te vergeefs zijne dochter roept, bevindt het meisje zich voor de deur van het schuurtje. Haar moed dreigt opnieuw te bezwijken; eenige seconden blijft zij luisteren, doch, daar binnen een zacht gekreun vernemende, verheft zij met fierheid haar hoofd; slaat de hand aan de klink, en treedt, ofschoon een huivering haar bekruipt, met tamelijk vasten tred het schuurtje binnen.—Neen, ’t is nog niet gedaan met den armen Ritter.De heer Brolet heeft hem verlaten, nadat er op een hevige gemoedsbeweging, door koortshitte verhoogd, een oogenblik van schijnbare rust gevolgd was. Hoe ontelbare malen had hij in zijne tegenwoordigheid: “Mijn Hans! mijn kleine Hans! mijn kind!” geroepen; en dan luider met onrustige gebaren, terwijl hij Brolet daarbij dreigend had aangezien: “Mijn kind! Breng haar hier.... eer ik sterf!”In de levendigste kleuren was Ritter, en ook zijn voornamen bewaker, opnieuw datgene voor den geest gekomen, ’t geen zij beiden nooit vergeten, doch waaraan zij zoo gaarne—ofschoon om zeer verschillende beweegredenen—de herinnering zouden hebben verloren.Ja, de weinige woorden die Brolet, na de herkenning, met den jager wisselde, zij verlevendigden in beider gemoed zoo krachtig ’t geen er omstreeks zeven en twintig jaar geleden was voorgevallen.’t Was een stormachtige Octobermorgen. Door den mullen zandweg tusschen de Overijselsche plaatsjes Oldenzaal en Ootmarsum werd een fraaie reiskoets, door twee jonge paarden langzaam voortgetrokken. De heer en de dame daarin gezeten, wenschten nog vóór den nacht Bentheim te bereiken, alwaar ze eenige dagen dachten te vertoeven alvorens zich naar de plaats hunner bestemming—Westphalens hoofdstad—te begeven.Ze hadden het zwaar genoeg die paarden! De Noordoosten wind, waartegen ze moesten opwerken, joeg hen het zand in de snuivende neusgaten. De koetsier liep naast het rijtuig, in de eene hand de teugels houdende, en met de andere aan den rand van zijn hoed. Ook de oude huisknecht had, door af te klimmen, den last der bruinen verlicht, en antwoordde, door het portierglas heen, gedurig op de vragen der meewarige dame, en stelde haar gerust,—de bruintjes zouden de reis wel goed maken.Plasregens, die voor weinige dagen de zandwegen in stroomen herschiepen, hadden op sommige plaatsen gaten veroorzaakt, die den viervoetigen betreders reeds eenige malen een buitengewone kniebuiging hadden afgedwongen.“Ho! ho!” had het eensklaps van de heizijde geklonken; doch de waarschuwende stem kwam te laat, want reeds lagen de beide paardenmet de voorpooten in een gat ’t welk, met afgewaaide bladeren gevuld, hunne opmerkzaamheid had verschalkt. De man, die voor weinige minuten met zijn kruiwagen om plaggen te steken was uitgegaan en óók in de diepte van het gat was geraakt, bracht, dewijl zich geen andere hulp in den omtrek bevond, het zijne bij, om de paarden weer op de been te helpen. ’t Gelukte; doch Juno, de bijdehandsche, had den rechterpoot dermate verstuikt, dat hij den koetsier aanzag als wilde hij zeggen: “Hoe zal dat verder gaan?” De heer en de dame, die na het ongeval terstond het rijtuig hadden verlaten, vernamen van den koetsier, dat Juno “inkapabel” voor de reis was, en dat er raad moest geschaft worden zoo mijnheer en mevrouw Bentheim nog vóór den nacht wilden bereiken.De plaggensteker was toen de man geweest van wien men hulp of raad kon verwachten. Het eenige wat hij zeggen kon was, dat Scholte2Roerd, die aan ’t einde der vlakte bij gindsche hooge boomen zijn erf had, paarden genoeg bezat, en vier zelfs die in ’t span liepen zoo goed als de beste. Gaarne had hij zich bereid verklaard om den heer van het rijtuig naar den rijken Scholte te geleiden, als ze dan maar ’en oog op het schaap wilden houwen dat ginds bij den kruiwagen lag.Terwijl de heer, aldus begeleid, naar Scholte Roerd was getrokken, om ter vervanging van Juno een van diens vierspan ter hulp te vragen, was mevrouw—na het arme paard te hebben gestreeld—op de plaats toegetreden waar “het schaap” lag. ’t Was een kind, dat nog maar weinige maanden oud scheen te zijn. Zij kreeg medelijden met het arme wicht, ’t welk een dot in het mondje had, waaruit de kracht—zoo die er in was geweest—reeds lang moest verdwenen zijn. ’t Was een aardig, ja zelfs een mooi kindje, en in weerwil dat de gure wind het gezichtje verkleumde, lachte het toch toen de dame het vriendelijk aanzag enratadazei.Ja, de voorname dame had erg medelijden met het arme kindje, en ze streelde het met haar mof in ’t gezichtje, en ’t kriebelde wel, maar toch, het lachte er van; en mevrouw kwam ook al eens met den vinger op ’t lijfje:kiesewiesewiet, en dan kraaide het, zoodat ze ’t hoe langer hoe akeliger vond om het wormpje daar op den kouden grond te laten liggen. Ja, ze had het schaapje opgenomen—hoewel ze van de vuile plunje wat vies was geweest—en had het met zich gedragen en in het rijtuig gelegd. Gretig had het bloedje de kruimels genuttigd, welke de dame het vervolgens had toegevoegd, en toen mevrouw eindelijk de trommel, waarin zich haar proviand bevond, had gesloten, omdat de kleine niet meer lustte, toen begon ze achter haar mof kiekeboe te spelen, en ’t kindje lachte alweer, en.... zij pinkte een traan weg.Gaandeweg had de plaggensteker, die al zeer armoedig in de kleeren was, den heer—die een warmen pels droeg—zijne levensgeschiedenismeegedeeld, nagenoeg op de volgende wijze: “M’n vader en moeder, zie je, die hei j’ toch niet gekend, maar schraal ha’n ze’t wel, daar ku’j over rekenen. Toen vader stierf—’k zie ’m nog—zei ie voor ’t laatst: “Jong’! ’k heb altijd m’n brood gehad al was ’t ook droog. Werken zie je! werken met God en met eere! Toen moeder stierf had ze ’en akelige pijn, maar ze zei toch: “God kan alles, bid da’k zacht zal sterven, en da w’ ons in den hemel weerzien,” dat zei ze. ’t Was kort op mekaar. Toen zin ze begraven, zie je, zoo netjes as ’t hoeft, maar leeg was de hut, en ’k had zoo alleen geen schik op de hei. Weet je, toen liep ik naar Mie van den scheeper3en ze had zin om met me mee te gaan, al was ik ’en dikke veertiger. Nou, zie je, mee ging ze, en, toen ze zuchtig wier, he’k ze getrouwd ook, laat domenei spreken4. Weet je, ’t wordt met Sinte Matijs ’en jaar dat z’en kleine kreeg, en as ’k ze niet getrouwd had, misschien leefde ze nog, want zie je, het schaap van ’en kind deed haar den dood aan. Toen ze begraven wier, was ’k nog malkelieker dan van vader of moeder, en as ’k nou ’s avends alleen onder de plaggen zit, en heiboenders maak, dan zeg ik zoo dikwijls: “Och God! a’j alles kunt, waarom hei j’ dan Hanskes moeder niet uit ’t kraambed geholpen?” Zie je, nou ploeter ik met het schaap al ’en maand of acht, en al mag ik het graag, ’t is toch ’en euvel alleen voor ’en man. Alle dagen vraag ik aan God: dat ie ’t lieve Hanske bij d’r moeder zal halen. Maar fluite! Ze blijft waar ze is.”De heer had den man, toen deze zijn verhaal had geëindigd, heel vriendelijk toegesproken, en gezegd, dat zoo’n kindje toch inderdaad een heele troost moest wezen, er bijvoegende, dat vele en zelfs voorname lieden, vruchteloos naar zulk een schat verlangden, hetgeen de man op zijne beurt allemaal best wou gelooven, maar ook opmerkte, dat ze dan niet in zijn geval moesten wezen, hij kon Hanske toch moeielijk mee naar stad nemen als ie de bezems en boenders ging brengen, zijne hut lag alleen, buurvrouwen waren er niet, en zie je, dan hing het schaap soms vier uren achtereen in den band aan ’en spijker, zoodat hij, terugkomende, ’t geschreeuw wel een kwartier ver over de hei hoorde klinken.Toen de beide mannen al meer en meer de hoeve van den Scholte naderden, ving de heibewoner een ander gesprek aan, ’t welk ten doel had om den heer uit het rijtuig van de onnoemelijke schatten des Scholtens een denkbeeld te geven.Alleswas van Scholte Roerd: die schaapskooi, die schapen, dat bosch, die landerijen, alles,alleswat de heer naast of vóór zich zag en,.... hoe was hij er aangekomen?“Weet je,” had de man weder gezegd: “mijn grootvader heeft den zijne gekend toen hij net zooveel had als er nu op m’n hand leit. Wat deed ie?.... Van werken en sjouwen had ie duiten appart geleid, en, toen ie tien gulden bij mekaar gekoejoneerd had, toenging ie naar de Deventersche paardenmarkt, en kocht er ’en afgedankte kerresier, die ook al voor de dillejans had geloopen. Hoe hij ’t aanlee wist grootvader niet best, maar dat ie krooi en rooi en soms laat nog aan ’t varen5was, dat had ie zelf wel gezien. De eenige deern van Scholte Dikkers had ie eens toevallig opgelaajen, hoe, en waar, en wat, dat wist ie ook niet, maar zie je, ze wier olik naar hem, en, toen het eindelik zou en moest, toen kreeg hij ze binnen ook. Weet je, mijn grootvader zei altijd: “dat heeft hem de kerresier gevaren,” en, spaarde eiges altijd zooveel als ie kon, maar as ’t maar ’en gulden ofdrieliep dan kwam er ’n kink in de kabel en—opging het weer.”“En waarvoor wilde je grootvader sparen?” had de heer gevraagd, die gedurende het verhaal over iets anders gedacht, en slechts de laatste woorden verstaan had.“Wel, hei’j dan geen ooren meer?” had de bezemman geantwoord: “ik zei immers, om ’en paard te krijgen, maar ’t is er nooit toegekomen weet ie, en m’n vader kon er ook niet bij, en ik—wat zou ik, hé! ’k ben al blij da’k het leven hou, en zoo’n schaap lust ook wel wat anders dan keisteenen.”Scholte Roerd, wiens grootvader, zooals de overlevering zeide, door een paard—wijzouden zeggen door een meisje—rijk was geworden, had den vreemden heer vriendschappelijk ontvangen en te woord gestaan. Gaarne had hij zich bereid verklaard, den heer met een fraai span bruintjes, ’t welk binnenkort naar de markt zou, tot aan Bentheim te varen.Gaarne, want de Scholte was trotsch op de dieren, en ’t was hem de reis wel waard om ze eens in ’t heerentuig voor een mooi rijtuig te zien.Nog wel een uur had de dame den tijd gehad om met de kleine in het rijtuig kiekeboe te spelen alvorens zij de karavane over de hei zag naderen.Scholte Roerd had—toen men met het tweespan nabij de plaats des ongevals was gekomen—terstond met het oog eens kenners, de fraaie Juno onderzocht. Nu hij het paard eens liet loopen, had het kootgewricht zich niet—zooals zulks in den gezonden toestand het geval is—teruggebogen, zoodat het welzeker verstuikt moest wezen. Het gewricht zwol gaandeweg erger, terwijl het maar al te zichtbaar was, dat de minste drukking het arme dier een hevige smart veroorzaakte. “Dadelijk wasschen met keukenzout, water en azijn!” had Roerd gezegd, en de koetsier, die er toch ook verstand van meende te hebben, had van een mengsel klei meteau de goulardgesproken, om welken raad hij echter door den lompen boer—zooals hij den Scholte heimelijk noemde—werd uitgelachen. Wie vond er klei op de hei! en welke boer in den omtrek hield er o’ de goelaar op na!? Dat had de Scholte gevraagd, enwijvragen, wie dáár de domme was?Terwijl men ook Diaan had afgespannen, en de Scholte, metbehulp der mannen, de fraaie tuigen vergespte, ten einde ze voor Mieke en Treeske pasklaar te maken, en hij gedurig riep, wat of ze van z’n bruintjes zeiden, was de heer, half buiten half binnen het rijtuig, in een zacht maar belangrijk gesprek met de dame gewikkeld.Weinige oogenblikken nadat de heer zich met haaste van het portier had verwijderd, heeft hij, op eenigen afstand van het rijtuig, een niet minder belangrijk onderhoud met den heibewoner gehad. Een glans van verrukking heeft zich over het gelaat van den armen man verspreid.—Een paard.... dát paard voor hem! En zijn schaap, zijn Hanske: een rijkeluiskind! O zeker, hij deed het,—wanneer de heer en mevrouw, op handslag beloofden, dat ze het goed zouden oppassen, en er altijd voor zorgen.Ja,—zoowel de heer Brolet als de arme jager, hadden zich dat voorval op de heide met de meeste levendigheid herinnerd, en, dat de eigenaar van het rijtuig de eerstgenoemde, en de plaggensteker de man was, die nu bij zijn dooden Hans lag, zal men voorzeker reeds terstond vermoed hebben.Toon Ritter had zijn “deerntje” nog eenige kussen gegeven, alvorens hij het portier zag sluiten. Scholte Roerd, naast den koetsier gezeten, had de zweep doen klinken; het rijtuig was van die plaats verdwenen, en Toon, die bij zijn kruiwagen met het mooie paard was achtergebleven, had het rijtuig nageoogd, totdat Diaan,—door den huisknecht, die in het bakje zat, bij den halster gehouden—om den hoek van het akkermaalshout, waar de weg zich kromde, verdwenen was.In den aanvang had de arme Ritter zich rijker dan de rijkste Scholte gedroomd, en alles aangewend om de spoedige herstelling van het dier te bevorderen, waarvan hij zich zulke gouden bergen beloofde. Roerd was den volgenden morgen teruggekeerd, doch, zonder zijn bruintjes. De rijke heer had ze hem gaarne afgekocht, want waarlijk, ze pareerden best, en ze liepen als hazen! ’t Sprak van zelf, dat het voorval in den omtrek ruchtbaar werd, en naarmate zulks meer en meer het geval was, kreeg Ritter minder vrede met Juno, en dacht meer aan zijn Hanske, dat, de hemel wist waar, in de wijde wereld zat. Vooral de vrouwen uit den omtrek vielen hem danig hard, dat hij zoo’n bloedje, “z’n eigen vleesch toch,” had afgestaan, terwijl zij, die hem het meest benijdden, er zeker van waren, dat er op dat paard geen zegen zou rusten.Ja, al mocht Toon Ritter, met den schrikkelijk gedegradeerden Juno, die, hoewel genezen, al spoedig de duidelijkste sporen van minder goede dagen vertoonde, wat meer verdienen dan hij het tot hiertoe gedaan had, hij vreesde hoe langer zoo meer dat de voorspelling bewaarheid, en Juno hem niet zou aanbrengen “wat de kerresier den grootvader van Roerd had gevaren.”Somwijlen, wanneer Ritter des avonds aan zijn ontslapene Mie heeft gedacht, was hij angstig geworden, totdat hij eindelijk hetplan had gevormd om, kostte wat het wilde, zijn Hanske op te zoeken.Helaas! alle pogingen waren vruchteloos geweest, en, dewijl zelfs de naam van den heer met het rijtuig hem onbekend was gebleven, moest ten laatste de hoop wel verdwijnen om tot het gewenschte doel te geraken.Nog drie jaren was Ritter, na die ontmoeting op de heide, in het oord gebleven, waar hij het eerste daglicht aanschouwde; maar toen ook was hij de plek, die hem gestadig aan “de zondige daad” herinnerde, plotseling en in stilte ontvloden. Met het paard, ’t welk hij den naam zijner verworpene kleine gaf, en waaraan hij hoe langer zoo meer de liefkozingen schonk, die hij thans zoo gaarne aan zijn kind had gegeven, trok hij op Holland aan: misschien dat daar.... Maar neen, God zouhemniet helpen, die zijn eigen bloed had verkocht; en het denkbeeld wortelde diep, dat die rampzalige daad hem de eeuwige pijn zou bezorgen.Wat er verder van Ritter werd, is hoofdzakelijk reeds vermeld geworden. Eerst gedurig van domeingrond verdreven, bouwde hij—ruim vier en twintig jaren geleden—zijn ellendige woning op grond aan den ouden baron Tolenveld behoorende, en wij hoorden het reeds, hoe des barons, wel zeer natuurlijke sloopzucht, in ’t einde schipbreuk leed op de onoverwinlijke bouwzucht van den armen jager.En wat gevoelde die, voor zijn tijd vergrijsde arme nu? Wij wagen het niet er een volledig antwoord op te geven; alleen weten wij, dat het hem was, alsof er een hamer gestadig in zijn gloeiend voorhoofd klopte, snel, onbegrijpelijk snel, en dat iedere bons hem den naam in de ooren dreunde van het gestorven dier, waarvoor een onbegrijpelijke liefde Gods hem het verstooten kind wilde terugschenken. Hij dankte gedurig denGroote, die alles kan, voor een zegen hem nog op aarde geschonken, terwijl de vreugde hem hier reeds bereid, zijn hoop deed kiemen—dat het “daarbovennog wel terecht komen zou.”En zou de arme zich bedriegen? Had zijn berouw geen liefde gewekt? Was zijn hoop niet gebouwd op den Eenige, die almachtig is? Voorzeker!—Maar zie, de deur van het schuurtje wordt geopend, en zonder dat Toon haar bemerkt, treedt zij, die uit het korte verslag van Brolet, aan zijn gade gegeven, de ijselijkste waarheid vernam, het doode paard voorbij en op den lijder toe.Zonderling! op dat gelaat, ’t welk ons straks de diepste verslagenheid teekende, lezen wij in dit oogenblik, behalve een uitdrukking, welke wij met den naam van medelijdend afgrijzen zouden bestempelen, eene fierheid, die het gevolg van een schitterende verwachting moet wezen. Ja, voorzeker, zij is zich immers altijd bewust geweest voor iets groots, iets edels geboren te zijn. En nu die plotselinge ontdekking, dat zijnietis de dochter van hen, die zich hare ouders noemden, maar, een aangenomen kind!—Ja, de hoop heeft haar namelooze smart gestild, de hoop, dat de roman, waarvan zij zich eensklaps tot heldin zag verheffen, schitterend zal ontknooptworden. Een oogenblik staat zij bij den man stil, die, zonder de oogen te openen, verscheidene malen achtereen den naam noemt vanhaar, die zich zoo nabij hem bevindt.“Je paard is dood, arme man!” zegt Jeannette, terwijl het geluid van haar eigen stem haar in dit oogenblik een huivering aanjaagt.Ritter slaat de matte oogleden op, en staart het meisje onafgebroken aan, terwijl zijn mond weder gedurig den naam doet hooren, die hem in het hoofd dreunt.“Daar ligt hij,” herneemt Jeannette, op het paard wijzende, maar voegt er als in eenen adem bij: “Spreek, goeje man, wat is er van het kind, dat je voor een dier hebt kunnen verruilen? Zeg, heb je bewijzen van haar afkomst? Spreek, zoo je herstelt, zal ik je schitterend beloonen.”“Och, Hans! Hansje! Hans!” klinkt het als te voren. De grijze doffe oogen staren het meisje hoe langer zoo strakker aan, en terwijl Ritter een vruchtelooze poging waagt om zich op te heffen, en Jeannette ontsteld een schrede achterwaarts doet, roept hij akelig: “O God!—is zij—is zij—mijn Hans,—mijn Hanske,—mijn kind!?”Nogmaals is het de trots die Jeannettes boezem doet jagen. Zij kan de ontzettende waarheid niet gelooven. Met haaste nadert zij weder den man, grijpt zijn magere hand, en zegt op gejaagden toon: “Ja, ja, ik ben het kind, waarvoor men je dat paard in ruil gaf; maar om Gods wil, verzwijg het niet: wie waren mijne ouders?.... Toe! zeg het; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken. Spreek dan! spreek! maak mij niet ongelukkig!”De arme eenvoudige jager met het immer bonzende hoofd, geheel gevuld met die eene gedachte: God is mij genadig! hij had de bedoeling der vraag niet gevat. Hij had alleen gehoord: “Ikbenhet kind; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken.” Ja, nogmaals wilde zij van hem hooren, dat hij werkelijk haar vader was; en met nog pijnlijker stem dan te voren, sprak hij, terwijl hij flauw de hand drukte die de zijne had gegrepen: “Hanske,—dame,—ja,—God zegt mij—dat je mijn kind, mijn Hanske bent. Hanske die ik verstiet.—Ik kan—niet spreken.—Als—wij—in den—hemel—elk—an—der weerzien—zal—ik je alles—ver—tellen; en dan—zal je me—ook verge—ven hé!—dan—zal ik je—de hand boven—’t hoofd houwen,—net als ik Hans, in de plaats—van jou dee.—God, ja God kan—alles—al—les!”En toen—toen bleef zijn mond wel open, maar hij sprak niet meer; toen bleven de oogen wel opgespalkt, maar aardsche dingen aanschouwden ze niet langer, want de God, die alles kan, had het wonder gewrocht dat niemand een wonder noemt: Hij had den geest ontbonden van het stof; eene ziel overgebracht naar het huis waarin vele woningen zijn.Hebt gij deernis met den overledene....? O! heb het niet; maar wél met haar, die op den arm des pleegvaders geleund,—want ook deze was ongezien van het sterven des jagers getuige geweest—met pijnlijk snikken het schuurtje verlaat, waar haar trots werd geknakt en—Gods almacht zoo treffend was verkondigd.“Je komt te laat vrinden!” zei Leendert de huisknecht tot een meisje dat, door een jongeling begeleid, het hek vanWater-zichtwas binnengetreden, en gevraagd had, of ze Toon Ritter eens zien en spreken mocht.“Te laat!” zeiden Grietje en Geurt—want zij waren het—schier te gelijk; en het meisje voegde er bij: “Maar zeg, hij is toch niet dood?”Op een weinig kiesche wijze gaf Leendert een bevestigend antwoord; en Grietje, die wij veel verzwakt en vermagerd vinden, drukte het voorschoot voor hare oogen, en Geurt riep met innige bezorgdheid: “Och, Grietje, maak je nou niet van streek; ik zei immers wel dat het er om houwen zou!”Of Geurt al beweerde, dat het haar te veel zou aandoen den gestorvene nog eens te zien, het weenende meisje bleef op dat verlangen aandringen. Al was hij dood, toch wilde zijhemnog eenmaal aanschouwen, die in den ellendigsten toestand niet had geaarzeld, haar van een wissen dood te redden. Geurt moest toegeven, en Grietje trad aan zijn zijde het schuurtje binnen, maar ontstelde minder dan Geurt zulks vermoed had, toen zij het lijk van den grijzen man, zoo nabij dat van zijn dooden makker zag liggen. Zij had hem voorheen ook meermalen nabij het paard zien slapen, maar dan, alsof lichaams- of zielesmart hem kwelde; en nu.... nu lag hij zoo kalm, zoo onbeweeglijk; en, starende op het lijk, drukte zij den arm van Geurt, en zei zacht: “Toon heeft het nu beter bijGod. Wat was hij ongelukkig!”Die woorden klonken vertroostend voor den jongeling in wiens binnenste gedurig eene stem sprak: Gij hebt den dood van Toon en zijn makker verhaast.—Ja Grietjes woorden verlichtten zijn gemoed, maar ook zij brachten hem tot het levendig bewustzijn, dat de zegen des Allerhoogsten niet rust op deongeoorloofdemiddelen, waarmee men een goed doel meent te bereiken.En ze gingen te zamen weer heen, Grietje en Geurt, en ze zeiden niets; en Grietje bracht de haring in ’t koolblad gewikkeld, aan hare moeder terug; een mootje zou Toon misschien verkwikt hebben; maar, Toon at geen haringen meer, en de werkvrouw vond het een ijselijkheid dat ze door Grietjes ziekte zoo niets had kunnen toebrengen om Toon te gerieven.De gebeurtenis, welke de heer Brolet eentoevalgenoemd had, bracht een groote verandering in het vreedzame leven, maar ook in de gemoederen der bewoners vanWater-zichtte weeg. Eene waarheid, zoo’n aantal jaren met de meeste zorg verborgen, voorwier aan ’t lichtkoming met vreeze was gewaakt, en welker ontdekking—door een huwelijk bedreigd—de schrandere diplomaat, nog weinige uren geleden, zeker meende te voorkomen, zie, een vreemd, een zeer vreemd, een ontzettend vreemd toeval, had haar op ’t onverwachtst aan ’t licht gebracht. Aan ’t volle licht; want, ondanks de verwijderingszorgen door Brolet genomen,—men herinnert zich die vertrapte klitsbladen en brandnetels juist onder het schuurraampje, waardoor het dienstpersoneel gegluurd heeft—ging het verhaal in den omtrek weldra van mond tot mond: “De juffrouw van de nieuwe lui opWater-zicht, is ’en eigen dochter van Toon Ritter! je weet wel, van den jager dien ze ook alde wittenoemden, en die nu dood is.”We zeiden, die gebeurtenis bracht verandering in het vreedzame leven. Ja, een ontzettende! want het kind der armoede, opgevoed in een stand die niet de hare was; voor wie men het gebod: “gij zult uw ouders eeren,” door haar zelfs niet met haar ware afkomst bekend te maken, had krachteloos gemaakt; wier liefde men had begeerd, en wie men een onbegrensde liefde had toegedragen,—een liefde welke zich echter niet had geopenbaard in een streven naar genezing van haar zielekwaal,—het hooghartige maar tevens beklagenswaardige meisje, was door het gebeurde op ’t allerhevigst geschokt geworden; de aanbrekende morgen vond haar in een onopwekbare dofheid; den middag bracht ze in koortsig ijlen door; en tegen den avond werkten haar sterk geschokte zenuwen dermate hevig, dat de geneesheer die ijlings was ontboden, ten zeerste voor een verstandsverbijstering beducht was.En nu, zie ze daar zitten, de echtelieden, in weinige dagen zichtbaar verouderd. Zijn ze niet gestraft voor een daad, die een zedelijke roof mag genoemd worden? Een roof, want ja, ze hebben niet het kind eens armen opgevoed, maar zij hebben der armoede afgekocht wat God niet wil dat verkocht worden zal. Ze hebbenwettigwillen bezitten wat hun niet wettig kon toebehooren; ze hebben in stede vangelukkigdat kind der heideongelukkiggemaakt.Maar toch, heb medelijden! Zie, daar gaat de diplomaat met het hoofd ter neergebogen, door de lanen van zijn landgoed; voor weinige uren heeft hij een uiterst beleefden brief van den baron, zijn buurman ontvangen, waarin deze “om familie-omstandigheden als anderszins,” meent van de hand van mejuffrouw Brolet te moeten afzien, terwijl hij HEd. een spoedige herstelling toewenscht. Zie, hij staat daar stil, wendt den blik naar den achtergevel van zijn huis; staart eenige oogenblikken op het venster der kamer, waarbinnen de arme Jeannette door hare pleegmoeder met nog twee verzorgsters bewaakt wordt; wischt de tranen weg die langs zijn kaken biggelen, en terwijl hij daarna, schijnbaar toevallig, het oog op dat schuurtje aan ’t einde der laan doet rusten, is het alsof de laatste woorden, die er aan den mond des stervenden ontvloden, en hem sinds dien stond zoo gedurig het hoofd doorwoelden, opnieuw, maar krachtiger in de ooren klinken: “God kan alles!”—God kan alles!Zie, Brolet loopt weder voort; staat later nog eens stil; werpt weder den blik naar het venster waarzijzich bevindt, die de vermogens der rede verloor: en zie hoe hij onder een tranenstroom de oogen naar hooger wendt, en hoor hem zuchten: “Maak haar gezond, en ik zal gelooven, God, dat Gij bestaat, en dat alles Uw werk is!”Reeds hadden schrale nachtvorsten de heerlijk bloeiende dahlia’s verslapt en ontkleurd, en over ’t beukenloover een bruine tint verspreid, en nog altijd bleef Jeannettes rede in enge banden gekluisterd, en nog altijd weenden hare opvoeders. Maar, had de vrouwe reeds sinds lang vertrouwend den blik naar den Hemel gewend, ook de diplomaat zeide niet meer: “God, maak haar gezond en ik zal gelooven!” maar in stilte en luide: “God, Gij kunt alles! o! Almachtigste, o mocht het zoo wezen!”En,—er was vreugde in den hemel, groote blijdschap. De zwakke mensch had zijn afhankelijkheid aan een hoogere macht in ootmoed beleden.’t Was een schoone middag van een der laatste Octoberdagen. Jeannette op den arm harer pleegmoeder geleund, doorwandelde sprakeloos en met strakken blik, de slingerpaden achter het huis. Brolet ging aan haar andere zijde. Een hoek omslaande, stond eensklaps Leendert voor de zwijgende wandelaars, en verhaalde, naar den adem hijgende, dat hij overal naar de familie gezocht had, tot achter in de plaats bij den grooten vijver toe, want, dat er een heer was gekomen, die zijn naam niet wou zeggen, maar dien hij toch dadelijk had herkend, dezelfde uit Den Haag, die er in ’t voorjaar geweest was, en, Leendert dacht er bij: die uit verliefdheid z’n fooi vergat.Brolet wenkte den knecht dat hij terug zou keeren, en nadat de pleegvader, achter den rug van het meisje om, een beteekenisvollen blik met zijn gade had gewisseld, gevoelde hij eensklaps zijn hand door Jeannette vatten, en zag, hoe zij den blik tot hem opsloeg, terwijl ze zachtkens zeide: “Oscar Halmon.”Zie, zie, hoe geheel verschillende van den eersten blik, de tweede geweest is, welken de verbaasde echtelieden met elkander wisselden.Ja, een onbeschrijfelijke verrukking maakte zich van hen meester. Voor de eerste maal na dien verschrikkelijken nacht, had zij het bewijs gegeven, dat haar rede nog vatbaar voor een gezonde werking was.Ofschoon Oscar Halmon bitter teleurgesteld na zijn eerste bezoek opWater-zicht, in zijn woonplaats was wedergekeerd, ofschoon hij zich ten zeerste had verwonderd dat hij geen enkel woord van oom of tante vernam, daarhijtoch eenige malen een vriendschappelijken brief had gezonden, toch was hij niet minder met belangstelling aanWater-zicht, en met innige liefde aan zijne nicht blijven denken, die, “zooals van zelf sprak,” evenmin eenig antwoord op zijn vluchtig geschreven briefje gezonden had.Vervuld met het doel om hooger te klimmen ten einde zijn wensch te verwerven, had Oscar, door de loffelijkste middelen er naar getracht een voordeeliger post te bekomen. Voor weinige dagen was dat streven met een gewenschten uitslag bekroond geworden, en hij, die niets had vernomen van ’t geen er gedurende den zomer opWater-zichtvoorviel, hij spoedde zich met zijne aanstelling naar het Stichtsche, ommeerte verwerven:—de vrouw zijner keuze.En ja,hijwas het—de eenmaal verstooten en verloochende jongeling,—die de eerste vonken der wederkeerende rede mocht doen gloren.Oscar, met alles bekend gemaakt, ontmoette denzelfden avond het meisje dat, door een indrukwekkende bleekheid, hem schooner toescheen dan te voren. Zij zag hem. Eerst bleef zij roerloos staan, beschouwde hem met een rustigen blik, doch, toen hij haar naam had genoemd, drukte zij eensklaps haar beide handen voor de oogen, en weende tranen, de eerste weldadige tranen na dien akeligen nacht.Sedert twee jaren staat het buitengoedWater-zichtledig. Oscar Halmon is met het herstelde pleegkind van oom en tante Brolet, Hanske Ritter, in den echt getreden. Zij wonen in een fraai huis te ’s Gravenhage, en de oudelui hebben een woning twee huizen verder.Hansje Halmon, de gelukkige gade, zij was in een harde leerschool geweest, maar ja, zij had er geleerd, hoe God de hoovaardigen kan treffen, en met innigen dank voor hare redding, ondervindt zij het nu, hoe wezenlijke liefde in eenvoud des harten, veredelt en waarlijk gelukkig maakt.Wel verre van te huiveren bij het herdenken van haar afkomst, eert zij de nagedachtenis van een vader, die om harentwille zooveel zielesmart had geleden; zij zegent Gods bestiering, die haar den vader deed hervinden, tot zijn eigen vrede, en tot welzijn vanhaartijdelijk en eeuwig heil, en, nabij die plek waar eenmaal de hut van den grijsaard stond, kocht zij een kleine hoeve, waarin zij het paar gelukkig maakte, ’t welk dien armen vader had liefgehad.En de diplomaat....? Hij heeft met zijn gade God gedankt. Hij gelooft, ja hij gelooft aan een hoogere Macht, al begrijpt hij de wereld en hare raadselen niet.Ritters Hans stierf, maar Ritters Hanske leeft nog, en eenmaal hoopt ze haar arme ouders der aarde, rijk en zalig in den hemel weder te zien.
Geurt ontstelde hevig toen hij Ritters vriend zoo onverwacht zag vallen, zelfs aan de mogelijkheid had hij niet gedacht.—Wat te doen! De schipper aan het roer riep luide: “Geef ’m wat lange haver! Ransel z’n luie bast!”—Z’n luie bast! Arme Hans! je verstaat het niet, gelukkig voor jou! je zoudt weemoedig zijn geworden en misschien met wrok den laatsten stond zijn tegemoet gegaan. Je verstaat het niet, maar Geurt des te beter.... en.... Neen, wel roept hij: “Huup huup!” wel trekt hij aan den toom, en spant hij zijn geringe krachten in om je weer op de been te krijgen, doch je mishandelen in dezen stond.... neen, dát kan hij niet. Je brekende oogen, die zoo weemoedig schijnen te vragen: Waar is mijn goede baas toch? zij treffen de zijnen. Aanstonds laat hij zijn pogen varen, en, terwijl het medelijden hem ijlings zijn oude pet met water doet vullen, om te beproeven, of een teuge den amechtige ook zal verkwikken, doorziet hij het netelige van zijn eigen toestand.—Zoo Hans eens kapot ging! zou Toon dan niet vragen? zou Toon hem geen bedrieger noemen?—En, op het geroep van den schipper geen antwoord gevende, voegde hij net zieltogende paard de vriendelijkste namen toe; streek het over den zakkenden kop, en riep eindelijk tot den schipper, dat hij toch komen zou om, ware het mogelijk, den stakker, die zoo raar deed, in ’t leven te behouden.Geurts beroep op de hulp van den ongevoeligen schipper bleef vruchteloos; met de handen onder zijn kin en de ellebogen op het roer geleund, ging hij bijditen bijdatvoort, om jager en paard naar weinig uitgezochte plaatsen te verwenschen, er gedurig bijvoegende: “Jakker d’r op, zoo je niet luier dan je luie knol bent.”Ten einde raad, en al meer vreezende dat Hans het niet kroppen zou, zag Geurt in ’t ronde of er dan geen meelijdend schepsel in den omtrek was, die hem raad of hulp zou willen verschaffen.Het ijzeren hek vanWater-zichtis slechts een vijftig schreden van die plaats verwijderd. En, ijlings loopt hij er heen; treedt het binnen, en aarzelt niet het fraaie huis te naderen, waar hij hijgende aankomt. Na een korte aarzeling rukt hij aan de schel, zóó sterk, dat mama en dochter Brolet—die aan de achterzijde der woning in de schaduw eener warande zitten te puffen, en niets weten te zeggen dan dat zij stikken—elkaar verbaasd aanzien, en bijna op het denkbeeld komen, dat de zonnegloed brand deed ontstaan.Leendert de huisknecht, die, evenals de koetsier, den tentwagen in ’t koetshuis had uitgekozen om er zijn af....ge....mat....te leden rust te bezorgen, vernam het schellen niet. De meisjes in de keuken, wier kornetten los, en wier armen slap langs haar zittende lichamen hingen, begrepen dat Leendert wel komen zou, en bleven waar ze waren.“Ieder zijnvak!” zei Krisje; zoodat mevrouw bij het tweede gelui—terwijl ze zich steeds met haar waaier zocht te verkoelen—opstond; iets van “die booien!” prevelde, de gang betrad, en de voordeur—die voor een tochtje was opengelaten—naderende, al spoedig voor den angstigen Geurt stond.“Wat wil je zoo haastig vriendje?” vraagde mevrouw.“Och! of je me helpen kan juffrouw!” antwoordde Geurt met ter neergeslagen oogen, en, ware hij niet zoozeer met Hans vervuld geweest, hij zou voorzeker—onvoorbereid om zoo iets voornaams te ontmoeten—er nog veel minder vrij hebben bijgevoegd. “Als je niet dadelijk helpt dan zal het te laat zijn!”“Maar wát is er dan toch?” vraagde mevrouw.“Zie je juffrouw, ’t is eigenlijk buiten mijn schuld,” antwoordde Geurt: “want mishandeld heb ik hem niet, maar zie je, de warmte! Is er dan niemand die me kan helpen eer ie kapot gaat?”“Kapot!” herhaalde mevrouw: “Spreek je van een beest of van een voorwerp.”“Och ja, van Hans, juffrouw!” hernam Geurt haastig: “Maar heb je dan geen mansvolk hier, en kun je geen drank geven? De rijke lui weten altijd meer dan een ander. Toe gauw, eer het te laat is, want Hans leit op z’n asem.” En zich daarna omwendende, liep hij ijlings terug, maar riep nog in ’t heengaan: “Gauw dan, hij leit vlak bij ’t hek.”Eenige minuten later trotseerden mevrouw en Jeannette,—Papa was nog niet uit Den Haag teruggekeerd—de vreeselijke warmte, om aan hare nieuwsgierigheid te voldoen.Behalve stroohoeden met vervaarlijke randen, droegen zij groote Oostersche zonneschermen, die ze, als noodzakelijk bij eenéquipementvoor ’t buitenleven, in dengrand bazarhadden gekocht. Leendert en Willem volgden geeuwende, terwijl Kris en Leentje met de boezelaars boven hare hoofden, aan ’t hek bleven gluren om óók eens te zien wat er eigenlijk te doen was.Toon Ritter ligt op dezelfde plaats waar wij hem reeds een paar malen hebben aangetroffen. De dokter, die hem eenige uren geleden bezocht, heeft hem alweer een drank voorgeschreven, maar zich evenzeer alweder verwonderd over de taaiheid van dat gestel.Op dit oogenblik ontwaakt de man uit een lichte sluimering.“Waar ben je?” zegt hij flauw en met gesloten oogen, terwijl hij met de hand bezijden zich voelt, en die eindelijk op den rand zijner kribbe laat rusten: “Ik droomde daar van den tijd toen je nog klein waart Hans, toen je kleine oogen mij zoo goedig aanzagen, en toen ik—om jou—om jou verd.... raakte, hé!—Maar Hans, ik heb daar ook gedroomd: dat Hij ’en groote pen van goud nam, en zei: “Ik zal het maar doorhalen! hé! en ’t was vreeselijk licht ook, en ik las, ofschoon ik m’n bril niet had:“Toon Ritter,” en daarachter dat leelijke woord—je weet wel. Maar Hij sprak weer: “Die gelooft heeft zal zalig worden,” en streek toen met mooien inkt dat leelijke woord uit, en schudde mij de hand, en gaf me brood met lekkeren wijn, net zooveel als ik lustte. Zie je, ’k was in den hemel; en toen ik wel genoeg had, en net als vanouds op m’n twee beenen liep, toen zag ik ook jou weer, mijn goeje Hans; maar niet zooals je nou bent, maar blank van vel, en fraai van leden, en zwart van haar, want weet je, jij zelf waart bij Teunis in ’t kuiltje. En weet je nou Hans, waarom ik ertochkwam?” vraagt Ritter terwijl hij opnieuw met de hand naar het paard zoekt, dat zich niet aan zijn zijde bevindt; “omdat ik geloofd had dat Hij alles kan, en omdat ik trouw was geweest voor jou.... hé! dat spreek je niet tegen?”Ritter strekt al gedurig zijn magere vingers verder uit om het dier te bereiken, doch, dewijl zijn uiterste poging vruchteloos blijft, wendt hij zich om; opent de oogen; werpt een doffen blik in ’t ronde, en roept eensklaps met een door den schrik versterkte stem: “Hans! Hans! waar ben je gebleven?”Zie, hij schijnt tot bezinning te komen. Geurt heeft zijn vriend meegenomen, dewijl hetbetervoor hem zou zijn; ’t is waar... doch, tóén was het morgen en nu.... ’t moet wel tegen den avond loopen. Zou Geurt hem vergeten? En naarmate de zwakke jager zich over het uitblijven van den jongeling met den bruine al ongeruster maakt, bromt hij gedurig, dat het niet meer gebeuren zal, want hij gevoelt het maar al te zeer dat hij nog slechts kort met hem vereenigd zal blijven; en, eenmaal had hij bij zich zelven gezworen: het dier te zullen verzorgen en trouw te bewaken tot aan zijn einde.Naarmate de tijd al meer en meer verliep, klom Ritters bezorgdheid. Zoo hard hij zulks vermocht riep hij het dier eenige malen bij zijn naam, en eenige malen ook den naam van hem, aan wiens zorg hij zijn vriend veilig had toevertrouwd. Geen antwoord, geen geluid zelfs—dan het gegons der muggen.’t Kostte Ritter een groote inspanning, om, zooals hij vroeger meermalen deed, ook nu op de vingers een schel gefluit voort te brengen, maar toch het gelukte, en zóó zelfs, dat de kalkoenen op een nabijgelegen hoeve, zich verplicht gevoelden het met een oorverdoovend gegil te beantwoorden.Intusschen het fluitend signaal bewerkte niet wat Ritter verlangde. Hans kwam niet opdagen, en Geurt evenmin. ’t Waren pijnlijke oogenblikken die de zwakke sleet; zijn eigen toestand had hem nooit zoo bekommerd als het thans de onzekerheid deed wat er toch met Hans mocht gebeurd zijn; en, zijne handen vouwende, zuchtte hij tot Hem die alles kan: “Heere, verlos mij uit de benauwdheid!”Zat Ritter in de benauwdheid—op een paar schreden van de hut verwijderd, stond er een wiens hart niet minder beklemd was. Geurt had het snijdend geluid zeer wel gehoord, en ’t was hem door de ziel gegaan. Reeds verscheidene malen had hij zich totnabij Ritters woning begeven, doch telkens ook was hij teruggekeerd, dewijl de moed hem ontbrak om den man onder de oogen te treden.Hoor! weder klinkt het schel gefluit, en eensklaps zich vermannende, loopt de jonkman tot nabij de hut; blijft eenige oogenblikken voor de kleine deur staan, maar eindelijk—eindelijk opent hij haar; treedt met een kloppend hart binnen, en staat weldra, doch zonder een woord te spreken, voor den nederliggenden jager.“Waar is Hans?” vraagt Ritter terstond, terwijl hij de oogen op de opengelaten deur houdt gevestigd, in de verwachting dat het paard nog volgen zal.Geurt ziet voor zich neder maar antwoordt niet.“Waar is Hans?—Maar spreek dan!” roept Toon, terwijl de grootste onrust op zijn gelaat is te lezen: “Den ganschen dag heb je hem buiten gehouden!” en weder doet hij het snijdende fluitje hooren nog in de hoop dat het paard zal verschijnen.Eenige oogenblikken lang heerscht er in het verblijf een pijnlijke stilte; eensklaps echter heft Ritter zich met geweld overeind, en den zwijgenden Geurt met zijn donkerbruine oogen strak aanstarende, zegt hij op akeligen toon: “Bij God, zeg dan, zeg.... waar is Hans?”Maar Geurt kan niet spreken; en de hand voor de oogen drukkende, komt hij den spreker een schrede naderbij, maar berst te gelijk in tranen uit.Eene rilling doorloopt Ritters leden. Zich geheel voorover buigende, grijpt hij Geurt bij zijn buis; trekt hem geheel tot zich, en zegt met een gesmoorde stem: “Zeg—zeg ellendige! heb je mijn Hans vermoord?”Dat was te veel! Hoewel de bitterste zelf beschuldiging hem pijnde,dieverdenking woog al te zwaar; en het was door haar dat Geurt de kracht bekwam tot het doen eener volledige bekentenis, en verhaalde, hoe hij met de beste bedoelingen het paard had gebruikt voor het werk, waartoe hij toch meende dat het geschapen was; maar, dat de warmte hem moest hebben bevangen, zoodat de stakker er nu inderdaad niet best aan toe was.Ritter, die onder het hakkelend en gedurig afgebroken verhaal van den jonkman, hem niet zelden een blik had toegeworpen, die van zijn onrust en hevige smart getuigde, staarde hem, toen hij ophield met spreken, eenige oogenblikken sprakeloos doch met bevende lippen aan. Doch, nadat Geurt de hand des jagers had gegrepen, en nu innig geroerd om vergiffenis smeekte, wendde Ritter eensklaps den blik van hem af, en riep met een akelige stem:“Ik heb hem verlaten! Mijn eed!! O God!” maar liet er terstond op volgen, terwijl hij den brenger der Jobstijding aanzag: “Je hebt niet gezegd of hij dood is; zeg, leeft hij niet meer? Zeg, waar heb je mijn Hans gelaten?”“Neen neen! dood was hij niet,” zei Geurt zeer snel.“Niet! niet!” riep de jager, den spreker in de rede vallende, terwijl een bruinachtig roode kleur zijn geelbleek gelaat kwam kleuren: “Niet!?—Hijsch mij op!—Hier,—hier dan; zie, ikben zoo slap niet.—Hans, ik wil je nog zien! Help dan! Dáár, daar liggen de spullen: help! als je niet wilt dat je de eeuwige pijn treft!” En de man, wiens krachten den arts ten eenenmale als uitgeput hadden toegeschenen, wierp het dek van zich af; greep den boomstok, en trok er de bedoelde bovenkleed ing mee naar zich toe.“Maar in ’s hemels naam, wat wil je?” sprak Geurt ontsteld: “Toon! hoe zou je naarWater-zichtkomen? Jij, die te zwak bent om op te staan. En wie zou je helpen! Je weet datmijnkrachten....”“Zwijg!” riep Ritter in zenuwachtige opgewondenheid: “Wil jij me niet helpen, hé! dan zal ik alleen er wel komen; want zien zál ik hem—al moest ik ook kruipen!”Wat Geurt ook spreken of raden mocht, de oude jager was niet te bewegen om van zijn voornemen af te zien. Hij wilde en zou zich naar zijn Hans begeven, al ware het ook ten koste zijner laatste krachten. Die zelfopoffering zou wellicht de doemwaardigheid vernietigen, welke hij,—door de zorg van het paard, ofschoon met een goede bedoeling, aan een ander te vertrouwen,—opnieuwover zich gebracht had.’t Verdient toch opmerking dat de arme jager bij het bittere leed, dat hem inderdaad door een ander werd berokkend, geenszins dien bewerker hard viel of met beschuldigingen en smaadredenen overlaadde, maar alleen zich zelven beschuldigde, en slechts de gevreesde straf voorzichmeende weggelegd. ’t Verdient opmerking, want, ofschoon wij,—eveneens zouden gedaan hebben, en de droevige gevolgen van begane misslagen steeds ons zelven wijten, er zijn toch een aantalanderemenschen, die de schuld maar terstond op een ander werpen....! Adam had het niet gedaan: de vrouw had het gedaan; de vrouw? wel neen, die leelijke slang! Ja wel, dieanderemenschen hebben gewoonlijk vrouwen of slangen bij de hand, die met het pak bezwaard worden; en weet ge wie vooral zoo ontelbare malen voor hen de schuld moet dragen,—edoch in andere gevallen dan het beschrevene—’t is het kind met dien breeden, mismaakt breeden rug, dat dieanderemenschen “temperament” noemen.En Geurt hielp den jager zooveel hem mogelijk was, maar begreep ook hoe langer zoo meer, dat het voor hem een vergeefsche poging zou zijn om den zwakken en daarbij verminkten man, zonder meerdere hulp, ter plaatse te brengen waar zich zijn stervende makker bevond. Plotseling rees er een gedachte bij hem op, en met de woorden: “Wacht, ik zal eens zien....” liep hij de hut uit; en ofschoon Ritter hem nariep, die vreesde dat Geurt niet terug zou komen, vervolgde hij zijn weg tot nabij de hoeve,—waar de kalkoenen opnieuw het gefluit van den jager beantwoordden—maar kwam ook, geen twee minuten later, in een kleine roeiboot langzaam het stroompje afzakken.Menige pijnlijke kreet ontvlood er aan Ritters lippen, eer hij met de zwakke hulp van den jongeling, het bootje bereikte, en daarinhalf liggende gezeten was. De hoop om Hans nog levend te vinden steunde echter zijne krachten, en gedurig moest Geurt, die maar slap de riemen bewoog, van Ritter de aansporing vernemen:“Maak toch wat haast, eer het te laat is!”Voor weinige minuten was Brolet van zijn tocht naar de residentie teruggekeerd, ookhijhad het dien dag schrikkelijk benauwd gehad. Geen wonder: brandende zon en—kokend bloed!Mevrouw Brolet, die de ramen van haar echtvriends kamer had opengeschoven opdat de avondkoelte hem eenige verfrissching zou schenken, was mede met deeau de colognein de weer, maar noch het een noch het ander baatte om den verhitten man tot kalmte te brengen.Zonder een rechtstreeksch antwoord op haar belangstellende vragen te bekomen, verstond mevrouw uit de afgebrokene bittere woorden van haar gewoonlijk zoo zachtaardigen echtvriend genoeg, om er uit op te maken, dat zijne poging niet met den gewenschten uitslag was bekroond.Vol bitteren wrevel was de man, en waarom? Omdat hij, die zelf ten allen tijde de wetten verdedigd en zich wars van elke knoeierij had betoond, nu, daar het zijn eigen belang gold, gaarne die wet had zien krommen, om, wat krom was recht te maken.En, wat wilde hij dan?Immers, hij wilde zijn kind behouden, haar niet prijs geven aan.... Neen, neen, dat wilde hij niet, en terwijl de diplomaat halfluide zwoer, dat hij een middel zou uitdenken om den noodlottigen slag te keeren, al spanden ook alle aardsche machten te zamen, rees hij van zijne zitplaats op, en liep, met de hand tegen het voorhoofd gedrukt, haastig de kamer op en neer.Mevrouw Brolet, die een onbepaald vertrouwen op het beleid en goed verstand van haar echtgenoot had, gevoelde zich door die laatste positieve woorden geruster, en spoedde zich naar beneden om het oog over een verfrisschend avondgerecht te laten gaan.Nog maar weinige oogenblikken bevond mevrouw zich in het beneden-achtervertrek, toen door de openstaande tuindeur Jeannette binnenkwam, gevolgd door den baron Tolenveld, die zijn eigenaardige buiging voor de aanstaande schoonmama maakte.“O mama,” sprak Jeannette haastig: “u moet met papa eens gauw meegaan. Toen wij zooeven, na in de plaats te hebben gewandeld, voorbij het turfschuurtje kwamen waar dat akelige paard is gebracht, toen kwam Leendert er uit, en zei, dat de baas van het dier was gekomen, en dat het kluchtig was om te hooren zooals die man tot het arme dier sprak. U moet dadelijk komen,” voegde zij er bij: “Nietwaar Tolenveld, volgens den knecht moet het welcurieuszijn? Kom!” en snel verliet zij het vertrek; en de baronzei in zich zelven: “Cura, curiosus,” en volgde zijnefutura, zonder op de aanstaande schoonouders te wachten.Reeds vóór de geliefden,—of beter, de verloofden—bevinden wij ons in het gezegde turfschuurtje, om er van de “curieuse klucht” getuigen te zijn.Op den steenen vloer, waarover een bos stroo is uitgespreid, ligt de bruine vriend van Toon Ritter; hij ligt er met de pooten uitgestrekt, nog eveneens als toen hij er voor weinige uren met een stenend geluid den laatsten adem uitblies. Alleen de kop, welke na dien stond zijdelings achterover in het stroo was gezakt, wordt eenigszins omhoog gehouden. ’t Is de arm van den ouden jager die hem omvat, en zijn ruige kin er op rusten laat, terwijl hij zelf op een omgekeerde kuip gezeten, wordt ondersteund door den zwakken Geurt, die mede tegen een stapel hakhout een rustpunt heeft gevonden.Aanvankelijk vernemen wij niets dan een klagend gezucht ’t welk nu en dan des jagers lippen ontsnapt.“Ouwe stakker! Heeft Toon z’n woord gebroken!” klinkt eindelijk Ritters hokkende stem; “heeft hij jou uit het oog verloren en zich ten tweeden male den eeuwigen toorn op den hals gehaald?—Zeg, brave ouwe stumper! moest je die goeje oogen dicht doen, zonder Toon naast je te zien? Zeg, kun je ze dan nog niet eenmaal opslaan—dat ik ze toedruk? Zeg, zou er dan nog geen greintje leven in je zijn? Huup Hans! huup!” en met de vlakke hand slaat Ritter zijn makker op het gevoellooze lichaam.—“Dood! mors dood!” steunt de jager opnieuw: “Och! waarom heeft Hij die alles kan, jou niet ’en poosje langer bij asem gelaten? hé? of, Toon vooraf den genadeslag gegeven? Verdoemd als ik ben!—Waarom ook stond ik je af aan een ander!”De laatste woorden des jagers werden op een zoo diep verslagen toon geuit, dat Geurt een zenuwachtige rilling gevoelde, en hem bewogen toefluisterde. “Maar Toon, de schuld is immers aan mij! Ik maakte misbruik van je goed vertrouwen; ik was het die Hans—doch zonder opzet....”“Zwijg! zwijg! Paai me toch niet!” roept Toon met een nare stem: “Wat jij deedt, da’s jou zaak, maar wat er tusschen hem en z’n baas was, dat raakt jou geen zier. Zeg, zeg—ouwe!’” besluit de grijze met fluisterende stem, terwijl hij zijn hoofd geheel op den kop van zijn dooden makker laat rusten, en de voorboden der sloopster zijner krachten, zijn van inspanning doodelijk vermoeid lichaam doen trillen: “Zeg, kon je maar—bidden—hé; maar je hebt daar nooit geen verstand—van gehad.—Ikdurf het niet,—en de Eerste—hé!! verdoemt me!”Zie, de “klucht!” heeft ons dermate beziggehouden dat wij het binnentreden der verloofden niet bemerkten, en nóg zouden we ’t hoofd niet van den armen man hebben afgewend, zoo we niet ter zijde een zacht gepraat hadden vernomen.“Maar wie is die ongelukkige man toch?” vraagt Jeannette aan hem, wiens gade ze hoopt te worden, terwijl een mengeling van deernis en afschuw op haar gelaat is te lezen.“Men noemt hem Toon de Witte, geloof ik,” fluisterde Tolenveld: “hij woont in de armoedige hut die eenige malen uw aandacht trok.”Er volgt een langdurige stilte, door niets afgebroken dan het gezucht van den jager die, ten halve met den rug naar de aanwezigen bij den ingang van het schuurtje gekeerd, hen niet bemerkte, en evenmin bespeurt dat, eenige oogenblikken later, nóg een heer en dame, het tamelijk donkere verblijf binnentreden.Zichtbaar onaangenaam wordt de heer Brolet door de tegenwoordigheid des barons getroffen, dien hij na zijne thuiskomst nog niet ontmoette. Even spoedig echter als de voorhoofdrimpels verschenen, verdwijnen ze weder, en een vriendschappelijke groet der heeren breekt de stilte, en doet den lijdenden jager even het hoofd naar de zijde wenden, waar zijne bezoekers zich bevinden.“Een zonderlinge vertooning,” zegt Brolet op een toon die eenigszins zijn wrevele stemming verraadt, en voegt er wat zachter tot zijn echtgenoot bij: “Waarom werd dat volk hier binnengehaald?”Mevrouw Brolet fluistert eenige bevredigende en vergoelijkende woorden, en besluit, op den jager wijzende: “Pauvre homme, il a l’air bien souffrant!”“A qui la faute!” zegt Brolet schouderophalend, doch wordt evenals zijne dames een oogenblik later met deernis vervuld, daar hij den jager ziet trillen en beven, terwijl deze, door een hevige benauwdheid overvallen, langzaam in de armen van den jongeling zinkt, die hem met moeite ondersteunt.Jeannette laat Tolenvelds arm los, en roept op meewarigen toon, terwijl haar kleur door een doodelijk bleek wordt vervangen: “Hoe akelig! Och, wie helpt hem?”Mevrouw Brolet mede ontsteld, doet een schrede naar den armen lijder, doch wordt door haar echtvriend in den weg getreden, welke laatste den jager ijlings nadert, en, zonder op de onreinheid der kleeding acht te geven, hem in zijn armen vat. Den insgelijks bevenden Geurt gelast hij, om haastig de hulp der dienstboden te gaan inroepen; zij moeten een paar dekens en de flacon uit mevrouws toilet ten spoedigste medebrengen.Nog vóór dat Geurt het schuurtje verlaat, zijn de dames, door haar natuurlijk gevoel gedreven, reeds met hulpvaardige bedoelingen ter deure uitgesneld.De baron, die zelden zijn bedaardheid verliest, wankelt een oogenblik tusschen het plichtbesef om de aanstaande moeder zijner kinderen te volgen, en dat, ’t welk hem zegt den heer Brolet de behulpzame hand te bieden; doch, in zijn tweestrijd besluit hij noch tot het een, noch tot het ander, en blijft waar hij zich bevindt, maar verzoekt den heer Brolet toch maar vrij uit te spreken, zoo er iets mocht wezen waarin hij zijn hulp behoeft.De gevraagde is te zeer met den lijder vervuld, dan dat hij den voorslag des barons kan beantwoorden; zijne oogen zijn onafgebroken op het akelige gelaat van den man gevestigd, dien hij in zijne armen houdt, en terwijl deze al sneller ademhalende, enkele malen de woorden: “Hans! Hans!” met een naar geluid doet hooren,klopt het hart van den hulpvaardige met hevige slagen; maar spreekt hij toch gedurig van: moed houden, en dat het wel beter zal gaan.Zie, ’t moet een geweldige koorts zijn, die den arme als het ware verscheurt. Gedurig drukt hij de hand tegen het gloeiende hoofd, dat hem bonst alsof ’t bersten zal; eenige malen grijpt hij in de kleeding waar zij hem de hijgende borst bedekt, als waant hij zich daardoor lucht te zullen verschaffen. De last wordt Brolet te zwaar. Gelukkig! daar treden de knechts het schuurtje binnen; ze hebben dekens, een paar kussens, benevens eenige fleschjes en andere zaken bij zich, welke mevrouw heeft geoordeeld dat noodig of nuttig konden zijn.—Zou ze ook nú op dankbaarheid hebben gerekend....?Leendert vervangt de plaats van zijn meester.Gedurig een zonderling onderzoekenden blik op den kranke werpende, is Brolet niettemin ijverig in de weer om met den koetsier een tamelijk geschikt leger voor den jager te spreiden. Dit gereed zijnde, gelast hij zijnen bedienden, om den ongelukkige behoedzaam daarop neer te leggen. Zulks geschiedt; en nauwelijks heeft een lavende teug de brandende tong verkoeld, en houdt de huisknecht een natten doek op het gloeiende voorhoofd, terwijl Willem reeds met het bevel is verdwenen: om Juno in te spannen en terstond den dokter uit het naburige dorp te halen, of de man opent flauw de oogen, en werpt voor de eerste maal een blik op zijn voornamen helper.Zie.... de glinsterende oogen, wat blijven ze strak op den man gevestigd—die zich haastig tot den baron wendt, en hem noopt tot de dames te gaan, “daar alles nu geschikt is.”—Zie, wat spalkt hij die oogleden wijd.... en wijder open; wat akelige, schrikkelijk akelige uitdrukking op dat vermagerde bleeke gelaat; hoor, wat naar gegorgel in de keel, alsof zij te zeer is toegeschroeid om een woord te doen hooren. Zie.... zie... hoe akelig!—Daar schudt hem een wreede demon. Maar toch, hoor, het is alsof in dat nare gereutel de woorden: “Mijn Hans!” nog even zijn mond ontsnappen.’t Is nacht, doch geen zooals men zich daags voorspeld had, van onweer en plasregens; maar strak en helder enzwoel, en weder een dag voorspellende als die, welke straks ter ruste ging.De pendule in het slaapvertrek der echtelieden Brolet heeft reeds één geslagen. Nog geen half uur geleden is de heer des huizes die kamer binnengetreden.Was het zijn goedhartige aard, die hem zoolang alleen bij den lijder in het schuurtje deed vertoeven, dewijl hij ook Leendert—tot diens verwondering—bevolen had om zich dorpwaarts te spoeden, ten einde eenige eenvoudige geneesmiddelen uit de apotheekte halen, ofschoon Leendert meende, dat mevrouw ze wel in huis had, doch die—volgens mijnheer—niet versch genoeg waren? Was het enkel uit medelijden, dat hij de uren, sedert dien eersten stond verloopen, zooveel mogelijk zonder andere hulp bij den armen jager heeft doorgebracht, wiens einde door den geneesheer, gedurende zijn kortstondig en laat avondbezoek, als zeer nabij voorspeld was? Waren er ook andere redenen? Leendert is er zeker van, want—achter het schuurtje is eene sloot, en tusschen die sloot en het schuurtje bleef nog een voetbreed gronds, waarop distels en klitsplanten welig tieren. En nu.... jammerlijk zijn die schoone bladen vertrapt, vooral ter plaatse waar zich die reet in de planken bevindt.Op het oogenblik dat wij Brolet wedervinden, staat hij met over elkander geslagen armen tegenover zijn echtgenoote, die, in een leunstoel gezeten, haar aangezicht met de beide handen bedekt.“Spreek dan Octavie!” zegt Brolet met gesmoorde doch gejaagde stem: “zou zulk een toeval mij niet de haren te berge doen rijzen? Kon er een rampzaliger denkbeeld rijpen dan naar deze streek te trekken? Ken je zulk een toeval, dat ons den man hier doet weervinden, van wien wij sedert al die jaren niets meer vernamen!? Maar antwoord mij dan,wátmoet ik doen?”“Zij zal het besterven!” zucht mevrouw, terwijl een stroom van tranen haar wangen besproeit.“Besterven!?” herhaalt de man, en treedt op het raam toe waardoor hij, aan ’t einde der laan, het schijnsel van het licht ontwaart ’t welk binnen het schuurtje brandt: “Neen, neen! dat zal ze niet!” herneemt hij terugkeerende: “Als je dáár geweest waart,” en hij wijst in de pas verlatene richting; “dáár, en je hadt den angst en de smeekende blikken van den ongelukkige, zooals ik gezien; je hadt zijn diep treffende, schoon weinig samenhangende woorden gehoord, je hart zou evenals het mijne hebben geklopt! Maar zeg, meen je ’t waarlijk, zal ons kind het besterven?”Eenige oogenblikken staat de vragende man weder voor zijn weenende vrouw zonder antwoord te bekomen, maar eensklaps slaat mevrouw Brolet den blik tot hem op, en de hoop is op haar gelaat te lezen, dat hare vraag: “Maar François, is ’t geen bedrog?” een antwoord zal uitlokken ’t welk nog niet den stempel der volste overtuiging draagt.Maar neen, helaas! bedrogen had hij zich niet; de waarheid sprak maar al te luide, en in weinige, vluchtige woorden gaf hij aan zijn gade de bitterste bewijzen eener zekerheid, welke hij zich zelven zoo gaarne ontveinsd had.Nog had Brolet zijn verslag niet ten volle geëindigd, toen een vreemd geluid op het portaal de aandacht der echtelieden wekte.“Jeannette! o God! zoo zij ’t gehoord had!” roept mevrouw, en wil ijlings opstaan; doch Brolet houdt haar terug, en terwijl hij bare hand in de zijne vat, fluistert hij snel en merkbaar bewogen: “Octavie, wees bedaard; heeft Jeannette ons waarlijk beluisterd,—zegen dan met mij een toeval, ’t welk mij van den pijnlijksten lastontheft. Zij heeft dan vernomen ’t geen het noodlot mij dwingt haar te zeggen. O! ik gevoel het, mijn levensvreugd ware verwoest, indien het denkbeeld mij bijbleef, dat ik uit zwakheid de laatste bede van een uitgaanden levensgeest had versmaad. Ja, een ontzettend toeval doet ons huiveren, en verijdelt mijne plannen; maar nu, schep moed, wie weet of de uitkomst ons niet de rust zal schenken, waarnaar wij reeds zoolang en zoo vurig verlangden.”“Mijn arm kind!” zuchtte mevrouw: “God moge haar nabij zijn!”Brolet fronst de wenkbrauwen; drukt zijn echtgenoote een kus op het voorhoofd, en verlaat haastig de kamer. Op het portaal gekomen, ontdekt hijhaarniet, die zijne verbeelding er gemeend had te vinden. Hare kamer grenst aan die der ouders. Met een zacht kloppen zal hij haar wekken. Doch zie, de deur is niet gesloten, zij staat op een kier.“Jeannette!” roept hij zacht: “slaap je mijn kind?” en eenige malen herhaalt hij de vraag, doch zonder een antwoord te vernemen. De vader aarzelt niet de deur wat verder te openen; hij ziet naar binnen, en nogmaals roept hij luider: “Jeannette!”—Maar neen, zij is er niet.Ontwaakt uit een korte sluimering die haar geest had vermoeid, met een afzichtelijk dood paard ’t welk gedurig, om haar te vangen, de stijve voorpooten uitstrekte, had een ongewoon gerucht in de aangrenzende kamer harer ouders, Jeannettes opmerkzaamheid getrokken. Bij ’t naar bed gaan heeft zij in stilte de bespottelijke menschlievendheid van haar papa bewonderd, die zelfs zijn domestieken de nachtrust had gegund om bij die “akeligheid in het schuurtje”, waar zij het te benauwd had gekregen “de rol vanziekenverplegerte spelen.” ’t Ontstelde haar eenigermate de stem haars vaders te hooren. Was hij terug, dan voorzeker moest die man wel dood zijn.—Hu! daar was toch iets akeligs in; daarginder in dat schuurtje: een dood paard, en een dood mensch nog daarbij!Haar legerstede verlatende, was Jeannette op den wand toegetreden, die haar van het slaapvertrek der ouders scheidde. Ofschoon nu en dan eenige klanken vernemende, kon zij, door den halfsteenschen muur, toch onmogelijk goed verstaan wat er gesproken werd. Het luider noemen van haar naam had echter dermate hare belangstelling gewekt, dat zij in allerijl eenige kleeren heeft aangetrokken, en, het vertrek in stilte verlatende, op het portaal aan de kamer der ouders heeft geluisterd.Geen vijf minuten later bevond het meisje zich weder binnen haar slaapverblijf, doch toen.... hoe geheel anders stonden haar gelaatstrekken dan vóór het verlaten harer kamer. Een lijkkleur had zich over haar wezen verspreid; haar boezem jaagde onstuimig, en vreeselijk trilde haar geheele lichaam, terwijl haar blikken verwilderd in het ronde zwieren. Krampachtig klemden zich hare vingeren om de leuning van een stoel; haar knikkende knieën benamen haar schier de macht om zich staande te houden, doch—eindelijk was het, alsof een besluit werd genomen, alsof een plotseling opgekomendenkbeeld haar krachten vernieuwde. Zij trad op het raam toe; staarde een oogenblik op het schuurtje aan ’t einde der laan; bracht de hand aan haar voorhoofd; had nogmaals een gevoel alsof het bloed in hare aderen stolde, maar, ook dát oogenblik ging voorbij, en zich eensklaps naar de deur wendende, verliet zij weder het vertrek; sloop met een fel bonzend hart doch met onhoorbaren tred voorbij de kamer der ouders, en daalde langs de breede marmeren trap snel naar beneden.Terzelfder tijd dat Brolet te vergeefs zijne dochter roept, bevindt het meisje zich voor de deur van het schuurtje. Haar moed dreigt opnieuw te bezwijken; eenige seconden blijft zij luisteren, doch, daar binnen een zacht gekreun vernemende, verheft zij met fierheid haar hoofd; slaat de hand aan de klink, en treedt, ofschoon een huivering haar bekruipt, met tamelijk vasten tred het schuurtje binnen.—Neen, ’t is nog niet gedaan met den armen Ritter.De heer Brolet heeft hem verlaten, nadat er op een hevige gemoedsbeweging, door koortshitte verhoogd, een oogenblik van schijnbare rust gevolgd was. Hoe ontelbare malen had hij in zijne tegenwoordigheid: “Mijn Hans! mijn kleine Hans! mijn kind!” geroepen; en dan luider met onrustige gebaren, terwijl hij Brolet daarbij dreigend had aangezien: “Mijn kind! Breng haar hier.... eer ik sterf!”In de levendigste kleuren was Ritter, en ook zijn voornamen bewaker, opnieuw datgene voor den geest gekomen, ’t geen zij beiden nooit vergeten, doch waaraan zij zoo gaarne—ofschoon om zeer verschillende beweegredenen—de herinnering zouden hebben verloren.Ja, de weinige woorden die Brolet, na de herkenning, met den jager wisselde, zij verlevendigden in beider gemoed zoo krachtig ’t geen er omstreeks zeven en twintig jaar geleden was voorgevallen.’t Was een stormachtige Octobermorgen. Door den mullen zandweg tusschen de Overijselsche plaatsjes Oldenzaal en Ootmarsum werd een fraaie reiskoets, door twee jonge paarden langzaam voortgetrokken. De heer en de dame daarin gezeten, wenschten nog vóór den nacht Bentheim te bereiken, alwaar ze eenige dagen dachten te vertoeven alvorens zich naar de plaats hunner bestemming—Westphalens hoofdstad—te begeven.Ze hadden het zwaar genoeg die paarden! De Noordoosten wind, waartegen ze moesten opwerken, joeg hen het zand in de snuivende neusgaten. De koetsier liep naast het rijtuig, in de eene hand de teugels houdende, en met de andere aan den rand van zijn hoed. Ook de oude huisknecht had, door af te klimmen, den last der bruinen verlicht, en antwoordde, door het portierglas heen, gedurig op de vragen der meewarige dame, en stelde haar gerust,—de bruintjes zouden de reis wel goed maken.Plasregens, die voor weinige dagen de zandwegen in stroomen herschiepen, hadden op sommige plaatsen gaten veroorzaakt, die den viervoetigen betreders reeds eenige malen een buitengewone kniebuiging hadden afgedwongen.“Ho! ho!” had het eensklaps van de heizijde geklonken; doch de waarschuwende stem kwam te laat, want reeds lagen de beide paardenmet de voorpooten in een gat ’t welk, met afgewaaide bladeren gevuld, hunne opmerkzaamheid had verschalkt. De man, die voor weinige minuten met zijn kruiwagen om plaggen te steken was uitgegaan en óók in de diepte van het gat was geraakt, bracht, dewijl zich geen andere hulp in den omtrek bevond, het zijne bij, om de paarden weer op de been te helpen. ’t Gelukte; doch Juno, de bijdehandsche, had den rechterpoot dermate verstuikt, dat hij den koetsier aanzag als wilde hij zeggen: “Hoe zal dat verder gaan?” De heer en de dame, die na het ongeval terstond het rijtuig hadden verlaten, vernamen van den koetsier, dat Juno “inkapabel” voor de reis was, en dat er raad moest geschaft worden zoo mijnheer en mevrouw Bentheim nog vóór den nacht wilden bereiken.De plaggensteker was toen de man geweest van wien men hulp of raad kon verwachten. Het eenige wat hij zeggen kon was, dat Scholte2Roerd, die aan ’t einde der vlakte bij gindsche hooge boomen zijn erf had, paarden genoeg bezat, en vier zelfs die in ’t span liepen zoo goed als de beste. Gaarne had hij zich bereid verklaard om den heer van het rijtuig naar den rijken Scholte te geleiden, als ze dan maar ’en oog op het schaap wilden houwen dat ginds bij den kruiwagen lag.Terwijl de heer, aldus begeleid, naar Scholte Roerd was getrokken, om ter vervanging van Juno een van diens vierspan ter hulp te vragen, was mevrouw—na het arme paard te hebben gestreeld—op de plaats toegetreden waar “het schaap” lag. ’t Was een kind, dat nog maar weinige maanden oud scheen te zijn. Zij kreeg medelijden met het arme wicht, ’t welk een dot in het mondje had, waaruit de kracht—zoo die er in was geweest—reeds lang moest verdwenen zijn. ’t Was een aardig, ja zelfs een mooi kindje, en in weerwil dat de gure wind het gezichtje verkleumde, lachte het toch toen de dame het vriendelijk aanzag enratadazei.Ja, de voorname dame had erg medelijden met het arme kindje, en ze streelde het met haar mof in ’t gezichtje, en ’t kriebelde wel, maar toch, het lachte er van; en mevrouw kwam ook al eens met den vinger op ’t lijfje:kiesewiesewiet, en dan kraaide het, zoodat ze ’t hoe langer hoe akeliger vond om het wormpje daar op den kouden grond te laten liggen. Ja, ze had het schaapje opgenomen—hoewel ze van de vuile plunje wat vies was geweest—en had het met zich gedragen en in het rijtuig gelegd. Gretig had het bloedje de kruimels genuttigd, welke de dame het vervolgens had toegevoegd, en toen mevrouw eindelijk de trommel, waarin zich haar proviand bevond, had gesloten, omdat de kleine niet meer lustte, toen begon ze achter haar mof kiekeboe te spelen, en ’t kindje lachte alweer, en.... zij pinkte een traan weg.Gaandeweg had de plaggensteker, die al zeer armoedig in de kleeren was, den heer—die een warmen pels droeg—zijne levensgeschiedenismeegedeeld, nagenoeg op de volgende wijze: “M’n vader en moeder, zie je, die hei j’ toch niet gekend, maar schraal ha’n ze’t wel, daar ku’j over rekenen. Toen vader stierf—’k zie ’m nog—zei ie voor ’t laatst: “Jong’! ’k heb altijd m’n brood gehad al was ’t ook droog. Werken zie je! werken met God en met eere! Toen moeder stierf had ze ’en akelige pijn, maar ze zei toch: “God kan alles, bid da’k zacht zal sterven, en da w’ ons in den hemel weerzien,” dat zei ze. ’t Was kort op mekaar. Toen zin ze begraven, zie je, zoo netjes as ’t hoeft, maar leeg was de hut, en ’k had zoo alleen geen schik op de hei. Weet je, toen liep ik naar Mie van den scheeper3en ze had zin om met me mee te gaan, al was ik ’en dikke veertiger. Nou, zie je, mee ging ze, en, toen ze zuchtig wier, he’k ze getrouwd ook, laat domenei spreken4. Weet je, ’t wordt met Sinte Matijs ’en jaar dat z’en kleine kreeg, en as ’k ze niet getrouwd had, misschien leefde ze nog, want zie je, het schaap van ’en kind deed haar den dood aan. Toen ze begraven wier, was ’k nog malkelieker dan van vader of moeder, en as ’k nou ’s avends alleen onder de plaggen zit, en heiboenders maak, dan zeg ik zoo dikwijls: “Och God! a’j alles kunt, waarom hei j’ dan Hanskes moeder niet uit ’t kraambed geholpen?” Zie je, nou ploeter ik met het schaap al ’en maand of acht, en al mag ik het graag, ’t is toch ’en euvel alleen voor ’en man. Alle dagen vraag ik aan God: dat ie ’t lieve Hanske bij d’r moeder zal halen. Maar fluite! Ze blijft waar ze is.”De heer had den man, toen deze zijn verhaal had geëindigd, heel vriendelijk toegesproken, en gezegd, dat zoo’n kindje toch inderdaad een heele troost moest wezen, er bijvoegende, dat vele en zelfs voorname lieden, vruchteloos naar zulk een schat verlangden, hetgeen de man op zijne beurt allemaal best wou gelooven, maar ook opmerkte, dat ze dan niet in zijn geval moesten wezen, hij kon Hanske toch moeielijk mee naar stad nemen als ie de bezems en boenders ging brengen, zijne hut lag alleen, buurvrouwen waren er niet, en zie je, dan hing het schaap soms vier uren achtereen in den band aan ’en spijker, zoodat hij, terugkomende, ’t geschreeuw wel een kwartier ver over de hei hoorde klinken.Toen de beide mannen al meer en meer de hoeve van den Scholte naderden, ving de heibewoner een ander gesprek aan, ’t welk ten doel had om den heer uit het rijtuig van de onnoemelijke schatten des Scholtens een denkbeeld te geven.Alleswas van Scholte Roerd: die schaapskooi, die schapen, dat bosch, die landerijen, alles,alleswat de heer naast of vóór zich zag en,.... hoe was hij er aangekomen?“Weet je,” had de man weder gezegd: “mijn grootvader heeft den zijne gekend toen hij net zooveel had als er nu op m’n hand leit. Wat deed ie?.... Van werken en sjouwen had ie duiten appart geleid, en, toen ie tien gulden bij mekaar gekoejoneerd had, toenging ie naar de Deventersche paardenmarkt, en kocht er ’en afgedankte kerresier, die ook al voor de dillejans had geloopen. Hoe hij ’t aanlee wist grootvader niet best, maar dat ie krooi en rooi en soms laat nog aan ’t varen5was, dat had ie zelf wel gezien. De eenige deern van Scholte Dikkers had ie eens toevallig opgelaajen, hoe, en waar, en wat, dat wist ie ook niet, maar zie je, ze wier olik naar hem, en, toen het eindelik zou en moest, toen kreeg hij ze binnen ook. Weet je, mijn grootvader zei altijd: “dat heeft hem de kerresier gevaren,” en, spaarde eiges altijd zooveel als ie kon, maar as ’t maar ’en gulden ofdrieliep dan kwam er ’n kink in de kabel en—opging het weer.”“En waarvoor wilde je grootvader sparen?” had de heer gevraagd, die gedurende het verhaal over iets anders gedacht, en slechts de laatste woorden verstaan had.“Wel, hei’j dan geen ooren meer?” had de bezemman geantwoord: “ik zei immers, om ’en paard te krijgen, maar ’t is er nooit toegekomen weet ie, en m’n vader kon er ook niet bij, en ik—wat zou ik, hé! ’k ben al blij da’k het leven hou, en zoo’n schaap lust ook wel wat anders dan keisteenen.”Scholte Roerd, wiens grootvader, zooals de overlevering zeide, door een paard—wijzouden zeggen door een meisje—rijk was geworden, had den vreemden heer vriendschappelijk ontvangen en te woord gestaan. Gaarne had hij zich bereid verklaard, den heer met een fraai span bruintjes, ’t welk binnenkort naar de markt zou, tot aan Bentheim te varen.Gaarne, want de Scholte was trotsch op de dieren, en ’t was hem de reis wel waard om ze eens in ’t heerentuig voor een mooi rijtuig te zien.Nog wel een uur had de dame den tijd gehad om met de kleine in het rijtuig kiekeboe te spelen alvorens zij de karavane over de hei zag naderen.Scholte Roerd had—toen men met het tweespan nabij de plaats des ongevals was gekomen—terstond met het oog eens kenners, de fraaie Juno onderzocht. Nu hij het paard eens liet loopen, had het kootgewricht zich niet—zooals zulks in den gezonden toestand het geval is—teruggebogen, zoodat het welzeker verstuikt moest wezen. Het gewricht zwol gaandeweg erger, terwijl het maar al te zichtbaar was, dat de minste drukking het arme dier een hevige smart veroorzaakte. “Dadelijk wasschen met keukenzout, water en azijn!” had Roerd gezegd, en de koetsier, die er toch ook verstand van meende te hebben, had van een mengsel klei meteau de goulardgesproken, om welken raad hij echter door den lompen boer—zooals hij den Scholte heimelijk noemde—werd uitgelachen. Wie vond er klei op de hei! en welke boer in den omtrek hield er o’ de goelaar op na!? Dat had de Scholte gevraagd, enwijvragen, wie dáár de domme was?Terwijl men ook Diaan had afgespannen, en de Scholte, metbehulp der mannen, de fraaie tuigen vergespte, ten einde ze voor Mieke en Treeske pasklaar te maken, en hij gedurig riep, wat of ze van z’n bruintjes zeiden, was de heer, half buiten half binnen het rijtuig, in een zacht maar belangrijk gesprek met de dame gewikkeld.Weinige oogenblikken nadat de heer zich met haaste van het portier had verwijderd, heeft hij, op eenigen afstand van het rijtuig, een niet minder belangrijk onderhoud met den heibewoner gehad. Een glans van verrukking heeft zich over het gelaat van den armen man verspreid.—Een paard.... dát paard voor hem! En zijn schaap, zijn Hanske: een rijkeluiskind! O zeker, hij deed het,—wanneer de heer en mevrouw, op handslag beloofden, dat ze het goed zouden oppassen, en er altijd voor zorgen.Ja,—zoowel de heer Brolet als de arme jager, hadden zich dat voorval op de heide met de meeste levendigheid herinnerd, en, dat de eigenaar van het rijtuig de eerstgenoemde, en de plaggensteker de man was, die nu bij zijn dooden Hans lag, zal men voorzeker reeds terstond vermoed hebben.Toon Ritter had zijn “deerntje” nog eenige kussen gegeven, alvorens hij het portier zag sluiten. Scholte Roerd, naast den koetsier gezeten, had de zweep doen klinken; het rijtuig was van die plaats verdwenen, en Toon, die bij zijn kruiwagen met het mooie paard was achtergebleven, had het rijtuig nageoogd, totdat Diaan,—door den huisknecht, die in het bakje zat, bij den halster gehouden—om den hoek van het akkermaalshout, waar de weg zich kromde, verdwenen was.In den aanvang had de arme Ritter zich rijker dan de rijkste Scholte gedroomd, en alles aangewend om de spoedige herstelling van het dier te bevorderen, waarvan hij zich zulke gouden bergen beloofde. Roerd was den volgenden morgen teruggekeerd, doch, zonder zijn bruintjes. De rijke heer had ze hem gaarne afgekocht, want waarlijk, ze pareerden best, en ze liepen als hazen! ’t Sprak van zelf, dat het voorval in den omtrek ruchtbaar werd, en naarmate zulks meer en meer het geval was, kreeg Ritter minder vrede met Juno, en dacht meer aan zijn Hanske, dat, de hemel wist waar, in de wijde wereld zat. Vooral de vrouwen uit den omtrek vielen hem danig hard, dat hij zoo’n bloedje, “z’n eigen vleesch toch,” had afgestaan, terwijl zij, die hem het meest benijdden, er zeker van waren, dat er op dat paard geen zegen zou rusten.Ja, al mocht Toon Ritter, met den schrikkelijk gedegradeerden Juno, die, hoewel genezen, al spoedig de duidelijkste sporen van minder goede dagen vertoonde, wat meer verdienen dan hij het tot hiertoe gedaan had, hij vreesde hoe langer zoo meer dat de voorspelling bewaarheid, en Juno hem niet zou aanbrengen “wat de kerresier den grootvader van Roerd had gevaren.”Somwijlen, wanneer Ritter des avonds aan zijn ontslapene Mie heeft gedacht, was hij angstig geworden, totdat hij eindelijk hetplan had gevormd om, kostte wat het wilde, zijn Hanske op te zoeken.Helaas! alle pogingen waren vruchteloos geweest, en, dewijl zelfs de naam van den heer met het rijtuig hem onbekend was gebleven, moest ten laatste de hoop wel verdwijnen om tot het gewenschte doel te geraken.Nog drie jaren was Ritter, na die ontmoeting op de heide, in het oord gebleven, waar hij het eerste daglicht aanschouwde; maar toen ook was hij de plek, die hem gestadig aan “de zondige daad” herinnerde, plotseling en in stilte ontvloden. Met het paard, ’t welk hij den naam zijner verworpene kleine gaf, en waaraan hij hoe langer zoo meer de liefkozingen schonk, die hij thans zoo gaarne aan zijn kind had gegeven, trok hij op Holland aan: misschien dat daar.... Maar neen, God zouhemniet helpen, die zijn eigen bloed had verkocht; en het denkbeeld wortelde diep, dat die rampzalige daad hem de eeuwige pijn zou bezorgen.Wat er verder van Ritter werd, is hoofdzakelijk reeds vermeld geworden. Eerst gedurig van domeingrond verdreven, bouwde hij—ruim vier en twintig jaren geleden—zijn ellendige woning op grond aan den ouden baron Tolenveld behoorende, en wij hoorden het reeds, hoe des barons, wel zeer natuurlijke sloopzucht, in ’t einde schipbreuk leed op de onoverwinlijke bouwzucht van den armen jager.En wat gevoelde die, voor zijn tijd vergrijsde arme nu? Wij wagen het niet er een volledig antwoord op te geven; alleen weten wij, dat het hem was, alsof er een hamer gestadig in zijn gloeiend voorhoofd klopte, snel, onbegrijpelijk snel, en dat iedere bons hem den naam in de ooren dreunde van het gestorven dier, waarvoor een onbegrijpelijke liefde Gods hem het verstooten kind wilde terugschenken. Hij dankte gedurig denGroote, die alles kan, voor een zegen hem nog op aarde geschonken, terwijl de vreugde hem hier reeds bereid, zijn hoop deed kiemen—dat het “daarbovennog wel terecht komen zou.”En zou de arme zich bedriegen? Had zijn berouw geen liefde gewekt? Was zijn hoop niet gebouwd op den Eenige, die almachtig is? Voorzeker!—Maar zie, de deur van het schuurtje wordt geopend, en zonder dat Toon haar bemerkt, treedt zij, die uit het korte verslag van Brolet, aan zijn gade gegeven, de ijselijkste waarheid vernam, het doode paard voorbij en op den lijder toe.Zonderling! op dat gelaat, ’t welk ons straks de diepste verslagenheid teekende, lezen wij in dit oogenblik, behalve een uitdrukking, welke wij met den naam van medelijdend afgrijzen zouden bestempelen, eene fierheid, die het gevolg van een schitterende verwachting moet wezen. Ja, voorzeker, zij is zich immers altijd bewust geweest voor iets groots, iets edels geboren te zijn. En nu die plotselinge ontdekking, dat zijnietis de dochter van hen, die zich hare ouders noemden, maar, een aangenomen kind!—Ja, de hoop heeft haar namelooze smart gestild, de hoop, dat de roman, waarvan zij zich eensklaps tot heldin zag verheffen, schitterend zal ontknooptworden. Een oogenblik staat zij bij den man stil, die, zonder de oogen te openen, verscheidene malen achtereen den naam noemt vanhaar, die zich zoo nabij hem bevindt.“Je paard is dood, arme man!” zegt Jeannette, terwijl het geluid van haar eigen stem haar in dit oogenblik een huivering aanjaagt.Ritter slaat de matte oogleden op, en staart het meisje onafgebroken aan, terwijl zijn mond weder gedurig den naam doet hooren, die hem in het hoofd dreunt.“Daar ligt hij,” herneemt Jeannette, op het paard wijzende, maar voegt er als in eenen adem bij: “Spreek, goeje man, wat is er van het kind, dat je voor een dier hebt kunnen verruilen? Zeg, heb je bewijzen van haar afkomst? Spreek, zoo je herstelt, zal ik je schitterend beloonen.”“Och, Hans! Hansje! Hans!” klinkt het als te voren. De grijze doffe oogen staren het meisje hoe langer zoo strakker aan, en terwijl Ritter een vruchtelooze poging waagt om zich op te heffen, en Jeannette ontsteld een schrede achterwaarts doet, roept hij akelig: “O God!—is zij—is zij—mijn Hans,—mijn Hanske,—mijn kind!?”Nogmaals is het de trots die Jeannettes boezem doet jagen. Zij kan de ontzettende waarheid niet gelooven. Met haaste nadert zij weder den man, grijpt zijn magere hand, en zegt op gejaagden toon: “Ja, ja, ik ben het kind, waarvoor men je dat paard in ruil gaf; maar om Gods wil, verzwijg het niet: wie waren mijne ouders?.... Toe! zeg het; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken. Spreek dan! spreek! maak mij niet ongelukkig!”De arme eenvoudige jager met het immer bonzende hoofd, geheel gevuld met die eene gedachte: God is mij genadig! hij had de bedoeling der vraag niet gevat. Hij had alleen gehoord: “Ikbenhet kind; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken.” Ja, nogmaals wilde zij van hem hooren, dat hij werkelijk haar vader was; en met nog pijnlijker stem dan te voren, sprak hij, terwijl hij flauw de hand drukte die de zijne had gegrepen: “Hanske,—dame,—ja,—God zegt mij—dat je mijn kind, mijn Hanske bent. Hanske die ik verstiet.—Ik kan—niet spreken.—Als—wij—in den—hemel—elk—an—der weerzien—zal—ik je alles—ver—tellen; en dan—zal je me—ook verge—ven hé!—dan—zal ik je—de hand boven—’t hoofd houwen,—net als ik Hans, in de plaats—van jou dee.—God, ja God kan—alles—al—les!”En toen—toen bleef zijn mond wel open, maar hij sprak niet meer; toen bleven de oogen wel opgespalkt, maar aardsche dingen aanschouwden ze niet langer, want de God, die alles kan, had het wonder gewrocht dat niemand een wonder noemt: Hij had den geest ontbonden van het stof; eene ziel overgebracht naar het huis waarin vele woningen zijn.Hebt gij deernis met den overledene....? O! heb het niet; maar wél met haar, die op den arm des pleegvaders geleund,—want ook deze was ongezien van het sterven des jagers getuige geweest—met pijnlijk snikken het schuurtje verlaat, waar haar trots werd geknakt en—Gods almacht zoo treffend was verkondigd.“Je komt te laat vrinden!” zei Leendert de huisknecht tot een meisje dat, door een jongeling begeleid, het hek vanWater-zichtwas binnengetreden, en gevraagd had, of ze Toon Ritter eens zien en spreken mocht.“Te laat!” zeiden Grietje en Geurt—want zij waren het—schier te gelijk; en het meisje voegde er bij: “Maar zeg, hij is toch niet dood?”Op een weinig kiesche wijze gaf Leendert een bevestigend antwoord; en Grietje, die wij veel verzwakt en vermagerd vinden, drukte het voorschoot voor hare oogen, en Geurt riep met innige bezorgdheid: “Och, Grietje, maak je nou niet van streek; ik zei immers wel dat het er om houwen zou!”Of Geurt al beweerde, dat het haar te veel zou aandoen den gestorvene nog eens te zien, het weenende meisje bleef op dat verlangen aandringen. Al was hij dood, toch wilde zijhemnog eenmaal aanschouwen, die in den ellendigsten toestand niet had geaarzeld, haar van een wissen dood te redden. Geurt moest toegeven, en Grietje trad aan zijn zijde het schuurtje binnen, maar ontstelde minder dan Geurt zulks vermoed had, toen zij het lijk van den grijzen man, zoo nabij dat van zijn dooden makker zag liggen. Zij had hem voorheen ook meermalen nabij het paard zien slapen, maar dan, alsof lichaams- of zielesmart hem kwelde; en nu.... nu lag hij zoo kalm, zoo onbeweeglijk; en, starende op het lijk, drukte zij den arm van Geurt, en zei zacht: “Toon heeft het nu beter bijGod. Wat was hij ongelukkig!”Die woorden klonken vertroostend voor den jongeling in wiens binnenste gedurig eene stem sprak: Gij hebt den dood van Toon en zijn makker verhaast.—Ja Grietjes woorden verlichtten zijn gemoed, maar ook zij brachten hem tot het levendig bewustzijn, dat de zegen des Allerhoogsten niet rust op deongeoorloofdemiddelen, waarmee men een goed doel meent te bereiken.En ze gingen te zamen weer heen, Grietje en Geurt, en ze zeiden niets; en Grietje bracht de haring in ’t koolblad gewikkeld, aan hare moeder terug; een mootje zou Toon misschien verkwikt hebben; maar, Toon at geen haringen meer, en de werkvrouw vond het een ijselijkheid dat ze door Grietjes ziekte zoo niets had kunnen toebrengen om Toon te gerieven.De gebeurtenis, welke de heer Brolet eentoevalgenoemd had, bracht een groote verandering in het vreedzame leven, maar ook in de gemoederen der bewoners vanWater-zichtte weeg. Eene waarheid, zoo’n aantal jaren met de meeste zorg verborgen, voorwier aan ’t lichtkoming met vreeze was gewaakt, en welker ontdekking—door een huwelijk bedreigd—de schrandere diplomaat, nog weinige uren geleden, zeker meende te voorkomen, zie, een vreemd, een zeer vreemd, een ontzettend vreemd toeval, had haar op ’t onverwachtst aan ’t licht gebracht. Aan ’t volle licht; want, ondanks de verwijderingszorgen door Brolet genomen,—men herinnert zich die vertrapte klitsbladen en brandnetels juist onder het schuurraampje, waardoor het dienstpersoneel gegluurd heeft—ging het verhaal in den omtrek weldra van mond tot mond: “De juffrouw van de nieuwe lui opWater-zicht, is ’en eigen dochter van Toon Ritter! je weet wel, van den jager dien ze ook alde wittenoemden, en die nu dood is.”We zeiden, die gebeurtenis bracht verandering in het vreedzame leven. Ja, een ontzettende! want het kind der armoede, opgevoed in een stand die niet de hare was; voor wie men het gebod: “gij zult uw ouders eeren,” door haar zelfs niet met haar ware afkomst bekend te maken, had krachteloos gemaakt; wier liefde men had begeerd, en wie men een onbegrensde liefde had toegedragen,—een liefde welke zich echter niet had geopenbaard in een streven naar genezing van haar zielekwaal,—het hooghartige maar tevens beklagenswaardige meisje, was door het gebeurde op ’t allerhevigst geschokt geworden; de aanbrekende morgen vond haar in een onopwekbare dofheid; den middag bracht ze in koortsig ijlen door; en tegen den avond werkten haar sterk geschokte zenuwen dermate hevig, dat de geneesheer die ijlings was ontboden, ten zeerste voor een verstandsverbijstering beducht was.En nu, zie ze daar zitten, de echtelieden, in weinige dagen zichtbaar verouderd. Zijn ze niet gestraft voor een daad, die een zedelijke roof mag genoemd worden? Een roof, want ja, ze hebben niet het kind eens armen opgevoed, maar zij hebben der armoede afgekocht wat God niet wil dat verkocht worden zal. Ze hebbenwettigwillen bezitten wat hun niet wettig kon toebehooren; ze hebben in stede vangelukkigdat kind der heideongelukkiggemaakt.Maar toch, heb medelijden! Zie, daar gaat de diplomaat met het hoofd ter neergebogen, door de lanen van zijn landgoed; voor weinige uren heeft hij een uiterst beleefden brief van den baron, zijn buurman ontvangen, waarin deze “om familie-omstandigheden als anderszins,” meent van de hand van mejuffrouw Brolet te moeten afzien, terwijl hij HEd. een spoedige herstelling toewenscht. Zie, hij staat daar stil, wendt den blik naar den achtergevel van zijn huis; staart eenige oogenblikken op het venster der kamer, waarbinnen de arme Jeannette door hare pleegmoeder met nog twee verzorgsters bewaakt wordt; wischt de tranen weg die langs zijn kaken biggelen, en terwijl hij daarna, schijnbaar toevallig, het oog op dat schuurtje aan ’t einde der laan doet rusten, is het alsof de laatste woorden, die er aan den mond des stervenden ontvloden, en hem sinds dien stond zoo gedurig het hoofd doorwoelden, opnieuw, maar krachtiger in de ooren klinken: “God kan alles!”—God kan alles!Zie, Brolet loopt weder voort; staat later nog eens stil; werpt weder den blik naar het venster waarzijzich bevindt, die de vermogens der rede verloor: en zie hoe hij onder een tranenstroom de oogen naar hooger wendt, en hoor hem zuchten: “Maak haar gezond, en ik zal gelooven, God, dat Gij bestaat, en dat alles Uw werk is!”Reeds hadden schrale nachtvorsten de heerlijk bloeiende dahlia’s verslapt en ontkleurd, en over ’t beukenloover een bruine tint verspreid, en nog altijd bleef Jeannettes rede in enge banden gekluisterd, en nog altijd weenden hare opvoeders. Maar, had de vrouwe reeds sinds lang vertrouwend den blik naar den Hemel gewend, ook de diplomaat zeide niet meer: “God, maak haar gezond en ik zal gelooven!” maar in stilte en luide: “God, Gij kunt alles! o! Almachtigste, o mocht het zoo wezen!”En,—er was vreugde in den hemel, groote blijdschap. De zwakke mensch had zijn afhankelijkheid aan een hoogere macht in ootmoed beleden.’t Was een schoone middag van een der laatste Octoberdagen. Jeannette op den arm harer pleegmoeder geleund, doorwandelde sprakeloos en met strakken blik, de slingerpaden achter het huis. Brolet ging aan haar andere zijde. Een hoek omslaande, stond eensklaps Leendert voor de zwijgende wandelaars, en verhaalde, naar den adem hijgende, dat hij overal naar de familie gezocht had, tot achter in de plaats bij den grooten vijver toe, want, dat er een heer was gekomen, die zijn naam niet wou zeggen, maar dien hij toch dadelijk had herkend, dezelfde uit Den Haag, die er in ’t voorjaar geweest was, en, Leendert dacht er bij: die uit verliefdheid z’n fooi vergat.Brolet wenkte den knecht dat hij terug zou keeren, en nadat de pleegvader, achter den rug van het meisje om, een beteekenisvollen blik met zijn gade had gewisseld, gevoelde hij eensklaps zijn hand door Jeannette vatten, en zag, hoe zij den blik tot hem opsloeg, terwijl ze zachtkens zeide: “Oscar Halmon.”Zie, zie, hoe geheel verschillende van den eersten blik, de tweede geweest is, welken de verbaasde echtelieden met elkander wisselden.Ja, een onbeschrijfelijke verrukking maakte zich van hen meester. Voor de eerste maal na dien verschrikkelijken nacht, had zij het bewijs gegeven, dat haar rede nog vatbaar voor een gezonde werking was.Ofschoon Oscar Halmon bitter teleurgesteld na zijn eerste bezoek opWater-zicht, in zijn woonplaats was wedergekeerd, ofschoon hij zich ten zeerste had verwonderd dat hij geen enkel woord van oom of tante vernam, daarhijtoch eenige malen een vriendschappelijken brief had gezonden, toch was hij niet minder met belangstelling aanWater-zicht, en met innige liefde aan zijne nicht blijven denken, die, “zooals van zelf sprak,” evenmin eenig antwoord op zijn vluchtig geschreven briefje gezonden had.Vervuld met het doel om hooger te klimmen ten einde zijn wensch te verwerven, had Oscar, door de loffelijkste middelen er naar getracht een voordeeliger post te bekomen. Voor weinige dagen was dat streven met een gewenschten uitslag bekroond geworden, en hij, die niets had vernomen van ’t geen er gedurende den zomer opWater-zichtvoorviel, hij spoedde zich met zijne aanstelling naar het Stichtsche, ommeerte verwerven:—de vrouw zijner keuze.En ja,hijwas het—de eenmaal verstooten en verloochende jongeling,—die de eerste vonken der wederkeerende rede mocht doen gloren.Oscar, met alles bekend gemaakt, ontmoette denzelfden avond het meisje dat, door een indrukwekkende bleekheid, hem schooner toescheen dan te voren. Zij zag hem. Eerst bleef zij roerloos staan, beschouwde hem met een rustigen blik, doch, toen hij haar naam had genoemd, drukte zij eensklaps haar beide handen voor de oogen, en weende tranen, de eerste weldadige tranen na dien akeligen nacht.Sedert twee jaren staat het buitengoedWater-zichtledig. Oscar Halmon is met het herstelde pleegkind van oom en tante Brolet, Hanske Ritter, in den echt getreden. Zij wonen in een fraai huis te ’s Gravenhage, en de oudelui hebben een woning twee huizen verder.Hansje Halmon, de gelukkige gade, zij was in een harde leerschool geweest, maar ja, zij had er geleerd, hoe God de hoovaardigen kan treffen, en met innigen dank voor hare redding, ondervindt zij het nu, hoe wezenlijke liefde in eenvoud des harten, veredelt en waarlijk gelukkig maakt.Wel verre van te huiveren bij het herdenken van haar afkomst, eert zij de nagedachtenis van een vader, die om harentwille zooveel zielesmart had geleden; zij zegent Gods bestiering, die haar den vader deed hervinden, tot zijn eigen vrede, en tot welzijn vanhaartijdelijk en eeuwig heil, en, nabij die plek waar eenmaal de hut van den grijsaard stond, kocht zij een kleine hoeve, waarin zij het paar gelukkig maakte, ’t welk dien armen vader had liefgehad.En de diplomaat....? Hij heeft met zijn gade God gedankt. Hij gelooft, ja hij gelooft aan een hoogere Macht, al begrijpt hij de wereld en hare raadselen niet.Ritters Hans stierf, maar Ritters Hanske leeft nog, en eenmaal hoopt ze haar arme ouders der aarde, rijk en zalig in den hemel weder te zien.
Geurt ontstelde hevig toen hij Ritters vriend zoo onverwacht zag vallen, zelfs aan de mogelijkheid had hij niet gedacht.—Wat te doen! De schipper aan het roer riep luide: “Geef ’m wat lange haver! Ransel z’n luie bast!”
—Z’n luie bast! Arme Hans! je verstaat het niet, gelukkig voor jou! je zoudt weemoedig zijn geworden en misschien met wrok den laatsten stond zijn tegemoet gegaan. Je verstaat het niet, maar Geurt des te beter.... en.... Neen, wel roept hij: “Huup huup!” wel trekt hij aan den toom, en spant hij zijn geringe krachten in om je weer op de been te krijgen, doch je mishandelen in dezen stond.... neen, dát kan hij niet. Je brekende oogen, die zoo weemoedig schijnen te vragen: Waar is mijn goede baas toch? zij treffen de zijnen. Aanstonds laat hij zijn pogen varen, en, terwijl het medelijden hem ijlings zijn oude pet met water doet vullen, om te beproeven, of een teuge den amechtige ook zal verkwikken, doorziet hij het netelige van zijn eigen toestand.
—Zoo Hans eens kapot ging! zou Toon dan niet vragen? zou Toon hem geen bedrieger noemen?—En, op het geroep van den schipper geen antwoord gevende, voegde hij net zieltogende paard de vriendelijkste namen toe; streek het over den zakkenden kop, en riep eindelijk tot den schipper, dat hij toch komen zou om, ware het mogelijk, den stakker, die zoo raar deed, in ’t leven te behouden.
Geurts beroep op de hulp van den ongevoeligen schipper bleef vruchteloos; met de handen onder zijn kin en de ellebogen op het roer geleund, ging hij bijditen bijdatvoort, om jager en paard naar weinig uitgezochte plaatsen te verwenschen, er gedurig bijvoegende: “Jakker d’r op, zoo je niet luier dan je luie knol bent.”
Ten einde raad, en al meer vreezende dat Hans het niet kroppen zou, zag Geurt in ’t ronde of er dan geen meelijdend schepsel in den omtrek was, die hem raad of hulp zou willen verschaffen.
Het ijzeren hek vanWater-zichtis slechts een vijftig schreden van die plaats verwijderd. En, ijlings loopt hij er heen; treedt het binnen, en aarzelt niet het fraaie huis te naderen, waar hij hijgende aankomt. Na een korte aarzeling rukt hij aan de schel, zóó sterk, dat mama en dochter Brolet—die aan de achterzijde der woning in de schaduw eener warande zitten te puffen, en niets weten te zeggen dan dat zij stikken—elkaar verbaasd aanzien, en bijna op het denkbeeld komen, dat de zonnegloed brand deed ontstaan.
Leendert de huisknecht, die, evenals de koetsier, den tentwagen in ’t koetshuis had uitgekozen om er zijn af....ge....mat....te leden rust te bezorgen, vernam het schellen niet. De meisjes in de keuken, wier kornetten los, en wier armen slap langs haar zittende lichamen hingen, begrepen dat Leendert wel komen zou, en bleven waar ze waren.
“Ieder zijnvak!” zei Krisje; zoodat mevrouw bij het tweede gelui—terwijl ze zich steeds met haar waaier zocht te verkoelen—opstond; iets van “die booien!” prevelde, de gang betrad, en de voordeur—die voor een tochtje was opengelaten—naderende, al spoedig voor den angstigen Geurt stond.
“Wat wil je zoo haastig vriendje?” vraagde mevrouw.
“Och! of je me helpen kan juffrouw!” antwoordde Geurt met ter neergeslagen oogen, en, ware hij niet zoozeer met Hans vervuld geweest, hij zou voorzeker—onvoorbereid om zoo iets voornaams te ontmoeten—er nog veel minder vrij hebben bijgevoegd. “Als je niet dadelijk helpt dan zal het te laat zijn!”
“Maar wát is er dan toch?” vraagde mevrouw.
“Zie je juffrouw, ’t is eigenlijk buiten mijn schuld,” antwoordde Geurt: “want mishandeld heb ik hem niet, maar zie je, de warmte! Is er dan niemand die me kan helpen eer ie kapot gaat?”
“Kapot!” herhaalde mevrouw: “Spreek je van een beest of van een voorwerp.”
“Och ja, van Hans, juffrouw!” hernam Geurt haastig: “Maar heb je dan geen mansvolk hier, en kun je geen drank geven? De rijke lui weten altijd meer dan een ander. Toe gauw, eer het te laat is, want Hans leit op z’n asem.” En zich daarna omwendende, liep hij ijlings terug, maar riep nog in ’t heengaan: “Gauw dan, hij leit vlak bij ’t hek.”
Eenige minuten later trotseerden mevrouw en Jeannette,—Papa was nog niet uit Den Haag teruggekeerd—de vreeselijke warmte, om aan hare nieuwsgierigheid te voldoen.
Behalve stroohoeden met vervaarlijke randen, droegen zij groote Oostersche zonneschermen, die ze, als noodzakelijk bij eenéquipementvoor ’t buitenleven, in dengrand bazarhadden gekocht. Leendert en Willem volgden geeuwende, terwijl Kris en Leentje met de boezelaars boven hare hoofden, aan ’t hek bleven gluren om óók eens te zien wat er eigenlijk te doen was.
Toon Ritter ligt op dezelfde plaats waar wij hem reeds een paar malen hebben aangetroffen. De dokter, die hem eenige uren geleden bezocht, heeft hem alweer een drank voorgeschreven, maar zich evenzeer alweder verwonderd over de taaiheid van dat gestel.
Op dit oogenblik ontwaakt de man uit een lichte sluimering.
“Waar ben je?” zegt hij flauw en met gesloten oogen, terwijl hij met de hand bezijden zich voelt, en die eindelijk op den rand zijner kribbe laat rusten: “Ik droomde daar van den tijd toen je nog klein waart Hans, toen je kleine oogen mij zoo goedig aanzagen, en toen ik—om jou—om jou verd.... raakte, hé!—Maar Hans, ik heb daar ook gedroomd: dat Hij ’en groote pen van goud nam, en zei: “Ik zal het maar doorhalen! hé! en ’t was vreeselijk licht ook, en ik las, ofschoon ik m’n bril niet had:“Toon Ritter,” en daarachter dat leelijke woord—je weet wel. Maar Hij sprak weer: “Die gelooft heeft zal zalig worden,” en streek toen met mooien inkt dat leelijke woord uit, en schudde mij de hand, en gaf me brood met lekkeren wijn, net zooveel als ik lustte. Zie je, ’k was in den hemel; en toen ik wel genoeg had, en net als vanouds op m’n twee beenen liep, toen zag ik ook jou weer, mijn goeje Hans; maar niet zooals je nou bent, maar blank van vel, en fraai van leden, en zwart van haar, want weet je, jij zelf waart bij Teunis in ’t kuiltje. En weet je nou Hans, waarom ik ertochkwam?” vraagt Ritter terwijl hij opnieuw met de hand naar het paard zoekt, dat zich niet aan zijn zijde bevindt; “omdat ik geloofd had dat Hij alles kan, en omdat ik trouw was geweest voor jou.... hé! dat spreek je niet tegen?”
Ritter strekt al gedurig zijn magere vingers verder uit om het dier te bereiken, doch, dewijl zijn uiterste poging vruchteloos blijft, wendt hij zich om; opent de oogen; werpt een doffen blik in ’t ronde, en roept eensklaps met een door den schrik versterkte stem: “Hans! Hans! waar ben je gebleven?”
Zie, hij schijnt tot bezinning te komen. Geurt heeft zijn vriend meegenomen, dewijl hetbetervoor hem zou zijn; ’t is waar... doch, tóén was het morgen en nu.... ’t moet wel tegen den avond loopen. Zou Geurt hem vergeten? En naarmate de zwakke jager zich over het uitblijven van den jongeling met den bruine al ongeruster maakt, bromt hij gedurig, dat het niet meer gebeuren zal, want hij gevoelt het maar al te zeer dat hij nog slechts kort met hem vereenigd zal blijven; en, eenmaal had hij bij zich zelven gezworen: het dier te zullen verzorgen en trouw te bewaken tot aan zijn einde.
Naarmate de tijd al meer en meer verliep, klom Ritters bezorgdheid. Zoo hard hij zulks vermocht riep hij het dier eenige malen bij zijn naam, en eenige malen ook den naam van hem, aan wiens zorg hij zijn vriend veilig had toevertrouwd. Geen antwoord, geen geluid zelfs—dan het gegons der muggen.
’t Kostte Ritter een groote inspanning, om, zooals hij vroeger meermalen deed, ook nu op de vingers een schel gefluit voort te brengen, maar toch het gelukte, en zóó zelfs, dat de kalkoenen op een nabijgelegen hoeve, zich verplicht gevoelden het met een oorverdoovend gegil te beantwoorden.
Intusschen het fluitend signaal bewerkte niet wat Ritter verlangde. Hans kwam niet opdagen, en Geurt evenmin. ’t Waren pijnlijke oogenblikken die de zwakke sleet; zijn eigen toestand had hem nooit zoo bekommerd als het thans de onzekerheid deed wat er toch met Hans mocht gebeurd zijn; en, zijne handen vouwende, zuchtte hij tot Hem die alles kan: “Heere, verlos mij uit de benauwdheid!”
Zat Ritter in de benauwdheid—op een paar schreden van de hut verwijderd, stond er een wiens hart niet minder beklemd was. Geurt had het snijdend geluid zeer wel gehoord, en ’t was hem door de ziel gegaan. Reeds verscheidene malen had hij zich totnabij Ritters woning begeven, doch telkens ook was hij teruggekeerd, dewijl de moed hem ontbrak om den man onder de oogen te treden.
Hoor! weder klinkt het schel gefluit, en eensklaps zich vermannende, loopt de jonkman tot nabij de hut; blijft eenige oogenblikken voor de kleine deur staan, maar eindelijk—eindelijk opent hij haar; treedt met een kloppend hart binnen, en staat weldra, doch zonder een woord te spreken, voor den nederliggenden jager.
“Waar is Hans?” vraagt Ritter terstond, terwijl hij de oogen op de opengelaten deur houdt gevestigd, in de verwachting dat het paard nog volgen zal.
Geurt ziet voor zich neder maar antwoordt niet.
“Waar is Hans?—Maar spreek dan!” roept Toon, terwijl de grootste onrust op zijn gelaat is te lezen: “Den ganschen dag heb je hem buiten gehouden!” en weder doet hij het snijdende fluitje hooren nog in de hoop dat het paard zal verschijnen.
Eenige oogenblikken lang heerscht er in het verblijf een pijnlijke stilte; eensklaps echter heft Ritter zich met geweld overeind, en den zwijgenden Geurt met zijn donkerbruine oogen strak aanstarende, zegt hij op akeligen toon: “Bij God, zeg dan, zeg.... waar is Hans?”
Maar Geurt kan niet spreken; en de hand voor de oogen drukkende, komt hij den spreker een schrede naderbij, maar berst te gelijk in tranen uit.
Eene rilling doorloopt Ritters leden. Zich geheel voorover buigende, grijpt hij Geurt bij zijn buis; trekt hem geheel tot zich, en zegt met een gesmoorde stem: “Zeg—zeg ellendige! heb je mijn Hans vermoord?”
Dat was te veel! Hoewel de bitterste zelf beschuldiging hem pijnde,dieverdenking woog al te zwaar; en het was door haar dat Geurt de kracht bekwam tot het doen eener volledige bekentenis, en verhaalde, hoe hij met de beste bedoelingen het paard had gebruikt voor het werk, waartoe hij toch meende dat het geschapen was; maar, dat de warmte hem moest hebben bevangen, zoodat de stakker er nu inderdaad niet best aan toe was.
Ritter, die onder het hakkelend en gedurig afgebroken verhaal van den jonkman, hem niet zelden een blik had toegeworpen, die van zijn onrust en hevige smart getuigde, staarde hem, toen hij ophield met spreken, eenige oogenblikken sprakeloos doch met bevende lippen aan. Doch, nadat Geurt de hand des jagers had gegrepen, en nu innig geroerd om vergiffenis smeekte, wendde Ritter eensklaps den blik van hem af, en riep met een akelige stem:
“Ik heb hem verlaten! Mijn eed!! O God!” maar liet er terstond op volgen, terwijl hij den brenger der Jobstijding aanzag: “Je hebt niet gezegd of hij dood is; zeg, leeft hij niet meer? Zeg, waar heb je mijn Hans gelaten?”
“Neen neen! dood was hij niet,” zei Geurt zeer snel.
“Niet! niet!” riep de jager, den spreker in de rede vallende, terwijl een bruinachtig roode kleur zijn geelbleek gelaat kwam kleuren: “Niet!?—Hijsch mij op!—Hier,—hier dan; zie, ikben zoo slap niet.—Hans, ik wil je nog zien! Help dan! Dáár, daar liggen de spullen: help! als je niet wilt dat je de eeuwige pijn treft!” En de man, wiens krachten den arts ten eenenmale als uitgeput hadden toegeschenen, wierp het dek van zich af; greep den boomstok, en trok er de bedoelde bovenkleed ing mee naar zich toe.
“Maar in ’s hemels naam, wat wil je?” sprak Geurt ontsteld: “Toon! hoe zou je naarWater-zichtkomen? Jij, die te zwak bent om op te staan. En wie zou je helpen! Je weet datmijnkrachten....”
“Zwijg!” riep Ritter in zenuwachtige opgewondenheid: “Wil jij me niet helpen, hé! dan zal ik alleen er wel komen; want zien zál ik hem—al moest ik ook kruipen!”
Wat Geurt ook spreken of raden mocht, de oude jager was niet te bewegen om van zijn voornemen af te zien. Hij wilde en zou zich naar zijn Hans begeven, al ware het ook ten koste zijner laatste krachten. Die zelfopoffering zou wellicht de doemwaardigheid vernietigen, welke hij,—door de zorg van het paard, ofschoon met een goede bedoeling, aan een ander te vertrouwen,—opnieuwover zich gebracht had.
’t Verdient toch opmerking dat de arme jager bij het bittere leed, dat hem inderdaad door een ander werd berokkend, geenszins dien bewerker hard viel of met beschuldigingen en smaadredenen overlaadde, maar alleen zich zelven beschuldigde, en slechts de gevreesde straf voorzichmeende weggelegd. ’t Verdient opmerking, want, ofschoon wij,—eveneens zouden gedaan hebben, en de droevige gevolgen van begane misslagen steeds ons zelven wijten, er zijn toch een aantalanderemenschen, die de schuld maar terstond op een ander werpen....! Adam had het niet gedaan: de vrouw had het gedaan; de vrouw? wel neen, die leelijke slang! Ja wel, dieanderemenschen hebben gewoonlijk vrouwen of slangen bij de hand, die met het pak bezwaard worden; en weet ge wie vooral zoo ontelbare malen voor hen de schuld moet dragen,—edoch in andere gevallen dan het beschrevene—’t is het kind met dien breeden, mismaakt breeden rug, dat dieanderemenschen “temperament” noemen.
En Geurt hielp den jager zooveel hem mogelijk was, maar begreep ook hoe langer zoo meer, dat het voor hem een vergeefsche poging zou zijn om den zwakken en daarbij verminkten man, zonder meerdere hulp, ter plaatse te brengen waar zich zijn stervende makker bevond. Plotseling rees er een gedachte bij hem op, en met de woorden: “Wacht, ik zal eens zien....” liep hij de hut uit; en ofschoon Ritter hem nariep, die vreesde dat Geurt niet terug zou komen, vervolgde hij zijn weg tot nabij de hoeve,—waar de kalkoenen opnieuw het gefluit van den jager beantwoordden—maar kwam ook, geen twee minuten later, in een kleine roeiboot langzaam het stroompje afzakken.
Menige pijnlijke kreet ontvlood er aan Ritters lippen, eer hij met de zwakke hulp van den jongeling, het bootje bereikte, en daarinhalf liggende gezeten was. De hoop om Hans nog levend te vinden steunde echter zijne krachten, en gedurig moest Geurt, die maar slap de riemen bewoog, van Ritter de aansporing vernemen:
“Maak toch wat haast, eer het te laat is!”
Voor weinige minuten was Brolet van zijn tocht naar de residentie teruggekeerd, ookhijhad het dien dag schrikkelijk benauwd gehad. Geen wonder: brandende zon en—kokend bloed!
Mevrouw Brolet, die de ramen van haar echtvriends kamer had opengeschoven opdat de avondkoelte hem eenige verfrissching zou schenken, was mede met deeau de colognein de weer, maar noch het een noch het ander baatte om den verhitten man tot kalmte te brengen.
Zonder een rechtstreeksch antwoord op haar belangstellende vragen te bekomen, verstond mevrouw uit de afgebrokene bittere woorden van haar gewoonlijk zoo zachtaardigen echtvriend genoeg, om er uit op te maken, dat zijne poging niet met den gewenschten uitslag was bekroond.
Vol bitteren wrevel was de man, en waarom? Omdat hij, die zelf ten allen tijde de wetten verdedigd en zich wars van elke knoeierij had betoond, nu, daar het zijn eigen belang gold, gaarne die wet had zien krommen, om, wat krom was recht te maken.
En, wat wilde hij dan?
Immers, hij wilde zijn kind behouden, haar niet prijs geven aan.... Neen, neen, dat wilde hij niet, en terwijl de diplomaat halfluide zwoer, dat hij een middel zou uitdenken om den noodlottigen slag te keeren, al spanden ook alle aardsche machten te zamen, rees hij van zijne zitplaats op, en liep, met de hand tegen het voorhoofd gedrukt, haastig de kamer op en neer.
Mevrouw Brolet, die een onbepaald vertrouwen op het beleid en goed verstand van haar echtgenoot had, gevoelde zich door die laatste positieve woorden geruster, en spoedde zich naar beneden om het oog over een verfrisschend avondgerecht te laten gaan.
Nog maar weinige oogenblikken bevond mevrouw zich in het beneden-achtervertrek, toen door de openstaande tuindeur Jeannette binnenkwam, gevolgd door den baron Tolenveld, die zijn eigenaardige buiging voor de aanstaande schoonmama maakte.
“O mama,” sprak Jeannette haastig: “u moet met papa eens gauw meegaan. Toen wij zooeven, na in de plaats te hebben gewandeld, voorbij het turfschuurtje kwamen waar dat akelige paard is gebracht, toen kwam Leendert er uit, en zei, dat de baas van het dier was gekomen, en dat het kluchtig was om te hooren zooals die man tot het arme dier sprak. U moet dadelijk komen,” voegde zij er bij: “Nietwaar Tolenveld, volgens den knecht moet het welcurieuszijn? Kom!” en snel verliet zij het vertrek; en de baronzei in zich zelven: “Cura, curiosus,” en volgde zijnefutura, zonder op de aanstaande schoonouders te wachten.
Reeds vóór de geliefden,—of beter, de verloofden—bevinden wij ons in het gezegde turfschuurtje, om er van de “curieuse klucht” getuigen te zijn.
Op den steenen vloer, waarover een bos stroo is uitgespreid, ligt de bruine vriend van Toon Ritter; hij ligt er met de pooten uitgestrekt, nog eveneens als toen hij er voor weinige uren met een stenend geluid den laatsten adem uitblies. Alleen de kop, welke na dien stond zijdelings achterover in het stroo was gezakt, wordt eenigszins omhoog gehouden. ’t Is de arm van den ouden jager die hem omvat, en zijn ruige kin er op rusten laat, terwijl hij zelf op een omgekeerde kuip gezeten, wordt ondersteund door den zwakken Geurt, die mede tegen een stapel hakhout een rustpunt heeft gevonden.
Aanvankelijk vernemen wij niets dan een klagend gezucht ’t welk nu en dan des jagers lippen ontsnapt.
“Ouwe stakker! Heeft Toon z’n woord gebroken!” klinkt eindelijk Ritters hokkende stem; “heeft hij jou uit het oog verloren en zich ten tweeden male den eeuwigen toorn op den hals gehaald?—Zeg, brave ouwe stumper! moest je die goeje oogen dicht doen, zonder Toon naast je te zien? Zeg, kun je ze dan nog niet eenmaal opslaan—dat ik ze toedruk? Zeg, zou er dan nog geen greintje leven in je zijn? Huup Hans! huup!” en met de vlakke hand slaat Ritter zijn makker op het gevoellooze lichaam.—“Dood! mors dood!” steunt de jager opnieuw: “Och! waarom heeft Hij die alles kan, jou niet ’en poosje langer bij asem gelaten? hé? of, Toon vooraf den genadeslag gegeven? Verdoemd als ik ben!—Waarom ook stond ik je af aan een ander!”
De laatste woorden des jagers werden op een zoo diep verslagen toon geuit, dat Geurt een zenuwachtige rilling gevoelde, en hem bewogen toefluisterde. “Maar Toon, de schuld is immers aan mij! Ik maakte misbruik van je goed vertrouwen; ik was het die Hans—doch zonder opzet....”
“Zwijg! zwijg! Paai me toch niet!” roept Toon met een nare stem: “Wat jij deedt, da’s jou zaak, maar wat er tusschen hem en z’n baas was, dat raakt jou geen zier. Zeg, zeg—ouwe!’” besluit de grijze met fluisterende stem, terwijl hij zijn hoofd geheel op den kop van zijn dooden makker laat rusten, en de voorboden der sloopster zijner krachten, zijn van inspanning doodelijk vermoeid lichaam doen trillen: “Zeg, kon je maar—bidden—hé; maar je hebt daar nooit geen verstand—van gehad.—Ikdurf het niet,—en de Eerste—hé!! verdoemt me!”
Zie, de “klucht!” heeft ons dermate beziggehouden dat wij het binnentreden der verloofden niet bemerkten, en nóg zouden we ’t hoofd niet van den armen man hebben afgewend, zoo we niet ter zijde een zacht gepraat hadden vernomen.
“Maar wie is die ongelukkige man toch?” vraagt Jeannette aan hem, wiens gade ze hoopt te worden, terwijl een mengeling van deernis en afschuw op haar gelaat is te lezen.
“Men noemt hem Toon de Witte, geloof ik,” fluisterde Tolenveld: “hij woont in de armoedige hut die eenige malen uw aandacht trok.”
Er volgt een langdurige stilte, door niets afgebroken dan het gezucht van den jager die, ten halve met den rug naar de aanwezigen bij den ingang van het schuurtje gekeerd, hen niet bemerkte, en evenmin bespeurt dat, eenige oogenblikken later, nóg een heer en dame, het tamelijk donkere verblijf binnentreden.
Zichtbaar onaangenaam wordt de heer Brolet door de tegenwoordigheid des barons getroffen, dien hij na zijne thuiskomst nog niet ontmoette. Even spoedig echter als de voorhoofdrimpels verschenen, verdwijnen ze weder, en een vriendschappelijke groet der heeren breekt de stilte, en doet den lijdenden jager even het hoofd naar de zijde wenden, waar zijne bezoekers zich bevinden.
“Een zonderlinge vertooning,” zegt Brolet op een toon die eenigszins zijn wrevele stemming verraadt, en voegt er wat zachter tot zijn echtgenoot bij: “Waarom werd dat volk hier binnengehaald?”
Mevrouw Brolet fluistert eenige bevredigende en vergoelijkende woorden, en besluit, op den jager wijzende: “Pauvre homme, il a l’air bien souffrant!”
“A qui la faute!” zegt Brolet schouderophalend, doch wordt evenals zijne dames een oogenblik later met deernis vervuld, daar hij den jager ziet trillen en beven, terwijl deze, door een hevige benauwdheid overvallen, langzaam in de armen van den jongeling zinkt, die hem met moeite ondersteunt.
Jeannette laat Tolenvelds arm los, en roept op meewarigen toon, terwijl haar kleur door een doodelijk bleek wordt vervangen: “Hoe akelig! Och, wie helpt hem?”
Mevrouw Brolet mede ontsteld, doet een schrede naar den armen lijder, doch wordt door haar echtvriend in den weg getreden, welke laatste den jager ijlings nadert, en, zonder op de onreinheid der kleeding acht te geven, hem in zijn armen vat. Den insgelijks bevenden Geurt gelast hij, om haastig de hulp der dienstboden te gaan inroepen; zij moeten een paar dekens en de flacon uit mevrouws toilet ten spoedigste medebrengen.
Nog vóór dat Geurt het schuurtje verlaat, zijn de dames, door haar natuurlijk gevoel gedreven, reeds met hulpvaardige bedoelingen ter deure uitgesneld.
De baron, die zelden zijn bedaardheid verliest, wankelt een oogenblik tusschen het plichtbesef om de aanstaande moeder zijner kinderen te volgen, en dat, ’t welk hem zegt den heer Brolet de behulpzame hand te bieden; doch, in zijn tweestrijd besluit hij noch tot het een, noch tot het ander, en blijft waar hij zich bevindt, maar verzoekt den heer Brolet toch maar vrij uit te spreken, zoo er iets mocht wezen waarin hij zijn hulp behoeft.
De gevraagde is te zeer met den lijder vervuld, dan dat hij den voorslag des barons kan beantwoorden; zijne oogen zijn onafgebroken op het akelige gelaat van den man gevestigd, dien hij in zijne armen houdt, en terwijl deze al sneller ademhalende, enkele malen de woorden: “Hans! Hans!” met een naar geluid doet hooren,klopt het hart van den hulpvaardige met hevige slagen; maar spreekt hij toch gedurig van: moed houden, en dat het wel beter zal gaan.
Zie, ’t moet een geweldige koorts zijn, die den arme als het ware verscheurt. Gedurig drukt hij de hand tegen het gloeiende hoofd, dat hem bonst alsof ’t bersten zal; eenige malen grijpt hij in de kleeding waar zij hem de hijgende borst bedekt, als waant hij zich daardoor lucht te zullen verschaffen. De last wordt Brolet te zwaar. Gelukkig! daar treden de knechts het schuurtje binnen; ze hebben dekens, een paar kussens, benevens eenige fleschjes en andere zaken bij zich, welke mevrouw heeft geoordeeld dat noodig of nuttig konden zijn.—Zou ze ook nú op dankbaarheid hebben gerekend....?
Leendert vervangt de plaats van zijn meester.
Gedurig een zonderling onderzoekenden blik op den kranke werpende, is Brolet niettemin ijverig in de weer om met den koetsier een tamelijk geschikt leger voor den jager te spreiden. Dit gereed zijnde, gelast hij zijnen bedienden, om den ongelukkige behoedzaam daarop neer te leggen. Zulks geschiedt; en nauwelijks heeft een lavende teug de brandende tong verkoeld, en houdt de huisknecht een natten doek op het gloeiende voorhoofd, terwijl Willem reeds met het bevel is verdwenen: om Juno in te spannen en terstond den dokter uit het naburige dorp te halen, of de man opent flauw de oogen, en werpt voor de eerste maal een blik op zijn voornamen helper.
Zie.... de glinsterende oogen, wat blijven ze strak op den man gevestigd—die zich haastig tot den baron wendt, en hem noopt tot de dames te gaan, “daar alles nu geschikt is.”—Zie, wat spalkt hij die oogleden wijd.... en wijder open; wat akelige, schrikkelijk akelige uitdrukking op dat vermagerde bleeke gelaat; hoor, wat naar gegorgel in de keel, alsof zij te zeer is toegeschroeid om een woord te doen hooren. Zie.... zie... hoe akelig!—Daar schudt hem een wreede demon. Maar toch, hoor, het is alsof in dat nare gereutel de woorden: “Mijn Hans!” nog even zijn mond ontsnappen.
’t Is nacht, doch geen zooals men zich daags voorspeld had, van onweer en plasregens; maar strak en helder enzwoel, en weder een dag voorspellende als die, welke straks ter ruste ging.
De pendule in het slaapvertrek der echtelieden Brolet heeft reeds één geslagen. Nog geen half uur geleden is de heer des huizes die kamer binnengetreden.
Was het zijn goedhartige aard, die hem zoolang alleen bij den lijder in het schuurtje deed vertoeven, dewijl hij ook Leendert—tot diens verwondering—bevolen had om zich dorpwaarts te spoeden, ten einde eenige eenvoudige geneesmiddelen uit de apotheekte halen, ofschoon Leendert meende, dat mevrouw ze wel in huis had, doch die—volgens mijnheer—niet versch genoeg waren? Was het enkel uit medelijden, dat hij de uren, sedert dien eersten stond verloopen, zooveel mogelijk zonder andere hulp bij den armen jager heeft doorgebracht, wiens einde door den geneesheer, gedurende zijn kortstondig en laat avondbezoek, als zeer nabij voorspeld was? Waren er ook andere redenen? Leendert is er zeker van, want—achter het schuurtje is eene sloot, en tusschen die sloot en het schuurtje bleef nog een voetbreed gronds, waarop distels en klitsplanten welig tieren. En nu.... jammerlijk zijn die schoone bladen vertrapt, vooral ter plaatse waar zich die reet in de planken bevindt.
Op het oogenblik dat wij Brolet wedervinden, staat hij met over elkander geslagen armen tegenover zijn echtgenoote, die, in een leunstoel gezeten, haar aangezicht met de beide handen bedekt.
“Spreek dan Octavie!” zegt Brolet met gesmoorde doch gejaagde stem: “zou zulk een toeval mij niet de haren te berge doen rijzen? Kon er een rampzaliger denkbeeld rijpen dan naar deze streek te trekken? Ken je zulk een toeval, dat ons den man hier doet weervinden, van wien wij sedert al die jaren niets meer vernamen!? Maar antwoord mij dan,wátmoet ik doen?”
“Zij zal het besterven!” zucht mevrouw, terwijl een stroom van tranen haar wangen besproeit.
“Besterven!?” herhaalt de man, en treedt op het raam toe waardoor hij, aan ’t einde der laan, het schijnsel van het licht ontwaart ’t welk binnen het schuurtje brandt: “Neen, neen! dat zal ze niet!” herneemt hij terugkeerende: “Als je dáár geweest waart,” en hij wijst in de pas verlatene richting; “dáár, en je hadt den angst en de smeekende blikken van den ongelukkige, zooals ik gezien; je hadt zijn diep treffende, schoon weinig samenhangende woorden gehoord, je hart zou evenals het mijne hebben geklopt! Maar zeg, meen je ’t waarlijk, zal ons kind het besterven?”
Eenige oogenblikken staat de vragende man weder voor zijn weenende vrouw zonder antwoord te bekomen, maar eensklaps slaat mevrouw Brolet den blik tot hem op, en de hoop is op haar gelaat te lezen, dat hare vraag: “Maar François, is ’t geen bedrog?” een antwoord zal uitlokken ’t welk nog niet den stempel der volste overtuiging draagt.
Maar neen, helaas! bedrogen had hij zich niet; de waarheid sprak maar al te luide, en in weinige, vluchtige woorden gaf hij aan zijn gade de bitterste bewijzen eener zekerheid, welke hij zich zelven zoo gaarne ontveinsd had.
Nog had Brolet zijn verslag niet ten volle geëindigd, toen een vreemd geluid op het portaal de aandacht der echtelieden wekte.
“Jeannette! o God! zoo zij ’t gehoord had!” roept mevrouw, en wil ijlings opstaan; doch Brolet houdt haar terug, en terwijl hij bare hand in de zijne vat, fluistert hij snel en merkbaar bewogen: “Octavie, wees bedaard; heeft Jeannette ons waarlijk beluisterd,—zegen dan met mij een toeval, ’t welk mij van den pijnlijksten lastontheft. Zij heeft dan vernomen ’t geen het noodlot mij dwingt haar te zeggen. O! ik gevoel het, mijn levensvreugd ware verwoest, indien het denkbeeld mij bijbleef, dat ik uit zwakheid de laatste bede van een uitgaanden levensgeest had versmaad. Ja, een ontzettend toeval doet ons huiveren, en verijdelt mijne plannen; maar nu, schep moed, wie weet of de uitkomst ons niet de rust zal schenken, waarnaar wij reeds zoolang en zoo vurig verlangden.”
“Mijn arm kind!” zuchtte mevrouw: “God moge haar nabij zijn!”
Brolet fronst de wenkbrauwen; drukt zijn echtgenoote een kus op het voorhoofd, en verlaat haastig de kamer. Op het portaal gekomen, ontdekt hijhaarniet, die zijne verbeelding er gemeend had te vinden. Hare kamer grenst aan die der ouders. Met een zacht kloppen zal hij haar wekken. Doch zie, de deur is niet gesloten, zij staat op een kier.
“Jeannette!” roept hij zacht: “slaap je mijn kind?” en eenige malen herhaalt hij de vraag, doch zonder een antwoord te vernemen. De vader aarzelt niet de deur wat verder te openen; hij ziet naar binnen, en nogmaals roept hij luider: “Jeannette!”—Maar neen, zij is er niet.
Ontwaakt uit een korte sluimering die haar geest had vermoeid, met een afzichtelijk dood paard ’t welk gedurig, om haar te vangen, de stijve voorpooten uitstrekte, had een ongewoon gerucht in de aangrenzende kamer harer ouders, Jeannettes opmerkzaamheid getrokken. Bij ’t naar bed gaan heeft zij in stilte de bespottelijke menschlievendheid van haar papa bewonderd, die zelfs zijn domestieken de nachtrust had gegund om bij die “akeligheid in het schuurtje”, waar zij het te benauwd had gekregen “de rol vanziekenverplegerte spelen.” ’t Ontstelde haar eenigermate de stem haars vaders te hooren. Was hij terug, dan voorzeker moest die man wel dood zijn.—Hu! daar was toch iets akeligs in; daarginder in dat schuurtje: een dood paard, en een dood mensch nog daarbij!
Haar legerstede verlatende, was Jeannette op den wand toegetreden, die haar van het slaapvertrek der ouders scheidde. Ofschoon nu en dan eenige klanken vernemende, kon zij, door den halfsteenschen muur, toch onmogelijk goed verstaan wat er gesproken werd. Het luider noemen van haar naam had echter dermate hare belangstelling gewekt, dat zij in allerijl eenige kleeren heeft aangetrokken, en, het vertrek in stilte verlatende, op het portaal aan de kamer der ouders heeft geluisterd.
Geen vijf minuten later bevond het meisje zich weder binnen haar slaapverblijf, doch toen.... hoe geheel anders stonden haar gelaatstrekken dan vóór het verlaten harer kamer. Een lijkkleur had zich over haar wezen verspreid; haar boezem jaagde onstuimig, en vreeselijk trilde haar geheele lichaam, terwijl haar blikken verwilderd in het ronde zwieren. Krampachtig klemden zich hare vingeren om de leuning van een stoel; haar knikkende knieën benamen haar schier de macht om zich staande te houden, doch—eindelijk was het, alsof een besluit werd genomen, alsof een plotseling opgekomendenkbeeld haar krachten vernieuwde. Zij trad op het raam toe; staarde een oogenblik op het schuurtje aan ’t einde der laan; bracht de hand aan haar voorhoofd; had nogmaals een gevoel alsof het bloed in hare aderen stolde, maar, ook dát oogenblik ging voorbij, en zich eensklaps naar de deur wendende, verliet zij weder het vertrek; sloop met een fel bonzend hart doch met onhoorbaren tred voorbij de kamer der ouders, en daalde langs de breede marmeren trap snel naar beneden.
Terzelfder tijd dat Brolet te vergeefs zijne dochter roept, bevindt het meisje zich voor de deur van het schuurtje. Haar moed dreigt opnieuw te bezwijken; eenige seconden blijft zij luisteren, doch, daar binnen een zacht gekreun vernemende, verheft zij met fierheid haar hoofd; slaat de hand aan de klink, en treedt, ofschoon een huivering haar bekruipt, met tamelijk vasten tred het schuurtje binnen.—Neen, ’t is nog niet gedaan met den armen Ritter.
De heer Brolet heeft hem verlaten, nadat er op een hevige gemoedsbeweging, door koortshitte verhoogd, een oogenblik van schijnbare rust gevolgd was. Hoe ontelbare malen had hij in zijne tegenwoordigheid: “Mijn Hans! mijn kleine Hans! mijn kind!” geroepen; en dan luider met onrustige gebaren, terwijl hij Brolet daarbij dreigend had aangezien: “Mijn kind! Breng haar hier.... eer ik sterf!”
In de levendigste kleuren was Ritter, en ook zijn voornamen bewaker, opnieuw datgene voor den geest gekomen, ’t geen zij beiden nooit vergeten, doch waaraan zij zoo gaarne—ofschoon om zeer verschillende beweegredenen—de herinnering zouden hebben verloren.
Ja, de weinige woorden die Brolet, na de herkenning, met den jager wisselde, zij verlevendigden in beider gemoed zoo krachtig ’t geen er omstreeks zeven en twintig jaar geleden was voorgevallen.
’t Was een stormachtige Octobermorgen. Door den mullen zandweg tusschen de Overijselsche plaatsjes Oldenzaal en Ootmarsum werd een fraaie reiskoets, door twee jonge paarden langzaam voortgetrokken. De heer en de dame daarin gezeten, wenschten nog vóór den nacht Bentheim te bereiken, alwaar ze eenige dagen dachten te vertoeven alvorens zich naar de plaats hunner bestemming—Westphalens hoofdstad—te begeven.
Ze hadden het zwaar genoeg die paarden! De Noordoosten wind, waartegen ze moesten opwerken, joeg hen het zand in de snuivende neusgaten. De koetsier liep naast het rijtuig, in de eene hand de teugels houdende, en met de andere aan den rand van zijn hoed. Ook de oude huisknecht had, door af te klimmen, den last der bruinen verlicht, en antwoordde, door het portierglas heen, gedurig op de vragen der meewarige dame, en stelde haar gerust,—de bruintjes zouden de reis wel goed maken.
Plasregens, die voor weinige dagen de zandwegen in stroomen herschiepen, hadden op sommige plaatsen gaten veroorzaakt, die den viervoetigen betreders reeds eenige malen een buitengewone kniebuiging hadden afgedwongen.
“Ho! ho!” had het eensklaps van de heizijde geklonken; doch de waarschuwende stem kwam te laat, want reeds lagen de beide paardenmet de voorpooten in een gat ’t welk, met afgewaaide bladeren gevuld, hunne opmerkzaamheid had verschalkt. De man, die voor weinige minuten met zijn kruiwagen om plaggen te steken was uitgegaan en óók in de diepte van het gat was geraakt, bracht, dewijl zich geen andere hulp in den omtrek bevond, het zijne bij, om de paarden weer op de been te helpen. ’t Gelukte; doch Juno, de bijdehandsche, had den rechterpoot dermate verstuikt, dat hij den koetsier aanzag als wilde hij zeggen: “Hoe zal dat verder gaan?” De heer en de dame, die na het ongeval terstond het rijtuig hadden verlaten, vernamen van den koetsier, dat Juno “inkapabel” voor de reis was, en dat er raad moest geschaft worden zoo mijnheer en mevrouw Bentheim nog vóór den nacht wilden bereiken.
De plaggensteker was toen de man geweest van wien men hulp of raad kon verwachten. Het eenige wat hij zeggen kon was, dat Scholte2Roerd, die aan ’t einde der vlakte bij gindsche hooge boomen zijn erf had, paarden genoeg bezat, en vier zelfs die in ’t span liepen zoo goed als de beste. Gaarne had hij zich bereid verklaard om den heer van het rijtuig naar den rijken Scholte te geleiden, als ze dan maar ’en oog op het schaap wilden houwen dat ginds bij den kruiwagen lag.
Terwijl de heer, aldus begeleid, naar Scholte Roerd was getrokken, om ter vervanging van Juno een van diens vierspan ter hulp te vragen, was mevrouw—na het arme paard te hebben gestreeld—op de plaats toegetreden waar “het schaap” lag. ’t Was een kind, dat nog maar weinige maanden oud scheen te zijn. Zij kreeg medelijden met het arme wicht, ’t welk een dot in het mondje had, waaruit de kracht—zoo die er in was geweest—reeds lang moest verdwenen zijn. ’t Was een aardig, ja zelfs een mooi kindje, en in weerwil dat de gure wind het gezichtje verkleumde, lachte het toch toen de dame het vriendelijk aanzag enratadazei.
Ja, de voorname dame had erg medelijden met het arme kindje, en ze streelde het met haar mof in ’t gezichtje, en ’t kriebelde wel, maar toch, het lachte er van; en mevrouw kwam ook al eens met den vinger op ’t lijfje:kiesewiesewiet, en dan kraaide het, zoodat ze ’t hoe langer hoe akeliger vond om het wormpje daar op den kouden grond te laten liggen. Ja, ze had het schaapje opgenomen—hoewel ze van de vuile plunje wat vies was geweest—en had het met zich gedragen en in het rijtuig gelegd. Gretig had het bloedje de kruimels genuttigd, welke de dame het vervolgens had toegevoegd, en toen mevrouw eindelijk de trommel, waarin zich haar proviand bevond, had gesloten, omdat de kleine niet meer lustte, toen begon ze achter haar mof kiekeboe te spelen, en ’t kindje lachte alweer, en.... zij pinkte een traan weg.
Gaandeweg had de plaggensteker, die al zeer armoedig in de kleeren was, den heer—die een warmen pels droeg—zijne levensgeschiedenismeegedeeld, nagenoeg op de volgende wijze: “M’n vader en moeder, zie je, die hei j’ toch niet gekend, maar schraal ha’n ze’t wel, daar ku’j over rekenen. Toen vader stierf—’k zie ’m nog—zei ie voor ’t laatst: “Jong’! ’k heb altijd m’n brood gehad al was ’t ook droog. Werken zie je! werken met God en met eere! Toen moeder stierf had ze ’en akelige pijn, maar ze zei toch: “God kan alles, bid da’k zacht zal sterven, en da w’ ons in den hemel weerzien,” dat zei ze. ’t Was kort op mekaar. Toen zin ze begraven, zie je, zoo netjes as ’t hoeft, maar leeg was de hut, en ’k had zoo alleen geen schik op de hei. Weet je, toen liep ik naar Mie van den scheeper3en ze had zin om met me mee te gaan, al was ik ’en dikke veertiger. Nou, zie je, mee ging ze, en, toen ze zuchtig wier, he’k ze getrouwd ook, laat domenei spreken4. Weet je, ’t wordt met Sinte Matijs ’en jaar dat z’en kleine kreeg, en as ’k ze niet getrouwd had, misschien leefde ze nog, want zie je, het schaap van ’en kind deed haar den dood aan. Toen ze begraven wier, was ’k nog malkelieker dan van vader of moeder, en as ’k nou ’s avends alleen onder de plaggen zit, en heiboenders maak, dan zeg ik zoo dikwijls: “Och God! a’j alles kunt, waarom hei j’ dan Hanskes moeder niet uit ’t kraambed geholpen?” Zie je, nou ploeter ik met het schaap al ’en maand of acht, en al mag ik het graag, ’t is toch ’en euvel alleen voor ’en man. Alle dagen vraag ik aan God: dat ie ’t lieve Hanske bij d’r moeder zal halen. Maar fluite! Ze blijft waar ze is.”
De heer had den man, toen deze zijn verhaal had geëindigd, heel vriendelijk toegesproken, en gezegd, dat zoo’n kindje toch inderdaad een heele troost moest wezen, er bijvoegende, dat vele en zelfs voorname lieden, vruchteloos naar zulk een schat verlangden, hetgeen de man op zijne beurt allemaal best wou gelooven, maar ook opmerkte, dat ze dan niet in zijn geval moesten wezen, hij kon Hanske toch moeielijk mee naar stad nemen als ie de bezems en boenders ging brengen, zijne hut lag alleen, buurvrouwen waren er niet, en zie je, dan hing het schaap soms vier uren achtereen in den band aan ’en spijker, zoodat hij, terugkomende, ’t geschreeuw wel een kwartier ver over de hei hoorde klinken.
Toen de beide mannen al meer en meer de hoeve van den Scholte naderden, ving de heibewoner een ander gesprek aan, ’t welk ten doel had om den heer uit het rijtuig van de onnoemelijke schatten des Scholtens een denkbeeld te geven.Alleswas van Scholte Roerd: die schaapskooi, die schapen, dat bosch, die landerijen, alles,alleswat de heer naast of vóór zich zag en,.... hoe was hij er aangekomen?
“Weet je,” had de man weder gezegd: “mijn grootvader heeft den zijne gekend toen hij net zooveel had als er nu op m’n hand leit. Wat deed ie?.... Van werken en sjouwen had ie duiten appart geleid, en, toen ie tien gulden bij mekaar gekoejoneerd had, toenging ie naar de Deventersche paardenmarkt, en kocht er ’en afgedankte kerresier, die ook al voor de dillejans had geloopen. Hoe hij ’t aanlee wist grootvader niet best, maar dat ie krooi en rooi en soms laat nog aan ’t varen5was, dat had ie zelf wel gezien. De eenige deern van Scholte Dikkers had ie eens toevallig opgelaajen, hoe, en waar, en wat, dat wist ie ook niet, maar zie je, ze wier olik naar hem, en, toen het eindelik zou en moest, toen kreeg hij ze binnen ook. Weet je, mijn grootvader zei altijd: “dat heeft hem de kerresier gevaren,” en, spaarde eiges altijd zooveel als ie kon, maar as ’t maar ’en gulden ofdrieliep dan kwam er ’n kink in de kabel en—opging het weer.”
“En waarvoor wilde je grootvader sparen?” had de heer gevraagd, die gedurende het verhaal over iets anders gedacht, en slechts de laatste woorden verstaan had.
“Wel, hei’j dan geen ooren meer?” had de bezemman geantwoord: “ik zei immers, om ’en paard te krijgen, maar ’t is er nooit toegekomen weet ie, en m’n vader kon er ook niet bij, en ik—wat zou ik, hé! ’k ben al blij da’k het leven hou, en zoo’n schaap lust ook wel wat anders dan keisteenen.”
Scholte Roerd, wiens grootvader, zooals de overlevering zeide, door een paard—wijzouden zeggen door een meisje—rijk was geworden, had den vreemden heer vriendschappelijk ontvangen en te woord gestaan. Gaarne had hij zich bereid verklaard, den heer met een fraai span bruintjes, ’t welk binnenkort naar de markt zou, tot aan Bentheim te varen.Gaarne, want de Scholte was trotsch op de dieren, en ’t was hem de reis wel waard om ze eens in ’t heerentuig voor een mooi rijtuig te zien.
Nog wel een uur had de dame den tijd gehad om met de kleine in het rijtuig kiekeboe te spelen alvorens zij de karavane over de hei zag naderen.
Scholte Roerd had—toen men met het tweespan nabij de plaats des ongevals was gekomen—terstond met het oog eens kenners, de fraaie Juno onderzocht. Nu hij het paard eens liet loopen, had het kootgewricht zich niet—zooals zulks in den gezonden toestand het geval is—teruggebogen, zoodat het welzeker verstuikt moest wezen. Het gewricht zwol gaandeweg erger, terwijl het maar al te zichtbaar was, dat de minste drukking het arme dier een hevige smart veroorzaakte. “Dadelijk wasschen met keukenzout, water en azijn!” had Roerd gezegd, en de koetsier, die er toch ook verstand van meende te hebben, had van een mengsel klei meteau de goulardgesproken, om welken raad hij echter door den lompen boer—zooals hij den Scholte heimelijk noemde—werd uitgelachen. Wie vond er klei op de hei! en welke boer in den omtrek hield er o’ de goelaar op na!? Dat had de Scholte gevraagd, enwijvragen, wie dáár de domme was?
Terwijl men ook Diaan had afgespannen, en de Scholte, metbehulp der mannen, de fraaie tuigen vergespte, ten einde ze voor Mieke en Treeske pasklaar te maken, en hij gedurig riep, wat of ze van z’n bruintjes zeiden, was de heer, half buiten half binnen het rijtuig, in een zacht maar belangrijk gesprek met de dame gewikkeld.
Weinige oogenblikken nadat de heer zich met haaste van het portier had verwijderd, heeft hij, op eenigen afstand van het rijtuig, een niet minder belangrijk onderhoud met den heibewoner gehad. Een glans van verrukking heeft zich over het gelaat van den armen man verspreid.—Een paard.... dát paard voor hem! En zijn schaap, zijn Hanske: een rijkeluiskind! O zeker, hij deed het,—wanneer de heer en mevrouw, op handslag beloofden, dat ze het goed zouden oppassen, en er altijd voor zorgen.
Ja,—zoowel de heer Brolet als de arme jager, hadden zich dat voorval op de heide met de meeste levendigheid herinnerd, en, dat de eigenaar van het rijtuig de eerstgenoemde, en de plaggensteker de man was, die nu bij zijn dooden Hans lag, zal men voorzeker reeds terstond vermoed hebben.
Toon Ritter had zijn “deerntje” nog eenige kussen gegeven, alvorens hij het portier zag sluiten. Scholte Roerd, naast den koetsier gezeten, had de zweep doen klinken; het rijtuig was van die plaats verdwenen, en Toon, die bij zijn kruiwagen met het mooie paard was achtergebleven, had het rijtuig nageoogd, totdat Diaan,—door den huisknecht, die in het bakje zat, bij den halster gehouden—om den hoek van het akkermaalshout, waar de weg zich kromde, verdwenen was.
In den aanvang had de arme Ritter zich rijker dan de rijkste Scholte gedroomd, en alles aangewend om de spoedige herstelling van het dier te bevorderen, waarvan hij zich zulke gouden bergen beloofde. Roerd was den volgenden morgen teruggekeerd, doch, zonder zijn bruintjes. De rijke heer had ze hem gaarne afgekocht, want waarlijk, ze pareerden best, en ze liepen als hazen! ’t Sprak van zelf, dat het voorval in den omtrek ruchtbaar werd, en naarmate zulks meer en meer het geval was, kreeg Ritter minder vrede met Juno, en dacht meer aan zijn Hanske, dat, de hemel wist waar, in de wijde wereld zat. Vooral de vrouwen uit den omtrek vielen hem danig hard, dat hij zoo’n bloedje, “z’n eigen vleesch toch,” had afgestaan, terwijl zij, die hem het meest benijdden, er zeker van waren, dat er op dat paard geen zegen zou rusten.
Ja, al mocht Toon Ritter, met den schrikkelijk gedegradeerden Juno, die, hoewel genezen, al spoedig de duidelijkste sporen van minder goede dagen vertoonde, wat meer verdienen dan hij het tot hiertoe gedaan had, hij vreesde hoe langer zoo meer dat de voorspelling bewaarheid, en Juno hem niet zou aanbrengen “wat de kerresier den grootvader van Roerd had gevaren.”
Somwijlen, wanneer Ritter des avonds aan zijn ontslapene Mie heeft gedacht, was hij angstig geworden, totdat hij eindelijk hetplan had gevormd om, kostte wat het wilde, zijn Hanske op te zoeken.
Helaas! alle pogingen waren vruchteloos geweest, en, dewijl zelfs de naam van den heer met het rijtuig hem onbekend was gebleven, moest ten laatste de hoop wel verdwijnen om tot het gewenschte doel te geraken.
Nog drie jaren was Ritter, na die ontmoeting op de heide, in het oord gebleven, waar hij het eerste daglicht aanschouwde; maar toen ook was hij de plek, die hem gestadig aan “de zondige daad” herinnerde, plotseling en in stilte ontvloden. Met het paard, ’t welk hij den naam zijner verworpene kleine gaf, en waaraan hij hoe langer zoo meer de liefkozingen schonk, die hij thans zoo gaarne aan zijn kind had gegeven, trok hij op Holland aan: misschien dat daar.... Maar neen, God zouhemniet helpen, die zijn eigen bloed had verkocht; en het denkbeeld wortelde diep, dat die rampzalige daad hem de eeuwige pijn zou bezorgen.
Wat er verder van Ritter werd, is hoofdzakelijk reeds vermeld geworden. Eerst gedurig van domeingrond verdreven, bouwde hij—ruim vier en twintig jaren geleden—zijn ellendige woning op grond aan den ouden baron Tolenveld behoorende, en wij hoorden het reeds, hoe des barons, wel zeer natuurlijke sloopzucht, in ’t einde schipbreuk leed op de onoverwinlijke bouwzucht van den armen jager.
En wat gevoelde die, voor zijn tijd vergrijsde arme nu? Wij wagen het niet er een volledig antwoord op te geven; alleen weten wij, dat het hem was, alsof er een hamer gestadig in zijn gloeiend voorhoofd klopte, snel, onbegrijpelijk snel, en dat iedere bons hem den naam in de ooren dreunde van het gestorven dier, waarvoor een onbegrijpelijke liefde Gods hem het verstooten kind wilde terugschenken. Hij dankte gedurig denGroote, die alles kan, voor een zegen hem nog op aarde geschonken, terwijl de vreugde hem hier reeds bereid, zijn hoop deed kiemen—dat het “daarbovennog wel terecht komen zou.”
En zou de arme zich bedriegen? Had zijn berouw geen liefde gewekt? Was zijn hoop niet gebouwd op den Eenige, die almachtig is? Voorzeker!—Maar zie, de deur van het schuurtje wordt geopend, en zonder dat Toon haar bemerkt, treedt zij, die uit het korte verslag van Brolet, aan zijn gade gegeven, de ijselijkste waarheid vernam, het doode paard voorbij en op den lijder toe.
Zonderling! op dat gelaat, ’t welk ons straks de diepste verslagenheid teekende, lezen wij in dit oogenblik, behalve een uitdrukking, welke wij met den naam van medelijdend afgrijzen zouden bestempelen, eene fierheid, die het gevolg van een schitterende verwachting moet wezen. Ja, voorzeker, zij is zich immers altijd bewust geweest voor iets groots, iets edels geboren te zijn. En nu die plotselinge ontdekking, dat zijnietis de dochter van hen, die zich hare ouders noemden, maar, een aangenomen kind!—Ja, de hoop heeft haar namelooze smart gestild, de hoop, dat de roman, waarvan zij zich eensklaps tot heldin zag verheffen, schitterend zal ontknooptworden. Een oogenblik staat zij bij den man stil, die, zonder de oogen te openen, verscheidene malen achtereen den naam noemt vanhaar, die zich zoo nabij hem bevindt.
“Je paard is dood, arme man!” zegt Jeannette, terwijl het geluid van haar eigen stem haar in dit oogenblik een huivering aanjaagt.
Ritter slaat de matte oogleden op, en staart het meisje onafgebroken aan, terwijl zijn mond weder gedurig den naam doet hooren, die hem in het hoofd dreunt.
“Daar ligt hij,” herneemt Jeannette, op het paard wijzende, maar voegt er als in eenen adem bij: “Spreek, goeje man, wat is er van het kind, dat je voor een dier hebt kunnen verruilen? Zeg, heb je bewijzen van haar afkomst? Spreek, zoo je herstelt, zal ik je schitterend beloonen.”
“Och, Hans! Hansje! Hans!” klinkt het als te voren. De grijze doffe oogen staren het meisje hoe langer zoo strakker aan, en terwijl Ritter een vruchtelooze poging waagt om zich op te heffen, en Jeannette ontsteld een schrede achterwaarts doet, roept hij akelig: “O God!—is zij—is zij—mijn Hans,—mijn Hanske,—mijn kind!?”
Nogmaals is het de trots die Jeannettes boezem doet jagen. Zij kan de ontzettende waarheid niet gelooven. Met haaste nadert zij weder den man, grijpt zijn magere hand, en zegt op gejaagden toon: “Ja, ja, ik ben het kind, waarvoor men je dat paard in ruil gaf; maar om Gods wil, verzwijg het niet: wie waren mijne ouders?.... Toe! zeg het; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken. Spreek dan! spreek! maak mij niet ongelukkig!”
De arme eenvoudige jager met het immer bonzende hoofd, geheel gevuld met die eene gedachte: God is mij genadig! hij had de bedoeling der vraag niet gevat. Hij had alleen gehoord: “Ikbenhet kind; ik zal je oppassen, gezond en rijk maken.” Ja, nogmaals wilde zij van hem hooren, dat hij werkelijk haar vader was; en met nog pijnlijker stem dan te voren, sprak hij, terwijl hij flauw de hand drukte die de zijne had gegrepen: “Hanske,—dame,—ja,—God zegt mij—dat je mijn kind, mijn Hanske bent. Hanske die ik verstiet.—Ik kan—niet spreken.—Als—wij—in den—hemel—elk—an—der weerzien—zal—ik je alles—ver—tellen; en dan—zal je me—ook verge—ven hé!—dan—zal ik je—de hand boven—’t hoofd houwen,—net als ik Hans, in de plaats—van jou dee.—God, ja God kan—alles—al—les!”
En toen—toen bleef zijn mond wel open, maar hij sprak niet meer; toen bleven de oogen wel opgespalkt, maar aardsche dingen aanschouwden ze niet langer, want de God, die alles kan, had het wonder gewrocht dat niemand een wonder noemt: Hij had den geest ontbonden van het stof; eene ziel overgebracht naar het huis waarin vele woningen zijn.
Hebt gij deernis met den overledene....? O! heb het niet; maar wél met haar, die op den arm des pleegvaders geleund,—want ook deze was ongezien van het sterven des jagers getuige geweest—met pijnlijk snikken het schuurtje verlaat, waar haar trots werd geknakt en—Gods almacht zoo treffend was verkondigd.
“Je komt te laat vrinden!” zei Leendert de huisknecht tot een meisje dat, door een jongeling begeleid, het hek vanWater-zichtwas binnengetreden, en gevraagd had, of ze Toon Ritter eens zien en spreken mocht.
“Te laat!” zeiden Grietje en Geurt—want zij waren het—schier te gelijk; en het meisje voegde er bij: “Maar zeg, hij is toch niet dood?”
Op een weinig kiesche wijze gaf Leendert een bevestigend antwoord; en Grietje, die wij veel verzwakt en vermagerd vinden, drukte het voorschoot voor hare oogen, en Geurt riep met innige bezorgdheid: “Och, Grietje, maak je nou niet van streek; ik zei immers wel dat het er om houwen zou!”
Of Geurt al beweerde, dat het haar te veel zou aandoen den gestorvene nog eens te zien, het weenende meisje bleef op dat verlangen aandringen. Al was hij dood, toch wilde zijhemnog eenmaal aanschouwen, die in den ellendigsten toestand niet had geaarzeld, haar van een wissen dood te redden. Geurt moest toegeven, en Grietje trad aan zijn zijde het schuurtje binnen, maar ontstelde minder dan Geurt zulks vermoed had, toen zij het lijk van den grijzen man, zoo nabij dat van zijn dooden makker zag liggen. Zij had hem voorheen ook meermalen nabij het paard zien slapen, maar dan, alsof lichaams- of zielesmart hem kwelde; en nu.... nu lag hij zoo kalm, zoo onbeweeglijk; en, starende op het lijk, drukte zij den arm van Geurt, en zei zacht: “Toon heeft het nu beter bijGod. Wat was hij ongelukkig!”
Die woorden klonken vertroostend voor den jongeling in wiens binnenste gedurig eene stem sprak: Gij hebt den dood van Toon en zijn makker verhaast.—Ja Grietjes woorden verlichtten zijn gemoed, maar ook zij brachten hem tot het levendig bewustzijn, dat de zegen des Allerhoogsten niet rust op deongeoorloofdemiddelen, waarmee men een goed doel meent te bereiken.
En ze gingen te zamen weer heen, Grietje en Geurt, en ze zeiden niets; en Grietje bracht de haring in ’t koolblad gewikkeld, aan hare moeder terug; een mootje zou Toon misschien verkwikt hebben; maar, Toon at geen haringen meer, en de werkvrouw vond het een ijselijkheid dat ze door Grietjes ziekte zoo niets had kunnen toebrengen om Toon te gerieven.
De gebeurtenis, welke de heer Brolet eentoevalgenoemd had, bracht een groote verandering in het vreedzame leven, maar ook in de gemoederen der bewoners vanWater-zichtte weeg. Eene waarheid, zoo’n aantal jaren met de meeste zorg verborgen, voorwier aan ’t lichtkoming met vreeze was gewaakt, en welker ontdekking—door een huwelijk bedreigd—de schrandere diplomaat, nog weinige uren geleden, zeker meende te voorkomen, zie, een vreemd, een zeer vreemd, een ontzettend vreemd toeval, had haar op ’t onverwachtst aan ’t licht gebracht. Aan ’t volle licht; want, ondanks de verwijderingszorgen door Brolet genomen,—men herinnert zich die vertrapte klitsbladen en brandnetels juist onder het schuurraampje, waardoor het dienstpersoneel gegluurd heeft—ging het verhaal in den omtrek weldra van mond tot mond: “De juffrouw van de nieuwe lui opWater-zicht, is ’en eigen dochter van Toon Ritter! je weet wel, van den jager dien ze ook alde wittenoemden, en die nu dood is.”
We zeiden, die gebeurtenis bracht verandering in het vreedzame leven. Ja, een ontzettende! want het kind der armoede, opgevoed in een stand die niet de hare was; voor wie men het gebod: “gij zult uw ouders eeren,” door haar zelfs niet met haar ware afkomst bekend te maken, had krachteloos gemaakt; wier liefde men had begeerd, en wie men een onbegrensde liefde had toegedragen,—een liefde welke zich echter niet had geopenbaard in een streven naar genezing van haar zielekwaal,—het hooghartige maar tevens beklagenswaardige meisje, was door het gebeurde op ’t allerhevigst geschokt geworden; de aanbrekende morgen vond haar in een onopwekbare dofheid; den middag bracht ze in koortsig ijlen door; en tegen den avond werkten haar sterk geschokte zenuwen dermate hevig, dat de geneesheer die ijlings was ontboden, ten zeerste voor een verstandsverbijstering beducht was.
En nu, zie ze daar zitten, de echtelieden, in weinige dagen zichtbaar verouderd. Zijn ze niet gestraft voor een daad, die een zedelijke roof mag genoemd worden? Een roof, want ja, ze hebben niet het kind eens armen opgevoed, maar zij hebben der armoede afgekocht wat God niet wil dat verkocht worden zal. Ze hebbenwettigwillen bezitten wat hun niet wettig kon toebehooren; ze hebben in stede vangelukkigdat kind der heideongelukkiggemaakt.
Maar toch, heb medelijden! Zie, daar gaat de diplomaat met het hoofd ter neergebogen, door de lanen van zijn landgoed; voor weinige uren heeft hij een uiterst beleefden brief van den baron, zijn buurman ontvangen, waarin deze “om familie-omstandigheden als anderszins,” meent van de hand van mejuffrouw Brolet te moeten afzien, terwijl hij HEd. een spoedige herstelling toewenscht. Zie, hij staat daar stil, wendt den blik naar den achtergevel van zijn huis; staart eenige oogenblikken op het venster der kamer, waarbinnen de arme Jeannette door hare pleegmoeder met nog twee verzorgsters bewaakt wordt; wischt de tranen weg die langs zijn kaken biggelen, en terwijl hij daarna, schijnbaar toevallig, het oog op dat schuurtje aan ’t einde der laan doet rusten, is het alsof de laatste woorden, die er aan den mond des stervenden ontvloden, en hem sinds dien stond zoo gedurig het hoofd doorwoelden, opnieuw, maar krachtiger in de ooren klinken: “God kan alles!”—God kan alles!
Zie, Brolet loopt weder voort; staat later nog eens stil; werpt weder den blik naar het venster waarzijzich bevindt, die de vermogens der rede verloor: en zie hoe hij onder een tranenstroom de oogen naar hooger wendt, en hoor hem zuchten: “Maak haar gezond, en ik zal gelooven, God, dat Gij bestaat, en dat alles Uw werk is!”
Reeds hadden schrale nachtvorsten de heerlijk bloeiende dahlia’s verslapt en ontkleurd, en over ’t beukenloover een bruine tint verspreid, en nog altijd bleef Jeannettes rede in enge banden gekluisterd, en nog altijd weenden hare opvoeders. Maar, had de vrouwe reeds sinds lang vertrouwend den blik naar den Hemel gewend, ook de diplomaat zeide niet meer: “God, maak haar gezond en ik zal gelooven!” maar in stilte en luide: “God, Gij kunt alles! o! Almachtigste, o mocht het zoo wezen!”
En,—er was vreugde in den hemel, groote blijdschap. De zwakke mensch had zijn afhankelijkheid aan een hoogere macht in ootmoed beleden.
’t Was een schoone middag van een der laatste Octoberdagen. Jeannette op den arm harer pleegmoeder geleund, doorwandelde sprakeloos en met strakken blik, de slingerpaden achter het huis. Brolet ging aan haar andere zijde. Een hoek omslaande, stond eensklaps Leendert voor de zwijgende wandelaars, en verhaalde, naar den adem hijgende, dat hij overal naar de familie gezocht had, tot achter in de plaats bij den grooten vijver toe, want, dat er een heer was gekomen, die zijn naam niet wou zeggen, maar dien hij toch dadelijk had herkend, dezelfde uit Den Haag, die er in ’t voorjaar geweest was, en, Leendert dacht er bij: die uit verliefdheid z’n fooi vergat.
Brolet wenkte den knecht dat hij terug zou keeren, en nadat de pleegvader, achter den rug van het meisje om, een beteekenisvollen blik met zijn gade had gewisseld, gevoelde hij eensklaps zijn hand door Jeannette vatten, en zag, hoe zij den blik tot hem opsloeg, terwijl ze zachtkens zeide: “Oscar Halmon.”
Zie, zie, hoe geheel verschillende van den eersten blik, de tweede geweest is, welken de verbaasde echtelieden met elkander wisselden.
Ja, een onbeschrijfelijke verrukking maakte zich van hen meester. Voor de eerste maal na dien verschrikkelijken nacht, had zij het bewijs gegeven, dat haar rede nog vatbaar voor een gezonde werking was.
Ofschoon Oscar Halmon bitter teleurgesteld na zijn eerste bezoek opWater-zicht, in zijn woonplaats was wedergekeerd, ofschoon hij zich ten zeerste had verwonderd dat hij geen enkel woord van oom of tante vernam, daarhijtoch eenige malen een vriendschappelijken brief had gezonden, toch was hij niet minder met belangstelling aanWater-zicht, en met innige liefde aan zijne nicht blijven denken, die, “zooals van zelf sprak,” evenmin eenig antwoord op zijn vluchtig geschreven briefje gezonden had.
Vervuld met het doel om hooger te klimmen ten einde zijn wensch te verwerven, had Oscar, door de loffelijkste middelen er naar getracht een voordeeliger post te bekomen. Voor weinige dagen was dat streven met een gewenschten uitslag bekroond geworden, en hij, die niets had vernomen van ’t geen er gedurende den zomer opWater-zichtvoorviel, hij spoedde zich met zijne aanstelling naar het Stichtsche, ommeerte verwerven:—de vrouw zijner keuze.
En ja,hijwas het—de eenmaal verstooten en verloochende jongeling,—die de eerste vonken der wederkeerende rede mocht doen gloren.
Oscar, met alles bekend gemaakt, ontmoette denzelfden avond het meisje dat, door een indrukwekkende bleekheid, hem schooner toescheen dan te voren. Zij zag hem. Eerst bleef zij roerloos staan, beschouwde hem met een rustigen blik, doch, toen hij haar naam had genoemd, drukte zij eensklaps haar beide handen voor de oogen, en weende tranen, de eerste weldadige tranen na dien akeligen nacht.
Sedert twee jaren staat het buitengoedWater-zichtledig. Oscar Halmon is met het herstelde pleegkind van oom en tante Brolet, Hanske Ritter, in den echt getreden. Zij wonen in een fraai huis te ’s Gravenhage, en de oudelui hebben een woning twee huizen verder.
Hansje Halmon, de gelukkige gade, zij was in een harde leerschool geweest, maar ja, zij had er geleerd, hoe God de hoovaardigen kan treffen, en met innigen dank voor hare redding, ondervindt zij het nu, hoe wezenlijke liefde in eenvoud des harten, veredelt en waarlijk gelukkig maakt.
Wel verre van te huiveren bij het herdenken van haar afkomst, eert zij de nagedachtenis van een vader, die om harentwille zooveel zielesmart had geleden; zij zegent Gods bestiering, die haar den vader deed hervinden, tot zijn eigen vrede, en tot welzijn vanhaartijdelijk en eeuwig heil, en, nabij die plek waar eenmaal de hut van den grijsaard stond, kocht zij een kleine hoeve, waarin zij het paar gelukkig maakte, ’t welk dien armen vader had liefgehad.
En de diplomaat....? Hij heeft met zijn gade God gedankt. Hij gelooft, ja hij gelooft aan een hoogere Macht, al begrijpt hij de wereld en hare raadselen niet.
Ritters Hans stierf, maar Ritters Hanske leeft nog, en eenmaal hoopt ze haar arme ouders der aarde, rijk en zalig in den hemel weder te zien.