[Inhoud]III.Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging, toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden, die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië teDelhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.[31]Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.… laten wij dan den steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons ontving.Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het, of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was de zedelijkheid daar niet mee gebaat.Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun vorstenhuis op de meest vernederende wijze[32]gekrenkt zien, door de verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was. Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken, daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden, begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem in dien toestand gebracht te hebben.„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van[33]zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld van Allah’s toorn.Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements- en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot een vergelijk te komen, aangewend te hebben.Zoo ook hier.Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke afkomst waren.Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den rechtmatigen troonopvolger[34]te bepleiten en de overige grieven van het Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin deed denken. Men oordeele!Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf, van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest gewenschte rust heerschte.Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des opstands waren reeds zoo ver gevorderd,[35]dat ze niet meer te bemantelen waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.… ja, men stemde er in toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden. Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859 de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het resultaat van de onopenhartigheid.Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en[36]werden bijna overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen? Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten, die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had. Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het navolgende blijken:Den 29nApril 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn[37]gaf bevel dien man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede te geeselen.Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van geboorte, werd op den 30nApril—dus daags na den raad van den Chinees, om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak, trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest heusche bejegening was ten deel gevallen.Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde, dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het werkvolk der mijn.Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement[38]verlaten hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.Den 1nMei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar duchtende, ook een gezellig kransje hielden.Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had, daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag. In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement, zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten, door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden[39]troep op de hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen, waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende, zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man, die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met uitstekend gevolg zoude geleid hebben.Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk een wapen, door het bloed[40]van een „kafir” (Christenhond) geheiligd, onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar blind weg hun wapenhanteerdenen hem al heel spoedig doodelijk verwondden, zoodat zijn lijden kort was.Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men, dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s (opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken zal.Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.[41]Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s (kindermeiden) aangesloten.Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen. Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van hetwapenrekde geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd. Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och, al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die ordende; ieder deed wat hem goed dacht.De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de[42]blanken zich gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen gevallen waren en hun bloed de klingen der wapensgeverfdhad, was de menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich stil; het was of het huis leeg was.Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche rijk.„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans hield, boven zijn tulband verhief.„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen strijd.)„Weg met de blankhuiden!”„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden gekomen waren.Doch.… rondziende, bespeurden de helden geen enkelen[43]gedoode, geen enkelen gekwetste.Eenwezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten te midden van den dichten drom, om zoo te zeggenà bout portantgelost waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk? De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab”(onkwetsbaar). Hadji Isa haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de dweepzucht ten top.Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd. Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig werk.Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van schoten weer naar beneden te stormen.Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak. Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld door de[44]bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was. Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had. Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer[45]met de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder het uiten der spotachtige woorden:„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet. Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen stonden hem te wachten.Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haargesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema,1het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu[46]in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes, stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de uitgestrekte handen uitriep:„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw deel!!”Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer, geen geween,[47]geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken, met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes, beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder, totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar gewonden vader kwam te vallen.Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt. Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar[48]een hoek des vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting. Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En, als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep, en … was aan ieder lijden onttogen.Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats door de Nederlandsche troepen bezet was.[49]1Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.↑
[Inhoud]III.Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging, toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden, die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië teDelhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.[31]Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.… laten wij dan den steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons ontving.Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het, of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was de zedelijkheid daar niet mee gebaat.Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun vorstenhuis op de meest vernederende wijze[32]gekrenkt zien, door de verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was. Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken, daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden, begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem in dien toestand gebracht te hebben.„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van[33]zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld van Allah’s toorn.Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements- en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot een vergelijk te komen, aangewend te hebben.Zoo ook hier.Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke afkomst waren.Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den rechtmatigen troonopvolger[34]te bepleiten en de overige grieven van het Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin deed denken. Men oordeele!Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf, van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest gewenschte rust heerschte.Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des opstands waren reeds zoo ver gevorderd,[35]dat ze niet meer te bemantelen waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.… ja, men stemde er in toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden. Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859 de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het resultaat van de onopenhartigheid.Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en[36]werden bijna overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen? Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten, die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had. Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het navolgende blijken:Den 29nApril 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn[37]gaf bevel dien man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede te geeselen.Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van geboorte, werd op den 30nApril—dus daags na den raad van den Chinees, om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak, trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest heusche bejegening was ten deel gevallen.Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde, dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het werkvolk der mijn.Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement[38]verlaten hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.Den 1nMei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar duchtende, ook een gezellig kransje hielden.Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had, daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag. In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement, zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten, door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden[39]troep op de hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen, waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende, zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man, die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met uitstekend gevolg zoude geleid hebben.Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk een wapen, door het bloed[40]van een „kafir” (Christenhond) geheiligd, onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar blind weg hun wapenhanteerdenen hem al heel spoedig doodelijk verwondden, zoodat zijn lijden kort was.Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men, dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s (opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken zal.Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.[41]Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s (kindermeiden) aangesloten.Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen. Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van hetwapenrekde geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd. Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och, al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die ordende; ieder deed wat hem goed dacht.De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de[42]blanken zich gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen gevallen waren en hun bloed de klingen der wapensgeverfdhad, was de menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich stil; het was of het huis leeg was.Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche rijk.„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans hield, boven zijn tulband verhief.„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen strijd.)„Weg met de blankhuiden!”„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden gekomen waren.Doch.… rondziende, bespeurden de helden geen enkelen[43]gedoode, geen enkelen gekwetste.Eenwezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten te midden van den dichten drom, om zoo te zeggenà bout portantgelost waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk? De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab”(onkwetsbaar). Hadji Isa haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de dweepzucht ten top.Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd. Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig werk.Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van schoten weer naar beneden te stormen.Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak. Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld door de[44]bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was. Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had. Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer[45]met de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder het uiten der spotachtige woorden:„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet. Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen stonden hem te wachten.Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haargesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema,1het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu[46]in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes, stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de uitgestrekte handen uitriep:„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw deel!!”Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer, geen geween,[47]geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken, met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes, beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder, totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar gewonden vader kwam te vallen.Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt. Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar[48]een hoek des vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting. Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En, als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep, en … was aan ieder lijden onttogen.Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats door de Nederlandsche troepen bezet was.[49]1Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.↑
III.Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—
Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—
Een weinig geschiedenis.—De opstand in het Bandjermasinsche rijk.—Wanbestuur.—Pogingen tot herstel van grieven.—Verblindheid.—Vijfentwintig rietslagen.—De moordtooneelen te Kalangan.—
Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging, toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden, die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië teDelhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.[31]Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.… laten wij dan den steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons ontving.Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het, of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was de zedelijkheid daar niet mee gebaat.Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun vorstenhuis op de meest vernederende wijze[32]gekrenkt zien, door de verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was. Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken, daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden, begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem in dien toestand gebracht te hebben.„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van[33]zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld van Allah’s toorn.Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements- en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot een vergelijk te komen, aangewend te hebben.Zoo ook hier.Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke afkomst waren.Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den rechtmatigen troonopvolger[34]te bepleiten en de overige grieven van het Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin deed denken. Men oordeele!Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf, van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest gewenschte rust heerschte.Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des opstands waren reeds zoo ver gevorderd,[35]dat ze niet meer te bemantelen waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.… ja, men stemde er in toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden. Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859 de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het resultaat van de onopenhartigheid.Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en[36]werden bijna overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen? Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten, die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had. Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het navolgende blijken:Den 29nApril 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn[37]gaf bevel dien man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede te geeselen.Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van geboorte, werd op den 30nApril—dus daags na den raad van den Chinees, om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak, trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest heusche bejegening was ten deel gevallen.Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde, dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het werkvolk der mijn.Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement[38]verlaten hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.Den 1nMei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar duchtende, ook een gezellig kransje hielden.Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had, daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag. In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement, zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten, door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden[39]troep op de hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen, waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende, zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man, die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met uitstekend gevolg zoude geleid hebben.Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk een wapen, door het bloed[40]van een „kafir” (Christenhond) geheiligd, onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar blind weg hun wapenhanteerdenen hem al heel spoedig doodelijk verwondden, zoodat zijn lijden kort was.Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men, dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s (opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken zal.Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.[41]Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s (kindermeiden) aangesloten.Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen. Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van hetwapenrekde geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd. Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och, al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die ordende; ieder deed wat hem goed dacht.De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de[42]blanken zich gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen gevallen waren en hun bloed de klingen der wapensgeverfdhad, was de menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich stil; het was of het huis leeg was.Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche rijk.„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans hield, boven zijn tulband verhief.„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen strijd.)„Weg met de blankhuiden!”„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden gekomen waren.Doch.… rondziende, bespeurden de helden geen enkelen[43]gedoode, geen enkelen gekwetste.Eenwezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten te midden van den dichten drom, om zoo te zeggenà bout portantgelost waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk? De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab”(onkwetsbaar). Hadji Isa haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de dweepzucht ten top.Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd. Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig werk.Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van schoten weer naar beneden te stormen.Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak. Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld door de[44]bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was. Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had. Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer[45]met de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder het uiten der spotachtige woorden:„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet. Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen stonden hem te wachten.Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haargesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema,1het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu[46]in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes, stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de uitgestrekte handen uitriep:„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw deel!!”Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer, geen geween,[47]geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken, met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes, beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder, totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar gewonden vader kwam te vallen.Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt. Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar[48]een hoek des vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting. Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En, als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep, en … was aan ieder lijden onttogen.Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats door de Nederlandsche troepen bezet was.[49]
Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moeten wij eenige geschiedkundige bijzonderheden in herinnering brengen, die zoowel omtrent plaats en tijd der handeling, als omtrent het verloop der gebeurtenissen de vereischte toelichting zullen geven. Dat zal veroorloven het verhaal voort te zetten, zonder telkens genoodzaakt te zijn, ter verduidelijking den draad af te breken.
Een ieder herinnert zich zeker nog de rilling, die door de natie ging, toen in Junij 1859 als een donderslag de tijding weerklonk, dat in het rijk van Bandjermasin op het eiland Borneo een uitgebreide opstand was uitgebroken tegen het Nederlandsche gezag en dat al de Europeanen op de mijnetablissementen, als ook de Christenzendelingen, op verschillende punten in de binnenlanden gevestigd, vermoord waren. De bijzonderheden, die later van die moordpartijen opvolgend bekend werden, klonken zoo schrikkelijk, dat met recht beweerd kan worden, dat de gruwelen te Hermina (Kalangan), te Goenoeng Djabok, te Boentooi en te Tangohan gepleegd, in wreedheid en afschuwelijkheid voor die, in Engelsch-Indië teDelhi, Lucknow en Cawnpore in 1857 gebeurd, niet onderdeden.[31]
Maar, zoo als bijna immer, was voor die moordtooneelen een grond, een oorzaak. En hoewel gruwelen, zoo als toen gebeurd zijn, ten scherpste afkeuring verdienen en niet genoeg gebrandmerkt kunnen worden, zoo moet toch erkend worden, dat de bestuurshandelingen ter Zuid- en Oost-kust van Borneo haat en wrevel hadden doen geboren worden en dat door gebrek aan waarheidsliefde, toen het gevaarlijk oogenblik naderde, de uitbarsting niet voorkomen, maar eerder geprovoceerd werd. En wanneer bij een onontwikkeld volk lang verkropte woede in lichter laaie uitslaat, wanneer jaren lange miskenning en misleiding, onder het mom van philantropische grondbeginselen gepleegd, vergolden, en niet vergeten euveldaden uit vroegere tijden als: ontmanning, afsnijding van ooren en neuzen, verrekend moeten worden, dan ja.… laten wij dan den steen niet werpen op den Bandjarees, die zulke voorbeelden van ons ontving.
Slaan wij de geschiedrollen van die dagen op, dan vinden wij het Bandjareesche volk als sluw, oneerlijk en hoogst bedorven afgeschilderd. Zeker kon dat volk niet als toonbeeld van maatschappelijke deugden gesteld worden, maar te betwijfelen valt het, of de omgang met de blanken gediend heeft, om het uit zijne verdorvenheid op te heffen. Wat de onontwikkelden van deze zagen, was tot navolging niet opwekkend en, gingen zij tot navolging over, dan was de zedelijkheid daar niet mee gebaat.
Zij zagen toch het hoogste bestuur voor geld veil, de erfopvolging van hun vorstenhuis verkwanselen, om den bastaard, door een hunner Sultans bij eene Chineesche bijzit verwekt, op den troon te helpen.
Zij moesten hunne dierbaarste gevoelens ten opzichte van hun vorstenhuis op de meest vernederende wijze[32]gekrenkt zien, door de verdierlijking, waaraan de onwaardige, die door de blanke overheerschers, met voorbijgang van den rechthebbende, op den troon geplaatst was, door zijn omgang met die Christenhonden ter prooi was. Zij toch, de fijne Mahomedanen, die zoo’n afschuw van sterken drank hadden, zagen veelmalen hun vorst plaatsnemen aan de tafel der blanken, daar hunne uitspattingen deelen, ja die overtreffen, daartoe op arglistige wijze aangezet. Niet zeldzaam zagen zij den ongelukkigen Sultan smoordronken, met zwierende haren, bevlekt en bezoedeld door de gevolgen zijner overdaad, als een zwijn in de voorgalerij van het residentiehuis omvertuimelen; zij zagen hem onmachtig om overeind te krabbelen, door zijne volgelingen naar zijn prauw gedragen, om naar zijn kraton, aan de overzijde der rivier gelegen, geroeid te worden, begeleid van den eenen kant door de weeklachten diergenen zijner onderdanen, die het wel met hem meenden, van den anderen kant door het luidruchtig gejoel en gegrinnik van hen, die er een eer in stelden, hem in dien toestand gebracht te hebben.
„Allah redde hem en verdelge de Kafirs!” gromden de eersten.
„A plein verre! mes bons amis!” of „wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet, nog lang niet”, jubelden en huilden de anderen, terwijl zij met de brandyflesch in de hand „een patertje langs den kant” na het vertrek van den dronken Sultan, op den openbaren weg dansten.
Zij zagen den Christelijken godsdienst bevorderen, terwijl zij in de uitoefening hunner godsdienstplichten zoo veel mogelijk gedwarsboomd werden. En wanneer dan ingezien werd, dat niet altijd de gepaste middelen werden gebruikt, om onder de naburige Dajaks de leer van den Christus, die leer van liefde, van zelfverloochening, van[33]zelfopoffering, te verspreiden; wanneer daartegen over de moeielijkheden gesteld werden, die de vrome Muzelman, wanneer hij volgens de voorschriften zijner leer het graf des Profeets wenschte te bezoeken, vanwege de Christenen, met het woord „verdraagzaamheid” op de lippen, maar niet in het hart, ondervond, dan gloeide de haat en dan zocht de hand wel eens krampachtig het gevest van de kris, dat eigenaardig wapen der Oosterlingen met gevlamd lemmet, als zinnebeeld van Allah’s toorn.
Voorwaar er was brandstof genoeg voorhanden; zij behoefde niet vermeerderd te worden door de listen en lagen, die gebezigd werden, om pandelingen, die slaven onder een modernen naam, voor de Gouvernements- en ook voor de partikuliere steenkolenmijnen te erlangen.
Maar de bevolking der Nederlandsch-Oost-Indische bezittingen is over het algemeen van zulk een zachte en lijdzame inborst, dat zij in den regel niet naar het zwaard grijpt, voor en aleer alle middelen, om tot een vergelijk te komen, aangewend te hebben.
Zoo ook hier.
Na eindelooze pogingen bij het gewestelijk bestuur, werd in 1853 een gezantschap naar Batavia afgezonden om van den Grooten Heer herstel van grieven te verkrijgen. Onder het armzalig voorwendsel, dat de leden van dit gezantschap van te lage geboorte waren, werden zij niet toegelaten het gelaat van hem, die in naam van Neerland’s Koning gezag voert, te aanschouwen, hoewel allen van adellijke en een paar van vorstelijke afkomst waren.
Vijf jaren later, in 1858, toog de bejaarde weduwe van Sultan Adam naar Insulinde’s hoofdplaats, om de rechten van haren kleinzoon, den rechtmatigen troonopvolger[34]te bepleiten en de overige grieven van het Bandjersche volk onder de aandacht van den Gouverneur-Generaal te brengen. De oude Sultane onderging den smaad van ook niet ontvangen te worden. Dat was de druppel, die den beker van ongerechtigheid deed overvloeien. De karaktervolle weduwe keerde naar Bandjermasin terug en van nu af was tot den heiligen oorlog besloten.
Al spoedig, in de eerste dagen van 1859, vertoonden zich in de landschappen Benoea-lima, Moening en Allei mirakeldoeners, die voorloopers van volksuitbarstingen bij dweepzieke rassen, en lokten tot volksoploopen uit. De klewang’s werden gewet, de vuurwapenen gereed gemaakt. Maar men was met blindheid geslagen te Bandjermasin, met zoodanige blindheid, die door het doellooze rondspartelen aan waanzin deed denken. Men oordeele!
Van Batavia werd in Februari 1859 het oorlogsstoomschip Ardjoeno naar Bandjermasin gezonden, om te vernemen, wat toch ter Zuid- en Oostkust van Borneo gaande was, daar van Pontianak, dus van de Westkust van dat eiland, aan de Regeering gerapporteerd was, dat al de onderdanen van den Sultan van het Bandjermasinsche rijk opgeroepen waren om deel te nemen aan een uitgebreiden opstand tegen de blanken. De Ardjoeno kon terugkeeren zoo als hij gekomen was, daar men te Bandjermasin voorgaf, van niets te weten, en daarbij betuigde, dat in het gewest de meest gewenschte rust heerschte.
Een maand later kwam het stoomschip Montrado met dezelfde boodschap; de berichten omtrent het uitbreken van een opstand in het gebied van den Sultan van Bandjermasin, waren ter Westkust van Borneo zoo stellig, dat niet te twijfelen viel. Ditmaal kon niet ontkend worden; de zaken des opstands waren reeds zoo ver gevorderd,[35]dat ze niet meer te bemantelen waren. Had men toen nog maar den moed gehad, rond voor de zaak uit te komen, dan waren vele gruwelen voorkomen. Maar.… ja, men stemde er in toe, dat er eenige ontevredenheid heerschte; dat waren echter slechts twisten van den Sultan met eenigen zijner rijksgrooten, hofkabalen, die niets te beteekenen en hoegenaamd geene staatkundige strekking hadden. Een geringe vermeerdering van het garnizoen zou indruk genoeg maken, om een gewenschte ontknooping van die twisten te mogen veronderstellen en om de algemeene veiligheid te verzekeren. En zoo vertrok in April 1859 de kolonel Andresen met ééne compagnie infanterie naar de Zuid- en Oostkust van Borneo. Had die krijgsoverste een geheel bataillon volgens formatie van zes compagnieën onder zijne bevelen gehad, dan ware dat niets te veel geweest en vele menschenlevens, misschien wel allen, die nu verloren gingen, hadden kunnen gered worden. Het onaanzienlijk troepje; dat nu aan wal stapte, was niet eens genoeg, om de hoofdplaats van het gewest voor alle aanranding te dekken, want daartoe moest een vrij talrijk corps mariniers en matrozen van de oorlogschepen medewerken. De mijnetablissementen, de zendelingsposten en de civiele ambtenaren in het binnenland moesten aan hun lot overgelaten worden.
De aankomst van zulk een kleine troepenmacht had eerder een nadeelige dan wel nuttige zijde; zij verhaastte de uitbarsting. Dat was het resultaat van de onopenhartigheid.
Twee dagen nadat kolonel Andresen voet aan wal gezet had, een tijdperk waarin hij onmogelijk zich geheel op de hoogte van den toestand had kunnen stellen, zoo zeer noodig, om met vaste hand de teugels van het bewind te kunnen grijpen, brak de opstand allerwege uit en[36]werden bijna overal de Europeanen op de meest afzichtelijke wijze vermoord.
Wil de lezer vernemen hoe ver in die dagen de verblindheid van hen ging, die toch op de hoogte van den stand van zaken moesten wezen? Weinige dagen voor de aankomst des kolonels, had de kapitein militaire kommandant ter hoofdplaats, tengevolge van de vrij stellige berichten, die bij hem ingekomen waren van voorgenomen aanvallen op het fort Tatas, de geweren der schildwachten en de kanonnen op de bastions doen laden en verder die voorzorgsmaatregelen doen nemen, die een overrompeling van het hem toevertrouwde punt moesten beletten. Dat geboden hem het gezond verstand en ook de eerste regelen der krijgskunst, omtrent welker toepassing hij alleen te oordeelen had. Doch hij ontving van den resident van het gewest een scherpe afkeuring—daar zijne voorzichtigheidsmaatregelen onrust onder de bevolking stichtten—met den last, om de kanonnen te ontladen en de patronen der manschappen in de magazijnen in te nemen.
En hoe die verblindheid zelfs tot bij hen, die door hunne isoleering het meest op hunne hoede moesten zijn, doorgedrongen was, kan uit het navolgende blijken:
Den 29nApril 1859 kwam een rondventende Chinees op de steenkolenmijn Hermina te Kalangan en smeekte den directeur, om toch met alle Europeanen, vrouwen en kinderen naar Bandjermasin te vluchten. Hij had uit stellige bron vernomen, verzekerde hij, dat binnen kort alle blanken zouden vermoord worden. In het midden latende, of de gegeven raad opgevolgd of niet behoorde te worden, was men dankbaarheid schuldig aan den man, die ter goeder trouw dien raad gaf. En welke dankbaarheid viel hem ten deel? De directeur der mijn[37]gaf bevel dien man aan den paal te binden en met vijf en twintig rietslagen ten bloede te geeselen.
Vijf en twintig rietslagen voor een goeden raad, die, ware hij opgevolgd geworden, aller leven zou gered hebben!! Want toen was nog redding mogelijk. Een der voorlieden van de mijn, een Belg van geboorte, werd op den 30nApril—dus daags na den raad van den Chinees, om naar Bandjermasin te vluchten—naar de hoofdplaats gezonden, tot het verrichten van eenige boodschappen. Bij zijn doortocht te Goenoeng Lawak, een kampong op ongeveer een halfuur afstands van de steenkolenmijn, had hij eenige moeite om zijn weg te vervolgen, daar het pad door het plotseling rijzen van een naburig riviertje overstroomd en nu onzichtbaar was, hetgeen nog al gevaar aanbood, daar dat pad zich tusschen diamantputten slingerde, die nu als kolken voor het oog verborgen waren. Verscheidene lieden hielpen onzen Waal en zijn paard tusschen die putten door en in den kampong aangekomen, vroeg en verkreeg de reiziger zeer bereidwillig een kopje koffie, wat hij met graagte opslurpte. Wel ontwaarde hij veel volk op de been en daaronder vele vreemde gezichten, maar op zijn navraag daaromtrent, kreeg hij tot antwoord, dat het passardag (marktdag) was. Hij verliet Goenoeng Lawak, trok vervolgens Martapoera door en kwam niet alleen ongedeerd te Bandjermasin aan, maar hij kon ook verzekeren, dat hem overal de meest heusche bejegening was ten deel gevallen.
Vijf en twintig rietslagen!!! o! het is ontzettend. En wat was de beweegreden tot die onmenschelijke bestraffing? De directeur beweerde, dat die man met zijne verhalen maar onrust kwam stoken onder het werkvolk der mijn.
Met wat wrok in het harte moet die Chinees het etablissement[38]verlaten hebben? O! hij zou spoedig gewroken worden. Hij zelf zou zich wreken.
Den 1nMei—dus twee dagen na die gruwelijke strafoefening—zaten de heeren van het mijnpersoneel, de directeur, de ingenieur en een aspirantingenieur, des morgens na de godsdienstoefening—het was op een zondag—gezellig bij elkander te praten in de voorgalerij van de directeurswoning, die op eenigen afstand van het mijnetablissement zich bevallig op den top van een heuvel verhief. De dames hadden de heeren onder het genot van een glaasje morgendrank alleen gelaten en zich naar de ingenieurswoning begeven, alwaar zij, hoegenaamd geen gevaar duchtende, ook een gezellig kransje hielden.
Het kon zoo omstreeks elf uur zijn, toen een Europeesche mijnwerker buiten adem bij den directeur kwam aanloopen en het bericht bracht, dat een groote bende volk met lansen en klewangs gewapend, van den kant van Goenoeng Lawak kwam opzetten en dat zij kwaadwillige bedoelingen had, daar zij bij de tramwaybrug reeds een der Europeesche voorlieden had neergestooten. Nog had de mijnwerker zijn verhaal niet ten einde, toen men den huilenden en tierenden troep in de verte reeds in aantocht zag. In de woning van den directeur waren geene wapenen aanwezig. Men had die naar aanleiding der loopende geruchten naar het huis van den ingenieur overgebracht om in de nabijheid van het mijnetablissement, zoo als het heette, op alles voorbereid te zijn.
Onder den indruk van het verhaal des directeurs omtrent de berichten, door den rondventenden Chinees aangebracht, vlogen de aanwezigen op en trachtten zich door de vlucht langs den tramwaydijk naar het mijnetablissement te redden. Zij werden door den razenden[39]troep op de hielen gevolgd; en weerloos als zij waren, hadden zij het noodlottig voordeel, de mijn nog te kunnen bereiken, slechts te danken aan den ingenieur, die met een zwaren ijzerhouten wandelstok gewapend, van tijd tot tijd zijn vlucht staakte en achterwaarts front maakte om de bende op een afstand te houden. Hij was een stevig Engelschman en bekwaam batonnist. Met talent en met kracht gelukte het hem een tijdlang de vele lansen af te weren. Wanneer het oogenblik hem daarbij gunstig voorkwam, sprong hij vooruit, liet zijn stok fluitend nederdalen, waarbij dan telkenmale een schedel verbrijzeld of een schouder ontwricht werd. Zoo had hij reeds een viertal zijner belagers neergeveld, toen hij op het onverwachtst achterover tuimelde. Front naar den vijand makende en, al schermende, langzaam achteruit tredende, zag hij niet, dat de dijk, waarop hij zich bevond, een vrij scherpe bocht maakte. Hij stortte langs de glooiing omlaag, en nog voor hij zich oprichten kon, waren hem vele lansspitsen in het lichaam gedrongen. Letterlijk was hij aan den bodem vastgestoken.
Dat was wel de grootste ramp, die den ongelukkigen Europeanen daar in dat verloren hoekje kon overkomen. Die ingenieur was een energiek man, die, ware hij nu niet gevallen, ongetwijfeld de verdediging met uitstekend gevolg zoude geleid hebben.
Na zijn val verhief zich een kannibalisch gejuich. Dat was de eerste blanke van eenig gezag, die omgebracht werd. Dat gaf moed. Aller armen daalden neer om deel te nemen aan de slachting. Zelfs de meest vreesachtigen drongen vooruit en wroetten met hunne lansspitsen of hunne klewang’s in het lillende vleesch en smeerden hunne wapenen met het stroomend bloed in. De Hadji’s hadden hun toch verzekerd, dat zulk een wapen, door het bloed[40]van een „kafir” (Christenhond) geheiligd, onverschrokken en onkwetsbaar maakt. In een oogenblik tijds was dan ook de rampzalige ingenieur met ontelbare wonden overdekt. Met ongeloofelijke verbittering werd op den ongelukkige ingehakt. Gelukkig nog, dat die verwoedheid der moordenaars zoo groot was, dat zij maar blind weg hun wapenhanteerdenen hem al heel spoedig doodelijk verwondden, zoodat zijn lijden kort was.
Die val en de daarop gevolgde moordpartij gaf den overigen ongelukkigen een voorsprong, waardoor zij het mijnetablissement konden bereiken.
Helaas! daar was alles in rep en roer, in de grootst mogelijke verwarring. Men had den vijandelijken troep zien naderen en het geheele treurspel op den tramwaydijk kunnen waarnemen. Het was als besefte men, dat daar de ware verdediger, de man, die de zwakken ondersteund, de angstvalligen opgebeurd zoude hebben, omgekomen was. In radeloozen angst dwarrelden de vrouwen en kinderen door elkander, handenwringende en wanhoopskreten slakende. Het ondergeschikte mannelijke personeel der mijn was, bij het verschijnen der opstandelingen, dadelijk in twee kampen verdeeld, waarvan het grootste gedeelte helaas! zich voor den naderenden muitenden troep verklaarde. Dat waren de Bandjersche prauwenvoerders en de Dajaksche pandelingen. Slechts enkele mandoor’s (opzichters) en de Javaansche bedienden sloten zich bij hunne meesters aan en nog niet eens allen met goede bedoelingen, zooals straks blijken zal.
Bij aankomst van den directeur in dit benard oogenblik, werd op zijn last de alarmklok geluid en verzamelden zich de Europeesche voorlieden der mijn in het huis van den reeds vermoorden ingenieur, alwaar de vrouwen om diens wanhopige weduwe geschaard zaten.[41]
Er bevonden zich toen een achttal mannen, vier gehuwde dames, drie huwbare meisjes en zes kinderen—allen Europeanen of van Europeesche afkomst—in dat huis bij elkander. Hierbij hadden zich een drietal inlandsche mandoor’s, een zestal bedienden en eenige baboe’s (kindermeiden) aangesloten.
Men sloot en grendelde in allerijl de vensters en deuren, voor welke laatsten in alle haast wat meubelstukken gesleept werden, om ze te barricadeeren. Men was nog niet geheel gereed, toen de moordzieke bende, schreeuwende en tierende, op het terrein der mijn verscheen. Sidin, de Javaansche bediende van den directeur, had van hetwapenrekde geweren—een achttal—genomen en had ze geladen, voor welke zorglijke handeling hij door zijn heer met een goedkeurenden knik beloond werd. Toen deuren en vensters gesloten waren, nam ieder Europeaan een vuurwapen en plaatste zich achter de gesloten jalouzieramen. Er was geen tijd tot beraad of tot het nemen van verdere beschikkingen. Och, al had de tijd er ook toe bestaan, de karaktervolle man, die het geheel had kunnen leiden, was niet meer. Er heerschte nu slechts ongedurigheid en weifelachtigheid in die woning, waar in die oogenblikken slechts geest- en wilskracht zich hadden moeten vertoonen. Er heerschte ordeloosheid, waar ieders plaats en handeling scherp afgebakend had moeten wezen. In een woord, er was niemand die bevelen gaf, die ordende; ieder deed wat hem goed dacht.
De bloeddronken bende naderde niet heel spoedig; zij had nog de gelegenheid te baat genomen, om een ouden grijzen mijnwerker, die weigerde zich bij haar aan te sluiten, neer te houwen en haar bloeddorst op eene gruwzame wijze op hem te koelen.
Maar eindelijk aangekomen voor het huis, waarin de[42]blanken zich gebarrikadeerd hadden, hield de bende halt en heerschte er een oogenblik van diepe stilte. Ofschoon reeds twee withuiden dien morgen gevallen waren en hun bloed de klingen der wapensgeverfdhad, was de menigte nog niet over het prestige heen, dat de blanken gewoonlijk uitoefenen. Men begreep dat hier ernstig tegenstand zou kunnen geboden worden, dat veler leven hier gevaar liep; men dacht na en aarzelde. Had in dit oogenblik een flink salvo weerklonken, dat de voorste raddraaiers in het zand had doen bijten, dan zou die geheele troep dapperen, als een vlucht musschen, door een schot hagel geteisterd, uit elkaar gestoven zijn. Maar niets, niets! de Europeanen hielden zich stil; het was of het huis leeg was.
Daar verhief zich te midden dier stilte plotseling een stem. Het was Hadji Gana, een der meest dweepzieke priesters van het Bandjersche rijk.
„Lā ilāha illa-llāhoe wa-Moēhammadoen rasōeloe-l-lāhie,” (er is geen God dan Allah, en Mahomed is Gods profeet) gilde hij met krijschende stem, terwijl hij de handen, waarin hij een koran en een rozenkrans hield, boven zijn tulband verhief.
„Madjoe! madjoe! sabieloe-l-lāhi!” (Vooruit, vooruit, ten heiligen strijd.)
„Weg met de blankhuiden!”
„Dood aan de Kafirs!” schreeuwde de menigte hem na, joeg als met een sprong vooruit en beklom de trappen, die tot de voorgalerij van de woning toegang verleenden. Maar toen knalden vier schoten van tusschen de zonneblinden der ramen en deden den heldhaftigen troep uit elkander stuiven met een vaart, dat de meesten niet wisten, hoe zij beneden gekomen waren.
Doch.… rondziende, bespeurden de helden geen enkelen[43]gedoode, geen enkelen gekwetste.Eenwezenlijk wonder! hoewel die vier geweerschoten te midden van den dichten drom, om zoo te zeggenà bout portantgelost waren, niemand was gedeerd. Er was er een, wiens buisje door de buskruidvlam verzengd was, zonder gewond te zijn. Hoe was dat mogelijk? De Hadji’s maakten er behendig gebruik van, en wezen op de onfeilbaarheid van de uitgedeelde „djimat’s” (talisman) en verklaarden iederen strijder tegen de kafir’s voor „tagab”(onkwetsbaar). Hadji Isa haalde van onder zijn buisje een platgeslagen stuk lood te voorschijn en verklaarde dat dit een kogel der blanken was, die, zonder hem te deren op zijn huid afgestuit was. Dit bewijs van almacht voerde de dweepzucht ten top.
Zoo werd de bende weer moed ingesproken en tegen de trappen opgevoerd. Toen zij boven gekomen was, barstte andermaal een viertal schoten in den dichten drom los, met hetzelfde gevolg dat geheele gespuis weer met bliksemsnelheid naar beneden te doen tuimelen. Maar, ook andermaal was niemand gekwetst. De Hadji’s hadden gelijk, de djimat’s waren onfeilbaar en de zegen des Profeets rustte op het Gode welgevallig werk.
Nu ging er een woest geschreeuw op, en andermaal drongen de dapperen vooruit, om evenwel met al dien heldenmoed bij iedere losbarsting van schoten weer naar beneden te stormen.
Binnen in het huis was men niet op de hoogte van hetgeen buiten gebeurde. Bij iedere losbranding zagen de verdedigers tusschen de beperkte ruimte der zonneblindlatten de aanvallers vallen, wegduiken en vluchten, zoodat er niet aan getwijfeld werd, of de schoten waren raak. Helaas! het verraad speelde zijn treurig spel. De geweren werden slechts met los kruid geladen en met zorg werden de kogels weggemoffeld door de[44]bedienden, die in schijn, om de verdedigers te helpen, de afgeschoten wapens aannamen, om ze dadelijk weder te laden.
Bij zoo’n stand van zaken kon het niet anders, dan dat de aangeboren lafhartigheid der aanvallers tot overmoed oversloeg. Het gros der bende was uit de voorgalerij niet meer te verdrijven en op verschillende plaatsen waren reeds breekijzers tusschen de jalouzielatten der ramen en deuren gebracht, om ze met geweld te openen. Tusschen die latten door, kruisten zich hier en daar reeds klewang’s met sabels en waren de djimat’s krachtvol tegen de geweerschoten gebleken; tegen sabelhouwen schenen zij niet bestand. Althans al heel spoedig lagen eenige gekwetsten met afgehouwen vingers op den grond der voorgalerij, die de handen aan de ramen geslagen hadden om ze open te breken.
Bij dezen zoo noodlottigen stand van zaken liet zich plotseling een brandlucht waarnemen en konden de belegerden bevroeden, dat een gedeelte der bende het gebouw omgetrokken en, daar het van hout was, in brand gestoken had. In dien uitersten nood trad Sidin, de bediende van den directeur, op hem toe, beweerde dat er een misverstand bestond, dat het volk geen kwaad wilde, maar dat het bevreesd voor de geweren was. Wanneer mijnheer hem zijn geweer overgaf, zou hij zien, dat alles op vreedzame wijze opgelost zoude worden en dat niemand eenig leed zou geschieden. Wat moest de directeur doen? De voorgalerij stond stikvol aanvallers, die niet meer te verdrijven waren; in de achtergalerij dreigde brand; een deur en een raam waren reeds opengebroken en vertoonden zich daar woeste aangezichten. Met een zucht gaf hij zijn wapen over aan den bediende, aan wiens trouw hij nimmer getwijfeld had. Deze, met een afschuwelijken grijns op het gelaat, nam het geweer[45]met de linkerhand aan en met de rechter stak hij zijn kris in zijns meesters lijf en haalde hem den buik van onder tot boven open, onder het uiten der spotachtige woorden:
„Djangan mara toean!” (Niet kwaad worden, mijnheer!)
En als ware dat het sein, stormde de bloeddronken bende naar binnen en begon het bloedbad. Al zeer spoedig lagen de mannen vreeselijk verwond in hun bloed te baden. De directeur was met opengereten buik in een hoek van het vertrek gekropen, waar men hem voorloopig ongedeerd liet. Helaas! zijn lijden was nog niet ten einde; schrikkelijker martelingen stonden hem te wachten.
Toen het bloedige werk met de mannen afgehandeld was, kwam de beurt aan de vrouwen. Geen van haar was nog gedeerd. Als een troep schapen bij een onweder zaten zij bij elkander gedoken en deden de lucht weergalmen van haar angstgeschrei en haargesteun. Langzamerhand verzamelde zich een menigte met woest zwierende haren, met bebloede handen en aangezichten, rondom haar, en daar werden gruwelijke woorden gehoord en van verlangen glinsterende blikken ontwaard. Maar niemand nog vermat zich een vinger naar de ongelukkigen uit te steken. Alles bepaalde zich nog tot onkiesche woorden en tot wulpsche blikken, tot schandelijke verlangens, die zich als het ware door de hijgende ademhalingen lucht gaven. Daar verscheen Radhen Ardjie Kesoema,1het vorstelijk hoofd, die de bende ten aanval geleid, maar zich gedurende het gevecht voorzichtiglijk achteraf gehouden had. Hij trad nu[46]in trotsche houding en met gebiedend gebaar voor en eischte de maagden voor zijn deel. Zonder een woord te spreken, met een enkele vingerwijzing duidde hij de drie jonge meisjes aan. Zijne volgelingen, zonder zich aan het gegil en het geweeklaag van de slachtoffers te storen, trokken de aangewezenen bij den arm voort en voerden ze naar Martapoera. Op de dringende bede der meisjes werd ook nog kort daarop hare moeder, eene forsche, flinke, nog goed uitziende vrouw, uit het noodlottige huis gehaald en ook naar de vorstelijke residentie overgebracht.
Nu bevonden zich nog slechts de getrouwde dames in het vertrek, en nog altijd, ofschoon reeds veel verminderd door het ontvoeren der meisjes, stond een hunkerende troep om haar heen, niet wetende wat te doen, tot dat Hadji Gana met zijn onafscheidelijken koran en rozenkrans in de uitgestrekte handen uitriep:
„God is groot! Luistert wat de Almachtige gebiedt: „Oog om oog, tand om tand”! De blanken hebben zoo velen onzer vrouwen en onzer dochteren tot ontucht verleid. Het goud, dat zij den bruinen mensch afstalen of afpersten, hebben zij veelal gebruikt om onze maagden te koopen. Soms zijn deze met geweld uit de armen hunner ouders weggehaald. „Oog om oog, tand om tand”, herhaalde hij met schril krijschende stem. „Oog om oog, tand om tand!” de ure der wraak is gekomen! die vrouwen zijn uw deel!!”
Een vreeselijk gejuich beantwoordde die woeste toespraak. En in minder tijd dan het mogelijk is te vertellen, waren de arme ellendigen overeind gesleurd en haar de kleederen, die hunne tengere ledematen bedekten, van het lijf gescheurd zoodat zij weldra met hun loshangenden blonden haardos naakt voor hunne bruine beulen stonden. Geen gejammer, geen geween,[47]geen klaaggeschrei mochten baten. Zij hadden even goed kunnen pogen rotsgesteenten te vermurwen.
Nu begon een tooneel zoo walglijk, zoo ijselijk wreed, dat—hoe wenschelijk het ook ware, het in zijn algeheele afschuwelijkheid te boekstaven, om aan te toonen, welke vreeselijke gevolgen een slecht bestuur na zich sleepen kan—de pen hare diensten weigert en het brein zich onmachtig toont, die gruwelen te schetsen.
Te midden dier onmenschelijke mishandelingen, die niet dan met den dood der arme teedere wezens eindigden, sprong een klein zesjarig knaapje vooruit om zijne rampzalige moeder te verdedigen. Het was het oudste zoontje van den directeur. Met in den nek fladderende blonde lokken, met fonkelende oogen, hijgende borst en op elkander geknepen lipjes, beukte de brave jongen met zijne vuistjes op de beulen zijner moeder, totdat een slag met een „parang” (kapmes) hem het jeugdige hoofdje kloofde en hij, ruggelings achterover stortende, naast zijn zwaar gewonden vader kwam te vallen.
Waar de gedachten van dien vader in dat oogenblik verwijlden? Dat is den Alwetende alleen bekend. Hij was geheel bij kennis en geen der tafereelen, die zich voor zijne oogen ontrolden, waren hem ontglipt. Misschien omgaven zij met angstige zorg zijne andere kinderen, die in de handen der beulen achterbleven en gewis ook niet zouden gespaard worden. Maar zie, daar boog zich een gedaante over den stervende en fluisterde hem iets in het oor. Ontzet en half radeloos van angst zocht het gebroken oog den spreker te herkennen. God! het was de Chinees, die twee dagen vroeger zoo gruwelijk gekastijd was geworden en die nu, om zijn leven te redden, met afgesneden hoofdstaart, in maleische kleederdracht verscheen. Nogmaals prevelde hij tot den gewonde eenige woorden, richtte zich daarna op en begaf zich naar[48]een hoek des vertreks, waar eene oude baboe twee aanvallige Europeesche kinderen achter haren sarong en slindang trachtte te verbergen. De Chinees sprak haar aan, greep een der kinderen en gevolgd door de baboe met het andere, maakte hij behendig gebruik van de verwarring, die heerschte tengevolge der plaatshebbende vreeselijke tooneelen, en der daarop gevolgde plundering, om ongemerkt naar buiten te sluipen. Eenmaal buiten het gedrang, was het bosch weldra bereikt. Daar gaf de Chinees het kind, dat hij droeg, aan de baboe over, duidde haar de te volgen richting aan, om Bandjermasin te bereiken, ried haar aan om met die twee blanke kinderen alle bewoonde oorden te vermijden en toen hij haar met haar vracht binnen den beschermenden rand der wildernis verdwenen zag, spoedde hij zich terug naar het tooneel van zooveel ontzetting. Toen hij daar aankwam, was een klein gedeelte der bende bezig de lijken der vrouwen bij de haren naar buiten te sleepen, terwijl het gros zich onledig hield met koffers, kisten en kasten open te breken en den buit te verdeelen. Hij vond nog gelegenheid den directeur te kunnen naderen en hem als in het voorbijgaan toe te fluisteren: „in veiligheid.” En, als wachtte de rampzalige op die tijding, om te kunnen sterven, toen hij die woorden vernam, opende hij wijd de oogen, vestigde een blik van onuitsprekelijke dankbaarheid op den Chinees, zuchtte nog eens diep, en … was aan ieder lijden onttogen.
Laat mij, om dit hoofdstuk te besluiten, gauw mededeelen, dat na een omzwerving van ruim vijf weken in de bosschen, die baboe met de twee kinderen gezond en wel te Martapoera te recht kwam, toen die plaats door de Nederlandsche troepen bezet was.[49]
1Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.↑
1Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.↑
1Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.↑
1Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah, welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten volle aanspraak had.↑