VELUT UMBRA[1].Hoe lange al, eer ’k aanschouwen mochtmijn schaduwbeeld! en zonnestralen,door ’t scheuren van de ontstelde locht,’t daar schielijk, vóór mij, henenmalen!’k Verschiete ervan, zoo lange al is ’t,dat, zonneken, mijne ooge u mist.’k Gevoel ’t zoo veerdig—: ommentom,dien eersten blik van liefde, ’t wezenen ’t uitzien van heel ’t scheps’lendom,gedeluwd[2]en ontziend[3]voordezen,doet werkzaam, in den zonneschijn,heropgestaan en wakker zijn.De witte muur, het roode dak,de grauwe baan, de zwarte moude[4],het groene gers[5], de bruine tak,’t is al alsof ’t herleven zoudein ’t licht, dat ’t moede en ’t doove, vandat verruwloos is, verwen kan.Een enkel scheurke in ’t wolkgewand,en ’k sta daar, vóór mij, heengeschreven,van boven tot beneên, in ’t zandvertweelingd, in ’t geweld te levendes zonnelichts!... Och arme, ’t sluit,weêr toe: mijn beeld is,—al is uit!Zoo gaat het, Heer des levens: alzoo lange ik, in den hoogen throone,U zelven eerst niet zien en zal,den nu nog onaanschouwbaar schoone,zoo lang zal licht en zonneschijnme, en ’t leven ook, een schaduw zijn![1]Als een schaduw.[2]Loodverwig.[3]Onschoon.[4]Aarde.[5]Gras.ABEELEN.Verschgevelde abeelenboomenliggen langs de grachten heen,die den ouden zandweg zoomen,hoofd en armen afgesneên.Sterke stammen, kon dat wezen,gij, die, op en in den grond,met uw’ voeten vastgevezen[1],vamen diepe, ondelgbaar, stondt?Gij, die ’t zwaar geweld der winden,kreunende, op uw kruinen droegt;die zoo lang den boosgezindenwintervijand wedersloegt?’t Edel hoofd intweengespleten,knoken in den grond geboord,wie heeft ’t al u afgebeten,dat uw’ schoonheid toebehoort?Spillen zie ’k, en spanen, dragen;splenters, uit uw hoofdgewaai;takken uit uw’ toppen zagen,kerven af uw’ teenen taai!Elk komt uit en wondt en snijdt u:raapt en rooft, met volle hand;nu dat, omme en verre en wijd, uwhooge kroone ligt in ’t zand.Vijandschap, aan alle zijden,woedt om uwe ellendigheid:heeft u ooit, in vroeger tijden,vrede en vriendschap één ontzeid?Edel volk, wanneer gij wachttet,langs den weg, en schaduw smeetop die, moegegaan, versmachtte ’tzonnevier, was ’t iemand leed?Iemand leed! Ach, laat mij wetenwie dat ’t is, die, afgemat,heeft ondankbaar neêrgezeten,in de schaduw! Leert mij dat!Meermaals mocht ik asem halen,vluchten onder ’t groene dak,als het zweerd der zonnestralenscherp mij in de lenden stak.Boomen, in uw’ looverlane,tellende, een voor een, u al,’s zomers, zoete abeelenbane,zelden ik nog komen zal!’t Deert mij zoo!—De abeelenboomenliggen langs de grachten heen,die den ouden zandweg zoomen,hals en handen afgesneên![1]Vijzen = schroeven.LENTEGROEN.’t Is lentegroen genoeg,voor honderdduizend oogen;eilaas, ’k en hebbe er ik,o grondig groene zee,maar twee:wie kander moedeloos,den dwang mij doen gedoogenvan ’t geen mij tegenhoudtnen tocht in al dat groente doen?Gij vlerkendragend volk,gij allerhand gezwindedoorvliegers van de lucht,de lieve lente lachtzoo zacht;en gij, gij vliegt haar in’t gemoet, bij lork en linde,in ’t nieuwgeboren gers[1],in ’t onkruid en in ’t riet:ik niet!Gij bietjes ongeteld,gij tienmaalhonderdduizendin ’t rood, in ’t geel, in ’t blauwgepinte[2]pepels[3], haaiten draaiten drentelt, op en neêr,eer ’t zonnelicht, verhuizendvan hier, u, ’t lieve groen,en mij, de moede nachtontkracht!o Grondig, groene zee,’k ben visschende op de barenvan uwe oneindigheidvan groen, en mijn gewindaarinverheugt mijn arem herte:om ’t gene ik late varen,om ’t gene ik vangen kan,en.... God gebenedijdmij zijt![1]Gras.[2]Getooid.[3]Vlinder.VOGELZANG.Ik hoore ’t, gij vogelkens,luide genoegherhaalt en herhaalt gijuw’ spraken;maar, hoe ik mijn beste doe,spade ende vroeg,’k en wete er geen zin vante maken.Verstaat gij malkanderen,elk in zijn’ taal?Verstaat, gij die meest endie merelt,die lijstert, die leeuwerkt, diemuscht, altemaaluw maagschap, tot tendende wereld?Geen slagers en kenne ik, zoodapper als... ei!die, slaande uwen klank uitder kelen,komt vinken en klinken hier,vroeg in de mei,en zitten en zingenen spelen.Ge ’n hebt me noch dit, in uw’zangen, gedwaald;noch dat, in uw zingen,vergeten;gelijk is het altijd, al’t gene gij taalt,gewikt en gemikt engemeten.Zoo zongen uwe ouders, zoogij ook, nadien;en, na u, zoo zingenuw’ jongen;hebbe ievers ik nachtegaals-zonen gezien,’t was nachtegaalszang, datzij zongen.Dan—alles van buiten weet ge:al dat gij zingten zurkelt en zabbert;’t zit evenzoo net in zijn’ haken enoogen, mij dinkt,of ware ’t met inte[1]geschreven.Daar leerde toch iemand u ’tliedergeluidnaar maten en wettenbedwingen;nu heffen, nu leggen: danin en dan uit,van ’t hoogere in ’t leegeverspringen!Geen scholen en wete ik, daar,lastig en lang,gij zaat, om uw’ lessente leeren,zoo menschen dat moeten, diespel en gezangbetalende menschenvereeren!Gods werken, zijt wonder: ikwille u verstaan,doch, helder en wordt het...!Geradenen kan ik het raadsel, hoeHij heeft gedaan,de Godlijke Dader,zijn’ daden![1]Inkt.ZONNEWENDE.Een blomken heb ik staan, nabijme, in de oude boekenzale,dat altijd, naar den dag toe, keertzijn’ blaârkes, altemale;het wenden mag ik zus of zoo,dat ik begere volgt het noo,en ’t zoekt, weerom naar mij gericht,nog altijd liever ’t zonnelicht!Och, ware ik als dat blomken is,in al mijn doen en laten,mijn zorgen, mijn bekommernis,in huis en achter straten:’t zij wat men doet of niet en doet,’t zij wat ik immer lijden moet,naar u, met herte en ziel, gericht,o alverzettend zonnelicht!’t Is duister nu en zwaar, te mets[1],omtrent mij: oude kwalenen nieuwe, doen, van zielgekwets,mij moe zijn, menigmalen,tot dat, o God, naar U gewend,mijn’ duisterheid den dag erkent,en ziende U, met mijne oogen dicht,ik asem hale, in ’t zonnelicht.[1]Somwijlen.BONTE ABEELEN.Wit als watte, en teenegadergroen, is ’t bonte abeelgeblader.Wakker, als een wekkerspel,wikkelwakkelwaait het snel.Groen vanboven is ’t en, zonderminke[1], wit als melk, vanonder.Onstandvastig volgt het, gansch,’t onstandvastig windgedans.Wisselbeurtig, op en neder,slaat het, als een’ vogelveder:Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,„bonte-abeelt” de duivenvlucht.[1]Iets dat ontbreekt, vlek.DE BLEEKERSGAST.’t Ververscht mij, in ’t geweld gestaander hooge zonnekrachten,te zien van verre, aan ’t water slaan,vuls arems, uit de grachten,den bleekersgast: de regenvloed’t geleschte lijnwaad ronken doet.Den lepel zwaait hij, zwak van leên,ter beken uit, omhooge;en waken doet, hoe verre heenhij werpen kan, zijne ooge:de laatste lage en mist hij niet,en al dat drooge is nat hij giet.De groote zonne lacht daaropheure alderliefste lonken;die, vallende in den dreupeldrop,den dreupeldrop ontvonken:ik regenbogen, smal van bouw,nu hier nu daar, in ’t gers[1], aanschouw.Het lijnwaad is, en ’t gers, nu natgenoeg; de lanen leken;en wederom zijn spegelgladvan aanschijn al de beken;de bleeker zit en droogt entwaar[2]de peerlen uit zijn kroezelhaar.Verzachten doet dat regenbeeld’t geweld der heete stralen,en lichter in de longer[3]speeltvoortaan mij ’t asemhalen:zij vrede aan al die ’t schoone vanGods wonderheên beseffen kan![1]Gras.[2]Ergens.[3]Long.RIJMRAM.Daar viel mij in ’t gedacht entwat,dat, al te onveerdig opgevat,verloren liep; en, mondgemeens,en zal ’t noch ik, noch iemand eensgenieten.Het deert mij danig! Ei! ’t en doet;en heel en is en al, voor goed,dat ongedicht gedachtje, datwas al te onveerdig opgevat,te nieten.Het leeft entwaar[1]entwat dervan,dat visschende ik nog vangen kan,wellicht; en, eens in ’t net, wie is ’t,genaan[2]! die mij den visch ontvischt,en ’t garen?Mij rijmvast en, van stonden aan,zal ’t stijf en sterk in staven staan,nu, mondgemeen, het onverwachtgedacht gedicht, gedicht gedacht,nog jaren.[1]Ergens.[2]Wat weerga!TWEE HORSEN.Ze stappen, hun’ bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten; en blinkendoet ’t blonde gelijm[1]van hun haar.Ze stappen, ze stenen, ze stijvende stringen; en ’t ronde gareel,het spant op hun’ spannende lijven:de voerman beweegt ze aan een zeel.De wagen komt achter. De rossen,gelaten in ’t lastig geluidder schokkende, bokkende[2]bossen[3],gaan, stille en gestadig, vooruit.Geen zwepe en behoort er te zinken,geen snoer en genaakt er één haar:zoo stappen, hun’ bellen al klinken,de vrome twee horsen, te gaâr.[1]Geblink.[2]Stooten.[3]Naaf.HET KLOKGEBED.Hoe helder klinktde klokkentaalten torren uit:tot negenmaalherhaalt, herhaaltde klepel, opden rooden boord,zijn beêgeklop!De landman laatzijn’ rossen staan:naar huis zal hij,en rusten, gaan!maar, eer hij stapvan stede zet,zoo bidt hij nogzijn klokgebed.Een engel naarMaria kwam:de boodschap hijvan ’t Boetelamhad medebracht:en negenmaalbegroet haar nude klokkentaal.Gods eeuwig Woordhet licht verlietdes hemels, enMaria hiethet moeder zijnvan Hem die, aanden boom, voor onsheeft boete ontvaân[1].De landman, naden laatsten klop,van bidden houdt,van werken, op;zijn’ rossen staanop stal weerom,en moeder wenschthem willekom.[1]Ontvangen.SCHOONHEID.Hoe schoon zijn de ongekunstenaardeboomen, die’k, erkenbaar uit elkander, in denhemel ziegeschoten staan, en dragende elk eenbeeltenis,daar ’t werken van Gods hand nog aan tevinden is!Hoe schoon is, ongeschonden, in dezonnenkracht,’t wijduitgespreide bouwsel van deboomenpracht,ten toppen uit gedreven, en, vandracht, alzoo ’tde Schepper eerst, beminnende, uit zijnhanden goot!Het was alzoo geschapen en, vanGod gemaakt:waarom en laat ge ’t, mensch, door u nietaangeraakt,geworden, ’t onverbeterbare en’t schoonste vande schoonheid, daar geen menschenhand ooitaan en kan?DE DAKPANNEN.De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,schuren bedekkende en boeien[1],laat er de zonne, van uit heuren throon,vierige vonken op gloeien.Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,vunzig, oneffen bedegen[2]:deerlijk ontodderd[3]en schamel, beneên’t vochtig gezijp van den regen.Blijde nu blinken ze, in ’t zadgroene veld;schuren bedekkende en boeien:’k zie mij zoo geren, in ’t zonnengeweld,de oude roo dakpannen bloeien.[1]Schuurtje.[2]Geworden.[3]Uit de voegen.TERUG.Scheef is de poorte vanoudheid, geweken:zaâlrugde[1]’t dak vande schure; overalstroo op de zwepingen[2]zit er gesteken;vodden beveursten[3]hethuis en den stal.Boven die vodden zijnblommen gesprongen;onder die vodden zitvolk en gezin;blommen van vrede, zooouden, zoo jongen,blommen van buiten enblommen van bin.Daar is ’t, dat moeder zat;daar is ’t, dat vadervond die hem arbeid enherte bracht; daarknielden wij, kinderen,handen te gader,baden wij, kleenen engrooten, te gaâr.Daar is de schippe nog,daar is de tange;’t ovenbuur[4]staat daar, zoo’t vroeger daar stond;’t hondekot staat daar, en...—’t is al zoo lange!—Hoe is de naam van dienanderen hond?Ach, hoe verheugen mij,ach, hoe verheffende oudere dagen mijndiepste gemoed!Is er wel iemand, die ’tooit kon beseffenwat gij, oud hof, mij nuzegt, mij nu doet?Zalige lieden, alte arglooze menschen,weinig begeerdet gij,groot was uw hert!—Kon het maar helpen, metweenen en wenschen,weêr ate ik roggenbrood,naast u aan ’t berd[5]![1]Met een rug als een zadel.[2]Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.[3]Zoden vormen de dakvorst.[4]Ovenhuis.[5]Tafel.HET GETOUWE.En mocht ik maartwee zielen hebben,’n mocht ik maartwee menschen zijn,’k zou weven mijtweêrhande webben:een’ webbe groef,een webbe fijn.Een webbe zou ’k,van zonne en zijde,mij weven, envan goudgespin;met boomen enmet blaren, blijde,met meer als eenschoon blomken in.Mijn ander’ webbe,en tweede leven,’n liet ik maar,onaangemoeid,geschoren zijn,getouwd, geweven,zoo ’t in en deur’t getouwe vloeit!Doch neen: ik zal,van ziele en lijve,de wever vanéén webbe zijn,zoo lange ’k indit leven blijve,van zuur en zoet,van groef en fijn.Den inslag enden drom[1]van ’t leven,van goed, heeft God,en kwaad gespin,van zijde en wolleen werk gegeven,met hier en daareen blomken in.En, zittende opmijn krank getrouwe,zoo weve en werkeik, dag en nacht,aanziende, volgoe hope en rouwe,den Heere, diemijn werk verwacht.[1]Schering.WIEROOK.Thus ardens in igne.o Wierookgraan,geronnen traanvan ceder- en van lorkenstammen,gebedenbeeld,daar ’t vier in speelt,en ’t vonkelen van ’s herten vlammen.Geen gave vanfijn goud en kanmijn hand den Heer, geen myrrha bieden,maar wierook zal,en overalen allen dag, Hem dank bedieden.o Wierookgraan,in ’t vier gedaan,en rookende uit mijns herten midden,van aardsch en grauwwordt hemelsch blauw:gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.O HEEMELIJKE DIEPTEN...o Heemelijke diepten van’t vol schaduw hangend boschgebied:vol schaduwe en vol duisterheid,vol nacht en dauw, dooreengespreid!’t Is morgen, en de zonne berstalhier, aldaar, ontembaar, uitden nachtelijken moederschoot:„Hier ben ik!” roept de zonne groot.„Hier ben ik!” En, ze doet den dauw,in ’t veld, en al dat vochtig is,verdampen. Deur de glazen valtze in ’t huisgezin:—ontwekken zal ’t!’t Is licht alom: ’t is leven al,dat ’t zonnebeeld aanschouwde: alleen,daar diepe, in ’t eenzaam boschgebied,en zie ’k, o schoone zonne, u niet.’t Is duister, en ’t is nacht daar nog;met hier en daar een’ gulpe of twee,daar ’t groen wordt, uit der grouwbaarheid...’k en weet niet hoe ’t nen naam gezeid!De zonne grijpt al vaster nude trappen aan des luchtgebouws:ter zege vaart ze, hooge en blij;geen boom die heur weêrbarstig zij!Zij giet, dat elk het merken mag,bij geuten, vier en werkzaamheidden bossche in: dweersche balken gaan,vol speitend licht, den bodem slaan.Het mosch, het loof, het blinkend hout,de takken zware of lijze, looptzij lustig laven:—heerlijk isverwonnen weêr de duisternis.Verwonnen zij de dood, en aldat duisternisse of boosheid heet,door ’t Licht van U, die, tallertijdverwinnende, onverwonnen zijt!
VELUT UMBRA[1].Hoe lange al, eer ’k aanschouwen mochtmijn schaduwbeeld! en zonnestralen,door ’t scheuren van de ontstelde locht,’t daar schielijk, vóór mij, henenmalen!’k Verschiete ervan, zoo lange al is ’t,dat, zonneken, mijne ooge u mist.’k Gevoel ’t zoo veerdig—: ommentom,dien eersten blik van liefde, ’t wezenen ’t uitzien van heel ’t scheps’lendom,gedeluwd[2]en ontziend[3]voordezen,doet werkzaam, in den zonneschijn,heropgestaan en wakker zijn.De witte muur, het roode dak,de grauwe baan, de zwarte moude[4],het groene gers[5], de bruine tak,’t is al alsof ’t herleven zoudein ’t licht, dat ’t moede en ’t doove, vandat verruwloos is, verwen kan.Een enkel scheurke in ’t wolkgewand,en ’k sta daar, vóór mij, heengeschreven,van boven tot beneên, in ’t zandvertweelingd, in ’t geweld te levendes zonnelichts!... Och arme, ’t sluit,weêr toe: mijn beeld is,—al is uit!Zoo gaat het, Heer des levens: alzoo lange ik, in den hoogen throone,U zelven eerst niet zien en zal,den nu nog onaanschouwbaar schoone,zoo lang zal licht en zonneschijnme, en ’t leven ook, een schaduw zijn!
Hoe lange al, eer ’k aanschouwen mochtmijn schaduwbeeld! en zonnestralen,door ’t scheuren van de ontstelde locht,’t daar schielijk, vóór mij, henenmalen!’k Verschiete ervan, zoo lange al is ’t,dat, zonneken, mijne ooge u mist.
’k Gevoel ’t zoo veerdig—: ommentom,dien eersten blik van liefde, ’t wezenen ’t uitzien van heel ’t scheps’lendom,gedeluwd[2]en ontziend[3]voordezen,doet werkzaam, in den zonneschijn,heropgestaan en wakker zijn.
De witte muur, het roode dak,de grauwe baan, de zwarte moude[4],het groene gers[5], de bruine tak,’t is al alsof ’t herleven zoudein ’t licht, dat ’t moede en ’t doove, vandat verruwloos is, verwen kan.
Een enkel scheurke in ’t wolkgewand,en ’k sta daar, vóór mij, heengeschreven,van boven tot beneên, in ’t zandvertweelingd, in ’t geweld te levendes zonnelichts!... Och arme, ’t sluit,weêr toe: mijn beeld is,—al is uit!
Zoo gaat het, Heer des levens: alzoo lange ik, in den hoogen throone,U zelven eerst niet zien en zal,den nu nog onaanschouwbaar schoone,zoo lang zal licht en zonneschijnme, en ’t leven ook, een schaduw zijn!
[1]Als een schaduw.
[2]Loodverwig.
[3]Onschoon.
[4]Aarde.
[5]Gras.
ABEELEN.Verschgevelde abeelenboomenliggen langs de grachten heen,die den ouden zandweg zoomen,hoofd en armen afgesneên.Sterke stammen, kon dat wezen,gij, die, op en in den grond,met uw’ voeten vastgevezen[1],vamen diepe, ondelgbaar, stondt?Gij, die ’t zwaar geweld der winden,kreunende, op uw kruinen droegt;die zoo lang den boosgezindenwintervijand wedersloegt?’t Edel hoofd intweengespleten,knoken in den grond geboord,wie heeft ’t al u afgebeten,dat uw’ schoonheid toebehoort?Spillen zie ’k, en spanen, dragen;splenters, uit uw hoofdgewaai;takken uit uw’ toppen zagen,kerven af uw’ teenen taai!Elk komt uit en wondt en snijdt u:raapt en rooft, met volle hand;nu dat, omme en verre en wijd, uwhooge kroone ligt in ’t zand.Vijandschap, aan alle zijden,woedt om uwe ellendigheid:heeft u ooit, in vroeger tijden,vrede en vriendschap één ontzeid?Edel volk, wanneer gij wachttet,langs den weg, en schaduw smeetop die, moegegaan, versmachtte ’tzonnevier, was ’t iemand leed?Iemand leed! Ach, laat mij wetenwie dat ’t is, die, afgemat,heeft ondankbaar neêrgezeten,in de schaduw! Leert mij dat!Meermaals mocht ik asem halen,vluchten onder ’t groene dak,als het zweerd der zonnestralenscherp mij in de lenden stak.Boomen, in uw’ looverlane,tellende, een voor een, u al,’s zomers, zoete abeelenbane,zelden ik nog komen zal!’t Deert mij zoo!—De abeelenboomenliggen langs de grachten heen,die den ouden zandweg zoomen,hals en handen afgesneên!
Verschgevelde abeelenboomenliggen langs de grachten heen,die den ouden zandweg zoomen,hoofd en armen afgesneên.
Sterke stammen, kon dat wezen,gij, die, op en in den grond,met uw’ voeten vastgevezen[1],vamen diepe, ondelgbaar, stondt?
Gij, die ’t zwaar geweld der winden,kreunende, op uw kruinen droegt;die zoo lang den boosgezindenwintervijand wedersloegt?
’t Edel hoofd intweengespleten,knoken in den grond geboord,wie heeft ’t al u afgebeten,dat uw’ schoonheid toebehoort?
Spillen zie ’k, en spanen, dragen;splenters, uit uw hoofdgewaai;takken uit uw’ toppen zagen,kerven af uw’ teenen taai!
Elk komt uit en wondt en snijdt u:raapt en rooft, met volle hand;nu dat, omme en verre en wijd, uwhooge kroone ligt in ’t zand.
Vijandschap, aan alle zijden,woedt om uwe ellendigheid:heeft u ooit, in vroeger tijden,vrede en vriendschap één ontzeid?
Edel volk, wanneer gij wachttet,langs den weg, en schaduw smeetop die, moegegaan, versmachtte ’tzonnevier, was ’t iemand leed?
Iemand leed! Ach, laat mij wetenwie dat ’t is, die, afgemat,heeft ondankbaar neêrgezeten,in de schaduw! Leert mij dat!
Meermaals mocht ik asem halen,vluchten onder ’t groene dak,als het zweerd der zonnestralenscherp mij in de lenden stak.
Boomen, in uw’ looverlane,tellende, een voor een, u al,’s zomers, zoete abeelenbane,zelden ik nog komen zal!
’t Deert mij zoo!—De abeelenboomenliggen langs de grachten heen,die den ouden zandweg zoomen,hals en handen afgesneên!
[1]Vijzen = schroeven.
LENTEGROEN.’t Is lentegroen genoeg,voor honderdduizend oogen;eilaas, ’k en hebbe er ik,o grondig groene zee,maar twee:wie kander moedeloos,den dwang mij doen gedoogenvan ’t geen mij tegenhoudtnen tocht in al dat groente doen?Gij vlerkendragend volk,gij allerhand gezwindedoorvliegers van de lucht,de lieve lente lachtzoo zacht;en gij, gij vliegt haar in’t gemoet, bij lork en linde,in ’t nieuwgeboren gers[1],in ’t onkruid en in ’t riet:ik niet!Gij bietjes ongeteld,gij tienmaalhonderdduizendin ’t rood, in ’t geel, in ’t blauwgepinte[2]pepels[3], haaiten draaiten drentelt, op en neêr,eer ’t zonnelicht, verhuizendvan hier, u, ’t lieve groen,en mij, de moede nachtontkracht!o Grondig, groene zee,’k ben visschende op de barenvan uwe oneindigheidvan groen, en mijn gewindaarinverheugt mijn arem herte:om ’t gene ik late varen,om ’t gene ik vangen kan,en.... God gebenedijdmij zijt!
’t Is lentegroen genoeg,voor honderdduizend oogen;eilaas, ’k en hebbe er ik,o grondig groene zee,maar twee:wie kander moedeloos,den dwang mij doen gedoogenvan ’t geen mij tegenhoudtnen tocht in al dat groente doen?
Gij vlerkendragend volk,gij allerhand gezwindedoorvliegers van de lucht,de lieve lente lachtzoo zacht;en gij, gij vliegt haar in’t gemoet, bij lork en linde,in ’t nieuwgeboren gers[1],in ’t onkruid en in ’t riet:ik niet!
Gij bietjes ongeteld,gij tienmaalhonderdduizendin ’t rood, in ’t geel, in ’t blauwgepinte[2]pepels[3], haaiten draaiten drentelt, op en neêr,eer ’t zonnelicht, verhuizendvan hier, u, ’t lieve groen,en mij, de moede nachtontkracht!
o Grondig, groene zee,’k ben visschende op de barenvan uwe oneindigheidvan groen, en mijn gewindaarinverheugt mijn arem herte:om ’t gene ik late varen,om ’t gene ik vangen kan,en.... God gebenedijdmij zijt!
[1]Gras.
[2]Getooid.
[3]Vlinder.
VOGELZANG.Ik hoore ’t, gij vogelkens,luide genoegherhaalt en herhaalt gijuw’ spraken;maar, hoe ik mijn beste doe,spade ende vroeg,’k en wete er geen zin vante maken.Verstaat gij malkanderen,elk in zijn’ taal?Verstaat, gij die meest endie merelt,die lijstert, die leeuwerkt, diemuscht, altemaaluw maagschap, tot tendende wereld?Geen slagers en kenne ik, zoodapper als... ei!die, slaande uwen klank uitder kelen,komt vinken en klinken hier,vroeg in de mei,en zitten en zingenen spelen.Ge ’n hebt me noch dit, in uw’zangen, gedwaald;noch dat, in uw zingen,vergeten;gelijk is het altijd, al’t gene gij taalt,gewikt en gemikt engemeten.Zoo zongen uwe ouders, zoogij ook, nadien;en, na u, zoo zingenuw’ jongen;hebbe ievers ik nachtegaals-zonen gezien,’t was nachtegaalszang, datzij zongen.Dan—alles van buiten weet ge:al dat gij zingten zurkelt en zabbert;’t zit evenzoo net in zijn’ haken enoogen, mij dinkt,of ware ’t met inte[1]geschreven.Daar leerde toch iemand u ’tliedergeluidnaar maten en wettenbedwingen;nu heffen, nu leggen: danin en dan uit,van ’t hoogere in ’t leegeverspringen!Geen scholen en wete ik, daar,lastig en lang,gij zaat, om uw’ lessente leeren,zoo menschen dat moeten, diespel en gezangbetalende menschenvereeren!Gods werken, zijt wonder: ikwille u verstaan,doch, helder en wordt het...!Geradenen kan ik het raadsel, hoeHij heeft gedaan,de Godlijke Dader,zijn’ daden!
Ik hoore ’t, gij vogelkens,luide genoegherhaalt en herhaalt gijuw’ spraken;maar, hoe ik mijn beste doe,spade ende vroeg,’k en wete er geen zin vante maken.
Verstaat gij malkanderen,elk in zijn’ taal?Verstaat, gij die meest endie merelt,die lijstert, die leeuwerkt, diemuscht, altemaaluw maagschap, tot tendende wereld?
Geen slagers en kenne ik, zoodapper als... ei!die, slaande uwen klank uitder kelen,komt vinken en klinken hier,vroeg in de mei,en zitten en zingenen spelen.
Ge ’n hebt me noch dit, in uw’zangen, gedwaald;noch dat, in uw zingen,vergeten;gelijk is het altijd, al’t gene gij taalt,gewikt en gemikt engemeten.
Zoo zongen uwe ouders, zoogij ook, nadien;en, na u, zoo zingenuw’ jongen;hebbe ievers ik nachtegaals-zonen gezien,’t was nachtegaalszang, datzij zongen.
Dan—alles van buiten weet ge:al dat gij zingten zurkelt en zabbert;’t zit evenzoo net in zijn’ haken enoogen, mij dinkt,of ware ’t met inte[1]geschreven.
Daar leerde toch iemand u ’tliedergeluidnaar maten en wettenbedwingen;nu heffen, nu leggen: danin en dan uit,van ’t hoogere in ’t leegeverspringen!
Geen scholen en wete ik, daar,lastig en lang,gij zaat, om uw’ lessente leeren,zoo menschen dat moeten, diespel en gezangbetalende menschenvereeren!
Gods werken, zijt wonder: ikwille u verstaan,doch, helder en wordt het...!Geradenen kan ik het raadsel, hoeHij heeft gedaan,de Godlijke Dader,zijn’ daden!
[1]Inkt.
ZONNEWENDE.Een blomken heb ik staan, nabijme, in de oude boekenzale,dat altijd, naar den dag toe, keertzijn’ blaârkes, altemale;het wenden mag ik zus of zoo,dat ik begere volgt het noo,en ’t zoekt, weerom naar mij gericht,nog altijd liever ’t zonnelicht!Och, ware ik als dat blomken is,in al mijn doen en laten,mijn zorgen, mijn bekommernis,in huis en achter straten:’t zij wat men doet of niet en doet,’t zij wat ik immer lijden moet,naar u, met herte en ziel, gericht,o alverzettend zonnelicht!’t Is duister nu en zwaar, te mets[1],omtrent mij: oude kwalenen nieuwe, doen, van zielgekwets,mij moe zijn, menigmalen,tot dat, o God, naar U gewend,mijn’ duisterheid den dag erkent,en ziende U, met mijne oogen dicht,ik asem hale, in ’t zonnelicht.
Een blomken heb ik staan, nabijme, in de oude boekenzale,dat altijd, naar den dag toe, keertzijn’ blaârkes, altemale;het wenden mag ik zus of zoo,dat ik begere volgt het noo,en ’t zoekt, weerom naar mij gericht,nog altijd liever ’t zonnelicht!
Och, ware ik als dat blomken is,in al mijn doen en laten,mijn zorgen, mijn bekommernis,in huis en achter straten:’t zij wat men doet of niet en doet,’t zij wat ik immer lijden moet,naar u, met herte en ziel, gericht,o alverzettend zonnelicht!
’t Is duister nu en zwaar, te mets[1],omtrent mij: oude kwalenen nieuwe, doen, van zielgekwets,mij moe zijn, menigmalen,tot dat, o God, naar U gewend,mijn’ duisterheid den dag erkent,en ziende U, met mijne oogen dicht,ik asem hale, in ’t zonnelicht.
[1]Somwijlen.
BONTE ABEELEN.Wit als watte, en teenegadergroen, is ’t bonte abeelgeblader.Wakker, als een wekkerspel,wikkelwakkelwaait het snel.Groen vanboven is ’t en, zonderminke[1], wit als melk, vanonder.Onstandvastig volgt het, gansch,’t onstandvastig windgedans.Wisselbeurtig, op en neder,slaat het, als een’ vogelveder:Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,„bonte-abeelt” de duivenvlucht.
Wit als watte, en teenegadergroen, is ’t bonte abeelgeblader.
Wakker, als een wekkerspel,wikkelwakkelwaait het snel.
Groen vanboven is ’t en, zonderminke[1], wit als melk, vanonder.
Onstandvastig volgt het, gansch,’t onstandvastig windgedans.
Wisselbeurtig, op en neder,slaat het, als een’ vogelveder:
Wit en grauw, zoo, dóór de lucht,„bonte-abeelt” de duivenvlucht.
[1]Iets dat ontbreekt, vlek.
DE BLEEKERSGAST.’t Ververscht mij, in ’t geweld gestaander hooge zonnekrachten,te zien van verre, aan ’t water slaan,vuls arems, uit de grachten,den bleekersgast: de regenvloed’t geleschte lijnwaad ronken doet.Den lepel zwaait hij, zwak van leên,ter beken uit, omhooge;en waken doet, hoe verre heenhij werpen kan, zijne ooge:de laatste lage en mist hij niet,en al dat drooge is nat hij giet.De groote zonne lacht daaropheure alderliefste lonken;die, vallende in den dreupeldrop,den dreupeldrop ontvonken:ik regenbogen, smal van bouw,nu hier nu daar, in ’t gers[1], aanschouw.Het lijnwaad is, en ’t gers, nu natgenoeg; de lanen leken;en wederom zijn spegelgladvan aanschijn al de beken;de bleeker zit en droogt entwaar[2]de peerlen uit zijn kroezelhaar.Verzachten doet dat regenbeeld’t geweld der heete stralen,en lichter in de longer[3]speeltvoortaan mij ’t asemhalen:zij vrede aan al die ’t schoone vanGods wonderheên beseffen kan!
’t Ververscht mij, in ’t geweld gestaander hooge zonnekrachten,te zien van verre, aan ’t water slaan,vuls arems, uit de grachten,den bleekersgast: de regenvloed’t geleschte lijnwaad ronken doet.
Den lepel zwaait hij, zwak van leên,ter beken uit, omhooge;en waken doet, hoe verre heenhij werpen kan, zijne ooge:de laatste lage en mist hij niet,en al dat drooge is nat hij giet.
De groote zonne lacht daaropheure alderliefste lonken;die, vallende in den dreupeldrop,den dreupeldrop ontvonken:ik regenbogen, smal van bouw,nu hier nu daar, in ’t gers[1], aanschouw.
Het lijnwaad is, en ’t gers, nu natgenoeg; de lanen leken;en wederom zijn spegelgladvan aanschijn al de beken;de bleeker zit en droogt entwaar[2]de peerlen uit zijn kroezelhaar.
Verzachten doet dat regenbeeld’t geweld der heete stralen,en lichter in de longer[3]speeltvoortaan mij ’t asemhalen:zij vrede aan al die ’t schoone vanGods wonderheên beseffen kan!
[1]Gras.
[2]Ergens.
[3]Long.
RIJMRAM.Daar viel mij in ’t gedacht entwat,dat, al te onveerdig opgevat,verloren liep; en, mondgemeens,en zal ’t noch ik, noch iemand eensgenieten.Het deert mij danig! Ei! ’t en doet;en heel en is en al, voor goed,dat ongedicht gedachtje, datwas al te onveerdig opgevat,te nieten.Het leeft entwaar[1]entwat dervan,dat visschende ik nog vangen kan,wellicht; en, eens in ’t net, wie is ’t,genaan[2]! die mij den visch ontvischt,en ’t garen?Mij rijmvast en, van stonden aan,zal ’t stijf en sterk in staven staan,nu, mondgemeen, het onverwachtgedacht gedicht, gedicht gedacht,nog jaren.
Daar viel mij in ’t gedacht entwat,dat, al te onveerdig opgevat,verloren liep; en, mondgemeens,en zal ’t noch ik, noch iemand eensgenieten.
Het deert mij danig! Ei! ’t en doet;en heel en is en al, voor goed,dat ongedicht gedachtje, datwas al te onveerdig opgevat,te nieten.
Het leeft entwaar[1]entwat dervan,dat visschende ik nog vangen kan,wellicht; en, eens in ’t net, wie is ’t,genaan[2]! die mij den visch ontvischt,en ’t garen?
Mij rijmvast en, van stonden aan,zal ’t stijf en sterk in staven staan,nu, mondgemeen, het onverwachtgedacht gedicht, gedicht gedacht,nog jaren.
[1]Ergens.
[2]Wat weerga!
TWEE HORSEN.Ze stappen, hun’ bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten; en blinkendoet ’t blonde gelijm[1]van hun haar.Ze stappen, ze stenen, ze stijvende stringen; en ’t ronde gareel,het spant op hun’ spannende lijven:de voerman beweegt ze aan een zeel.De wagen komt achter. De rossen,gelaten in ’t lastig geluidder schokkende, bokkende[2]bossen[3],gaan, stille en gestadig, vooruit.Geen zwepe en behoort er te zinken,geen snoer en genaakt er één haar:zoo stappen, hun’ bellen al klinken,de vrome twee horsen, te gaâr.
Ze stappen, hun’ bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten; en blinkendoet ’t blonde gelijm[1]van hun haar.
Ze stappen, ze stenen, ze stijvende stringen; en ’t ronde gareel,het spant op hun’ spannende lijven:de voerman beweegt ze aan een zeel.
De wagen komt achter. De rossen,gelaten in ’t lastig geluidder schokkende, bokkende[2]bossen[3],gaan, stille en gestadig, vooruit.
Geen zwepe en behoort er te zinken,geen snoer en genaakt er één haar:zoo stappen, hun’ bellen al klinken,de vrome twee horsen, te gaâr.
[1]Geblink.
[2]Stooten.
[3]Naaf.
HET KLOKGEBED.Hoe helder klinktde klokkentaalten torren uit:tot negenmaalherhaalt, herhaaltde klepel, opden rooden boord,zijn beêgeklop!De landman laatzijn’ rossen staan:naar huis zal hij,en rusten, gaan!maar, eer hij stapvan stede zet,zoo bidt hij nogzijn klokgebed.Een engel naarMaria kwam:de boodschap hijvan ’t Boetelamhad medebracht:en negenmaalbegroet haar nude klokkentaal.Gods eeuwig Woordhet licht verlietdes hemels, enMaria hiethet moeder zijnvan Hem die, aanden boom, voor onsheeft boete ontvaân[1].De landman, naden laatsten klop,van bidden houdt,van werken, op;zijn’ rossen staanop stal weerom,en moeder wenschthem willekom.
Hoe helder klinktde klokkentaalten torren uit:tot negenmaalherhaalt, herhaaltde klepel, opden rooden boord,zijn beêgeklop!
De landman laatzijn’ rossen staan:naar huis zal hij,en rusten, gaan!maar, eer hij stapvan stede zet,zoo bidt hij nogzijn klokgebed.
Een engel naarMaria kwam:de boodschap hijvan ’t Boetelamhad medebracht:en negenmaalbegroet haar nude klokkentaal.
Gods eeuwig Woordhet licht verlietdes hemels, enMaria hiethet moeder zijnvan Hem die, aanden boom, voor onsheeft boete ontvaân[1].
De landman, naden laatsten klop,van bidden houdt,van werken, op;zijn’ rossen staanop stal weerom,en moeder wenschthem willekom.
[1]Ontvangen.
SCHOONHEID.Hoe schoon zijn de ongekunstenaardeboomen, die’k, erkenbaar uit elkander, in denhemel ziegeschoten staan, en dragende elk eenbeeltenis,daar ’t werken van Gods hand nog aan tevinden is!Hoe schoon is, ongeschonden, in dezonnenkracht,’t wijduitgespreide bouwsel van deboomenpracht,ten toppen uit gedreven, en, vandracht, alzoo ’tde Schepper eerst, beminnende, uit zijnhanden goot!Het was alzoo geschapen en, vanGod gemaakt:waarom en laat ge ’t, mensch, door u nietaangeraakt,geworden, ’t onverbeterbare en’t schoonste vande schoonheid, daar geen menschenhand ooitaan en kan?
Hoe schoon zijn de ongekunstenaardeboomen, die’k, erkenbaar uit elkander, in denhemel ziegeschoten staan, en dragende elk eenbeeltenis,daar ’t werken van Gods hand nog aan tevinden is!
Hoe schoon is, ongeschonden, in dezonnenkracht,’t wijduitgespreide bouwsel van deboomenpracht,ten toppen uit gedreven, en, vandracht, alzoo ’tde Schepper eerst, beminnende, uit zijnhanden goot!
Het was alzoo geschapen en, vanGod gemaakt:waarom en laat ge ’t, mensch, door u nietaangeraakt,geworden, ’t onverbeterbare en’t schoonste vande schoonheid, daar geen menschenhand ooitaan en kan?
DE DAKPANNEN.De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,schuren bedekkende en boeien[1],laat er de zonne, van uit heuren throon,vierige vonken op gloeien.Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,vunzig, oneffen bedegen[2]:deerlijk ontodderd[3]en schamel, beneên’t vochtig gezijp van den regen.Blijde nu blinken ze, in ’t zadgroene veld;schuren bedekkende en boeien:’k zie mij zoo geren, in ’t zonnengeweld,de oude roo dakpannen bloeien.
De oude roo dakpannen schijnen zoo schoon,schuren bedekkende en boeien[1],laat er de zonne, van uit heuren throon,vierige vonken op gloeien.
Duister, zoo waren ze, een wijle geleên,vunzig, oneffen bedegen[2]:deerlijk ontodderd[3]en schamel, beneên’t vochtig gezijp van den regen.
Blijde nu blinken ze, in ’t zadgroene veld;schuren bedekkende en boeien:’k zie mij zoo geren, in ’t zonnengeweld,de oude roo dakpannen bloeien.
[1]Schuurtje.
[2]Geworden.
[3]Uit de voegen.
TERUG.Scheef is de poorte vanoudheid, geweken:zaâlrugde[1]’t dak vande schure; overalstroo op de zwepingen[2]zit er gesteken;vodden beveursten[3]hethuis en den stal.Boven die vodden zijnblommen gesprongen;onder die vodden zitvolk en gezin;blommen van vrede, zooouden, zoo jongen,blommen van buiten enblommen van bin.Daar is ’t, dat moeder zat;daar is ’t, dat vadervond die hem arbeid enherte bracht; daarknielden wij, kinderen,handen te gader,baden wij, kleenen engrooten, te gaâr.Daar is de schippe nog,daar is de tange;’t ovenbuur[4]staat daar, zoo’t vroeger daar stond;’t hondekot staat daar, en...—’t is al zoo lange!—Hoe is de naam van dienanderen hond?Ach, hoe verheugen mij,ach, hoe verheffende oudere dagen mijndiepste gemoed!Is er wel iemand, die ’tooit kon beseffenwat gij, oud hof, mij nuzegt, mij nu doet?Zalige lieden, alte arglooze menschen,weinig begeerdet gij,groot was uw hert!—Kon het maar helpen, metweenen en wenschen,weêr ate ik roggenbrood,naast u aan ’t berd[5]!
Scheef is de poorte vanoudheid, geweken:zaâlrugde[1]’t dak vande schure; overalstroo op de zwepingen[2]zit er gesteken;vodden beveursten[3]hethuis en den stal.
Boven die vodden zijnblommen gesprongen;onder die vodden zitvolk en gezin;blommen van vrede, zooouden, zoo jongen,blommen van buiten enblommen van bin.
Daar is ’t, dat moeder zat;daar is ’t, dat vadervond die hem arbeid enherte bracht; daarknielden wij, kinderen,handen te gader,baden wij, kleenen engrooten, te gaâr.
Daar is de schippe nog,daar is de tange;’t ovenbuur[4]staat daar, zoo’t vroeger daar stond;’t hondekot staat daar, en...—’t is al zoo lange!—Hoe is de naam van dienanderen hond?
Ach, hoe verheugen mij,ach, hoe verheffende oudere dagen mijndiepste gemoed!Is er wel iemand, die ’tooit kon beseffenwat gij, oud hof, mij nuzegt, mij nu doet?
Zalige lieden, alte arglooze menschen,weinig begeerdet gij,groot was uw hert!—Kon het maar helpen, metweenen en wenschen,weêr ate ik roggenbrood,naast u aan ’t berd[5]!
[1]Met een rug als een zadel.
[2]Dwarshout tot koppeling van de kapgebinten.
[3]Zoden vormen de dakvorst.
[4]Ovenhuis.
[5]Tafel.
HET GETOUWE.En mocht ik maartwee zielen hebben,’n mocht ik maartwee menschen zijn,’k zou weven mijtweêrhande webben:een’ webbe groef,een webbe fijn.Een webbe zou ’k,van zonne en zijde,mij weven, envan goudgespin;met boomen enmet blaren, blijde,met meer als eenschoon blomken in.Mijn ander’ webbe,en tweede leven,’n liet ik maar,onaangemoeid,geschoren zijn,getouwd, geweven,zoo ’t in en deur’t getouwe vloeit!Doch neen: ik zal,van ziele en lijve,de wever vanéén webbe zijn,zoo lange ’k indit leven blijve,van zuur en zoet,van groef en fijn.Den inslag enden drom[1]van ’t leven,van goed, heeft God,en kwaad gespin,van zijde en wolleen werk gegeven,met hier en daareen blomken in.En, zittende opmijn krank getrouwe,zoo weve en werkeik, dag en nacht,aanziende, volgoe hope en rouwe,den Heere, diemijn werk verwacht.
En mocht ik maartwee zielen hebben,’n mocht ik maartwee menschen zijn,’k zou weven mijtweêrhande webben:een’ webbe groef,een webbe fijn.
Een webbe zou ’k,van zonne en zijde,mij weven, envan goudgespin;met boomen enmet blaren, blijde,met meer als eenschoon blomken in.
Mijn ander’ webbe,en tweede leven,’n liet ik maar,onaangemoeid,geschoren zijn,getouwd, geweven,zoo ’t in en deur’t getouwe vloeit!
Doch neen: ik zal,van ziele en lijve,de wever vanéén webbe zijn,zoo lange ’k indit leven blijve,van zuur en zoet,van groef en fijn.
Den inslag enden drom[1]van ’t leven,van goed, heeft God,en kwaad gespin,van zijde en wolleen werk gegeven,met hier en daareen blomken in.
En, zittende opmijn krank getrouwe,zoo weve en werkeik, dag en nacht,aanziende, volgoe hope en rouwe,den Heere, diemijn werk verwacht.
[1]Schering.
WIEROOK.Thus ardens in igne.o Wierookgraan,geronnen traanvan ceder- en van lorkenstammen,gebedenbeeld,daar ’t vier in speelt,en ’t vonkelen van ’s herten vlammen.Geen gave vanfijn goud en kanmijn hand den Heer, geen myrrha bieden,maar wierook zal,en overalen allen dag, Hem dank bedieden.o Wierookgraan,in ’t vier gedaan,en rookende uit mijns herten midden,van aardsch en grauwwordt hemelsch blauw:gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.
Thus ardens in igne.
o Wierookgraan,geronnen traanvan ceder- en van lorkenstammen,gebedenbeeld,daar ’t vier in speelt,en ’t vonkelen van ’s herten vlammen.
Geen gave vanfijn goud en kanmijn hand den Heer, geen myrrha bieden,maar wierook zal,en overalen allen dag, Hem dank bedieden.
o Wierookgraan,in ’t vier gedaan,en rookende uit mijns herten midden,van aardsch en grauwwordt hemelsch blauw:gaat, wierookgraan, den Heere aanbidden.
O HEEMELIJKE DIEPTEN...o Heemelijke diepten van’t vol schaduw hangend boschgebied:vol schaduwe en vol duisterheid,vol nacht en dauw, dooreengespreid!’t Is morgen, en de zonne berstalhier, aldaar, ontembaar, uitden nachtelijken moederschoot:„Hier ben ik!” roept de zonne groot.„Hier ben ik!” En, ze doet den dauw,in ’t veld, en al dat vochtig is,verdampen. Deur de glazen valtze in ’t huisgezin:—ontwekken zal ’t!’t Is licht alom: ’t is leven al,dat ’t zonnebeeld aanschouwde: alleen,daar diepe, in ’t eenzaam boschgebied,en zie ’k, o schoone zonne, u niet.’t Is duister, en ’t is nacht daar nog;met hier en daar een’ gulpe of twee,daar ’t groen wordt, uit der grouwbaarheid...’k en weet niet hoe ’t nen naam gezeid!De zonne grijpt al vaster nude trappen aan des luchtgebouws:ter zege vaart ze, hooge en blij;geen boom die heur weêrbarstig zij!Zij giet, dat elk het merken mag,bij geuten, vier en werkzaamheidden bossche in: dweersche balken gaan,vol speitend licht, den bodem slaan.Het mosch, het loof, het blinkend hout,de takken zware of lijze, looptzij lustig laven:—heerlijk isverwonnen weêr de duisternis.Verwonnen zij de dood, en aldat duisternisse of boosheid heet,door ’t Licht van U, die, tallertijdverwinnende, onverwonnen zijt!
o Heemelijke diepten van’t vol schaduw hangend boschgebied:vol schaduwe en vol duisterheid,vol nacht en dauw, dooreengespreid!
’t Is morgen, en de zonne berstalhier, aldaar, ontembaar, uitden nachtelijken moederschoot:„Hier ben ik!” roept de zonne groot.
„Hier ben ik!” En, ze doet den dauw,in ’t veld, en al dat vochtig is,verdampen. Deur de glazen valtze in ’t huisgezin:—ontwekken zal ’t!
’t Is licht alom: ’t is leven al,dat ’t zonnebeeld aanschouwde: alleen,daar diepe, in ’t eenzaam boschgebied,en zie ’k, o schoone zonne, u niet.
’t Is duister, en ’t is nacht daar nog;met hier en daar een’ gulpe of twee,daar ’t groen wordt, uit der grouwbaarheid...’k en weet niet hoe ’t nen naam gezeid!
De zonne grijpt al vaster nude trappen aan des luchtgebouws:ter zege vaart ze, hooge en blij;geen boom die heur weêrbarstig zij!
Zij giet, dat elk het merken mag,bij geuten, vier en werkzaamheidden bossche in: dweersche balken gaan,vol speitend licht, den bodem slaan.
Het mosch, het loof, het blinkend hout,de takken zware of lijze, looptzij lustig laven:—heerlijk isverwonnen weêr de duisternis.
Verwonnen zij de dood, en aldat duisternisse of boosheid heet,door ’t Licht van U, die, tallertijdverwinnende, onverwonnen zijt!