Chapter 9

“Willem!’t Is nu ruim acht weken geleden dat ik op dien verwenschten avond mijn poot brak. Verscheidene malen heb ik mijn oppasser naar je toe gezonden, om te hooren wat je toch scheelde, maar telkens zond je lamme huisploert de boodschap terug: dat mijnheer erg zwak was, en dat de pil had verboden iemand bij je toe te laten.Dat ik beroerd ben behoef ik je niet te zeggen: ’en houten poot om zoo’n ellendige meid! Ik kan dol worden als ik in mijn spion tuur en de flauwste kerels vrij en vlug over straat zie loopen. Je moet wel heel beroerd zijn Willem! anders zou je mij niet zoo alleen laten liggen, want nog altijd bromt de Chir.-Maj., dat ik rust moet houden. Wanneer je nu maar eenigszins kunt, smijt dan de medicijnflesch weg, en kom mij bezoeken. Geloof maar dat ik er vrij wat erger aan toe ben dan jij het wezen zult. Je bent een goeje kerel maar te hyp van natuur. Als je van avond komt, danzul je een heerlijk glas punch hebben; Schudhiel komt ook—een prettige kerel, die me heel wat opvroolijkt.—Hij beloofde keurige platen te zullen meebrengen, die hij te Parijs heeft opgedaan; ik geloof vijfcahiers, onder den titel: “Délices,” in ’tgenrevan Alexander V. H., maar zonder doodkisten en flauwe zedepreken er bij;enfin, nous verrons!Laat je door geen doktergelamenteer terughouden. ’t Weer is wel wat guur, maar, zoo ’t een kou is die je vatte, moet je aan ’t spreekwoord denken: “breng de kou waar j’m haalde.”Enfin, ik ben er lam aan toe, en had al eerder geschreven, zoo ik niet onbeweeglijk stil had moeten liggen, en nú nog schrijf ik in een liggende houding.—V........ ongelukkig, vind je niet!Soit! ’en been is maar ’en been. Als je soms later eens uit wilt, dan zal Schudhiel je man zijn.BonjourWillem!—geef antwoord aan brenger dezes.t. à. t.J. Van Meerle.”Juist op het oogenblik dat Willems dokter de trap wilde opgaan, om zijn patiënt te bezoeken, hoorde hij de stem van Van Meerles oppasser achter zich, die aan de dienstmeid den brief overhandigde, met de woorden:“Van den luitenant Van Meerrle, voor mijnheerrr boven.—Bescheid as je blieft.”De dokter keerde terug, en verzekerde den knecht dat de lijder te zwak was om brieven, van wie zij ook kwamen, te lezen, terwijl hij er bijvoegde: volgaarne den luitenant, zoo hij zulks verkoos, van den toestand zijns pupils te komen verslag doen, dewijl het dezen mede onmogelijk was om een letter bescheid te geven.“Zeerrr wél!” klonk het antwoord, en de oppasser maakte rechts-om-keer.Wat er in de ziel van den luitenant omging toen de brave arts—die, bij al hetgeen voor oogen was, toch den helschen toeleg van den voogd niet vermoedde—hem den zeer bedenkelijken toestand van den jongen patiënt had meegedeeld...? wij laten de beantwoording dier vraag aan den denkenden lezer over, maar verklaren toch, dat wij met den geneesheer, op het verbleekte gelaat van den luitenant een trek ontwaarden alsof—alsof een zegevierende lach met geweld door hem onderdrukt werd, en verzekeren tevens, dat hij van dat oogenblik af aan, met belangstelling (?) twee malen daags door zijn oppasser naar den welstand van zijn jongen vriend deed “informeeren.”En Geertje hield bij haar zoogkind de wacht.Met trouwe en moederlijke bezorgdheid voorkwam zij zijn geringste wenschen, en sprak—wanneer zij zulks voor zijn welzijn niet nadeelig oordeelde—niet zelden over zijn hoogere belangen. Over het verledene repte zij geen woord; over het verledene in zooverre het aan zijn zondige leefwijze kon herinneren; maar welsprak Geertje haar voedsterzoon over datververleden, toen hij als kind vroolijk en blij het leven te gemoet huppelde; en o, het was hem zoo goed die tijden te herdenken, en in den geest nogmaals die onschuldige kinderjaren te doorleven. Ja, ook somwijlen moest zij verhalen van ’t geen haar zelve weervoer sedert zij naar hare geboorteplaats uit de haar zoo dierbaar geworden omgeving vertrokken was; en wanneer Frans,—die op Willems uitdrukkelijk verlangen, tegen een ruime belooning de boodschappen deed—zich mede in het vertrek bevond, dan verlangde Willem niet zelden dat de zoogbroeder zich aan zijn zijde zou nederzetten. En wanneer hij dan somtijds zijn hand vatte, dan zag hij hem met zijn doffe oogen zoolang en zóó veelbeteekenend aan, dat Frans er verlegen van werd en een kleur kreeg, totdat de lijder eindelijk het hoofd afwendde en dan gewoonlijk zuchtte: “Een moeder! Een goede moeder! God nam de mijne, maar Frans, de uwe heeft Hij mij wedergegeven!” O! en wanneer er dan een dankbare lach om Willems lippen speelde, en Frans ook opgewekt en met een blij gelaat zijn moeder toeknikte, dan juichte Geertje in stilte: “God, ik dank U!” want dan zag zij weer een lach van overeenstemming op die beide aangezichten, de lach der broeders van denzelfden—vanharenboezem.Slechts weinig sprak Willem, doch gaarne luisterde hij naar Geertje, en, wekte het zijn belangstelling háár levensloop te vernemen, evenzeer was hij verlangend naar hetgeen er sedert hun afscheid vanLandheil, met Frans gebeurde. Hij was er verlangend naar, en toch had hij tot nu toe dat verlangen niet bekend gemaakt.Omdat hij doorgaans dof en uiterst zwak was, dacht Geertje dat Willem niet op het denkbeeld kwam er naar te vragen; doch, vermoedelijk zijn wij der waarheid meer nabij, zoo we ons den ongelukkige aarzelende voorstellen om weder van een ontmoeting te gewagen, die hem de wreede rol van verloochenaar deed spelen. Intusschen—zoo ons vermoeden gegrond is—dan behaalde Willems belangstelling de zegepraal over zijn verschoonbaar aarzelen, en na vergiffenis voor het leed te hebben gevraagd, ’t welk hij Frans bij de eerste ontmoeting in de G....steeg moest veroorzaakt hebben, vernam hij, met de eenvoudige en weinig belangrijks bevattende geschiedenis van den jongen, ook de pijnlijke reden waarom hij verstooten was, en thans door allen gewantrouwd werd, alsmede hoe zijn hoop werd vernietigd om eenmaal aan Mathildes zijde gelukkig te worden.Dankbare vreugde straalde er uit de blikken van Frans en zijne moeder, toen de zwakke stem van Willem de waarheid betreffende het muntbiljet aan ’t licht bracht. Goddank!hijwas het dan waarlijk! De valsche beschuldiger kon gelogenstraft worden, indien God den lijder, zooals hij zelf smeekte, daartoe de krachten nog sparen wilde.’t Was Zondagmorgen. Willem lag te bed. Frans was beneden om goedwillig een kleinen dienst aan den eigenaar der woning te bewijzen, en Geertje trad met een bord, waarop een paar beschuiten lagen, naar het ledikant.“’t Is Zondag, nietwaar moeder Geertje?” vroeg Willem toen hij haar ontwaarde.“Ja, Willem, ’t is Zondag,” antwoordde de vrouw.“En je zult zeker met Frans naar de kerk gaan?”“Neen, dat kan niet. Frans zal gaan, maar ik blijf te huis; je kunt me noodig hebben.”“Ga gerust Geertje,” hernam de knaap: “ik heb je heusch niet noodig. Waarlijk, gaat beiden.’t Is immers goed naar de kerk te gaan?”“Ja, mijn goede Willem,” hernam Geertje: “doch wij kunnen van déze kamer óók de kerk maken, indien ik je een gebed, een kapittel uit den Bijbel, en een der mooiste gezangen voorlees.”“Lieve Geertje! hoor eens....”“Welnu Willem...?”“Je doet me graag genoegen, nietwaar?”“Willem! je twijfelt toch niet?”“Neen Geertje; maar zie je, dan moest je dezen morgen met Frans naar de kerk gaan. Dan kun je me vertellen wat de dominee preekte. Watjijmocht vergeten, zal Frans wel onthouden, en wat hém ontging zal jou in ’t geheugen zijn gebleven. Zeg, zul je ’t doen?”“Maar Willem, waarom toch?”“Om mij genoegen te doen, wie weet hoe kort je ’t nog maar doen kunt!”Vrouw Geertje wischte een traan weg, en zei: dat het toch beter was te blijven, want dat juffrouw beneden óók ging, en slechts mijnheer en de meid te huis bleven.—Willem gaf evenwel nogmaals zóó dringend zijn verlangen te kennen, dat zij eindelijk beloofde aan het verzoek te zullen voldoen. Werkelijk stapte zij dan ook een half uur later, na de kamer in orde te hebben gebracht, met een hartelijken groet ter deure uit, terwijl zij beneden nog aan de meid verzocht om van tijd tot tijd eens te luisteren of mijnheer boven ook soms iets noodig had.Willem lag nog rustig te bed toen hij de voordeur achter vrouw Geertje en haar zoon hoorde toedoen.Zie, daar heft hij langzaam het hoofd omhoog; klemt zijn schier doorzichtige vingeren om den beddekwast; schuift met de grootste inspanning de beenen vooruit over de zijplank van het ledikant, en glijdt eindelijk, terwijl hij nu de gordijnen tot steunsel vat, langzaam langs die zijplank tot voor het bed neder. Blijkbaar heeft hem deze verrichting ten zeerste vermoeid, want hij blijft op het vloerkleed liggen, roerloos; Hemel! alsof—doch neen, zie, daar opent hij weder de oogen, en zijn hand grijpt den poot van den nabijstaanden voltaire. Een poging om zich op te richten is vruchteloos.—Nog eene, tevergeefs. Wat zucht hij treurig! Zie een laatste, een geweldige krachtsinspanning.—Ha! zij is hem gelukt.—Nóg eenpijnlijk pogen, nóg een krampachtig vastklemmen, en, ja—amechtig zit hij in den grooten leunstoel. Weder duurt het ettelijke minuten eer Van Male blijken geeft dat het leven nog in hem is; maar eindelijk, zie, alles aanvattende wat in staat is weerstand te bieden, schuift hij zich met den voltaire, waaronder kleine raderen zijn—vooruit, na alvorens een deken tot deksel van het ledikant te hebben getrokken. Zie, tot bij de secretaire in gindschen hoek rolt hij zich langzaam voort;—een verborgen zijlade trekt hij open, en neemt er den ring uit die zijne sleutels verbindt.—De secretaire wordt geopend, en—’t is met een gil van ontzetting dat Willem in den leuningstoel terugzinkt, want—in het kleine spiegelglas binnen dat meubel, heeft hij het beeld weergezien van hem, die zich zoo dikwijls aan zijn geest vertoonde,—het beeld van den beenigen sikkelvoerder, maar nu volmaakt gelijkende op hem—den arme zelven.De naburige torenklok slaat tien. Reeds meer dan een half uur is er van den tijd verstreken, dien Willem den zijne rekent. Zie, weder heft hij zich op; schuift den stoel ter zijde, zoodat hij schuins voor den lessenaar zit; neemt vervolgens een blad papier uit een lade, en doopt de pen, welke hij ter hand nam, in den bijna verdroogden inkt.’t Is ook lang geleden dat hij voor de laatste maal schreef. Aan wie....? Hij rilt; misschien bij de gedachte aan de laaggezonkene, die de laatste letters van hem ontving. De pen beeft hem in de hand, maar toch hij schrijft—doch slechts een luttel tal woorden.Het blad wordt tot een brief gevouwen en met een ouwel verzegeld. Nu schrijft hij een kort adres, en—ruim een kwartier later ligt Willem als straks op zijn legerstede, doch weet zelf niet hoe het hem gelukte haar in dien ellendigen toestand weder te bereiken.Halfelf bromt de torenklok. Met een zenuwachtigen schok grijpt Van Male de tafelschel, die vrouw Geertje op het nachttafeltje bezijden het bed plaatste, en schelt krachtig, één—twee—drie malen.’t Duurt niet lang of de dienstmeid steekt haar hoofd binnen de kamer, en vraagt met een onthutst gelaat: of mijnheer iets noodig heeft?“Jane, dit briefje moet terstond bezorgd worden,” zegt de jonkman met zwakke stem.Demeidtreedt binnen, en met zekeren schroom nader komende, neemt zij het briefje, belooft hetterstondte zullen bezorgen én verzekert dat ze zeer goed weet waar het wezen moet; dicht in de buurt, circa tien deuren ver, op het groote bovenhuis.Mogen er onder de jonge vrouwelijke dienstboden maar weinigen zijn die zedig, trouw en eerlijk kunnen genoemd worden;—hoewel de beide laatste hoedanigheden schier in alle getuigschriften vermeld staan,—zeer zeker behoort het tot de groote zeldzaamheden een dienstmeid te bezitten, die—vlug boodschappen doet; doch, eere wie eere toekomt; Jane was niet alleen zedig, trouw en eerlijk,maar ook de laatstgenoemde onschatbare deugd betrachtte zij steeds met nauwgezetheid, en ’t scheen den wachtenden lijder—wachten valt altijd lang—slechts een verloop van weinige minuten te zijn geweest, waarin het meisje den haar opgedragen last volbracht, zoodat hij haar goedkeurend en vriendelijk toeknikte toen zij de boodschap gaf: dat mijnheer oogenblikkelijk verschijnen zou.’t Was een lang heer die werkelijk na verloop van eenige minuten de trap opklom en aan Van Males kamerdeur tikte.“Binnen!” klonk het zacht. De heer trad de kamer in, en na eenige voor ons onverstaanbare woorden van den lijder, waarvan het laatste “sluiten,” kan geweest zijn, wordt de kamerdeur van binnen in het slot gedraaid, en hooren wij—niets.Kort slechts had het onderhoud geduurd toen de lange heer weer de kamer en straks de woning verliet.Elf slaat het buiten, en de huisschel roept de dienstmeid naar voren, die daarop nogmaals den langen heer—’t moet zeker een vriend of een schuldeischer van den lijder zijn—met nog twee andere vrienden of schuldeischers—binnen laat, welke nu achtereenvolgend de trap beklimmen, en na een: tikken, en “Binnen!” te zamen Willems kamer intreden, terwijl de deur opnieuw terstond in het slot wordt gedraaid.Tien minuten later verlaat het driemanschap—wij meenen met tevreden aangezichten—de woning, en Willem ligt akelig roerloos in het ledikant, en heeft een ontzettende gelijkenis met den man, die weder in de plooien der bedgordijnen staat, en nu eene groote schrede voorwaarts doet.Halftwaalf had de torenklok geslagen toen Geertje, uit de kerk terugkomende, de ziekenkamer weder binnentrad.Frans bekwam van zijn moeder verlof om den vroeger door Willem geuiten wensch aan baas Schorel te gaan bekendmaken, dat deze tegen den avond—daar het toch Zondag was—eens bij hem zou komen, ten einde—hij moest niets méér zeggen—een belangrijk nieuws te vernemen. Alleen het denkbeeld, de woning weder te zullen betreden, waarbinnen de dierbare Thilde zich bevond, had Frans reeds ’t bloed naar ’t voorhoofd gedreven, en hoe hij er dus uitzag toen hij werkelijk den hem zoogoed bekenden winkel binnentrad, zal geen vermelding behoeven.Intusschen laten wij Frans—die aan zijne moeder beloofde spoedig te zullen wederkeeren, dewijl hij haar bij ’t verhalen van de preek moest behulpzaam zijn—zijn bezoek in de G....steeg afleggen, en vinden vrouw Geertje in de grootste onrust bij Willems legerstede terug, met ongeduld op de komst van den dokter wachtende, om wien zij bij haar tehuiskomst terstond gezonden had.“Och Willem, Willem! waarom heb ik je verlaten!” riep de goede vrouw telkens, terwijl zij alles beproefde om haar zoogkind tot bewustzijn terug te roepen, en daarin al spoedig werd bijgestaan door de eigenaars van het huis, die op haar geroep met Jane waren toegesneld.’t Was de geneesheer eindelijk, die, na den patiënt nauwkeurig te hebben onderzocht, de hulpvaardige lieden verzocht in stilte te vertrekken, en der bezorgde vrouw Geertje verzekerde dat Van Male slechts in een flauwte lag, zoodat men voor ’t oogenblik niets te vreezen had.Voor ’t oogenblik, neen, want inderdaad ontwaakte Willem tegen den middag uit die lange, zeer lange bezwijming.Hemel, wat is die blik droevig en mat! Diep schokt hij de vrouw die haar kind—ja, háár kind was hij weder—geen oogenblik uit het oog had verloren.“Willem! zie je mij niet meer?” spreekt zij zacht.Er verloopen eenige seconden eer de jongeling een “Ja,” doet hooren.Weder ligt hij roerloos; opnieuw heeft een flauwte hem vermeesterd, en het daglicht heeft reeds uitgeschenen eer de zoogmoeder hem in de oogen ziet, in de oogen, die haar treffend de oogen van haar echtvriend herinneren, toen zij die sloot nadat hij gestorven was.“Willem! zeg, wil je iets? Kan Geertje iets voor je doen? Zie, ik sta hier bij je.... Je ziet me immers wel? En hier is Frans.—Willem! Ben je koud dat je zoo huivert?” Zoo spreekt en vraagt de bewogen vrouw; maar ze wendt daarna het hoofd, want ze wil niet dat hare tranen hem zullen bedroeven. En Frans, hij wordt ook zoo heel akelig; hij kan het niet goed aanzien, en fluistert: “Moeder zal ik naar den dokter gaan?” En Geertje knikt; en Frans verwijdert zich snel om weder den arts te halen.—Ach! alsof een geneesheer den mensch in ’t leven behouden kon!“Geertje!” steunt eensklaps de jongeling, die zóó nabij de poorte van het eeuwige Godshuis staat: “Gelooven—is—het—niet...?”“Ja, gelooven Willem! O! vast gelooven Willem!” zegt vrouw Geertje haastig, en brengt haar oor nader bij den spreker, vreezende dat één klank haar ontsnappen zal.“Geertje! dank!—Frans! dank!” klinkt het weder, en ofschoon Frans er niet is, zoo spreekt Geertje niet, want ze heeft moeite een luid snikken te weerhouden, maar ze vat de hand, die zich op het dekkleed roert, drukt die, voor haar zelve en voor haar zoon, en hoort een nog flauwer: “Bidden!—Vader!—vergeef—gelijk—wij,”—en terwijl de linkerhand een wending naar de andere zijde van het bed maakt, klinkt het nogmaals: “Dank!” waarna de laatste levenskracht wordt aangewend om der vrouw een papier toe te reiken dat zij werktuiglijk aanneemt.En toen—toen deed de rammelende man, die zoolang in de plooien der gordijnen stond, nog een schrede voorwaarts, drukte de hand zachtjes op de borst van zijn vriend, en de laatste ademtocht vlood “naar het Huis des Eeuwigen Vaders, naar het eeuwige Huis waarinvelewoningen zijn.”De taak, die de zoogmoeder op zich nam, was volbracht. Willem, de goede maar verwaarloosde jongen was gestorven.—De dokter verklaarde dat de kunst was te kort geschoten.—Geertje schreide bitter. Frans staarde strak op het lijk van den zoogbroeder. De heer des huizes kwam boven, ook zijne vrouw, benevens Jane die den boezelaar voor de oogen had, en de oppasser van den luitenant Van Meerle bracht zijn meester de tijding:“Complement en dat de jonge heer overleden is?”“Kerel! wat zeg je?” riep Van Meerle, toen zijn dienaar de boodschap had overgebracht: “Is de jongeheer Van Male werkelijk dood?”“Om u te dienen luitenant!”“Dienen, dienen!” herhaalde Van Meerle in gedachten, terwijl er op zijn gelaat een vreemdsoortige uitdrukking te lezen stond.“Dat is te zeggen,” antwoordde de oppasser eenigszins onthutst: “dat ik den luitenant condoleer. Nog iets van uwe orders...?” liet hij er op volgen, en bracht te gelijk de voorste vingers der rechterhand aan den slaap van zijn hoofd.“Ben je nog niet te weten gekomen Albert, wie mijn neef verzorgde?”“Eene vrouw, om u te dienen luitenant!”“Dienen! Maar welke vrouw, voor den d.....? Hoe heet zij?”“A ja, ik informeerrrde,” klonk het antwoord, terwijl de spreker een gezicht zette alsof hij den naam uit het vloerkleed wilde halen: “Een vóórnaam, luitenant! een vóórnaam, weet u, metsener achter. A juist, Janssen! om u te dienen.”“Alleen?”“Dat is te zeggen, ik geloof ja luitenant! behalve een meid van den boekverkooper, ’en preutsch ding, om u te dienen!”“Zwijg! Over een halfuur terug, geen minuut later.”“Nog iets van uwe orderrrs?”“Vertrek! Neen, wacht.... Geef die cassette. Zóó, hier!—“Nadat de oppasser eindelijk vertrokken is, verspreidt er zich een helsche lach over Van Meerles gelaat, en ijlings zet hij zich aan ’t schrijven.Het halve uur ternauwernood verloopen zijnde, keert de oppasser terug, en krijgt in last om den brief voor Gelderland terstond te bezorgen, en de andere commissies—de advertentie voor ’t “Handelsblad,” en de vigilante bij den sleeper vooral niet te vergeten.Nog dien zelfden avond kwam Joost Van Meerle, ondanks het streng verbod van zijn medicus en de pijn, die hij door de ongewone beweging te verduren had, in persoon naar het sterfhuis, om—een oog in ’t zeil te houden, en er te blijven totdat zijn vader zou zijn gekomen of procuratie zou hebben overgemaakt.Bij de droefheid, welke Geertje vervulde, was het alsof een adder haar in den boezem stak, toen in het late avonduur, de deur van het doodsvertrek werd geopend, en een man—in wien zij terstond haar beleediger van nu tien jaar geleden, Willems verderfelijken voogd Van Meerle herkende—op den arm van een soldaat geleund, binnenstrompelde.De lezer zal het ons zeker ten goede houden, dat wij hem in dit stille doodsvertrek niet de woorden van den man doen hooren, die de helaas onstrafbare moordenaar van het hem toevertrouwde kind was geworden. Neen, wij laten Joost Van Meerle niet spreken in de tegenwoordigheid van Willems stoffelijk overschot. Gij zijt gelukkig, koud lijk! dat ge uw voormaligen opvoeder evenmin zult hooren. Maar, arme Geertje! goede, brave, trouwe, godvruchtige Geertje! met ú gevoelen wij het diepste medelijden, daar u alras de bitterste en beleedigendstewoorden zullenworden toegevoegd.En, zij bleef bedaard; zij sprak van een dierbaren en heiligen plicht dien zij vervulde. God was zij dankbaar, die haar zóó geleid had, dat zij het woord, eenmaal aan een vader gegeven, had kunnen gestand doen. Neen waarlijk, zij beoogde geen winst. Waarlijk, geen stuiver had zij begeerd of genoten boven het loon, ’t welk haar in staat stelde om de noodigste behoeften en de huur van haar eigen kamertje te betalen.—Inderdaad, alles was hier gebleven zooals zij het op die kamers gevonden had.Maar dat papier....? dát papier—’t welk immers werktuiglijk door haar in den zak gestoken, nu uit hare kleeding te voorschijn kwam....? Zij weet niet—het is—zij ziet.... Hemel! kan zij haar oogen gelooven!? Die woorden: “Eenige en algeheele erfgename....” Zij herhaalt ze luide;—het duizelt haar; en—zij hoort het gebrul dat de kamer vervult: zij staat roerloos; verneemt woorden en vervloekingen, die haar ’t hart doen krimpen; en terwijl zij op een kalmen en waardigen toon zegt: “Zie dan hoe snood en boosaardig mijn opzet was,” scheurt ze het blad in verscbeidene stukken, juist op het oogenblik dat Joost Van Meerle, die, zijn eigen ellendigen toestand geheel vergetende, uit zijn zetel was opgesprongen, met een pijnlijken kreet op den grond en voor hare voeten nedervalt.Brave Geertje! gij hebt liefgehad; wat gij gemeend hebt dat verloren was, hebt gij behouden; aan uw arm verdoold zoogkind hebt gij den vrede op het sterfbed en de hoop op een betere toekomst geschonken; toen ge u reeds op aarde een schitterend loon zaagt bereid, toen hebt ge geweigerd, en, weinig ervaren in die zaken, hebt ge het bewijs dier belooning vernietigd, omdat gij uw loon in den hemel bewaard wist.—Maar toch, trouwe zoogmoeder! het laatste werk van uw Willem was een wél doordacht werk, ofschoon het hem nader tot zijn einde voerde. Geertje! wettig zijt gij Van Males erfgename; want het wettige testament berust in handen van den langen notaris.En ja—wat ook verdonkerd of verbrast werd: Van Males nalatenschap, uit de handen zijner bloedverwanten gered, mocht, althansvoor haar, de arme, een schitterende erfenis genoemd worden. De Wet stelde die in hare handen, en de wet der Natuur—de liefde voor haren Frans—deed Geertje eindelijk besluiten die dankbaar te aanvaarden. ’t Smartte haar niet dat ze geen enkel bewijs van dank ontving voor de aanzienlijke som, welke zij aan de Van Meerles afstond,—neen, maar biddende beval zij Gode den armen zondaar aan, die door zijn laatsten val nog ellendiger werd, en—met pensioen, een gebrekkig lichaam moest omdragen.En Schorel. Op dien Zondagmorgen had hij met bitse woorden den goeden Frans de deur gewezen; maar, zeven of acht Zondagen later, zat hij met een bijzonder vriendelijk gelaat in een net huisje op de P....gracht, ’t welk door de weduwe Willems bewoond werd; en hij verklaarde, dat Frans steeds een beste jongen geweest was, en dat een mensch zich in drift wel vergissen kan; en dat vrouw Geertje goed had gedaan, voor haar zoon die kruidenierszaak in de W....straat te koopen; en, dat hij blijde was, dat Thilde niet de vrouw van een ouden en vrekkigen spekslager geworden was, maar, het vrouwtje van den goeden braven Frans zou wezen.Dankbaar sloot Frans zijn Thilde aan ’t hart; dankbaar legde hij in ’t Godshuis zijn hand in de hare; dankbaar voerde hij haar naarzijnewoning, en dankbaar legde hij, twee jaren later, het kind van Thilde en hem, grootmoeder Geertje op den schoot, en—het dierbare kleinkind beschouwende, kwamen de beide gezichtjes van Willem en Frans,—toen ze nog even klein en rond waren—vrouw Geertje voor den geest, en zij zag ze weder in haar verbeelding lachen.... lachen—zooals zij vurig bad, dat ze lachen zouden indien zij elkander in reiner oorden eenmaal mochten wederzien.1De lezer gelieve het getal naar goedvinden in te vullen.

“Willem!’t Is nu ruim acht weken geleden dat ik op dien verwenschten avond mijn poot brak. Verscheidene malen heb ik mijn oppasser naar je toe gezonden, om te hooren wat je toch scheelde, maar telkens zond je lamme huisploert de boodschap terug: dat mijnheer erg zwak was, en dat de pil had verboden iemand bij je toe te laten.Dat ik beroerd ben behoef ik je niet te zeggen: ’en houten poot om zoo’n ellendige meid! Ik kan dol worden als ik in mijn spion tuur en de flauwste kerels vrij en vlug over straat zie loopen. Je moet wel heel beroerd zijn Willem! anders zou je mij niet zoo alleen laten liggen, want nog altijd bromt de Chir.-Maj., dat ik rust moet houden. Wanneer je nu maar eenigszins kunt, smijt dan de medicijnflesch weg, en kom mij bezoeken. Geloof maar dat ik er vrij wat erger aan toe ben dan jij het wezen zult. Je bent een goeje kerel maar te hyp van natuur. Als je van avond komt, danzul je een heerlijk glas punch hebben; Schudhiel komt ook—een prettige kerel, die me heel wat opvroolijkt.—Hij beloofde keurige platen te zullen meebrengen, die hij te Parijs heeft opgedaan; ik geloof vijfcahiers, onder den titel: “Délices,” in ’tgenrevan Alexander V. H., maar zonder doodkisten en flauwe zedepreken er bij;enfin, nous verrons!Laat je door geen doktergelamenteer terughouden. ’t Weer is wel wat guur, maar, zoo ’t een kou is die je vatte, moet je aan ’t spreekwoord denken: “breng de kou waar j’m haalde.”Enfin, ik ben er lam aan toe, en had al eerder geschreven, zoo ik niet onbeweeglijk stil had moeten liggen, en nú nog schrijf ik in een liggende houding.—V........ ongelukkig, vind je niet!Soit! ’en been is maar ’en been. Als je soms later eens uit wilt, dan zal Schudhiel je man zijn.BonjourWillem!—geef antwoord aan brenger dezes.t. à. t.J. Van Meerle.”Juist op het oogenblik dat Willems dokter de trap wilde opgaan, om zijn patiënt te bezoeken, hoorde hij de stem van Van Meerles oppasser achter zich, die aan de dienstmeid den brief overhandigde, met de woorden:“Van den luitenant Van Meerrle, voor mijnheerrr boven.—Bescheid as je blieft.”De dokter keerde terug, en verzekerde den knecht dat de lijder te zwak was om brieven, van wie zij ook kwamen, te lezen, terwijl hij er bijvoegde: volgaarne den luitenant, zoo hij zulks verkoos, van den toestand zijns pupils te komen verslag doen, dewijl het dezen mede onmogelijk was om een letter bescheid te geven.“Zeerrr wél!” klonk het antwoord, en de oppasser maakte rechts-om-keer.Wat er in de ziel van den luitenant omging toen de brave arts—die, bij al hetgeen voor oogen was, toch den helschen toeleg van den voogd niet vermoedde—hem den zeer bedenkelijken toestand van den jongen patiënt had meegedeeld...? wij laten de beantwoording dier vraag aan den denkenden lezer over, maar verklaren toch, dat wij met den geneesheer, op het verbleekte gelaat van den luitenant een trek ontwaarden alsof—alsof een zegevierende lach met geweld door hem onderdrukt werd, en verzekeren tevens, dat hij van dat oogenblik af aan, met belangstelling (?) twee malen daags door zijn oppasser naar den welstand van zijn jongen vriend deed “informeeren.”En Geertje hield bij haar zoogkind de wacht.Met trouwe en moederlijke bezorgdheid voorkwam zij zijn geringste wenschen, en sprak—wanneer zij zulks voor zijn welzijn niet nadeelig oordeelde—niet zelden over zijn hoogere belangen. Over het verledene repte zij geen woord; over het verledene in zooverre het aan zijn zondige leefwijze kon herinneren; maar welsprak Geertje haar voedsterzoon over datververleden, toen hij als kind vroolijk en blij het leven te gemoet huppelde; en o, het was hem zoo goed die tijden te herdenken, en in den geest nogmaals die onschuldige kinderjaren te doorleven. Ja, ook somwijlen moest zij verhalen van ’t geen haar zelve weervoer sedert zij naar hare geboorteplaats uit de haar zoo dierbaar geworden omgeving vertrokken was; en wanneer Frans,—die op Willems uitdrukkelijk verlangen, tegen een ruime belooning de boodschappen deed—zich mede in het vertrek bevond, dan verlangde Willem niet zelden dat de zoogbroeder zich aan zijn zijde zou nederzetten. En wanneer hij dan somtijds zijn hand vatte, dan zag hij hem met zijn doffe oogen zoolang en zóó veelbeteekenend aan, dat Frans er verlegen van werd en een kleur kreeg, totdat de lijder eindelijk het hoofd afwendde en dan gewoonlijk zuchtte: “Een moeder! Een goede moeder! God nam de mijne, maar Frans, de uwe heeft Hij mij wedergegeven!” O! en wanneer er dan een dankbare lach om Willems lippen speelde, en Frans ook opgewekt en met een blij gelaat zijn moeder toeknikte, dan juichte Geertje in stilte: “God, ik dank U!” want dan zag zij weer een lach van overeenstemming op die beide aangezichten, de lach der broeders van denzelfden—vanharenboezem.Slechts weinig sprak Willem, doch gaarne luisterde hij naar Geertje, en, wekte het zijn belangstelling háár levensloop te vernemen, evenzeer was hij verlangend naar hetgeen er sedert hun afscheid vanLandheil, met Frans gebeurde. Hij was er verlangend naar, en toch had hij tot nu toe dat verlangen niet bekend gemaakt.Omdat hij doorgaans dof en uiterst zwak was, dacht Geertje dat Willem niet op het denkbeeld kwam er naar te vragen; doch, vermoedelijk zijn wij der waarheid meer nabij, zoo we ons den ongelukkige aarzelende voorstellen om weder van een ontmoeting te gewagen, die hem de wreede rol van verloochenaar deed spelen. Intusschen—zoo ons vermoeden gegrond is—dan behaalde Willems belangstelling de zegepraal over zijn verschoonbaar aarzelen, en na vergiffenis voor het leed te hebben gevraagd, ’t welk hij Frans bij de eerste ontmoeting in de G....steeg moest veroorzaakt hebben, vernam hij, met de eenvoudige en weinig belangrijks bevattende geschiedenis van den jongen, ook de pijnlijke reden waarom hij verstooten was, en thans door allen gewantrouwd werd, alsmede hoe zijn hoop werd vernietigd om eenmaal aan Mathildes zijde gelukkig te worden.Dankbare vreugde straalde er uit de blikken van Frans en zijne moeder, toen de zwakke stem van Willem de waarheid betreffende het muntbiljet aan ’t licht bracht. Goddank!hijwas het dan waarlijk! De valsche beschuldiger kon gelogenstraft worden, indien God den lijder, zooals hij zelf smeekte, daartoe de krachten nog sparen wilde.’t Was Zondagmorgen. Willem lag te bed. Frans was beneden om goedwillig een kleinen dienst aan den eigenaar der woning te bewijzen, en Geertje trad met een bord, waarop een paar beschuiten lagen, naar het ledikant.“’t Is Zondag, nietwaar moeder Geertje?” vroeg Willem toen hij haar ontwaarde.“Ja, Willem, ’t is Zondag,” antwoordde de vrouw.“En je zult zeker met Frans naar de kerk gaan?”“Neen, dat kan niet. Frans zal gaan, maar ik blijf te huis; je kunt me noodig hebben.”“Ga gerust Geertje,” hernam de knaap: “ik heb je heusch niet noodig. Waarlijk, gaat beiden.’t Is immers goed naar de kerk te gaan?”“Ja, mijn goede Willem,” hernam Geertje: “doch wij kunnen van déze kamer óók de kerk maken, indien ik je een gebed, een kapittel uit den Bijbel, en een der mooiste gezangen voorlees.”“Lieve Geertje! hoor eens....”“Welnu Willem...?”“Je doet me graag genoegen, nietwaar?”“Willem! je twijfelt toch niet?”“Neen Geertje; maar zie je, dan moest je dezen morgen met Frans naar de kerk gaan. Dan kun je me vertellen wat de dominee preekte. Watjijmocht vergeten, zal Frans wel onthouden, en wat hém ontging zal jou in ’t geheugen zijn gebleven. Zeg, zul je ’t doen?”“Maar Willem, waarom toch?”“Om mij genoegen te doen, wie weet hoe kort je ’t nog maar doen kunt!”Vrouw Geertje wischte een traan weg, en zei: dat het toch beter was te blijven, want dat juffrouw beneden óók ging, en slechts mijnheer en de meid te huis bleven.—Willem gaf evenwel nogmaals zóó dringend zijn verlangen te kennen, dat zij eindelijk beloofde aan het verzoek te zullen voldoen. Werkelijk stapte zij dan ook een half uur later, na de kamer in orde te hebben gebracht, met een hartelijken groet ter deure uit, terwijl zij beneden nog aan de meid verzocht om van tijd tot tijd eens te luisteren of mijnheer boven ook soms iets noodig had.Willem lag nog rustig te bed toen hij de voordeur achter vrouw Geertje en haar zoon hoorde toedoen.Zie, daar heft hij langzaam het hoofd omhoog; klemt zijn schier doorzichtige vingeren om den beddekwast; schuift met de grootste inspanning de beenen vooruit over de zijplank van het ledikant, en glijdt eindelijk, terwijl hij nu de gordijnen tot steunsel vat, langzaam langs die zijplank tot voor het bed neder. Blijkbaar heeft hem deze verrichting ten zeerste vermoeid, want hij blijft op het vloerkleed liggen, roerloos; Hemel! alsof—doch neen, zie, daar opent hij weder de oogen, en zijn hand grijpt den poot van den nabijstaanden voltaire. Een poging om zich op te richten is vruchteloos.—Nog eene, tevergeefs. Wat zucht hij treurig! Zie een laatste, een geweldige krachtsinspanning.—Ha! zij is hem gelukt.—Nóg eenpijnlijk pogen, nóg een krampachtig vastklemmen, en, ja—amechtig zit hij in den grooten leunstoel. Weder duurt het ettelijke minuten eer Van Male blijken geeft dat het leven nog in hem is; maar eindelijk, zie, alles aanvattende wat in staat is weerstand te bieden, schuift hij zich met den voltaire, waaronder kleine raderen zijn—vooruit, na alvorens een deken tot deksel van het ledikant te hebben getrokken. Zie, tot bij de secretaire in gindschen hoek rolt hij zich langzaam voort;—een verborgen zijlade trekt hij open, en neemt er den ring uit die zijne sleutels verbindt.—De secretaire wordt geopend, en—’t is met een gil van ontzetting dat Willem in den leuningstoel terugzinkt, want—in het kleine spiegelglas binnen dat meubel, heeft hij het beeld weergezien van hem, die zich zoo dikwijls aan zijn geest vertoonde,—het beeld van den beenigen sikkelvoerder, maar nu volmaakt gelijkende op hem—den arme zelven.De naburige torenklok slaat tien. Reeds meer dan een half uur is er van den tijd verstreken, dien Willem den zijne rekent. Zie, weder heft hij zich op; schuift den stoel ter zijde, zoodat hij schuins voor den lessenaar zit; neemt vervolgens een blad papier uit een lade, en doopt de pen, welke hij ter hand nam, in den bijna verdroogden inkt.’t Is ook lang geleden dat hij voor de laatste maal schreef. Aan wie....? Hij rilt; misschien bij de gedachte aan de laaggezonkene, die de laatste letters van hem ontving. De pen beeft hem in de hand, maar toch hij schrijft—doch slechts een luttel tal woorden.Het blad wordt tot een brief gevouwen en met een ouwel verzegeld. Nu schrijft hij een kort adres, en—ruim een kwartier later ligt Willem als straks op zijn legerstede, doch weet zelf niet hoe het hem gelukte haar in dien ellendigen toestand weder te bereiken.Halfelf bromt de torenklok. Met een zenuwachtigen schok grijpt Van Male de tafelschel, die vrouw Geertje op het nachttafeltje bezijden het bed plaatste, en schelt krachtig, één—twee—drie malen.’t Duurt niet lang of de dienstmeid steekt haar hoofd binnen de kamer, en vraagt met een onthutst gelaat: of mijnheer iets noodig heeft?“Jane, dit briefje moet terstond bezorgd worden,” zegt de jonkman met zwakke stem.Demeidtreedt binnen, en met zekeren schroom nader komende, neemt zij het briefje, belooft hetterstondte zullen bezorgen én verzekert dat ze zeer goed weet waar het wezen moet; dicht in de buurt, circa tien deuren ver, op het groote bovenhuis.Mogen er onder de jonge vrouwelijke dienstboden maar weinigen zijn die zedig, trouw en eerlijk kunnen genoemd worden;—hoewel de beide laatste hoedanigheden schier in alle getuigschriften vermeld staan,—zeer zeker behoort het tot de groote zeldzaamheden een dienstmeid te bezitten, die—vlug boodschappen doet; doch, eere wie eere toekomt; Jane was niet alleen zedig, trouw en eerlijk,maar ook de laatstgenoemde onschatbare deugd betrachtte zij steeds met nauwgezetheid, en ’t scheen den wachtenden lijder—wachten valt altijd lang—slechts een verloop van weinige minuten te zijn geweest, waarin het meisje den haar opgedragen last volbracht, zoodat hij haar goedkeurend en vriendelijk toeknikte toen zij de boodschap gaf: dat mijnheer oogenblikkelijk verschijnen zou.’t Was een lang heer die werkelijk na verloop van eenige minuten de trap opklom en aan Van Males kamerdeur tikte.“Binnen!” klonk het zacht. De heer trad de kamer in, en na eenige voor ons onverstaanbare woorden van den lijder, waarvan het laatste “sluiten,” kan geweest zijn, wordt de kamerdeur van binnen in het slot gedraaid, en hooren wij—niets.Kort slechts had het onderhoud geduurd toen de lange heer weer de kamer en straks de woning verliet.Elf slaat het buiten, en de huisschel roept de dienstmeid naar voren, die daarop nogmaals den langen heer—’t moet zeker een vriend of een schuldeischer van den lijder zijn—met nog twee andere vrienden of schuldeischers—binnen laat, welke nu achtereenvolgend de trap beklimmen, en na een: tikken, en “Binnen!” te zamen Willems kamer intreden, terwijl de deur opnieuw terstond in het slot wordt gedraaid.Tien minuten later verlaat het driemanschap—wij meenen met tevreden aangezichten—de woning, en Willem ligt akelig roerloos in het ledikant, en heeft een ontzettende gelijkenis met den man, die weder in de plooien der bedgordijnen staat, en nu eene groote schrede voorwaarts doet.Halftwaalf had de torenklok geslagen toen Geertje, uit de kerk terugkomende, de ziekenkamer weder binnentrad.Frans bekwam van zijn moeder verlof om den vroeger door Willem geuiten wensch aan baas Schorel te gaan bekendmaken, dat deze tegen den avond—daar het toch Zondag was—eens bij hem zou komen, ten einde—hij moest niets méér zeggen—een belangrijk nieuws te vernemen. Alleen het denkbeeld, de woning weder te zullen betreden, waarbinnen de dierbare Thilde zich bevond, had Frans reeds ’t bloed naar ’t voorhoofd gedreven, en hoe hij er dus uitzag toen hij werkelijk den hem zoogoed bekenden winkel binnentrad, zal geen vermelding behoeven.Intusschen laten wij Frans—die aan zijne moeder beloofde spoedig te zullen wederkeeren, dewijl hij haar bij ’t verhalen van de preek moest behulpzaam zijn—zijn bezoek in de G....steeg afleggen, en vinden vrouw Geertje in de grootste onrust bij Willems legerstede terug, met ongeduld op de komst van den dokter wachtende, om wien zij bij haar tehuiskomst terstond gezonden had.“Och Willem, Willem! waarom heb ik je verlaten!” riep de goede vrouw telkens, terwijl zij alles beproefde om haar zoogkind tot bewustzijn terug te roepen, en daarin al spoedig werd bijgestaan door de eigenaars van het huis, die op haar geroep met Jane waren toegesneld.’t Was de geneesheer eindelijk, die, na den patiënt nauwkeurig te hebben onderzocht, de hulpvaardige lieden verzocht in stilte te vertrekken, en der bezorgde vrouw Geertje verzekerde dat Van Male slechts in een flauwte lag, zoodat men voor ’t oogenblik niets te vreezen had.Voor ’t oogenblik, neen, want inderdaad ontwaakte Willem tegen den middag uit die lange, zeer lange bezwijming.Hemel, wat is die blik droevig en mat! Diep schokt hij de vrouw die haar kind—ja, háár kind was hij weder—geen oogenblik uit het oog had verloren.“Willem! zie je mij niet meer?” spreekt zij zacht.Er verloopen eenige seconden eer de jongeling een “Ja,” doet hooren.Weder ligt hij roerloos; opnieuw heeft een flauwte hem vermeesterd, en het daglicht heeft reeds uitgeschenen eer de zoogmoeder hem in de oogen ziet, in de oogen, die haar treffend de oogen van haar echtvriend herinneren, toen zij die sloot nadat hij gestorven was.“Willem! zeg, wil je iets? Kan Geertje iets voor je doen? Zie, ik sta hier bij je.... Je ziet me immers wel? En hier is Frans.—Willem! Ben je koud dat je zoo huivert?” Zoo spreekt en vraagt de bewogen vrouw; maar ze wendt daarna het hoofd, want ze wil niet dat hare tranen hem zullen bedroeven. En Frans, hij wordt ook zoo heel akelig; hij kan het niet goed aanzien, en fluistert: “Moeder zal ik naar den dokter gaan?” En Geertje knikt; en Frans verwijdert zich snel om weder den arts te halen.—Ach! alsof een geneesheer den mensch in ’t leven behouden kon!“Geertje!” steunt eensklaps de jongeling, die zóó nabij de poorte van het eeuwige Godshuis staat: “Gelooven—is—het—niet...?”“Ja, gelooven Willem! O! vast gelooven Willem!” zegt vrouw Geertje haastig, en brengt haar oor nader bij den spreker, vreezende dat één klank haar ontsnappen zal.“Geertje! dank!—Frans! dank!” klinkt het weder, en ofschoon Frans er niet is, zoo spreekt Geertje niet, want ze heeft moeite een luid snikken te weerhouden, maar ze vat de hand, die zich op het dekkleed roert, drukt die, voor haar zelve en voor haar zoon, en hoort een nog flauwer: “Bidden!—Vader!—vergeef—gelijk—wij,”—en terwijl de linkerhand een wending naar de andere zijde van het bed maakt, klinkt het nogmaals: “Dank!” waarna de laatste levenskracht wordt aangewend om der vrouw een papier toe te reiken dat zij werktuiglijk aanneemt.En toen—toen deed de rammelende man, die zoolang in de plooien der gordijnen stond, nog een schrede voorwaarts, drukte de hand zachtjes op de borst van zijn vriend, en de laatste ademtocht vlood “naar het Huis des Eeuwigen Vaders, naar het eeuwige Huis waarinvelewoningen zijn.”De taak, die de zoogmoeder op zich nam, was volbracht. Willem, de goede maar verwaarloosde jongen was gestorven.—De dokter verklaarde dat de kunst was te kort geschoten.—Geertje schreide bitter. Frans staarde strak op het lijk van den zoogbroeder. De heer des huizes kwam boven, ook zijne vrouw, benevens Jane die den boezelaar voor de oogen had, en de oppasser van den luitenant Van Meerle bracht zijn meester de tijding:“Complement en dat de jonge heer overleden is?”“Kerel! wat zeg je?” riep Van Meerle, toen zijn dienaar de boodschap had overgebracht: “Is de jongeheer Van Male werkelijk dood?”“Om u te dienen luitenant!”“Dienen, dienen!” herhaalde Van Meerle in gedachten, terwijl er op zijn gelaat een vreemdsoortige uitdrukking te lezen stond.“Dat is te zeggen,” antwoordde de oppasser eenigszins onthutst: “dat ik den luitenant condoleer. Nog iets van uwe orders...?” liet hij er op volgen, en bracht te gelijk de voorste vingers der rechterhand aan den slaap van zijn hoofd.“Ben je nog niet te weten gekomen Albert, wie mijn neef verzorgde?”“Eene vrouw, om u te dienen luitenant!”“Dienen! Maar welke vrouw, voor den d.....? Hoe heet zij?”“A ja, ik informeerrrde,” klonk het antwoord, terwijl de spreker een gezicht zette alsof hij den naam uit het vloerkleed wilde halen: “Een vóórnaam, luitenant! een vóórnaam, weet u, metsener achter. A juist, Janssen! om u te dienen.”“Alleen?”“Dat is te zeggen, ik geloof ja luitenant! behalve een meid van den boekverkooper, ’en preutsch ding, om u te dienen!”“Zwijg! Over een halfuur terug, geen minuut later.”“Nog iets van uwe orderrrs?”“Vertrek! Neen, wacht.... Geef die cassette. Zóó, hier!—“Nadat de oppasser eindelijk vertrokken is, verspreidt er zich een helsche lach over Van Meerles gelaat, en ijlings zet hij zich aan ’t schrijven.Het halve uur ternauwernood verloopen zijnde, keert de oppasser terug, en krijgt in last om den brief voor Gelderland terstond te bezorgen, en de andere commissies—de advertentie voor ’t “Handelsblad,” en de vigilante bij den sleeper vooral niet te vergeten.Nog dien zelfden avond kwam Joost Van Meerle, ondanks het streng verbod van zijn medicus en de pijn, die hij door de ongewone beweging te verduren had, in persoon naar het sterfhuis, om—een oog in ’t zeil te houden, en er te blijven totdat zijn vader zou zijn gekomen of procuratie zou hebben overgemaakt.Bij de droefheid, welke Geertje vervulde, was het alsof een adder haar in den boezem stak, toen in het late avonduur, de deur van het doodsvertrek werd geopend, en een man—in wien zij terstond haar beleediger van nu tien jaar geleden, Willems verderfelijken voogd Van Meerle herkende—op den arm van een soldaat geleund, binnenstrompelde.De lezer zal het ons zeker ten goede houden, dat wij hem in dit stille doodsvertrek niet de woorden van den man doen hooren, die de helaas onstrafbare moordenaar van het hem toevertrouwde kind was geworden. Neen, wij laten Joost Van Meerle niet spreken in de tegenwoordigheid van Willems stoffelijk overschot. Gij zijt gelukkig, koud lijk! dat ge uw voormaligen opvoeder evenmin zult hooren. Maar, arme Geertje! goede, brave, trouwe, godvruchtige Geertje! met ú gevoelen wij het diepste medelijden, daar u alras de bitterste en beleedigendstewoorden zullenworden toegevoegd.En, zij bleef bedaard; zij sprak van een dierbaren en heiligen plicht dien zij vervulde. God was zij dankbaar, die haar zóó geleid had, dat zij het woord, eenmaal aan een vader gegeven, had kunnen gestand doen. Neen waarlijk, zij beoogde geen winst. Waarlijk, geen stuiver had zij begeerd of genoten boven het loon, ’t welk haar in staat stelde om de noodigste behoeften en de huur van haar eigen kamertje te betalen.—Inderdaad, alles was hier gebleven zooals zij het op die kamers gevonden had.Maar dat papier....? dát papier—’t welk immers werktuiglijk door haar in den zak gestoken, nu uit hare kleeding te voorschijn kwam....? Zij weet niet—het is—zij ziet.... Hemel! kan zij haar oogen gelooven!? Die woorden: “Eenige en algeheele erfgename....” Zij herhaalt ze luide;—het duizelt haar; en—zij hoort het gebrul dat de kamer vervult: zij staat roerloos; verneemt woorden en vervloekingen, die haar ’t hart doen krimpen; en terwijl zij op een kalmen en waardigen toon zegt: “Zie dan hoe snood en boosaardig mijn opzet was,” scheurt ze het blad in verscbeidene stukken, juist op het oogenblik dat Joost Van Meerle, die, zijn eigen ellendigen toestand geheel vergetende, uit zijn zetel was opgesprongen, met een pijnlijken kreet op den grond en voor hare voeten nedervalt.Brave Geertje! gij hebt liefgehad; wat gij gemeend hebt dat verloren was, hebt gij behouden; aan uw arm verdoold zoogkind hebt gij den vrede op het sterfbed en de hoop op een betere toekomst geschonken; toen ge u reeds op aarde een schitterend loon zaagt bereid, toen hebt ge geweigerd, en, weinig ervaren in die zaken, hebt ge het bewijs dier belooning vernietigd, omdat gij uw loon in den hemel bewaard wist.—Maar toch, trouwe zoogmoeder! het laatste werk van uw Willem was een wél doordacht werk, ofschoon het hem nader tot zijn einde voerde. Geertje! wettig zijt gij Van Males erfgename; want het wettige testament berust in handen van den langen notaris.En ja—wat ook verdonkerd of verbrast werd: Van Males nalatenschap, uit de handen zijner bloedverwanten gered, mocht, althansvoor haar, de arme, een schitterende erfenis genoemd worden. De Wet stelde die in hare handen, en de wet der Natuur—de liefde voor haren Frans—deed Geertje eindelijk besluiten die dankbaar te aanvaarden. ’t Smartte haar niet dat ze geen enkel bewijs van dank ontving voor de aanzienlijke som, welke zij aan de Van Meerles afstond,—neen, maar biddende beval zij Gode den armen zondaar aan, die door zijn laatsten val nog ellendiger werd, en—met pensioen, een gebrekkig lichaam moest omdragen.En Schorel. Op dien Zondagmorgen had hij met bitse woorden den goeden Frans de deur gewezen; maar, zeven of acht Zondagen later, zat hij met een bijzonder vriendelijk gelaat in een net huisje op de P....gracht, ’t welk door de weduwe Willems bewoond werd; en hij verklaarde, dat Frans steeds een beste jongen geweest was, en dat een mensch zich in drift wel vergissen kan; en dat vrouw Geertje goed had gedaan, voor haar zoon die kruidenierszaak in de W....straat te koopen; en, dat hij blijde was, dat Thilde niet de vrouw van een ouden en vrekkigen spekslager geworden was, maar, het vrouwtje van den goeden braven Frans zou wezen.Dankbaar sloot Frans zijn Thilde aan ’t hart; dankbaar legde hij in ’t Godshuis zijn hand in de hare; dankbaar voerde hij haar naarzijnewoning, en dankbaar legde hij, twee jaren later, het kind van Thilde en hem, grootmoeder Geertje op den schoot, en—het dierbare kleinkind beschouwende, kwamen de beide gezichtjes van Willem en Frans,—toen ze nog even klein en rond waren—vrouw Geertje voor den geest, en zij zag ze weder in haar verbeelding lachen.... lachen—zooals zij vurig bad, dat ze lachen zouden indien zij elkander in reiner oorden eenmaal mochten wederzien.1De lezer gelieve het getal naar goedvinden in te vullen.

“Willem!’t Is nu ruim acht weken geleden dat ik op dien verwenschten avond mijn poot brak. Verscheidene malen heb ik mijn oppasser naar je toe gezonden, om te hooren wat je toch scheelde, maar telkens zond je lamme huisploert de boodschap terug: dat mijnheer erg zwak was, en dat de pil had verboden iemand bij je toe te laten.Dat ik beroerd ben behoef ik je niet te zeggen: ’en houten poot om zoo’n ellendige meid! Ik kan dol worden als ik in mijn spion tuur en de flauwste kerels vrij en vlug over straat zie loopen. Je moet wel heel beroerd zijn Willem! anders zou je mij niet zoo alleen laten liggen, want nog altijd bromt de Chir.-Maj., dat ik rust moet houden. Wanneer je nu maar eenigszins kunt, smijt dan de medicijnflesch weg, en kom mij bezoeken. Geloof maar dat ik er vrij wat erger aan toe ben dan jij het wezen zult. Je bent een goeje kerel maar te hyp van natuur. Als je van avond komt, danzul je een heerlijk glas punch hebben; Schudhiel komt ook—een prettige kerel, die me heel wat opvroolijkt.—Hij beloofde keurige platen te zullen meebrengen, die hij te Parijs heeft opgedaan; ik geloof vijfcahiers, onder den titel: “Délices,” in ’tgenrevan Alexander V. H., maar zonder doodkisten en flauwe zedepreken er bij;enfin, nous verrons!Laat je door geen doktergelamenteer terughouden. ’t Weer is wel wat guur, maar, zoo ’t een kou is die je vatte, moet je aan ’t spreekwoord denken: “breng de kou waar j’m haalde.”Enfin, ik ben er lam aan toe, en had al eerder geschreven, zoo ik niet onbeweeglijk stil had moeten liggen, en nú nog schrijf ik in een liggende houding.—V........ ongelukkig, vind je niet!Soit! ’en been is maar ’en been. Als je soms later eens uit wilt, dan zal Schudhiel je man zijn.BonjourWillem!—geef antwoord aan brenger dezes.t. à. t.J. Van Meerle.”

“Willem!

’t Is nu ruim acht weken geleden dat ik op dien verwenschten avond mijn poot brak. Verscheidene malen heb ik mijn oppasser naar je toe gezonden, om te hooren wat je toch scheelde, maar telkens zond je lamme huisploert de boodschap terug: dat mijnheer erg zwak was, en dat de pil had verboden iemand bij je toe te laten.

Dat ik beroerd ben behoef ik je niet te zeggen: ’en houten poot om zoo’n ellendige meid! Ik kan dol worden als ik in mijn spion tuur en de flauwste kerels vrij en vlug over straat zie loopen. Je moet wel heel beroerd zijn Willem! anders zou je mij niet zoo alleen laten liggen, want nog altijd bromt de Chir.-Maj., dat ik rust moet houden. Wanneer je nu maar eenigszins kunt, smijt dan de medicijnflesch weg, en kom mij bezoeken. Geloof maar dat ik er vrij wat erger aan toe ben dan jij het wezen zult. Je bent een goeje kerel maar te hyp van natuur. Als je van avond komt, danzul je een heerlijk glas punch hebben; Schudhiel komt ook—een prettige kerel, die me heel wat opvroolijkt.—Hij beloofde keurige platen te zullen meebrengen, die hij te Parijs heeft opgedaan; ik geloof vijfcahiers, onder den titel: “Délices,” in ’tgenrevan Alexander V. H., maar zonder doodkisten en flauwe zedepreken er bij;enfin, nous verrons!Laat je door geen doktergelamenteer terughouden. ’t Weer is wel wat guur, maar, zoo ’t een kou is die je vatte, moet je aan ’t spreekwoord denken: “breng de kou waar j’m haalde.”Enfin, ik ben er lam aan toe, en had al eerder geschreven, zoo ik niet onbeweeglijk stil had moeten liggen, en nú nog schrijf ik in een liggende houding.—V........ ongelukkig, vind je niet!Soit! ’en been is maar ’en been. Als je soms later eens uit wilt, dan zal Schudhiel je man zijn.

BonjourWillem!—geef antwoord aan brenger dezes.

t. à. t.J. Van Meerle.”

Juist op het oogenblik dat Willems dokter de trap wilde opgaan, om zijn patiënt te bezoeken, hoorde hij de stem van Van Meerles oppasser achter zich, die aan de dienstmeid den brief overhandigde, met de woorden:

“Van den luitenant Van Meerrle, voor mijnheerrr boven.—Bescheid as je blieft.”

De dokter keerde terug, en verzekerde den knecht dat de lijder te zwak was om brieven, van wie zij ook kwamen, te lezen, terwijl hij er bijvoegde: volgaarne den luitenant, zoo hij zulks verkoos, van den toestand zijns pupils te komen verslag doen, dewijl het dezen mede onmogelijk was om een letter bescheid te geven.

“Zeerrr wél!” klonk het antwoord, en de oppasser maakte rechts-om-keer.

Wat er in de ziel van den luitenant omging toen de brave arts—die, bij al hetgeen voor oogen was, toch den helschen toeleg van den voogd niet vermoedde—hem den zeer bedenkelijken toestand van den jongen patiënt had meegedeeld...? wij laten de beantwoording dier vraag aan den denkenden lezer over, maar verklaren toch, dat wij met den geneesheer, op het verbleekte gelaat van den luitenant een trek ontwaarden alsof—alsof een zegevierende lach met geweld door hem onderdrukt werd, en verzekeren tevens, dat hij van dat oogenblik af aan, met belangstelling (?) twee malen daags door zijn oppasser naar den welstand van zijn jongen vriend deed “informeeren.”

En Geertje hield bij haar zoogkind de wacht.

Met trouwe en moederlijke bezorgdheid voorkwam zij zijn geringste wenschen, en sprak—wanneer zij zulks voor zijn welzijn niet nadeelig oordeelde—niet zelden over zijn hoogere belangen. Over het verledene repte zij geen woord; over het verledene in zooverre het aan zijn zondige leefwijze kon herinneren; maar welsprak Geertje haar voedsterzoon over datververleden, toen hij als kind vroolijk en blij het leven te gemoet huppelde; en o, het was hem zoo goed die tijden te herdenken, en in den geest nogmaals die onschuldige kinderjaren te doorleven. Ja, ook somwijlen moest zij verhalen van ’t geen haar zelve weervoer sedert zij naar hare geboorteplaats uit de haar zoo dierbaar geworden omgeving vertrokken was; en wanneer Frans,—die op Willems uitdrukkelijk verlangen, tegen een ruime belooning de boodschappen deed—zich mede in het vertrek bevond, dan verlangde Willem niet zelden dat de zoogbroeder zich aan zijn zijde zou nederzetten. En wanneer hij dan somtijds zijn hand vatte, dan zag hij hem met zijn doffe oogen zoolang en zóó veelbeteekenend aan, dat Frans er verlegen van werd en een kleur kreeg, totdat de lijder eindelijk het hoofd afwendde en dan gewoonlijk zuchtte: “Een moeder! Een goede moeder! God nam de mijne, maar Frans, de uwe heeft Hij mij wedergegeven!” O! en wanneer er dan een dankbare lach om Willems lippen speelde, en Frans ook opgewekt en met een blij gelaat zijn moeder toeknikte, dan juichte Geertje in stilte: “God, ik dank U!” want dan zag zij weer een lach van overeenstemming op die beide aangezichten, de lach der broeders van denzelfden—vanharenboezem.

Slechts weinig sprak Willem, doch gaarne luisterde hij naar Geertje, en, wekte het zijn belangstelling háár levensloop te vernemen, evenzeer was hij verlangend naar hetgeen er sedert hun afscheid vanLandheil, met Frans gebeurde. Hij was er verlangend naar, en toch had hij tot nu toe dat verlangen niet bekend gemaakt.

Omdat hij doorgaans dof en uiterst zwak was, dacht Geertje dat Willem niet op het denkbeeld kwam er naar te vragen; doch, vermoedelijk zijn wij der waarheid meer nabij, zoo we ons den ongelukkige aarzelende voorstellen om weder van een ontmoeting te gewagen, die hem de wreede rol van verloochenaar deed spelen. Intusschen—zoo ons vermoeden gegrond is—dan behaalde Willems belangstelling de zegepraal over zijn verschoonbaar aarzelen, en na vergiffenis voor het leed te hebben gevraagd, ’t welk hij Frans bij de eerste ontmoeting in de G....steeg moest veroorzaakt hebben, vernam hij, met de eenvoudige en weinig belangrijks bevattende geschiedenis van den jongen, ook de pijnlijke reden waarom hij verstooten was, en thans door allen gewantrouwd werd, alsmede hoe zijn hoop werd vernietigd om eenmaal aan Mathildes zijde gelukkig te worden.

Dankbare vreugde straalde er uit de blikken van Frans en zijne moeder, toen de zwakke stem van Willem de waarheid betreffende het muntbiljet aan ’t licht bracht. Goddank!hijwas het dan waarlijk! De valsche beschuldiger kon gelogenstraft worden, indien God den lijder, zooals hij zelf smeekte, daartoe de krachten nog sparen wilde.

’t Was Zondagmorgen. Willem lag te bed. Frans was beneden om goedwillig een kleinen dienst aan den eigenaar der woning te bewijzen, en Geertje trad met een bord, waarop een paar beschuiten lagen, naar het ledikant.

“’t Is Zondag, nietwaar moeder Geertje?” vroeg Willem toen hij haar ontwaarde.

“Ja, Willem, ’t is Zondag,” antwoordde de vrouw.

“En je zult zeker met Frans naar de kerk gaan?”

“Neen, dat kan niet. Frans zal gaan, maar ik blijf te huis; je kunt me noodig hebben.”

“Ga gerust Geertje,” hernam de knaap: “ik heb je heusch niet noodig. Waarlijk, gaat beiden.’t Is immers goed naar de kerk te gaan?”

“Ja, mijn goede Willem,” hernam Geertje: “doch wij kunnen van déze kamer óók de kerk maken, indien ik je een gebed, een kapittel uit den Bijbel, en een der mooiste gezangen voorlees.”

“Lieve Geertje! hoor eens....”

“Welnu Willem...?”

“Je doet me graag genoegen, nietwaar?”

“Willem! je twijfelt toch niet?”

“Neen Geertje; maar zie je, dan moest je dezen morgen met Frans naar de kerk gaan. Dan kun je me vertellen wat de dominee preekte. Watjijmocht vergeten, zal Frans wel onthouden, en wat hém ontging zal jou in ’t geheugen zijn gebleven. Zeg, zul je ’t doen?”

“Maar Willem, waarom toch?”

“Om mij genoegen te doen, wie weet hoe kort je ’t nog maar doen kunt!”

Vrouw Geertje wischte een traan weg, en zei: dat het toch beter was te blijven, want dat juffrouw beneden óók ging, en slechts mijnheer en de meid te huis bleven.—Willem gaf evenwel nogmaals zóó dringend zijn verlangen te kennen, dat zij eindelijk beloofde aan het verzoek te zullen voldoen. Werkelijk stapte zij dan ook een half uur later, na de kamer in orde te hebben gebracht, met een hartelijken groet ter deure uit, terwijl zij beneden nog aan de meid verzocht om van tijd tot tijd eens te luisteren of mijnheer boven ook soms iets noodig had.

Willem lag nog rustig te bed toen hij de voordeur achter vrouw Geertje en haar zoon hoorde toedoen.

Zie, daar heft hij langzaam het hoofd omhoog; klemt zijn schier doorzichtige vingeren om den beddekwast; schuift met de grootste inspanning de beenen vooruit over de zijplank van het ledikant, en glijdt eindelijk, terwijl hij nu de gordijnen tot steunsel vat, langzaam langs die zijplank tot voor het bed neder. Blijkbaar heeft hem deze verrichting ten zeerste vermoeid, want hij blijft op het vloerkleed liggen, roerloos; Hemel! alsof—doch neen, zie, daar opent hij weder de oogen, en zijn hand grijpt den poot van den nabijstaanden voltaire. Een poging om zich op te richten is vruchteloos.—Nog eene, tevergeefs. Wat zucht hij treurig! Zie een laatste, een geweldige krachtsinspanning.—Ha! zij is hem gelukt.—Nóg eenpijnlijk pogen, nóg een krampachtig vastklemmen, en, ja—amechtig zit hij in den grooten leunstoel. Weder duurt het ettelijke minuten eer Van Male blijken geeft dat het leven nog in hem is; maar eindelijk, zie, alles aanvattende wat in staat is weerstand te bieden, schuift hij zich met den voltaire, waaronder kleine raderen zijn—vooruit, na alvorens een deken tot deksel van het ledikant te hebben getrokken. Zie, tot bij de secretaire in gindschen hoek rolt hij zich langzaam voort;—een verborgen zijlade trekt hij open, en neemt er den ring uit die zijne sleutels verbindt.—De secretaire wordt geopend, en—’t is met een gil van ontzetting dat Willem in den leuningstoel terugzinkt, want—in het kleine spiegelglas binnen dat meubel, heeft hij het beeld weergezien van hem, die zich zoo dikwijls aan zijn geest vertoonde,—het beeld van den beenigen sikkelvoerder, maar nu volmaakt gelijkende op hem—den arme zelven.

De naburige torenklok slaat tien. Reeds meer dan een half uur is er van den tijd verstreken, dien Willem den zijne rekent. Zie, weder heft hij zich op; schuift den stoel ter zijde, zoodat hij schuins voor den lessenaar zit; neemt vervolgens een blad papier uit een lade, en doopt de pen, welke hij ter hand nam, in den bijna verdroogden inkt.

’t Is ook lang geleden dat hij voor de laatste maal schreef. Aan wie....? Hij rilt; misschien bij de gedachte aan de laaggezonkene, die de laatste letters van hem ontving. De pen beeft hem in de hand, maar toch hij schrijft—doch slechts een luttel tal woorden.

Het blad wordt tot een brief gevouwen en met een ouwel verzegeld. Nu schrijft hij een kort adres, en—ruim een kwartier later ligt Willem als straks op zijn legerstede, doch weet zelf niet hoe het hem gelukte haar in dien ellendigen toestand weder te bereiken.

Halfelf bromt de torenklok. Met een zenuwachtigen schok grijpt Van Male de tafelschel, die vrouw Geertje op het nachttafeltje bezijden het bed plaatste, en schelt krachtig, één—twee—drie malen.

’t Duurt niet lang of de dienstmeid steekt haar hoofd binnen de kamer, en vraagt met een onthutst gelaat: of mijnheer iets noodig heeft?

“Jane, dit briefje moet terstond bezorgd worden,” zegt de jonkman met zwakke stem.

Demeidtreedt binnen, en met zekeren schroom nader komende, neemt zij het briefje, belooft hetterstondte zullen bezorgen én verzekert dat ze zeer goed weet waar het wezen moet; dicht in de buurt, circa tien deuren ver, op het groote bovenhuis.

Mogen er onder de jonge vrouwelijke dienstboden maar weinigen zijn die zedig, trouw en eerlijk kunnen genoemd worden;—hoewel de beide laatste hoedanigheden schier in alle getuigschriften vermeld staan,—zeer zeker behoort het tot de groote zeldzaamheden een dienstmeid te bezitten, die—vlug boodschappen doet; doch, eere wie eere toekomt; Jane was niet alleen zedig, trouw en eerlijk,maar ook de laatstgenoemde onschatbare deugd betrachtte zij steeds met nauwgezetheid, en ’t scheen den wachtenden lijder—wachten valt altijd lang—slechts een verloop van weinige minuten te zijn geweest, waarin het meisje den haar opgedragen last volbracht, zoodat hij haar goedkeurend en vriendelijk toeknikte toen zij de boodschap gaf: dat mijnheer oogenblikkelijk verschijnen zou.

’t Was een lang heer die werkelijk na verloop van eenige minuten de trap opklom en aan Van Males kamerdeur tikte.

“Binnen!” klonk het zacht. De heer trad de kamer in, en na eenige voor ons onverstaanbare woorden van den lijder, waarvan het laatste “sluiten,” kan geweest zijn, wordt de kamerdeur van binnen in het slot gedraaid, en hooren wij—niets.

Kort slechts had het onderhoud geduurd toen de lange heer weer de kamer en straks de woning verliet.

Elf slaat het buiten, en de huisschel roept de dienstmeid naar voren, die daarop nogmaals den langen heer—’t moet zeker een vriend of een schuldeischer van den lijder zijn—met nog twee andere vrienden of schuldeischers—binnen laat, welke nu achtereenvolgend de trap beklimmen, en na een: tikken, en “Binnen!” te zamen Willems kamer intreden, terwijl de deur opnieuw terstond in het slot wordt gedraaid.

Tien minuten later verlaat het driemanschap—wij meenen met tevreden aangezichten—de woning, en Willem ligt akelig roerloos in het ledikant, en heeft een ontzettende gelijkenis met den man, die weder in de plooien der bedgordijnen staat, en nu eene groote schrede voorwaarts doet.

Halftwaalf had de torenklok geslagen toen Geertje, uit de kerk terugkomende, de ziekenkamer weder binnentrad.

Frans bekwam van zijn moeder verlof om den vroeger door Willem geuiten wensch aan baas Schorel te gaan bekendmaken, dat deze tegen den avond—daar het toch Zondag was—eens bij hem zou komen, ten einde—hij moest niets méér zeggen—een belangrijk nieuws te vernemen. Alleen het denkbeeld, de woning weder te zullen betreden, waarbinnen de dierbare Thilde zich bevond, had Frans reeds ’t bloed naar ’t voorhoofd gedreven, en hoe hij er dus uitzag toen hij werkelijk den hem zoogoed bekenden winkel binnentrad, zal geen vermelding behoeven.

Intusschen laten wij Frans—die aan zijne moeder beloofde spoedig te zullen wederkeeren, dewijl hij haar bij ’t verhalen van de preek moest behulpzaam zijn—zijn bezoek in de G....steeg afleggen, en vinden vrouw Geertje in de grootste onrust bij Willems legerstede terug, met ongeduld op de komst van den dokter wachtende, om wien zij bij haar tehuiskomst terstond gezonden had.

“Och Willem, Willem! waarom heb ik je verlaten!” riep de goede vrouw telkens, terwijl zij alles beproefde om haar zoogkind tot bewustzijn terug te roepen, en daarin al spoedig werd bijgestaan door de eigenaars van het huis, die op haar geroep met Jane waren toegesneld.

’t Was de geneesheer eindelijk, die, na den patiënt nauwkeurig te hebben onderzocht, de hulpvaardige lieden verzocht in stilte te vertrekken, en der bezorgde vrouw Geertje verzekerde dat Van Male slechts in een flauwte lag, zoodat men voor ’t oogenblik niets te vreezen had.

Voor ’t oogenblik, neen, want inderdaad ontwaakte Willem tegen den middag uit die lange, zeer lange bezwijming.

Hemel, wat is die blik droevig en mat! Diep schokt hij de vrouw die haar kind—ja, háár kind was hij weder—geen oogenblik uit het oog had verloren.

“Willem! zie je mij niet meer?” spreekt zij zacht.

Er verloopen eenige seconden eer de jongeling een “Ja,” doet hooren.

Weder ligt hij roerloos; opnieuw heeft een flauwte hem vermeesterd, en het daglicht heeft reeds uitgeschenen eer de zoogmoeder hem in de oogen ziet, in de oogen, die haar treffend de oogen van haar echtvriend herinneren, toen zij die sloot nadat hij gestorven was.

“Willem! zeg, wil je iets? Kan Geertje iets voor je doen? Zie, ik sta hier bij je.... Je ziet me immers wel? En hier is Frans.—Willem! Ben je koud dat je zoo huivert?” Zoo spreekt en vraagt de bewogen vrouw; maar ze wendt daarna het hoofd, want ze wil niet dat hare tranen hem zullen bedroeven. En Frans, hij wordt ook zoo heel akelig; hij kan het niet goed aanzien, en fluistert: “Moeder zal ik naar den dokter gaan?” En Geertje knikt; en Frans verwijdert zich snel om weder den arts te halen.—Ach! alsof een geneesheer den mensch in ’t leven behouden kon!

“Geertje!” steunt eensklaps de jongeling, die zóó nabij de poorte van het eeuwige Godshuis staat: “Gelooven—is—het—niet...?”

“Ja, gelooven Willem! O! vast gelooven Willem!” zegt vrouw Geertje haastig, en brengt haar oor nader bij den spreker, vreezende dat één klank haar ontsnappen zal.

“Geertje! dank!—Frans! dank!” klinkt het weder, en ofschoon Frans er niet is, zoo spreekt Geertje niet, want ze heeft moeite een luid snikken te weerhouden, maar ze vat de hand, die zich op het dekkleed roert, drukt die, voor haar zelve en voor haar zoon, en hoort een nog flauwer: “Bidden!—Vader!—vergeef—gelijk—wij,”—en terwijl de linkerhand een wending naar de andere zijde van het bed maakt, klinkt het nogmaals: “Dank!” waarna de laatste levenskracht wordt aangewend om der vrouw een papier toe te reiken dat zij werktuiglijk aanneemt.

En toen—toen deed de rammelende man, die zoolang in de plooien der gordijnen stond, nog een schrede voorwaarts, drukte de hand zachtjes op de borst van zijn vriend, en de laatste ademtocht vlood “naar het Huis des Eeuwigen Vaders, naar het eeuwige Huis waarinvelewoningen zijn.”

De taak, die de zoogmoeder op zich nam, was volbracht. Willem, de goede maar verwaarloosde jongen was gestorven.—De dokter verklaarde dat de kunst was te kort geschoten.—Geertje schreide bitter. Frans staarde strak op het lijk van den zoogbroeder. De heer des huizes kwam boven, ook zijne vrouw, benevens Jane die den boezelaar voor de oogen had, en de oppasser van den luitenant Van Meerle bracht zijn meester de tijding:

“Complement en dat de jonge heer overleden is?”

“Kerel! wat zeg je?” riep Van Meerle, toen zijn dienaar de boodschap had overgebracht: “Is de jongeheer Van Male werkelijk dood?”

“Om u te dienen luitenant!”

“Dienen, dienen!” herhaalde Van Meerle in gedachten, terwijl er op zijn gelaat een vreemdsoortige uitdrukking te lezen stond.

“Dat is te zeggen,” antwoordde de oppasser eenigszins onthutst: “dat ik den luitenant condoleer. Nog iets van uwe orders...?” liet hij er op volgen, en bracht te gelijk de voorste vingers der rechterhand aan den slaap van zijn hoofd.

“Ben je nog niet te weten gekomen Albert, wie mijn neef verzorgde?”

“Eene vrouw, om u te dienen luitenant!”

“Dienen! Maar welke vrouw, voor den d.....? Hoe heet zij?”

“A ja, ik informeerrrde,” klonk het antwoord, terwijl de spreker een gezicht zette alsof hij den naam uit het vloerkleed wilde halen: “Een vóórnaam, luitenant! een vóórnaam, weet u, metsener achter. A juist, Janssen! om u te dienen.”

“Alleen?”

“Dat is te zeggen, ik geloof ja luitenant! behalve een meid van den boekverkooper, ’en preutsch ding, om u te dienen!”

“Zwijg! Over een halfuur terug, geen minuut later.”

“Nog iets van uwe orderrrs?”

“Vertrek! Neen, wacht.... Geef die cassette. Zóó, hier!—“Nadat de oppasser eindelijk vertrokken is, verspreidt er zich een helsche lach over Van Meerles gelaat, en ijlings zet hij zich aan ’t schrijven.

Het halve uur ternauwernood verloopen zijnde, keert de oppasser terug, en krijgt in last om den brief voor Gelderland terstond te bezorgen, en de andere commissies—de advertentie voor ’t “Handelsblad,” en de vigilante bij den sleeper vooral niet te vergeten.

Nog dien zelfden avond kwam Joost Van Meerle, ondanks het streng verbod van zijn medicus en de pijn, die hij door de ongewone beweging te verduren had, in persoon naar het sterfhuis, om—een oog in ’t zeil te houden, en er te blijven totdat zijn vader zou zijn gekomen of procuratie zou hebben overgemaakt.

Bij de droefheid, welke Geertje vervulde, was het alsof een adder haar in den boezem stak, toen in het late avonduur, de deur van het doodsvertrek werd geopend, en een man—in wien zij terstond haar beleediger van nu tien jaar geleden, Willems verderfelijken voogd Van Meerle herkende—op den arm van een soldaat geleund, binnenstrompelde.

De lezer zal het ons zeker ten goede houden, dat wij hem in dit stille doodsvertrek niet de woorden van den man doen hooren, die de helaas onstrafbare moordenaar van het hem toevertrouwde kind was geworden. Neen, wij laten Joost Van Meerle niet spreken in de tegenwoordigheid van Willems stoffelijk overschot. Gij zijt gelukkig, koud lijk! dat ge uw voormaligen opvoeder evenmin zult hooren. Maar, arme Geertje! goede, brave, trouwe, godvruchtige Geertje! met ú gevoelen wij het diepste medelijden, daar u alras de bitterste en beleedigendstewoorden zullenworden toegevoegd.

En, zij bleef bedaard; zij sprak van een dierbaren en heiligen plicht dien zij vervulde. God was zij dankbaar, die haar zóó geleid had, dat zij het woord, eenmaal aan een vader gegeven, had kunnen gestand doen. Neen waarlijk, zij beoogde geen winst. Waarlijk, geen stuiver had zij begeerd of genoten boven het loon, ’t welk haar in staat stelde om de noodigste behoeften en de huur van haar eigen kamertje te betalen.—Inderdaad, alles was hier gebleven zooals zij het op die kamers gevonden had.

Maar dat papier....? dát papier—’t welk immers werktuiglijk door haar in den zak gestoken, nu uit hare kleeding te voorschijn kwam....? Zij weet niet—het is—zij ziet.... Hemel! kan zij haar oogen gelooven!? Die woorden: “Eenige en algeheele erfgename....” Zij herhaalt ze luide;—het duizelt haar; en—zij hoort het gebrul dat de kamer vervult: zij staat roerloos; verneemt woorden en vervloekingen, die haar ’t hart doen krimpen; en terwijl zij op een kalmen en waardigen toon zegt: “Zie dan hoe snood en boosaardig mijn opzet was,” scheurt ze het blad in verscbeidene stukken, juist op het oogenblik dat Joost Van Meerle, die, zijn eigen ellendigen toestand geheel vergetende, uit zijn zetel was opgesprongen, met een pijnlijken kreet op den grond en voor hare voeten nedervalt.

Brave Geertje! gij hebt liefgehad; wat gij gemeend hebt dat verloren was, hebt gij behouden; aan uw arm verdoold zoogkind hebt gij den vrede op het sterfbed en de hoop op een betere toekomst geschonken; toen ge u reeds op aarde een schitterend loon zaagt bereid, toen hebt ge geweigerd, en, weinig ervaren in die zaken, hebt ge het bewijs dier belooning vernietigd, omdat gij uw loon in den hemel bewaard wist.—Maar toch, trouwe zoogmoeder! het laatste werk van uw Willem was een wél doordacht werk, ofschoon het hem nader tot zijn einde voerde. Geertje! wettig zijt gij Van Males erfgename; want het wettige testament berust in handen van den langen notaris.

En ja—wat ook verdonkerd of verbrast werd: Van Males nalatenschap, uit de handen zijner bloedverwanten gered, mocht, althansvoor haar, de arme, een schitterende erfenis genoemd worden. De Wet stelde die in hare handen, en de wet der Natuur—de liefde voor haren Frans—deed Geertje eindelijk besluiten die dankbaar te aanvaarden. ’t Smartte haar niet dat ze geen enkel bewijs van dank ontving voor de aanzienlijke som, welke zij aan de Van Meerles afstond,—neen, maar biddende beval zij Gode den armen zondaar aan, die door zijn laatsten val nog ellendiger werd, en—met pensioen, een gebrekkig lichaam moest omdragen.

En Schorel. Op dien Zondagmorgen had hij met bitse woorden den goeden Frans de deur gewezen; maar, zeven of acht Zondagen later, zat hij met een bijzonder vriendelijk gelaat in een net huisje op de P....gracht, ’t welk door de weduwe Willems bewoond werd; en hij verklaarde, dat Frans steeds een beste jongen geweest was, en dat een mensch zich in drift wel vergissen kan; en dat vrouw Geertje goed had gedaan, voor haar zoon die kruidenierszaak in de W....straat te koopen; en, dat hij blijde was, dat Thilde niet de vrouw van een ouden en vrekkigen spekslager geworden was, maar, het vrouwtje van den goeden braven Frans zou wezen.

Dankbaar sloot Frans zijn Thilde aan ’t hart; dankbaar legde hij in ’t Godshuis zijn hand in de hare; dankbaar voerde hij haar naarzijnewoning, en dankbaar legde hij, twee jaren later, het kind van Thilde en hem, grootmoeder Geertje op den schoot, en—het dierbare kleinkind beschouwende, kwamen de beide gezichtjes van Willem en Frans,—toen ze nog even klein en rond waren—vrouw Geertje voor den geest, en zij zag ze weder in haar verbeelding lachen.... lachen—zooals zij vurig bad, dat ze lachen zouden indien zij elkander in reiner oorden eenmaal mochten wederzien.

1De lezer gelieve het getal naar goedvinden in te vullen.

1De lezer gelieve het getal naar goedvinden in te vullen.


Back to IndexNext