BRUINTJE EN DE PRINSES.BRUINTJE EN DE PRINSES.Zij was niet wezenlijk bruin, maar een klein meisje, Betty genaamd, dat met haar vader in een hutje bij ’t bosch woonde. Zij waren arm en daardoor had Betty altijd hetzelfde bruine jurkje aan, een grooten bruinen stroohoed op en, omdat ze veel aan zon en lucht blootgesteld was, was ook haar gezichtje gebruind, hoewel zij er lief uitzag, met haar blozende wangen, donkere oogen en in den wind fladderende krullen.Zij was een levendig schepseltje, en daar zij geen buren had, knoopte zij vriendschap aan met de vogelen, de bloemen, de eekhoorntjes en konijnen, en wist zich met deze goed te vermaken, want die allen kenden haar en hadden haar lief.Vele lieden reden door dat mooie bosch, niet ver verwijderd van het paleis van den Koning, en wanneer zij het kleine meisje zagen dansen in de wei bij de madeliefjes, of eekhoorntjes in de boomen najagen, of in de beek plassen, of onder haar breedgeranden hoed zitten, als een groote beweegbare paddestoel, dan zeiden ze: „Kijk, daar is Bruintje.”Betty was schuw en verlegen, en trachtte altijd zich te verschuilen, als iemand haar riep; het was grappig, haar dan te zien verdwijnen in een hollen boom, of wegkruipen in het hooge gras, of als een verschrikt konijntje tusschen de varens te zien wegschuilen. Zij was bang voor die mooie dames en heeren, die om haar lachten en haar bij allerlei namen noemden, maar nooit een van allen er aan dachten, eens een boekje of stuk speelgoed voor haar meê te brengen, of een vriendelijk woordje te spreken tot het eenzame meiske.Haar vader had de zorg voor de herten in het park van den Koning, en was den geheelen dag op het pad, en liet Betty alleen achter, om het huisje schoon te houden, het bruine brood te bakken, en het witte koetje te melken, Dea geheeten, dat in het schuurtje achter de hut woonde en Betty’s liefste vriendin was. Zij hadden geen weide, om haarin te laten grazen; als Betty dus haar werk gedaan had, nam ze haar breiwerk meê en dreef ze Dea den weg langs, waar het beestje aan beide zijden overvloed van gras kon eten en dan in de schaduw van een boom gaan liggen uitrusten. Onderwijl deed het kleine meisje dan allerlei spelletjes met haar speelmakkertjes, de dieren en bloemen uit het bosch; of lag zij naar de wolken te kijken, of schommelde op boomtakken, of liet takjes en blaadjes als scheepjes in de beek zeilen. Zij was gelukkig, maar toch verlangde zij wel eens naar iemand, om meê te praten, en trachtte zij te vergeefs de liedjes te leeren, die de vogels den ganschen dag door zongen. Er nestelden veel vogels rondom het hutje; want niemand verstoorde ze ooit, en zij waren zoo mak, dat ze uit hare hand aten, en op haar schouder kwamen zitten.Boven op hun dak huisde een ooievaarsfamilie, onder de balken hechtten zwaluwen hun nestjes van klei, en winterkoninkjes zaten te piepen in hun nesten, tusschen de roode en witte rozen, die tegen den muur op klauterden, om in Betty’s raam te kunnen kijken.Woudduiven kwamen het graan oppikken, dat zij voor hen strooide, leeuwerikken vlogen zingend op uit het gras aan den weg en zij werd door de nachtegalen in slaap gezongen.„Kon ik maar verstaan wat zij zeggen, dan konden wij zooveel pret met elkaar hebben. Maar wie zal mij hun taal leeren?” zuchtte Betty eens op een avond, toen zij bij zonsondergang de koe naar huis dreef.Zij ging toen door het bosch, en terwijl zij sprak, zag ze een grooten grijzen uil op den grond tuimelen, alsof hij niet vliegen kon. Zij liep er terstond naar toe, om te zien wat het beest scheelde en was volstrekt niet bang, hoewel het dier haar met zijn ronde oogen boos aankeek, en met zijn krommen snavel trachtte haar te pikken.„Arm beestje, zijn poot is kapot,” zeide zij en bedacht, of zij er ook iets aan kon doen.„Neen, dat is het niet; mijn vleugel is gebroken. Ik leunde over den kant van mijn nest, om naar een veldmuis te kijken, en toen verblindde een zonnestraal mij zoodanig, dat ik er uit viel. Neem mij maar van den grond op en zet mij weer in mijn nest, dan zal ’t wel weêr in orde komen.”Betty was zoo verbaasd den uil te hooren spreken, dat ze geen voet verzette; en meenende dat zijn knorrige toon haar verschrikt had, zeide de grijze vogel op vriendelijker toon, met een veelbeteekenend knikje en knipoogje van zijn gele kijkers:„Tot iedereen zou ik niet spreken, en ook niet licht een ander kind vertrouwen; maar ik weet, dat gij nooit iets of iemand kwaad doet. Reeds lang heb ik u nagegaan en ik houd van u; daarom wil ik u beloonen, door u de vervulling van uw laatsten wensch te geven, welke die ook zijn moge. Dat kan ik; want ik ben een toovenaar en ken allerlei tooverkunsten. Zet mij weer in mijn nest en zeg mij uw wensch, en die zal vervuld worden.”„O! dank u,” riep Betty vol vreugde. „Mijn wensch was juist te verstaan wat de vogels zeggen.”„Och heden! juist die wensch is niet licht te vervullen; toch zal het geschieden, als gij belooft aan niemand te vertellen, hoe gij achter het geheim zijt gekomen. Ik wil niet graag dat er meer menschen met dat verzoek tot mij komen, en mijn buren zouden het niet aangenaam vinden, als hun praatjes door allerlei ooren verstaan werden. Wat u betreft, zullen zij daartegen geen bezwaar hebben, en het zal u vermaken, arm kind!” zeide de uil na eenig nadenken.Betty beloofde stilzwijgendheid, en den dikken vogel zorgvuldig in haar arm houdend, klom zij in den ouden eik en zette hem veilig in zijn holletje, waar hij zich weêr nestelde en zijn veêren glad schudde, blij weêr thuis te zijn.„Trek nu van mijn rechteroor het grootste pruikje dons en stop het in uw eigen oor, dan zult gij kunnen verstaan wat de vogels zeggen. Goeden nacht; nu ben ik doodmoê en heb behoefte aan rust,” zeide de uil met een geeuw.„Dank u zeer,” zeide Betty en liep schielijk Dea achterna, die al grazend langzaam huiswaarts stapte.Het pluisje dons zat in Betty’s oor, en terstond hoorde zij hoe verschillende lieve stemmetjes elkaar toeriepen: „Goeden nacht!” „Droom plezierig!” „Een helderen morgen!” „Stil, mijn hartjes, gaat nu slapen tot den dageraad,”—en meer lieve woordjes van dien aard, terwijl de vogels van het woud met de zon ter ruste gingen. Toen zij het hutje naderde, stond papa ooievaar op één been, terwijl demoeder de kleintjes onder haar vleugels toedekte, en nu en dan een hartig woordje zeide, als er nog een rood snaveltje of een pootje te voorschijn kwam. De duifjes koerden teeder in den denneboom, die boven haar hoofd ruischte, de zwaluwen zweefden over den grond, om hun jongen nog als avondeten een paar mugjes te kunnen brengen, en de winterkoningjes babbelden tusschen de rozen, als hadden ze elkaar nog veel te vertellen.„Nu kan ik dus te weten komen wat zij allen zeggen,” riep Betty, en trachtte al die stemmen te onderscheiden, wat haar nu in ’t begin nog moeite kostte. Toen molk zij haar koetje, dekte de tafel, en maakte alles in orde voor haar vader, die dikwijls laat thuis kwam, gebruikte daarop haar brood met melk zittend op de stoep, en luisterde onderwijl uit al haar macht. Zij strooide altijd kruimels voor de vogels en onbevreesd kwamen zij die oppikken. Ook thans kwamen zij en Betty verstond alles wat zij ondertusschen keuvelden.„Lievert, hier is een mooi zacht stukje voor u,” zeide de vader, en liet onder ’t rondtrippelen zijn oog met welgevallen op het meisje rusten. „Eet gij dit maar op, terwijl ik de kinderen te eten geef. Ons meiske vergeet ons nooit en spaart mij menige groote reis uit, doordat zij ons die heerlijke kruimels geeft. Ik wou dat wij voor haar ook eens wat doen konden.”„Ik ook, ik tob mij letterlijk af, om iets uit te vinden, waarmeê wij haar genoegen zouden kunnen doen. Dikwijlsverbaas ik mij erover, dat het Prinsesje ginds in het paleis zooveel heeft, en onze lieve Betty zoo weinig. Een paar van die boeken of stukken speelgoed, die dáár in overvloed ongebruikt liggen, zouden dit kind zoo gelukkig maken. Het is jammer, dat niemand daaraan denkt.” Dit zeggende zuchtte mama Winterkoning en pikte een kruimeltje vlak bij Betty’s bloote voetje. „Als ze maar niet zoo verlegen was en wilde toelaten, dat de menschen haar aanspraken, zou ze wel spoedig veel vrienden maken, omdat zij zoo vroolijk en vriendelijk is,” antwoordde de vader, die juist een nieuwe lading kwam halen voor zijn hongerige kinderen in het nest.„De Prinses heeft al van haar en hare behoeftigheid hooren spreken, en wenscht haar zelf te zien.Vandaag, toen ik onzen neef Mees in den paleistuin een bezoek kwam brengen, hoorde ik de dienstboden erover spreken. Zij zeiden, dat Hare Hoogheid plan had morgen vroeg in het dennenbosch te komen toeren om een luchtje te scheppen, en dat zij dan hoopte Bruintje en het mooie witte koetje te zullen zien.„Als Betty dat nu maar wist, dan zou zij een ruikertje madeliefjes en paardenbloemen kunnen plukken, en dat aan het Prinsesje geven, wanneer zij kwam. Dat zou haar zeker genoegen doen en Betty ook licht een presentje bezorgen; want Hare Hoogheid is heel goedhartig, al wordt ze ook droevig bedorven, vrees ik.”Dit mooie plannetje lachte Betty zoo toe, dat zij erover in de handen klapte en daardoor de vogels verjaagde.„Dat zal ik doen! Ja, dat zal ik doen!” juichte zij. „Ik heb al zoolang verlangd het Prinsesje te zien, waarvan vader mij verteld heeft. Zij is ziekelijk en kan niet loopen en spelen zooals ik; ik zou haar dus dolgraag een pleziertje doen en de paardenbloemen en madeliefjes bloeien al. Ik zal vroeg uitgaan en een hoed vol plukken en niet wegloopen, als zij aankomt.”Zoo vervuld was Betty van dit heerlijke plannetje, dat zij vroeg naar bed ging, maar toch vergat ze niet nog eerst eens uit haar venstertje te kijken, tusschen de rozen door, naar het nestje, waarin mama Winterkoning op hare kleintjes paste, terwijl de papa in de nabijheid op één poot zat, met zijn kop onder zijn vleugel.„Goeden nacht, lieve vogeltjes; ik ben u heel dankbaar,” fluisterde Betty; maar zij letten niet op haar en sliepen voort, alleen soms even een geluid makend, alsof zij droomden.Des morgens vroeg zongen de leeuweriken, uit het gras opvliegend, en wekten Betty met hun lieve stemmetjes:„Opstaan, lieve meidWant de dag begon;Zing met ons een liedVoor de heldre zon!”En de kleintjes piepten:„Kom ’t is dag, mama!Krijg ik wat te bikken?Ga dan gauw, papa,Breng ons wat te pikken.”terwijl ze hun bekjes zoo wijd mogelijk opensperden.De ooievaars vlogen op, met hun lange beenen achter hen aanslepend, en riepen daarbij:„Weder is een dag gekomen,Over velden, heuvels, boomenWillen wij de vleugels kleppen,Om voor onzer kindren sneppenOveral, in alle hoeken’t Beste voedsel te gaan zoeken.”De kleintjes staken hun kopjes omhoog en staarden naar de zon.De grijze kippetjes liepen te pikken bij de schuur en kakelden:„Tok, tok, tuk!Wat geluk:Tweemaal één is twee.Raad eens wat ik deê:’k Lei voor allebeiElk een kersversch ei.”en de haan stond erbij luid te kraaien:„Kukelekukeleku!Neem uw badje nuIn de frissche dauw;Want de lucht is blauw.”En de duifjes trippelden rond op haar kleine rose pootjes, trekkebekten en koerden, al buigende:„Koekeroe! koekeroe!Door het dennengroenSchijnt de nieuwe dag.Geef nu elk een zoen!Koekeroe, dat mag!”Betty stond aan ’t venster te luisteren en was zoo gelukkig, dat zij de roosjes kuste, die haar toeknikten; daarop liep zij naar beneden om meelbrei te koken voor ’t ontbijt, zelf als een vogeltje kweelende.Toen haar vader naar zijn werk was, haastte zij zich Dea te melken, den vloer aan te vegen en den boel netjes op te knappen, vóór zij ’t Prinsesje ging opwachten.„Eet gij nu hier uw ontbijt maar, terwijl ik de bloemetjes ga plukken; want dit is een prettig plekje voor u; en ik wil graag, dat gij er goed uitziet, als de deftige menschen komen,” zeide Betty en zij liet haar koetje grazen op een schaduwrijk plekje naast den weg, waar het gras welig groeide en een oude eik de zonnestralen opving.De paardebloemen waren allen open, als gouden sterren, en Betty maakte daarvan met eenige madeliefjes een frischruikertje, besprenkelde dat goed met water en stopte het in haar hoed. Daarop ging zij ijverig zitten breien op een omgehakten boomstam, nadat zij het rustig herkauwende koetje nog met een krans van eikenbladeren den nek versierd had.Ze behoefden niet lang te wachten. Spoedig hoorde zij hoefgetrappel, en langs den boschweg kwamen de twee witte ponies, de manen schuddend, en achter hen aan het aardige rijtuigje, met koetsier en palfrenier in blauw met zilver, en erin het Prinsesje, met witte pluimen op haar hoed, gezeten naast hare kindermeid, en gewikkeld in een warmen zachten mantel, want de zomerlucht was haar anders ’s morgens te koel.„O! daar is Bruintje met haar mooie witte koetje! Zeg haar nu toch, dat ze niet moet wegloopen, want ik wil haar graag goed zien, en haar hooren zingen,” riep het Prinsesje vol ijver, toen zij nader kwamen.Betty was wel een beetje bang, maar liep toch niet weg; want de kindermeid was een vriendelijk uitziend oud mensch, met een hooge boerinnenmuts op, dat haar met een moederlijken blik toeknikte en heel tevreden scheen, toen Bruintje het ruikertje ophield en zeide:„Wil de jongejuffrouw deze hebben?”„O ja! heel graag. Ik heb nog nooit zoo’n mooie bouquet paardenbloemen gehad. Hoe prachtig! Dankje wel, Bruintje,” riep het Prinsesje en lachte van pret, met haar beide handen vol bloemen.„Ik heb ze allemaal voor u geplukt. Ik heb er zooveel en ik hoorde u erom vragen,” zeide Betty, heel blij, dat zij niet weggeloopen was en zoo het ritje bedorven had voor de kleine Prinses.„Hoe wist ge dat?” vroeg het Prinsesje en keek haar verwonderd aan.„Dat hebben de vogels mij verteld,” zeide Betty.„O ja! Ik vergat, dat zulke boschmeisjes, als gij, verstaan kunnen wat de vogels zeggen. Ik kan alleen mijn papegaaien verstaan, andere vogels niet. Zoudt gij mij kunnen vertellen wat zij zeggen?” vroeg het Prinsesje, met een ernstig gezichtje, zich uit haar rijtuig voorover buigend, want zij had veel schik in al wat nieuw voor haar was.„Ik denk het wel, als tamme vogels zingen evenals de wilde,” antwoordde Betty, niet weinig trotsch, dat zij meer wist dan het rijke meisje.„Ge moet in het paleis komen en mij dat vertellen; toe, kom terstond, want wachten kan ik niet. Mijn kanarie zingt den heelen dag, maar ik versta er niets van, en dat wil ik toch. Zeg, dat ze komen moet, Juf,” beval het Prinsesje, dat altijd gewoon was haar zin te krijgen.„Kunt gij?” zeide de oude vrouw. „Wij zullen u van avond terugbrengen. Hare Hoogheid heeft er haar zinnen op gezet u meê te nemen, en wij zullen u ervoor betalen.”„Ik kan Dea niet verlaten; wij hebben geen wei om haar in te zetten en ik kan haar niet in de schuur opsluiten, danzou zij den geheelen dag om mij roepen,” antwoordde Betty, die wel veel lust had om meê te gaan, maar toch haar koetje geen armoê wilde laten lijden.„Zet uw koe maar dáár in die wei; ik geef u verlof. Dat land behoort mij allemaal toe en niemand zal er wat tegen te zeggen hebben. Doe dat!” zeide de Prinses en wenkte met haar hand den lakei, die van den wagen sprong en Dea in het groote klaverveld liet, vóór Betty er iets tegen doen kon.„Dat zal mijn beestje wel heerlijk vinden; en nu kan ik wel met u meêgaan, als ’t u niet schelen kan, dat ik zoo’n oude jurk en hoed heb,—ik heb geen andere kleêren,” zeide zij, terwijl de koe reeds begon te eten van de klaver, en de lakei ’t portier van ’t rijtuigje voor haar open deed.„O! dat vind ik juist aardig.—Kom er maar gerust in.—En nu terstond naar huis,” beval het Prinsesje; en weldra toerde onze arme kleine Betty in het deftige rijtuig, met een gevoel alsof het niet waar kon zijn.Het prinsesje deed allerlei vragen en kreeg hoe langer hoe meer schik in haar nieuwe vriendinnetje; want zij had nog nooit in haar leven een woord gewisseld met een arm kind, en dus geenerlei besef, hoe die lieden leefden. Betty was opgewonden door dit buitenkansje, en zoo vroolijk en lief in haar eenvoudige manieren, dat de oude kindermeid weldra vergat op te letten, of zij ook iets verkeerds deed of zeide.Toen ze stilhielden voor het groote marmeren paleis, dat schitterde in de zon, met prachtige groene lanen enbloembedden en terrassen er om heen, kon Betty slechts met ingehouden adem al ’t moois aanstaren, vooral ook toen zij door schitterende gangen en portalen, langs breede trappen, binnengeleid werd in een kamer vol mooie dingen, waar zes vroolijk gekleede dienstmeisjes samen zaten te naaien en te babbelen.De Prinses moest nu gaan rusten, maar Betty werd verzocht te blijven en zich te laten verkleeden, alvorens zij met Hare Hoogheid ging spelen.De kamer was vol doozen en kasten en manden en toen de deuren open en de deksels eraf kwamen, zag Betty een massa mooie jurken, hoeden, mantels en allerlei fraaiigheden voor kleine meisjes om te dragen. Nooit in haar stoutste droomen had zij zich zooveel schoone dingen en kleêren kunnen voorstellen, van kant, lint, zijde en fluweel. Hoeden met bloemen en veêren, aardige blauwe en rose schoentjes met gouden en zilveren gespjes, zijden kousjes, zoo fijn als spinrag, neteldoeksche en batisten rokjes en nachtponnetjes en mutsjes met fijne borduursels, alsof geen menschenhanden ze zoo hadden kunnen maken.Als in een droom stond zij te kijken, terwijl de meiden haar op vriendelijke wijze ontdeden van haar bruine hoedje en jurkje, en, na lang beraad over wat haar het beste zou staan, haar eindelijk een rose neteldoeksch japonnetje aantrokken, benevens nette schoenen en kousen en een stroohoedje met roosjes er op. Toen daarbij haar lokken tot dikke bruine krullen waren gladgestreken, zeiden zehaar, dat ze eens in den grooten spiegel moest kijken en zeggen wat zij er in zag.„O, wat een sierlijk meisje!” riep Betty, en glimlachte en knikte tegen het meisje in den spiegel, dat hetzelfde deed tegen haar. Zij herkende zich zelf niet, daar ze nooit haar beeld anders weerkaatst had gezien, dan in een stilstaanden plas, of in de beek langs de weide.De dienstmeisjes lachten, en toen begreep zij, dat zij ’t zelf was, en lachte met haar en danste en maakte nijgingen en was heel vroolijk, totdat er gescheld werd en men haar beval naar de Prinses te gaan.Zij vond deze in een prachtige kamer, de wanden behangen met blauwe zijde en kant, een glanzig zilveren ledikantje, blauw damasten stoelen en sofa’s, schilderijen aan den muur en bloemen aan alle vensters en vergulde kooien met aardige vogeltjes er in.Op een kussen zat een witte kat te slapen; een snoepig klein hondje, met een gouden halsbandje met bellen om, trippelde er rond en op alle tafels lagen boeken en speelgoed uitgespreid.Het Prinsesje knorde tegen de oude kindermeid, omdat deze haar nog langer wilde laten slapen, na haar rijtoertje; maar toen Betty binnenkwam, met haar nieuwe kleêren en haar vroolijke gezichtje, veranderde ook bij haar de frons in een glimlach, en riep zij:„O! wat ziet gij er nu netjes uit! Nu zijt ge niet langer Bruintje; maar ik hoop toch, dat ge de taal der vogels nog niet vergeten hebt.”„Neen,” zeide Betty; „laat mij maar even luisteren en dan zal ik u vertellen wat zij zeggen.”Beide zwegen dus en de kindermeid en de andere gedienstige hielden zich zoo stil als muizen, terwijl de kanarie zijn schelle tonen liet hooren, en Betty’s gezicht betrok, bij het hooren daarvan.„Hij zegt dat hij genoeg heeft van zijn kooi en verlangt vrij te zijn bij de andere vogels; want een boom is voor hem een betere woning dan een gouden paleis en een kruimeltje in het bosch smaakt hem beter, dan al de klontjes suiker in zijn zilveren bakje. Hij zingt: „„Laat mij vrij! laat mij vrij! of mijn hart zal breken!”” Dat is de inhoud van zijn lied en het roodborstje zingt hetzelfde; en ook de vinkjes en dat fraaigekleurde andere vogeltje, dat ik niet ken.”„En wat zegt Polly? Als hij praat, kan ik hem wel verstaan, maar niet, als hij zoo bij zich zelf zit te brommen en te babbelen, zooals hij nu doet,” zeide het Prinsesje, zeer verbaasd over wat ze gehoord had; want zij dacht, dat haar vogeltjes overgelukkig moesten zijn in zulke sierlijke kooitjes, met lekkere hapjes.Betty luisterde naar den grooten rood-groen-en-blauwen papegaai, die op een stokje zijn kop zat te schudden, en bij zich zelf grinnikte, alsof hij een goede grap hoorde. Weldra kreeg Betty een kleur en begon zij te lachen, daar ’t geen zij hoorde haar vermaakte, maar tevens verlegen maakte; want de vogel praatte en knikte nu tegen haar op koddige wijze.„Nu, wat zegt hij dan?” vroeg het Prinsesje ongeduldig.„Och! vraag mij dat maar niet. Ge zult het niet prettig vinden dat te hooren. Ik kan het u heusch niet overbrengen,” zeide Betty nog lachend en blozend.„Gijmoethet mij vertellen, anders laat ik Polly den nek omdraaien.Ikverkieselk woord te weten, dat hij gezegd heeft, en opuzal ik niet boos zijn, wat ook die lastige vogel moge gezegd hebben,” beval het Prinsesje.Betty had geen lust te gehoorzamen, maar begon toch, uit vrees dat anders toch de papegaai zou gestraft worden. „Hij zegt: „„Ziezoo, daar hebben we nu een nieuw lievelingetje voor Hare Hoogheid om te plagen. Een lief, mooi meisje! Het is jammer, dat zij gekomen is, om een paar dagen lang aangehaald en gevierd te worden, en daarna weggesmeten, of vertrapt als een oude pop. Het arme kind, zij vindt nu alles hier heel mooi; maar als zij alles wist, weet ik zeker, dat zij zou wegloopen, en nooit weêrom komen; want een knorriger, meer bedorven kind dan Hare Hoogheid bestaat er niet.”””Betty durfde niet verder gaan, want het prinsesje keek heel boos; en de meid ging een klap geven aan Lorre, die echter met een lachje naar haar vinger beet en nog luider krijschte:„„Ja! dat is ze inderdaad! en achter haar rug zegt gij allen dat ook.Ikken uwe sluwe manieren wel. Gij prijst en vleit haar, en zegt dat zij ’t liefste meisje ter wereld is, terwijl gij weet, dat dit eenvoudige, lieve boschmeisjemeer waard is, dan een dozijn dwaze, heerschzuchtige prinsessen. Ha! Ha! Ik ben niet bang om de waarheid te zeggen, ben ik wel, Betty?””Betty schrikte letterlijk en kon toch niet laten te lachen, toen de stoute vogel haar toewenkte, onderste boven hangend met zijn krommen bek half open en zijn schitterende vleugels kleppend.„Ga voort! ga voort!” riep het Prinsesje uit nieuwsgierigheid haar boosheid vergetend.Betty moest haar dus verder vertellen en was heel blij, toen Bonnibelle ook begon te lachen, en per slot plezier had in de waarheid, op zoo koddige wijze verteld.„Zeg hem maar, dat gij weet wat hij zegt, en vraag hem, om als hij toch zoo wijs is, mij te zeggen, wat ik doen moet, om zoo braaf te worden als gij,” zeide het Prinsesje, dat geen kwaad hart had, en wist, dat zij veel te veel geliefkoosd en geprezen werd.Betty zeide dus tegen den papegaai, dat zij zijn taal verstond, en hij was zoo verbaasd, dat hij terstond rechtop op zijn stokje ging zitten, en haar aanstaarde, vol vuur zeggend:„„Och toe! laat mij niet bestraft worden, omdat ik de waarheid gezegd heb. Ik kan mijn woorden niet terugnemen, en daar gij mijn raad vraagt, denk ik, dat het beste, wat gij voor Hare Hoogheid doen kunt, zijn zou, haar met u van plaats te laten verwisselen, teneinde te leeren vergenoegd, nuttig en gelukkig zijn. Zeg haar dat, compliment van mij.””Betty durfde haar deze boodschap haast niet over te brengen; maar Bonnibelle had er schik in, want zij klapte in hare handjes en riep:„Dat zal ik aan Mama vragen. Zoudt gij ’t wel willen doen, Bruintje, en een prinses worden?”„Neen, dank u, liever niet,” zeide Betty. „Ik zou mijn vader en Dea niet kunnen verlaten, en ik ben ook niet geschikt, om in een paleis te leven. Het is alles wel prachtig, maar ik geloof toch, dat ik ons kleine huisje en het bosch en mijn vogels liever heb.”De juf en de meid sloegen een gat in de lucht van verbazing over zoo’n denkbeeld; maar Bonnibelle scheen het te begrijpen, en zij zeide vriendelijk:„Ja, ik vind ook, dat het hier vervelend is, en veel prettiger buiten, om te doen wat men verkiest. Mag ik wel eens bij u komen en met u spelen, en van u leeren om te zijn zooals gij, lieve Betty?”Zij keek een weinig droevig, terwijl zij sprak, en Betty had medelijden met haar, en antwoordde dus met een blijden glimlach:„O ja! dat zal heerlijk zijn. Kom gij wat bij mij, en dan zal ik u al mijn speelmakkertjes laten zien, en dan moogt gij Dea melken, en de kippen voeren en de konijntjes en tamme jonge hertjes zien en in het veld met de madeliefjes loopen en paardebloemen plukken en bruin brood en melk eten uit mijn mooiste blauwe kommetje.„O ja, en een bruin jurkje en een grooten bruinen hoedhebben, evenals gij, en houten klompjes, die zoo’n leven maken op den vloer, en dan leeren breien en boomen klimmen en verstaan wat de vogels zingen!” voegde Bonnibelle er bij, zoo verrukt over het plannetje, dat zij van haar rustbedje afsprong en begon rond te huppelen, zooals zij in langen tijd niet gedaan had.„Nu moet ge mijn speelgoed eens komen zien, en uitzoeken wat gij er van wilt hebben; want ik houd veel van u, lieve, omdat gij mij nieuwe dingen vertelt, en niet gelijkt op de malle heertjes en juffertjes, die soms bij mij op bezoek komen, en die niets doen dan kibbelen, of als pauwen op en neêr stappen, tot ik meer dan genoeg van ze heb.”Bonnibelle sloeg haar arm om Bruintje heen en geleidde haar naar eene lange gang, zoo vol speelgoed, dat het wel een speelgoedwinkel geleek.Poppen waren er bij dozijnen, poppen, die konden praten, zingen, loopen en slapen, prachtige dametjes, grappige hansworsten, groote en kleine poppenkoninginnen en zuigelingetjes, poppen van alle volken en provincies. ’t Was een éénige verzameling van alle verscheidenheden en Betty kon hare oogen niet verzadigen, want zij had een echt meisjeshart, vol liefde voor poppen, en toch had zij nooit een haar eigen mogen noemen.„Ge kunt er gerust van nemen zooveel ge verlangt,” zeide Bonnibelle. „Ik geef er niet meer om.”Het deed Betty letterlijk versteld staan, te denken, dat zedesverkiezende een dozijn poppen kon meênemen. Maar zij besliste wijselijk, dat één genoeg was, en koos een wiegje met een lief klein bakerkindje er in, met blauwe oogjes, die zich sluiten konden, en blonde haartjes, die onder het mutsje uit kwamen kijken. Het zou haar moederlijk hartje verkwikken, als dit kleine lievelingetje bij dag in haar armen kon rusten, en ’s nachts naast haar slapen, en haar gezelschap houden in het eenzame hutje; want het popje kon heel natuurlijk „Mama” zeggen, en Betty gevoelde, dat het haar steeds een genot zou blijven, zich bij dien dierbaren naam te hooren noemen.Zij kon zich haast niet losscheuren van het wiegje, om de andere schatten te gaan bekijken; maar zij liep op en neêr met Bonnibelle, en bewonderde alles wat zij zag, totdat Juf haar kwam waarschuwen dat het koffietijd was en dat Hare Hoogheid thans niet meer mocht spelen.Betty wist niet recht, hoe ze zich houden moest, toen zij aan een sierlijk gedekte tafel gezeten was, met een knecht achter haar stoel en allerlei fraai porselein en glaswerk en zilver vóór haar.Zij keek maar goed naar Bonnibelle, wat die deed, en wist zich zoo te redden, en at perzikken, en koekjes, en room, en fijne witte broodjes, en suikergoed, alles met evenveel smaak. De gebraden vogeltjes op den zilveren schotel wilde zij niet proeven, hoe lekker ze ook geurden, maar ze zeide op droeven toon:„Neen, dank u, mijnheer; mijn vriendjes zou ik niet kunnen opeten.”De lakei deed zijn best niet te lachen; maar het Prinsesje schoof toen ook haar bord weg en zeide op ernstigen toon:„Nu wil ik ze ook niet meer opeten. Geef mij wat abrikozengelei en een stukje knapkoek. Nu ik meer weet omtrent de vogels en wat zij omtrent mij denken, zal ik hen ook zorgvuldiger behandelen. Gij moet mij nooit meer vogeltjes opdisschen.”Na het maal gingen de kinderen naar de boekenkamer, waar al de mooiste prentenboeken, die ooit gedrukt werden, op de planken, laag bij den grond, uitgestald waren en gezellige stoeltjes in alle hoeken stonden, waarin men lust zou hebben den geheelen dag sprookjes te zitten lezen. Betty sprong op van blijdschap, toen haar nieuwe vriendin een stapeltje van de prettigst uitziende boekjes voor haar uitzocht, om meê naar huis te nemen. Toen gingen zij naar de muziekkamer, waar eenige muzikanten een stuk speelden en waar het Prinsesje danste met haar meester, op een plechtige wijze, die Betty heel dwaas voorkwam.„Nu moet gij ook dansen. Ik heb gehoord, dat gij ’t heel mooi doet; want eenige heeren en dames hebben u in ’t bosch met de madeliefjes zien dansen en gezegd, dat het ’t mooiste ballet was, dat ze ooit gezien hadden. Gij moet! Neen, doe het als’t ubelieft, lieve Betty,” zeide Bonnibelle eerst bevelend, maar toen gedachtig aan ’t geen de papegaai gezegd had, sprak zij meer zacht en vriendelijk.„Ik kan niet hier, waar menschen bij zijn. Ik ken geenpassen en heb bloemen noodig, om meê te dansen,” zeide Betty.„Kom dan meê op het terras, daar zijn bloemen in overvloed in den tuin; en de dansles verveelt mij,” antwoordde Bonnibelle, en ging door een van de openstaande glazen deuren in de met marmer bevloerde breede veranda, waarheen Betty al lang lust had te gaan.Op de treden zaten verscheidene pauwen, die terstond hun prachtige staarten uitspreidden en voor de kinderen begonnen heen en weêr te stappen, en onder een krijschend geluid de pluimen van glanzige veêren op hun koppen te schudden.„Wat zeggen zij?” vroeg het Prinsesje.„„„Daar komt nu het ijdeltuitje aan, dat zich verbeeldt mooier kleêren te hebben dan wij, en dat gaarne daarmeê pronkt bij armeren dan zij. Wij bewonderen haar niet, met haar trotsche manieren, want wij weten, hoe dwaas zij is, ondanks haar fraaie veêren.”””„Ik wil niet langer luisteren naar de ruwe taal van deze slechte vogels, en ik wil ook niet hun prachtige staarten prijzen, zooals ik eerst van plan was. Voort! pronkzieke beesten! niemand heeft u hier noodig,” riep Betty, en joeg de pauwen van het terras af, terwijl het Prinsesje hartelijk lachte, ziende hoe zij hun staarten neêrhaalden en met luide kreten angstig wegslopen.„Het is waar. Ik ben ijdel en dwaas geweest; maar niemand durfde mij dat ooit te zeggen, en nu zal ik trachten mijn leven te beteren, nu ik zie, hoe dwaas hetstaat van die vogels en hoe lief uw eenvoud is,” zeide zij, toen Betty weêr naar haar toe trippelde.„Nu zal ik eens als een pauw voor u dansen. Kijk maar of ik hen niet goed nadoe!” zeide Betty, hield haar rose rokje omhoog, schudde haar hoofdje en lichtte haar voetjes op, zóó eender als de pauwen, dat Juf en de meid, die mee naar buiten gegaan waren, even hartelijk lachten als Bonnibelle.Het was heel grappig en toen zij het pronken en trotsch loopen van de pauwen nagedaan had, liet Betty plotseling haar rokje zakken en liep haastig weg, haar armen zwaaiend als vleugels en hun onwelluidend gegil nabootsend.Zij wilde graag het Prinsesje vermaken, en haar de harde woorden doen vergeten, die zij genoodzaakt was geweest haar over te brengen; toen ze bij haar terugkwam, was ze dus blij, haar heel vroolijk te vinden en vol lust in meer grapjes.„Nu zal ik den tulpendans doen,” zeide Betty en begon mooie nijgingen te maken tegen een bed vol prachtige bloemen, goud en rood, rose en wit, en de tulpen schenen weerkeerig voor haar te buigen, als heeren en dames op een bal. Zij nam een paar tulpen, en zelden werden zulke sierlijke wuivingen, nette stapjes en bevallige wendingen gezien, als Betty nu vertoonde; want zij deed haar best na te doen, hoe de tulpen door den wind heen en weêr bewogen werden en het menuëtje, dat zij danste, was aardiger, dan men er ooit een aan het hof had zien dansen.„Verwonderlijk!” zeide de meid. „Ze lijkt wel een echte toovernimf,” zeide de oude Juf.„O! nog meer dansen! als ’t u belieft, dans nog meer!” riep het Prinsesje, en klapte in de handen, toen Betty ten afscheid een diepe nijging voor haar maakte en glimlachend voor haar stond.„Nu zal ik u den winddans laten zien; die is heel vroolijk en deze marmeren vloer is zoo glad en effen, dat ik een gevoel heb, alsof er vleugels aan mijn voeten zitten.”Daarop begon ze heen en weêr te fladderen als een blaadje, door den wind bewogen; dan eens liep ze het terras vlug af, als had een harde windvlaag haar voortgedreven, dan weêr stond zij stil, slechts zachtjes wiegelend, als in een koeltje, dan stoof ze weêr weg, als door een rukwind voortgestuwd en draaide dan weêr in de rondte, als een rozenblaadje op den grond. Eens fladderde zij tot voor ’t Prinsesje, toen woei ze met een vaart tegen de dikke, oude kindermeid aan, maar telkens was ze verdwenen, eer men haar pakken kon. Eenmaal vloog ze met een sprong de marmeren trappen af en over de leuning heen, alsof ze inderdaad vleugels aan haar vlugge voetjes had. Toen scheen de storm te bedaren en langzaam daalde het blaadje af aan de voeten van Bonnibelle en lag daar geknield, buiten adem, vermoeid en met een blos op ’t gelaat.Bonnibelle klapte in hare handjes; maar vóór ze nog tijd had gehad haar verrukking uit te spreken, kwam door de glazen deur, waardoor ze het aardige ballet gezien had,een prachtige dame. Twee kleine pages droegen den langen sleep van haar zilvergrijs zijden japon, twee dames liepen naast haar, waarvan de eene een rose parasol boven haar hoofd hield, terwijl de andere een kussen en een waaier droeg; haar blanke handen schitterden van juweelen, evenals haar hals en lokken, en zij was een statige verschijning, want dit was de Koningin zelve. Maar haar gelaat was lief en vriendelijk, haar stem zacht en haar glimlach zoo welwillend, dat Betty geen oogenblik bang voor haar was, maar heel netjes haar mooiste buiging maakte.Toen het rood damasten kussen neêrgelegd was op een van de fijn bewerkte steenen banken, en de pages den sleep losgelaten hadden, en de hofdames den parasol gesloten en haar den gouden waaier in handen gegeven hadden, verwijderden zij zich en bleef de Koningin alleen achter, met Juf en de beide meisjes.„Lieveling, hoe bevalt u uw nieuw speelgoed?” vroeg de sierlijke dame, toen Bonnibelle op haar schoot was gekomen en een lang verhaal deed van al de pret, die zij met Bruintje gehad had. „Zij schijnt echt te kunnen tooveren, dat zij u zoo blozend, vroolijk en tevreden gemaakt heeft.”„Kind! wie heeft u zoo verwonderlijk mooi leeren dansen?” vroeg de Koningin, nadat zij haar dochtertje gekust had, innig verheugd haar zoo geheel anders te zien, dan het sombere, knorrige, lustelooze kind, dat zij gewoonlijk vond.„Dat heeft de wind mij geleerd, Mevrouw de Koningin,” antwoordde Betty met een glimlach.„En waar hebt ge die mooie verhalen vandaan gehaald, die gij weet te vertellen?”„Van de vogels, Mevrouw de Koningin.”„En wat doet gij, om zulke frissche roode wangen te krijgen?”„Bruin brood en melk eten, Mevrouw de Koningin.”„En hoe komt het, dat een eenzaam arm kind, als gij, zoo gelukkig en zoo braaf kan zijn?”„Mijn vader zorgt voor mij en mijn Moeder in den Hemel maakt mij braaf, Mevrouw de Koningin.”Toen Betty dat zeide, stak de Koningin hare hand uit en trok haar dichter naar zich toe, alsof haar teeder hart vol deernis werd voor het moederlooze kind en verlangde haar van dienst te zijn, als ze maar wist hoe.Op dat oogenblik hoorde men het getrappel van paardepooten op de plaats beneden, klonken trompetten, en wist iedereen, dat de Koning van de jacht was thuisgekomen. Weldra hoorde men sporen rinkelen en laarzen stappen en kwam hij langs het terras, met eenige zijner hovelingen achter zich.Iedereen begon te buigen, behalve de Koningin, die bleef zitten met Bonnibelle op haar schoot, want het Prinsesje draafde niet haar vader te gemoet, zooals Betty altijd gewoon was, wanneer haar vader thuiskwam. Betty dacht, dat zij bang zou zijn voor een Koning, en dat zou ookmisschien het geval geweest zijn, als hij zijn hermelijnen mantel en kroon en juweelen gedragen had; maar nu was hij bijna als haar vader gekleed, in een donkergroen jachtbuis, met een zilveren jachthoorn over zijn schouder en geenerlei ander kenteeken van zijn waardigheid, dan de pluim op zijn hoed en den ring aan zijn vinger, die schitterde, toen hij zijn rijhandschoen uittrok, om der Koningin de hand te kussen; Betty glimlachte dus tegen hem, en maakte haar gewone buiging, en keek hem vrijmoedig aan.Dat beviel hem goed en hij kende haar wel; want hij had haar dikwijls gezien, wanneer hij door het bosch reed.„Kom eens hier, Bruintje, want ik heb wat te vertellen, dat gij met genoegen hooren zult,” zeide hij, terwijl hij naast de Koningin ging zitten, en wenkte Betty, met een aanmoedigend knikje.Zij kwam aan zijn knie staan, zeer nieuwsgierig wat zij hooren zou, terwijl al de heeren en dames van het gevolg hun halzen rekten om het ook te hooren, want iedereen begreep, dat er heden nog iets meer voorgevallen was, dan alleen het dooden van een hert.„Ik jaagde twee uur geleden in het groote eikenbosch, en had juist geknield op den grond, om op een prachtig hert te mikken,” begon de Koning, en streelde Betty’s bruine kopje, „toen een groot kwaadaardig wild zwijn, juist terwijl ik mijn schot afschoot op het hert, achter mij van tusschen de varenplanten te voorschijn kwam. Ik had niets over, om mij te verdedigen, dan mijn jachtmes; tochsprong ik op, om hem weerstand te bieden, toen mijn voet bleef haken onder een boomwortel, en ik hulpeloos op den grond stortte, terwijl het woedende ondier mij met rassche schreden naderde. Deze kleine meid had kans gehad, morgen reeds Koningin Bonnibelle te heeten, indien niet van achter een boom een moedige houthakker ware toegeschoten en met één slag van zijn bijl het monster den kop gekloofd had, juist op het oogenblik, toen het zich boog om mij aan te vallen. Die redder was uw vader, Bruintje, en aan hem dank ik dus mijn leven.”Toen de Koning uitgesproken had, hoorde men gedempte „o’s” en „hé’s”, en keken al de hofheeren en dames, alsof ze graag luidkeels gejuicht hadden; maar de Koningin werd doodsbleek en Juf kwam haar met den waaier verfrisschen, terwijl Bonnibelle haar armpjes uitstak naar haar vader en riep: „Neen, lieve Papa, ik wil nooit Koningin zijn, als u sterft!”De Koning zette haar op zijn eene knie en Betty op de andere, en zeide vroolijk:„Wat, dunkt u, zullen we voor dien dapperen man doen, die mij gered heeft?”„Geef hem een paleis om in te wonen en een heeleboel geld,” zeide de Prinses, die niets beters wist te bedenken.„Ik bood hem een huis en geld aan, maar aan geen van beide had hij behoefte; want hij houdt veel van zijn hutje en goud heeft hij niet noodig, zegt hij. Bedenkt dus nog eens, kinderen, en tracht iets te vinden, dat hij wel zalwillen hebben,”—zeide de Koning en keek Betty aan.„Ik denk, Meneer de Koning, dat hij heel graag een weide voor ons koetje zou hebben,” antwoordde Bruintje vrijmoedig; want het vriendelijke, mooie, door de zon verbrande gezicht van den Koning deed haar aan dat van haar vader denken.„Die zal hij hebben. En nu, kleine, moet gij drie dingen voor uzelf wenschen, en als ik kan, zal ik ze u geven.”Betty liet al haar blanke tandjes kijken, zoo smakelijk lachte zij, van vreugd over dit prachtige aanbod. Toen zeide zij, op langzamen toon:„Ik heb nu maar één wensch meer, want de Prinses heeft mij een snoezige pop en een boel boeken gegeven; ik ben dus het gelukkigste kind in uw heele koninkrijk, en ik heb aan niets behoefte.”„Tevreden meiske! Wie van ons kan haar dat nazeggen?” zeide de Koning met een ernstigen blik op de omstanders, die de oogen neersloegen en beschaamd keken, want zij hadden altijd gunsten te vragen van den goedhartigen Koning. „Wel, laat ons dan nu eens hooren wat ik doen kan, om het dochtertje van den dapperen houthakker Jan genoegen te geven.”Vol ijver antwoordde Betty: „O! als ’t u blieft, laat de Prinses eens bij mij komen spelen.”De heeren van het hof keken verontwaardigd, en de hofdames, alsof zij op het punt stonden flauw te vallen, bij het denken aan zoo iets vreeselijks. Maar de Koninginknikte goedkeurend en Bonnibelle riep: „Ja,als ’tu blieft!” en de Koning lachte en vroeg verbaasd:„Maar waarom dan niet liever weêr hier komen spelen? Wat hebt gij in uw hutje, dat wij hier in het Paleis niet hebben?”„Een heeleboel dingen, Meneer Koning,” antwoordde Betty. „Zij zegt, dat het Paleis en al wat erin is haar verveelt, en ze heeft zoo’n lust om vrij rond te loopen in het bosch, en den heelen dag gezond en vroolijk en druk bezig te zijn, evenals ik. Zij wil meê brood bakken en de koe melken en het huis stoffeeren en kousen breien, en den wind hooren loeien en dansen met de madeliefjes en praten met mijn vogels en gelukkige droomen droomen, en zich verheugen dat ze leeft, net als ik.”„Wel, Bruintje! gij durft van u af te spreken! Maar in zeker opzicht heeft het kind gelijk, en als mijn Prinsesje een paar wangen kan krijgen als de uwe, door meê te gaan soms naar het hutje, dan mag ze gaan zoo dikwijls ze wil,” zeide de Koning, inwendig lachend om haar vrijmoedige woorden en terwijl het onderscheid hem sterk trof tusschen die twee gezichtjes vóór hem: het eene als een witte tuinlelie, het andere als een frisch roode wilde roos.Toen kwam Bonnibelle’s tongetje los en vertelde zij al, wat dien dag had plaats gehad, levendiger in haar spreken dan zij ooit was, en iedereen luisterde aandachtig, verwonderd te zien, hoe aardig en prettig het Prinsesje zijn kon, en nieuwsgierig, wat die plotselinge veranderingteweeggebracht had. Maar de oude kindermeid liep rond en fluisterde:„Ja, zij is een echt tooveresje, dat weet ik; want geen gewoon menschenkind zou zoo stoutmoedig en verstandig spreken, en doen wat zij gedaan heeft,—den Koning en de Koningin heeft zij betooverd en Hare Hoogheid tot een ander kind gemaakt.”Allen begonnen met grooten eerbied voor Betty vervuld te worden; en toen ten laatste het gesprek afgeloopen was en de Koning was opgestaan en elk der beide meisjes een kus gegeven had, groette iedereen Bruintje met onderscheiding en maakte plaats voor haar, alsof zij ook een prinses was.Maar Betty was daarop niet trotsch, want zij herinnerde zich de pauwen, toen zij hand aan hand met Bonnibelle, achter de vorstelijke ouders aan, over het terras naar de groote zaal liep, waar het feestmaal aangericht was, en prachtige muziek weerklonk.„Gij moet naast mij zitten en uit mijn gouden bekertje drinken,” zeide Bonnibelle, toen de zilveren jachthoorns niet langer klonken, en iedereen wachtte, tot de Koning de Koningin naar hare plaats gebracht had.„Neen, ik moet naar huis. De zon gaat al onder; Dea moet gemolken worden en Vader’s avondeten klaargemaakt vóór hij thuiskomt. Laat mij nu gauw gaan, om mijn eigen kleêren weêr aan te trekken; deze zijn te mooi, om in het hutje aan te houden,” antwoordde Betty, die wel grootenlust had om te blijven, maar zoo trouw aan haar plicht was, dat zelfs des Konings bevel haar niet weêrhouden kon.„Papa, zeg dat zij moet blijven; ik wil het zoo graag,” riep Bonnibelle, en ging naar den grooten armstoel, waarin haar vader zat.„Blijf, kind!” zeide de Koning, en wenkte met de hand, waaraan de groote diamant flonkerde als een ster.Maar Betty schudde van neen en antwoordde op smeekenden toon:„Och, lieve Meneer Koning! verg hetals ’tu belieft niet van mij; want Dea heeft mij noodig en Vader zal mij zoo missen, als ik hem niet tegemoet kom loopen, wanneer hij thuiskomt.”Toen glimlachte de Koning en zeide op hartelijken toon:„Braaf kind! wij willen u niet terughouden. Houthakker Jan heeft mijn leven gered, en nu wil ik hem niet de vreugd en troost van zijn leven ontrooven. Loop maar vlug naar huis, Bruintje, en moge God u zegenen!”Betty draafde naar boven en deed haar ouden hoed en jurk weêr aan, nam een der mooiste gekregen boekjes en de dierbare pop, wetend dat het overige haar den volgenden dag zou gezonden worden, en trachtte toen door een achterdeur stil weg te sluipen; maar er waren zooveel zalen en gangen en trappen, dat zij verdwaald raakte, en ten laatste weêr in de groote eetzaal terechtkwam.Iedereen zat nu te eten: en het vleesch en de wijn, en de gekruide pasteien en hoopen vruchten geurden heerlijk, en zewist, dat ze thuis enkel bruin brood en melk zou krijgen; maar toch wilde zij niet blijven en niemand dan de lakeien zag haar, toen zij de trappen af naar de plaats holde, evenals Asschepoester, toen de klok twaalf uur sloeg en al haar fraaie kleeren verdwenen.Haar wandeling door het bosch verfrischte haar heerlijk en zij had een genotvol uurtje, toen ze haar vader alles vertelde van dezen merkwaardigen dag; maar het gelukkigste oogenblik was nog, toen zij in haar eigen klein kamertje naar bed ging, met het dierbare kindje vast slapend in haar arm, en dewinterkoninkjesbuiten tusschen de rozen elkaar vertelden, hoeveel goed de omgang met hun lieve, verstandige Bruintje op den duur het Prinsesje zou doen.Toen viel Betty in slaap, en droomde heerlijke droomen, van de maan, die haar met een vriendelijk gezicht, gelijkende op de Koningin, toelachte, en van haar vader, even mooi en fier uitziend als de Koning, met zijn bijl over zijn schouder en het groote wilde zwijn dood aan zijne voeten; en van Bonnibelle, bloeiend, vroolijk en sterk, werkend en spelend met haar, als een zusje in het boschhutje, terwijl al de vogels vroolijk zongen:„Bonnibelle! lief Prinsesje!’k Heb voor u een aardig lesjeEen geheim voor ieder kind,Dat wel graag wil zijn bemind:Als een bloempje kan zij zijn.Lieflijk, lachend, frisch en rein,Dat, door zonneschijn en regen,Kracht en wasdom heeft gekregen,Dat niet voor zich zelf slechts leeft,Maar met blijdschap alles geeft:Voor een elk haar balsemgeuren,Troost en vreugd aan hen, die treuren,Honig aan de nijvre bij,Aan de zieken medelij,Aan den zomer kleur en glansen,Kindren iets om meê te dansen.Lelies blank en rozen rood,Arm en rijk en klein en groot,Schoon, onschuldig en tevreden,Kunnen overal, nog heden,In een hut en in paleizenZulke bloemekens verrijzen;Als maar ’t harte is van goud,Niet hoovaardig, stug of koud,Maar vrijmoedig enrechtvaardig,Dapper, eerlijk, lief en aardig.Mist ze dàt, geen bloem is schoon,Hoeveel glans zij spreid’ ten toon.Bonnibelle! lief Prinsesje!Dit is ons geheim, ons lesje.”
BRUINTJE EN DE PRINSES.BRUINTJE EN DE PRINSES.Zij was niet wezenlijk bruin, maar een klein meisje, Betty genaamd, dat met haar vader in een hutje bij ’t bosch woonde. Zij waren arm en daardoor had Betty altijd hetzelfde bruine jurkje aan, een grooten bruinen stroohoed op en, omdat ze veel aan zon en lucht blootgesteld was, was ook haar gezichtje gebruind, hoewel zij er lief uitzag, met haar blozende wangen, donkere oogen en in den wind fladderende krullen.Zij was een levendig schepseltje, en daar zij geen buren had, knoopte zij vriendschap aan met de vogelen, de bloemen, de eekhoorntjes en konijnen, en wist zich met deze goed te vermaken, want die allen kenden haar en hadden haar lief.Vele lieden reden door dat mooie bosch, niet ver verwijderd van het paleis van den Koning, en wanneer zij het kleine meisje zagen dansen in de wei bij de madeliefjes, of eekhoorntjes in de boomen najagen, of in de beek plassen, of onder haar breedgeranden hoed zitten, als een groote beweegbare paddestoel, dan zeiden ze: „Kijk, daar is Bruintje.”Betty was schuw en verlegen, en trachtte altijd zich te verschuilen, als iemand haar riep; het was grappig, haar dan te zien verdwijnen in een hollen boom, of wegkruipen in het hooge gras, of als een verschrikt konijntje tusschen de varens te zien wegschuilen. Zij was bang voor die mooie dames en heeren, die om haar lachten en haar bij allerlei namen noemden, maar nooit een van allen er aan dachten, eens een boekje of stuk speelgoed voor haar meê te brengen, of een vriendelijk woordje te spreken tot het eenzame meiske.Haar vader had de zorg voor de herten in het park van den Koning, en was den geheelen dag op het pad, en liet Betty alleen achter, om het huisje schoon te houden, het bruine brood te bakken, en het witte koetje te melken, Dea geheeten, dat in het schuurtje achter de hut woonde en Betty’s liefste vriendin was. Zij hadden geen weide, om haarin te laten grazen; als Betty dus haar werk gedaan had, nam ze haar breiwerk meê en dreef ze Dea den weg langs, waar het beestje aan beide zijden overvloed van gras kon eten en dan in de schaduw van een boom gaan liggen uitrusten. Onderwijl deed het kleine meisje dan allerlei spelletjes met haar speelmakkertjes, de dieren en bloemen uit het bosch; of lag zij naar de wolken te kijken, of schommelde op boomtakken, of liet takjes en blaadjes als scheepjes in de beek zeilen. Zij was gelukkig, maar toch verlangde zij wel eens naar iemand, om meê te praten, en trachtte zij te vergeefs de liedjes te leeren, die de vogels den ganschen dag door zongen. Er nestelden veel vogels rondom het hutje; want niemand verstoorde ze ooit, en zij waren zoo mak, dat ze uit hare hand aten, en op haar schouder kwamen zitten.Boven op hun dak huisde een ooievaarsfamilie, onder de balken hechtten zwaluwen hun nestjes van klei, en winterkoninkjes zaten te piepen in hun nesten, tusschen de roode en witte rozen, die tegen den muur op klauterden, om in Betty’s raam te kunnen kijken.Woudduiven kwamen het graan oppikken, dat zij voor hen strooide, leeuwerikken vlogen zingend op uit het gras aan den weg en zij werd door de nachtegalen in slaap gezongen.„Kon ik maar verstaan wat zij zeggen, dan konden wij zooveel pret met elkaar hebben. Maar wie zal mij hun taal leeren?” zuchtte Betty eens op een avond, toen zij bij zonsondergang de koe naar huis dreef.Zij ging toen door het bosch, en terwijl zij sprak, zag ze een grooten grijzen uil op den grond tuimelen, alsof hij niet vliegen kon. Zij liep er terstond naar toe, om te zien wat het beest scheelde en was volstrekt niet bang, hoewel het dier haar met zijn ronde oogen boos aankeek, en met zijn krommen snavel trachtte haar te pikken.„Arm beestje, zijn poot is kapot,” zeide zij en bedacht, of zij er ook iets aan kon doen.„Neen, dat is het niet; mijn vleugel is gebroken. Ik leunde over den kant van mijn nest, om naar een veldmuis te kijken, en toen verblindde een zonnestraal mij zoodanig, dat ik er uit viel. Neem mij maar van den grond op en zet mij weer in mijn nest, dan zal ’t wel weêr in orde komen.”Betty was zoo verbaasd den uil te hooren spreken, dat ze geen voet verzette; en meenende dat zijn knorrige toon haar verschrikt had, zeide de grijze vogel op vriendelijker toon, met een veelbeteekenend knikje en knipoogje van zijn gele kijkers:„Tot iedereen zou ik niet spreken, en ook niet licht een ander kind vertrouwen; maar ik weet, dat gij nooit iets of iemand kwaad doet. Reeds lang heb ik u nagegaan en ik houd van u; daarom wil ik u beloonen, door u de vervulling van uw laatsten wensch te geven, welke die ook zijn moge. Dat kan ik; want ik ben een toovenaar en ken allerlei tooverkunsten. Zet mij weer in mijn nest en zeg mij uw wensch, en die zal vervuld worden.”„O! dank u,” riep Betty vol vreugde. „Mijn wensch was juist te verstaan wat de vogels zeggen.”„Och heden! juist die wensch is niet licht te vervullen; toch zal het geschieden, als gij belooft aan niemand te vertellen, hoe gij achter het geheim zijt gekomen. Ik wil niet graag dat er meer menschen met dat verzoek tot mij komen, en mijn buren zouden het niet aangenaam vinden, als hun praatjes door allerlei ooren verstaan werden. Wat u betreft, zullen zij daartegen geen bezwaar hebben, en het zal u vermaken, arm kind!” zeide de uil na eenig nadenken.Betty beloofde stilzwijgendheid, en den dikken vogel zorgvuldig in haar arm houdend, klom zij in den ouden eik en zette hem veilig in zijn holletje, waar hij zich weêr nestelde en zijn veêren glad schudde, blij weêr thuis te zijn.„Trek nu van mijn rechteroor het grootste pruikje dons en stop het in uw eigen oor, dan zult gij kunnen verstaan wat de vogels zeggen. Goeden nacht; nu ben ik doodmoê en heb behoefte aan rust,” zeide de uil met een geeuw.„Dank u zeer,” zeide Betty en liep schielijk Dea achterna, die al grazend langzaam huiswaarts stapte.Het pluisje dons zat in Betty’s oor, en terstond hoorde zij hoe verschillende lieve stemmetjes elkaar toeriepen: „Goeden nacht!” „Droom plezierig!” „Een helderen morgen!” „Stil, mijn hartjes, gaat nu slapen tot den dageraad,”—en meer lieve woordjes van dien aard, terwijl de vogels van het woud met de zon ter ruste gingen. Toen zij het hutje naderde, stond papa ooievaar op één been, terwijl demoeder de kleintjes onder haar vleugels toedekte, en nu en dan een hartig woordje zeide, als er nog een rood snaveltje of een pootje te voorschijn kwam. De duifjes koerden teeder in den denneboom, die boven haar hoofd ruischte, de zwaluwen zweefden over den grond, om hun jongen nog als avondeten een paar mugjes te kunnen brengen, en de winterkoningjes babbelden tusschen de rozen, als hadden ze elkaar nog veel te vertellen.„Nu kan ik dus te weten komen wat zij allen zeggen,” riep Betty, en trachtte al die stemmen te onderscheiden, wat haar nu in ’t begin nog moeite kostte. Toen molk zij haar koetje, dekte de tafel, en maakte alles in orde voor haar vader, die dikwijls laat thuis kwam, gebruikte daarop haar brood met melk zittend op de stoep, en luisterde onderwijl uit al haar macht. Zij strooide altijd kruimels voor de vogels en onbevreesd kwamen zij die oppikken. Ook thans kwamen zij en Betty verstond alles wat zij ondertusschen keuvelden.„Lievert, hier is een mooi zacht stukje voor u,” zeide de vader, en liet onder ’t rondtrippelen zijn oog met welgevallen op het meisje rusten. „Eet gij dit maar op, terwijl ik de kinderen te eten geef. Ons meiske vergeet ons nooit en spaart mij menige groote reis uit, doordat zij ons die heerlijke kruimels geeft. Ik wou dat wij voor haar ook eens wat doen konden.”„Ik ook, ik tob mij letterlijk af, om iets uit te vinden, waarmeê wij haar genoegen zouden kunnen doen. Dikwijlsverbaas ik mij erover, dat het Prinsesje ginds in het paleis zooveel heeft, en onze lieve Betty zoo weinig. Een paar van die boeken of stukken speelgoed, die dáár in overvloed ongebruikt liggen, zouden dit kind zoo gelukkig maken. Het is jammer, dat niemand daaraan denkt.” Dit zeggende zuchtte mama Winterkoning en pikte een kruimeltje vlak bij Betty’s bloote voetje. „Als ze maar niet zoo verlegen was en wilde toelaten, dat de menschen haar aanspraken, zou ze wel spoedig veel vrienden maken, omdat zij zoo vroolijk en vriendelijk is,” antwoordde de vader, die juist een nieuwe lading kwam halen voor zijn hongerige kinderen in het nest.„De Prinses heeft al van haar en hare behoeftigheid hooren spreken, en wenscht haar zelf te zien.Vandaag, toen ik onzen neef Mees in den paleistuin een bezoek kwam brengen, hoorde ik de dienstboden erover spreken. Zij zeiden, dat Hare Hoogheid plan had morgen vroeg in het dennenbosch te komen toeren om een luchtje te scheppen, en dat zij dan hoopte Bruintje en het mooie witte koetje te zullen zien.„Als Betty dat nu maar wist, dan zou zij een ruikertje madeliefjes en paardenbloemen kunnen plukken, en dat aan het Prinsesje geven, wanneer zij kwam. Dat zou haar zeker genoegen doen en Betty ook licht een presentje bezorgen; want Hare Hoogheid is heel goedhartig, al wordt ze ook droevig bedorven, vrees ik.”Dit mooie plannetje lachte Betty zoo toe, dat zij erover in de handen klapte en daardoor de vogels verjaagde.„Dat zal ik doen! Ja, dat zal ik doen!” juichte zij. „Ik heb al zoolang verlangd het Prinsesje te zien, waarvan vader mij verteld heeft. Zij is ziekelijk en kan niet loopen en spelen zooals ik; ik zou haar dus dolgraag een pleziertje doen en de paardenbloemen en madeliefjes bloeien al. Ik zal vroeg uitgaan en een hoed vol plukken en niet wegloopen, als zij aankomt.”Zoo vervuld was Betty van dit heerlijke plannetje, dat zij vroeg naar bed ging, maar toch vergat ze niet nog eerst eens uit haar venstertje te kijken, tusschen de rozen door, naar het nestje, waarin mama Winterkoning op hare kleintjes paste, terwijl de papa in de nabijheid op één poot zat, met zijn kop onder zijn vleugel.„Goeden nacht, lieve vogeltjes; ik ben u heel dankbaar,” fluisterde Betty; maar zij letten niet op haar en sliepen voort, alleen soms even een geluid makend, alsof zij droomden.Des morgens vroeg zongen de leeuweriken, uit het gras opvliegend, en wekten Betty met hun lieve stemmetjes:„Opstaan, lieve meidWant de dag begon;Zing met ons een liedVoor de heldre zon!”En de kleintjes piepten:„Kom ’t is dag, mama!Krijg ik wat te bikken?Ga dan gauw, papa,Breng ons wat te pikken.”terwijl ze hun bekjes zoo wijd mogelijk opensperden.De ooievaars vlogen op, met hun lange beenen achter hen aanslepend, en riepen daarbij:„Weder is een dag gekomen,Over velden, heuvels, boomenWillen wij de vleugels kleppen,Om voor onzer kindren sneppenOveral, in alle hoeken’t Beste voedsel te gaan zoeken.”De kleintjes staken hun kopjes omhoog en staarden naar de zon.De grijze kippetjes liepen te pikken bij de schuur en kakelden:„Tok, tok, tuk!Wat geluk:Tweemaal één is twee.Raad eens wat ik deê:’k Lei voor allebeiElk een kersversch ei.”en de haan stond erbij luid te kraaien:„Kukelekukeleku!Neem uw badje nuIn de frissche dauw;Want de lucht is blauw.”En de duifjes trippelden rond op haar kleine rose pootjes, trekkebekten en koerden, al buigende:„Koekeroe! koekeroe!Door het dennengroenSchijnt de nieuwe dag.Geef nu elk een zoen!Koekeroe, dat mag!”Betty stond aan ’t venster te luisteren en was zoo gelukkig, dat zij de roosjes kuste, die haar toeknikten; daarop liep zij naar beneden om meelbrei te koken voor ’t ontbijt, zelf als een vogeltje kweelende.Toen haar vader naar zijn werk was, haastte zij zich Dea te melken, den vloer aan te vegen en den boel netjes op te knappen, vóór zij ’t Prinsesje ging opwachten.„Eet gij nu hier uw ontbijt maar, terwijl ik de bloemetjes ga plukken; want dit is een prettig plekje voor u; en ik wil graag, dat gij er goed uitziet, als de deftige menschen komen,” zeide Betty en zij liet haar koetje grazen op een schaduwrijk plekje naast den weg, waar het gras welig groeide en een oude eik de zonnestralen opving.De paardebloemen waren allen open, als gouden sterren, en Betty maakte daarvan met eenige madeliefjes een frischruikertje, besprenkelde dat goed met water en stopte het in haar hoed. Daarop ging zij ijverig zitten breien op een omgehakten boomstam, nadat zij het rustig herkauwende koetje nog met een krans van eikenbladeren den nek versierd had.Ze behoefden niet lang te wachten. Spoedig hoorde zij hoefgetrappel, en langs den boschweg kwamen de twee witte ponies, de manen schuddend, en achter hen aan het aardige rijtuigje, met koetsier en palfrenier in blauw met zilver, en erin het Prinsesje, met witte pluimen op haar hoed, gezeten naast hare kindermeid, en gewikkeld in een warmen zachten mantel, want de zomerlucht was haar anders ’s morgens te koel.„O! daar is Bruintje met haar mooie witte koetje! Zeg haar nu toch, dat ze niet moet wegloopen, want ik wil haar graag goed zien, en haar hooren zingen,” riep het Prinsesje vol ijver, toen zij nader kwamen.Betty was wel een beetje bang, maar liep toch niet weg; want de kindermeid was een vriendelijk uitziend oud mensch, met een hooge boerinnenmuts op, dat haar met een moederlijken blik toeknikte en heel tevreden scheen, toen Bruintje het ruikertje ophield en zeide:„Wil de jongejuffrouw deze hebben?”„O ja! heel graag. Ik heb nog nooit zoo’n mooie bouquet paardenbloemen gehad. Hoe prachtig! Dankje wel, Bruintje,” riep het Prinsesje en lachte van pret, met haar beide handen vol bloemen.„Ik heb ze allemaal voor u geplukt. Ik heb er zooveel en ik hoorde u erom vragen,” zeide Betty, heel blij, dat zij niet weggeloopen was en zoo het ritje bedorven had voor de kleine Prinses.„Hoe wist ge dat?” vroeg het Prinsesje en keek haar verwonderd aan.„Dat hebben de vogels mij verteld,” zeide Betty.„O ja! Ik vergat, dat zulke boschmeisjes, als gij, verstaan kunnen wat de vogels zeggen. Ik kan alleen mijn papegaaien verstaan, andere vogels niet. Zoudt gij mij kunnen vertellen wat zij zeggen?” vroeg het Prinsesje, met een ernstig gezichtje, zich uit haar rijtuig voorover buigend, want zij had veel schik in al wat nieuw voor haar was.„Ik denk het wel, als tamme vogels zingen evenals de wilde,” antwoordde Betty, niet weinig trotsch, dat zij meer wist dan het rijke meisje.„Ge moet in het paleis komen en mij dat vertellen; toe, kom terstond, want wachten kan ik niet. Mijn kanarie zingt den heelen dag, maar ik versta er niets van, en dat wil ik toch. Zeg, dat ze komen moet, Juf,” beval het Prinsesje, dat altijd gewoon was haar zin te krijgen.„Kunt gij?” zeide de oude vrouw. „Wij zullen u van avond terugbrengen. Hare Hoogheid heeft er haar zinnen op gezet u meê te nemen, en wij zullen u ervoor betalen.”„Ik kan Dea niet verlaten; wij hebben geen wei om haar in te zetten en ik kan haar niet in de schuur opsluiten, danzou zij den geheelen dag om mij roepen,” antwoordde Betty, die wel veel lust had om meê te gaan, maar toch haar koetje geen armoê wilde laten lijden.„Zet uw koe maar dáár in die wei; ik geef u verlof. Dat land behoort mij allemaal toe en niemand zal er wat tegen te zeggen hebben. Doe dat!” zeide de Prinses en wenkte met haar hand den lakei, die van den wagen sprong en Dea in het groote klaverveld liet, vóór Betty er iets tegen doen kon.„Dat zal mijn beestje wel heerlijk vinden; en nu kan ik wel met u meêgaan, als ’t u niet schelen kan, dat ik zoo’n oude jurk en hoed heb,—ik heb geen andere kleêren,” zeide zij, terwijl de koe reeds begon te eten van de klaver, en de lakei ’t portier van ’t rijtuigje voor haar open deed.„O! dat vind ik juist aardig.—Kom er maar gerust in.—En nu terstond naar huis,” beval het Prinsesje; en weldra toerde onze arme kleine Betty in het deftige rijtuig, met een gevoel alsof het niet waar kon zijn.Het prinsesje deed allerlei vragen en kreeg hoe langer hoe meer schik in haar nieuwe vriendinnetje; want zij had nog nooit in haar leven een woord gewisseld met een arm kind, en dus geenerlei besef, hoe die lieden leefden. Betty was opgewonden door dit buitenkansje, en zoo vroolijk en lief in haar eenvoudige manieren, dat de oude kindermeid weldra vergat op te letten, of zij ook iets verkeerds deed of zeide.Toen ze stilhielden voor het groote marmeren paleis, dat schitterde in de zon, met prachtige groene lanen enbloembedden en terrassen er om heen, kon Betty slechts met ingehouden adem al ’t moois aanstaren, vooral ook toen zij door schitterende gangen en portalen, langs breede trappen, binnengeleid werd in een kamer vol mooie dingen, waar zes vroolijk gekleede dienstmeisjes samen zaten te naaien en te babbelen.De Prinses moest nu gaan rusten, maar Betty werd verzocht te blijven en zich te laten verkleeden, alvorens zij met Hare Hoogheid ging spelen.De kamer was vol doozen en kasten en manden en toen de deuren open en de deksels eraf kwamen, zag Betty een massa mooie jurken, hoeden, mantels en allerlei fraaiigheden voor kleine meisjes om te dragen. Nooit in haar stoutste droomen had zij zich zooveel schoone dingen en kleêren kunnen voorstellen, van kant, lint, zijde en fluweel. Hoeden met bloemen en veêren, aardige blauwe en rose schoentjes met gouden en zilveren gespjes, zijden kousjes, zoo fijn als spinrag, neteldoeksche en batisten rokjes en nachtponnetjes en mutsjes met fijne borduursels, alsof geen menschenhanden ze zoo hadden kunnen maken.Als in een droom stond zij te kijken, terwijl de meiden haar op vriendelijke wijze ontdeden van haar bruine hoedje en jurkje, en, na lang beraad over wat haar het beste zou staan, haar eindelijk een rose neteldoeksch japonnetje aantrokken, benevens nette schoenen en kousen en een stroohoedje met roosjes er op. Toen daarbij haar lokken tot dikke bruine krullen waren gladgestreken, zeiden zehaar, dat ze eens in den grooten spiegel moest kijken en zeggen wat zij er in zag.„O, wat een sierlijk meisje!” riep Betty, en glimlachte en knikte tegen het meisje in den spiegel, dat hetzelfde deed tegen haar. Zij herkende zich zelf niet, daar ze nooit haar beeld anders weerkaatst had gezien, dan in een stilstaanden plas, of in de beek langs de weide.De dienstmeisjes lachten, en toen begreep zij, dat zij ’t zelf was, en lachte met haar en danste en maakte nijgingen en was heel vroolijk, totdat er gescheld werd en men haar beval naar de Prinses te gaan.Zij vond deze in een prachtige kamer, de wanden behangen met blauwe zijde en kant, een glanzig zilveren ledikantje, blauw damasten stoelen en sofa’s, schilderijen aan den muur en bloemen aan alle vensters en vergulde kooien met aardige vogeltjes er in.Op een kussen zat een witte kat te slapen; een snoepig klein hondje, met een gouden halsbandje met bellen om, trippelde er rond en op alle tafels lagen boeken en speelgoed uitgespreid.Het Prinsesje knorde tegen de oude kindermeid, omdat deze haar nog langer wilde laten slapen, na haar rijtoertje; maar toen Betty binnenkwam, met haar nieuwe kleêren en haar vroolijke gezichtje, veranderde ook bij haar de frons in een glimlach, en riep zij:„O! wat ziet gij er nu netjes uit! Nu zijt ge niet langer Bruintje; maar ik hoop toch, dat ge de taal der vogels nog niet vergeten hebt.”„Neen,” zeide Betty; „laat mij maar even luisteren en dan zal ik u vertellen wat zij zeggen.”Beide zwegen dus en de kindermeid en de andere gedienstige hielden zich zoo stil als muizen, terwijl de kanarie zijn schelle tonen liet hooren, en Betty’s gezicht betrok, bij het hooren daarvan.„Hij zegt dat hij genoeg heeft van zijn kooi en verlangt vrij te zijn bij de andere vogels; want een boom is voor hem een betere woning dan een gouden paleis en een kruimeltje in het bosch smaakt hem beter, dan al de klontjes suiker in zijn zilveren bakje. Hij zingt: „„Laat mij vrij! laat mij vrij! of mijn hart zal breken!”” Dat is de inhoud van zijn lied en het roodborstje zingt hetzelfde; en ook de vinkjes en dat fraaigekleurde andere vogeltje, dat ik niet ken.”„En wat zegt Polly? Als hij praat, kan ik hem wel verstaan, maar niet, als hij zoo bij zich zelf zit te brommen en te babbelen, zooals hij nu doet,” zeide het Prinsesje, zeer verbaasd over wat ze gehoord had; want zij dacht, dat haar vogeltjes overgelukkig moesten zijn in zulke sierlijke kooitjes, met lekkere hapjes.Betty luisterde naar den grooten rood-groen-en-blauwen papegaai, die op een stokje zijn kop zat te schudden, en bij zich zelf grinnikte, alsof hij een goede grap hoorde. Weldra kreeg Betty een kleur en begon zij te lachen, daar ’t geen zij hoorde haar vermaakte, maar tevens verlegen maakte; want de vogel praatte en knikte nu tegen haar op koddige wijze.„Nu, wat zegt hij dan?” vroeg het Prinsesje ongeduldig.„Och! vraag mij dat maar niet. Ge zult het niet prettig vinden dat te hooren. Ik kan het u heusch niet overbrengen,” zeide Betty nog lachend en blozend.„Gijmoethet mij vertellen, anders laat ik Polly den nek omdraaien.Ikverkieselk woord te weten, dat hij gezegd heeft, en opuzal ik niet boos zijn, wat ook die lastige vogel moge gezegd hebben,” beval het Prinsesje.Betty had geen lust te gehoorzamen, maar begon toch, uit vrees dat anders toch de papegaai zou gestraft worden. „Hij zegt: „„Ziezoo, daar hebben we nu een nieuw lievelingetje voor Hare Hoogheid om te plagen. Een lief, mooi meisje! Het is jammer, dat zij gekomen is, om een paar dagen lang aangehaald en gevierd te worden, en daarna weggesmeten, of vertrapt als een oude pop. Het arme kind, zij vindt nu alles hier heel mooi; maar als zij alles wist, weet ik zeker, dat zij zou wegloopen, en nooit weêrom komen; want een knorriger, meer bedorven kind dan Hare Hoogheid bestaat er niet.”””Betty durfde niet verder gaan, want het prinsesje keek heel boos; en de meid ging een klap geven aan Lorre, die echter met een lachje naar haar vinger beet en nog luider krijschte:„„Ja! dat is ze inderdaad! en achter haar rug zegt gij allen dat ook.Ikken uwe sluwe manieren wel. Gij prijst en vleit haar, en zegt dat zij ’t liefste meisje ter wereld is, terwijl gij weet, dat dit eenvoudige, lieve boschmeisjemeer waard is, dan een dozijn dwaze, heerschzuchtige prinsessen. Ha! Ha! Ik ben niet bang om de waarheid te zeggen, ben ik wel, Betty?””Betty schrikte letterlijk en kon toch niet laten te lachen, toen de stoute vogel haar toewenkte, onderste boven hangend met zijn krommen bek half open en zijn schitterende vleugels kleppend.„Ga voort! ga voort!” riep het Prinsesje uit nieuwsgierigheid haar boosheid vergetend.Betty moest haar dus verder vertellen en was heel blij, toen Bonnibelle ook begon te lachen, en per slot plezier had in de waarheid, op zoo koddige wijze verteld.„Zeg hem maar, dat gij weet wat hij zegt, en vraag hem, om als hij toch zoo wijs is, mij te zeggen, wat ik doen moet, om zoo braaf te worden als gij,” zeide het Prinsesje, dat geen kwaad hart had, en wist, dat zij veel te veel geliefkoosd en geprezen werd.Betty zeide dus tegen den papegaai, dat zij zijn taal verstond, en hij was zoo verbaasd, dat hij terstond rechtop op zijn stokje ging zitten, en haar aanstaarde, vol vuur zeggend:„„Och toe! laat mij niet bestraft worden, omdat ik de waarheid gezegd heb. Ik kan mijn woorden niet terugnemen, en daar gij mijn raad vraagt, denk ik, dat het beste, wat gij voor Hare Hoogheid doen kunt, zijn zou, haar met u van plaats te laten verwisselen, teneinde te leeren vergenoegd, nuttig en gelukkig zijn. Zeg haar dat, compliment van mij.””Betty durfde haar deze boodschap haast niet over te brengen; maar Bonnibelle had er schik in, want zij klapte in hare handjes en riep:„Dat zal ik aan Mama vragen. Zoudt gij ’t wel willen doen, Bruintje, en een prinses worden?”„Neen, dank u, liever niet,” zeide Betty. „Ik zou mijn vader en Dea niet kunnen verlaten, en ik ben ook niet geschikt, om in een paleis te leven. Het is alles wel prachtig, maar ik geloof toch, dat ik ons kleine huisje en het bosch en mijn vogels liever heb.”De juf en de meid sloegen een gat in de lucht van verbazing over zoo’n denkbeeld; maar Bonnibelle scheen het te begrijpen, en zij zeide vriendelijk:„Ja, ik vind ook, dat het hier vervelend is, en veel prettiger buiten, om te doen wat men verkiest. Mag ik wel eens bij u komen en met u spelen, en van u leeren om te zijn zooals gij, lieve Betty?”Zij keek een weinig droevig, terwijl zij sprak, en Betty had medelijden met haar, en antwoordde dus met een blijden glimlach:„O ja! dat zal heerlijk zijn. Kom gij wat bij mij, en dan zal ik u al mijn speelmakkertjes laten zien, en dan moogt gij Dea melken, en de kippen voeren en de konijntjes en tamme jonge hertjes zien en in het veld met de madeliefjes loopen en paardebloemen plukken en bruin brood en melk eten uit mijn mooiste blauwe kommetje.„O ja, en een bruin jurkje en een grooten bruinen hoedhebben, evenals gij, en houten klompjes, die zoo’n leven maken op den vloer, en dan leeren breien en boomen klimmen en verstaan wat de vogels zingen!” voegde Bonnibelle er bij, zoo verrukt over het plannetje, dat zij van haar rustbedje afsprong en begon rond te huppelen, zooals zij in langen tijd niet gedaan had.„Nu moet ge mijn speelgoed eens komen zien, en uitzoeken wat gij er van wilt hebben; want ik houd veel van u, lieve, omdat gij mij nieuwe dingen vertelt, en niet gelijkt op de malle heertjes en juffertjes, die soms bij mij op bezoek komen, en die niets doen dan kibbelen, of als pauwen op en neêr stappen, tot ik meer dan genoeg van ze heb.”Bonnibelle sloeg haar arm om Bruintje heen en geleidde haar naar eene lange gang, zoo vol speelgoed, dat het wel een speelgoedwinkel geleek.Poppen waren er bij dozijnen, poppen, die konden praten, zingen, loopen en slapen, prachtige dametjes, grappige hansworsten, groote en kleine poppenkoninginnen en zuigelingetjes, poppen van alle volken en provincies. ’t Was een éénige verzameling van alle verscheidenheden en Betty kon hare oogen niet verzadigen, want zij had een echt meisjeshart, vol liefde voor poppen, en toch had zij nooit een haar eigen mogen noemen.„Ge kunt er gerust van nemen zooveel ge verlangt,” zeide Bonnibelle. „Ik geef er niet meer om.”Het deed Betty letterlijk versteld staan, te denken, dat zedesverkiezende een dozijn poppen kon meênemen. Maar zij besliste wijselijk, dat één genoeg was, en koos een wiegje met een lief klein bakerkindje er in, met blauwe oogjes, die zich sluiten konden, en blonde haartjes, die onder het mutsje uit kwamen kijken. Het zou haar moederlijk hartje verkwikken, als dit kleine lievelingetje bij dag in haar armen kon rusten, en ’s nachts naast haar slapen, en haar gezelschap houden in het eenzame hutje; want het popje kon heel natuurlijk „Mama” zeggen, en Betty gevoelde, dat het haar steeds een genot zou blijven, zich bij dien dierbaren naam te hooren noemen.Zij kon zich haast niet losscheuren van het wiegje, om de andere schatten te gaan bekijken; maar zij liep op en neêr met Bonnibelle, en bewonderde alles wat zij zag, totdat Juf haar kwam waarschuwen dat het koffietijd was en dat Hare Hoogheid thans niet meer mocht spelen.Betty wist niet recht, hoe ze zich houden moest, toen zij aan een sierlijk gedekte tafel gezeten was, met een knecht achter haar stoel en allerlei fraai porselein en glaswerk en zilver vóór haar.Zij keek maar goed naar Bonnibelle, wat die deed, en wist zich zoo te redden, en at perzikken, en koekjes, en room, en fijne witte broodjes, en suikergoed, alles met evenveel smaak. De gebraden vogeltjes op den zilveren schotel wilde zij niet proeven, hoe lekker ze ook geurden, maar ze zeide op droeven toon:„Neen, dank u, mijnheer; mijn vriendjes zou ik niet kunnen opeten.”De lakei deed zijn best niet te lachen; maar het Prinsesje schoof toen ook haar bord weg en zeide op ernstigen toon:„Nu wil ik ze ook niet meer opeten. Geef mij wat abrikozengelei en een stukje knapkoek. Nu ik meer weet omtrent de vogels en wat zij omtrent mij denken, zal ik hen ook zorgvuldiger behandelen. Gij moet mij nooit meer vogeltjes opdisschen.”Na het maal gingen de kinderen naar de boekenkamer, waar al de mooiste prentenboeken, die ooit gedrukt werden, op de planken, laag bij den grond, uitgestald waren en gezellige stoeltjes in alle hoeken stonden, waarin men lust zou hebben den geheelen dag sprookjes te zitten lezen. Betty sprong op van blijdschap, toen haar nieuwe vriendin een stapeltje van de prettigst uitziende boekjes voor haar uitzocht, om meê naar huis te nemen. Toen gingen zij naar de muziekkamer, waar eenige muzikanten een stuk speelden en waar het Prinsesje danste met haar meester, op een plechtige wijze, die Betty heel dwaas voorkwam.„Nu moet gij ook dansen. Ik heb gehoord, dat gij ’t heel mooi doet; want eenige heeren en dames hebben u in ’t bosch met de madeliefjes zien dansen en gezegd, dat het ’t mooiste ballet was, dat ze ooit gezien hadden. Gij moet! Neen, doe het als’t ubelieft, lieve Betty,” zeide Bonnibelle eerst bevelend, maar toen gedachtig aan ’t geen de papegaai gezegd had, sprak zij meer zacht en vriendelijk.„Ik kan niet hier, waar menschen bij zijn. Ik ken geenpassen en heb bloemen noodig, om meê te dansen,” zeide Betty.„Kom dan meê op het terras, daar zijn bloemen in overvloed in den tuin; en de dansles verveelt mij,” antwoordde Bonnibelle, en ging door een van de openstaande glazen deuren in de met marmer bevloerde breede veranda, waarheen Betty al lang lust had te gaan.Op de treden zaten verscheidene pauwen, die terstond hun prachtige staarten uitspreidden en voor de kinderen begonnen heen en weêr te stappen, en onder een krijschend geluid de pluimen van glanzige veêren op hun koppen te schudden.„Wat zeggen zij?” vroeg het Prinsesje.„„„Daar komt nu het ijdeltuitje aan, dat zich verbeeldt mooier kleêren te hebben dan wij, en dat gaarne daarmeê pronkt bij armeren dan zij. Wij bewonderen haar niet, met haar trotsche manieren, want wij weten, hoe dwaas zij is, ondanks haar fraaie veêren.”””„Ik wil niet langer luisteren naar de ruwe taal van deze slechte vogels, en ik wil ook niet hun prachtige staarten prijzen, zooals ik eerst van plan was. Voort! pronkzieke beesten! niemand heeft u hier noodig,” riep Betty, en joeg de pauwen van het terras af, terwijl het Prinsesje hartelijk lachte, ziende hoe zij hun staarten neêrhaalden en met luide kreten angstig wegslopen.„Het is waar. Ik ben ijdel en dwaas geweest; maar niemand durfde mij dat ooit te zeggen, en nu zal ik trachten mijn leven te beteren, nu ik zie, hoe dwaas hetstaat van die vogels en hoe lief uw eenvoud is,” zeide zij, toen Betty weêr naar haar toe trippelde.„Nu zal ik eens als een pauw voor u dansen. Kijk maar of ik hen niet goed nadoe!” zeide Betty, hield haar rose rokje omhoog, schudde haar hoofdje en lichtte haar voetjes op, zóó eender als de pauwen, dat Juf en de meid, die mee naar buiten gegaan waren, even hartelijk lachten als Bonnibelle.Het was heel grappig en toen zij het pronken en trotsch loopen van de pauwen nagedaan had, liet Betty plotseling haar rokje zakken en liep haastig weg, haar armen zwaaiend als vleugels en hun onwelluidend gegil nabootsend.Zij wilde graag het Prinsesje vermaken, en haar de harde woorden doen vergeten, die zij genoodzaakt was geweest haar over te brengen; toen ze bij haar terugkwam, was ze dus blij, haar heel vroolijk te vinden en vol lust in meer grapjes.„Nu zal ik den tulpendans doen,” zeide Betty en begon mooie nijgingen te maken tegen een bed vol prachtige bloemen, goud en rood, rose en wit, en de tulpen schenen weerkeerig voor haar te buigen, als heeren en dames op een bal. Zij nam een paar tulpen, en zelden werden zulke sierlijke wuivingen, nette stapjes en bevallige wendingen gezien, als Betty nu vertoonde; want zij deed haar best na te doen, hoe de tulpen door den wind heen en weêr bewogen werden en het menuëtje, dat zij danste, was aardiger, dan men er ooit een aan het hof had zien dansen.„Verwonderlijk!” zeide de meid. „Ze lijkt wel een echte toovernimf,” zeide de oude Juf.„O! nog meer dansen! als ’t u belieft, dans nog meer!” riep het Prinsesje, en klapte in de handen, toen Betty ten afscheid een diepe nijging voor haar maakte en glimlachend voor haar stond.„Nu zal ik u den winddans laten zien; die is heel vroolijk en deze marmeren vloer is zoo glad en effen, dat ik een gevoel heb, alsof er vleugels aan mijn voeten zitten.”Daarop begon ze heen en weêr te fladderen als een blaadje, door den wind bewogen; dan eens liep ze het terras vlug af, als had een harde windvlaag haar voortgedreven, dan weêr stond zij stil, slechts zachtjes wiegelend, als in een koeltje, dan stoof ze weêr weg, als door een rukwind voortgestuwd en draaide dan weêr in de rondte, als een rozenblaadje op den grond. Eens fladderde zij tot voor ’t Prinsesje, toen woei ze met een vaart tegen de dikke, oude kindermeid aan, maar telkens was ze verdwenen, eer men haar pakken kon. Eenmaal vloog ze met een sprong de marmeren trappen af en over de leuning heen, alsof ze inderdaad vleugels aan haar vlugge voetjes had. Toen scheen de storm te bedaren en langzaam daalde het blaadje af aan de voeten van Bonnibelle en lag daar geknield, buiten adem, vermoeid en met een blos op ’t gelaat.Bonnibelle klapte in hare handjes; maar vóór ze nog tijd had gehad haar verrukking uit te spreken, kwam door de glazen deur, waardoor ze het aardige ballet gezien had,een prachtige dame. Twee kleine pages droegen den langen sleep van haar zilvergrijs zijden japon, twee dames liepen naast haar, waarvan de eene een rose parasol boven haar hoofd hield, terwijl de andere een kussen en een waaier droeg; haar blanke handen schitterden van juweelen, evenals haar hals en lokken, en zij was een statige verschijning, want dit was de Koningin zelve. Maar haar gelaat was lief en vriendelijk, haar stem zacht en haar glimlach zoo welwillend, dat Betty geen oogenblik bang voor haar was, maar heel netjes haar mooiste buiging maakte.Toen het rood damasten kussen neêrgelegd was op een van de fijn bewerkte steenen banken, en de pages den sleep losgelaten hadden, en de hofdames den parasol gesloten en haar den gouden waaier in handen gegeven hadden, verwijderden zij zich en bleef de Koningin alleen achter, met Juf en de beide meisjes.„Lieveling, hoe bevalt u uw nieuw speelgoed?” vroeg de sierlijke dame, toen Bonnibelle op haar schoot was gekomen en een lang verhaal deed van al de pret, die zij met Bruintje gehad had. „Zij schijnt echt te kunnen tooveren, dat zij u zoo blozend, vroolijk en tevreden gemaakt heeft.”„Kind! wie heeft u zoo verwonderlijk mooi leeren dansen?” vroeg de Koningin, nadat zij haar dochtertje gekust had, innig verheugd haar zoo geheel anders te zien, dan het sombere, knorrige, lustelooze kind, dat zij gewoonlijk vond.„Dat heeft de wind mij geleerd, Mevrouw de Koningin,” antwoordde Betty met een glimlach.„En waar hebt ge die mooie verhalen vandaan gehaald, die gij weet te vertellen?”„Van de vogels, Mevrouw de Koningin.”„En wat doet gij, om zulke frissche roode wangen te krijgen?”„Bruin brood en melk eten, Mevrouw de Koningin.”„En hoe komt het, dat een eenzaam arm kind, als gij, zoo gelukkig en zoo braaf kan zijn?”„Mijn vader zorgt voor mij en mijn Moeder in den Hemel maakt mij braaf, Mevrouw de Koningin.”Toen Betty dat zeide, stak de Koningin hare hand uit en trok haar dichter naar zich toe, alsof haar teeder hart vol deernis werd voor het moederlooze kind en verlangde haar van dienst te zijn, als ze maar wist hoe.Op dat oogenblik hoorde men het getrappel van paardepooten op de plaats beneden, klonken trompetten, en wist iedereen, dat de Koning van de jacht was thuisgekomen. Weldra hoorde men sporen rinkelen en laarzen stappen en kwam hij langs het terras, met eenige zijner hovelingen achter zich.Iedereen begon te buigen, behalve de Koningin, die bleef zitten met Bonnibelle op haar schoot, want het Prinsesje draafde niet haar vader te gemoet, zooals Betty altijd gewoon was, wanneer haar vader thuiskwam. Betty dacht, dat zij bang zou zijn voor een Koning, en dat zou ookmisschien het geval geweest zijn, als hij zijn hermelijnen mantel en kroon en juweelen gedragen had; maar nu was hij bijna als haar vader gekleed, in een donkergroen jachtbuis, met een zilveren jachthoorn over zijn schouder en geenerlei ander kenteeken van zijn waardigheid, dan de pluim op zijn hoed en den ring aan zijn vinger, die schitterde, toen hij zijn rijhandschoen uittrok, om der Koningin de hand te kussen; Betty glimlachte dus tegen hem, en maakte haar gewone buiging, en keek hem vrijmoedig aan.Dat beviel hem goed en hij kende haar wel; want hij had haar dikwijls gezien, wanneer hij door het bosch reed.„Kom eens hier, Bruintje, want ik heb wat te vertellen, dat gij met genoegen hooren zult,” zeide hij, terwijl hij naast de Koningin ging zitten, en wenkte Betty, met een aanmoedigend knikje.Zij kwam aan zijn knie staan, zeer nieuwsgierig wat zij hooren zou, terwijl al de heeren en dames van het gevolg hun halzen rekten om het ook te hooren, want iedereen begreep, dat er heden nog iets meer voorgevallen was, dan alleen het dooden van een hert.„Ik jaagde twee uur geleden in het groote eikenbosch, en had juist geknield op den grond, om op een prachtig hert te mikken,” begon de Koning, en streelde Betty’s bruine kopje, „toen een groot kwaadaardig wild zwijn, juist terwijl ik mijn schot afschoot op het hert, achter mij van tusschen de varenplanten te voorschijn kwam. Ik had niets over, om mij te verdedigen, dan mijn jachtmes; tochsprong ik op, om hem weerstand te bieden, toen mijn voet bleef haken onder een boomwortel, en ik hulpeloos op den grond stortte, terwijl het woedende ondier mij met rassche schreden naderde. Deze kleine meid had kans gehad, morgen reeds Koningin Bonnibelle te heeten, indien niet van achter een boom een moedige houthakker ware toegeschoten en met één slag van zijn bijl het monster den kop gekloofd had, juist op het oogenblik, toen het zich boog om mij aan te vallen. Die redder was uw vader, Bruintje, en aan hem dank ik dus mijn leven.”Toen de Koning uitgesproken had, hoorde men gedempte „o’s” en „hé’s”, en keken al de hofheeren en dames, alsof ze graag luidkeels gejuicht hadden; maar de Koningin werd doodsbleek en Juf kwam haar met den waaier verfrisschen, terwijl Bonnibelle haar armpjes uitstak naar haar vader en riep: „Neen, lieve Papa, ik wil nooit Koningin zijn, als u sterft!”De Koning zette haar op zijn eene knie en Betty op de andere, en zeide vroolijk:„Wat, dunkt u, zullen we voor dien dapperen man doen, die mij gered heeft?”„Geef hem een paleis om in te wonen en een heeleboel geld,” zeide de Prinses, die niets beters wist te bedenken.„Ik bood hem een huis en geld aan, maar aan geen van beide had hij behoefte; want hij houdt veel van zijn hutje en goud heeft hij niet noodig, zegt hij. Bedenkt dus nog eens, kinderen, en tracht iets te vinden, dat hij wel zalwillen hebben,”—zeide de Koning en keek Betty aan.„Ik denk, Meneer de Koning, dat hij heel graag een weide voor ons koetje zou hebben,” antwoordde Bruintje vrijmoedig; want het vriendelijke, mooie, door de zon verbrande gezicht van den Koning deed haar aan dat van haar vader denken.„Die zal hij hebben. En nu, kleine, moet gij drie dingen voor uzelf wenschen, en als ik kan, zal ik ze u geven.”Betty liet al haar blanke tandjes kijken, zoo smakelijk lachte zij, van vreugd over dit prachtige aanbod. Toen zeide zij, op langzamen toon:„Ik heb nu maar één wensch meer, want de Prinses heeft mij een snoezige pop en een boel boeken gegeven; ik ben dus het gelukkigste kind in uw heele koninkrijk, en ik heb aan niets behoefte.”„Tevreden meiske! Wie van ons kan haar dat nazeggen?” zeide de Koning met een ernstigen blik op de omstanders, die de oogen neersloegen en beschaamd keken, want zij hadden altijd gunsten te vragen van den goedhartigen Koning. „Wel, laat ons dan nu eens hooren wat ik doen kan, om het dochtertje van den dapperen houthakker Jan genoegen te geven.”Vol ijver antwoordde Betty: „O! als ’t u blieft, laat de Prinses eens bij mij komen spelen.”De heeren van het hof keken verontwaardigd, en de hofdames, alsof zij op het punt stonden flauw te vallen, bij het denken aan zoo iets vreeselijks. Maar de Koninginknikte goedkeurend en Bonnibelle riep: „Ja,als ’tu blieft!” en de Koning lachte en vroeg verbaasd:„Maar waarom dan niet liever weêr hier komen spelen? Wat hebt gij in uw hutje, dat wij hier in het Paleis niet hebben?”„Een heeleboel dingen, Meneer Koning,” antwoordde Betty. „Zij zegt, dat het Paleis en al wat erin is haar verveelt, en ze heeft zoo’n lust om vrij rond te loopen in het bosch, en den heelen dag gezond en vroolijk en druk bezig te zijn, evenals ik. Zij wil meê brood bakken en de koe melken en het huis stoffeeren en kousen breien, en den wind hooren loeien en dansen met de madeliefjes en praten met mijn vogels en gelukkige droomen droomen, en zich verheugen dat ze leeft, net als ik.”„Wel, Bruintje! gij durft van u af te spreken! Maar in zeker opzicht heeft het kind gelijk, en als mijn Prinsesje een paar wangen kan krijgen als de uwe, door meê te gaan soms naar het hutje, dan mag ze gaan zoo dikwijls ze wil,” zeide de Koning, inwendig lachend om haar vrijmoedige woorden en terwijl het onderscheid hem sterk trof tusschen die twee gezichtjes vóór hem: het eene als een witte tuinlelie, het andere als een frisch roode wilde roos.Toen kwam Bonnibelle’s tongetje los en vertelde zij al, wat dien dag had plaats gehad, levendiger in haar spreken dan zij ooit was, en iedereen luisterde aandachtig, verwonderd te zien, hoe aardig en prettig het Prinsesje zijn kon, en nieuwsgierig, wat die plotselinge veranderingteweeggebracht had. Maar de oude kindermeid liep rond en fluisterde:„Ja, zij is een echt tooveresje, dat weet ik; want geen gewoon menschenkind zou zoo stoutmoedig en verstandig spreken, en doen wat zij gedaan heeft,—den Koning en de Koningin heeft zij betooverd en Hare Hoogheid tot een ander kind gemaakt.”Allen begonnen met grooten eerbied voor Betty vervuld te worden; en toen ten laatste het gesprek afgeloopen was en de Koning was opgestaan en elk der beide meisjes een kus gegeven had, groette iedereen Bruintje met onderscheiding en maakte plaats voor haar, alsof zij ook een prinses was.Maar Betty was daarop niet trotsch, want zij herinnerde zich de pauwen, toen zij hand aan hand met Bonnibelle, achter de vorstelijke ouders aan, over het terras naar de groote zaal liep, waar het feestmaal aangericht was, en prachtige muziek weerklonk.„Gij moet naast mij zitten en uit mijn gouden bekertje drinken,” zeide Bonnibelle, toen de zilveren jachthoorns niet langer klonken, en iedereen wachtte, tot de Koning de Koningin naar hare plaats gebracht had.„Neen, ik moet naar huis. De zon gaat al onder; Dea moet gemolken worden en Vader’s avondeten klaargemaakt vóór hij thuiskomt. Laat mij nu gauw gaan, om mijn eigen kleêren weêr aan te trekken; deze zijn te mooi, om in het hutje aan te houden,” antwoordde Betty, die wel grootenlust had om te blijven, maar zoo trouw aan haar plicht was, dat zelfs des Konings bevel haar niet weêrhouden kon.„Papa, zeg dat zij moet blijven; ik wil het zoo graag,” riep Bonnibelle, en ging naar den grooten armstoel, waarin haar vader zat.„Blijf, kind!” zeide de Koning, en wenkte met de hand, waaraan de groote diamant flonkerde als een ster.Maar Betty schudde van neen en antwoordde op smeekenden toon:„Och, lieve Meneer Koning! verg hetals ’tu belieft niet van mij; want Dea heeft mij noodig en Vader zal mij zoo missen, als ik hem niet tegemoet kom loopen, wanneer hij thuiskomt.”Toen glimlachte de Koning en zeide op hartelijken toon:„Braaf kind! wij willen u niet terughouden. Houthakker Jan heeft mijn leven gered, en nu wil ik hem niet de vreugd en troost van zijn leven ontrooven. Loop maar vlug naar huis, Bruintje, en moge God u zegenen!”Betty draafde naar boven en deed haar ouden hoed en jurk weêr aan, nam een der mooiste gekregen boekjes en de dierbare pop, wetend dat het overige haar den volgenden dag zou gezonden worden, en trachtte toen door een achterdeur stil weg te sluipen; maar er waren zooveel zalen en gangen en trappen, dat zij verdwaald raakte, en ten laatste weêr in de groote eetzaal terechtkwam.Iedereen zat nu te eten: en het vleesch en de wijn, en de gekruide pasteien en hoopen vruchten geurden heerlijk, en zewist, dat ze thuis enkel bruin brood en melk zou krijgen; maar toch wilde zij niet blijven en niemand dan de lakeien zag haar, toen zij de trappen af naar de plaats holde, evenals Asschepoester, toen de klok twaalf uur sloeg en al haar fraaie kleeren verdwenen.Haar wandeling door het bosch verfrischte haar heerlijk en zij had een genotvol uurtje, toen ze haar vader alles vertelde van dezen merkwaardigen dag; maar het gelukkigste oogenblik was nog, toen zij in haar eigen klein kamertje naar bed ging, met het dierbare kindje vast slapend in haar arm, en dewinterkoninkjesbuiten tusschen de rozen elkaar vertelden, hoeveel goed de omgang met hun lieve, verstandige Bruintje op den duur het Prinsesje zou doen.Toen viel Betty in slaap, en droomde heerlijke droomen, van de maan, die haar met een vriendelijk gezicht, gelijkende op de Koningin, toelachte, en van haar vader, even mooi en fier uitziend als de Koning, met zijn bijl over zijn schouder en het groote wilde zwijn dood aan zijne voeten; en van Bonnibelle, bloeiend, vroolijk en sterk, werkend en spelend met haar, als een zusje in het boschhutje, terwijl al de vogels vroolijk zongen:„Bonnibelle! lief Prinsesje!’k Heb voor u een aardig lesjeEen geheim voor ieder kind,Dat wel graag wil zijn bemind:Als een bloempje kan zij zijn.Lieflijk, lachend, frisch en rein,Dat, door zonneschijn en regen,Kracht en wasdom heeft gekregen,Dat niet voor zich zelf slechts leeft,Maar met blijdschap alles geeft:Voor een elk haar balsemgeuren,Troost en vreugd aan hen, die treuren,Honig aan de nijvre bij,Aan de zieken medelij,Aan den zomer kleur en glansen,Kindren iets om meê te dansen.Lelies blank en rozen rood,Arm en rijk en klein en groot,Schoon, onschuldig en tevreden,Kunnen overal, nog heden,In een hut en in paleizenZulke bloemekens verrijzen;Als maar ’t harte is van goud,Niet hoovaardig, stug of koud,Maar vrijmoedig enrechtvaardig,Dapper, eerlijk, lief en aardig.Mist ze dàt, geen bloem is schoon,Hoeveel glans zij spreid’ ten toon.Bonnibelle! lief Prinsesje!Dit is ons geheim, ons lesje.”
BRUINTJE EN DE PRINSES.BRUINTJE EN DE PRINSES.
BRUINTJE EN DE PRINSES.
Zij was niet wezenlijk bruin, maar een klein meisje, Betty genaamd, dat met haar vader in een hutje bij ’t bosch woonde. Zij waren arm en daardoor had Betty altijd hetzelfde bruine jurkje aan, een grooten bruinen stroohoed op en, omdat ze veel aan zon en lucht blootgesteld was, was ook haar gezichtje gebruind, hoewel zij er lief uitzag, met haar blozende wangen, donkere oogen en in den wind fladderende krullen.Zij was een levendig schepseltje, en daar zij geen buren had, knoopte zij vriendschap aan met de vogelen, de bloemen, de eekhoorntjes en konijnen, en wist zich met deze goed te vermaken, want die allen kenden haar en hadden haar lief.Vele lieden reden door dat mooie bosch, niet ver verwijderd van het paleis van den Koning, en wanneer zij het kleine meisje zagen dansen in de wei bij de madeliefjes, of eekhoorntjes in de boomen najagen, of in de beek plassen, of onder haar breedgeranden hoed zitten, als een groote beweegbare paddestoel, dan zeiden ze: „Kijk, daar is Bruintje.”Betty was schuw en verlegen, en trachtte altijd zich te verschuilen, als iemand haar riep; het was grappig, haar dan te zien verdwijnen in een hollen boom, of wegkruipen in het hooge gras, of als een verschrikt konijntje tusschen de varens te zien wegschuilen. Zij was bang voor die mooie dames en heeren, die om haar lachten en haar bij allerlei namen noemden, maar nooit een van allen er aan dachten, eens een boekje of stuk speelgoed voor haar meê te brengen, of een vriendelijk woordje te spreken tot het eenzame meiske.Haar vader had de zorg voor de herten in het park van den Koning, en was den geheelen dag op het pad, en liet Betty alleen achter, om het huisje schoon te houden, het bruine brood te bakken, en het witte koetje te melken, Dea geheeten, dat in het schuurtje achter de hut woonde en Betty’s liefste vriendin was. Zij hadden geen weide, om haarin te laten grazen; als Betty dus haar werk gedaan had, nam ze haar breiwerk meê en dreef ze Dea den weg langs, waar het beestje aan beide zijden overvloed van gras kon eten en dan in de schaduw van een boom gaan liggen uitrusten. Onderwijl deed het kleine meisje dan allerlei spelletjes met haar speelmakkertjes, de dieren en bloemen uit het bosch; of lag zij naar de wolken te kijken, of schommelde op boomtakken, of liet takjes en blaadjes als scheepjes in de beek zeilen. Zij was gelukkig, maar toch verlangde zij wel eens naar iemand, om meê te praten, en trachtte zij te vergeefs de liedjes te leeren, die de vogels den ganschen dag door zongen. Er nestelden veel vogels rondom het hutje; want niemand verstoorde ze ooit, en zij waren zoo mak, dat ze uit hare hand aten, en op haar schouder kwamen zitten.Boven op hun dak huisde een ooievaarsfamilie, onder de balken hechtten zwaluwen hun nestjes van klei, en winterkoninkjes zaten te piepen in hun nesten, tusschen de roode en witte rozen, die tegen den muur op klauterden, om in Betty’s raam te kunnen kijken.Woudduiven kwamen het graan oppikken, dat zij voor hen strooide, leeuwerikken vlogen zingend op uit het gras aan den weg en zij werd door de nachtegalen in slaap gezongen.„Kon ik maar verstaan wat zij zeggen, dan konden wij zooveel pret met elkaar hebben. Maar wie zal mij hun taal leeren?” zuchtte Betty eens op een avond, toen zij bij zonsondergang de koe naar huis dreef.Zij ging toen door het bosch, en terwijl zij sprak, zag ze een grooten grijzen uil op den grond tuimelen, alsof hij niet vliegen kon. Zij liep er terstond naar toe, om te zien wat het beest scheelde en was volstrekt niet bang, hoewel het dier haar met zijn ronde oogen boos aankeek, en met zijn krommen snavel trachtte haar te pikken.„Arm beestje, zijn poot is kapot,” zeide zij en bedacht, of zij er ook iets aan kon doen.„Neen, dat is het niet; mijn vleugel is gebroken. Ik leunde over den kant van mijn nest, om naar een veldmuis te kijken, en toen verblindde een zonnestraal mij zoodanig, dat ik er uit viel. Neem mij maar van den grond op en zet mij weer in mijn nest, dan zal ’t wel weêr in orde komen.”Betty was zoo verbaasd den uil te hooren spreken, dat ze geen voet verzette; en meenende dat zijn knorrige toon haar verschrikt had, zeide de grijze vogel op vriendelijker toon, met een veelbeteekenend knikje en knipoogje van zijn gele kijkers:„Tot iedereen zou ik niet spreken, en ook niet licht een ander kind vertrouwen; maar ik weet, dat gij nooit iets of iemand kwaad doet. Reeds lang heb ik u nagegaan en ik houd van u; daarom wil ik u beloonen, door u de vervulling van uw laatsten wensch te geven, welke die ook zijn moge. Dat kan ik; want ik ben een toovenaar en ken allerlei tooverkunsten. Zet mij weer in mijn nest en zeg mij uw wensch, en die zal vervuld worden.”„O! dank u,” riep Betty vol vreugde. „Mijn wensch was juist te verstaan wat de vogels zeggen.”„Och heden! juist die wensch is niet licht te vervullen; toch zal het geschieden, als gij belooft aan niemand te vertellen, hoe gij achter het geheim zijt gekomen. Ik wil niet graag dat er meer menschen met dat verzoek tot mij komen, en mijn buren zouden het niet aangenaam vinden, als hun praatjes door allerlei ooren verstaan werden. Wat u betreft, zullen zij daartegen geen bezwaar hebben, en het zal u vermaken, arm kind!” zeide de uil na eenig nadenken.Betty beloofde stilzwijgendheid, en den dikken vogel zorgvuldig in haar arm houdend, klom zij in den ouden eik en zette hem veilig in zijn holletje, waar hij zich weêr nestelde en zijn veêren glad schudde, blij weêr thuis te zijn.„Trek nu van mijn rechteroor het grootste pruikje dons en stop het in uw eigen oor, dan zult gij kunnen verstaan wat de vogels zeggen. Goeden nacht; nu ben ik doodmoê en heb behoefte aan rust,” zeide de uil met een geeuw.„Dank u zeer,” zeide Betty en liep schielijk Dea achterna, die al grazend langzaam huiswaarts stapte.Het pluisje dons zat in Betty’s oor, en terstond hoorde zij hoe verschillende lieve stemmetjes elkaar toeriepen: „Goeden nacht!” „Droom plezierig!” „Een helderen morgen!” „Stil, mijn hartjes, gaat nu slapen tot den dageraad,”—en meer lieve woordjes van dien aard, terwijl de vogels van het woud met de zon ter ruste gingen. Toen zij het hutje naderde, stond papa ooievaar op één been, terwijl demoeder de kleintjes onder haar vleugels toedekte, en nu en dan een hartig woordje zeide, als er nog een rood snaveltje of een pootje te voorschijn kwam. De duifjes koerden teeder in den denneboom, die boven haar hoofd ruischte, de zwaluwen zweefden over den grond, om hun jongen nog als avondeten een paar mugjes te kunnen brengen, en de winterkoningjes babbelden tusschen de rozen, als hadden ze elkaar nog veel te vertellen.„Nu kan ik dus te weten komen wat zij allen zeggen,” riep Betty, en trachtte al die stemmen te onderscheiden, wat haar nu in ’t begin nog moeite kostte. Toen molk zij haar koetje, dekte de tafel, en maakte alles in orde voor haar vader, die dikwijls laat thuis kwam, gebruikte daarop haar brood met melk zittend op de stoep, en luisterde onderwijl uit al haar macht. Zij strooide altijd kruimels voor de vogels en onbevreesd kwamen zij die oppikken. Ook thans kwamen zij en Betty verstond alles wat zij ondertusschen keuvelden.„Lievert, hier is een mooi zacht stukje voor u,” zeide de vader, en liet onder ’t rondtrippelen zijn oog met welgevallen op het meisje rusten. „Eet gij dit maar op, terwijl ik de kinderen te eten geef. Ons meiske vergeet ons nooit en spaart mij menige groote reis uit, doordat zij ons die heerlijke kruimels geeft. Ik wou dat wij voor haar ook eens wat doen konden.”„Ik ook, ik tob mij letterlijk af, om iets uit te vinden, waarmeê wij haar genoegen zouden kunnen doen. Dikwijlsverbaas ik mij erover, dat het Prinsesje ginds in het paleis zooveel heeft, en onze lieve Betty zoo weinig. Een paar van die boeken of stukken speelgoed, die dáár in overvloed ongebruikt liggen, zouden dit kind zoo gelukkig maken. Het is jammer, dat niemand daaraan denkt.” Dit zeggende zuchtte mama Winterkoning en pikte een kruimeltje vlak bij Betty’s bloote voetje. „Als ze maar niet zoo verlegen was en wilde toelaten, dat de menschen haar aanspraken, zou ze wel spoedig veel vrienden maken, omdat zij zoo vroolijk en vriendelijk is,” antwoordde de vader, die juist een nieuwe lading kwam halen voor zijn hongerige kinderen in het nest.„De Prinses heeft al van haar en hare behoeftigheid hooren spreken, en wenscht haar zelf te zien.Vandaag, toen ik onzen neef Mees in den paleistuin een bezoek kwam brengen, hoorde ik de dienstboden erover spreken. Zij zeiden, dat Hare Hoogheid plan had morgen vroeg in het dennenbosch te komen toeren om een luchtje te scheppen, en dat zij dan hoopte Bruintje en het mooie witte koetje te zullen zien.„Als Betty dat nu maar wist, dan zou zij een ruikertje madeliefjes en paardenbloemen kunnen plukken, en dat aan het Prinsesje geven, wanneer zij kwam. Dat zou haar zeker genoegen doen en Betty ook licht een presentje bezorgen; want Hare Hoogheid is heel goedhartig, al wordt ze ook droevig bedorven, vrees ik.”Dit mooie plannetje lachte Betty zoo toe, dat zij erover in de handen klapte en daardoor de vogels verjaagde.„Dat zal ik doen! Ja, dat zal ik doen!” juichte zij. „Ik heb al zoolang verlangd het Prinsesje te zien, waarvan vader mij verteld heeft. Zij is ziekelijk en kan niet loopen en spelen zooals ik; ik zou haar dus dolgraag een pleziertje doen en de paardenbloemen en madeliefjes bloeien al. Ik zal vroeg uitgaan en een hoed vol plukken en niet wegloopen, als zij aankomt.”Zoo vervuld was Betty van dit heerlijke plannetje, dat zij vroeg naar bed ging, maar toch vergat ze niet nog eerst eens uit haar venstertje te kijken, tusschen de rozen door, naar het nestje, waarin mama Winterkoning op hare kleintjes paste, terwijl de papa in de nabijheid op één poot zat, met zijn kop onder zijn vleugel.„Goeden nacht, lieve vogeltjes; ik ben u heel dankbaar,” fluisterde Betty; maar zij letten niet op haar en sliepen voort, alleen soms even een geluid makend, alsof zij droomden.Des morgens vroeg zongen de leeuweriken, uit het gras opvliegend, en wekten Betty met hun lieve stemmetjes:„Opstaan, lieve meidWant de dag begon;Zing met ons een liedVoor de heldre zon!”En de kleintjes piepten:„Kom ’t is dag, mama!Krijg ik wat te bikken?Ga dan gauw, papa,Breng ons wat te pikken.”terwijl ze hun bekjes zoo wijd mogelijk opensperden.De ooievaars vlogen op, met hun lange beenen achter hen aanslepend, en riepen daarbij:„Weder is een dag gekomen,Over velden, heuvels, boomenWillen wij de vleugels kleppen,Om voor onzer kindren sneppenOveral, in alle hoeken’t Beste voedsel te gaan zoeken.”De kleintjes staken hun kopjes omhoog en staarden naar de zon.De grijze kippetjes liepen te pikken bij de schuur en kakelden:„Tok, tok, tuk!Wat geluk:Tweemaal één is twee.Raad eens wat ik deê:’k Lei voor allebeiElk een kersversch ei.”en de haan stond erbij luid te kraaien:„Kukelekukeleku!Neem uw badje nuIn de frissche dauw;Want de lucht is blauw.”En de duifjes trippelden rond op haar kleine rose pootjes, trekkebekten en koerden, al buigende:„Koekeroe! koekeroe!Door het dennengroenSchijnt de nieuwe dag.Geef nu elk een zoen!Koekeroe, dat mag!”Betty stond aan ’t venster te luisteren en was zoo gelukkig, dat zij de roosjes kuste, die haar toeknikten; daarop liep zij naar beneden om meelbrei te koken voor ’t ontbijt, zelf als een vogeltje kweelende.Toen haar vader naar zijn werk was, haastte zij zich Dea te melken, den vloer aan te vegen en den boel netjes op te knappen, vóór zij ’t Prinsesje ging opwachten.„Eet gij nu hier uw ontbijt maar, terwijl ik de bloemetjes ga plukken; want dit is een prettig plekje voor u; en ik wil graag, dat gij er goed uitziet, als de deftige menschen komen,” zeide Betty en zij liet haar koetje grazen op een schaduwrijk plekje naast den weg, waar het gras welig groeide en een oude eik de zonnestralen opving.De paardebloemen waren allen open, als gouden sterren, en Betty maakte daarvan met eenige madeliefjes een frischruikertje, besprenkelde dat goed met water en stopte het in haar hoed. Daarop ging zij ijverig zitten breien op een omgehakten boomstam, nadat zij het rustig herkauwende koetje nog met een krans van eikenbladeren den nek versierd had.Ze behoefden niet lang te wachten. Spoedig hoorde zij hoefgetrappel, en langs den boschweg kwamen de twee witte ponies, de manen schuddend, en achter hen aan het aardige rijtuigje, met koetsier en palfrenier in blauw met zilver, en erin het Prinsesje, met witte pluimen op haar hoed, gezeten naast hare kindermeid, en gewikkeld in een warmen zachten mantel, want de zomerlucht was haar anders ’s morgens te koel.„O! daar is Bruintje met haar mooie witte koetje! Zeg haar nu toch, dat ze niet moet wegloopen, want ik wil haar graag goed zien, en haar hooren zingen,” riep het Prinsesje vol ijver, toen zij nader kwamen.Betty was wel een beetje bang, maar liep toch niet weg; want de kindermeid was een vriendelijk uitziend oud mensch, met een hooge boerinnenmuts op, dat haar met een moederlijken blik toeknikte en heel tevreden scheen, toen Bruintje het ruikertje ophield en zeide:„Wil de jongejuffrouw deze hebben?”„O ja! heel graag. Ik heb nog nooit zoo’n mooie bouquet paardenbloemen gehad. Hoe prachtig! Dankje wel, Bruintje,” riep het Prinsesje en lachte van pret, met haar beide handen vol bloemen.„Ik heb ze allemaal voor u geplukt. Ik heb er zooveel en ik hoorde u erom vragen,” zeide Betty, heel blij, dat zij niet weggeloopen was en zoo het ritje bedorven had voor de kleine Prinses.„Hoe wist ge dat?” vroeg het Prinsesje en keek haar verwonderd aan.„Dat hebben de vogels mij verteld,” zeide Betty.„O ja! Ik vergat, dat zulke boschmeisjes, als gij, verstaan kunnen wat de vogels zeggen. Ik kan alleen mijn papegaaien verstaan, andere vogels niet. Zoudt gij mij kunnen vertellen wat zij zeggen?” vroeg het Prinsesje, met een ernstig gezichtje, zich uit haar rijtuig voorover buigend, want zij had veel schik in al wat nieuw voor haar was.„Ik denk het wel, als tamme vogels zingen evenals de wilde,” antwoordde Betty, niet weinig trotsch, dat zij meer wist dan het rijke meisje.„Ge moet in het paleis komen en mij dat vertellen; toe, kom terstond, want wachten kan ik niet. Mijn kanarie zingt den heelen dag, maar ik versta er niets van, en dat wil ik toch. Zeg, dat ze komen moet, Juf,” beval het Prinsesje, dat altijd gewoon was haar zin te krijgen.„Kunt gij?” zeide de oude vrouw. „Wij zullen u van avond terugbrengen. Hare Hoogheid heeft er haar zinnen op gezet u meê te nemen, en wij zullen u ervoor betalen.”„Ik kan Dea niet verlaten; wij hebben geen wei om haar in te zetten en ik kan haar niet in de schuur opsluiten, danzou zij den geheelen dag om mij roepen,” antwoordde Betty, die wel veel lust had om meê te gaan, maar toch haar koetje geen armoê wilde laten lijden.„Zet uw koe maar dáár in die wei; ik geef u verlof. Dat land behoort mij allemaal toe en niemand zal er wat tegen te zeggen hebben. Doe dat!” zeide de Prinses en wenkte met haar hand den lakei, die van den wagen sprong en Dea in het groote klaverveld liet, vóór Betty er iets tegen doen kon.„Dat zal mijn beestje wel heerlijk vinden; en nu kan ik wel met u meêgaan, als ’t u niet schelen kan, dat ik zoo’n oude jurk en hoed heb,—ik heb geen andere kleêren,” zeide zij, terwijl de koe reeds begon te eten van de klaver, en de lakei ’t portier van ’t rijtuigje voor haar open deed.„O! dat vind ik juist aardig.—Kom er maar gerust in.—En nu terstond naar huis,” beval het Prinsesje; en weldra toerde onze arme kleine Betty in het deftige rijtuig, met een gevoel alsof het niet waar kon zijn.Het prinsesje deed allerlei vragen en kreeg hoe langer hoe meer schik in haar nieuwe vriendinnetje; want zij had nog nooit in haar leven een woord gewisseld met een arm kind, en dus geenerlei besef, hoe die lieden leefden. Betty was opgewonden door dit buitenkansje, en zoo vroolijk en lief in haar eenvoudige manieren, dat de oude kindermeid weldra vergat op te letten, of zij ook iets verkeerds deed of zeide.Toen ze stilhielden voor het groote marmeren paleis, dat schitterde in de zon, met prachtige groene lanen enbloembedden en terrassen er om heen, kon Betty slechts met ingehouden adem al ’t moois aanstaren, vooral ook toen zij door schitterende gangen en portalen, langs breede trappen, binnengeleid werd in een kamer vol mooie dingen, waar zes vroolijk gekleede dienstmeisjes samen zaten te naaien en te babbelen.De Prinses moest nu gaan rusten, maar Betty werd verzocht te blijven en zich te laten verkleeden, alvorens zij met Hare Hoogheid ging spelen.De kamer was vol doozen en kasten en manden en toen de deuren open en de deksels eraf kwamen, zag Betty een massa mooie jurken, hoeden, mantels en allerlei fraaiigheden voor kleine meisjes om te dragen. Nooit in haar stoutste droomen had zij zich zooveel schoone dingen en kleêren kunnen voorstellen, van kant, lint, zijde en fluweel. Hoeden met bloemen en veêren, aardige blauwe en rose schoentjes met gouden en zilveren gespjes, zijden kousjes, zoo fijn als spinrag, neteldoeksche en batisten rokjes en nachtponnetjes en mutsjes met fijne borduursels, alsof geen menschenhanden ze zoo hadden kunnen maken.Als in een droom stond zij te kijken, terwijl de meiden haar op vriendelijke wijze ontdeden van haar bruine hoedje en jurkje, en, na lang beraad over wat haar het beste zou staan, haar eindelijk een rose neteldoeksch japonnetje aantrokken, benevens nette schoenen en kousen en een stroohoedje met roosjes er op. Toen daarbij haar lokken tot dikke bruine krullen waren gladgestreken, zeiden zehaar, dat ze eens in den grooten spiegel moest kijken en zeggen wat zij er in zag.„O, wat een sierlijk meisje!” riep Betty, en glimlachte en knikte tegen het meisje in den spiegel, dat hetzelfde deed tegen haar. Zij herkende zich zelf niet, daar ze nooit haar beeld anders weerkaatst had gezien, dan in een stilstaanden plas, of in de beek langs de weide.De dienstmeisjes lachten, en toen begreep zij, dat zij ’t zelf was, en lachte met haar en danste en maakte nijgingen en was heel vroolijk, totdat er gescheld werd en men haar beval naar de Prinses te gaan.Zij vond deze in een prachtige kamer, de wanden behangen met blauwe zijde en kant, een glanzig zilveren ledikantje, blauw damasten stoelen en sofa’s, schilderijen aan den muur en bloemen aan alle vensters en vergulde kooien met aardige vogeltjes er in.Op een kussen zat een witte kat te slapen; een snoepig klein hondje, met een gouden halsbandje met bellen om, trippelde er rond en op alle tafels lagen boeken en speelgoed uitgespreid.Het Prinsesje knorde tegen de oude kindermeid, omdat deze haar nog langer wilde laten slapen, na haar rijtoertje; maar toen Betty binnenkwam, met haar nieuwe kleêren en haar vroolijke gezichtje, veranderde ook bij haar de frons in een glimlach, en riep zij:„O! wat ziet gij er nu netjes uit! Nu zijt ge niet langer Bruintje; maar ik hoop toch, dat ge de taal der vogels nog niet vergeten hebt.”„Neen,” zeide Betty; „laat mij maar even luisteren en dan zal ik u vertellen wat zij zeggen.”Beide zwegen dus en de kindermeid en de andere gedienstige hielden zich zoo stil als muizen, terwijl de kanarie zijn schelle tonen liet hooren, en Betty’s gezicht betrok, bij het hooren daarvan.„Hij zegt dat hij genoeg heeft van zijn kooi en verlangt vrij te zijn bij de andere vogels; want een boom is voor hem een betere woning dan een gouden paleis en een kruimeltje in het bosch smaakt hem beter, dan al de klontjes suiker in zijn zilveren bakje. Hij zingt: „„Laat mij vrij! laat mij vrij! of mijn hart zal breken!”” Dat is de inhoud van zijn lied en het roodborstje zingt hetzelfde; en ook de vinkjes en dat fraaigekleurde andere vogeltje, dat ik niet ken.”„En wat zegt Polly? Als hij praat, kan ik hem wel verstaan, maar niet, als hij zoo bij zich zelf zit te brommen en te babbelen, zooals hij nu doet,” zeide het Prinsesje, zeer verbaasd over wat ze gehoord had; want zij dacht, dat haar vogeltjes overgelukkig moesten zijn in zulke sierlijke kooitjes, met lekkere hapjes.Betty luisterde naar den grooten rood-groen-en-blauwen papegaai, die op een stokje zijn kop zat te schudden, en bij zich zelf grinnikte, alsof hij een goede grap hoorde. Weldra kreeg Betty een kleur en begon zij te lachen, daar ’t geen zij hoorde haar vermaakte, maar tevens verlegen maakte; want de vogel praatte en knikte nu tegen haar op koddige wijze.„Nu, wat zegt hij dan?” vroeg het Prinsesje ongeduldig.„Och! vraag mij dat maar niet. Ge zult het niet prettig vinden dat te hooren. Ik kan het u heusch niet overbrengen,” zeide Betty nog lachend en blozend.„Gijmoethet mij vertellen, anders laat ik Polly den nek omdraaien.Ikverkieselk woord te weten, dat hij gezegd heeft, en opuzal ik niet boos zijn, wat ook die lastige vogel moge gezegd hebben,” beval het Prinsesje.Betty had geen lust te gehoorzamen, maar begon toch, uit vrees dat anders toch de papegaai zou gestraft worden. „Hij zegt: „„Ziezoo, daar hebben we nu een nieuw lievelingetje voor Hare Hoogheid om te plagen. Een lief, mooi meisje! Het is jammer, dat zij gekomen is, om een paar dagen lang aangehaald en gevierd te worden, en daarna weggesmeten, of vertrapt als een oude pop. Het arme kind, zij vindt nu alles hier heel mooi; maar als zij alles wist, weet ik zeker, dat zij zou wegloopen, en nooit weêrom komen; want een knorriger, meer bedorven kind dan Hare Hoogheid bestaat er niet.”””Betty durfde niet verder gaan, want het prinsesje keek heel boos; en de meid ging een klap geven aan Lorre, die echter met een lachje naar haar vinger beet en nog luider krijschte:„„Ja! dat is ze inderdaad! en achter haar rug zegt gij allen dat ook.Ikken uwe sluwe manieren wel. Gij prijst en vleit haar, en zegt dat zij ’t liefste meisje ter wereld is, terwijl gij weet, dat dit eenvoudige, lieve boschmeisjemeer waard is, dan een dozijn dwaze, heerschzuchtige prinsessen. Ha! Ha! Ik ben niet bang om de waarheid te zeggen, ben ik wel, Betty?””Betty schrikte letterlijk en kon toch niet laten te lachen, toen de stoute vogel haar toewenkte, onderste boven hangend met zijn krommen bek half open en zijn schitterende vleugels kleppend.„Ga voort! ga voort!” riep het Prinsesje uit nieuwsgierigheid haar boosheid vergetend.Betty moest haar dus verder vertellen en was heel blij, toen Bonnibelle ook begon te lachen, en per slot plezier had in de waarheid, op zoo koddige wijze verteld.„Zeg hem maar, dat gij weet wat hij zegt, en vraag hem, om als hij toch zoo wijs is, mij te zeggen, wat ik doen moet, om zoo braaf te worden als gij,” zeide het Prinsesje, dat geen kwaad hart had, en wist, dat zij veel te veel geliefkoosd en geprezen werd.Betty zeide dus tegen den papegaai, dat zij zijn taal verstond, en hij was zoo verbaasd, dat hij terstond rechtop op zijn stokje ging zitten, en haar aanstaarde, vol vuur zeggend:„„Och toe! laat mij niet bestraft worden, omdat ik de waarheid gezegd heb. Ik kan mijn woorden niet terugnemen, en daar gij mijn raad vraagt, denk ik, dat het beste, wat gij voor Hare Hoogheid doen kunt, zijn zou, haar met u van plaats te laten verwisselen, teneinde te leeren vergenoegd, nuttig en gelukkig zijn. Zeg haar dat, compliment van mij.””Betty durfde haar deze boodschap haast niet over te brengen; maar Bonnibelle had er schik in, want zij klapte in hare handjes en riep:„Dat zal ik aan Mama vragen. Zoudt gij ’t wel willen doen, Bruintje, en een prinses worden?”„Neen, dank u, liever niet,” zeide Betty. „Ik zou mijn vader en Dea niet kunnen verlaten, en ik ben ook niet geschikt, om in een paleis te leven. Het is alles wel prachtig, maar ik geloof toch, dat ik ons kleine huisje en het bosch en mijn vogels liever heb.”De juf en de meid sloegen een gat in de lucht van verbazing over zoo’n denkbeeld; maar Bonnibelle scheen het te begrijpen, en zij zeide vriendelijk:„Ja, ik vind ook, dat het hier vervelend is, en veel prettiger buiten, om te doen wat men verkiest. Mag ik wel eens bij u komen en met u spelen, en van u leeren om te zijn zooals gij, lieve Betty?”Zij keek een weinig droevig, terwijl zij sprak, en Betty had medelijden met haar, en antwoordde dus met een blijden glimlach:„O ja! dat zal heerlijk zijn. Kom gij wat bij mij, en dan zal ik u al mijn speelmakkertjes laten zien, en dan moogt gij Dea melken, en de kippen voeren en de konijntjes en tamme jonge hertjes zien en in het veld met de madeliefjes loopen en paardebloemen plukken en bruin brood en melk eten uit mijn mooiste blauwe kommetje.„O ja, en een bruin jurkje en een grooten bruinen hoedhebben, evenals gij, en houten klompjes, die zoo’n leven maken op den vloer, en dan leeren breien en boomen klimmen en verstaan wat de vogels zingen!” voegde Bonnibelle er bij, zoo verrukt over het plannetje, dat zij van haar rustbedje afsprong en begon rond te huppelen, zooals zij in langen tijd niet gedaan had.„Nu moet ge mijn speelgoed eens komen zien, en uitzoeken wat gij er van wilt hebben; want ik houd veel van u, lieve, omdat gij mij nieuwe dingen vertelt, en niet gelijkt op de malle heertjes en juffertjes, die soms bij mij op bezoek komen, en die niets doen dan kibbelen, of als pauwen op en neêr stappen, tot ik meer dan genoeg van ze heb.”Bonnibelle sloeg haar arm om Bruintje heen en geleidde haar naar eene lange gang, zoo vol speelgoed, dat het wel een speelgoedwinkel geleek.Poppen waren er bij dozijnen, poppen, die konden praten, zingen, loopen en slapen, prachtige dametjes, grappige hansworsten, groote en kleine poppenkoninginnen en zuigelingetjes, poppen van alle volken en provincies. ’t Was een éénige verzameling van alle verscheidenheden en Betty kon hare oogen niet verzadigen, want zij had een echt meisjeshart, vol liefde voor poppen, en toch had zij nooit een haar eigen mogen noemen.„Ge kunt er gerust van nemen zooveel ge verlangt,” zeide Bonnibelle. „Ik geef er niet meer om.”Het deed Betty letterlijk versteld staan, te denken, dat zedesverkiezende een dozijn poppen kon meênemen. Maar zij besliste wijselijk, dat één genoeg was, en koos een wiegje met een lief klein bakerkindje er in, met blauwe oogjes, die zich sluiten konden, en blonde haartjes, die onder het mutsje uit kwamen kijken. Het zou haar moederlijk hartje verkwikken, als dit kleine lievelingetje bij dag in haar armen kon rusten, en ’s nachts naast haar slapen, en haar gezelschap houden in het eenzame hutje; want het popje kon heel natuurlijk „Mama” zeggen, en Betty gevoelde, dat het haar steeds een genot zou blijven, zich bij dien dierbaren naam te hooren noemen.Zij kon zich haast niet losscheuren van het wiegje, om de andere schatten te gaan bekijken; maar zij liep op en neêr met Bonnibelle, en bewonderde alles wat zij zag, totdat Juf haar kwam waarschuwen dat het koffietijd was en dat Hare Hoogheid thans niet meer mocht spelen.Betty wist niet recht, hoe ze zich houden moest, toen zij aan een sierlijk gedekte tafel gezeten was, met een knecht achter haar stoel en allerlei fraai porselein en glaswerk en zilver vóór haar.Zij keek maar goed naar Bonnibelle, wat die deed, en wist zich zoo te redden, en at perzikken, en koekjes, en room, en fijne witte broodjes, en suikergoed, alles met evenveel smaak. De gebraden vogeltjes op den zilveren schotel wilde zij niet proeven, hoe lekker ze ook geurden, maar ze zeide op droeven toon:„Neen, dank u, mijnheer; mijn vriendjes zou ik niet kunnen opeten.”De lakei deed zijn best niet te lachen; maar het Prinsesje schoof toen ook haar bord weg en zeide op ernstigen toon:„Nu wil ik ze ook niet meer opeten. Geef mij wat abrikozengelei en een stukje knapkoek. Nu ik meer weet omtrent de vogels en wat zij omtrent mij denken, zal ik hen ook zorgvuldiger behandelen. Gij moet mij nooit meer vogeltjes opdisschen.”Na het maal gingen de kinderen naar de boekenkamer, waar al de mooiste prentenboeken, die ooit gedrukt werden, op de planken, laag bij den grond, uitgestald waren en gezellige stoeltjes in alle hoeken stonden, waarin men lust zou hebben den geheelen dag sprookjes te zitten lezen. Betty sprong op van blijdschap, toen haar nieuwe vriendin een stapeltje van de prettigst uitziende boekjes voor haar uitzocht, om meê naar huis te nemen. Toen gingen zij naar de muziekkamer, waar eenige muzikanten een stuk speelden en waar het Prinsesje danste met haar meester, op een plechtige wijze, die Betty heel dwaas voorkwam.„Nu moet gij ook dansen. Ik heb gehoord, dat gij ’t heel mooi doet; want eenige heeren en dames hebben u in ’t bosch met de madeliefjes zien dansen en gezegd, dat het ’t mooiste ballet was, dat ze ooit gezien hadden. Gij moet! Neen, doe het als’t ubelieft, lieve Betty,” zeide Bonnibelle eerst bevelend, maar toen gedachtig aan ’t geen de papegaai gezegd had, sprak zij meer zacht en vriendelijk.„Ik kan niet hier, waar menschen bij zijn. Ik ken geenpassen en heb bloemen noodig, om meê te dansen,” zeide Betty.„Kom dan meê op het terras, daar zijn bloemen in overvloed in den tuin; en de dansles verveelt mij,” antwoordde Bonnibelle, en ging door een van de openstaande glazen deuren in de met marmer bevloerde breede veranda, waarheen Betty al lang lust had te gaan.Op de treden zaten verscheidene pauwen, die terstond hun prachtige staarten uitspreidden en voor de kinderen begonnen heen en weêr te stappen, en onder een krijschend geluid de pluimen van glanzige veêren op hun koppen te schudden.„Wat zeggen zij?” vroeg het Prinsesje.„„„Daar komt nu het ijdeltuitje aan, dat zich verbeeldt mooier kleêren te hebben dan wij, en dat gaarne daarmeê pronkt bij armeren dan zij. Wij bewonderen haar niet, met haar trotsche manieren, want wij weten, hoe dwaas zij is, ondanks haar fraaie veêren.”””„Ik wil niet langer luisteren naar de ruwe taal van deze slechte vogels, en ik wil ook niet hun prachtige staarten prijzen, zooals ik eerst van plan was. Voort! pronkzieke beesten! niemand heeft u hier noodig,” riep Betty, en joeg de pauwen van het terras af, terwijl het Prinsesje hartelijk lachte, ziende hoe zij hun staarten neêrhaalden en met luide kreten angstig wegslopen.„Het is waar. Ik ben ijdel en dwaas geweest; maar niemand durfde mij dat ooit te zeggen, en nu zal ik trachten mijn leven te beteren, nu ik zie, hoe dwaas hetstaat van die vogels en hoe lief uw eenvoud is,” zeide zij, toen Betty weêr naar haar toe trippelde.„Nu zal ik eens als een pauw voor u dansen. Kijk maar of ik hen niet goed nadoe!” zeide Betty, hield haar rose rokje omhoog, schudde haar hoofdje en lichtte haar voetjes op, zóó eender als de pauwen, dat Juf en de meid, die mee naar buiten gegaan waren, even hartelijk lachten als Bonnibelle.Het was heel grappig en toen zij het pronken en trotsch loopen van de pauwen nagedaan had, liet Betty plotseling haar rokje zakken en liep haastig weg, haar armen zwaaiend als vleugels en hun onwelluidend gegil nabootsend.Zij wilde graag het Prinsesje vermaken, en haar de harde woorden doen vergeten, die zij genoodzaakt was geweest haar over te brengen; toen ze bij haar terugkwam, was ze dus blij, haar heel vroolijk te vinden en vol lust in meer grapjes.„Nu zal ik den tulpendans doen,” zeide Betty en begon mooie nijgingen te maken tegen een bed vol prachtige bloemen, goud en rood, rose en wit, en de tulpen schenen weerkeerig voor haar te buigen, als heeren en dames op een bal. Zij nam een paar tulpen, en zelden werden zulke sierlijke wuivingen, nette stapjes en bevallige wendingen gezien, als Betty nu vertoonde; want zij deed haar best na te doen, hoe de tulpen door den wind heen en weêr bewogen werden en het menuëtje, dat zij danste, was aardiger, dan men er ooit een aan het hof had zien dansen.„Verwonderlijk!” zeide de meid. „Ze lijkt wel een echte toovernimf,” zeide de oude Juf.„O! nog meer dansen! als ’t u belieft, dans nog meer!” riep het Prinsesje, en klapte in de handen, toen Betty ten afscheid een diepe nijging voor haar maakte en glimlachend voor haar stond.„Nu zal ik u den winddans laten zien; die is heel vroolijk en deze marmeren vloer is zoo glad en effen, dat ik een gevoel heb, alsof er vleugels aan mijn voeten zitten.”Daarop begon ze heen en weêr te fladderen als een blaadje, door den wind bewogen; dan eens liep ze het terras vlug af, als had een harde windvlaag haar voortgedreven, dan weêr stond zij stil, slechts zachtjes wiegelend, als in een koeltje, dan stoof ze weêr weg, als door een rukwind voortgestuwd en draaide dan weêr in de rondte, als een rozenblaadje op den grond. Eens fladderde zij tot voor ’t Prinsesje, toen woei ze met een vaart tegen de dikke, oude kindermeid aan, maar telkens was ze verdwenen, eer men haar pakken kon. Eenmaal vloog ze met een sprong de marmeren trappen af en over de leuning heen, alsof ze inderdaad vleugels aan haar vlugge voetjes had. Toen scheen de storm te bedaren en langzaam daalde het blaadje af aan de voeten van Bonnibelle en lag daar geknield, buiten adem, vermoeid en met een blos op ’t gelaat.Bonnibelle klapte in hare handjes; maar vóór ze nog tijd had gehad haar verrukking uit te spreken, kwam door de glazen deur, waardoor ze het aardige ballet gezien had,een prachtige dame. Twee kleine pages droegen den langen sleep van haar zilvergrijs zijden japon, twee dames liepen naast haar, waarvan de eene een rose parasol boven haar hoofd hield, terwijl de andere een kussen en een waaier droeg; haar blanke handen schitterden van juweelen, evenals haar hals en lokken, en zij was een statige verschijning, want dit was de Koningin zelve. Maar haar gelaat was lief en vriendelijk, haar stem zacht en haar glimlach zoo welwillend, dat Betty geen oogenblik bang voor haar was, maar heel netjes haar mooiste buiging maakte.Toen het rood damasten kussen neêrgelegd was op een van de fijn bewerkte steenen banken, en de pages den sleep losgelaten hadden, en de hofdames den parasol gesloten en haar den gouden waaier in handen gegeven hadden, verwijderden zij zich en bleef de Koningin alleen achter, met Juf en de beide meisjes.„Lieveling, hoe bevalt u uw nieuw speelgoed?” vroeg de sierlijke dame, toen Bonnibelle op haar schoot was gekomen en een lang verhaal deed van al de pret, die zij met Bruintje gehad had. „Zij schijnt echt te kunnen tooveren, dat zij u zoo blozend, vroolijk en tevreden gemaakt heeft.”„Kind! wie heeft u zoo verwonderlijk mooi leeren dansen?” vroeg de Koningin, nadat zij haar dochtertje gekust had, innig verheugd haar zoo geheel anders te zien, dan het sombere, knorrige, lustelooze kind, dat zij gewoonlijk vond.„Dat heeft de wind mij geleerd, Mevrouw de Koningin,” antwoordde Betty met een glimlach.„En waar hebt ge die mooie verhalen vandaan gehaald, die gij weet te vertellen?”„Van de vogels, Mevrouw de Koningin.”„En wat doet gij, om zulke frissche roode wangen te krijgen?”„Bruin brood en melk eten, Mevrouw de Koningin.”„En hoe komt het, dat een eenzaam arm kind, als gij, zoo gelukkig en zoo braaf kan zijn?”„Mijn vader zorgt voor mij en mijn Moeder in den Hemel maakt mij braaf, Mevrouw de Koningin.”Toen Betty dat zeide, stak de Koningin hare hand uit en trok haar dichter naar zich toe, alsof haar teeder hart vol deernis werd voor het moederlooze kind en verlangde haar van dienst te zijn, als ze maar wist hoe.Op dat oogenblik hoorde men het getrappel van paardepooten op de plaats beneden, klonken trompetten, en wist iedereen, dat de Koning van de jacht was thuisgekomen. Weldra hoorde men sporen rinkelen en laarzen stappen en kwam hij langs het terras, met eenige zijner hovelingen achter zich.Iedereen begon te buigen, behalve de Koningin, die bleef zitten met Bonnibelle op haar schoot, want het Prinsesje draafde niet haar vader te gemoet, zooals Betty altijd gewoon was, wanneer haar vader thuiskwam. Betty dacht, dat zij bang zou zijn voor een Koning, en dat zou ookmisschien het geval geweest zijn, als hij zijn hermelijnen mantel en kroon en juweelen gedragen had; maar nu was hij bijna als haar vader gekleed, in een donkergroen jachtbuis, met een zilveren jachthoorn over zijn schouder en geenerlei ander kenteeken van zijn waardigheid, dan de pluim op zijn hoed en den ring aan zijn vinger, die schitterde, toen hij zijn rijhandschoen uittrok, om der Koningin de hand te kussen; Betty glimlachte dus tegen hem, en maakte haar gewone buiging, en keek hem vrijmoedig aan.Dat beviel hem goed en hij kende haar wel; want hij had haar dikwijls gezien, wanneer hij door het bosch reed.„Kom eens hier, Bruintje, want ik heb wat te vertellen, dat gij met genoegen hooren zult,” zeide hij, terwijl hij naast de Koningin ging zitten, en wenkte Betty, met een aanmoedigend knikje.Zij kwam aan zijn knie staan, zeer nieuwsgierig wat zij hooren zou, terwijl al de heeren en dames van het gevolg hun halzen rekten om het ook te hooren, want iedereen begreep, dat er heden nog iets meer voorgevallen was, dan alleen het dooden van een hert.„Ik jaagde twee uur geleden in het groote eikenbosch, en had juist geknield op den grond, om op een prachtig hert te mikken,” begon de Koning, en streelde Betty’s bruine kopje, „toen een groot kwaadaardig wild zwijn, juist terwijl ik mijn schot afschoot op het hert, achter mij van tusschen de varenplanten te voorschijn kwam. Ik had niets over, om mij te verdedigen, dan mijn jachtmes; tochsprong ik op, om hem weerstand te bieden, toen mijn voet bleef haken onder een boomwortel, en ik hulpeloos op den grond stortte, terwijl het woedende ondier mij met rassche schreden naderde. Deze kleine meid had kans gehad, morgen reeds Koningin Bonnibelle te heeten, indien niet van achter een boom een moedige houthakker ware toegeschoten en met één slag van zijn bijl het monster den kop gekloofd had, juist op het oogenblik, toen het zich boog om mij aan te vallen. Die redder was uw vader, Bruintje, en aan hem dank ik dus mijn leven.”Toen de Koning uitgesproken had, hoorde men gedempte „o’s” en „hé’s”, en keken al de hofheeren en dames, alsof ze graag luidkeels gejuicht hadden; maar de Koningin werd doodsbleek en Juf kwam haar met den waaier verfrisschen, terwijl Bonnibelle haar armpjes uitstak naar haar vader en riep: „Neen, lieve Papa, ik wil nooit Koningin zijn, als u sterft!”De Koning zette haar op zijn eene knie en Betty op de andere, en zeide vroolijk:„Wat, dunkt u, zullen we voor dien dapperen man doen, die mij gered heeft?”„Geef hem een paleis om in te wonen en een heeleboel geld,” zeide de Prinses, die niets beters wist te bedenken.„Ik bood hem een huis en geld aan, maar aan geen van beide had hij behoefte; want hij houdt veel van zijn hutje en goud heeft hij niet noodig, zegt hij. Bedenkt dus nog eens, kinderen, en tracht iets te vinden, dat hij wel zalwillen hebben,”—zeide de Koning en keek Betty aan.„Ik denk, Meneer de Koning, dat hij heel graag een weide voor ons koetje zou hebben,” antwoordde Bruintje vrijmoedig; want het vriendelijke, mooie, door de zon verbrande gezicht van den Koning deed haar aan dat van haar vader denken.„Die zal hij hebben. En nu, kleine, moet gij drie dingen voor uzelf wenschen, en als ik kan, zal ik ze u geven.”Betty liet al haar blanke tandjes kijken, zoo smakelijk lachte zij, van vreugd over dit prachtige aanbod. Toen zeide zij, op langzamen toon:„Ik heb nu maar één wensch meer, want de Prinses heeft mij een snoezige pop en een boel boeken gegeven; ik ben dus het gelukkigste kind in uw heele koninkrijk, en ik heb aan niets behoefte.”„Tevreden meiske! Wie van ons kan haar dat nazeggen?” zeide de Koning met een ernstigen blik op de omstanders, die de oogen neersloegen en beschaamd keken, want zij hadden altijd gunsten te vragen van den goedhartigen Koning. „Wel, laat ons dan nu eens hooren wat ik doen kan, om het dochtertje van den dapperen houthakker Jan genoegen te geven.”Vol ijver antwoordde Betty: „O! als ’t u blieft, laat de Prinses eens bij mij komen spelen.”De heeren van het hof keken verontwaardigd, en de hofdames, alsof zij op het punt stonden flauw te vallen, bij het denken aan zoo iets vreeselijks. Maar de Koninginknikte goedkeurend en Bonnibelle riep: „Ja,als ’tu blieft!” en de Koning lachte en vroeg verbaasd:„Maar waarom dan niet liever weêr hier komen spelen? Wat hebt gij in uw hutje, dat wij hier in het Paleis niet hebben?”„Een heeleboel dingen, Meneer Koning,” antwoordde Betty. „Zij zegt, dat het Paleis en al wat erin is haar verveelt, en ze heeft zoo’n lust om vrij rond te loopen in het bosch, en den heelen dag gezond en vroolijk en druk bezig te zijn, evenals ik. Zij wil meê brood bakken en de koe melken en het huis stoffeeren en kousen breien, en den wind hooren loeien en dansen met de madeliefjes en praten met mijn vogels en gelukkige droomen droomen, en zich verheugen dat ze leeft, net als ik.”„Wel, Bruintje! gij durft van u af te spreken! Maar in zeker opzicht heeft het kind gelijk, en als mijn Prinsesje een paar wangen kan krijgen als de uwe, door meê te gaan soms naar het hutje, dan mag ze gaan zoo dikwijls ze wil,” zeide de Koning, inwendig lachend om haar vrijmoedige woorden en terwijl het onderscheid hem sterk trof tusschen die twee gezichtjes vóór hem: het eene als een witte tuinlelie, het andere als een frisch roode wilde roos.Toen kwam Bonnibelle’s tongetje los en vertelde zij al, wat dien dag had plaats gehad, levendiger in haar spreken dan zij ooit was, en iedereen luisterde aandachtig, verwonderd te zien, hoe aardig en prettig het Prinsesje zijn kon, en nieuwsgierig, wat die plotselinge veranderingteweeggebracht had. Maar de oude kindermeid liep rond en fluisterde:„Ja, zij is een echt tooveresje, dat weet ik; want geen gewoon menschenkind zou zoo stoutmoedig en verstandig spreken, en doen wat zij gedaan heeft,—den Koning en de Koningin heeft zij betooverd en Hare Hoogheid tot een ander kind gemaakt.”Allen begonnen met grooten eerbied voor Betty vervuld te worden; en toen ten laatste het gesprek afgeloopen was en de Koning was opgestaan en elk der beide meisjes een kus gegeven had, groette iedereen Bruintje met onderscheiding en maakte plaats voor haar, alsof zij ook een prinses was.Maar Betty was daarop niet trotsch, want zij herinnerde zich de pauwen, toen zij hand aan hand met Bonnibelle, achter de vorstelijke ouders aan, over het terras naar de groote zaal liep, waar het feestmaal aangericht was, en prachtige muziek weerklonk.„Gij moet naast mij zitten en uit mijn gouden bekertje drinken,” zeide Bonnibelle, toen de zilveren jachthoorns niet langer klonken, en iedereen wachtte, tot de Koning de Koningin naar hare plaats gebracht had.„Neen, ik moet naar huis. De zon gaat al onder; Dea moet gemolken worden en Vader’s avondeten klaargemaakt vóór hij thuiskomt. Laat mij nu gauw gaan, om mijn eigen kleêren weêr aan te trekken; deze zijn te mooi, om in het hutje aan te houden,” antwoordde Betty, die wel grootenlust had om te blijven, maar zoo trouw aan haar plicht was, dat zelfs des Konings bevel haar niet weêrhouden kon.„Papa, zeg dat zij moet blijven; ik wil het zoo graag,” riep Bonnibelle, en ging naar den grooten armstoel, waarin haar vader zat.„Blijf, kind!” zeide de Koning, en wenkte met de hand, waaraan de groote diamant flonkerde als een ster.Maar Betty schudde van neen en antwoordde op smeekenden toon:„Och, lieve Meneer Koning! verg hetals ’tu belieft niet van mij; want Dea heeft mij noodig en Vader zal mij zoo missen, als ik hem niet tegemoet kom loopen, wanneer hij thuiskomt.”Toen glimlachte de Koning en zeide op hartelijken toon:„Braaf kind! wij willen u niet terughouden. Houthakker Jan heeft mijn leven gered, en nu wil ik hem niet de vreugd en troost van zijn leven ontrooven. Loop maar vlug naar huis, Bruintje, en moge God u zegenen!”Betty draafde naar boven en deed haar ouden hoed en jurk weêr aan, nam een der mooiste gekregen boekjes en de dierbare pop, wetend dat het overige haar den volgenden dag zou gezonden worden, en trachtte toen door een achterdeur stil weg te sluipen; maar er waren zooveel zalen en gangen en trappen, dat zij verdwaald raakte, en ten laatste weêr in de groote eetzaal terechtkwam.Iedereen zat nu te eten: en het vleesch en de wijn, en de gekruide pasteien en hoopen vruchten geurden heerlijk, en zewist, dat ze thuis enkel bruin brood en melk zou krijgen; maar toch wilde zij niet blijven en niemand dan de lakeien zag haar, toen zij de trappen af naar de plaats holde, evenals Asschepoester, toen de klok twaalf uur sloeg en al haar fraaie kleeren verdwenen.Haar wandeling door het bosch verfrischte haar heerlijk en zij had een genotvol uurtje, toen ze haar vader alles vertelde van dezen merkwaardigen dag; maar het gelukkigste oogenblik was nog, toen zij in haar eigen klein kamertje naar bed ging, met het dierbare kindje vast slapend in haar arm, en dewinterkoninkjesbuiten tusschen de rozen elkaar vertelden, hoeveel goed de omgang met hun lieve, verstandige Bruintje op den duur het Prinsesje zou doen.Toen viel Betty in slaap, en droomde heerlijke droomen, van de maan, die haar met een vriendelijk gezicht, gelijkende op de Koningin, toelachte, en van haar vader, even mooi en fier uitziend als de Koning, met zijn bijl over zijn schouder en het groote wilde zwijn dood aan zijne voeten; en van Bonnibelle, bloeiend, vroolijk en sterk, werkend en spelend met haar, als een zusje in het boschhutje, terwijl al de vogels vroolijk zongen:„Bonnibelle! lief Prinsesje!’k Heb voor u een aardig lesjeEen geheim voor ieder kind,Dat wel graag wil zijn bemind:Als een bloempje kan zij zijn.Lieflijk, lachend, frisch en rein,Dat, door zonneschijn en regen,Kracht en wasdom heeft gekregen,Dat niet voor zich zelf slechts leeft,Maar met blijdschap alles geeft:Voor een elk haar balsemgeuren,Troost en vreugd aan hen, die treuren,Honig aan de nijvre bij,Aan de zieken medelij,Aan den zomer kleur en glansen,Kindren iets om meê te dansen.Lelies blank en rozen rood,Arm en rijk en klein en groot,Schoon, onschuldig en tevreden,Kunnen overal, nog heden,In een hut en in paleizenZulke bloemekens verrijzen;Als maar ’t harte is van goud,Niet hoovaardig, stug of koud,Maar vrijmoedig enrechtvaardig,Dapper, eerlijk, lief en aardig.Mist ze dàt, geen bloem is schoon,Hoeveel glans zij spreid’ ten toon.Bonnibelle! lief Prinsesje!Dit is ons geheim, ons lesje.”
Zij was niet wezenlijk bruin, maar een klein meisje, Betty genaamd, dat met haar vader in een hutje bij ’t bosch woonde. Zij waren arm en daardoor had Betty altijd hetzelfde bruine jurkje aan, een grooten bruinen stroohoed op en, omdat ze veel aan zon en lucht blootgesteld was, was ook haar gezichtje gebruind, hoewel zij er lief uitzag, met haar blozende wangen, donkere oogen en in den wind fladderende krullen.
Zij was een levendig schepseltje, en daar zij geen buren had, knoopte zij vriendschap aan met de vogelen, de bloemen, de eekhoorntjes en konijnen, en wist zich met deze goed te vermaken, want die allen kenden haar en hadden haar lief.
Vele lieden reden door dat mooie bosch, niet ver verwijderd van het paleis van den Koning, en wanneer zij het kleine meisje zagen dansen in de wei bij de madeliefjes, of eekhoorntjes in de boomen najagen, of in de beek plassen, of onder haar breedgeranden hoed zitten, als een groote beweegbare paddestoel, dan zeiden ze: „Kijk, daar is Bruintje.”
Betty was schuw en verlegen, en trachtte altijd zich te verschuilen, als iemand haar riep; het was grappig, haar dan te zien verdwijnen in een hollen boom, of wegkruipen in het hooge gras, of als een verschrikt konijntje tusschen de varens te zien wegschuilen. Zij was bang voor die mooie dames en heeren, die om haar lachten en haar bij allerlei namen noemden, maar nooit een van allen er aan dachten, eens een boekje of stuk speelgoed voor haar meê te brengen, of een vriendelijk woordje te spreken tot het eenzame meiske.
Haar vader had de zorg voor de herten in het park van den Koning, en was den geheelen dag op het pad, en liet Betty alleen achter, om het huisje schoon te houden, het bruine brood te bakken, en het witte koetje te melken, Dea geheeten, dat in het schuurtje achter de hut woonde en Betty’s liefste vriendin was. Zij hadden geen weide, om haarin te laten grazen; als Betty dus haar werk gedaan had, nam ze haar breiwerk meê en dreef ze Dea den weg langs, waar het beestje aan beide zijden overvloed van gras kon eten en dan in de schaduw van een boom gaan liggen uitrusten. Onderwijl deed het kleine meisje dan allerlei spelletjes met haar speelmakkertjes, de dieren en bloemen uit het bosch; of lag zij naar de wolken te kijken, of schommelde op boomtakken, of liet takjes en blaadjes als scheepjes in de beek zeilen. Zij was gelukkig, maar toch verlangde zij wel eens naar iemand, om meê te praten, en trachtte zij te vergeefs de liedjes te leeren, die de vogels den ganschen dag door zongen. Er nestelden veel vogels rondom het hutje; want niemand verstoorde ze ooit, en zij waren zoo mak, dat ze uit hare hand aten, en op haar schouder kwamen zitten.
Boven op hun dak huisde een ooievaarsfamilie, onder de balken hechtten zwaluwen hun nestjes van klei, en winterkoninkjes zaten te piepen in hun nesten, tusschen de roode en witte rozen, die tegen den muur op klauterden, om in Betty’s raam te kunnen kijken.
Woudduiven kwamen het graan oppikken, dat zij voor hen strooide, leeuwerikken vlogen zingend op uit het gras aan den weg en zij werd door de nachtegalen in slaap gezongen.
„Kon ik maar verstaan wat zij zeggen, dan konden wij zooveel pret met elkaar hebben. Maar wie zal mij hun taal leeren?” zuchtte Betty eens op een avond, toen zij bij zonsondergang de koe naar huis dreef.
Zij ging toen door het bosch, en terwijl zij sprak, zag ze een grooten grijzen uil op den grond tuimelen, alsof hij niet vliegen kon. Zij liep er terstond naar toe, om te zien wat het beest scheelde en was volstrekt niet bang, hoewel het dier haar met zijn ronde oogen boos aankeek, en met zijn krommen snavel trachtte haar te pikken.
„Arm beestje, zijn poot is kapot,” zeide zij en bedacht, of zij er ook iets aan kon doen.
„Neen, dat is het niet; mijn vleugel is gebroken. Ik leunde over den kant van mijn nest, om naar een veldmuis te kijken, en toen verblindde een zonnestraal mij zoodanig, dat ik er uit viel. Neem mij maar van den grond op en zet mij weer in mijn nest, dan zal ’t wel weêr in orde komen.”
Betty was zoo verbaasd den uil te hooren spreken, dat ze geen voet verzette; en meenende dat zijn knorrige toon haar verschrikt had, zeide de grijze vogel op vriendelijker toon, met een veelbeteekenend knikje en knipoogje van zijn gele kijkers:
„Tot iedereen zou ik niet spreken, en ook niet licht een ander kind vertrouwen; maar ik weet, dat gij nooit iets of iemand kwaad doet. Reeds lang heb ik u nagegaan en ik houd van u; daarom wil ik u beloonen, door u de vervulling van uw laatsten wensch te geven, welke die ook zijn moge. Dat kan ik; want ik ben een toovenaar en ken allerlei tooverkunsten. Zet mij weer in mijn nest en zeg mij uw wensch, en die zal vervuld worden.”
„O! dank u,” riep Betty vol vreugde. „Mijn wensch was juist te verstaan wat de vogels zeggen.”
„Och heden! juist die wensch is niet licht te vervullen; toch zal het geschieden, als gij belooft aan niemand te vertellen, hoe gij achter het geheim zijt gekomen. Ik wil niet graag dat er meer menschen met dat verzoek tot mij komen, en mijn buren zouden het niet aangenaam vinden, als hun praatjes door allerlei ooren verstaan werden. Wat u betreft, zullen zij daartegen geen bezwaar hebben, en het zal u vermaken, arm kind!” zeide de uil na eenig nadenken.
Betty beloofde stilzwijgendheid, en den dikken vogel zorgvuldig in haar arm houdend, klom zij in den ouden eik en zette hem veilig in zijn holletje, waar hij zich weêr nestelde en zijn veêren glad schudde, blij weêr thuis te zijn.
„Trek nu van mijn rechteroor het grootste pruikje dons en stop het in uw eigen oor, dan zult gij kunnen verstaan wat de vogels zeggen. Goeden nacht; nu ben ik doodmoê en heb behoefte aan rust,” zeide de uil met een geeuw.
„Dank u zeer,” zeide Betty en liep schielijk Dea achterna, die al grazend langzaam huiswaarts stapte.
Het pluisje dons zat in Betty’s oor, en terstond hoorde zij hoe verschillende lieve stemmetjes elkaar toeriepen: „Goeden nacht!” „Droom plezierig!” „Een helderen morgen!” „Stil, mijn hartjes, gaat nu slapen tot den dageraad,”—en meer lieve woordjes van dien aard, terwijl de vogels van het woud met de zon ter ruste gingen. Toen zij het hutje naderde, stond papa ooievaar op één been, terwijl demoeder de kleintjes onder haar vleugels toedekte, en nu en dan een hartig woordje zeide, als er nog een rood snaveltje of een pootje te voorschijn kwam. De duifjes koerden teeder in den denneboom, die boven haar hoofd ruischte, de zwaluwen zweefden over den grond, om hun jongen nog als avondeten een paar mugjes te kunnen brengen, en de winterkoningjes babbelden tusschen de rozen, als hadden ze elkaar nog veel te vertellen.
„Nu kan ik dus te weten komen wat zij allen zeggen,” riep Betty, en trachtte al die stemmen te onderscheiden, wat haar nu in ’t begin nog moeite kostte. Toen molk zij haar koetje, dekte de tafel, en maakte alles in orde voor haar vader, die dikwijls laat thuis kwam, gebruikte daarop haar brood met melk zittend op de stoep, en luisterde onderwijl uit al haar macht. Zij strooide altijd kruimels voor de vogels en onbevreesd kwamen zij die oppikken. Ook thans kwamen zij en Betty verstond alles wat zij ondertusschen keuvelden.
„Lievert, hier is een mooi zacht stukje voor u,” zeide de vader, en liet onder ’t rondtrippelen zijn oog met welgevallen op het meisje rusten. „Eet gij dit maar op, terwijl ik de kinderen te eten geef. Ons meiske vergeet ons nooit en spaart mij menige groote reis uit, doordat zij ons die heerlijke kruimels geeft. Ik wou dat wij voor haar ook eens wat doen konden.”
„Ik ook, ik tob mij letterlijk af, om iets uit te vinden, waarmeê wij haar genoegen zouden kunnen doen. Dikwijlsverbaas ik mij erover, dat het Prinsesje ginds in het paleis zooveel heeft, en onze lieve Betty zoo weinig. Een paar van die boeken of stukken speelgoed, die dáár in overvloed ongebruikt liggen, zouden dit kind zoo gelukkig maken. Het is jammer, dat niemand daaraan denkt.” Dit zeggende zuchtte mama Winterkoning en pikte een kruimeltje vlak bij Betty’s bloote voetje. „Als ze maar niet zoo verlegen was en wilde toelaten, dat de menschen haar aanspraken, zou ze wel spoedig veel vrienden maken, omdat zij zoo vroolijk en vriendelijk is,” antwoordde de vader, die juist een nieuwe lading kwam halen voor zijn hongerige kinderen in het nest.
„De Prinses heeft al van haar en hare behoeftigheid hooren spreken, en wenscht haar zelf te zien.Vandaag, toen ik onzen neef Mees in den paleistuin een bezoek kwam brengen, hoorde ik de dienstboden erover spreken. Zij zeiden, dat Hare Hoogheid plan had morgen vroeg in het dennenbosch te komen toeren om een luchtje te scheppen, en dat zij dan hoopte Bruintje en het mooie witte koetje te zullen zien.
„Als Betty dat nu maar wist, dan zou zij een ruikertje madeliefjes en paardenbloemen kunnen plukken, en dat aan het Prinsesje geven, wanneer zij kwam. Dat zou haar zeker genoegen doen en Betty ook licht een presentje bezorgen; want Hare Hoogheid is heel goedhartig, al wordt ze ook droevig bedorven, vrees ik.”
Dit mooie plannetje lachte Betty zoo toe, dat zij erover in de handen klapte en daardoor de vogels verjaagde.
„Dat zal ik doen! Ja, dat zal ik doen!” juichte zij. „Ik heb al zoolang verlangd het Prinsesje te zien, waarvan vader mij verteld heeft. Zij is ziekelijk en kan niet loopen en spelen zooals ik; ik zou haar dus dolgraag een pleziertje doen en de paardenbloemen en madeliefjes bloeien al. Ik zal vroeg uitgaan en een hoed vol plukken en niet wegloopen, als zij aankomt.”
Zoo vervuld was Betty van dit heerlijke plannetje, dat zij vroeg naar bed ging, maar toch vergat ze niet nog eerst eens uit haar venstertje te kijken, tusschen de rozen door, naar het nestje, waarin mama Winterkoning op hare kleintjes paste, terwijl de papa in de nabijheid op één poot zat, met zijn kop onder zijn vleugel.
„Goeden nacht, lieve vogeltjes; ik ben u heel dankbaar,” fluisterde Betty; maar zij letten niet op haar en sliepen voort, alleen soms even een geluid makend, alsof zij droomden.
Des morgens vroeg zongen de leeuweriken, uit het gras opvliegend, en wekten Betty met hun lieve stemmetjes:
„Opstaan, lieve meidWant de dag begon;Zing met ons een liedVoor de heldre zon!”
„Opstaan, lieve meid
Want de dag begon;
Zing met ons een lied
Voor de heldre zon!”
En de kleintjes piepten:
„Kom ’t is dag, mama!Krijg ik wat te bikken?Ga dan gauw, papa,Breng ons wat te pikken.”
„Kom ’t is dag, mama!
Krijg ik wat te bikken?
Ga dan gauw, papa,
Breng ons wat te pikken.”
terwijl ze hun bekjes zoo wijd mogelijk opensperden.
De ooievaars vlogen op, met hun lange beenen achter hen aanslepend, en riepen daarbij:
„Weder is een dag gekomen,Over velden, heuvels, boomenWillen wij de vleugels kleppen,Om voor onzer kindren sneppenOveral, in alle hoeken’t Beste voedsel te gaan zoeken.”
„Weder is een dag gekomen,
Over velden, heuvels, boomen
Willen wij de vleugels kleppen,
Om voor onzer kindren sneppen
Overal, in alle hoeken
’t Beste voedsel te gaan zoeken.”
De kleintjes staken hun kopjes omhoog en staarden naar de zon.
De grijze kippetjes liepen te pikken bij de schuur en kakelden:
„Tok, tok, tuk!Wat geluk:Tweemaal één is twee.Raad eens wat ik deê:’k Lei voor allebeiElk een kersversch ei.”
„Tok, tok, tuk!
Wat geluk:
Tweemaal één is twee.
Raad eens wat ik deê:
’k Lei voor allebei
Elk een kersversch ei.”
en de haan stond erbij luid te kraaien:
„Kukelekukeleku!Neem uw badje nuIn de frissche dauw;Want de lucht is blauw.”
„Kukelekukeleku!
Neem uw badje nu
In de frissche dauw;
Want de lucht is blauw.”
En de duifjes trippelden rond op haar kleine rose pootjes, trekkebekten en koerden, al buigende:
„Koekeroe! koekeroe!Door het dennengroenSchijnt de nieuwe dag.Geef nu elk een zoen!Koekeroe, dat mag!”
„Koekeroe! koekeroe!
Door het dennengroen
Schijnt de nieuwe dag.
Geef nu elk een zoen!
Koekeroe, dat mag!”
Betty stond aan ’t venster te luisteren en was zoo gelukkig, dat zij de roosjes kuste, die haar toeknikten; daarop liep zij naar beneden om meelbrei te koken voor ’t ontbijt, zelf als een vogeltje kweelende.
Toen haar vader naar zijn werk was, haastte zij zich Dea te melken, den vloer aan te vegen en den boel netjes op te knappen, vóór zij ’t Prinsesje ging opwachten.
„Eet gij nu hier uw ontbijt maar, terwijl ik de bloemetjes ga plukken; want dit is een prettig plekje voor u; en ik wil graag, dat gij er goed uitziet, als de deftige menschen komen,” zeide Betty en zij liet haar koetje grazen op een schaduwrijk plekje naast den weg, waar het gras welig groeide en een oude eik de zonnestralen opving.
De paardebloemen waren allen open, als gouden sterren, en Betty maakte daarvan met eenige madeliefjes een frischruikertje, besprenkelde dat goed met water en stopte het in haar hoed. Daarop ging zij ijverig zitten breien op een omgehakten boomstam, nadat zij het rustig herkauwende koetje nog met een krans van eikenbladeren den nek versierd had.
Ze behoefden niet lang te wachten. Spoedig hoorde zij hoefgetrappel, en langs den boschweg kwamen de twee witte ponies, de manen schuddend, en achter hen aan het aardige rijtuigje, met koetsier en palfrenier in blauw met zilver, en erin het Prinsesje, met witte pluimen op haar hoed, gezeten naast hare kindermeid, en gewikkeld in een warmen zachten mantel, want de zomerlucht was haar anders ’s morgens te koel.
„O! daar is Bruintje met haar mooie witte koetje! Zeg haar nu toch, dat ze niet moet wegloopen, want ik wil haar graag goed zien, en haar hooren zingen,” riep het Prinsesje vol ijver, toen zij nader kwamen.
Betty was wel een beetje bang, maar liep toch niet weg; want de kindermeid was een vriendelijk uitziend oud mensch, met een hooge boerinnenmuts op, dat haar met een moederlijken blik toeknikte en heel tevreden scheen, toen Bruintje het ruikertje ophield en zeide:
„Wil de jongejuffrouw deze hebben?”
„O ja! heel graag. Ik heb nog nooit zoo’n mooie bouquet paardenbloemen gehad. Hoe prachtig! Dankje wel, Bruintje,” riep het Prinsesje en lachte van pret, met haar beide handen vol bloemen.
„Ik heb ze allemaal voor u geplukt. Ik heb er zooveel en ik hoorde u erom vragen,” zeide Betty, heel blij, dat zij niet weggeloopen was en zoo het ritje bedorven had voor de kleine Prinses.
„Hoe wist ge dat?” vroeg het Prinsesje en keek haar verwonderd aan.
„Dat hebben de vogels mij verteld,” zeide Betty.
„O ja! Ik vergat, dat zulke boschmeisjes, als gij, verstaan kunnen wat de vogels zeggen. Ik kan alleen mijn papegaaien verstaan, andere vogels niet. Zoudt gij mij kunnen vertellen wat zij zeggen?” vroeg het Prinsesje, met een ernstig gezichtje, zich uit haar rijtuig voorover buigend, want zij had veel schik in al wat nieuw voor haar was.
„Ik denk het wel, als tamme vogels zingen evenals de wilde,” antwoordde Betty, niet weinig trotsch, dat zij meer wist dan het rijke meisje.
„Ge moet in het paleis komen en mij dat vertellen; toe, kom terstond, want wachten kan ik niet. Mijn kanarie zingt den heelen dag, maar ik versta er niets van, en dat wil ik toch. Zeg, dat ze komen moet, Juf,” beval het Prinsesje, dat altijd gewoon was haar zin te krijgen.
„Kunt gij?” zeide de oude vrouw. „Wij zullen u van avond terugbrengen. Hare Hoogheid heeft er haar zinnen op gezet u meê te nemen, en wij zullen u ervoor betalen.”
„Ik kan Dea niet verlaten; wij hebben geen wei om haar in te zetten en ik kan haar niet in de schuur opsluiten, danzou zij den geheelen dag om mij roepen,” antwoordde Betty, die wel veel lust had om meê te gaan, maar toch haar koetje geen armoê wilde laten lijden.
„Zet uw koe maar dáár in die wei; ik geef u verlof. Dat land behoort mij allemaal toe en niemand zal er wat tegen te zeggen hebben. Doe dat!” zeide de Prinses en wenkte met haar hand den lakei, die van den wagen sprong en Dea in het groote klaverveld liet, vóór Betty er iets tegen doen kon.
„Dat zal mijn beestje wel heerlijk vinden; en nu kan ik wel met u meêgaan, als ’t u niet schelen kan, dat ik zoo’n oude jurk en hoed heb,—ik heb geen andere kleêren,” zeide zij, terwijl de koe reeds begon te eten van de klaver, en de lakei ’t portier van ’t rijtuigje voor haar open deed.
„O! dat vind ik juist aardig.—Kom er maar gerust in.—En nu terstond naar huis,” beval het Prinsesje; en weldra toerde onze arme kleine Betty in het deftige rijtuig, met een gevoel alsof het niet waar kon zijn.
Het prinsesje deed allerlei vragen en kreeg hoe langer hoe meer schik in haar nieuwe vriendinnetje; want zij had nog nooit in haar leven een woord gewisseld met een arm kind, en dus geenerlei besef, hoe die lieden leefden. Betty was opgewonden door dit buitenkansje, en zoo vroolijk en lief in haar eenvoudige manieren, dat de oude kindermeid weldra vergat op te letten, of zij ook iets verkeerds deed of zeide.
Toen ze stilhielden voor het groote marmeren paleis, dat schitterde in de zon, met prachtige groene lanen enbloembedden en terrassen er om heen, kon Betty slechts met ingehouden adem al ’t moois aanstaren, vooral ook toen zij door schitterende gangen en portalen, langs breede trappen, binnengeleid werd in een kamer vol mooie dingen, waar zes vroolijk gekleede dienstmeisjes samen zaten te naaien en te babbelen.
De Prinses moest nu gaan rusten, maar Betty werd verzocht te blijven en zich te laten verkleeden, alvorens zij met Hare Hoogheid ging spelen.
De kamer was vol doozen en kasten en manden en toen de deuren open en de deksels eraf kwamen, zag Betty een massa mooie jurken, hoeden, mantels en allerlei fraaiigheden voor kleine meisjes om te dragen. Nooit in haar stoutste droomen had zij zich zooveel schoone dingen en kleêren kunnen voorstellen, van kant, lint, zijde en fluweel. Hoeden met bloemen en veêren, aardige blauwe en rose schoentjes met gouden en zilveren gespjes, zijden kousjes, zoo fijn als spinrag, neteldoeksche en batisten rokjes en nachtponnetjes en mutsjes met fijne borduursels, alsof geen menschenhanden ze zoo hadden kunnen maken.
Als in een droom stond zij te kijken, terwijl de meiden haar op vriendelijke wijze ontdeden van haar bruine hoedje en jurkje, en, na lang beraad over wat haar het beste zou staan, haar eindelijk een rose neteldoeksch japonnetje aantrokken, benevens nette schoenen en kousen en een stroohoedje met roosjes er op. Toen daarbij haar lokken tot dikke bruine krullen waren gladgestreken, zeiden zehaar, dat ze eens in den grooten spiegel moest kijken en zeggen wat zij er in zag.
„O, wat een sierlijk meisje!” riep Betty, en glimlachte en knikte tegen het meisje in den spiegel, dat hetzelfde deed tegen haar. Zij herkende zich zelf niet, daar ze nooit haar beeld anders weerkaatst had gezien, dan in een stilstaanden plas, of in de beek langs de weide.
De dienstmeisjes lachten, en toen begreep zij, dat zij ’t zelf was, en lachte met haar en danste en maakte nijgingen en was heel vroolijk, totdat er gescheld werd en men haar beval naar de Prinses te gaan.
Zij vond deze in een prachtige kamer, de wanden behangen met blauwe zijde en kant, een glanzig zilveren ledikantje, blauw damasten stoelen en sofa’s, schilderijen aan den muur en bloemen aan alle vensters en vergulde kooien met aardige vogeltjes er in.
Op een kussen zat een witte kat te slapen; een snoepig klein hondje, met een gouden halsbandje met bellen om, trippelde er rond en op alle tafels lagen boeken en speelgoed uitgespreid.
Het Prinsesje knorde tegen de oude kindermeid, omdat deze haar nog langer wilde laten slapen, na haar rijtoertje; maar toen Betty binnenkwam, met haar nieuwe kleêren en haar vroolijke gezichtje, veranderde ook bij haar de frons in een glimlach, en riep zij:
„O! wat ziet gij er nu netjes uit! Nu zijt ge niet langer Bruintje; maar ik hoop toch, dat ge de taal der vogels nog niet vergeten hebt.”
„Neen,” zeide Betty; „laat mij maar even luisteren en dan zal ik u vertellen wat zij zeggen.”
Beide zwegen dus en de kindermeid en de andere gedienstige hielden zich zoo stil als muizen, terwijl de kanarie zijn schelle tonen liet hooren, en Betty’s gezicht betrok, bij het hooren daarvan.
„Hij zegt dat hij genoeg heeft van zijn kooi en verlangt vrij te zijn bij de andere vogels; want een boom is voor hem een betere woning dan een gouden paleis en een kruimeltje in het bosch smaakt hem beter, dan al de klontjes suiker in zijn zilveren bakje. Hij zingt: „„Laat mij vrij! laat mij vrij! of mijn hart zal breken!”” Dat is de inhoud van zijn lied en het roodborstje zingt hetzelfde; en ook de vinkjes en dat fraaigekleurde andere vogeltje, dat ik niet ken.”
„En wat zegt Polly? Als hij praat, kan ik hem wel verstaan, maar niet, als hij zoo bij zich zelf zit te brommen en te babbelen, zooals hij nu doet,” zeide het Prinsesje, zeer verbaasd over wat ze gehoord had; want zij dacht, dat haar vogeltjes overgelukkig moesten zijn in zulke sierlijke kooitjes, met lekkere hapjes.
Betty luisterde naar den grooten rood-groen-en-blauwen papegaai, die op een stokje zijn kop zat te schudden, en bij zich zelf grinnikte, alsof hij een goede grap hoorde. Weldra kreeg Betty een kleur en begon zij te lachen, daar ’t geen zij hoorde haar vermaakte, maar tevens verlegen maakte; want de vogel praatte en knikte nu tegen haar op koddige wijze.
„Nu, wat zegt hij dan?” vroeg het Prinsesje ongeduldig.
„Och! vraag mij dat maar niet. Ge zult het niet prettig vinden dat te hooren. Ik kan het u heusch niet overbrengen,” zeide Betty nog lachend en blozend.
„Gijmoethet mij vertellen, anders laat ik Polly den nek omdraaien.Ikverkieselk woord te weten, dat hij gezegd heeft, en opuzal ik niet boos zijn, wat ook die lastige vogel moge gezegd hebben,” beval het Prinsesje.
Betty had geen lust te gehoorzamen, maar begon toch, uit vrees dat anders toch de papegaai zou gestraft worden. „Hij zegt: „„Ziezoo, daar hebben we nu een nieuw lievelingetje voor Hare Hoogheid om te plagen. Een lief, mooi meisje! Het is jammer, dat zij gekomen is, om een paar dagen lang aangehaald en gevierd te worden, en daarna weggesmeten, of vertrapt als een oude pop. Het arme kind, zij vindt nu alles hier heel mooi; maar als zij alles wist, weet ik zeker, dat zij zou wegloopen, en nooit weêrom komen; want een knorriger, meer bedorven kind dan Hare Hoogheid bestaat er niet.”””
Betty durfde niet verder gaan, want het prinsesje keek heel boos; en de meid ging een klap geven aan Lorre, die echter met een lachje naar haar vinger beet en nog luider krijschte:
„„Ja! dat is ze inderdaad! en achter haar rug zegt gij allen dat ook.Ikken uwe sluwe manieren wel. Gij prijst en vleit haar, en zegt dat zij ’t liefste meisje ter wereld is, terwijl gij weet, dat dit eenvoudige, lieve boschmeisjemeer waard is, dan een dozijn dwaze, heerschzuchtige prinsessen. Ha! Ha! Ik ben niet bang om de waarheid te zeggen, ben ik wel, Betty?””
Betty schrikte letterlijk en kon toch niet laten te lachen, toen de stoute vogel haar toewenkte, onderste boven hangend met zijn krommen bek half open en zijn schitterende vleugels kleppend.
„Ga voort! ga voort!” riep het Prinsesje uit nieuwsgierigheid haar boosheid vergetend.
Betty moest haar dus verder vertellen en was heel blij, toen Bonnibelle ook begon te lachen, en per slot plezier had in de waarheid, op zoo koddige wijze verteld.
„Zeg hem maar, dat gij weet wat hij zegt, en vraag hem, om als hij toch zoo wijs is, mij te zeggen, wat ik doen moet, om zoo braaf te worden als gij,” zeide het Prinsesje, dat geen kwaad hart had, en wist, dat zij veel te veel geliefkoosd en geprezen werd.
Betty zeide dus tegen den papegaai, dat zij zijn taal verstond, en hij was zoo verbaasd, dat hij terstond rechtop op zijn stokje ging zitten, en haar aanstaarde, vol vuur zeggend:
„„Och toe! laat mij niet bestraft worden, omdat ik de waarheid gezegd heb. Ik kan mijn woorden niet terugnemen, en daar gij mijn raad vraagt, denk ik, dat het beste, wat gij voor Hare Hoogheid doen kunt, zijn zou, haar met u van plaats te laten verwisselen, teneinde te leeren vergenoegd, nuttig en gelukkig zijn. Zeg haar dat, compliment van mij.””
Betty durfde haar deze boodschap haast niet over te brengen; maar Bonnibelle had er schik in, want zij klapte in hare handjes en riep:
„Dat zal ik aan Mama vragen. Zoudt gij ’t wel willen doen, Bruintje, en een prinses worden?”
„Neen, dank u, liever niet,” zeide Betty. „Ik zou mijn vader en Dea niet kunnen verlaten, en ik ben ook niet geschikt, om in een paleis te leven. Het is alles wel prachtig, maar ik geloof toch, dat ik ons kleine huisje en het bosch en mijn vogels liever heb.”
De juf en de meid sloegen een gat in de lucht van verbazing over zoo’n denkbeeld; maar Bonnibelle scheen het te begrijpen, en zij zeide vriendelijk:
„Ja, ik vind ook, dat het hier vervelend is, en veel prettiger buiten, om te doen wat men verkiest. Mag ik wel eens bij u komen en met u spelen, en van u leeren om te zijn zooals gij, lieve Betty?”
Zij keek een weinig droevig, terwijl zij sprak, en Betty had medelijden met haar, en antwoordde dus met een blijden glimlach:
„O ja! dat zal heerlijk zijn. Kom gij wat bij mij, en dan zal ik u al mijn speelmakkertjes laten zien, en dan moogt gij Dea melken, en de kippen voeren en de konijntjes en tamme jonge hertjes zien en in het veld met de madeliefjes loopen en paardebloemen plukken en bruin brood en melk eten uit mijn mooiste blauwe kommetje.
„O ja, en een bruin jurkje en een grooten bruinen hoedhebben, evenals gij, en houten klompjes, die zoo’n leven maken op den vloer, en dan leeren breien en boomen klimmen en verstaan wat de vogels zingen!” voegde Bonnibelle er bij, zoo verrukt over het plannetje, dat zij van haar rustbedje afsprong en begon rond te huppelen, zooals zij in langen tijd niet gedaan had.
„Nu moet ge mijn speelgoed eens komen zien, en uitzoeken wat gij er van wilt hebben; want ik houd veel van u, lieve, omdat gij mij nieuwe dingen vertelt, en niet gelijkt op de malle heertjes en juffertjes, die soms bij mij op bezoek komen, en die niets doen dan kibbelen, of als pauwen op en neêr stappen, tot ik meer dan genoeg van ze heb.”
Bonnibelle sloeg haar arm om Bruintje heen en geleidde haar naar eene lange gang, zoo vol speelgoed, dat het wel een speelgoedwinkel geleek.
Poppen waren er bij dozijnen, poppen, die konden praten, zingen, loopen en slapen, prachtige dametjes, grappige hansworsten, groote en kleine poppenkoninginnen en zuigelingetjes, poppen van alle volken en provincies. ’t Was een éénige verzameling van alle verscheidenheden en Betty kon hare oogen niet verzadigen, want zij had een echt meisjeshart, vol liefde voor poppen, en toch had zij nooit een haar eigen mogen noemen.
„Ge kunt er gerust van nemen zooveel ge verlangt,” zeide Bonnibelle. „Ik geef er niet meer om.”
Het deed Betty letterlijk versteld staan, te denken, dat zedesverkiezende een dozijn poppen kon meênemen. Maar zij besliste wijselijk, dat één genoeg was, en koos een wiegje met een lief klein bakerkindje er in, met blauwe oogjes, die zich sluiten konden, en blonde haartjes, die onder het mutsje uit kwamen kijken. Het zou haar moederlijk hartje verkwikken, als dit kleine lievelingetje bij dag in haar armen kon rusten, en ’s nachts naast haar slapen, en haar gezelschap houden in het eenzame hutje; want het popje kon heel natuurlijk „Mama” zeggen, en Betty gevoelde, dat het haar steeds een genot zou blijven, zich bij dien dierbaren naam te hooren noemen.
Zij kon zich haast niet losscheuren van het wiegje, om de andere schatten te gaan bekijken; maar zij liep op en neêr met Bonnibelle, en bewonderde alles wat zij zag, totdat Juf haar kwam waarschuwen dat het koffietijd was en dat Hare Hoogheid thans niet meer mocht spelen.
Betty wist niet recht, hoe ze zich houden moest, toen zij aan een sierlijk gedekte tafel gezeten was, met een knecht achter haar stoel en allerlei fraai porselein en glaswerk en zilver vóór haar.
Zij keek maar goed naar Bonnibelle, wat die deed, en wist zich zoo te redden, en at perzikken, en koekjes, en room, en fijne witte broodjes, en suikergoed, alles met evenveel smaak. De gebraden vogeltjes op den zilveren schotel wilde zij niet proeven, hoe lekker ze ook geurden, maar ze zeide op droeven toon:
„Neen, dank u, mijnheer; mijn vriendjes zou ik niet kunnen opeten.”
De lakei deed zijn best niet te lachen; maar het Prinsesje schoof toen ook haar bord weg en zeide op ernstigen toon:
„Nu wil ik ze ook niet meer opeten. Geef mij wat abrikozengelei en een stukje knapkoek. Nu ik meer weet omtrent de vogels en wat zij omtrent mij denken, zal ik hen ook zorgvuldiger behandelen. Gij moet mij nooit meer vogeltjes opdisschen.”
Na het maal gingen de kinderen naar de boekenkamer, waar al de mooiste prentenboeken, die ooit gedrukt werden, op de planken, laag bij den grond, uitgestald waren en gezellige stoeltjes in alle hoeken stonden, waarin men lust zou hebben den geheelen dag sprookjes te zitten lezen. Betty sprong op van blijdschap, toen haar nieuwe vriendin een stapeltje van de prettigst uitziende boekjes voor haar uitzocht, om meê naar huis te nemen. Toen gingen zij naar de muziekkamer, waar eenige muzikanten een stuk speelden en waar het Prinsesje danste met haar meester, op een plechtige wijze, die Betty heel dwaas voorkwam.
„Nu moet gij ook dansen. Ik heb gehoord, dat gij ’t heel mooi doet; want eenige heeren en dames hebben u in ’t bosch met de madeliefjes zien dansen en gezegd, dat het ’t mooiste ballet was, dat ze ooit gezien hadden. Gij moet! Neen, doe het als’t ubelieft, lieve Betty,” zeide Bonnibelle eerst bevelend, maar toen gedachtig aan ’t geen de papegaai gezegd had, sprak zij meer zacht en vriendelijk.
„Ik kan niet hier, waar menschen bij zijn. Ik ken geenpassen en heb bloemen noodig, om meê te dansen,” zeide Betty.
„Kom dan meê op het terras, daar zijn bloemen in overvloed in den tuin; en de dansles verveelt mij,” antwoordde Bonnibelle, en ging door een van de openstaande glazen deuren in de met marmer bevloerde breede veranda, waarheen Betty al lang lust had te gaan.
Op de treden zaten verscheidene pauwen, die terstond hun prachtige staarten uitspreidden en voor de kinderen begonnen heen en weêr te stappen, en onder een krijschend geluid de pluimen van glanzige veêren op hun koppen te schudden.
„Wat zeggen zij?” vroeg het Prinsesje.
„„„Daar komt nu het ijdeltuitje aan, dat zich verbeeldt mooier kleêren te hebben dan wij, en dat gaarne daarmeê pronkt bij armeren dan zij. Wij bewonderen haar niet, met haar trotsche manieren, want wij weten, hoe dwaas zij is, ondanks haar fraaie veêren.”””
„Ik wil niet langer luisteren naar de ruwe taal van deze slechte vogels, en ik wil ook niet hun prachtige staarten prijzen, zooals ik eerst van plan was. Voort! pronkzieke beesten! niemand heeft u hier noodig,” riep Betty, en joeg de pauwen van het terras af, terwijl het Prinsesje hartelijk lachte, ziende hoe zij hun staarten neêrhaalden en met luide kreten angstig wegslopen.
„Het is waar. Ik ben ijdel en dwaas geweest; maar niemand durfde mij dat ooit te zeggen, en nu zal ik trachten mijn leven te beteren, nu ik zie, hoe dwaas hetstaat van die vogels en hoe lief uw eenvoud is,” zeide zij, toen Betty weêr naar haar toe trippelde.
„Nu zal ik eens als een pauw voor u dansen. Kijk maar of ik hen niet goed nadoe!” zeide Betty, hield haar rose rokje omhoog, schudde haar hoofdje en lichtte haar voetjes op, zóó eender als de pauwen, dat Juf en de meid, die mee naar buiten gegaan waren, even hartelijk lachten als Bonnibelle.
Het was heel grappig en toen zij het pronken en trotsch loopen van de pauwen nagedaan had, liet Betty plotseling haar rokje zakken en liep haastig weg, haar armen zwaaiend als vleugels en hun onwelluidend gegil nabootsend.
Zij wilde graag het Prinsesje vermaken, en haar de harde woorden doen vergeten, die zij genoodzaakt was geweest haar over te brengen; toen ze bij haar terugkwam, was ze dus blij, haar heel vroolijk te vinden en vol lust in meer grapjes.
„Nu zal ik den tulpendans doen,” zeide Betty en begon mooie nijgingen te maken tegen een bed vol prachtige bloemen, goud en rood, rose en wit, en de tulpen schenen weerkeerig voor haar te buigen, als heeren en dames op een bal. Zij nam een paar tulpen, en zelden werden zulke sierlijke wuivingen, nette stapjes en bevallige wendingen gezien, als Betty nu vertoonde; want zij deed haar best na te doen, hoe de tulpen door den wind heen en weêr bewogen werden en het menuëtje, dat zij danste, was aardiger, dan men er ooit een aan het hof had zien dansen.
„Verwonderlijk!” zeide de meid. „Ze lijkt wel een echte toovernimf,” zeide de oude Juf.
„O! nog meer dansen! als ’t u belieft, dans nog meer!” riep het Prinsesje, en klapte in de handen, toen Betty ten afscheid een diepe nijging voor haar maakte en glimlachend voor haar stond.
„Nu zal ik u den winddans laten zien; die is heel vroolijk en deze marmeren vloer is zoo glad en effen, dat ik een gevoel heb, alsof er vleugels aan mijn voeten zitten.”
Daarop begon ze heen en weêr te fladderen als een blaadje, door den wind bewogen; dan eens liep ze het terras vlug af, als had een harde windvlaag haar voortgedreven, dan weêr stond zij stil, slechts zachtjes wiegelend, als in een koeltje, dan stoof ze weêr weg, als door een rukwind voortgestuwd en draaide dan weêr in de rondte, als een rozenblaadje op den grond. Eens fladderde zij tot voor ’t Prinsesje, toen woei ze met een vaart tegen de dikke, oude kindermeid aan, maar telkens was ze verdwenen, eer men haar pakken kon. Eenmaal vloog ze met een sprong de marmeren trappen af en over de leuning heen, alsof ze inderdaad vleugels aan haar vlugge voetjes had. Toen scheen de storm te bedaren en langzaam daalde het blaadje af aan de voeten van Bonnibelle en lag daar geknield, buiten adem, vermoeid en met een blos op ’t gelaat.
Bonnibelle klapte in hare handjes; maar vóór ze nog tijd had gehad haar verrukking uit te spreken, kwam door de glazen deur, waardoor ze het aardige ballet gezien had,een prachtige dame. Twee kleine pages droegen den langen sleep van haar zilvergrijs zijden japon, twee dames liepen naast haar, waarvan de eene een rose parasol boven haar hoofd hield, terwijl de andere een kussen en een waaier droeg; haar blanke handen schitterden van juweelen, evenals haar hals en lokken, en zij was een statige verschijning, want dit was de Koningin zelve. Maar haar gelaat was lief en vriendelijk, haar stem zacht en haar glimlach zoo welwillend, dat Betty geen oogenblik bang voor haar was, maar heel netjes haar mooiste buiging maakte.
Toen het rood damasten kussen neêrgelegd was op een van de fijn bewerkte steenen banken, en de pages den sleep losgelaten hadden, en de hofdames den parasol gesloten en haar den gouden waaier in handen gegeven hadden, verwijderden zij zich en bleef de Koningin alleen achter, met Juf en de beide meisjes.
„Lieveling, hoe bevalt u uw nieuw speelgoed?” vroeg de sierlijke dame, toen Bonnibelle op haar schoot was gekomen en een lang verhaal deed van al de pret, die zij met Bruintje gehad had. „Zij schijnt echt te kunnen tooveren, dat zij u zoo blozend, vroolijk en tevreden gemaakt heeft.”
„Kind! wie heeft u zoo verwonderlijk mooi leeren dansen?” vroeg de Koningin, nadat zij haar dochtertje gekust had, innig verheugd haar zoo geheel anders te zien, dan het sombere, knorrige, lustelooze kind, dat zij gewoonlijk vond.
„Dat heeft de wind mij geleerd, Mevrouw de Koningin,” antwoordde Betty met een glimlach.
„En waar hebt ge die mooie verhalen vandaan gehaald, die gij weet te vertellen?”
„Van de vogels, Mevrouw de Koningin.”
„En wat doet gij, om zulke frissche roode wangen te krijgen?”
„Bruin brood en melk eten, Mevrouw de Koningin.”
„En hoe komt het, dat een eenzaam arm kind, als gij, zoo gelukkig en zoo braaf kan zijn?”
„Mijn vader zorgt voor mij en mijn Moeder in den Hemel maakt mij braaf, Mevrouw de Koningin.”
Toen Betty dat zeide, stak de Koningin hare hand uit en trok haar dichter naar zich toe, alsof haar teeder hart vol deernis werd voor het moederlooze kind en verlangde haar van dienst te zijn, als ze maar wist hoe.
Op dat oogenblik hoorde men het getrappel van paardepooten op de plaats beneden, klonken trompetten, en wist iedereen, dat de Koning van de jacht was thuisgekomen. Weldra hoorde men sporen rinkelen en laarzen stappen en kwam hij langs het terras, met eenige zijner hovelingen achter zich.
Iedereen begon te buigen, behalve de Koningin, die bleef zitten met Bonnibelle op haar schoot, want het Prinsesje draafde niet haar vader te gemoet, zooals Betty altijd gewoon was, wanneer haar vader thuiskwam. Betty dacht, dat zij bang zou zijn voor een Koning, en dat zou ookmisschien het geval geweest zijn, als hij zijn hermelijnen mantel en kroon en juweelen gedragen had; maar nu was hij bijna als haar vader gekleed, in een donkergroen jachtbuis, met een zilveren jachthoorn over zijn schouder en geenerlei ander kenteeken van zijn waardigheid, dan de pluim op zijn hoed en den ring aan zijn vinger, die schitterde, toen hij zijn rijhandschoen uittrok, om der Koningin de hand te kussen; Betty glimlachte dus tegen hem, en maakte haar gewone buiging, en keek hem vrijmoedig aan.
Dat beviel hem goed en hij kende haar wel; want hij had haar dikwijls gezien, wanneer hij door het bosch reed.
„Kom eens hier, Bruintje, want ik heb wat te vertellen, dat gij met genoegen hooren zult,” zeide hij, terwijl hij naast de Koningin ging zitten, en wenkte Betty, met een aanmoedigend knikje.
Zij kwam aan zijn knie staan, zeer nieuwsgierig wat zij hooren zou, terwijl al de heeren en dames van het gevolg hun halzen rekten om het ook te hooren, want iedereen begreep, dat er heden nog iets meer voorgevallen was, dan alleen het dooden van een hert.
„Ik jaagde twee uur geleden in het groote eikenbosch, en had juist geknield op den grond, om op een prachtig hert te mikken,” begon de Koning, en streelde Betty’s bruine kopje, „toen een groot kwaadaardig wild zwijn, juist terwijl ik mijn schot afschoot op het hert, achter mij van tusschen de varenplanten te voorschijn kwam. Ik had niets over, om mij te verdedigen, dan mijn jachtmes; tochsprong ik op, om hem weerstand te bieden, toen mijn voet bleef haken onder een boomwortel, en ik hulpeloos op den grond stortte, terwijl het woedende ondier mij met rassche schreden naderde. Deze kleine meid had kans gehad, morgen reeds Koningin Bonnibelle te heeten, indien niet van achter een boom een moedige houthakker ware toegeschoten en met één slag van zijn bijl het monster den kop gekloofd had, juist op het oogenblik, toen het zich boog om mij aan te vallen. Die redder was uw vader, Bruintje, en aan hem dank ik dus mijn leven.”
Toen de Koning uitgesproken had, hoorde men gedempte „o’s” en „hé’s”, en keken al de hofheeren en dames, alsof ze graag luidkeels gejuicht hadden; maar de Koningin werd doodsbleek en Juf kwam haar met den waaier verfrisschen, terwijl Bonnibelle haar armpjes uitstak naar haar vader en riep: „Neen, lieve Papa, ik wil nooit Koningin zijn, als u sterft!”
De Koning zette haar op zijn eene knie en Betty op de andere, en zeide vroolijk:
„Wat, dunkt u, zullen we voor dien dapperen man doen, die mij gered heeft?”
„Geef hem een paleis om in te wonen en een heeleboel geld,” zeide de Prinses, die niets beters wist te bedenken.
„Ik bood hem een huis en geld aan, maar aan geen van beide had hij behoefte; want hij houdt veel van zijn hutje en goud heeft hij niet noodig, zegt hij. Bedenkt dus nog eens, kinderen, en tracht iets te vinden, dat hij wel zalwillen hebben,”—zeide de Koning en keek Betty aan.
„Ik denk, Meneer de Koning, dat hij heel graag een weide voor ons koetje zou hebben,” antwoordde Bruintje vrijmoedig; want het vriendelijke, mooie, door de zon verbrande gezicht van den Koning deed haar aan dat van haar vader denken.
„Die zal hij hebben. En nu, kleine, moet gij drie dingen voor uzelf wenschen, en als ik kan, zal ik ze u geven.”
Betty liet al haar blanke tandjes kijken, zoo smakelijk lachte zij, van vreugd over dit prachtige aanbod. Toen zeide zij, op langzamen toon:
„Ik heb nu maar één wensch meer, want de Prinses heeft mij een snoezige pop en een boel boeken gegeven; ik ben dus het gelukkigste kind in uw heele koninkrijk, en ik heb aan niets behoefte.”
„Tevreden meiske! Wie van ons kan haar dat nazeggen?” zeide de Koning met een ernstigen blik op de omstanders, die de oogen neersloegen en beschaamd keken, want zij hadden altijd gunsten te vragen van den goedhartigen Koning. „Wel, laat ons dan nu eens hooren wat ik doen kan, om het dochtertje van den dapperen houthakker Jan genoegen te geven.”
Vol ijver antwoordde Betty: „O! als ’t u blieft, laat de Prinses eens bij mij komen spelen.”
De heeren van het hof keken verontwaardigd, en de hofdames, alsof zij op het punt stonden flauw te vallen, bij het denken aan zoo iets vreeselijks. Maar de Koninginknikte goedkeurend en Bonnibelle riep: „Ja,als ’tu blieft!” en de Koning lachte en vroeg verbaasd:
„Maar waarom dan niet liever weêr hier komen spelen? Wat hebt gij in uw hutje, dat wij hier in het Paleis niet hebben?”
„Een heeleboel dingen, Meneer Koning,” antwoordde Betty. „Zij zegt, dat het Paleis en al wat erin is haar verveelt, en ze heeft zoo’n lust om vrij rond te loopen in het bosch, en den heelen dag gezond en vroolijk en druk bezig te zijn, evenals ik. Zij wil meê brood bakken en de koe melken en het huis stoffeeren en kousen breien, en den wind hooren loeien en dansen met de madeliefjes en praten met mijn vogels en gelukkige droomen droomen, en zich verheugen dat ze leeft, net als ik.”
„Wel, Bruintje! gij durft van u af te spreken! Maar in zeker opzicht heeft het kind gelijk, en als mijn Prinsesje een paar wangen kan krijgen als de uwe, door meê te gaan soms naar het hutje, dan mag ze gaan zoo dikwijls ze wil,” zeide de Koning, inwendig lachend om haar vrijmoedige woorden en terwijl het onderscheid hem sterk trof tusschen die twee gezichtjes vóór hem: het eene als een witte tuinlelie, het andere als een frisch roode wilde roos.
Toen kwam Bonnibelle’s tongetje los en vertelde zij al, wat dien dag had plaats gehad, levendiger in haar spreken dan zij ooit was, en iedereen luisterde aandachtig, verwonderd te zien, hoe aardig en prettig het Prinsesje zijn kon, en nieuwsgierig, wat die plotselinge veranderingteweeggebracht had. Maar de oude kindermeid liep rond en fluisterde:
„Ja, zij is een echt tooveresje, dat weet ik; want geen gewoon menschenkind zou zoo stoutmoedig en verstandig spreken, en doen wat zij gedaan heeft,—den Koning en de Koningin heeft zij betooverd en Hare Hoogheid tot een ander kind gemaakt.”
Allen begonnen met grooten eerbied voor Betty vervuld te worden; en toen ten laatste het gesprek afgeloopen was en de Koning was opgestaan en elk der beide meisjes een kus gegeven had, groette iedereen Bruintje met onderscheiding en maakte plaats voor haar, alsof zij ook een prinses was.
Maar Betty was daarop niet trotsch, want zij herinnerde zich de pauwen, toen zij hand aan hand met Bonnibelle, achter de vorstelijke ouders aan, over het terras naar de groote zaal liep, waar het feestmaal aangericht was, en prachtige muziek weerklonk.
„Gij moet naast mij zitten en uit mijn gouden bekertje drinken,” zeide Bonnibelle, toen de zilveren jachthoorns niet langer klonken, en iedereen wachtte, tot de Koning de Koningin naar hare plaats gebracht had.
„Neen, ik moet naar huis. De zon gaat al onder; Dea moet gemolken worden en Vader’s avondeten klaargemaakt vóór hij thuiskomt. Laat mij nu gauw gaan, om mijn eigen kleêren weêr aan te trekken; deze zijn te mooi, om in het hutje aan te houden,” antwoordde Betty, die wel grootenlust had om te blijven, maar zoo trouw aan haar plicht was, dat zelfs des Konings bevel haar niet weêrhouden kon.
„Papa, zeg dat zij moet blijven; ik wil het zoo graag,” riep Bonnibelle, en ging naar den grooten armstoel, waarin haar vader zat.
„Blijf, kind!” zeide de Koning, en wenkte met de hand, waaraan de groote diamant flonkerde als een ster.
Maar Betty schudde van neen en antwoordde op smeekenden toon:
„Och, lieve Meneer Koning! verg hetals ’tu belieft niet van mij; want Dea heeft mij noodig en Vader zal mij zoo missen, als ik hem niet tegemoet kom loopen, wanneer hij thuiskomt.”
Toen glimlachte de Koning en zeide op hartelijken toon:
„Braaf kind! wij willen u niet terughouden. Houthakker Jan heeft mijn leven gered, en nu wil ik hem niet de vreugd en troost van zijn leven ontrooven. Loop maar vlug naar huis, Bruintje, en moge God u zegenen!”
Betty draafde naar boven en deed haar ouden hoed en jurk weêr aan, nam een der mooiste gekregen boekjes en de dierbare pop, wetend dat het overige haar den volgenden dag zou gezonden worden, en trachtte toen door een achterdeur stil weg te sluipen; maar er waren zooveel zalen en gangen en trappen, dat zij verdwaald raakte, en ten laatste weêr in de groote eetzaal terechtkwam.
Iedereen zat nu te eten: en het vleesch en de wijn, en de gekruide pasteien en hoopen vruchten geurden heerlijk, en zewist, dat ze thuis enkel bruin brood en melk zou krijgen; maar toch wilde zij niet blijven en niemand dan de lakeien zag haar, toen zij de trappen af naar de plaats holde, evenals Asschepoester, toen de klok twaalf uur sloeg en al haar fraaie kleeren verdwenen.
Haar wandeling door het bosch verfrischte haar heerlijk en zij had een genotvol uurtje, toen ze haar vader alles vertelde van dezen merkwaardigen dag; maar het gelukkigste oogenblik was nog, toen zij in haar eigen klein kamertje naar bed ging, met het dierbare kindje vast slapend in haar arm, en dewinterkoninkjesbuiten tusschen de rozen elkaar vertelden, hoeveel goed de omgang met hun lieve, verstandige Bruintje op den duur het Prinsesje zou doen.
Toen viel Betty in slaap, en droomde heerlijke droomen, van de maan, die haar met een vriendelijk gezicht, gelijkende op de Koningin, toelachte, en van haar vader, even mooi en fier uitziend als de Koning, met zijn bijl over zijn schouder en het groote wilde zwijn dood aan zijne voeten; en van Bonnibelle, bloeiend, vroolijk en sterk, werkend en spelend met haar, als een zusje in het boschhutje, terwijl al de vogels vroolijk zongen:
„Bonnibelle! lief Prinsesje!’k Heb voor u een aardig lesjeEen geheim voor ieder kind,Dat wel graag wil zijn bemind:Als een bloempje kan zij zijn.Lieflijk, lachend, frisch en rein,Dat, door zonneschijn en regen,Kracht en wasdom heeft gekregen,Dat niet voor zich zelf slechts leeft,Maar met blijdschap alles geeft:Voor een elk haar balsemgeuren,Troost en vreugd aan hen, die treuren,Honig aan de nijvre bij,Aan de zieken medelij,Aan den zomer kleur en glansen,Kindren iets om meê te dansen.Lelies blank en rozen rood,Arm en rijk en klein en groot,Schoon, onschuldig en tevreden,Kunnen overal, nog heden,In een hut en in paleizenZulke bloemekens verrijzen;Als maar ’t harte is van goud,Niet hoovaardig, stug of koud,Maar vrijmoedig enrechtvaardig,Dapper, eerlijk, lief en aardig.Mist ze dàt, geen bloem is schoon,Hoeveel glans zij spreid’ ten toon.Bonnibelle! lief Prinsesje!Dit is ons geheim, ons lesje.”
„Bonnibelle! lief Prinsesje!
’k Heb voor u een aardig lesje
Een geheim voor ieder kind,
Dat wel graag wil zijn bemind:
Als een bloempje kan zij zijn.
Lieflijk, lachend, frisch en rein,
Dat, door zonneschijn en regen,
Kracht en wasdom heeft gekregen,
Dat niet voor zich zelf slechts leeft,
Maar met blijdschap alles geeft:
Voor een elk haar balsemgeuren,
Troost en vreugd aan hen, die treuren,
Honig aan de nijvre bij,
Aan de zieken medelij,
Aan den zomer kleur en glansen,
Kindren iets om meê te dansen.
Lelies blank en rozen rood,
Arm en rijk en klein en groot,
Schoon, onschuldig en tevreden,
Kunnen overal, nog heden,
In een hut en in paleizen
Zulke bloemekens verrijzen;
Als maar ’t harte is van goud,
Niet hoovaardig, stug of koud,
Maar vrijmoedig enrechtvaardig,
Dapper, eerlijk, lief en aardig.
Mist ze dàt, geen bloem is schoon,
Hoeveel glans zij spreid’ ten toon.
Bonnibelle! lief Prinsesje!
Dit is ons geheim, ons lesje.”