[Inhoud]V.De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid enSchlickeisenen Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft uitgezien.Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen, het[71]overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig, bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s,1ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen,[72]dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s2kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord[73]zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis, waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der krijgstucht ontslagen voelde.Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding, geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate bereid hadden.Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden indruk gemaakt en[74]de belangstelling hunner officieren verworven. In betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2eMilitaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.Het Nederlandsche volk weet niet, of.… wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die[75]vreemdelingen bewijzen van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs, wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is, een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort, meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het eigenlijk[76]geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension” zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde „schöne Pension” deelachtig worden; en zij[77]die dat geluk zullen hebben, zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost!”Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel, waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de vrije verkoop van sagoeweer3aan alle hoeken der straten, weg te nemen.[78]Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten; hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde, zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit[79]den „Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen, waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij, om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal de beweging in vollen gang zoude zijn.De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten. De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben, zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.[80]Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest, gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen, waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden. Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend; op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte gesmoord.Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger, dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd[81]geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer staatkunde genoemd worden.Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en goed en[82]bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en leugentaal gewoon gemaakt wordt.Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar, dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet van.Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen treffen. Hun kommandant was[83]een humaan mensch, die aan een gepaste strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den tijd bleven.Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht hadden.[84]Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut, iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog mogelijke toekomst verloren was.Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd. Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust, zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen, kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust, die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de grootste waakzaamheid om den invoer van[85]oorlogscontrabande tegen te gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en den Orang-oetan4ten achteren staan en door dat alles zooveel levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak, het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.[86]Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken, welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja, hen eenigszins overijld doen handelen.[87]1Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen inN.I.gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.↑2Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.↑3Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.[78]Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.↑4Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.↑
[Inhoud]V.De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid enSchlickeisenen Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft uitgezien.Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen, het[71]overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig, bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s,1ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen,[72]dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s2kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord[73]zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis, waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der krijgstucht ontslagen voelde.Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding, geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate bereid hadden.Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden indruk gemaakt en[74]de belangstelling hunner officieren verworven. In betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2eMilitaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.Het Nederlandsche volk weet niet, of.… wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die[75]vreemdelingen bewijzen van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs, wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is, een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort, meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het eigenlijk[76]geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension” zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde „schöne Pension” deelachtig worden; en zij[77]die dat geluk zullen hebben, zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost!”Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel, waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de vrije verkoop van sagoeweer3aan alle hoeken der straten, weg te nemen.[78]Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten; hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde, zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit[79]den „Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen, waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij, om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal de beweging in vollen gang zoude zijn.De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten. De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben, zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.[80]Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest, gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen, waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden. Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend; op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte gesmoord.Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger, dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd[81]geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer staatkunde genoemd worden.Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en goed en[82]bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en leugentaal gewoon gemaakt wordt.Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar, dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet van.Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen treffen. Hun kommandant was[83]een humaan mensch, die aan een gepaste strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den tijd bleven.Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht hadden.[84]Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut, iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog mogelijke toekomst verloren was.Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd. Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust, zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen, kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust, die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de grootste waakzaamheid om den invoer van[85]oorlogscontrabande tegen te gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en den Orang-oetan4ten achteren staan en door dat alles zooveel levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak, het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.[86]Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken, welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja, hen eenigszins overijld doen handelen.[87]1Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen inN.I.gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.↑2Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.↑3Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.[78]Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.↑4Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.↑
V.De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid enSchlickeisenen Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—
De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid enSchlickeisenen Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—
De bezetting van Kwala Kapoeas.—Een militaire kampong.—De werving van het Nederlandsch-Indische leger.—De zielenverkoopers.—„Die vader en moeder vermoord heeft is nog te goed voor de Oost.”—De opstand der Zwitsers te Samarang.—De Zwitsers over den geheelen Archipel verspreid enSchlickeisenen Wienersdorf te Poeloe Petak geplaatst.—Plannen tot desertie.—
Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft uitgezien.Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen, het[71]overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig, bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s,1ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen,[72]dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s2kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord[73]zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis, waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der krijgstucht ontslagen voelde.Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding, geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate bereid hadden.Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden indruk gemaakt en[74]de belangstelling hunner officieren verworven. In betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2eMilitaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.Het Nederlandsche volk weet niet, of.… wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die[75]vreemdelingen bewijzen van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs, wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is, een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort, meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het eigenlijk[76]geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension” zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde „schöne Pension” deelachtig worden; en zij[77]die dat geluk zullen hebben, zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost!”Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel, waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de vrije verkoop van sagoeweer3aan alle hoeken der straten, weg te nemen.[78]Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten; hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde, zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit[79]den „Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen, waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij, om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal de beweging in vollen gang zoude zijn.De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten. De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben, zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.[80]Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest, gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen, waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden. Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend; op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte gesmoord.Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger, dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd[81]geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer staatkunde genoemd worden.Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en goed en[82]bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en leugentaal gewoon gemaakt wordt.Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar, dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet van.Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen treffen. Hun kommandant was[83]een humaan mensch, die aan een gepaste strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den tijd bleven.Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht hadden.[84]Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut, iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog mogelijke toekomst verloren was.Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd. Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust, zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen, kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust, die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de grootste waakzaamheid om den invoer van[85]oorlogscontrabande tegen te gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en den Orang-oetan4ten achteren staan en door dat alles zooveel levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak, het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.[86]Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken, welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja, hen eenigszins overijld doen handelen.[87]
Al is een fort nog zoo hecht daargesteld en met nog zooveel kanonnen bewapend, zou het wanneer er geen verdedigers waren om de borstweringen te bezetten en de kanonnen te bedienen, niet veel gegeven hebben. En hoewel de Nederlanders in het eigen vaderland de actieve strijdkrachten schromelijk verwaarloozen en bij een oorlog alles van de doode strijdkrachten schijnen te verwachten, zoo moet toch geboekstaafd worden, dat diezelfde Nederlanders in Indië het goedkooper vinden, de beide stelsels te combineeren, door aan de verwaarloosde krijgsmacht ook nog de noodige gelden voor de verdedigingsmiddelen te onthouden. De lezer herinnere zich slechts, hetgeen in een vorig hoofdstuk verhaald werd over de bewapening van de troepen op de buitenbezittingen, dan kan hij er zich bij denken, hoe het er met forten en versterkingen heeft uitgezien.
Volgens formatie, zooals de vakmannen dat noemen, zou het fort te Kwala Kapoeas bemand worden met zestig infanteristen en een achttal kanonniers. Van die cijfers zoude het derde gedeelte uit Europeanen, het[71]overige uit inlandsche soldaten bestaan. Aanvankelijk, bij de oprichting was Europa vrij wel vertegenwoordigd bij dat detachement en leefden Franschen, Duitschers, Belgen, Nooren vrij eendrachtig bij elkander. Ook de inlanders vormden heterogene elementen, maar de Javaantjes hadden toch de meerderheid boven de Sundaneezen, Madureezen en Boegineezen, die bij het detachement aangetroffen werden.
Toen in 1861 een geest van oproer onder de Zwitsers, bij het Indische leger dienende, op Java waargenomen werd en die geest zich te Samarang reeds door daden van gewelddadig verzet vertolkt had, was het meerendeel dier Zwitsers heinde en ver over den Indischen Archipel verspreid en zoo werden ook de Europeanen te Kwala Kapoeas aanwezig, bijna allen afgelost en vervangen door manschappen, die in meerdere of mindere mate aan dien opstand hadden deelgenomen. Onder hen bevonden zich toen een tiental Zwitsers, een paar Belgen, een drietal Sienjo’s,1ook nog een paar Duitschers, maar geen enkele Nederlander. Alleen bij het kader werden een paar sergeanten en drie korporaals aangetroffen, die tot de laatstgenoemde nationaliteit behoorden.
Het waren flinke borsten, al die mannen, die den moeielijken dienst met opgeruimdheid torschten. Zij hadden overigens een vrij woelig leven. Des nachts moest steeds de uiterste waakzaamheid betracht worden; des daags werd veelvuldig uitgerukt tot opsporing van kwaadwilligen, ook om de goedgezinde bevolking vertrouwen in te boezemen en de weifelachtigen te toonen,[72]dat op ieder uur van den dag een troep gereed was, iedere poging van verzet te onderdrukken en dat geen schuilhoek voor de Nederlanders onbereikbaar was. Ongelooflijk inspanningsvolle marschen door zwaar moerassig terrein, overdekt met een weelderigen plantengroei, werden daarbij volvoerd en slechts zeer zelden gelukte het daarbij met den vijand slaags te geraken. Met dat al heerschte er nog al tevredenheid onder die mannen en hadde het Nederlandsch-Indische bestuur in die dagen de gewone en ellendige tarieven niet door het hongerlijders-tarief vervangen, waarbij alweer een keer te meer op echte kruideniersachtige wijze: „l’économie des bouts de chandelles”, was betracht geworden, dan zouden zij hun toestand ongaarne tegen een anderen in Indië hebben willen verwisselen. Dat zwaar dienstdoen, dat uitrukken, waarbij in sluwheid moest gewedijverd worden met den listigen inlander, waren kolfjes naar de hand van die mannen, die aan een avontuurlijk leven gewoon, zich tot dienstnemen bij het Nederlandsch-Indische leger hadden laten verlokken, door het vooruitzicht, dat avontuurlijk leven bestendigd te zien. Zij hadden daarenboven permissie bekomen, een stukje grond buiten het glacis van het fort te bewerken, waarop de blanken met goed gevolg Europeesche groenten en de inlandsche soldaten katellapohon, kadjang en obie’s2kweekten. Ook was het ieder dier miniatuur-landbouwers veroorloofd op een kleinen afstand van het buitengrachtsboord[73]zich een hutje op te richten, waarbij orde en regelmaat in acht was genomen. Zoo was een militaire kampong verrezen, die, vooral wat het inlandsche gedeelte daarvan betreft, in sierlijkheid kon wedijveren met de Dajaksche kampongs in den omtrek, wat trouwens niet veel zeggen wil. Het Europeesch gedeelte van dien militairen kampong was meer doelmatig dan wel sierlijk ingericht. Men vond daarin flinke luchtige huizen, waarin tafels, banken en stoelen aangetroffen werden, alles van wild hout, ruw uit de hand met het kapmes vervaardigd, waaraan de fijne meubelwerkers-kunst geheel vreemd was, die evenwel meer gemakken aanboden dan onze salonprullen.
In dien kampong had de man na verrichte dienstplichten een te huis, waar hij zich ontspannen kon, waar hij, onder het genot van een pijp tabak, zich met zijne lotgenooten onderhouden kon over het verre vaderland, waar hij zich een oogenblik van den knellenden band der krijgstucht ontslagen voelde.
Nogmaals, er heerschte nog al tevredenheid onder dat troepje en die was voornamelijk bij de onontwikkelden op te merken. Die hadden afleiding, geheel overeenkomstig hunne wenschen. Anders was het echter gesteld met enkelen, die zich van het leven in Nederlandsch-Indië geheel iets anders gedroomd hadden dan de werkelijkheid hun aanbood. De lezers leerden hen reeds in het eerste hoofdstuk kennen. Het waren Schlickeisen en Wienersdorf, twee Zwitsers, die betrekkelijk een vrij goede opvoeding hadden genoten en zich nu misplaatst gevoelden in het leven, waarin zij zich bevonden en wat zij zich zelven eenigermate bereid hadden.
Aanvankelijk stond daarbij hunne positie niet ongunstig. Als mannen van ontwikkeling hadden zij al aanstonds bij aankomst te Batavia een goeden indruk gemaakt en[74]de belangstelling hunner officieren verworven. In betrekkelijk korten tijd waren zij dan ook tot sergeant bevorderd en voorloopig in het aanbevelingsregister bij het Departement van Oorlog opgenomen, wat hun het vooruitzicht opende den officiersrang te kunnen verwerven, wanneer namelijk het onderzoek naar hunnen vroegeren levensloop, dat door bemiddeling van de Zwitsersche kanselarij ingesteld was, een gunstig resultaat zou opleveren. In afwachting daarvan, waren zij te Samarang bij een der veldbataillons geplaatst, om later bij de militaire school te Meester Cornelis over te gaan, alwaar alsdan hunne militaire opleiding voltooid zoude worden.
Die plaatsing te Samarang was evenwel een poets, hun gespeeld door het noodlot. In die plaats toch, alsook in de overige garnizoenen in de 2eMilitaire Afdeeling op Java, waarvan Samarang het hoofdkwartier uitmaakt, waren vele Zwitsers aanwezig en onder die heerschte zeer veel misnoegen, waartoe trouwens nog al aanleiding bestond.
Het Nederlandsche volk weet niet, of.… wil niet weten op wat wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. In der tijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken. Men was daarmee wel voor een kortstondig oogenblik geholpen; men heeft evenwel daardoor den Nederlanders zoo’n schrik voor hunne zoo schoone overzeesche bezittingen ingeboezemd, dat nu nog in zeer vele gedeelten van Nederland als machtspreuk geldt dat: „hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost.” Nu is men verplicht zijn toevlucht tot de vreemdelingen te nemen en daarbij volstrekt niet kieskeurig te werk te gaan. Vergde men van die[75]vreemdelingen bewijzen van goed gedrag, zooals dat van de zonen des lands geëischt wordt, dan zou de opbrengst der werving al heel luttel zijn. Men gaat zelfs, wanneer de markt slap en de aanvoer van menschenvleesch schaarsch is, een stap verder. De Nederlandsche wervers voorzien dan hen, die door politie-antecedenten of door hunne aanraking met den rechter voor crimineele zaken soms met den scherprechter zulks noodig hebben, van valsche papieren. Ook hen, die die aanraking zorgvuldig om gewichtige redenen wenschen te vermijden en derhalve hun eigen naam niet kunnen voeren. Het getal Fransche petroleurs, Duitsche sociaal-democraten of Waalsche grevisten en andere nog veel ergere misdadigers, die thans onder een valschen naam bij het Nederlandsch-Indische leger dienen, is overgroot. Is de nood evenwel aan den man, dat wil zeggen, is er een oorlog in Indië uitgebroken, waardoor nog al menschenvleesch verslonden wordt en dus de gewone aanvoer onvoldoende is, dan worden de verfoeielijkste kunstgrepen te baat genomen, om in het te kort te voorzien. De wervers—zielenverkoopers noemt hen het volk—vliegen dan uit als een troep hongerige gieren en verspreiden zich over Europa met het doel vleesch te huis te brengen. Zij slaan dan hun hoofdkwartier op in de beruchtste kroegen, in de speelholen van de ergerlijkste soort, meestal echter in huizen aan de dierlijkste ontucht gewijd en zijn er dan op uit, om van de meest liederlijke hartstochten van de bezoekers misbruik te maken, om hun prooi te bemachtigen. Veelal gaan ook de wervers het land op en verspreiden zich over de dorpen. Daar nemen zij den schijn van gemoedelijkheid aan, weten wonderveel te verhalen van Nederland’s fraaie koloniën, spiegelen den onervarenen wonderen van het soldatenleven in die gewesten voor oogen, vertellen hun, dat het eigenlijk[76]geen soldaat zijn is; dat hij daar meer gewapende landbouwer zal zijn, die van het Indische bestuur, eerst in bruikleen, later in eigendom, een flinken lap grond verkrijgt met een huisje, een paar koeien, een paar buffels, en wat varkens, en dat hij slechts eens in de week zijne wapenen heeft aan te gorden, om wat geoefend te worden of om inspectie te maken. Altemaal niets te beduiden. En zoo worden honderden en nog eens honderden bedrogen. Het hooge bloedgeld is al zeer spoedig in woestheid en ongebondenheid verteerd en wanneer de rampzaligen tusschen de keerkringen uit hunnen roes ontwaken, dan klinkt hun nog als een wreede spotternij de humbug van den Nederlandschen kolonel-kommandant van het koloniaal werf-depôt te Harderwijk in de ooren, toen hij hun de geneugten van „das schöne Java” opvijzelde; hoe zij daar „sambal naar genoegen” volgens de stereotiepe uitdrukking van het reglement op den inwendigen dienst zouden erlangen, en welk „schön Pension” hun te wachten stond, wanneer het hun gelukte hunne beenderen wederom huiswaarts te brengen. Die laatste zinsnede mompelde de geachte hoofdofficier voorzichtigheidshalve onhoorbaar; hij was te goed Nederlandsch ambtenaar, om zich zoo maar iets, wat naar waarheid zweemde, te laten ontvallen. Integendeel hij spiegelde zijnen toehoorders voor, dat zij allen in het genot van „das schöne Pension” zouden treden. Helaas! „das schöne Java” zou voor de meesten hunner een vloekoord worden, alwaar zij, slecht en karig gevoed, als galeiboeven gekleed, zullen leven te midden eener inlandsche bevolking, die zich niet met hen vermengt, en alwaar zij door de Europeanen, ambtenaren en kooplieden als paria’s met de diepste verachting zullen worden bejegend. Slechts zeer weinigen hunner zullen het zoo opgevijzelde „schöne Pension” deelachtig worden; en zij[77]die dat geluk zullen hebben, zullen in hun vaderland terugkomen met een ziekelijk lichaam, uitgeput of verminkt, gewikkeld in een afzichtelijke grijze pij, die een kapotjas moet heeten, om ten toonbeeld te strekken, wat het „schöne Java” voor hen geweest is en wat het hun heeft opgeleverd.
Waarlijk de praktische Hollanders hebben wel gelijk, wanneer zij beweren: „dat hij, die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost!”
Zoo kwamen dan Wienersdorf en Schlickeisen te midden dier ontevreden slachtoffers terecht. Hoewel zij voor hun persoon niet te klagen hadden en hunne vooruitzichten gunstig stonden, konden zij toch het oor niet sluiten voor de klachten hunner landslieden, die—zij moesten het erkennen—vreeselijk bedrogen waren. Aanvankelijk hielden zij zich op een afstand en vergenoegden zich slechts raad te geven, die, ware hij gevolgd geworden, veel onheil zoude voorkomen hebben. Maar te midden dier Indische maatschappij, die hen uitstiet, geen ander toevluchtsoord hebbende dan de kantine en de kazerne, was hunne voortdurende aanraking met de ontevredenen onvermijdelijk. Van nabij zagen zij de ellende der ongelukkige bedrogenen; zij zagen de slachtoffers van slechte voeding en van slechte behandeling overslaan tot uitspattingen, om eindelijk ten gevolge van die uitspattingen te krommen onder de rietslagen, die met Nederlandsche vrijgevigheid toegeteld werden op dat lichaamsdeel, waar de rug een anderen naam erlangt, zonder dat de machthebbenden ook maar het minste verrichtten, om in den toestand der ongelukkigen verandering te brengen of de hoofdoorzaak der uitspattingen, zijnde de vrije verkoop van sagoeweer3aan alle hoeken der straten, weg te nemen.[78]
Bij zooveel rampzaligheid kromp hun het hart ineen en verontwaardiging maakte zich meester van hun gemoed. Rondom hen werden ontwerpen besproken, om uit dien radeloozen toestand te geraken, eerst van desertie, wegloopen, dat natuurlijke middel van den zwakke, om zich buiten het bereik van den sterkere te stellen. Toen evenwel die ontwerpen onuitvoerbaar bleken, werden plannen tot gewelddadig verzet ontworpen. Nog hielden Wienersdorf en Schlickeisen zich daar buiten; hoewel zij reeds aan hun plicht als onderofficieren te kort deden, door het stilzwijgen omtrent die plannen te bewaren, waartoe zij zich genoopt meenden te gevoelen door eene misplaatste meewarigheid ten opzichte hunner landslieden. Bij het bekend worden van het beraamde, zou toch de rotting geducht huishouden. Toen evenwel de aanleggers met groote woorden de bevrijding der Javanen van het juk der Hollanders in hun programma opnamen en daardoor het odium van een militairen opstand wegmoffelden, om daarvoor de bevrijding van een onderdrukt volk in de plaats te stellen, toen begonnen die plannen een aantrekkelijkheid te krijgen, die voor onze avonturiers onweerstaanbaar was. De hongersnood in de districten Demak en Poerwodadi, nog zoo kort geleden, als gevolg van het bouwen van de vesting Willem I in onbetaalde of onvoldoend betaalde heerendiensten, werd te pas gebracht; de bladzijden uit[79]den „Juif errant” van Eugène Sue, waarin verhaald wordt, dat Javaansche moeders hare kinderen ombrengen, om hen aan den hongerdood, aan de slavernij of aan de onteering te ontrukken, werden met geestdrift voorgelezen; Multatuli’s Max Havelaar, pas verschenen in die dagen, waarbij de afpersingen op den Javaan, onder het schild der Nederlandsche regeering gepleegd, zoo helder in het licht werden gesteld, werd gretig verslonden; andere geschriften, waaronder van Hoevell’s tijdschrift voor Nederlandsch Indië, brachten het hunne bij, om die verdwaalden eene bevrijding van den verdrukten Javaan met geestdrift te doen begroeten. Hoogdravende woorden weerklonken, ver reikende plannen werden gesmeed, zelfs een verschijnen van den vrijheidminnenden Garribaldi werd aangekondigd, wanneer slechts eenmaal de beweging in vollen gang zoude zijn.
De raddraaiers lachten in hun vuistje, dat dat alles zoo voor goede munt werd opgenomen. Zij waren te ontwikkeld, om niet in te zien, dat de Javaan, te wantrouwend in zulke omstandigheden tegenover de vreemdelingen, zich stil zoude houden, zoo hij zich niet vijandig tegenover de blanke oproermakers zoude openbaren. In het gunstigste geval was alleen van hem te verwachten, dat hij zich de omstandigheden ten nutte zoude maken, om al de blanken, Nederlanders en oproerlingen naar zee te jagen. Het plan van de belhamels was uiterst eenvoudig. Zij wilden hun slag slaan in de eerste verwarring, onvermijdelijk bij een militair oproer, eenige staatskassen plunderen, zich van ettelijke schepen op de reede meester maken, om God’s wijde zee in te steken; ten einde, zij wisten niet waar, de vruchten van hun roof te gaan genieten. De arme onnoozelen, die bij het opstootje geholpen zouden hebben, zouden het eenvoudig misgolden en voor de akelige grap geboet hebben.[80]
Wat onder zulke omstandigheden met zoo’n slag van volk gebeuren moest, gebeurde ook. De Nederlandsche autoriteiten werden door verraders bij tijds gewaarschuwd, en toen de belhamels bij het bewustzijn van dat verraad, het tot een overijld en onvoorbereid handelen lieten komen, waren alle maatregelen tot beteugeling genomen.
Te Samarang had een kortstondig gevecht plaats, waarbij het de schutterij gelukte de oproerlingen binnen hun kwartier te houden. Eenmaal daarin opgesloten, werden zij door een paar compagnieën Amboineezen spoedig gedwongen de wapens neer te leggen. In de vesting Willem I werd een medeplichtig bataillon op behendige wijze ontwapend; op andere plaatsen hadden ettelijke arrestatiën plaats en daarmee was het uit. De beweging was, gelukkig voor alle partijen, in hare geboorte gesmoord.
Nu vergaderden de krijgsraden, die „ultima ratio” naast het kanon van hen, die niet volkomen gelijk hebben. Ettelijke belhamels werden tot den strop verwezen, andere werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, alle die eenigen graad bekleedden en in mindere of meerdere mate in het komplot betrokken waren geweest, werden tot soldaat gedegradeerd en het geheele Europeesche gedeelte van het leger, dat in de 2e Militaire Afdeeling van Java gehuisvest was geweest, werd over den geheelen Archipel verspreid. Dezen naar de Westkust van Sumatra, genen naar de Lampongs, anderen naar Borneo’s Westkust, naar Banka, naar Palembang, naar Riouw, naar Siak, naar Borneo’s Zuid- en Oostkust, naar Makassar, naar de Menahassa, naar de Molukken enz. enz.
Toen het gevaar daar was, werd er flink en doortastend gehandeld. Daaraan is te wijten, dat er geen grootere onheilen gebeurd zijn. Wat minder te prijzen valt, is de geheimzinnige sluier, die over het gebeurde werd[81]geworpen. Naast den officieelen leugen, of beter om dien officieelen leugen te bevorderen en te kunnen kweeken, moet de geheimzinnigheid, waarmede wij Nederlanders onze handelingen bij het besturen onzer overzeesche bezittingen omsluieren, de vloek onzer staatkunde genoemd worden.
Waren de verhooren, door die krijgsraden afgenomen, publiek gemaakt; ware openbaar gemaakt, wat in die verhooren op den voorgrond getreden is, de afzichtelijke wijze, waarop het Indische leger aangevuld wordt, dan, o!—er valt niet aan te twijfelen—zou het Nederlandsche volk, met al de gebreken, waarvan het beticht wordt, het tot een onmogelijkheid gemaakt hebben, dat nog niet lang geleden de Duitsche rijkskanselier zich met de Nederlandsche wervingen moest bemoeien; ook dat, om dien staatsman genoegdoening te geven, een hooggeplaatst Nederlandsch ambtenaar, van zijn ambt moest ontzet worden, om daarna tot spot van wat door een rechtschapen mensch recht en billijk genoemd wordt, op Java weer tot eer en aanzien verheven te worden.
Waren ook destijds de stukken, tusschen de Nederlandsche regeering en den Heer von Bismarck gewisseld, waarop het ontslag van dien staatsbeambte en de gerechtelijke vervolging van een Nederlandsch hoofdofficier door de Duitsche autoriteiten volgde, openbaar gemaakt, dan ware de kitteloorige waarschuwing van den drieharigen staatsman in het jaar 1880 niet noodig geweest. Het Nederlandsche volk zou dan van zijne bestuurders geëischt hebben, dat aan alle verfoeielijke kunstgrepen bij de werving een einde gemaakt werd.
Had men het Nederlandsche volk de waarheid over de aanleiding van zoovele oorlogen in Nederlandsch Indië niet onthouden, de Atjeh-oorlog ware onmogelijk geweest. En nu nog, nu die oorlog nog voortduurt en goed en[82]bloed blijft verslinden, wanneer daaromtrent de geheele onvervalschte waarheid verkondigd werd, dan zou niet alleen een andere annexatie-oorlog in de toekomst onmogelijk worden, maar dan zou het geheele Nederlandsche volk opstaan, om zich tot zijn Koning te wenden met den nadrukkelijken eisch, een einde te maken aan dien onrechtvaardigen oorlog, die met ongeëvenaarde hondschheid begonnen en met Fransche luchthartigheid voortgezet is; maar waarbij behalve de Nederlandsche financiën ook het laatste sprankje van Nederlandsche eerlijkheid en waarheidsliefde dreigen te gronde te gaan onder een aanhoudend weefsel van logen en bedrog, met het doel om den toestand te verbloemen en met het resultaat, dat het volk aan zedeloosheid en leugentaal gewoon gemaakt wordt.
Geheimhouding is de draaispil van de diplomatische bedrevenheid in Indische zaken der Nederlandsche staatslieden; is die niet houdbaar, dan wordt waarheidsverminking aangewend en, is die soms niet genoeg om den toestand te redden, dan wordt niet teruggedeinsd voor het verspreiden van de meest ergerlijke leugen. Bewijs bij voorbeeld voor dit laatste beweren, de zoo hoog opgevijzelde vreemde interventie in de Atjehzaken, waarvan nimmer een jota waar is geweest.
Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. De Zwitsers waren dus over den geheelen Archipel verspreid en zoo waren Schlickeisen en Wienersdorf te Kwala Kapoeas verzeild geraakt, alwaar zij zich bij hunne teleurgestelde verwachtingen uitermate verveelden.
Al zeer spoedig waren zij met denkbeelden vervuld, om zich aan dien toestand te onttrekken. Zij ontveinsden zich er de moeielijkheid niet van.
Wel was hun geen slecht lot beschoren; zij hadden het veel erger kunnen treffen. Hun kommandant was[83]een humaan mensch, die aan een gepaste strengheid veel menschlievendheid paarde en innig medelijden had met de arme verdwaalden. Alles deed hij, om hun toestand te verzachten; nu eens kortte hij de verveling op den een of anderen tocht door een gesprek met hen te houden, waarbij zij hunne gaven als ontwikkelde mannen konden ten toon spreiden; zijn bibliotheek stond te hunnen dienste en daar de luitenant lid van een der vele leesgezelschappen was, die destijds ter Zuid- en Oostkust van Borneo bestonden, was dit te meer onwaardeerbaar, wijl zij daardoor de meeste en de beste der nieuwere tijdschriften in handen kregen en zoo op de hoogte van den tijd bleven.
Een andere bezigheid, waarmede de luitenant hun leegen tijd in beslag nam, was het opnemen van het terrein rondom en in niet al te onmiddellijke nabijheid van het fort. Wanneer de officier tijd had, dan leidde hij de werkzaamheden: maar veelal waren onze twee Zwitsers aan zich zelven overgelaten. Toch kweten zij zich uitmuntend van de hun opgedragen taak. Met vaardigheid hanteerden zij de boussole, het planchet en de tranche-montagne, allen instrumenten den luitenant toebehoorende, en waren de schetsen, die zij ontwierpen, zeer verdienstelijk te noemen. Vooral was de tranche-montagne hun lievelingsinstrument; daarmede werden de horizontale hoeken zoo gemakkelijk en toch zoo nauwkeurig gemeten, de terreingolvingen gaf het met een oogopslag aan; terwijl het bij opstelling en vervoer tot zoo weinig omslag mogelijk aanleiding gaf. Een zwerven door de maagdelijke bosschen van Borneo was daarenboven onzen avonturiers niet onwelkom, en zij rekenden tot de heerlijkste oogenblikken huns levens de uren, die zij daar te midden van den meest prachtvollen plantengroei doorgebracht hadden.[84]
Maar dat alles gold slechts het heden, dat zij beleefden en, hoe draaglijk dat heden zich ook voordeed, en hoe verrukkelijk sommige oogenblikken te genieten waren, zoo waren zij toch verplicht een blik in de toekomst te werpen. Wanneer zij hun toestand bespraken, dan was steeds de slotsom hunner redeneering, dat ieder uur, iedere minuut, iedere seconde, die zij nog in Nederlandsch Indischen dienst doorbrachten, voor hunne verdere vorming geheel nul en dus voor een nog mogelijke toekomst verloren was.
Tot die slotsom gekomen, stond het weldra vast, dat zij deserteeren moesten. Dat besluit was echter gemakkelijker genomen dan uitgevoerd. Zij zaten nog al ver in het binnenland van Borneo, dat grootste aller eilanden, omringd door woeste wilde stammen, die een menschenleven net zooveel tellen, als dat van een der duizenden muskieten, die in hunne moerassige wouden gonzen, die allen koppensnellers in hun hart zijn en aan het bezit van een Europeeschen schedel zeer groote waarde hechten en waarvan velen nog van meening zijn, dat menschenhersens als hoofdschotel op iedere feesttafel tegenwoordig moeten zijn. Zij zaten op dat Borneo, waarvan het grootste gedeelte der kustlijnen in de macht was der Nederlanders, die ongetwijfeld wel alle krachten zouden inspannen om de vluchtelingen te achterhalen, al ware het maar om het verleidelijke van het voorbeeld te fnuiken. De naastbijzijnde kust, zijnde de zuidkust, grensde aan de Java-zee. Bij den bestaanden oorlogstoestand was die geblokkeerd en zwierven daar stoomschepen, kruisbooten en gewapende barkassen overal rond. Hetzelfde kon gezegd worden van de oostkust, die aan straat Makasser, en van de westkust, die aan de Chineesche zee paalt. Overal ontwikkelden de Hollanders de grootste waakzaamheid om den invoer van[85]oorlogscontrabande tegen te gaan. Alleen de noordkust stond open, om de goede reden dat langs die kust, die zich nagenoeg 200 geographische mijlen ver van kaap Datoe in noordwestelijke richting uitstrekt, de Nederlanders niets te zeggen hebben. Langs die kust wonen altemaal onafhankelijke stammen, waarvan een zich een Engelschman tot radja gekozen heeft en alzoo onder Britsch protektoraat staat. Maar om die noordkust te bereiken, moest geheel Borneo van het zuiden naar het noorden doorgetrokken worden; de weg zou onvermijdelijk door streken leiden, nimmer door een Europeeschen voet betreden, waarbij de vluchtelingen noodwendig in aanraking zouden komen met volkstammen, die alleen door een vrij onvolmaakte gelijkenis met den mensch van het dier verschillen, in leelijkheid bij den Waw-waw en den Orang-oetan4ten achteren staan en door dat alles zooveel levende bewijzen voor de stelling van Darwin opleveren. Daarbij zou het er op aankomen die noordkust in de onmiddellijke nabijheid van Sarawak, het gebied van James Brooke, den bovenbedoelden Engelschman, te bereiken; daar zij, op ieder ander punt aankomende, het vreeselijkste lot zouden te gemoet gaan, dewijl de daar wonende stammen niet in gebreke zouden blijven, hen gevangen te nemen en hen aan de Solorsche zeeroovers te verkoopen. Harde slavernij zou dan hun lot zijn.
Waarlijk de uitvoering der voorgenomen desertie was moeielijk.[86]
Het was al dadelijk niet gemakkelijk tot een beslissing te geraken, welken weg de deserteurs in spe in te slaan hadden. Maar dienaangaande zou een toeval hen helpen en hunne voornemens tot rijpheid brengen, ja, hen eenigszins overijld doen handelen.[87]
1Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen inN.I.gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.↑2Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.↑3Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.[78]Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.↑4Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.↑
1Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen inN.I.gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.↑2Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.↑3Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.[78]Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.↑4Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.↑
1Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen inN.I.gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.↑
1Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan alle Europeesche kinderen inN.I.gegeven; voornamelijk aan kinderen door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.↑
2Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.↑
2Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt. Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het algemeen iets meer zoetachtig van smaak.↑
3Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.[78]Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.↑
3Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.[78]Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.↑
4Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.↑
4Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden is: Hylobates concolor.↑