VAN DEN OUDEN BOOM.

VAN DEN OUDEN BOOM.Met uitgestroopten arm,ten halven afgeknuist,wie staat er daar, en steekteene onbestaande vuistten hemel? Is ’t een reusin beelde? Neen ’t, ’t en isgeen menschenbouw, ’t is eereen’ wangedaantenis;een steenen berggedrocht,dat, staande fel en fier,de scherpe houwen torstvan ’t vonkend hemelvier.Doch neen, ’t en is geen berg,geen wangedrocht voorwaar;’t zijn takken stijf en stomp,’t is schorse, die ’k ontwaar;die, dikke en diepgegroefd,geborsten en gescheurd,van uit den ouden grondheure oude bonken beurt;’t zijn spanders overal,’t zijn spillen, die ’k aanschouw,een loof, dat kroont alomeen steenoud boomgebouw.De Winter heeft eropzijn boos gebijt vermoord;het Water heeft het mergen ’t herte eruit geboord;de Bliksem spookte erom,en kraakte, met geweld,er halve boomen uit,en takken ongeteld;de Tijd onteerde lafen langzaam al zijn lijf,en nog en roert hij niet:hij staat daar, rotsestijf.En ieder jaar dat loopthergroent hij nog, en laat,wanneer de lente lacht,zijn spaarzaam loofgewaadomschaduwen het stukhooge uitgepuilden grond,daar, als hij jonger was,zijn’ geile wortel stond.Eilaas, niet langer meeren kan hij, moegeleefd,de wonden duiken[1], diemen hem geslagen heeft!Hij staat daar, oud en strem,in ’t wilde windgegons,gelijk te Roomen, vangroenuitgeslegen brons,men beelden ziet: geen eenen weet hoe lang gestaanzij hebben; geen hoe langde Tijd voorbij zal gaanen groeten ze, ongedeerd.—Ik groete u! God bewareu, Vlaamschen ouden „tjok”,nog honderd, duizend jaar![1]Verbergen.BLOOTAKKER.Geen één blad op de boomen! Afis alles; voor de vlagengevallen onder voet en vande winden weggevaagd,het schilderschoone aanschouwen, dathet bonte najaar draagt:noch wit en zijn, noch groene meer,de scherpe doorenhagen.’k Zie heinde en verre, deur end deurde velden nu, de kerken,de huizen en de hoven staan,zoo bloot als op mijn’ hand;van verre zie ’k de peerden ende menschen, op het land,zoo neerstig en zoo kleene, alzoode mieren zijn, aan ’t werken.’t Is wijd en breed al, ommentom,’k gevoel ’t nu, aan de barendes wilden Winds, die henentuimten, tierende onder ’t hout,zijn’ stemme schijnt te missen enzijn’ tale, die zoo boud,zoo bulderende, aan ’t roepen zat,hier voortijds in de blâren.’t En wonen meer geen’ vogels inde boomen! Zoo gij, wepel[1],nen overjaarschen aksternestentwaar nog hangen vindt,van boven in de abeelen, ’t iseen’ wiege zonder kind,die waagt[2], en geen geluid en geeft:een’ klokke zonder klepel.’k Zie geren nu de takken, dikkeen dunne, uit eenen stammegesprongen, rechte omhooge staan,hun’ handen uitgestrekt;zoo schoone, als of zij baden, datde Winter hunne ontdekteen teere, jonge leden tochniet teenemaal en stramme.Vervarelijke Winter, laatu murwen, u verzoeten:dekt alles, eer gij vriezen komt,voorzichtig, in de snee;’n ijzelt op de boomen niet,die breken zouden! Weeder takken, als ze ’t wegen vanden ijzel tillen moeten!In stukken slaat ge, Winter dande boomen. Hoort ze kermen:ze sleuren elk den anderenzijn telgen, zwaar als steen,te grondewaard; ze stubbelen[3]ze storten, al deureen...!Vervarelijke Winter, laat ’tder schoonen u ontfermen![1]Eenzaam, verlaten.[2]Wagen = bewegen.[3]Vechten.MOEDERKEN.’t En is van uhiernederwaardgeschilderd ofgeschreven,mij, moederken,geen beeltenis,geen beeld van ugebleven.Geen teekening,geen lichtdrukmaal,geen beitelwerkvan steene,’t en zij dat beeldin mij, dat gijgelaten hebt,alleene.o Moge ik, uonweerdig, nooitdie beeltenisbederven,maar eerzaam laatze leven inmij, eerzaam inmij sterven.PERELS.Nog eer de blâren schieten,in ’t hofbeluik[1],hoe geren zie ’k uw’ sprieten,o perenstruik;hoe geren zie ’k uw takkenvol blommen staan,vol perels, al in pakkeneer ze opengaan!En mochte ik maar, zoo even,door Gods beschik,u, peretakken gevennen toovertik;’t en zou geen pere krommenuw hout, voortaan:veel liever zie ’k de blommen,eer ze opengaan.’k Zie geren, in de hoven,uw’ peren groot,de zonne zitten stoven,al rijp en rood;maar ’k zie wel nog zoo gerenuw blommen staan,de perels van de peren,eer ze opengaan.[1]Beluik = besloten ruimte.SPREEUWEN.„’k Zie-’t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,recht den torre in van de kerke,daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”piept de spreeuwe, en anders niet.Maar wat is mij, scherpgebekte,zwart-halfgroen gevliggervlerkte,vage vogel, dan ’t bediedvan uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?”Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,in uw pierende oogskes, ietdat elk mensche niet en ziet?Zegt, of is ’t de zonne rijzen,dat gij ziet, is ’t buien bijzen[1];kwade wichten of kwa died[2]zitten ievers, diepe in ’t riet?„’k Zie-’t!” zoo piept gij; ziet gij, binnendeze borst, mij iet beminnen,haten, willen, wenschen iet,blijdschap hebben en verdriet?„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delvendiepe in ’t diepste diep mijns zelvenen ontdekken daar ’t bediedvan uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”Een daar is, die aan de leeuwen’t leven gaf, en aan de spreeuwen,Een die, vrij van al ’t verdriet,hooge zit en verre ziet.Een... Hij zit in zijnen torre,zonder schaalje[3]en zonder schorre[4];en, van ’t gene in mij geschiedt,Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”[1]Stormen, snel vliegen.[2]Volk.[3]Schalie = lei.[4]Arduinen vloersteen.WEDERWIJVEN.Hoe wijsterwaster[1]vliegt de luchtvol witte en lange stressenvan wolken, die ontvlochten zijnlijk haar van tooveressen.’t Zijn wederwijven, boos en fel,die, kwaad van hande en vinger,malkanderen te keere gaanen vechten slag om slinger.De wind zit in ’k weet niet welkgeweste, ’t buischt en ’t bommeltalhier, aldaar een zwepe los,die deur de wolken schommelt.Zij stuiven heinde en verre, en vanmalkaar gescheurd, in stressenvan wijsterwaster vechtende, enverwaaide tooveressen.[1]Door elkander.EXCELSIOR.’k Zie liever die te bergewaardzijn roekloos opgeklommen,als die, om loon, zoo zaan[1]de vaartgedaan is, nederkommen.Die stijgt noch af- noch om en zietnaar die in de eerde wroeten;noch, dwee van halze, en kust hij nietof waren ’t keizersvoeten.’k Zie liever die de zegevaanmij deur de wolken steken,excelsior, en, vóórgegaan,mij moed in ’t herte spreken.Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan,dat kan, dat wil, dat zal ik:geen oneere en geen schande en kanmijn durven deren, valle ik.”Hooveerdigheid is valsch van doen,van zeggen en van zeden:ootmoedig wil ik, ridder koen,tot stijgen mij besteden.Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist,op Libans hoogste kragen[2],of vielender omtrent mij duist[3],nog wil, nog zal ’k het wagen.[1]Dra.[2]Punttoppen, kamlijn.[3]Duizend.ZEGEPRAAL.De zonne vecht! Het noordervolkkomt woedend opgestoven,de diepten uit, afgrijzelijkverbolgen. Bergen bovenmalkanderen zij werpen gaan,in ’s hemels aangezicht:den al te schoonen dag uitdoen,en dooden ’t zonnelicht!Het spettert, uit de wolken, vieren vlamme; kwade steenen,van rammelenden hagelslag,en bliksem, al met eenen,vergâren mij de reuzen inhun vuisten vol geweld,en ruien ze, onbermhertiglijkdaarheen, in ’t zonneveld.’t Is donker nu, ’t is donkerder,nog donkerder! Gevaren,als machtig, overmachtig groote,en mammothsche adelaren,omslaan de wolken alles, en,voor ’t nachtelijk bedwang,onthemelt al dat hemel is,in ’s hemels zwart gevang.’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,dat overheerlijk blaken,dat altijd even schoone vande schoone zonnekaken?’t Is nacht! En zijt voor goed nu gijgedompt en doodgedaan?Gij, beeld des Alderhoogsten, zultgij, stervend, ondergaan?Staat op! Het worde dag weerom!Staat op, en slaat die booze,die duistere onbedachten, gij,des hemels schoone rooze;gij, onverkrachte lichtvorstin,staat op, uit uwen schans,en plettert, onbermhertiglijk,die domme reuzen gansch!De zonne vecht! Zij duwt den spiet,den onverwonnen gaffeldes zonnelichts, de reuzen inden zwartgezwollen naffel;ze bersten, en ze bulderenmalkander slaande, intween;en, hersens in de kele, valthet reuzenrot ineen.Ze pletteren te grondewaard,ze pletsen en ze plassen,dat ’t bommelt in de lucht alom:lijk honden zijn ’t die bassen.De wereld stroomt, afgrijzelijk,van ’t bloed alsof het waar’,van de eindelijk verwonnen, enverwenschte reuzenschaar.Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer.Ze waren!... In hun stedekomt helderheid, komt hemelsblauw,komt goud, dat schittert, mede.De zonne vocht, de zonne won,en, tierende overluid:„Hier ben ik!” roept ons zonneken,„des vijands vonke is uit!”DE DOORNENBOOM.De schamele, oude boom,die midden in de vaten,veracht en ongetroost,des olieboeters[1]staat;hij weet dat ’t zomer isen zou hij, zou hij ’t laten,te bloeien, nu dat aldat blomme is opengaat?Gestapeld, rondom hem,zijn tonnen, tonnen, tonnen,die olie zweeten al,en stinken. Schouwen ook,verheven boven ’t dakdes oliebouws, en jonnen[2]maar bitterheid den boomen afgerolden rook.Hij bloeien zal nochtans,en, blij, de zonne biedende vreugde van zijn hert:maar éénen keer in ’t jaaren wilt het zomer zijn,en mag’t den boom geschiedente bloeien in den dwangvan al die tonnen daar.Hij bloeit en staat in ’t witgetooid, langs alle kantenéén vlage blommen duiktzijn’ takken, scheef en krom;de bietjes zie’k er zogvan zuiver zeem in zanten[3],de blommen in en uiten uit en in, weêrom.Bloeit helder, helder op,o boom, en luide pralenlaat al uw lief gewaai,deur dikke en dunne. Neen’t,’t en is maar éénen keer,dat ’t meie is; hillen, dalenzijn blijde; blijde zijt,genoeg, genoeg geweend.De tonnen staan alomgestapeld: zwarte zwaregedaanten, ongehier[4]van leelijkheid. Welaan,o taaie doornenboom,daar midden in, verjarenog menigmaal uw hoofd,vol bloeiend wit gelaân![1]Olieslager.[2]Gunnen.[3]Samenlezen.[4]Onguur.MIETJE.’t Meiske, met zijn’ teele melk,op zijn bloote voetjes,lang, gelijk nen terruwstelk[1],zoetjes, zoetjes, zoetjesterdt[2]het voort, en anders nietals zijn teele melk en ziet’t.’t Meisken hoorde: „Goedendag!”zeggen, zoetjes, zoetjes:„Mietje!” ’t Meisken ommezag...op zijn bloote voetjesviel de melk en, vol verdriet,wie dat ’t was en wist het niet.Meiske, meiske, meiske snel,op uw bloote voetjes,melk aan ’t dragen, wacht u wel:zoetjes, zoetjes, zoetjes,mijdt u, meiske, en hoort gij iet,vóór u, maar niet omme en ziet![1]Tarwestengel.[2]Treedt.CYTISUS LABURNUM[1].Gevlerikt, na der vliegen aard;gereesemd[2], al omleegewaard;eenvervig, en van goude fijn,des goudenregens blommen zijn.Zij staan in krabben[3], lang en smalvan lijve, en recht een regenvalgelijken zij, van goude.... neen,van zijde en licht en edelsteen.’t En is van al dat bloeit entwatzoo geluw, in geen blommenstad;’t is geluw, naast aan ’t groen.... ’t en doet,’t is groen, ten geel’wen uitgezoet.Als, ievers in den hof gestaan,de goudenregens opengaan,de duisterheid van ’t groen verdwijnt,„het regent en de zunne schijnt.”Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,uw vlagen gaan van goude, en gij,o gulden regen, al te broosvan leven zijt ge, en tijdeloos[4]!Gij strooit den weg, nen dag nadien,of twee, dat wij u open zien:zoo derf[5]is dan uw dood gelaat,als kaf, daarop de vlegel slaat!En, eens dat eene aan ’t vallen is,de stervenstijd van allen isgekommen: geen een blomme en kan’tmeer houden: ’t goud is uitgebrand.O goudenregen, heel en alhet jaar, zoo heet gij regenval;doch regenval van goude, aleerhet meien zal, en zijt gij meer.’k Verlange al, eer de maand daar isweêromme, en tend[6]de hoven, frisch;vol goudeware[7]en zonneschijngeregend door uw’ blommen, zijn.[1]Goudenregen.[2]Gerist.[3]Tros.[4]Zonder tijd, kort van duur.[5]Bleek.[6]Tend, tenden, t’enden = aan het einde.[7]Goudwaar.BUIGEN OF BERSTEN.Het jong hout staat, den rugge krom,ootmoedigneêrgestopen[1]terwijl de wind, den afgrond vanzijn diepe longen open,gevaren komt, door bilk[2]en bosch;en, bruischende in de boomen,losbandig, al den gruwel vanzijn’ gramschap heen laat stroomen.De boomen staan geworteld inden bodem diepe, en, werenen zal de wind hun sterkheid nochhunne oude stammen deren;ze zuchten en ze stenen wel,ze roepen en ze razen,maar wederstaan, zoo willen ze, en...dat durven ze, die dwazen!Ze ’n buigen niet. Hun’ wortels staanin de eerde neêrgegrepenals ankers, die gebonden staandoen ijzervast de schepen;ze’n buigen niet. Hun hoofdgewaaischeurt af en weg: om ’t even,en zullen noch en willen ze, envoor wie dat ’t zij, begeven.Het jong hout ligt den grond nabij,voorover,neêrgedwongen;verpletterd en vernietigd haast.—De wind komt losgesprongenen, stampende op dat ligt... „Zoo welden naasten als den versten,...die boomen daar zal ’k buigen doen,of willens nillens bersten!”’t Is donker, van al ’t zand, dat vliegt.Geen hersendolle koeienen kunnen, zoo de wind nu doet,zoo ongedoevig[3]loeien.Ei! poffen nu, en paffen gaande pezen af, en krakende wortels: als geweren zijn ’t,die dood en donder braken.De doelen staan, bij vijftigen,bij honderden, te perre[4],ter aarden uitgeheven, en...de boomen zijn omverre,de teenen in de lucht; tot inden vasten grond gezonken,verdwijnt, al even slaggelings[5],hun’ kroone, in de elzentronken.Het jong hout heft den hals weer op;allengskens stilt het weder,en legt het, op de rompen vangeroeide boshout, nederzijn grimmigheid. Een slagveld is ’tvol lijken. Ongeschonden,zoo staan de jonge stammen daarnog, al die buigen konden.[1]Neêrgebogen.[2]Omsloten weide.[3]Wild, woest.[4]Op hun kop.[5]Met één slag.DE SPERRETAKKEN.De sperretakken staan, nabijden boom, alsof hun blârengestorven, over langen tijdaan jeugd en jonkheid waren;maar, als zoo zaan[1]de zomer komtherzie ’k hun verste vingerenmet jeugdig groen en zappigheidden ouden boom omslingeren.Nog winter is ’t, men zeggen zou,omtrent het bol[2]; en nevenhet bol, zijn zwart de takken, diemaar tendenwaards en leven:het oude draagt het nieuwe, datnog jong is; maar van dagenook oud geworden, beurtelingszal ’t oude ’et nieuwe dragen.Op de ouden blijft gesteund, en zijtvoorzichtig, jonge spranken;’n laat u nooit verleiden, omte vroeg u vrij te dankenvan ’t oude: uit de oude grauwte vande schiergestorven boomenzal nieuwgeboren schoonheid eens,en sterkte, henenstroomen.[1]Dra.[2]Stam.HET GULDEN VLIES.’t Is scherenstijd in ’t houtgewas.De blaren vallen: grond en graszijn effen, van den wind die waait,vol zilver en vol goud gezaaid.Zoo groene en is de grond nu meerals wijlen, toen de lente teer,en ’t jonge jaar zijn herte ontlook,de weiden en de bosschen ook.’t Is scherenstijd. De schapen nietmaar ’t houtgewas men scheren ziet;en ’t scherpe van de windenschaaraan ’t knippen is in ’t houtgeblaar.Daar vallen en vergaderennu honderdduizend bladeren,die reuzen[1]af de rijzekens,zoo lustig en zoo lijzekens.’t Is ’t boomenvlies dat nederstort,dat altemaal gesneden wordt;dat af en dóór de schare moet,zoo ’t al, en te elken jare doet.Het gulden vlies, dat Jason zocht,en reeuwroofde[2]op het wangedrocht,aanschouwe ik al mijn leven lang,als wangeloove en kwenenzang[3].Maar ’t geen alhier, aldaar gestrooid,den weg dien ik nu ga vermooit,dat menigvuldig boomverlies,voorwaar dat is mij ’t gulden vlies.Het blinkt, het bleust, het laait, het ligtdoorschoten van den zonneschicht,onmeetbaar, verre, één schapendrachtvan ooienwolle en lammervacht.Een kleed is ’t, als van engelkens,van louter liefdebengelkens,die zijde en wolle en gouden blaândoen liggen, daar ze spelen gaan.Het rilt, bij elker schree, die ’k doe;het roert en ’t ruischt, ’k en weet niet hoe;en ’t riekt, alsof er reuke fijnvan amber uit zou dampend zijn.’t Is scherenstijd, in ’t houtgewas;geen stap mij ooit zoo zoet en wasals dien ik eens, in Ipersteê,deur de afgevallen blâren deê![1]Vallen.[2]Reeuwroof = lijkroof.[3]Kwene = oud wijf.

VAN DEN OUDEN BOOM.Met uitgestroopten arm,ten halven afgeknuist,wie staat er daar, en steekteene onbestaande vuistten hemel? Is ’t een reusin beelde? Neen ’t, ’t en isgeen menschenbouw, ’t is eereen’ wangedaantenis;een steenen berggedrocht,dat, staande fel en fier,de scherpe houwen torstvan ’t vonkend hemelvier.Doch neen, ’t en is geen berg,geen wangedrocht voorwaar;’t zijn takken stijf en stomp,’t is schorse, die ’k ontwaar;die, dikke en diepgegroefd,geborsten en gescheurd,van uit den ouden grondheure oude bonken beurt;’t zijn spanders overal,’t zijn spillen, die ’k aanschouw,een loof, dat kroont alomeen steenoud boomgebouw.De Winter heeft eropzijn boos gebijt vermoord;het Water heeft het mergen ’t herte eruit geboord;de Bliksem spookte erom,en kraakte, met geweld,er halve boomen uit,en takken ongeteld;de Tijd onteerde lafen langzaam al zijn lijf,en nog en roert hij niet:hij staat daar, rotsestijf.En ieder jaar dat loopthergroent hij nog, en laat,wanneer de lente lacht,zijn spaarzaam loofgewaadomschaduwen het stukhooge uitgepuilden grond,daar, als hij jonger was,zijn’ geile wortel stond.Eilaas, niet langer meeren kan hij, moegeleefd,de wonden duiken[1], diemen hem geslagen heeft!Hij staat daar, oud en strem,in ’t wilde windgegons,gelijk te Roomen, vangroenuitgeslegen brons,men beelden ziet: geen eenen weet hoe lang gestaanzij hebben; geen hoe langde Tijd voorbij zal gaanen groeten ze, ongedeerd.—Ik groete u! God bewareu, Vlaamschen ouden „tjok”,nog honderd, duizend jaar!

Met uitgestroopten arm,ten halven afgeknuist,wie staat er daar, en steekteene onbestaande vuistten hemel? Is ’t een reusin beelde? Neen ’t, ’t en isgeen menschenbouw, ’t is eereen’ wangedaantenis;een steenen berggedrocht,dat, staande fel en fier,de scherpe houwen torstvan ’t vonkend hemelvier.

Doch neen, ’t en is geen berg,geen wangedrocht voorwaar;’t zijn takken stijf en stomp,’t is schorse, die ’k ontwaar;die, dikke en diepgegroefd,geborsten en gescheurd,van uit den ouden grondheure oude bonken beurt;’t zijn spanders overal,’t zijn spillen, die ’k aanschouw,een loof, dat kroont alomeen steenoud boomgebouw.

De Winter heeft eropzijn boos gebijt vermoord;het Water heeft het mergen ’t herte eruit geboord;de Bliksem spookte erom,en kraakte, met geweld,er halve boomen uit,en takken ongeteld;de Tijd onteerde lafen langzaam al zijn lijf,en nog en roert hij niet:hij staat daar, rotsestijf.

En ieder jaar dat loopthergroent hij nog, en laat,wanneer de lente lacht,zijn spaarzaam loofgewaadomschaduwen het stukhooge uitgepuilden grond,daar, als hij jonger was,zijn’ geile wortel stond.Eilaas, niet langer meeren kan hij, moegeleefd,de wonden duiken[1], diemen hem geslagen heeft!

Hij staat daar, oud en strem,in ’t wilde windgegons,gelijk te Roomen, vangroenuitgeslegen brons,men beelden ziet: geen eenen weet hoe lang gestaanzij hebben; geen hoe langde Tijd voorbij zal gaanen groeten ze, ongedeerd.—Ik groete u! God bewareu, Vlaamschen ouden „tjok”,nog honderd, duizend jaar!

[1]Verbergen.

BLOOTAKKER.Geen één blad op de boomen! Afis alles; voor de vlagengevallen onder voet en vande winden weggevaagd,het schilderschoone aanschouwen, dathet bonte najaar draagt:noch wit en zijn, noch groene meer,de scherpe doorenhagen.’k Zie heinde en verre, deur end deurde velden nu, de kerken,de huizen en de hoven staan,zoo bloot als op mijn’ hand;van verre zie ’k de peerden ende menschen, op het land,zoo neerstig en zoo kleene, alzoode mieren zijn, aan ’t werken.’t Is wijd en breed al, ommentom,’k gevoel ’t nu, aan de barendes wilden Winds, die henentuimten, tierende onder ’t hout,zijn’ stemme schijnt te missen enzijn’ tale, die zoo boud,zoo bulderende, aan ’t roepen zat,hier voortijds in de blâren.’t En wonen meer geen’ vogels inde boomen! Zoo gij, wepel[1],nen overjaarschen aksternestentwaar nog hangen vindt,van boven in de abeelen, ’t iseen’ wiege zonder kind,die waagt[2], en geen geluid en geeft:een’ klokke zonder klepel.’k Zie geren nu de takken, dikkeen dunne, uit eenen stammegesprongen, rechte omhooge staan,hun’ handen uitgestrekt;zoo schoone, als of zij baden, datde Winter hunne ontdekteen teere, jonge leden tochniet teenemaal en stramme.Vervarelijke Winter, laatu murwen, u verzoeten:dekt alles, eer gij vriezen komt,voorzichtig, in de snee;’n ijzelt op de boomen niet,die breken zouden! Weeder takken, als ze ’t wegen vanden ijzel tillen moeten!In stukken slaat ge, Winter dande boomen. Hoort ze kermen:ze sleuren elk den anderenzijn telgen, zwaar als steen,te grondewaard; ze stubbelen[3]ze storten, al deureen...!Vervarelijke Winter, laat ’tder schoonen u ontfermen!

Geen één blad op de boomen! Afis alles; voor de vlagengevallen onder voet en vande winden weggevaagd,het schilderschoone aanschouwen, dathet bonte najaar draagt:noch wit en zijn, noch groene meer,de scherpe doorenhagen.

’k Zie heinde en verre, deur end deurde velden nu, de kerken,de huizen en de hoven staan,zoo bloot als op mijn’ hand;van verre zie ’k de peerden ende menschen, op het land,zoo neerstig en zoo kleene, alzoode mieren zijn, aan ’t werken.

’t Is wijd en breed al, ommentom,’k gevoel ’t nu, aan de barendes wilden Winds, die henentuimten, tierende onder ’t hout,zijn’ stemme schijnt te missen enzijn’ tale, die zoo boud,zoo bulderende, aan ’t roepen zat,hier voortijds in de blâren.

’t En wonen meer geen’ vogels inde boomen! Zoo gij, wepel[1],nen overjaarschen aksternestentwaar nog hangen vindt,van boven in de abeelen, ’t iseen’ wiege zonder kind,die waagt[2], en geen geluid en geeft:een’ klokke zonder klepel.

’k Zie geren nu de takken, dikkeen dunne, uit eenen stammegesprongen, rechte omhooge staan,hun’ handen uitgestrekt;zoo schoone, als of zij baden, datde Winter hunne ontdekteen teere, jonge leden tochniet teenemaal en stramme.

Vervarelijke Winter, laatu murwen, u verzoeten:dekt alles, eer gij vriezen komt,voorzichtig, in de snee;’n ijzelt op de boomen niet,die breken zouden! Weeder takken, als ze ’t wegen vanden ijzel tillen moeten!

In stukken slaat ge, Winter dande boomen. Hoort ze kermen:ze sleuren elk den anderenzijn telgen, zwaar als steen,te grondewaard; ze stubbelen[3]ze storten, al deureen...!Vervarelijke Winter, laat ’tder schoonen u ontfermen!

[1]Eenzaam, verlaten.

[2]Wagen = bewegen.

[3]Vechten.

MOEDERKEN.’t En is van uhiernederwaardgeschilderd ofgeschreven,mij, moederken,geen beeltenis,geen beeld van ugebleven.Geen teekening,geen lichtdrukmaal,geen beitelwerkvan steene,’t en zij dat beeldin mij, dat gijgelaten hebt,alleene.o Moge ik, uonweerdig, nooitdie beeltenisbederven,maar eerzaam laatze leven inmij, eerzaam inmij sterven.

’t En is van uhiernederwaardgeschilderd ofgeschreven,mij, moederken,geen beeltenis,geen beeld van ugebleven.

Geen teekening,geen lichtdrukmaal,geen beitelwerkvan steene,’t en zij dat beeldin mij, dat gijgelaten hebt,alleene.

o Moge ik, uonweerdig, nooitdie beeltenisbederven,maar eerzaam laatze leven inmij, eerzaam inmij sterven.

PERELS.Nog eer de blâren schieten,in ’t hofbeluik[1],hoe geren zie ’k uw’ sprieten,o perenstruik;hoe geren zie ’k uw takkenvol blommen staan,vol perels, al in pakkeneer ze opengaan!En mochte ik maar, zoo even,door Gods beschik,u, peretakken gevennen toovertik;’t en zou geen pere krommenuw hout, voortaan:veel liever zie ’k de blommen,eer ze opengaan.’k Zie geren, in de hoven,uw’ peren groot,de zonne zitten stoven,al rijp en rood;maar ’k zie wel nog zoo gerenuw blommen staan,de perels van de peren,eer ze opengaan.

Nog eer de blâren schieten,in ’t hofbeluik[1],hoe geren zie ’k uw’ sprieten,o perenstruik;hoe geren zie ’k uw takkenvol blommen staan,vol perels, al in pakkeneer ze opengaan!

En mochte ik maar, zoo even,door Gods beschik,u, peretakken gevennen toovertik;’t en zou geen pere krommenuw hout, voortaan:veel liever zie ’k de blommen,eer ze opengaan.

’k Zie geren, in de hoven,uw’ peren groot,de zonne zitten stoven,al rijp en rood;maar ’k zie wel nog zoo gerenuw blommen staan,de perels van de peren,eer ze opengaan.

[1]Beluik = besloten ruimte.

SPREEUWEN.„’k Zie-’t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,recht den torre in van de kerke,daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”piept de spreeuwe, en anders niet.Maar wat is mij, scherpgebekte,zwart-halfgroen gevliggervlerkte,vage vogel, dan ’t bediedvan uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?”Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,in uw pierende oogskes, ietdat elk mensche niet en ziet?Zegt, of is ’t de zonne rijzen,dat gij ziet, is ’t buien bijzen[1];kwade wichten of kwa died[2]zitten ievers, diepe in ’t riet?„’k Zie-’t!” zoo piept gij; ziet gij, binnendeze borst, mij iet beminnen,haten, willen, wenschen iet,blijdschap hebben en verdriet?„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delvendiepe in ’t diepste diep mijns zelvenen ontdekken daar ’t bediedvan uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”Een daar is, die aan de leeuwen’t leven gaf, en aan de spreeuwen,Een die, vrij van al ’t verdriet,hooge zit en verre ziet.Een... Hij zit in zijnen torre,zonder schaalje[3]en zonder schorre[4];en, van ’t gene in mij geschiedt,Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

„’k Zie-’t!” zoo vliggert, vlug te vlerke,recht den torre in van de kerke,daar ze is nest aan ’t bouwen!... „’k zie-’t!”piept de spreeuwe, en anders niet.

Maar wat is mij, scherpgebekte,zwart-halfgroen gevliggervlerkte,vage vogel, dan ’t bediedvan uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t?”

Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,in uw pierende oogskes, ietdat elk mensche niet en ziet?

Zegt, of is ’t de zonne rijzen,dat gij ziet, is ’t buien bijzen[1];kwade wichten of kwa died[2]zitten ievers, diepe in ’t riet?

„’k Zie-’t!” zoo piept gij; ziet gij, binnendeze borst, mij iet beminnen,haten, willen, wenschen iet,blijdschap hebben en verdriet?

„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delvendiepe in ’t diepste diep mijns zelvenen ontdekken daar ’t bediedvan uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”

Een daar is, die aan de leeuwen’t leven gaf, en aan de spreeuwen,Een die, vrij van al ’t verdriet,hooge zit en verre ziet.

Een... Hij zit in zijnen torre,zonder schaalje[3]en zonder schorre[4];en, van ’t gene in mij geschiedt,Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

[1]Stormen, snel vliegen.

[2]Volk.

[3]Schalie = lei.

[4]Arduinen vloersteen.

WEDERWIJVEN.Hoe wijsterwaster[1]vliegt de luchtvol witte en lange stressenvan wolken, die ontvlochten zijnlijk haar van tooveressen.’t Zijn wederwijven, boos en fel,die, kwaad van hande en vinger,malkanderen te keere gaanen vechten slag om slinger.De wind zit in ’k weet niet welkgeweste, ’t buischt en ’t bommeltalhier, aldaar een zwepe los,die deur de wolken schommelt.Zij stuiven heinde en verre, en vanmalkaar gescheurd, in stressenvan wijsterwaster vechtende, enverwaaide tooveressen.

Hoe wijsterwaster[1]vliegt de luchtvol witte en lange stressenvan wolken, die ontvlochten zijnlijk haar van tooveressen.

’t Zijn wederwijven, boos en fel,die, kwaad van hande en vinger,malkanderen te keere gaanen vechten slag om slinger.

De wind zit in ’k weet niet welkgeweste, ’t buischt en ’t bommeltalhier, aldaar een zwepe los,die deur de wolken schommelt.

Zij stuiven heinde en verre, en vanmalkaar gescheurd, in stressenvan wijsterwaster vechtende, enverwaaide tooveressen.

[1]Door elkander.

EXCELSIOR.’k Zie liever die te bergewaardzijn roekloos opgeklommen,als die, om loon, zoo zaan[1]de vaartgedaan is, nederkommen.Die stijgt noch af- noch om en zietnaar die in de eerde wroeten;noch, dwee van halze, en kust hij nietof waren ’t keizersvoeten.’k Zie liever die de zegevaanmij deur de wolken steken,excelsior, en, vóórgegaan,mij moed in ’t herte spreken.Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan,dat kan, dat wil, dat zal ik:geen oneere en geen schande en kanmijn durven deren, valle ik.”Hooveerdigheid is valsch van doen,van zeggen en van zeden:ootmoedig wil ik, ridder koen,tot stijgen mij besteden.Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist,op Libans hoogste kragen[2],of vielender omtrent mij duist[3],nog wil, nog zal ’k het wagen.

’k Zie liever die te bergewaardzijn roekloos opgeklommen,als die, om loon, zoo zaan[1]de vaartgedaan is, nederkommen.

Die stijgt noch af- noch om en zietnaar die in de eerde wroeten;noch, dwee van halze, en kust hij nietof waren ’t keizersvoeten.

’k Zie liever die de zegevaanmij deur de wolken steken,excelsior, en, vóórgegaan,mij moed in ’t herte spreken.

Dan zegge ik: „Op! Dat ander kan,dat kan, dat wil, dat zal ik:geen oneere en geen schande en kanmijn durven deren, valle ik.”

Hooveerdigheid is valsch van doen,van zeggen en van zeden:ootmoedig wil ik, ridder koen,tot stijgen mij besteden.

Zoo God mij helpt, en gij mijn vuist,op Libans hoogste kragen[2],of vielender omtrent mij duist[3],nog wil, nog zal ’k het wagen.

[1]Dra.

[2]Punttoppen, kamlijn.

[3]Duizend.

ZEGEPRAAL.De zonne vecht! Het noordervolkkomt woedend opgestoven,de diepten uit, afgrijzelijkverbolgen. Bergen bovenmalkanderen zij werpen gaan,in ’s hemels aangezicht:den al te schoonen dag uitdoen,en dooden ’t zonnelicht!Het spettert, uit de wolken, vieren vlamme; kwade steenen,van rammelenden hagelslag,en bliksem, al met eenen,vergâren mij de reuzen inhun vuisten vol geweld,en ruien ze, onbermhertiglijkdaarheen, in ’t zonneveld.’t Is donker nu, ’t is donkerder,nog donkerder! Gevaren,als machtig, overmachtig groote,en mammothsche adelaren,omslaan de wolken alles, en,voor ’t nachtelijk bedwang,onthemelt al dat hemel is,in ’s hemels zwart gevang.’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,dat overheerlijk blaken,dat altijd even schoone vande schoone zonnekaken?’t Is nacht! En zijt voor goed nu gijgedompt en doodgedaan?Gij, beeld des Alderhoogsten, zultgij, stervend, ondergaan?Staat op! Het worde dag weerom!Staat op, en slaat die booze,die duistere onbedachten, gij,des hemels schoone rooze;gij, onverkrachte lichtvorstin,staat op, uit uwen schans,en plettert, onbermhertiglijk,die domme reuzen gansch!De zonne vecht! Zij duwt den spiet,den onverwonnen gaffeldes zonnelichts, de reuzen inden zwartgezwollen naffel;ze bersten, en ze bulderenmalkander slaande, intween;en, hersens in de kele, valthet reuzenrot ineen.Ze pletteren te grondewaard,ze pletsen en ze plassen,dat ’t bommelt in de lucht alom:lijk honden zijn ’t die bassen.De wereld stroomt, afgrijzelijk,van ’t bloed alsof het waar’,van de eindelijk verwonnen, enverwenschte reuzenschaar.Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer.Ze waren!... In hun stedekomt helderheid, komt hemelsblauw,komt goud, dat schittert, mede.De zonne vocht, de zonne won,en, tierende overluid:„Hier ben ik!” roept ons zonneken,„des vijands vonke is uit!”

De zonne vecht! Het noordervolkkomt woedend opgestoven,de diepten uit, afgrijzelijkverbolgen. Bergen bovenmalkanderen zij werpen gaan,in ’s hemels aangezicht:den al te schoonen dag uitdoen,en dooden ’t zonnelicht!

Het spettert, uit de wolken, vieren vlamme; kwade steenen,van rammelenden hagelslag,en bliksem, al met eenen,vergâren mij de reuzen inhun vuisten vol geweld,en ruien ze, onbermhertiglijkdaarheen, in ’t zonneveld.

’t Is donker nu, ’t is donkerder,nog donkerder! Gevaren,als machtig, overmachtig groote,en mammothsche adelaren,omslaan de wolken alles, en,voor ’t nachtelijk bedwang,onthemelt al dat hemel is,in ’s hemels zwart gevang.

’t Is donker! Zal ’t verwonnen zijn,dat overheerlijk blaken,dat altijd even schoone vande schoone zonnekaken?’t Is nacht! En zijt voor goed nu gijgedompt en doodgedaan?Gij, beeld des Alderhoogsten, zultgij, stervend, ondergaan?

Staat op! Het worde dag weerom!Staat op, en slaat die booze,die duistere onbedachten, gij,des hemels schoone rooze;gij, onverkrachte lichtvorstin,staat op, uit uwen schans,en plettert, onbermhertiglijk,die domme reuzen gansch!

De zonne vecht! Zij duwt den spiet,den onverwonnen gaffeldes zonnelichts, de reuzen inden zwartgezwollen naffel;ze bersten, en ze bulderenmalkander slaande, intween;en, hersens in de kele, valthet reuzenrot ineen.

Ze pletteren te grondewaard,ze pletsen en ze plassen,dat ’t bommelt in de lucht alom:lijk honden zijn ’t die bassen.De wereld stroomt, afgrijzelijk,van ’t bloed alsof het waar’,van de eindelijk verwonnen, enverwenschte reuzenschaar.

Ze ’n zijn niet meer,... ze ’n zijn niet meer.Ze waren!... In hun stedekomt helderheid, komt hemelsblauw,komt goud, dat schittert, mede.De zonne vocht, de zonne won,en, tierende overluid:„Hier ben ik!” roept ons zonneken,„des vijands vonke is uit!”

DE DOORNENBOOM.De schamele, oude boom,die midden in de vaten,veracht en ongetroost,des olieboeters[1]staat;hij weet dat ’t zomer isen zou hij, zou hij ’t laten,te bloeien, nu dat aldat blomme is opengaat?Gestapeld, rondom hem,zijn tonnen, tonnen, tonnen,die olie zweeten al,en stinken. Schouwen ook,verheven boven ’t dakdes oliebouws, en jonnen[2]maar bitterheid den boomen afgerolden rook.Hij bloeien zal nochtans,en, blij, de zonne biedende vreugde van zijn hert:maar éénen keer in ’t jaaren wilt het zomer zijn,en mag’t den boom geschiedente bloeien in den dwangvan al die tonnen daar.Hij bloeit en staat in ’t witgetooid, langs alle kantenéén vlage blommen duiktzijn’ takken, scheef en krom;de bietjes zie’k er zogvan zuiver zeem in zanten[3],de blommen in en uiten uit en in, weêrom.Bloeit helder, helder op,o boom, en luide pralenlaat al uw lief gewaai,deur dikke en dunne. Neen’t,’t en is maar éénen keer,dat ’t meie is; hillen, dalenzijn blijde; blijde zijt,genoeg, genoeg geweend.De tonnen staan alomgestapeld: zwarte zwaregedaanten, ongehier[4]van leelijkheid. Welaan,o taaie doornenboom,daar midden in, verjarenog menigmaal uw hoofd,vol bloeiend wit gelaân!

De schamele, oude boom,die midden in de vaten,veracht en ongetroost,des olieboeters[1]staat;hij weet dat ’t zomer isen zou hij, zou hij ’t laten,te bloeien, nu dat aldat blomme is opengaat?

Gestapeld, rondom hem,zijn tonnen, tonnen, tonnen,die olie zweeten al,en stinken. Schouwen ook,verheven boven ’t dakdes oliebouws, en jonnen[2]maar bitterheid den boomen afgerolden rook.

Hij bloeien zal nochtans,en, blij, de zonne biedende vreugde van zijn hert:maar éénen keer in ’t jaaren wilt het zomer zijn,en mag’t den boom geschiedente bloeien in den dwangvan al die tonnen daar.

Hij bloeit en staat in ’t witgetooid, langs alle kantenéén vlage blommen duiktzijn’ takken, scheef en krom;de bietjes zie’k er zogvan zuiver zeem in zanten[3],de blommen in en uiten uit en in, weêrom.

Bloeit helder, helder op,o boom, en luide pralenlaat al uw lief gewaai,deur dikke en dunne. Neen’t,’t en is maar éénen keer,dat ’t meie is; hillen, dalenzijn blijde; blijde zijt,genoeg, genoeg geweend.

De tonnen staan alomgestapeld: zwarte zwaregedaanten, ongehier[4]van leelijkheid. Welaan,o taaie doornenboom,daar midden in, verjarenog menigmaal uw hoofd,vol bloeiend wit gelaân!

[1]Olieslager.

[2]Gunnen.

[3]Samenlezen.

[4]Onguur.

MIETJE.’t Meiske, met zijn’ teele melk,op zijn bloote voetjes,lang, gelijk nen terruwstelk[1],zoetjes, zoetjes, zoetjesterdt[2]het voort, en anders nietals zijn teele melk en ziet’t.’t Meisken hoorde: „Goedendag!”zeggen, zoetjes, zoetjes:„Mietje!” ’t Meisken ommezag...op zijn bloote voetjesviel de melk en, vol verdriet,wie dat ’t was en wist het niet.Meiske, meiske, meiske snel,op uw bloote voetjes,melk aan ’t dragen, wacht u wel:zoetjes, zoetjes, zoetjes,mijdt u, meiske, en hoort gij iet,vóór u, maar niet omme en ziet!

’t Meiske, met zijn’ teele melk,op zijn bloote voetjes,lang, gelijk nen terruwstelk[1],zoetjes, zoetjes, zoetjesterdt[2]het voort, en anders nietals zijn teele melk en ziet’t.

’t Meisken hoorde: „Goedendag!”zeggen, zoetjes, zoetjes:„Mietje!” ’t Meisken ommezag...op zijn bloote voetjesviel de melk en, vol verdriet,wie dat ’t was en wist het niet.

Meiske, meiske, meiske snel,op uw bloote voetjes,melk aan ’t dragen, wacht u wel:zoetjes, zoetjes, zoetjes,mijdt u, meiske, en hoort gij iet,vóór u, maar niet omme en ziet!

[1]Tarwestengel.

[2]Treedt.

CYTISUS LABURNUM[1].Gevlerikt, na der vliegen aard;gereesemd[2], al omleegewaard;eenvervig, en van goude fijn,des goudenregens blommen zijn.Zij staan in krabben[3], lang en smalvan lijve, en recht een regenvalgelijken zij, van goude.... neen,van zijde en licht en edelsteen.’t En is van al dat bloeit entwatzoo geluw, in geen blommenstad;’t is geluw, naast aan ’t groen.... ’t en doet,’t is groen, ten geel’wen uitgezoet.Als, ievers in den hof gestaan,de goudenregens opengaan,de duisterheid van ’t groen verdwijnt,„het regent en de zunne schijnt.”Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,uw vlagen gaan van goude, en gij,o gulden regen, al te broosvan leven zijt ge, en tijdeloos[4]!Gij strooit den weg, nen dag nadien,of twee, dat wij u open zien:zoo derf[5]is dan uw dood gelaat,als kaf, daarop de vlegel slaat!En, eens dat eene aan ’t vallen is,de stervenstijd van allen isgekommen: geen een blomme en kan’tmeer houden: ’t goud is uitgebrand.O goudenregen, heel en alhet jaar, zoo heet gij regenval;doch regenval van goude, aleerhet meien zal, en zijt gij meer.’k Verlange al, eer de maand daar isweêromme, en tend[6]de hoven, frisch;vol goudeware[7]en zonneschijngeregend door uw’ blommen, zijn.

Gevlerikt, na der vliegen aard;gereesemd[2], al omleegewaard;eenvervig, en van goude fijn,des goudenregens blommen zijn.

Zij staan in krabben[3], lang en smalvan lijve, en recht een regenvalgelijken zij, van goude.... neen,van zijde en licht en edelsteen.

’t En is van al dat bloeit entwatzoo geluw, in geen blommenstad;’t is geluw, naast aan ’t groen.... ’t en doet,’t is groen, ten geel’wen uitgezoet.

Als, ievers in den hof gestaan,de goudenregens opengaan,de duisterheid van ’t groen verdwijnt,„het regent en de zunne schijnt.”

Hoe jammer dat zoo gauw voorbij,uw vlagen gaan van goude, en gij,o gulden regen, al te broosvan leven zijt ge, en tijdeloos[4]!

Gij strooit den weg, nen dag nadien,of twee, dat wij u open zien:zoo derf[5]is dan uw dood gelaat,als kaf, daarop de vlegel slaat!

En, eens dat eene aan ’t vallen is,de stervenstijd van allen isgekommen: geen een blomme en kan’tmeer houden: ’t goud is uitgebrand.

O goudenregen, heel en alhet jaar, zoo heet gij regenval;doch regenval van goude, aleerhet meien zal, en zijt gij meer.

’k Verlange al, eer de maand daar isweêromme, en tend[6]de hoven, frisch;vol goudeware[7]en zonneschijngeregend door uw’ blommen, zijn.

[1]Goudenregen.

[2]Gerist.

[3]Tros.

[4]Zonder tijd, kort van duur.

[5]Bleek.

[6]Tend, tenden, t’enden = aan het einde.

[7]Goudwaar.

BUIGEN OF BERSTEN.Het jong hout staat, den rugge krom,ootmoedigneêrgestopen[1]terwijl de wind, den afgrond vanzijn diepe longen open,gevaren komt, door bilk[2]en bosch;en, bruischende in de boomen,losbandig, al den gruwel vanzijn’ gramschap heen laat stroomen.De boomen staan geworteld inden bodem diepe, en, werenen zal de wind hun sterkheid nochhunne oude stammen deren;ze zuchten en ze stenen wel,ze roepen en ze razen,maar wederstaan, zoo willen ze, en...dat durven ze, die dwazen!Ze ’n buigen niet. Hun’ wortels staanin de eerde neêrgegrepenals ankers, die gebonden staandoen ijzervast de schepen;ze’n buigen niet. Hun hoofdgewaaischeurt af en weg: om ’t even,en zullen noch en willen ze, envoor wie dat ’t zij, begeven.Het jong hout ligt den grond nabij,voorover,neêrgedwongen;verpletterd en vernietigd haast.—De wind komt losgesprongenen, stampende op dat ligt... „Zoo welden naasten als den versten,...die boomen daar zal ’k buigen doen,of willens nillens bersten!”’t Is donker, van al ’t zand, dat vliegt.Geen hersendolle koeienen kunnen, zoo de wind nu doet,zoo ongedoevig[3]loeien.Ei! poffen nu, en paffen gaande pezen af, en krakende wortels: als geweren zijn ’t,die dood en donder braken.De doelen staan, bij vijftigen,bij honderden, te perre[4],ter aarden uitgeheven, en...de boomen zijn omverre,de teenen in de lucht; tot inden vasten grond gezonken,verdwijnt, al even slaggelings[5],hun’ kroone, in de elzentronken.Het jong hout heft den hals weer op;allengskens stilt het weder,en legt het, op de rompen vangeroeide boshout, nederzijn grimmigheid. Een slagveld is ’tvol lijken. Ongeschonden,zoo staan de jonge stammen daarnog, al die buigen konden.

Het jong hout staat, den rugge krom,ootmoedigneêrgestopen[1]terwijl de wind, den afgrond vanzijn diepe longen open,gevaren komt, door bilk[2]en bosch;en, bruischende in de boomen,losbandig, al den gruwel vanzijn’ gramschap heen laat stroomen.

De boomen staan geworteld inden bodem diepe, en, werenen zal de wind hun sterkheid nochhunne oude stammen deren;ze zuchten en ze stenen wel,ze roepen en ze razen,maar wederstaan, zoo willen ze, en...dat durven ze, die dwazen!

Ze ’n buigen niet. Hun’ wortels staanin de eerde neêrgegrepenals ankers, die gebonden staandoen ijzervast de schepen;ze’n buigen niet. Hun hoofdgewaaischeurt af en weg: om ’t even,en zullen noch en willen ze, envoor wie dat ’t zij, begeven.

Het jong hout ligt den grond nabij,voorover,neêrgedwongen;verpletterd en vernietigd haast.—De wind komt losgesprongenen, stampende op dat ligt... „Zoo welden naasten als den versten,...die boomen daar zal ’k buigen doen,of willens nillens bersten!”

’t Is donker, van al ’t zand, dat vliegt.Geen hersendolle koeienen kunnen, zoo de wind nu doet,zoo ongedoevig[3]loeien.Ei! poffen nu, en paffen gaande pezen af, en krakende wortels: als geweren zijn ’t,die dood en donder braken.

De doelen staan, bij vijftigen,bij honderden, te perre[4],ter aarden uitgeheven, en...de boomen zijn omverre,de teenen in de lucht; tot inden vasten grond gezonken,verdwijnt, al even slaggelings[5],hun’ kroone, in de elzentronken.

Het jong hout heft den hals weer op;allengskens stilt het weder,en legt het, op de rompen vangeroeide boshout, nederzijn grimmigheid. Een slagveld is ’tvol lijken. Ongeschonden,zoo staan de jonge stammen daarnog, al die buigen konden.

[1]Neêrgebogen.

[2]Omsloten weide.

[3]Wild, woest.

[4]Op hun kop.

[5]Met één slag.

DE SPERRETAKKEN.De sperretakken staan, nabijden boom, alsof hun blârengestorven, over langen tijdaan jeugd en jonkheid waren;maar, als zoo zaan[1]de zomer komtherzie ’k hun verste vingerenmet jeugdig groen en zappigheidden ouden boom omslingeren.Nog winter is ’t, men zeggen zou,omtrent het bol[2]; en nevenhet bol, zijn zwart de takken, diemaar tendenwaards en leven:het oude draagt het nieuwe, datnog jong is; maar van dagenook oud geworden, beurtelingszal ’t oude ’et nieuwe dragen.Op de ouden blijft gesteund, en zijtvoorzichtig, jonge spranken;’n laat u nooit verleiden, omte vroeg u vrij te dankenvan ’t oude: uit de oude grauwte vande schiergestorven boomenzal nieuwgeboren schoonheid eens,en sterkte, henenstroomen.

De sperretakken staan, nabijden boom, alsof hun blârengestorven, over langen tijdaan jeugd en jonkheid waren;maar, als zoo zaan[1]de zomer komtherzie ’k hun verste vingerenmet jeugdig groen en zappigheidden ouden boom omslingeren.

Nog winter is ’t, men zeggen zou,omtrent het bol[2]; en nevenhet bol, zijn zwart de takken, diemaar tendenwaards en leven:het oude draagt het nieuwe, datnog jong is; maar van dagenook oud geworden, beurtelingszal ’t oude ’et nieuwe dragen.

Op de ouden blijft gesteund, en zijtvoorzichtig, jonge spranken;’n laat u nooit verleiden, omte vroeg u vrij te dankenvan ’t oude: uit de oude grauwte vande schiergestorven boomenzal nieuwgeboren schoonheid eens,en sterkte, henenstroomen.

[1]Dra.

[2]Stam.

HET GULDEN VLIES.’t Is scherenstijd in ’t houtgewas.De blaren vallen: grond en graszijn effen, van den wind die waait,vol zilver en vol goud gezaaid.Zoo groene en is de grond nu meerals wijlen, toen de lente teer,en ’t jonge jaar zijn herte ontlook,de weiden en de bosschen ook.’t Is scherenstijd. De schapen nietmaar ’t houtgewas men scheren ziet;en ’t scherpe van de windenschaaraan ’t knippen is in ’t houtgeblaar.Daar vallen en vergaderennu honderdduizend bladeren,die reuzen[1]af de rijzekens,zoo lustig en zoo lijzekens.’t Is ’t boomenvlies dat nederstort,dat altemaal gesneden wordt;dat af en dóór de schare moet,zoo ’t al, en te elken jare doet.Het gulden vlies, dat Jason zocht,en reeuwroofde[2]op het wangedrocht,aanschouwe ik al mijn leven lang,als wangeloove en kwenenzang[3].Maar ’t geen alhier, aldaar gestrooid,den weg dien ik nu ga vermooit,dat menigvuldig boomverlies,voorwaar dat is mij ’t gulden vlies.Het blinkt, het bleust, het laait, het ligtdoorschoten van den zonneschicht,onmeetbaar, verre, één schapendrachtvan ooienwolle en lammervacht.Een kleed is ’t, als van engelkens,van louter liefdebengelkens,die zijde en wolle en gouden blaândoen liggen, daar ze spelen gaan.Het rilt, bij elker schree, die ’k doe;het roert en ’t ruischt, ’k en weet niet hoe;en ’t riekt, alsof er reuke fijnvan amber uit zou dampend zijn.’t Is scherenstijd, in ’t houtgewas;geen stap mij ooit zoo zoet en wasals dien ik eens, in Ipersteê,deur de afgevallen blâren deê!

’t Is scherenstijd in ’t houtgewas.De blaren vallen: grond en graszijn effen, van den wind die waait,vol zilver en vol goud gezaaid.

Zoo groene en is de grond nu meerals wijlen, toen de lente teer,en ’t jonge jaar zijn herte ontlook,de weiden en de bosschen ook.

’t Is scherenstijd. De schapen nietmaar ’t houtgewas men scheren ziet;en ’t scherpe van de windenschaaraan ’t knippen is in ’t houtgeblaar.

Daar vallen en vergaderennu honderdduizend bladeren,die reuzen[1]af de rijzekens,zoo lustig en zoo lijzekens.

’t Is ’t boomenvlies dat nederstort,dat altemaal gesneden wordt;dat af en dóór de schare moet,zoo ’t al, en te elken jare doet.

Het gulden vlies, dat Jason zocht,en reeuwroofde[2]op het wangedrocht,aanschouwe ik al mijn leven lang,als wangeloove en kwenenzang[3].

Maar ’t geen alhier, aldaar gestrooid,den weg dien ik nu ga vermooit,dat menigvuldig boomverlies,voorwaar dat is mij ’t gulden vlies.

Het blinkt, het bleust, het laait, het ligtdoorschoten van den zonneschicht,onmeetbaar, verre, één schapendrachtvan ooienwolle en lammervacht.

Een kleed is ’t, als van engelkens,van louter liefdebengelkens,die zijde en wolle en gouden blaândoen liggen, daar ze spelen gaan.

Het rilt, bij elker schree, die ’k doe;het roert en ’t ruischt, ’k en weet niet hoe;en ’t riekt, alsof er reuke fijnvan amber uit zou dampend zijn.

’t Is scherenstijd, in ’t houtgewas;geen stap mij ooit zoo zoet en wasals dien ik eens, in Ipersteê,deur de afgevallen blâren deê!

[1]Vallen.

[2]Reeuwroof = lijkroof.

[3]Kwene = oud wijf.


Back to IndexNext