VIII.

En zooals dien middag ik en Kreel naast elkaar over het varkensschot hingen, zoo leunen daarover thans in het halfdonker nevens elkander ik en Trijn.

En wij zeggen niets tot malkaar. Wij zwijgen, zoo schat ik, een minuut of tien.

Dan, terwijl het geheel duister geworden is, spreekt Trijn opeens tot mij: „Jongen, fluit!”

Wanneer ik langs Kreels huis ga, en ik wil hem hebben, zoo fluit ik, en hij komt. En wanneer Kreel langs onze woning gaat, en hij wil mij zien, zoo fluit hij, en ik kom. Trijn weet, dat ik en hij in zulk een fluit-gemeenschap met elkander staan.

Ik fluit.

Een bundel licht, die over het donkere erf schiet, toont, dat de huisdeur opengaat. En wij zien in den lichtbundel de breede, korte gestalte van mijn kameraad Kreel verschijnen. Hij draait, zoekend, het hoofd naar rechts en naar links.

„Fluit, zeun!” fluistert Trijn. Ik fluit.

Dan staat Kreel met enkele groote stappen tusschen ons.

Mijn zuster Trijn doet, zooals iemand doet, die een spook ziet. Zij keert zich om, en sluipt, ineengedoken, naar den uitgang van Kreels erf.

Doch Kreel haalt haar met twee schreden in, en neemt haar bij den arm. En als Trijn haar arm toch niet kan loskrijgen, vraagt zij maar: „Is het gemeend, dat ze voor mij zijn?”

Kreel zegt tot vijfmaal toe: „Ja”.Ook laat hij Trijns arm los, en omvat heur leest. En dat gedoogt mijn zuster Trijn.

Ik zoek mijn fiets op. En geen der beiden bemerkt, dat ik met mijn rijwiel aan de hand van het tooneel verdwijn.

Naderhand brengt Kreel mijn zuster Trijn thuis. En hij blijft, tot moeder hem een kopje koffie heeft geschonken. En hij vertelt aan vader van de biggen. Maar van den verbroken minnehandel spreekt niemand, en niemand ook van den weer-aangeknoopten minnehandel.

Er zijn dingen, waarvan men bij ons spreekt, en dingen, waarvan men bij ons zwijgt. Daar trekt een aandoenlijk gevoel van kieschheid de grens tusschen.

Als de Zondagavond is aangebroken, brengt mijn kameraad Kreel weder, gelijk van ouds, zijn verkeeringsbezoek. En elken veertiendaagschen Zondagavond.

En mijn zuster Trijn gaat dagelijks naar de biggen zien; dat doet zij, wanneer Kreel met de nestvisch vanhuis is.

De menschen van het dorp zeggen, dat Kreel, mijn kameraad, met mijn zuster Trijn in het huwelijk zal gaan tegen het eind van Zomermaand.

In Zomermaand is het mooi. Dan lijkt dikwijls de weide wel goud door al de paardenbloemen. Dat iseen rijk gezicht. Maar de boeren vinden het niet, daar zij aan de paardenbloemen minder hebben dan aan het gras.

Nu wil ik nog opschrijven, waarom mijn zuster Trijn niet getrouwd is, en hoe het andere is afgeloopen. Wij verheugen er ons elken dag opnieuw over, dat Trijn thuis is gebleven, want haar kindje is een schat.

En zij is niet in het huwelijk gegaan, omdat zij, tegendat „het beuren zou,” het toch „wel niet leek te willen.” En als zij „altemet” in het water was gesprongen, zou het „heel vreeselijk” geweest zijn.

Want er zijn weleens meisjes, die een man, aan wien zij geen „zenieïgheid” hadden, moesten nemen, in het water gesprongen.

Daarom heeft mijn vader Kreel, toen deze weer op liefdesbezoek kwam, bij de achterdeur „waargenomen”, en hem openhartig, „maar altijd in het gnappe”, meegedeeld, dat hij, wilde hij niet van het erf worden gegooid, daar nooit meer een voet op had te zetten.

Dit laatste heeft mijn kameraad Kreel toen ook nooit meer gedaan, daar hij goedig is.

Maar hij is „puur” tevreden met den prijs, dien hij voor zijn varkens heeft gemaakt, nadat hij ze groot gemest had.

Hij is van plan, voortaan elk voorjaar biggen in te koopen. De voldoening, die, naar hij thans ondervonden heeft, de opkweeking van biggen verschaft, heeft hem bij vernieuwing lust aan het leven doen krijgen.

En zoo is dan toch nog het geluk in zijn bestaan gekomen. Dat geluk is mijn kameraad Kreel ook waard. Want hij is braaf.

Ik ben voor mijn examen gezakt. Daar zijn wij,thuis, allen zeer blij om. Want wij vinden, dat ik aan een groot gevaar ben ontglipt, bewaard als ik gebleven ben voor de vulling van mijn geest met al dergelijke malle dingen, als waarnaar op het examen gevraagd werd. Ik kon, van het examen thuiskomende, mededeelen, dat er op ons dorp heelwat meer verstand was dan bij al die examen-heeren. Zij op ons dorp, aan wie ik dit meedeelde, waren hier zeer door gesticht.

Zelfs tegen mijn opstel hadden de examen-heeren „in te leggen”. „Ik en vader”, en dan weer: „ik en Trijn”, stond in mijn examen-opstel, dat over onze „eendenbeweging” handelde; maar de heeren zeiden, dat men altoos zichzelf het laatst, en den ander vooraf moest noemen. Zij weten nieteens, dat ieder, die het over zich en een evenmensch heeft, nooit anders dan aan zijn eigen persoon eerst, en aan den evenmensch pas daarna denkt. Allen dan ook op ons dorp, aan wie ik dit vertelde, hebben de examen-heeren uitgelachen.

Zoo heeft alles de meest gewenschte uitkomst bereikt.

Mijn zuster Trijn klimt weer iederen dag lustig en licht over de schotten in de eendenhokken, den emmer met nestvisch aan de hand. En als gij haar niet hoort zingen, hoort gij haar lachen; en hoort gij haar niet lachen, zoo hoort gij haar zingen.

Zij zal op de aanstaande Purmerender kermis, evenals verleden jaar, „aan de lijn” gaan. Dat is zoowel aardig als natuurlijk.

En dan had mijn zuster Trijn nog altijd veel „adee”, om lid van de kerk te worden. Daarom gaat zij van den winter weer „te vragenleering loopen”. Maar ik niet.

decoratieve illustratie

HOOFDSTUK X.

Ik antwoordde haar: „Neen, Bartje, gij weet er niets van.”

Zij stond met de handen in de zijde op den drempel van haar huisje. Ik zat aan haar voeten neergehurkt. Ik melkte haar schaap. Ik deed weleens meer iets voor haar, omdat zij oud was, en ik niet.

Zij was afkomstig uit Weesperkarspel, en dankte voor dat voorrecht elken dag den Heer.

Achter mijn rug stond zij, terwijl ik haar schaap melkte, rusteloos te keuvelen. Ik hoorde achter mij haar oude kaken tegen elkander klapperen, en zag naast mij de schaduw van haar lange kin snel op- en neergaan.

„Het is hier in Noord-Holland een schande”, klapperden de kaken, en de smalle kin-schaduw ging heen en weer over den grond als een dreigende vinger.„Het is hetzelfde, waar gij komt in Noord-Holland. Ik heb gewoond in Bovenkarspel, in Haringkarspel en in Sijbekarspel, eerst als dienstbode, later met mijn nu overleden man. Voor God en zijn gebod is geen ontzag; hierin is in Noord-Holland de eene plaats al gelijk aan de andere. Dat was in Weesperkarspel anders.....”

„Weesperkarspel is ook Noord-Holland”, zei ik, ik geloof, ietwat kregel.

„Heelemaal niet!” riep Bartje uit. „In Weesperkarspel was nog wel vreeze des Heeren. Weesperkarspel is volstrekt niet Noord-Holland”.

Voorts sprak Bartje: „De Noord-Hollanders zijn wereldlingen. Op de kermissen zijn zij thuis. Zij leven van de eene kermis op de andere. En in de tusschentijden is het ook nog één jagen naar pret en pleizier. Komedies en danspartijen en kaartpartijen en eetpartijen en bruiloftspartijen is het hoogste, waarvan zij droomen. Ik zeg: wereldlingen. En is het waar of niet?”

Ik sprak: „Ja, Bartje, het is waar. De Noord-Hollanders zijn wereldlingen.”

„Zij zijn onverschilligen,” ging Bartje voort. „Zij bemoeien zich met geen bijbel en met geen bidden, met geen kerk en met geen geloof. Arijan van hiernaast timmert of schildert aan zijn kippenhokken, terwijl de dominee in een leege kerk staat te preeken. En de overigen zijn meestal niet anders dan Arijan. De mannen gebruiken den Zondagochtend om gras voor de konijnen te snijden, en de vrouwen om de wasch in het water te zetten. Onverschilligen! Is het zoo of niet?”

Ik zeide: „Ja, Bartje, het is zoo. De Noord-Hollanders zijn onverschilligen”.

Opnieuw zette Bartje stoom op. „Zij leven als de dieren”, decreteerde het oude mensch. „Enkel om te eten en te drinken. Zij denken ook waarlijk, dat zij niet anders zijn dan de dieren. Zij denken, dat metden dood alles voor hen uit is. Zij halen de schouders op over de eeuwigheid. Arijan van hiernaast zegt, dat ieder zijn eigen duivel en zijn eigen god is. Zoo denken duizenden in Noord-Holland erover. Leven zij als de dieren of niet als de dieren?”

Ik erkende: „Ja Bartje, gij zegt het wel. Zij leven als de dieren.”

„Slecht volk in Noord-Holland!” riep Bartje uit. En ik zag aan haar schaduw, dat zij de handen uit de zij nam, en de lange, gerimpelde armen naarboven uitstrekte. „Slecht volk!”

Toen antwoordde ik haar: „Neen, Bartje, gij weet er niets van.”

Verder zeide ik nog: „Hier is de melk. Niet veel en dun.”

***

Ik zag Arijan. Hij zat op de wegschoeiïng, en zijn beenen bengelden boven de sloot. Hij had een hengel in de hand; de dobber lag onbewegelijk in het kroos.

Ik ging naast Arijan zitten, en liet mijn beenen nevens de zijne boven het water bengelen. Hij zag niet naar mij en sprak niet tot mij. Hij keek naar den dobber; ik keek ook naar den dobber. Vier minuten lang slingerden onze vier beenen naast elkander heen en weer.

Na verloop daarvan murmelde Arijan binnensmonds: „Ik hengel een beetje.”

„Ja”, antwoordde ik, „gij hengelt een beetje.”

Thans zag hij voor het eerst op. Er was achterdocht in den blik, dien hij op mij sloeg, zooals van iemand, die zich afvraagt, of er met hem gespot wordt.

„Beter dan kwaaddoen,” zeide hij. Zijn toon wasietwat uitdagend; daarin klonk iets van: weerspreek dat nu eens, indien gij soms iets op mijn hengelen tegen hebt.

Maar ik had niets op zijn hengelen tegen, en weersprak het dus niet.

„Een ander gaat naar de herberg, als zijn werk af is,” vervolgde Arijan, „maar ik hengel een beetje.”

„Veel beter,” oordeelde ik. „Trouwens, de herberg heeft het zoo in het gewone dagelijksche verloop hier niet druk met klandisie.”

„Hier niet, en nergens in onze streken,” antwoordde Arijan. Hij trok het hengelsnoer op, en legde zijn vischtuig naast zich neer op den weg. Daarna haalde hij zijn beenen omhoog, sloeg er zijn armen om, legde zijn kin op zijn knieën, en hield deze rede: „Wij zijn nog de kwaadsten niet hier in Noord-Holland. Naar de kerk vliegen en met den bijbel onder den arm loopen? Het is beter, goed voor vrouw en kinderen te zijn, en aan ieder te geven wat hem toekomt. Dat vindt gij, waar gij ook komt, in Noord-Holland. En ons verstand gebruiken is heelwat godsdienstiger dan aan allerlei wonderen gelooven. En de beste godsdienst is de menschlievendheid; nu, iets overhebben voor arme en ongelukkige medemenschen is bij ons in Noord-Holland ook niets vreemds. Wij zijn hier oppassende menschen, mag gezegd worden. Ik, als mijn werk af is, hengel een beetje; zoo doet de één dit, de ander dat. Maar alles gebeurt bij ons met oppassendheid. Den dommen tijd, toen er nog aan den hemel geloofd werd, zijn wij, gelukkig, teboven gegroeid; de hemel is hier, en ieder maakt hem voor zichzelf. Maar als die ouderwetsche hemel bestond, weet ik niet, waarom menschen zooals wij er niet in zouden komen. Waar of niet? Daarvoor zou het toch ook aankomen op oppassendheid. Waarop anders?”....

„Ik ga naar huis”, viel ik Arijan in de rede, en ik stond op.

Hij nam zijn hengel weer ter hand, en terwijl hij den dobber over het water liet scheren, riep hij mij na: „Goed volk bij ons in Noord-Holland, goed volk!”

Ik keerde, mij verwijderende, nogeens het hoofd om, en riep terug: „Neen, Arijan, gij weet er niets van.”

***

„Hier is de melk”, zeide ik den anderen dag tot Bartje. „Weinig en schraal.”

„Gij behoeft niet altijd op de melk te smalen”, sprak de oude moeder spijtig. Zij was heden kribbig gestemd. Zij had ditmaal ook het melken van haar schaap niet met haar tegenwoordigheid opgeluisterd. Ik bracht de melk binnen in haar poovere vertrekje.

„De melk is zooals het schaap is,” ging het booze oudje door. „Een schraal gevoerd schaap kan geen overvloedige en vette melk geven. En ik heb niet meer en beter voer voor het dier.”

„O, ja, moeder Bartje”, bracht ik in het midden, „slecht voer maakt slechte melk. Ik verwijt het schaap dan ook niets. Waarom zijt gij boos?”

„Ik houd niet van dubbeltongige menschen”, snibde zij. „Ik houd niet van menschen, die bij den een goed noemen wat zij slecht noemen bij den ander. Nu zult ge mij wel begrijpen, denk ik, enne... Gij behoeft nooit meer aan mijn schaap te komen. Dank voor de genoten hulp.”

Ik zeide tot Bartje, dat ik haar juist in het geheel niet begreep.

Toen kwam zij los: „Arijan van hiernaast zal er zeker toch niet om liegen, dat gij de menschen hier voor slecht hebt verklaard, toen hij vond, dat deNoord-Hollanders zoo goed volk waren. En toen ik een oogenblik tevoren zeide, dat zij slecht volk waren, vondt gij hen juist goed. Ik geef er niet om, wat gij vindt. Maar dat is draaierij. En daar houd ik niet van.”

Ik tot Bartje: „Waarde en geachte Bartje! Waarom is wat uw schaap voortbrengt aan melk niet veel en slecht? Dewijl ook datgene, waarmede het gevoed wordt, niet veel en slecht is. Indien het nu alzoo bij het schaap is, zou het dan, o,hooggeëerdgrootje, niet evenzoo met den Noord-Hollander zijn? Als de geestelijke spijs, waarmede hij sinds zoolang reeds, jaar in jaar uit, ja, geslacht in geslacht uit, gevoed is, arm moet heeten, hoe zou het geestelijk leven, dat hij thans ontplooit, rijk kunnen wezen? Daarom, mijn wel-gewaardeerde vriendin, hoe zullen wij onze wereldsche, onverschillige, stofverheerlijkende Noord-Hollanders veroordeelen, zelfs dan,alswij hen nochtans veroordeelen? Waar het schapenvoer slecht is, is ook de schapenmelk slecht, en toch tegelijk zoo, dat het onredelijk is, betere schapenmelk te verwachten.”

Nadat ik deze woorden geëindigd had, maakte ik mij een onderkin, teneinde de gewichtigheid van mijn uitgesproken rede zooveel mogelijk te ondersteunen door de gewichtigheid van mijn voorkomen.

Bartje echter voer uit: „Ik weet niet, waar gij al zulke deftige taal vandaan haalt, daar gij slechts een heel gewoon boerenmensch zijt, evenals ik. Maar door alle wijsheid der wereld laat ik er mij niet afbrengen: goed is goed, en slecht is slecht. En goed en slecht tegelijk bestaat niet. Zoo heb ik het van jongsaf geleerd in Weesperkarspel.”

Vervolgens herhaalde zij nog driemaal, in een stijgende toonladder: „Wat slecht is, is niet tegelijk goed; wat goed is, is niet tegelijk slecht!” Daaropkeerde zij mij haar rug toe. Desgelijks deed ik jegens haar met mijn rug, en ik vertrok.

***

Bartjes schaap was dood. Langzaam aan verkwijnd van ellende, tengevolge van het al te sobere onderhoud, dat de arme, oude stumperd slechts in staat was het te verschaffen.

Ik vond Bartje in veel tranen over haar verlies.

„Ach, Bartje”, zeide ik medelijdend, „is het nu wel zóó erg? De melk was weinig en mager. Het was maar een slecht schaap.”

Maar tusschen de snikken door schokte het uit Bartjes keel: „Hetwaseen slecht schaap. Maar het was wat het wezen kon en gaf wat het geven kon, mijn goed schaap.”

decoratieve illustratie

INHOUD.BLADZ.I.LAND EN VOLK1II.PER HONDENKAR9III.DE MYSTIEKE KNOBBEL17IV.LANDELIJKE LIJKSTATIE23V.LENTE IN DE WEI29VI.HET HEERSCHAP36VII.DE GEBOORTEPLAATS44VIII.DONKERE DAGEN52IX.ALWAAR DE EENDEN KWAKEN68X.BARTJE EN IK, ALSOOK HET SCHAAP111

Bij denzelfden uitgever verscheen:PIERSON'S VLUCHTHEUVELZANGEN(200 liederen). Compleete bundel met begeleidingƒ2.50 geb.TROUWEN EEN GELUK?EENIGE VRAGEN AAN ONZE DOCHTERSdoor MevrouwAdolf Hoffmannƒ0.90, ƒ1.25 geb.HET ZONNETJE IN HUISdoorFrieda Ufer Heldt. Een huwelijksgeschenk voor de dochter van Chr. huizeƒ1.50, ƒ1.90 geb.Ds. L. C. SCHULLER TOT PEURSUMWEGGEVLOTENE JARENƒ2.50, ƒ2.90 geb.Dr. J. H. GUNNING J.Hzn.ENGELAND—SCHOTLAND—ZWITSERLAND.Reisindrukkenƒ2.90, ƒ3.25 geb.Ds. J. H. WIERSMA, WINTERBLOEMENBLADEN UIT EIGEN TUINTJE GEPLUKTƒ1.—, ƒ1.50 geb.

Bij denzelfden uitgever verscheen:

PIERSON'S VLUCHTHEUVELZANGEN(200 liederen). Compleete bundel met begeleidingƒ2.50 geb.

PIERSON'S VLUCHTHEUVELZANGEN

(200 liederen). Compleete bundel met begeleidingƒ2.50 geb.

TROUWEN EEN GELUK?EENIGE VRAGEN AAN ONZE DOCHTERSdoor MevrouwAdolf Hoffmannƒ0.90, ƒ1.25 geb.

TROUWEN EEN GELUK?

EENIGE VRAGEN AAN ONZE DOCHTERS

door MevrouwAdolf Hoffmannƒ0.90, ƒ1.25 geb.

HET ZONNETJE IN HUISdoorFrieda Ufer Heldt. Een huwelijksgeschenk voor de dochter van Chr. huizeƒ1.50, ƒ1.90 geb.

HET ZONNETJE IN HUIS

doorFrieda Ufer Heldt. Een huwelijksgeschenk voor de dochter van Chr. huizeƒ1.50, ƒ1.90 geb.

Ds. L. C. SCHULLER TOT PEURSUMWEGGEVLOTENE JARENƒ2.50, ƒ2.90 geb.

Ds. L. C. SCHULLER TOT PEURSUM

WEGGEVLOTENE JARENƒ2.50, ƒ2.90 geb.

Dr. J. H. GUNNING J.Hzn.ENGELAND—SCHOTLAND—ZWITSERLAND.Reisindrukkenƒ2.90, ƒ3.25 geb.

Dr. J. H. GUNNING J.Hzn.

ENGELAND—SCHOTLAND—ZWITSERLAND.

Reisindrukkenƒ2.90, ƒ3.25 geb.

Ds. J. H. WIERSMA, WINTERBLOEMENBLADEN UIT EIGEN TUINTJE GEPLUKTƒ1.—, ƒ1.50 geb.

Ds. J. H. WIERSMA, WINTERBLOEMEN

BLADEN UIT EIGEN TUINTJE GEPLUKTƒ1.—, ƒ1.50 geb.

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 3NapeleonNapoleonBlz. 16doodsstillendoodstillenBlz. 18mildellijkmildelijkBlz. 25slaatslaanBlz. 26van vanvanBlz. 34-Blz. 58menschen-enmenschen- enBlz. 77»”Blz. 106varkenkotvarkenskotBlz. 108[Niet in Bron].Blz. 116hooggëeerdhooggeëerd

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext