VIII.

[Inhoud]VIII.Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren. Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde, zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op de Europeanen toe, die[146]nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door de woorden:„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten) uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de scheede getrokken.Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op, voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus, waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser[147]bij den nek, draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït” een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel, dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel. De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden. Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot „Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde. Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige omstandigheden, een chlamyde, lang[148]hemd in den vorm van een paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd. In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria” en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die slechts door een pin tusschen den grooten en eerstenteenvastgehouden werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo heilig heen en prevelde zijn „lāilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten, waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en[149]glom het gebit van Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd. Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord „dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners gesproken wordt. Ter nadere aanduiding[150]wordt daarachter de naam van den berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo „Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott Danom Kahajan” de Ott Danom’s derKahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken. Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras, dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten, meent in die luchtwouden heuveltoppen[151]en opgaand terrein te ontwaren en ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten zijn voet niet tot steun strekten.Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng, in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of achterwaarts te stevenen.Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers afgelegd; maar toen waren hunne[152]krachten zoodanig uitgeput, dat zij hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand afgewacht worden.Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en „gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.De „bapoejoe” is een visch1, die in uiterlijk en ook in grootte veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen, maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij, door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen, niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch hun oplevert.De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms achtd.m.lang wordt en in vorm veel met zeelt overeenkomt.[153]Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke door hen „oeaiahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapaenoeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of te vernieuwen.Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan het werk slaat.Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong niet in zich. Aan hunnen landaard[154]getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren. Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de gelegenheden te mijden, ruimbaan temoetenmaken. Vooral moeten we oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de kommandant te KwalaKapoeaseenmaal, dat we deze buurt uit zijn, dan.…”„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in ’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van[155]de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de overlevering van Kwala Kapoeas voort.”„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne weet ik er niet van. Wie waren die lui?”„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te Kalangan. Dasso en Doeta waren„mandoor” (opzichter), de anderen eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende Schlickeisen.„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”„Maar zijn ze te vertrouwen?”„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet, Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen, onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten uitgeoefend zou worden.[156]„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen. Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de onverlaten onmiddellijk neer te steken.”„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik, voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben, daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel! kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd, door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats nog warm.”[157]„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der bevolking moesten ze geknipt worden.”„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede; het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren, signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog minder.”„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in denegorijverraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me dunkt met geld …?”„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel, alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en gelastte hem een der matrozen van de stroomop[158]liggende kruisboot te halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens een rood licht in de prauw ontbloot[159]werd en ons tegenschitterde. Dat was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren, dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker werden.”„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels gepakt zijn. Maar … ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest, maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe, vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog het hoofd en keek voor zich.[160]„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons ook zullen wenden: pas op je kop.”„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn. Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort, kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren,[161]waarna zij de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren. Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene tronies kwamen vertoonen.„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort betreden.”Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.[162]1De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.↑

[Inhoud]VIII.Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren. Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde, zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op de Europeanen toe, die[146]nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door de woorden:„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten) uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de scheede getrokken.Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op, voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus, waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser[147]bij den nek, draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït” een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel, dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel. De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden. Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot „Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde. Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige omstandigheden, een chlamyde, lang[148]hemd in den vorm van een paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd. In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria” en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die slechts door een pin tusschen den grooten en eerstenteenvastgehouden werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo heilig heen en prevelde zijn „lāilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten, waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en[149]glom het gebit van Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd. Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord „dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners gesproken wordt. Ter nadere aanduiding[150]wordt daarachter de naam van den berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo „Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott Danom Kahajan” de Ott Danom’s derKahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken. Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras, dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten, meent in die luchtwouden heuveltoppen[151]en opgaand terrein te ontwaren en ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten zijn voet niet tot steun strekten.Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng, in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of achterwaarts te stevenen.Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers afgelegd; maar toen waren hunne[152]krachten zoodanig uitgeput, dat zij hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand afgewacht worden.Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en „gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.De „bapoejoe” is een visch1, die in uiterlijk en ook in grootte veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen, maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij, door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen, niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch hun oplevert.De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms achtd.m.lang wordt en in vorm veel met zeelt overeenkomt.[153]Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke door hen „oeaiahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapaenoeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of te vernieuwen.Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan het werk slaat.Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong niet in zich. Aan hunnen landaard[154]getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren. Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de gelegenheden te mijden, ruimbaan temoetenmaken. Vooral moeten we oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de kommandant te KwalaKapoeaseenmaal, dat we deze buurt uit zijn, dan.…”„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in ’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van[155]de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de overlevering van Kwala Kapoeas voort.”„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne weet ik er niet van. Wie waren die lui?”„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te Kalangan. Dasso en Doeta waren„mandoor” (opzichter), de anderen eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende Schlickeisen.„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”„Maar zijn ze te vertrouwen?”„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet, Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen, onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten uitgeoefend zou worden.[156]„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen. Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de onverlaten onmiddellijk neer te steken.”„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik, voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben, daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel! kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd, door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats nog warm.”[157]„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der bevolking moesten ze geknipt worden.”„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede; het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren, signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog minder.”„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in denegorijverraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me dunkt met geld …?”„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel, alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en gelastte hem een der matrozen van de stroomop[158]liggende kruisboot te halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens een rood licht in de prauw ontbloot[159]werd en ons tegenschitterde. Dat was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren, dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker werden.”„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels gepakt zijn. Maar … ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest, maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe, vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog het hoofd en keek voor zich.[160]„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons ook zullen wenden: pas op je kop.”„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn. Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort, kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren,[161]waarna zij de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren. Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene tronies kwamen vertoonen.„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort betreden.”Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.[162]1De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.↑

VIII.Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.

Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.

Een nieuwbakken Dajak.—Een verfpartij.—De Arabier Sjech Mohamed Al Mansoer.—Al te mooie Dajaks.—In de wildernis.—De tong dient den blanken het meest.—De mandoor’s Dasso en Doeta.—Twee flesschen jenever en eenige poeders murias Morphini.—De vogels geknipt.—Een welgemeende vloek.

Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren. Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde, zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op de Europeanen toe, die[146]nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door de woorden:„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten) uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de scheede getrokken.Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op, voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus, waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser[147]bij den nek, draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït” een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel, dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel. De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden. Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot „Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde. Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige omstandigheden, een chlamyde, lang[148]hemd in den vorm van een paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd. In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria” en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die slechts door een pin tusschen den grooten en eerstenteenvastgehouden werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo heilig heen en prevelde zijn „lāilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten, waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en[149]glom het gebit van Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd. Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord „dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners gesproken wordt. Ter nadere aanduiding[150]wordt daarachter de naam van den berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo „Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott Danom Kahajan” de Ott Danom’s derKahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken. Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras, dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten, meent in die luchtwouden heuveltoppen[151]en opgaand terrein te ontwaren en ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten zijn voet niet tot steun strekten.Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng, in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of achterwaarts te stevenen.Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers afgelegd; maar toen waren hunne[152]krachten zoodanig uitgeput, dat zij hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand afgewacht worden.Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en „gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.De „bapoejoe” is een visch1, die in uiterlijk en ook in grootte veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen, maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij, door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen, niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch hun oplevert.De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms achtd.m.lang wordt en in vorm veel met zeelt overeenkomt.[153]Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke door hen „oeaiahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapaenoeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of te vernieuwen.Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan het werk slaat.Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong niet in zich. Aan hunnen landaard[154]getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren. Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de gelegenheden te mijden, ruimbaan temoetenmaken. Vooral moeten we oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de kommandant te KwalaKapoeaseenmaal, dat we deze buurt uit zijn, dan.…”„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in ’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van[155]de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de overlevering van Kwala Kapoeas voort.”„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne weet ik er niet van. Wie waren die lui?”„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te Kalangan. Dasso en Doeta waren„mandoor” (opzichter), de anderen eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende Schlickeisen.„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”„Maar zijn ze te vertrouwen?”„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet, Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen, onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten uitgeoefend zou worden.[156]„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen. Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de onverlaten onmiddellijk neer te steken.”„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik, voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben, daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel! kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd, door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats nog warm.”[157]„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der bevolking moesten ze geknipt worden.”„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede; het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren, signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog minder.”„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in denegorijverraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me dunkt met geld …?”„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel, alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en gelastte hem een der matrozen van de stroomop[158]liggende kruisboot te halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens een rood licht in de prauw ontbloot[159]werd en ons tegenschitterde. Dat was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren, dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker werden.”„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels gepakt zijn. Maar … ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest, maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe, vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog het hoofd en keek voor zich.[160]„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons ook zullen wenden: pas op je kop.”„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn. Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort, kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren,[161]waarna zij de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren. Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene tronies kwamen vertoonen.„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort betreden.”Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.[162]

Met het krieken van den dag wekten de Europeanen, die geen oog toegedaan hadden, de Dajaks, die nog wel wat hadden willen luieren. Maar Johannes nam Dalim ter zijde en praatte een poos heel druk met hem. De twee anderen gingen aan het rijst koken en visch poffen, zooals dat daags te voren geschied was. De Europeanen verfrischten zich en dreven den slaap uit de oogen, door hun lichaam in ’t riviertje te dompelen, waarop de prauw te dobberen lag.

Nadat Dalim een wijl met Johannes gepraat had, trad hij lachende het dichte bosch in en verdween voor een oogenblik uit aller oogen. De andere haalde het pak kleeren te voorschijn, waarover hij des nachts gesproken had, zocht daaruit wat hij noodig had en sprong vervolgens in het water, het voorbeeld zijner makkers volgende en plaste en dartelde, zooals dat alleen een Indo-Europeaan doen kan. Toen hij er genoeg van had, greep hij zijn pakje, kroop daarmede achter een struik en, even later trad een vreemde Dajak met den ontblooten mandauw in de hand op de Europeanen toe, die[146]nog aan ’t baden bezig, een schreeuw van ontzetting slaakten. Een luide lach klonk hun in de ooren, gevolgd door de woorden:

„Hèlo mikèh, olo bapoeti” (niet bang zijn blanke menschen).

De vermomming was volkomen. Toen zij de stem hoorden, herkenden zij Johannes terstond, die daar met de „ewah” voor eenig kleedingstuk en een vuilen hoofddoek om de slapen gewonden, voor hen stond. In het pak van Baba Poetjieng waren ook eenige mandauw’s, het gebruikelijke zwaard der Dajaks, wanneer zij ten oorlog of op „Kajau” (sneltochten) uittrekken. Hij had er een van uitgezocht, dien omgegespt en, om de vertooning nog aangrijpender te maken, het vreeselijke wapen uit de scheede getrokken.

Nadat hij een wijl bekeken en bewonderd was, werd ontbeten. Gedurende het ontbijt kwam Dalim uit het bosch terug. Deze greep een pot, deed daarin een pak bladeren, die hij aangebracht had, goot daar water op, voegde er vervolgens eenige droppels bij van een zwarte verfstof, uit een klein steenen kruikje, dat hij had hangen aan de rottanlus, waarmede hij zijn mandauw omgespt had, zette nu den pot te vuur en nam toen plaats om ook zijn aandeel van het ontbijt te verorberen.

Toen hij daarmee klaar was, kookte zijn mengelmoes. Hij nam den pot van het vuur en verzocht nu Schlickeisen, die zich het dichtst bij hem bevond, de handen uit te steken. Hij had het hemd van Johannes al gegrepen, daarvan een lap afgescheurd en dien in den pot gestoken en zoo bevochtigd. Toen Schlickeisen zijne handen aanbood, wreef hij die een poos met den lap, waarna zij bijna oogenblikkelijk een fraaie bruine tint aannamen, die hem de meest fatterige inlander zoude benijd hebben. Met de handen klaar, greep Dalim den Zwitser[147]bij den nek, draaide hem het hoofd onder zijn arm en waschte hem het aangezicht en hals, zooals hij met een knaap van zes jaren zou gedaan hebben. De omstanders lachten, dat zij het meenden te besterven. Toen de operatie afgeloopen was, was Schlickeisen onkenbaar. Het was jammer, dat geen spiegel in de prauw aanwezig was, om hem gelegenheid te geven zich zelven te bewonderen. Maar Johannes was van meening dat het geheele lijf der blanke vluchtelingen zoo moest toebereid worden, wilde men voldoende gewaarborgd zijn, en dat beaamden allen. Dalim liep dus het bosch weer in om nog meer bladeren te zamelen, ten einde op grootere schaal te kunnen opereeren. Het waren de bladeren van den „Kalampoeït” een boomsoort tot de Rododendrons behoorende, waarvan de Dajaks ook een afkooksel gebruiken, om hun pijlvergift te versterken. Bij het kooksel, dat thans bereid werd, dienden de bladeren slechts als bindingsmiddel. De eigenlijke kleurstof nam Dalim uit het steenen kruikje en het daarin vervatte was het sap van de „Katiting,” een boom tot de Rhisophoren behoorende, dat door verbranding van de houtdeelen verkregen wordt en alsdan als pik zoo zwart te voorschijn treedt.

Een uur later waren onze Europeanen prachtig gebronsd en stapten, in hun „ewah” gehuld, zoo deftig, als waren zij geboren Dajaksche hoofden. Alleen La Cueille werd bevonden minder juist het Dajaksche type weer te geven. Hij, met zijn scherp besneden gelaat, fonkelende oogen, fraaien ringbaard en krullenden haardos, vertoonde na zijn bruineering zoo zuiver het type van den Arabier, dat men hem met algemeene stemmen tot „Sjech” (arabisch praedikaat) verhief en hem Mohamed Al Mansoer noemde. Daardoor verwierf hij het groote voorrecht in de tegenwoordige omstandigheden, een chlamyde, lang[148]hemd in den vorm van een paletot-sac, waarover een gekleurde lange kabaai, te mogen dragen. Zijn hoofd werd met een tulband versierd, en zijne voeten werden geschoeid met sandalen, terwijl hij steeds de kralen van een rozenkrans tusschen de vingeren moest laten glijden. Nu, dit laatste was hem niet vreemd. In vroegere dagen had hij een dergelijk vroom werktuig meer gehanteerd en aan de voeten van het Moeder-Gods-beeld geknield, menig „Ave Maria” en „Gloria Patri” afgepreveld. Waar hij meer moeite mee had, waren de sandalen en het kostte hem veel oefening op die platte zolen, die slechts door een pin tusschen den grooten en eerstenteenvastgehouden werden, op eenigszins fatsoenlijke wijze voort te sloffen. Maar met vasten wil kan men alles. Weldra schoof Richard La Cueille daar zoo heilig heen en prevelde zijn „lāilāha illa-llāhoe” (Er is geen God dan Allah), zoo zalvend, alsof hij in Arabia Petrea het eerste levenslicht had gezien. Daarbij kwam nog dat Dalim, hetzij onwillekeurig, hetzij opzettelijk, den Waal donkerder getint had dan zijn lotgenooten, waardoor de gelijkenis met een echten Sjech voltooid werd.

Er werd afgesproken, dat, bij ontmoetingen met inboorlingen, alleen de ware Dajaks en Johannes, die de landstaal volkomen machtig was, zouden mogen spreken. De beide Zwitsers zouden als „djipen” (pandelingen) een diep stilzwijgen moeten bewaren, terwijl Sjech Mohamed Al Mansoer slechts Maleisch behoefde te brabbelen, en dat te doorspekken met Arabische spreuken en Koran-versetten, die Johannes hem wel leeren zou.

Een laatste bewerking, die de Zwitsers en ook Johannes nog moesten ondergaan, om volmaakt op wezenlijke Dajaks te gelijken, was het verven der tanden. Met behulp van den inhoud van Dalim’s kruikje, met dat zwarte Katitingvocht, was men spoedig klaar en[149]glom het gebit van Johannes en der beide anderen, als ware het van ebbenhout vervaardigd. Dalim beval hun nu nog aan, zich nog eenige dagen achter elkander ’s morgens na het baden, de huid met zijn brouwsel in te wrijven, dan zouden zij in de wol geverfd zijn en behoefden zij niet te vreezen, dat zij in het eerste half jaar verkleuren zouden.

„Jèh tèh olo Ngadjoe bara bahalap haliai.”

„Ge zijt al te mooie Dajaks” was de meening van Dalim en werkelijk de man had gelijk. Wel hadden de drie Europeanen de breede ruime borstkassen, de flink ontwikkelde schouders en de stevige armen van het type, dat zij voorstelden, maar zij misten daarentegen de kromme verwrongen beenen, waaraan de bewoners der laaglanden van het eiland Borneo hun naam ontleenen. Dajak is een verkorting van het woord „dadajak” dat in de taal des lands beteekent: „wankelend loopen”. De benaming Dajak is dus een scheldnaam, die ook zoo opgenomen en alleen door de Europeanen gebezigd wordt. De bewoners van de benedenlanden hebben allen, op zeer weinig uitzonderingen na, kromme onderdanen en als gevolg daarvan een waggelenden gang. De oorzaak van dit gebrek is daarin gelegen, dat zij het grootste gedeelte van hun leven, met gekruiste beenen zittende, in hunne prauwen doorbrengen. Daarentegen is door het vele en aanhoudende roeien hun bovenlijf zoodanig ontwikkeld, dat het van de meesten wel tot model voor een beeldhouwer kan dienen.

In de taal des lands heeten de stammen, die wij Dajaks noemen „Olo Ott”, indien het de bergbewoners geldt; „Olo Ott Danom”, indien men de bewoners van de lagere gedeelten langs de rivieren en stroomen aanduidt; en „Olo Ngadjoe” indien van de kust- of moerasbewoners gesproken wordt. Ter nadere aanduiding[150]wordt daarachter de naam van den berg, den stroom of rivier genoemd, waarbij de bedoelden wonen. Zoo „Olo Ngadjoe Kapoeas”. De Ngadjoe’s van de Kapoeasstreken; „Olo Ott Danom Kahajan” de Ott Danom’s derKahajanstreken; „Olo Ott Bohong”, de Ott’s die bij den berg Bohong huisvesten.

Toen de herschepping onzer deserteurs afgeloopen was, bonden zij hunne militaire kleeding in een pak te zamen, belastten dat met een goede vracht klei en lieten het in het diepste gedeelte der soengei zinken. Vervolgens werd aan den arbeid getogen om de prauw verderop te doen stevenen. Maar dat was een harde arbeid. De soengei Dahasan is eigenlijk een der vele afwateringskanalen van een uitgestrekt moeras, dat zich in een depressie-plooi tusschen de Kapoeas, de Kahajan en de Troessan gevormd heeft en met een dichte wildernis overdekt is. Het zijn vooral de slingerplanten, die hier in verbazende hoeveelheid voorkomen en den geheelen grond overdekken, de verschillende riviertjes, poelen en kreken met een dicht lover overbruggen, tegen de hoogste woudreuzen opklimmen, ze omstrengelen en hunne kruinen zoo overdekken, dat zij, in vereeniging met de ontelbare woekerplanten, die in die vochtige bosschen bij uitnemendheid tieren, hoog in de lucht op die reuzenstammen een nieuwe plantenwereld vormen. De grootste boomen en de kleinste struiken, stammen en takken zijn bijna met een ondoordringbaar weefsel overtogen. Groepen van overschoone boomen, met stammen zoo recht en glad als zuilen, dragen die parasiet-wouden, die boven haar somber loofdak uitsteken en de eentonige omtrekken dier bosschen schakeeren en schilderachtig verbreken. De reiziger in zulke streken, ongeduldig den voet op den vasten bodem te kunnen zetten, meent in die luchtwouden heuveltoppen[151]en opgaand terrein te ontwaren en ziet zich deerlijk teleurgesteld; want de bodem begeeft hem al meer en meer en somtijds zou hij wegzinken, wanneer de slinger- en klimplanten zijn voet niet tot steun strekten.

Wat op het terrein benoorden de Troessan het meest voorkomt tusschen de reuzenboomen van het oorspronkelijk woud, zijn de rottansoorten, die door de Dajaks met den algemeenen naam: „Oeai” betiteld worden. De rottan is een slingerplant, die veelal op een afstand van vele meters over den grond voortkruipt, zich tegen boomen en struiken naar boven slingert en alles in den omtrek met een warnet overdekt, waarin slechts met de bijl in de vuist een weg te banen is. De scheede, waarin de stam der plant verscholen ligt, is met veelvuldige zeer scherpe doornen overdekt en levert dus voor den woudlooper een geduchten hinderpaal op.

Ons zevental begaf zich in de bedding der soengei te water; en terwijl vijf hunner, met het hakmes in de hand, de takken, struiken en slingerplanten uit den weg ruimden en ten koste van menige pijnlijke schram en van menigen zweet- en bloeddruppel ruim baan maakten, liepen de beide anderen rechts en links van de prauw, soms tot aan het midden in ’t water en stuurden en stuwden haar langzaam door het kronkelende vaarwater, dat eigenlijk niet anders was dan een pad van een djoekoeng, in vroegere dagen door den zachten modder gesleept. Het was een onmenschelijke arbeid, waarbij ook de prauwvoerders menigmaal het hakmes in den dichten doornenwand moesten hanteeren, wanneer het dakwerk van het vaartuig, daarin verward, niet meer toeliet voor- of achterwaarts te stevenen.

Tegen den middag hadden de vluchtelingen nog maar weinige kilometers afgelegd; maar toen waren hunne[152]krachten zoodanig uitgeput, dat zij hijgend naar rust haakten. Ook was door de ingevallen eb het water rondom zoodanig afgeloopen, dat het vaartuig in den modder eindelijk als vastgeklonken, niet meer vooruit te brengen was, welke inspanning men daartoe ook aanwendde. Noodwendig moest de volgende vloedstand afgewacht worden.

Van de gedwongen rust werd gebruik gemaakt, om het middagmaal te bereiden, waarbij de Dajaks zich zeer verdienstelijk maakten, door in de gaten en kuilen van het drooggeloopen terrein eenige „bapoejoe’s” en „gaboe’s” te vangen, waardoor het maal aan verscheidenheid zeer won.

De „bapoejoe” is een visch1, die in uiterlijk en ook in grootte veel van onze baarsjes heeft; alleen mist hij de scherpe rugvinnen, maar is even lekker als deze. Die visch is van zeer gezelligen aard en trekt in vrij groote scharen over het overstroomde land. Wordt hij door de ingevallen eb verrast, en blijft hij op het droge, dan trekt hij, door zijn instinct geleid, al springende door den modder naar de naastbijgelegen soengei, om daar zijn element weer op te zoeken. Hij kan zoo dagen lang buiten het water vertoeven en het is wezenlijk een verrassend gezicht, soms honderden van die visschen, in een bepaalde richting door den modder te zien spartelen en hunne reis vervolgen, niettegenstaande de menigvuldige hinderpalen, die zoo’n moerassig bosch hun oplevert.

De „gaboes” is ook een moerasvisch, die soms achtd.m.lang wordt en in vorm veel met zeelt overeenkomt.[153]

Toen het maal verorberd was, gingen de Dajaks rottan verzamelen; die zou hun op de verre reis, die zij voor hadden, zeer te stade komen. Zij sneden eenige einden, dertig à veertig meter lang, van die soort, welke door hen „oeaiahas” genoemd wordt. Zij rolden die zorgvuldig op en borgen ze in de prauw. Die zouden wel als kabeltouwen bij de een of andere gelegenheid te pas komen. De soorten als „oeai irit, oeai tapaenoeai hantoe,” die gemengd onder elkander in den handel voorkomen en het materiaal zijn, waarvan stoelmatten en ander vlechtwerk vervaardigd worden, werden op de gebruikelijke lengte van ruim tien rijnl. voet gesneden, vervolgens van de doornen schacht voorzichtig ontdaan en eindelijk in bossen van honderd stuks te zaam gebonden. Wel ware het noodig geweest den rottan eenigen tijd in een sloot of rivier te dompelen om uit te wateren, ten einde vroegtijdig bederf te voorkomen en hem een fraaie witte of gele kleur te geven, maar daarmede konden onze vluchtelingen zich niet ophouden; de gesneden rottan zou het wel uithouden, zoolang hunne reis duren zou. Daarbij, er zou wel gelegenheid zijn om bij noodzakelijkheid den voorraad aan te vullen of te vernieuwen.

Terwijl de eigenlijke Dajaks zich zoo bevlijtigden, zaten de namaaksels uit te blazen van de afmattende vermoeienis; ook ten einde weer krachten te garen, om straks op nieuw met ijver aan den gang te kunnen gaan. In den regel vermoeit de Europeaan in Indië zich meer dan de inlander bij gelijken arbeid. Vooreerst door het voor hem afmattende luchtgestel; maar vooral door de voortvarendheid en—men zou haast kunnen zeggen—door den onbesuisden haast, waarmede hij de handen aan het werk slaat.

Die rust van armen en beenen sloot evenwel de onbeweeglijkheid der tong niet in zich. Aan hunnen landaard[154]getrouw, lieten zij dat lichaamsdeel vrij spel en pleitten ijverig voor het beweren van de inlanders, dat de tong den blanken het meest dient. Er was trouwens nog veel te bepraten en bij de ontwikkeling der toestanden, zouden de reizigers wel nimmer gebrek aan stof tot gedachtenwisseling krijgen.

Ook nu trachtte Johannes zijnen lotgenooten voor oogen te houden, dat alleen de grootste voorzichtigheid tot het beoogde einddoel kon voeren. Hij meende daarop niet genoeg te kunnen terugkomen.

„Ik wil daarmee niet beweren,” vervolgde hij, „dat we ons als lammelingen te gedragen hebben. Voorzichtigheid sluit volstrekt geen lafhartigheid in zich. Komt het er op aan, met onze vuisten of met onze wapens ruimbaan te moeten breken, dan zonder dralen er op in! Een bedaard en berekend moedbetoon, kan dan veel ontzag inboezemen. Maar in de omstandigheden, waarin we zijn, moeten we alles aanwenden, om de gelegenheden te mijden, ruimbaan temoetenmaken. Vooral moeten we oppassen met iedereen, die van de benedenstreken komt. Gist de kommandant te KwalaKapoeaseenmaal, dat we deze buurt uit zijn, dan.…”

„Dan, dan,” viel La Cueille hem ongeduldig in de rede, „dat heb je ons al verteld, dan worden we als wilde beesten gejaagd enz. enz.”

„Bleef het bij dat enz. maar. Buiten die jacht zou je wel eens stukjes zien vertoonen, waarvan je nooit gedroomd hebt en die ook onmogelijk te voorzien zijn. Als de kommandant ons op ’t spoor is en zich eenmaal in ’t hoofd gesteld heeft, ons machtig te worden, dan deinst hij voor weinig middelen terug om zijn doel te bereiken. We kunnen dan niet voorzichtig genoeg zijn. Wil jullie een voorbeeld van de kunsten die hij weet uit te halen? Zeker heb je wel eens van de gevangenneming van[155]de mandoor’s Dasso en Doeta gehoord? Die leeft althans in de overlevering van Kwala Kapoeas voort.”

„Ik heb er wel van hooren praten,” zei Schlickeisen, „maar het fijne weet ik er niet van. Wie waren die lui?”

„Luistert, dat zal ik je vertellen. Dasso en Doeta zijn Dajaks van Poeloe Petak en hebben daar en in de beneden-Kapoeas vele verwanten. ’k Geloof zelfs dat Dalim een halve broeder van eerstgenoemden is. Beiden en ook de drie Dajaks, die ons nu vergezellen, waren, bij het uitbreken van den opstand in dit land, werkzaam bij de steenkolenmijn te Kalangan. Dasso en Doeta waren„mandoor” (opzichter), de anderen eenvoudige mijnwerkers. Alle vijf hebben zich schuldig gemaakt aan de moordtooneelen, die daar plaats gegrepen hebben.”

„Een mooi zoodje, waarmee je ons in gezelschap gebracht hebt,” meende Schlickeisen.

„Net of anderen zoo maar voor ’t grijpen waren, bij zoo’n onderneming.”

„Maar zijn ze te vertrouwen?”

„Ik meen meer dan iemand anders. Ze hebben zich in ’t hoofd gezet, Singapore te bereiken en daartoe hebben ze onze hulp noodig. Bij de voorgenomen reis over zee, had ik hun slechts de rol van roeier toebedacht, dus een zeer ondergeschikte. Bij de verandering van reisplan, treden ze meer op den voorgrond, omdat ze met land en volk zeer goed bekend zijn. Ze kunnen ons onschatbare diensten bewijzen, ja ik durf beweren, dat zonder hen de tocht, dien we ondernemen, onuitvoerbaar zou zijn. Daarbij komt nog, dat ze in deze streken vele familieleden bezitten. Dat is een soort waarborg voor ons; want menigeen zal afgeschrikt worden hen aan de blanken te verraden, uit vrees voor weerwraak, die voorzeker volgens de Dajaksche gewoonten uitgeoefend zou worden.[156]

„In zoo verre juist geredeneerd; maar als zij zelven verraad plegen?”

„Dat is met hun verleden en met hunne plannen moeielijk aan te nemen. Het is evenwel voorzichtig hen niet uit het oog te verliezen, op alles voorbereid te blijven en bij ontdekking zich door geen dwaze en ziekelijk menschlievende overweging te laten weerhouden, maar de onverlaten onmiddellijk neer te steken.”

„Goed zoo besproken! Ga nu voort met je verhaal.”

„Van Dasso en Doeta was het bekend, dat ze niet alleen aan het moorden hadden deelgenomen, maar ze waren aangewezen als de eersten, die de Europeesche vrouwen onteerden en vermoordden. Na die schandalen waren de twee snuiters na veel omzwervens in de Dajaklanden teruggekeerd en hadden zich metterwoon in de soengei Kajoe, die wij morgen, hoop ik, voorbijvaren zullen, gevestigd. De luitenant had er al gauw kennis van en was er te eer op uit die kerels op te pakken, daar sedert hun aankomst in het gewest, een geest van lijdelijk verzet zich onder de bevolking openbaarde, die tot nadenken moest stemmen en ook andere gebeurlijkheden moest doen vreezen. Wat we toen gemarcheerd hebben, daarvan is geen begrip te geven. Soms twee ja drie malen per dag rukten patrouilles uit; later werden nachtelijke tochten beproefd; maar jawel! kijk eens Piet of ze komen! Bekaf van vermoeidheid, uitgeput van honger en dorst, nat en modderig van je hielen tot op de kruin van je hoofd, door het baggeren te midden van dat kostelijk terrein en door soengei’s, die we soms uren lang volgen moesten, keerden we in het fort terug. En alles was te vergeefs; als we aankwamen, waren de vogels gevlogen. Meestal stond de rijst nog op het vuur of was hun legerplaats nog warm.”[157]

„Maar me dunkt dat het gevangen nemen van die schoeljes toch zoo moeielijk niet kon zijn,” meende Schlickeisen alweer, „met behulp der bevolking moesten ze geknipt worden.”

„Ja, daar zat het hem juist. De bevolking hielp volstrekt niet mede; het tegendeel was waar. Bijna al de bewoners van het district waren familieleden van die twee mandoor’s. Als er een patrouille uittrok, dan werden van uit hooge boomen, die aan ons gezicht onttrokken waren, signalen gegeven en dan kon je loopen zooveel je maar wilde. ’t Gaf toch niets. De luitenant heeft het ook, onder toezegging van hooge premiën, met bevolkingspatrouilles geprobeerd; maar dat gaf nog minder.”

„Maar je vertelde zoo even, dat de aankomst van die onverlaten in denegorijverraden was. Kon de luitenant die verraders niet bezigen? Me dunkt met geld …?”

„Slim ben je niet, dat moet gezegd worden, al heb je meer geleerd dan ik. Begrijp je dan niet, dat zoo’n vent die wel het hart heeft om tusschen licht en donker den luitenant zoo wat in ’t geniep te komen vertellen, bij dag een paar pootige kerels niet aandurft, voornamelijk ook alweer uit vrees voor de bloedwraak van wege de familiebetrekkingen? Neen, daar viel al heel weinig aan te vangen. Maar wat gebeurt? Luistert nu goed toe. Op een namiddag zie ik den kommandant, uitgestrekt op zijn luiaardstoel, onder de voorgalerij zijner woning zitten. Hij had een kop thee bij zich staan; maar ik merkte op dat hij aan ’t „pikeren” (peinzen) was. Strak keek hij voor zich uit en beet daarbij op zijn nagels en op zijn schralen knevel, alsof die het er bij inschieten moesten. Duivels! ik kende hem, en begreep, dat er wat aan ’t handje was. Plotseling roept hij een der politie-oppassers, die, zooals je weet, ter zijner beschikking zijn, en gelastte hem een der matrozen van de stroomop[158]liggende kruisboot te halen. Die vent verscheen spoedig genoeg, maar wat de luitenant met hem besprak, heb ik niet gehoord; dat zal evenwel straks blijken. Toen hij weer weg was, werd ik geroepen; ’k was destijds magazijnsknecht en moest twee kelderflesschen jenever bij den kommandant brengen, hem helpen daarvan de papieren stempels, die het lak dekten, voorzichtig af te nemen, en de flesschen openen. Ik dacht eerst dat de luitenant een hartigen teug wilde nemen, misschien was hem de thee te flauw. Maar neen, hij nam uit de medicijnkist die doos met poeders, je weet wel van die, welke hij hun geeft die bloeddiarrhee hebben.”

„Jawel, murias Morphini,” zei Wienersdorf.

„Juist, hooggeachte geleerde. Hij wierp zoo ongeveer een zestal van die poeders in iedere flesch, schudde ze daarna duchtig, liet ze mij weer dichtmaken en plakte zelf de stempels er weer op. Een apotheker had het hem niet kunnen verbeteren. Toen liet hij mij die flesschen in een hoek zijner kamer gereed zetten, waarna ik mocht heengaan.

„Tegen het vallen van den avond kwam de matroos nog een praatje met den kommandant maken en verliet het fort met de twee flesschen jenever onder den arm. Hij steeg in een djoekoeng, die aan de aanlegplaats gereed lag, greep de beseai en roeide de Kapoeas op. Eenige uren later scheepten de sergeant Greefkes met een achttal soldaten zich in een prauw in en kozen ook dien weg. De geheele bezetting verdiepte zich in gissingen; maar ik dacht er het mijne van. Des nachts om twee uur stond ik op post op het westerbastion, toen ik in de verte op de Kapoeas een prauw ontwaarde, die ik aanriep. Op mijn „werda” antwoordde de sergeant, die zoo luid hij kon: „goed volk” schreeuwde, terwijl tevens een rood licht in de prauw ontbloot[159]werd en ons tegenschitterde. Dat was een signaal. De luitenant werd gewekt, en toen de prauw aangelegd had, werden daaruit drie kerels gedragen, die zoo slaapdronken waren, dat ze niet wakker te krijgen waren en waarvan er twee met de voeten in het blok, dat bij de politiewacht stond, gesloten werden. Jullie had die gezichten des morgens bij het ontwaken eens moeten zien! ’t Waren de mandoor’s Dasso en Doeta, die geknipt waren en nu in ’t blok wakker werden.”

„Sacré nom de tonnerre!” brulde de Waal, „’k Heb een haat aan de Hollanders, maar dat doet me toch pleizier, dat die smerige kerels gepakt zijn. Maar … ik begrijp het niet goed, hoe zich de zaak toegedragen heeft. Kon die matroos dan tooveren?”

„Voor een likkebroer is die vraag vrij onnoozel. Die matroos, een Bandjarees van geboorte, was vroeger mijnwerker te Kalangan geweest, maar daar wegens wangedrag ontslagen. Hij kende dus die mandoor’s zeer goed. Voor eenige blanke rijksdaalders ging hij naar de soengei Kajoe, vertelde daar aan zijn vroegere makkers, dat hij van de kruisboot gedrost was en zich bij hen kwam voegen. Hij legde daarbij een innigen haat tegen de Hollanders aan den dag en besprak menig plan met de mandoor’s om dien haat bot te vieren. Evenals onze Waal, zijn de Dajaks hartstochtelijke liefhebbers van sterken drank. De jenever, dien de matroos meebracht, werd met gejuich ontvangen en zoo hartelijk door het drietal aangesproken, dat, toen sergeant Greefkes op het tooneel verscheen, hij niets te doen had, dan bevel te geven de moordenaars aan handen en voeten te binden en hen in de prauw te dragen.”

Na dat verhaal heerschte een oogenblik stilte. Toen vroeg Schlickeisen aan La Cueille of hij de strekking van het verhaal begreep? Deze boog het hoofd en keek voor zich.[160]

„Niet alleen voor onzen Arabier heb ik die gebeurtenis verhaald,” sprak Johannes, „voor ons allen moet zij een waarschuwing zijn. We kunnen niet achterdochtig genoeg zijn. Het verraad zal onder allerlei vormen ons naderen. En laten we niet vergeten, dat van alle zijden ons leven bedreigd zal zijn. We zijn in tijd van oorlog met medeneming van onze wapenen gedeserteerd, een feit dat met den strop gestraft wordt. Van den anderen kant begeven we ons naar het land der koppensnellers en kannibalen. Het is en moet steeds blijven onze leuze, waarheen we ons ook zullen wenden: pas op je kop.”

„De geachte spreker wordt voor zijn boeiend verhaal met eigenaardige toepassing, bedankt,” betuigde Wienersdorf deftig. „Hij zou evenwel de kroon op zijn verhaal zetten, wanneer hij ons mededeelde, hoedanig de misdaad gestraft werd. Bij elk flink opgezet drama moet het vijfde of eindbedrijf daaromtrent uitsluitsel geven.”

Johannes lachte, maar die lach getuigde van bitterheid.

„Luistert,” sprak hij, „luistert nog een oogenblik, ik zal kort zijn. Die kerels werden opgezonden om voor den krijgsraad te Martapoera terecht te staan. Onderwijl hunne zaak geïnstruëerd werd, zag een amnestiebesluit het licht en de zoo ziekelijk menschlievende Nederlanders sloten van dat genadebewijs uit: Pangerang Antassari en zijne familieleden, Tomonggong Soerapatti en zijne zonen, alsook nog eenige Goestie’s (vorstentelgen), mannen, die niets anders gedaan hadden, dan zich tegen roof en verdrukking met het zwaard in de vuist verdedigd en daarbij den inlandschen oorlog met nadruk in al zijne gevolgen gevoerd te hebben; terwijl schobbejakken van de ergste soort, kerels die zich aan het gemeene recht vergrepen en de gelegenheid te baat genomen hadden om hunne vuige lusten aan de onschuldige echtgenooten en dochters hunner slachtoffers bot te vieren,[161]waarna zij de onteerde schepsels op de meest gruwzame wijze vermoord hebben, op vrije voeten gesteld werden, met opdracht dat zij, als onder het opzicht der politie gesteld, wekelijks eenmaal hunne gemeene gezichten moesten komen vertoonen aan den officier, die niets onbeproefd had gelaten om hen aan den wrekenden arm der gerechtigheid over te leveren. Nimmer heb ik hartiger vloek in mijn leven gehoord, dan die van de lippen van onzen gewezen kommandant ontsnapte, toen de beide mandoor’s voor de eerste maal na hunne invrijheidstelling hem hunne gemeene tronies kwamen vertoonen.

„O!” brulde hij, toen zij den rug gekeerd hadden, „O! had ik die ellendige komedie kunnen voorzien, dan hadden zij nooit het fort betreden.”

Ieder weldenkende zal dien kreet voorzeker begrijpen.[162]

1De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.↑

1De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.↑

1De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.↑

1De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht inhouden, in den drogen tijd op te houden.↑


Back to IndexNext