X.

[Inhoud]X.Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen, werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst, verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de stroomrichting scheen opgevoerd te worden.Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.Al de haken, in de soengei uitgezet, waren nog aanwezig; ook die aan de oevers van Poeloe Kanamit gesteld,[184]kon men ontwaren, en lagen de spartelende en kwakende eenden nog steeds in doodsangst op hunne vlotjes. Maar het aas aan de monding van het riviertje aangeboden, was met haak en rottankabel verdwenen. IJverig werd uitgekeken en jawel, geheel overeenkomstig het bericht der kleine jongens, dreef ten noorden van het eiland een zwaar stuk hout, dat van tijd tot tijd met rukken tegen den stroom in werd gesleurd.Als pijlen uit een boog schoten dedjoekoeng’svooruit en weldra was het stuk hout ingehaald en in een der vaartuigen geheschen. Aller handen grepen den kabel om hem in te palmen en spoedig was een monster zichtbaar van minstens twintig voet lengte. Maar zoodra het ondier, na veel tegenspartelen, aan de oppervlakte des waters gebracht was, deed het een vreeselijken luchtsprong, waardoor zijn geheele lichaam buiten het water verscheen en deed vreezen, dat de haak afbreken of uitscheuren zoude. Met den staart geeselde het monster het water tot schuim en schoot in blinde woede met zulk een kracht vooruit, dat de opvarenden loslaten moesten, wilden zij hunne vaartuigen niet onder water gesleept zien. Ter nauwernood was er tijd om het houtblok, waaraan de kabel vastzat, over boord te smijten. Maar met inspanning van alle krachten werd dat blok gevolgd en in ’t oog gehouden. Toen die razende wedren ongeveer een half uur geduurd had, begon de vaart van het houtblok zichtbaar te minderen en eindelijk lag het stil aan de oppervlakte voor den stroom te zwaaien. De djoekoeng’s naderden nu, alle handen werden weer aan het werk geslagen, namen het blok in en heschen den kaaiman weer van uit de diepte tot aan den waterspiegel. Weer vertoonde het ondier zijne acrobatische toeren en maakte daarbij sprongen, alsof het een luchtbewoner wilde worden. Soms draaide het[185]aan den kabel twintig à dertig malen oogverblindend snel om zijn lengteas, terwijl het water in wilde golven omhoog werd gejaagd. Toen ook die pogingen om zich los te scheuren mislukten, schoot het monster weer vooruit en sloeg op de vlucht. De krachten van het gevangen dier namen evenwel af, want nu waren het slechts weinige djoekoeng’s en dan nog maar van de kleinste soort, die genoodzaakt waren den kabel te laten slippen en achter te blijven. De meesten hielden vol en volvoerden, terwijl zij met reuzenkracht gesleept werden, pijlsnel een wedloop, waarbij het witte schuim zich voor den boeg wild en woest krulde en de slanke en ranke vaartuigen dreigde te overstelpen.Maar de aanhouder wint. De vaart van het monster minderde allengskens en weldra was het weer gedwongen uit te rusten. Nu werd de vertooning van straks herhaald. Andermaal schoot de kaaiman vooruit, toen de zon hem onbescheiden in de oogen scheen; andermaal volgden de djoekoeng’s in ijlende vaart. Maar de afstanden, die werden afgelegd, werden al korter en korter en het oogenblik was nabij, dat het ondier uitgeput en onmachtig zoude zijn verderen tegenstand te bieden. Dat was het tijdstip voor den Pangareran en zijn akoliet om werkzaam op te treden. De prauw, waarin beiden gezeten waren, moest den kaaiman op zijde komen; waarna de Pangareran de verontschuldigingen van de Dajaks moest bijbrengen dat zij een „badjai” (krokodil), een kind en dienaar van Djata, den broeder van Mahatara het almachtige Opperwezen, moesten dooden. Tevens moest hij betuigen, dat zij (de Dajaks) door het ombrengen van een hunner verwanten of vrienden tot bloedwraak genoodzaakt werden. Dit geschiedde om de Dajaksche adat te bevredigen.[186]Vervolgens zou de priester, als helper van den Pangareran eenige hoofdstukken uit den Koran lezen; waarna beiden op het lichaam moesten stijgen van den uitgeputten krokodil, die inmiddels bewegingloos langs boord lag, de Pangareran om de vreeselijke kaken van het ondier met een paar rottanglussen toe te halen en hem zoo onschadelijk te maken, de priester om hem bij dat werk met zijne gebeden te helpen. Bij die verrichting is in den regel hoegenaamd geen gevaar of ongeval te vreezen, wanneer zij slechts met kalmte en vastberadenheid uitgevoerd wordt. Maar al reeds bij den eersten wedren, door den krokodil gehouden, had de pseudo-Arabier geheel zijn bezinning verloren en al de „Notres Dames” zijner kennis luide aangeroepen en al de qualificatiën van de Moedermaagd, in de litanie van Lorette vervat, in de grootste wanhoop uitgegild. Eindelijk half suf van angst, zat hij nog maar automatisch kruisteekens op mond en borst te maken en te prevelen: „priez pour nous, priez pour nous.” In dien toestand moest hij handelend optreden.Johannes was reeds met zijne naakte voeten op den kop van het ondier gesprongen en maakte zich gereed zijn prooi te muilbanden, toen de Dajaks hem toeriepen, voorzichtig te zijn, daar de priester hem nog niet gevolgd was. Driftig prevelde hij eenige woorden, waaronder een welgemeende hollandsche vloek klonk, die evenwel gelukkig door de omringenden niet verstaan werd. Toen evenwel La Cueille, al zijn moed bij elkaar rapende, hem volgen wilde en met zijn sandalen de glibberige huid des kaaimans betrad, gleed hij uit en viel schrijlings op het lijf van het ondier, in zijn geestelijk gewaad zoo bespottelijk verwikkeld en met zulk een koddig gelaat, dat de Dajaks, toch al een volkje, welks lachspieren spoedig in beweging zijn, in een daverend[187]„soerak” (gejuich)1uitbarstten en hun lachen niet konden bedwingen.Maar de kaaiman, verwoed door den ontvangen schok, half onzinnig ten gevolge van de vermeerderde pijn door den haak in zijn keel veroorzaakt, verzamelde zijn laatste krachten, trok en wrong aan den noodlottigen kabel en zweepte met zijn staart vreeselijk de oppervlakte des waters. Een oogenblik poogde de Waal in doodsangst zijn ruiterpositie te bewaren, maar op die gladde huid met stekelige ruggegraat en bij die dwaze sprongen ging dat niet. Al spoedig gleed hij af en verdween in de diepte. Johannes poogde ook zijn standpunt te behouden; hij had zijne vingeren aan beide zijden in de oogen zijner tegenpartij gewrongen en trachtte zich in de oogkassen vast te klemmen. Maar door de hevige smart nog woester gemaakt, deed het ondier een vreeselijken ruk, verbrak den rottangkabel, waaraan de haak vast zat, en schoot met den Pangareran op zijn kop vastgeklemd, in ontzettende vaart onder water. Het was evenwel zijn laatste krachtsinspanning geweest. Borrelend brak het water op eenigen afstand in een paar golven omhoog, en weldra dreef het lijk van den kaaiman met den geelwitten buik omhoog, waarop de toeschouwers de vore konden opmerken, die de kleine „poeai”, door de vaste hand van Johannes bestuurd, zich tot in de ingewanden des ondiers gebaand had.De „poeai” is een klein driekant mesje met langen steel, dat met zijn scheede aan de scheede van den mandauw is vastgehecht. Het dient voornamelijk[188]om bij het koppensnellen de schedels, nadat zij op een houtvuur geroosterd zijn, verder van de vleeschdeelen, die niet genoegzaam verkoold zijn, te ontdoen.Iets verder dan de kaaiman kwam Johannes boven water en zijn eerste werk was om naar den Waal uit te zien. Toen hij dezen half verdronken nog in het water ploeterende, ontwaarde, schoot hij naar hem toe en hielp hem in het naastbij zijnde vaartuig. Helaas! de arme priester had zijn Koran, zijn rozenkrans en zijne sandalen verloren; maar toch dankte hij de Heilige Maagd vurig, dat hij er zoo afgekomen was. De sandalen werden een oogenblik later opgevischt, maar het Heilige Boek des Profeets en het bidsnoer bleven weg.Toen het lijk van den gevangen krokodil op Poeloe Kanamit aan den wal gebracht en opengesneden was, vond men in de maag een vasten harden bal van ineengedrukt haar, waarvan het grootste gedeelte aan individuën van het menschelijk geslacht toebehoord had, een paar tibia’s, die Wienersdorf klassificeerde, als aan een varken behoord te hebben en eindelijk een gouden ring met fraaien steen en een rozenkrans, die beiden erkend werden, als het eigendom te zijn geweest van den opgepeuzelden hadji. De vreugde was nu algemeen, want men was thans zeker den schuldige gevangen te hebben; de bloedwraak was voldaan en de jacht kon verder gestaakt worden. De ring werd door den dankbaren Ali Bahar aan den kloeken Pangareran toegewezen; het bidsnoer aan den Arabier ter vervanging van het verlorene.Johannes scheen aangedaan en mompelde zacht, terwijl hij den steen des rings in de stralen der zon liet flonkeren:„Dat aandenken zal mij nimmer verlaten. Verduiveld, dat was haast te duur gekocht. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van Poeloe Kanamit mij geluk aanbrengt. Dat is de tweede maal, dat ik in deze buurt verschijn,[189]en beide malen had het verduiveld weinig gescheeld, of ik was om zeep.”Van zijn kant boog La Cueille vroom het hoofd, sloeg een kruis en beloofde plechtig, bij terugkomst in het vaderland, ook dien rozenkrans als ex-voto der Moedermaagd aan te bieden.„Dien moet je bij je bamboemesje hangen,” meende Johannes. „Waarlijk je Notre Dame zal in haar nopjes komen. Als jij je kop thuis zult brengen, zal de verzameling curieus zijn.”„Ja, lach er maar mee, koffiekleurige heiden! ik heb den geheelen tijd gebeden en ik ben overtuigd, dat als ik er niet bij geweest was, je.…”„Ik niet in het water gelegen had, dierbare stroopkleurige Arabier van mijn hart!” lachte Johannes goedig. „Maar kom, jij met je gebeden en ik met mijn poeai, wij hebben beiden ons best gedaan, en ook hier geldt de spreuk: „einde goed, alles goed.”Toen de krokodillenjagers in de soengei Naning terugkwamen, was het middaguur reeds lang verstreken. De familieleden hielden zich onledig met den reusachtigen kop van het gevangen ondier met hunne poeai’s van de vleeschdeelen te ontdoen, waarna het bekkeneel bij de uitwatering der soengei op vier paaltjes van ongeveer anderhalven voet lang opgesteld werd op een plekje daartoe expresselijk opengekapt en van onkruid gezuiverd. Om het voorkomen van dit zegeteeken nog meer indrukwekkend te maken, plaatste Ali Bahar tusschen de opengesperde kaken van den monsterachtigen kop, een menschenschedel, die daarin als in een reuzennotenkraker gevat scheen. In de Dajaklanden vindt men vele zulke zegeteekenen, opgericht langs de oevers der rivieren, niet alleen van krokodillen, maar voornamelijk van wildezwijnskoppen en worden deze laatste vooral[190]geplaatst op begraafplaatsen, als om een gedenkteeken daar te stellen op, of beter in de nabijheid van de laatste verblijfplaats van hem, dien dit schadelijk gedierte vernielde. Wat ook niet onopgemerkt mag blijven is, dat, hoewel door de Nederlanders het koppensnellen zeer streng verboden is, toch in de benedenlanden, waar alleen het bevel der blanken eenig gezag heeft, vele Dajaks in het bezit van menschenschedels zijn. Vraagt men hun naar de herkomst, dan zijn het steeds erfstukken uit den voortijd, alhoewel die bewering veelal weersproken wordt door het versche uiterlijk van het besproken bekkeneel.Na nog een duchtig maal verorberd te hebben, waarbij de toeak lustig rondging, dien La Cueille evenwel, om in zijn rol van heilige te blijven, niet gebruiken mocht, maar waarbij de huisvrouw de attentie had den Arabier, in stede van het verafschuwde varkensvleesch of een schotel gesmoorde paalwormen of slangenmootjes in een eiersaus, een flinke portie hertenpoenang2voor te zetten, maakten de reizigers zich tot het vertrek gereed en verlieten zij, toen het donker geworden was, de soengei Naning, om verder noordwaarts te stevenen.Toen zij de Kapoeas bereikt hadden, bemerkten zij, dat de vloed met kracht kwam doorzetten. Dit deed hen besluiten hunne krachten te sparen. Wanneer twee pagaaien voortdurend in beweging bleven, zou de prauw vaart genoeg loopen, om tegen het kenteren van het tij de soengei Mantangei, hun naaste doel, te bereiken. Zouden zij zich in hunne berekening bedriegen en de eb ingetreden zijn, voordat zij de genoemde soengei zouden[191]hebben gehaald, dan zou het tijd genoeg zijn, de vereende krachten aan te wenden. Er werd dus afgesproken, dat de drie Dajaks, als het meest daaraan gewoon, de pagaai zouden hanteeren en een hunner, om de beurt, steeds den stuurbeseai zoude voeren. Aan Dajaksche prauwen is zeer zelden een roer aangebracht. Een der opvarenden neemt plaats aan den achtersteven om met zijn roeiwerktuig te sturen. Evenwel bij spoedreizen, of bij harden stroom roeit ook deze krachtig mede.La Cueille kon maar niet vergeten, dat hij dien dag nog al misdeeld was geweest. Hij verweet Johannes, dat hij hem die rol van Arabier had opgedragen.„Een toeakje zou mij toch na dat natte pak zoo gesmaakt hebben,” meende hij.„Dat geloof ik wel; maar je verloochening van de voorschriften des Korans, zou voorzeker argwaan opgewekt hebben en.… soengei Naning is nog zoo ver niet van Kwala Kapoeas,” vermaande Johannes ernstig.„Maar,” vervolgde hij, „nu niemand ons begluren kan, thans misgun ik je een hartigen teug niet, mits ik de administratie der flesch blijf voeren. Je hebt van daag wel een hartsterking verdiend.”En de daad bij het woord voegende, greep hij een vierkante flesch en een glaasje van onder de bank, waarop hij uitgestrekt lag, schonk boordevol in en reikte den Waal het glas over, met een „wel bekome het je.” Deze liet zich niet noodigen, greep toe en met een teug verdween het verleidelijke vocht en werd door zijn smakkende tong langs het verhemelte rondgevoerd.„Verd.…! dat is lekkere toeak, zoo heb ik ze nog niet gedronken,” zuchtte hij, bij adem komende.„Dat’s dubbel overgehaalde,” lachte Johannes.„Kom, nog een glaasje?” bad de Waal.„Geduld, de anderen moeten ook hun beurt hebben.[192]Kijk onze Dajaks eens gluren, o! dat zijn zulke drinkebroers.”„Waarvan wordt toeak toch gemaakt?” vroeg Wienersdorf.„Toeak wordt uit rijst gestookt,” leerde Johannes. „’t Zijn voornamelijk de ketansoorten3, die daartoe het meest gebruikt worden. Dit stoken geschiedt op de volgende wijze. Eerst wordt een soort van zuurdeeg „ragi” genoemd, gemaakt. Dit zuurdeeg bestaat uit een brij van wortelmeel, peper, geraspte pinangnoten en suiker. Vervolgens wordt de ketanrijst met dit zuurdeeg in een grooten aarden pot goed dooreen gemengd en laat men dat mengsel gedurende drie dagen aan de zonnehitte blootgesteld staan. Alsdan wordt er water bij gegoten, zoowat in de verhouding van een gantang water voor iedere gantang rijst. Dit laat men gedurende twee dagen in de zon gisten, waarna men het vocht door een doek zijgt. Dit vocht is de verlangde toeak.”„Hoe kan dat vocht zoo sterk zijn als de toeak, dien je ons geschonken hebt?” vroeg Wienersdorf. „Zoo als jij ons die bereiding uitlegt, is het meer een brouwsel, dan een gedistilleerd.”„Luister. Om den toeak sterker te maken, laat de Dajak hem in een pot koken en overdekt dien pot met een deksel van bladeren, waarin een horizontale dunne bamboebuis is aangebracht. Door die buis droppelt de verdichte damp en wordt in een aarden kom opgevangen. Nu kun je het den naam van gedistilleerd niet meer weigeren; de Dajaks noemen het alsdan „arak” en een flesch van die arak heb ik van Ali Bahar gekregen.”[193]Terwijl onze reizigers zoo onder het genot van een toeakje gezellig met elkander zaten te kouten, deelde Johannes zijnen tochtgenooten ook mede, dat hij hun gastheer in de soengei Naning verhaald had, op weg te zijn naar de boven-Kapoeas, om handel te drijven met de Olo Ott; dat Sjech Mohamed Al Mansoer hem als medehandelaar volgde om in die streken een kijkje te nemen en dan later met een geheele lading sitsen, madapollams en katoentjes terug te komen; dat de twee Zwitsers zijne (Johannes) pandelingen waren en dat Dalim en de twee andere Dajaks te Kwala Kapoeas voor de geheele reis door hem als roeiers waren ingehuurd. Hij uitte de meening, dat men goed zoude doen, zich voortaan aan die schikking te houden en haar te betrachten, wanneer vreemdelingen in de nabijheid waren. Allen besloten zoo te handelen. De goede verstandhouding zoude daardoor niet verbroken worden, want Johannes was de man niet om van het hem verleende gezag misbruik te maken; en wanneer de vluchtelingen geheel onder elkander zouden zijn, dan kon de hartelijkste toon, naar de inspraak van hun gemoed, heerschen.De nachtelijke uren spoedden voorbij en het was omstreeks een uur na middernacht, toen zij het gehoopte einddoel van hun reis voor heden, de Kwala Mantangei, bereikten. Maar nog voordat die monding zichtbaar was, hoorden zij de tonen der titih weerklinken. Dat weerhield onze reizigers niet. Toen zij evenwel het riviertje ingevaren waren en de eerste huizen, daar langs gebouwd, naderden, vernamen zij een groot rumoer, dat hen aanmaande zeer op hunne hoede te zijn. Van allerwege werden kreten gehoord van vrouwen en kinderen, die de grootste ontsteltenis en angst kenmerkten. Wat ook de spanning onzer avonturiers vermeerderde, was dat zij in de verte verscheidene[194]fakkellichten zagen, waarmede ettelijke vrouwen als in radeloosheid rondliepen en die zich eindelijk achter een der huizen op een punt vereenigden, maar daarbij toch het grootste misbaar bleven maken. Ras werd de prauw onder de struiken verborgen; Dalim steeg aan wal om op kondschap uit te gaan. Middelerwijl verdiepten de teruggeblevenen zich in allerlei gissingen, wat dat spektakel in dat nachtelijke uur wel te beteekenen zou hebben. Algemeen was het oordeel, dat hier gewichtige gebeurtenissen plaats grepen en niet onwaarschijnlijk was het, dat het dorp door een koppensnellersbende overvallen was. Hun ongeduld werd echter niet te lang op de proef gesteld, want Dalim verscheen spoedig en wenkte zijne makkers aan wal te stappen, maar raadde hun aan, hunne mandauw’s mede te nemen. Op die aanmaning had La Cueille niet bijzonder veel trek om mede te gaan en daar toch de prauw niet zonder bewaking mocht zijn, bleef hij met een der Dajaks achter. De anderen vervoegden zich bij Dalim en slopen met hem voorwaarts in de richting van het fakkellicht, evenwel daarbij de grootste omzichtigheid inachtnemende. Het was eigenlijk jammer dat de Waal hen niet begeleidde. Des ochtends had hij een krokodillenjacht bijgewoond, nu zou hij getuige geweest zijn van een geheel andere vangst.De bespieders langzamerhand naderbij gekomen, zagen van achter de struiken, die hen verborgen hielden, een dertigtal vrouwen en kinderen in de grootste ontsteltenis door elkander krioelen en konden maar niet vatten, wat de oorzaak van die zonderlinge bewegingen kon zijn. Eindelijk nog naderbij geslopen, zagen zij een reusachtige slang van meer dan dertig voet lang en ter dikte van een flink gebouwd man om zijn middel, die zich in de grilligste bochten wrong, zonder[195]evenwel merkbaar van plaats te veranderen. Het was alsof zij binnen een kring gekluisterd bleef. Nog naderbij gekomen, ontwaarden zij, dat de slang aan een haak vast zat, evenals des morgens de kaaiman, en dat de vrouwen met vereende krachten den rottankabel om een boom hadden geslagen. Zij hadden evenwel den kabel niet strak genoeg durven aanhalen, waardoor het beest de vrijheid gelaten was, zich in een grooten cirkel te bewegen.Het was een „Penganen” (boa constrictor) van ongemeene grootte, die daar te kronkelen lag. Het dier draaide en wrong zich op ontzettende wijze, nu eens om den kabel, alsof het poogde zich door een achterwaarts rukken, den haak tusschen de kaken uit te scheuren; dan weer eens om den boom, alsof het gold de sterkte van den kabel te beproeven. Dan schoot het bliksemsnel vooruit, waarschijnlijk met het doel, door een hevigen ruk hetzij den kabel, hetzij den haak, of ook wel de kaken, waartusschen hij vastzat, te doen zwichten. Maar alles te vergeefs. De wanhopige kronkelingen en bewegingen hadden slechts tot uitslag, dat de kring van vrouwen rondom, op een eerbiedigen afstand getrokken bleef. Geen dier wezens durfde vooruit te treden om het ondier te dooden, hoewel allen den ontblooten mandauw in de hand hadden.Terwijl onze reisgenooten met ingehouden adem stonden toe te kijken, schoot de boa andermaal plotseling vooruit. Ditmaal evenwel had hij zijn staart om een knaapje geslagen, dat zich te dichtbij gewaagd had. Het arme kind steende en rochelde onder die omhelzing, de vrouwen stieten een angstgegil uit en de rampzalige moeder van het wicht viel op den bodem, strekte de armen uit en smeekte in de lieftalligste bewoordingen het monster haren lieveling toch geen kwaad te doen.[196]Het kind hoog in de lucht verheffende, trachtte de slang den boom te bereiken, maar kon in dat voornemen niet spoedig genoeg slagen, daar zij in hare bewegingen belemmerd werd door de weinige lenigheid van den kabel, ook door het omkneld houden van het kind. Toch gelukte het haar den stam te bereiken, sloeg daar een paar kronkels om; en nu had een ontzettend tooneel plaats, dat door de snelheid, waarmee het gebeurde, niet te verhinderen was. Wel snelde Dalim met den mandauw in de vuist tusschen de gillende en tierende vrouwenschaar door; maar voordat hij den boa bereikt had, hoorde men het geknars van vermorzeld wordende beenderen, gepaard met een eenigen gil van het stuiptrekkende slachtoffer, dat in die vreeselijke kronkels tegen den boom als in een pletmolen tot brij gemalen werd.Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind, dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest zijn, maar[197]daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen, legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht, besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een stuk der huid aan den romp[198]verbonden, en nu uitte zich de wegstervende levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar neer lag.Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij en frank weer in het leven konden terugtreden.Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong, dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen[199]kon worden. Het raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een „Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden4. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat. Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger gehad te hebben.Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren, was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra knetterde een geweervuur, alsof[200]het gold een geheele legermacht te verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den luitenant, die zulk een leven maakten.Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim. „Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren, vroeg hij die, wat zij er van dachten?„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).En hare stem verheffende riep zij:„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het bosch met een dergelijken kreet antwoordde.Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien ook, dat een bende koppensnellers[201]van de Doesson de Mantangei waren afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een vreeselijke wijze huis te houden.De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap” (oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op het geroep zijner vrouw.De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in, en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts gewend.[202]De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt, die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de pagaai hanteeren.Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets meer deerde.Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden. Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en konden zij in het water[203]de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef. Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen” nog achterna zat.„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.„Ja”, was het antwoord.„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen. Is voor den duivel de werkelijkheid[204]nog niet erg genoeg, dat er nog altijd nagebreeuwd moet worden?”„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”, lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa achtergelaten hebben.”„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te over in de prauw.”„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats innemen.”„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille ongeduldig.„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik er mee deed.”„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes, „sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal. „We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare bescherming neme!”„Amen.”[205]1Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.↑2Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.↑3Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.↑4Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.↑

[Inhoud]X.Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen, werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst, verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de stroomrichting scheen opgevoerd te worden.Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.Al de haken, in de soengei uitgezet, waren nog aanwezig; ook die aan de oevers van Poeloe Kanamit gesteld,[184]kon men ontwaren, en lagen de spartelende en kwakende eenden nog steeds in doodsangst op hunne vlotjes. Maar het aas aan de monding van het riviertje aangeboden, was met haak en rottankabel verdwenen. IJverig werd uitgekeken en jawel, geheel overeenkomstig het bericht der kleine jongens, dreef ten noorden van het eiland een zwaar stuk hout, dat van tijd tot tijd met rukken tegen den stroom in werd gesleurd.Als pijlen uit een boog schoten dedjoekoeng’svooruit en weldra was het stuk hout ingehaald en in een der vaartuigen geheschen. Aller handen grepen den kabel om hem in te palmen en spoedig was een monster zichtbaar van minstens twintig voet lengte. Maar zoodra het ondier, na veel tegenspartelen, aan de oppervlakte des waters gebracht was, deed het een vreeselijken luchtsprong, waardoor zijn geheele lichaam buiten het water verscheen en deed vreezen, dat de haak afbreken of uitscheuren zoude. Met den staart geeselde het monster het water tot schuim en schoot in blinde woede met zulk een kracht vooruit, dat de opvarenden loslaten moesten, wilden zij hunne vaartuigen niet onder water gesleept zien. Ter nauwernood was er tijd om het houtblok, waaraan de kabel vastzat, over boord te smijten. Maar met inspanning van alle krachten werd dat blok gevolgd en in ’t oog gehouden. Toen die razende wedren ongeveer een half uur geduurd had, begon de vaart van het houtblok zichtbaar te minderen en eindelijk lag het stil aan de oppervlakte voor den stroom te zwaaien. De djoekoeng’s naderden nu, alle handen werden weer aan het werk geslagen, namen het blok in en heschen den kaaiman weer van uit de diepte tot aan den waterspiegel. Weer vertoonde het ondier zijne acrobatische toeren en maakte daarbij sprongen, alsof het een luchtbewoner wilde worden. Soms draaide het[185]aan den kabel twintig à dertig malen oogverblindend snel om zijn lengteas, terwijl het water in wilde golven omhoog werd gejaagd. Toen ook die pogingen om zich los te scheuren mislukten, schoot het monster weer vooruit en sloeg op de vlucht. De krachten van het gevangen dier namen evenwel af, want nu waren het slechts weinige djoekoeng’s en dan nog maar van de kleinste soort, die genoodzaakt waren den kabel te laten slippen en achter te blijven. De meesten hielden vol en volvoerden, terwijl zij met reuzenkracht gesleept werden, pijlsnel een wedloop, waarbij het witte schuim zich voor den boeg wild en woest krulde en de slanke en ranke vaartuigen dreigde te overstelpen.Maar de aanhouder wint. De vaart van het monster minderde allengskens en weldra was het weer gedwongen uit te rusten. Nu werd de vertooning van straks herhaald. Andermaal schoot de kaaiman vooruit, toen de zon hem onbescheiden in de oogen scheen; andermaal volgden de djoekoeng’s in ijlende vaart. Maar de afstanden, die werden afgelegd, werden al korter en korter en het oogenblik was nabij, dat het ondier uitgeput en onmachtig zoude zijn verderen tegenstand te bieden. Dat was het tijdstip voor den Pangareran en zijn akoliet om werkzaam op te treden. De prauw, waarin beiden gezeten waren, moest den kaaiman op zijde komen; waarna de Pangareran de verontschuldigingen van de Dajaks moest bijbrengen dat zij een „badjai” (krokodil), een kind en dienaar van Djata, den broeder van Mahatara het almachtige Opperwezen, moesten dooden. Tevens moest hij betuigen, dat zij (de Dajaks) door het ombrengen van een hunner verwanten of vrienden tot bloedwraak genoodzaakt werden. Dit geschiedde om de Dajaksche adat te bevredigen.[186]Vervolgens zou de priester, als helper van den Pangareran eenige hoofdstukken uit den Koran lezen; waarna beiden op het lichaam moesten stijgen van den uitgeputten krokodil, die inmiddels bewegingloos langs boord lag, de Pangareran om de vreeselijke kaken van het ondier met een paar rottanglussen toe te halen en hem zoo onschadelijk te maken, de priester om hem bij dat werk met zijne gebeden te helpen. Bij die verrichting is in den regel hoegenaamd geen gevaar of ongeval te vreezen, wanneer zij slechts met kalmte en vastberadenheid uitgevoerd wordt. Maar al reeds bij den eersten wedren, door den krokodil gehouden, had de pseudo-Arabier geheel zijn bezinning verloren en al de „Notres Dames” zijner kennis luide aangeroepen en al de qualificatiën van de Moedermaagd, in de litanie van Lorette vervat, in de grootste wanhoop uitgegild. Eindelijk half suf van angst, zat hij nog maar automatisch kruisteekens op mond en borst te maken en te prevelen: „priez pour nous, priez pour nous.” In dien toestand moest hij handelend optreden.Johannes was reeds met zijne naakte voeten op den kop van het ondier gesprongen en maakte zich gereed zijn prooi te muilbanden, toen de Dajaks hem toeriepen, voorzichtig te zijn, daar de priester hem nog niet gevolgd was. Driftig prevelde hij eenige woorden, waaronder een welgemeende hollandsche vloek klonk, die evenwel gelukkig door de omringenden niet verstaan werd. Toen evenwel La Cueille, al zijn moed bij elkaar rapende, hem volgen wilde en met zijn sandalen de glibberige huid des kaaimans betrad, gleed hij uit en viel schrijlings op het lijf van het ondier, in zijn geestelijk gewaad zoo bespottelijk verwikkeld en met zulk een koddig gelaat, dat de Dajaks, toch al een volkje, welks lachspieren spoedig in beweging zijn, in een daverend[187]„soerak” (gejuich)1uitbarstten en hun lachen niet konden bedwingen.Maar de kaaiman, verwoed door den ontvangen schok, half onzinnig ten gevolge van de vermeerderde pijn door den haak in zijn keel veroorzaakt, verzamelde zijn laatste krachten, trok en wrong aan den noodlottigen kabel en zweepte met zijn staart vreeselijk de oppervlakte des waters. Een oogenblik poogde de Waal in doodsangst zijn ruiterpositie te bewaren, maar op die gladde huid met stekelige ruggegraat en bij die dwaze sprongen ging dat niet. Al spoedig gleed hij af en verdween in de diepte. Johannes poogde ook zijn standpunt te behouden; hij had zijne vingeren aan beide zijden in de oogen zijner tegenpartij gewrongen en trachtte zich in de oogkassen vast te klemmen. Maar door de hevige smart nog woester gemaakt, deed het ondier een vreeselijken ruk, verbrak den rottangkabel, waaraan de haak vast zat, en schoot met den Pangareran op zijn kop vastgeklemd, in ontzettende vaart onder water. Het was evenwel zijn laatste krachtsinspanning geweest. Borrelend brak het water op eenigen afstand in een paar golven omhoog, en weldra dreef het lijk van den kaaiman met den geelwitten buik omhoog, waarop de toeschouwers de vore konden opmerken, die de kleine „poeai”, door de vaste hand van Johannes bestuurd, zich tot in de ingewanden des ondiers gebaand had.De „poeai” is een klein driekant mesje met langen steel, dat met zijn scheede aan de scheede van den mandauw is vastgehecht. Het dient voornamelijk[188]om bij het koppensnellen de schedels, nadat zij op een houtvuur geroosterd zijn, verder van de vleeschdeelen, die niet genoegzaam verkoold zijn, te ontdoen.Iets verder dan de kaaiman kwam Johannes boven water en zijn eerste werk was om naar den Waal uit te zien. Toen hij dezen half verdronken nog in het water ploeterende, ontwaarde, schoot hij naar hem toe en hielp hem in het naastbij zijnde vaartuig. Helaas! de arme priester had zijn Koran, zijn rozenkrans en zijne sandalen verloren; maar toch dankte hij de Heilige Maagd vurig, dat hij er zoo afgekomen was. De sandalen werden een oogenblik later opgevischt, maar het Heilige Boek des Profeets en het bidsnoer bleven weg.Toen het lijk van den gevangen krokodil op Poeloe Kanamit aan den wal gebracht en opengesneden was, vond men in de maag een vasten harden bal van ineengedrukt haar, waarvan het grootste gedeelte aan individuën van het menschelijk geslacht toebehoord had, een paar tibia’s, die Wienersdorf klassificeerde, als aan een varken behoord te hebben en eindelijk een gouden ring met fraaien steen en een rozenkrans, die beiden erkend werden, als het eigendom te zijn geweest van den opgepeuzelden hadji. De vreugde was nu algemeen, want men was thans zeker den schuldige gevangen te hebben; de bloedwraak was voldaan en de jacht kon verder gestaakt worden. De ring werd door den dankbaren Ali Bahar aan den kloeken Pangareran toegewezen; het bidsnoer aan den Arabier ter vervanging van het verlorene.Johannes scheen aangedaan en mompelde zacht, terwijl hij den steen des rings in de stralen der zon liet flonkeren:„Dat aandenken zal mij nimmer verlaten. Verduiveld, dat was haast te duur gekocht. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van Poeloe Kanamit mij geluk aanbrengt. Dat is de tweede maal, dat ik in deze buurt verschijn,[189]en beide malen had het verduiveld weinig gescheeld, of ik was om zeep.”Van zijn kant boog La Cueille vroom het hoofd, sloeg een kruis en beloofde plechtig, bij terugkomst in het vaderland, ook dien rozenkrans als ex-voto der Moedermaagd aan te bieden.„Dien moet je bij je bamboemesje hangen,” meende Johannes. „Waarlijk je Notre Dame zal in haar nopjes komen. Als jij je kop thuis zult brengen, zal de verzameling curieus zijn.”„Ja, lach er maar mee, koffiekleurige heiden! ik heb den geheelen tijd gebeden en ik ben overtuigd, dat als ik er niet bij geweest was, je.…”„Ik niet in het water gelegen had, dierbare stroopkleurige Arabier van mijn hart!” lachte Johannes goedig. „Maar kom, jij met je gebeden en ik met mijn poeai, wij hebben beiden ons best gedaan, en ook hier geldt de spreuk: „einde goed, alles goed.”Toen de krokodillenjagers in de soengei Naning terugkwamen, was het middaguur reeds lang verstreken. De familieleden hielden zich onledig met den reusachtigen kop van het gevangen ondier met hunne poeai’s van de vleeschdeelen te ontdoen, waarna het bekkeneel bij de uitwatering der soengei op vier paaltjes van ongeveer anderhalven voet lang opgesteld werd op een plekje daartoe expresselijk opengekapt en van onkruid gezuiverd. Om het voorkomen van dit zegeteeken nog meer indrukwekkend te maken, plaatste Ali Bahar tusschen de opengesperde kaken van den monsterachtigen kop, een menschenschedel, die daarin als in een reuzennotenkraker gevat scheen. In de Dajaklanden vindt men vele zulke zegeteekenen, opgericht langs de oevers der rivieren, niet alleen van krokodillen, maar voornamelijk van wildezwijnskoppen en worden deze laatste vooral[190]geplaatst op begraafplaatsen, als om een gedenkteeken daar te stellen op, of beter in de nabijheid van de laatste verblijfplaats van hem, dien dit schadelijk gedierte vernielde. Wat ook niet onopgemerkt mag blijven is, dat, hoewel door de Nederlanders het koppensnellen zeer streng verboden is, toch in de benedenlanden, waar alleen het bevel der blanken eenig gezag heeft, vele Dajaks in het bezit van menschenschedels zijn. Vraagt men hun naar de herkomst, dan zijn het steeds erfstukken uit den voortijd, alhoewel die bewering veelal weersproken wordt door het versche uiterlijk van het besproken bekkeneel.Na nog een duchtig maal verorberd te hebben, waarbij de toeak lustig rondging, dien La Cueille evenwel, om in zijn rol van heilige te blijven, niet gebruiken mocht, maar waarbij de huisvrouw de attentie had den Arabier, in stede van het verafschuwde varkensvleesch of een schotel gesmoorde paalwormen of slangenmootjes in een eiersaus, een flinke portie hertenpoenang2voor te zetten, maakten de reizigers zich tot het vertrek gereed en verlieten zij, toen het donker geworden was, de soengei Naning, om verder noordwaarts te stevenen.Toen zij de Kapoeas bereikt hadden, bemerkten zij, dat de vloed met kracht kwam doorzetten. Dit deed hen besluiten hunne krachten te sparen. Wanneer twee pagaaien voortdurend in beweging bleven, zou de prauw vaart genoeg loopen, om tegen het kenteren van het tij de soengei Mantangei, hun naaste doel, te bereiken. Zouden zij zich in hunne berekening bedriegen en de eb ingetreden zijn, voordat zij de genoemde soengei zouden[191]hebben gehaald, dan zou het tijd genoeg zijn, de vereende krachten aan te wenden. Er werd dus afgesproken, dat de drie Dajaks, als het meest daaraan gewoon, de pagaai zouden hanteeren en een hunner, om de beurt, steeds den stuurbeseai zoude voeren. Aan Dajaksche prauwen is zeer zelden een roer aangebracht. Een der opvarenden neemt plaats aan den achtersteven om met zijn roeiwerktuig te sturen. Evenwel bij spoedreizen, of bij harden stroom roeit ook deze krachtig mede.La Cueille kon maar niet vergeten, dat hij dien dag nog al misdeeld was geweest. Hij verweet Johannes, dat hij hem die rol van Arabier had opgedragen.„Een toeakje zou mij toch na dat natte pak zoo gesmaakt hebben,” meende hij.„Dat geloof ik wel; maar je verloochening van de voorschriften des Korans, zou voorzeker argwaan opgewekt hebben en.… soengei Naning is nog zoo ver niet van Kwala Kapoeas,” vermaande Johannes ernstig.„Maar,” vervolgde hij, „nu niemand ons begluren kan, thans misgun ik je een hartigen teug niet, mits ik de administratie der flesch blijf voeren. Je hebt van daag wel een hartsterking verdiend.”En de daad bij het woord voegende, greep hij een vierkante flesch en een glaasje van onder de bank, waarop hij uitgestrekt lag, schonk boordevol in en reikte den Waal het glas over, met een „wel bekome het je.” Deze liet zich niet noodigen, greep toe en met een teug verdween het verleidelijke vocht en werd door zijn smakkende tong langs het verhemelte rondgevoerd.„Verd.…! dat is lekkere toeak, zoo heb ik ze nog niet gedronken,” zuchtte hij, bij adem komende.„Dat’s dubbel overgehaalde,” lachte Johannes.„Kom, nog een glaasje?” bad de Waal.„Geduld, de anderen moeten ook hun beurt hebben.[192]Kijk onze Dajaks eens gluren, o! dat zijn zulke drinkebroers.”„Waarvan wordt toeak toch gemaakt?” vroeg Wienersdorf.„Toeak wordt uit rijst gestookt,” leerde Johannes. „’t Zijn voornamelijk de ketansoorten3, die daartoe het meest gebruikt worden. Dit stoken geschiedt op de volgende wijze. Eerst wordt een soort van zuurdeeg „ragi” genoemd, gemaakt. Dit zuurdeeg bestaat uit een brij van wortelmeel, peper, geraspte pinangnoten en suiker. Vervolgens wordt de ketanrijst met dit zuurdeeg in een grooten aarden pot goed dooreen gemengd en laat men dat mengsel gedurende drie dagen aan de zonnehitte blootgesteld staan. Alsdan wordt er water bij gegoten, zoowat in de verhouding van een gantang water voor iedere gantang rijst. Dit laat men gedurende twee dagen in de zon gisten, waarna men het vocht door een doek zijgt. Dit vocht is de verlangde toeak.”„Hoe kan dat vocht zoo sterk zijn als de toeak, dien je ons geschonken hebt?” vroeg Wienersdorf. „Zoo als jij ons die bereiding uitlegt, is het meer een brouwsel, dan een gedistilleerd.”„Luister. Om den toeak sterker te maken, laat de Dajak hem in een pot koken en overdekt dien pot met een deksel van bladeren, waarin een horizontale dunne bamboebuis is aangebracht. Door die buis droppelt de verdichte damp en wordt in een aarden kom opgevangen. Nu kun je het den naam van gedistilleerd niet meer weigeren; de Dajaks noemen het alsdan „arak” en een flesch van die arak heb ik van Ali Bahar gekregen.”[193]Terwijl onze reizigers zoo onder het genot van een toeakje gezellig met elkander zaten te kouten, deelde Johannes zijnen tochtgenooten ook mede, dat hij hun gastheer in de soengei Naning verhaald had, op weg te zijn naar de boven-Kapoeas, om handel te drijven met de Olo Ott; dat Sjech Mohamed Al Mansoer hem als medehandelaar volgde om in die streken een kijkje te nemen en dan later met een geheele lading sitsen, madapollams en katoentjes terug te komen; dat de twee Zwitsers zijne (Johannes) pandelingen waren en dat Dalim en de twee andere Dajaks te Kwala Kapoeas voor de geheele reis door hem als roeiers waren ingehuurd. Hij uitte de meening, dat men goed zoude doen, zich voortaan aan die schikking te houden en haar te betrachten, wanneer vreemdelingen in de nabijheid waren. Allen besloten zoo te handelen. De goede verstandhouding zoude daardoor niet verbroken worden, want Johannes was de man niet om van het hem verleende gezag misbruik te maken; en wanneer de vluchtelingen geheel onder elkander zouden zijn, dan kon de hartelijkste toon, naar de inspraak van hun gemoed, heerschen.De nachtelijke uren spoedden voorbij en het was omstreeks een uur na middernacht, toen zij het gehoopte einddoel van hun reis voor heden, de Kwala Mantangei, bereikten. Maar nog voordat die monding zichtbaar was, hoorden zij de tonen der titih weerklinken. Dat weerhield onze reizigers niet. Toen zij evenwel het riviertje ingevaren waren en de eerste huizen, daar langs gebouwd, naderden, vernamen zij een groot rumoer, dat hen aanmaande zeer op hunne hoede te zijn. Van allerwege werden kreten gehoord van vrouwen en kinderen, die de grootste ontsteltenis en angst kenmerkten. Wat ook de spanning onzer avonturiers vermeerderde, was dat zij in de verte verscheidene[194]fakkellichten zagen, waarmede ettelijke vrouwen als in radeloosheid rondliepen en die zich eindelijk achter een der huizen op een punt vereenigden, maar daarbij toch het grootste misbaar bleven maken. Ras werd de prauw onder de struiken verborgen; Dalim steeg aan wal om op kondschap uit te gaan. Middelerwijl verdiepten de teruggeblevenen zich in allerlei gissingen, wat dat spektakel in dat nachtelijke uur wel te beteekenen zou hebben. Algemeen was het oordeel, dat hier gewichtige gebeurtenissen plaats grepen en niet onwaarschijnlijk was het, dat het dorp door een koppensnellersbende overvallen was. Hun ongeduld werd echter niet te lang op de proef gesteld, want Dalim verscheen spoedig en wenkte zijne makkers aan wal te stappen, maar raadde hun aan, hunne mandauw’s mede te nemen. Op die aanmaning had La Cueille niet bijzonder veel trek om mede te gaan en daar toch de prauw niet zonder bewaking mocht zijn, bleef hij met een der Dajaks achter. De anderen vervoegden zich bij Dalim en slopen met hem voorwaarts in de richting van het fakkellicht, evenwel daarbij de grootste omzichtigheid inachtnemende. Het was eigenlijk jammer dat de Waal hen niet begeleidde. Des ochtends had hij een krokodillenjacht bijgewoond, nu zou hij getuige geweest zijn van een geheel andere vangst.De bespieders langzamerhand naderbij gekomen, zagen van achter de struiken, die hen verborgen hielden, een dertigtal vrouwen en kinderen in de grootste ontsteltenis door elkander krioelen en konden maar niet vatten, wat de oorzaak van die zonderlinge bewegingen kon zijn. Eindelijk nog naderbij geslopen, zagen zij een reusachtige slang van meer dan dertig voet lang en ter dikte van een flink gebouwd man om zijn middel, die zich in de grilligste bochten wrong, zonder[195]evenwel merkbaar van plaats te veranderen. Het was alsof zij binnen een kring gekluisterd bleef. Nog naderbij gekomen, ontwaarden zij, dat de slang aan een haak vast zat, evenals des morgens de kaaiman, en dat de vrouwen met vereende krachten den rottankabel om een boom hadden geslagen. Zij hadden evenwel den kabel niet strak genoeg durven aanhalen, waardoor het beest de vrijheid gelaten was, zich in een grooten cirkel te bewegen.Het was een „Penganen” (boa constrictor) van ongemeene grootte, die daar te kronkelen lag. Het dier draaide en wrong zich op ontzettende wijze, nu eens om den kabel, alsof het poogde zich door een achterwaarts rukken, den haak tusschen de kaken uit te scheuren; dan weer eens om den boom, alsof het gold de sterkte van den kabel te beproeven. Dan schoot het bliksemsnel vooruit, waarschijnlijk met het doel, door een hevigen ruk hetzij den kabel, hetzij den haak, of ook wel de kaken, waartusschen hij vastzat, te doen zwichten. Maar alles te vergeefs. De wanhopige kronkelingen en bewegingen hadden slechts tot uitslag, dat de kring van vrouwen rondom, op een eerbiedigen afstand getrokken bleef. Geen dier wezens durfde vooruit te treden om het ondier te dooden, hoewel allen den ontblooten mandauw in de hand hadden.Terwijl onze reisgenooten met ingehouden adem stonden toe te kijken, schoot de boa andermaal plotseling vooruit. Ditmaal evenwel had hij zijn staart om een knaapje geslagen, dat zich te dichtbij gewaagd had. Het arme kind steende en rochelde onder die omhelzing, de vrouwen stieten een angstgegil uit en de rampzalige moeder van het wicht viel op den bodem, strekte de armen uit en smeekte in de lieftalligste bewoordingen het monster haren lieveling toch geen kwaad te doen.[196]Het kind hoog in de lucht verheffende, trachtte de slang den boom te bereiken, maar kon in dat voornemen niet spoedig genoeg slagen, daar zij in hare bewegingen belemmerd werd door de weinige lenigheid van den kabel, ook door het omkneld houden van het kind. Toch gelukte het haar den stam te bereiken, sloeg daar een paar kronkels om; en nu had een ontzettend tooneel plaats, dat door de snelheid, waarmee het gebeurde, niet te verhinderen was. Wel snelde Dalim met den mandauw in de vuist tusschen de gillende en tierende vrouwenschaar door; maar voordat hij den boa bereikt had, hoorde men het geknars van vermorzeld wordende beenderen, gepaard met een eenigen gil van het stuiptrekkende slachtoffer, dat in die vreeselijke kronkels tegen den boom als in een pletmolen tot brij gemalen werd.Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind, dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest zijn, maar[197]daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen, legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht, besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een stuk der huid aan den romp[198]verbonden, en nu uitte zich de wegstervende levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar neer lag.Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij en frank weer in het leven konden terugtreden.Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong, dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen[199]kon worden. Het raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een „Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden4. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat. Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger gehad te hebben.Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren, was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra knetterde een geweervuur, alsof[200]het gold een geheele legermacht te verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den luitenant, die zulk een leven maakten.Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim. „Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren, vroeg hij die, wat zij er van dachten?„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).En hare stem verheffende riep zij:„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het bosch met een dergelijken kreet antwoordde.Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien ook, dat een bende koppensnellers[201]van de Doesson de Mantangei waren afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een vreeselijke wijze huis te houden.De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap” (oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op het geroep zijner vrouw.De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in, en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts gewend.[202]De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt, die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de pagaai hanteeren.Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets meer deerde.Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden. Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en konden zij in het water[203]de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef. Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen” nog achterna zat.„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.„Ja”, was het antwoord.„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen. Is voor den duivel de werkelijkheid[204]nog niet erg genoeg, dat er nog altijd nagebreeuwd moet worden?”„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”, lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa achtergelaten hebben.”„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te over in de prauw.”„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats innemen.”„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille ongeduldig.„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik er mee deed.”„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes, „sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal. „We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare bescherming neme!”„Amen.”[205]1Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.↑2Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.↑3Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.↑4Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.↑

X.Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.

Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.

Een kaaiman aan den haak.—Een jacht te water.—De verrichtingen van den Pangareran.—La Cueille en Johannes te water.—Een ex-voto.—Het zegeteeken.—Een Dajaksche stokerij.—De soengei Mantangei.—Onraad.—Gevecht met een boa constrictor.—Een slapend echtpaar door den boa overvallen.—De reis vervolgd.—Jacht op twee Dajaks.

Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen, werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst, verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de stroomrichting scheen opgevoerd te worden.Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.Al de haken, in de soengei uitgezet, waren nog aanwezig; ook die aan de oevers van Poeloe Kanamit gesteld,[184]kon men ontwaren, en lagen de spartelende en kwakende eenden nog steeds in doodsangst op hunne vlotjes. Maar het aas aan de monding van het riviertje aangeboden, was met haak en rottankabel verdwenen. IJverig werd uitgekeken en jawel, geheel overeenkomstig het bericht der kleine jongens, dreef ten noorden van het eiland een zwaar stuk hout, dat van tijd tot tijd met rukken tegen den stroom in werd gesleurd.Als pijlen uit een boog schoten dedjoekoeng’svooruit en weldra was het stuk hout ingehaald en in een der vaartuigen geheschen. Aller handen grepen den kabel om hem in te palmen en spoedig was een monster zichtbaar van minstens twintig voet lengte. Maar zoodra het ondier, na veel tegenspartelen, aan de oppervlakte des waters gebracht was, deed het een vreeselijken luchtsprong, waardoor zijn geheele lichaam buiten het water verscheen en deed vreezen, dat de haak afbreken of uitscheuren zoude. Met den staart geeselde het monster het water tot schuim en schoot in blinde woede met zulk een kracht vooruit, dat de opvarenden loslaten moesten, wilden zij hunne vaartuigen niet onder water gesleept zien. Ter nauwernood was er tijd om het houtblok, waaraan de kabel vastzat, over boord te smijten. Maar met inspanning van alle krachten werd dat blok gevolgd en in ’t oog gehouden. Toen die razende wedren ongeveer een half uur geduurd had, begon de vaart van het houtblok zichtbaar te minderen en eindelijk lag het stil aan de oppervlakte voor den stroom te zwaaien. De djoekoeng’s naderden nu, alle handen werden weer aan het werk geslagen, namen het blok in en heschen den kaaiman weer van uit de diepte tot aan den waterspiegel. Weer vertoonde het ondier zijne acrobatische toeren en maakte daarbij sprongen, alsof het een luchtbewoner wilde worden. Soms draaide het[185]aan den kabel twintig à dertig malen oogverblindend snel om zijn lengteas, terwijl het water in wilde golven omhoog werd gejaagd. Toen ook die pogingen om zich los te scheuren mislukten, schoot het monster weer vooruit en sloeg op de vlucht. De krachten van het gevangen dier namen evenwel af, want nu waren het slechts weinige djoekoeng’s en dan nog maar van de kleinste soort, die genoodzaakt waren den kabel te laten slippen en achter te blijven. De meesten hielden vol en volvoerden, terwijl zij met reuzenkracht gesleept werden, pijlsnel een wedloop, waarbij het witte schuim zich voor den boeg wild en woest krulde en de slanke en ranke vaartuigen dreigde te overstelpen.Maar de aanhouder wint. De vaart van het monster minderde allengskens en weldra was het weer gedwongen uit te rusten. Nu werd de vertooning van straks herhaald. Andermaal schoot de kaaiman vooruit, toen de zon hem onbescheiden in de oogen scheen; andermaal volgden de djoekoeng’s in ijlende vaart. Maar de afstanden, die werden afgelegd, werden al korter en korter en het oogenblik was nabij, dat het ondier uitgeput en onmachtig zoude zijn verderen tegenstand te bieden. Dat was het tijdstip voor den Pangareran en zijn akoliet om werkzaam op te treden. De prauw, waarin beiden gezeten waren, moest den kaaiman op zijde komen; waarna de Pangareran de verontschuldigingen van de Dajaks moest bijbrengen dat zij een „badjai” (krokodil), een kind en dienaar van Djata, den broeder van Mahatara het almachtige Opperwezen, moesten dooden. Tevens moest hij betuigen, dat zij (de Dajaks) door het ombrengen van een hunner verwanten of vrienden tot bloedwraak genoodzaakt werden. Dit geschiedde om de Dajaksche adat te bevredigen.[186]Vervolgens zou de priester, als helper van den Pangareran eenige hoofdstukken uit den Koran lezen; waarna beiden op het lichaam moesten stijgen van den uitgeputten krokodil, die inmiddels bewegingloos langs boord lag, de Pangareran om de vreeselijke kaken van het ondier met een paar rottanglussen toe te halen en hem zoo onschadelijk te maken, de priester om hem bij dat werk met zijne gebeden te helpen. Bij die verrichting is in den regel hoegenaamd geen gevaar of ongeval te vreezen, wanneer zij slechts met kalmte en vastberadenheid uitgevoerd wordt. Maar al reeds bij den eersten wedren, door den krokodil gehouden, had de pseudo-Arabier geheel zijn bezinning verloren en al de „Notres Dames” zijner kennis luide aangeroepen en al de qualificatiën van de Moedermaagd, in de litanie van Lorette vervat, in de grootste wanhoop uitgegild. Eindelijk half suf van angst, zat hij nog maar automatisch kruisteekens op mond en borst te maken en te prevelen: „priez pour nous, priez pour nous.” In dien toestand moest hij handelend optreden.Johannes was reeds met zijne naakte voeten op den kop van het ondier gesprongen en maakte zich gereed zijn prooi te muilbanden, toen de Dajaks hem toeriepen, voorzichtig te zijn, daar de priester hem nog niet gevolgd was. Driftig prevelde hij eenige woorden, waaronder een welgemeende hollandsche vloek klonk, die evenwel gelukkig door de omringenden niet verstaan werd. Toen evenwel La Cueille, al zijn moed bij elkaar rapende, hem volgen wilde en met zijn sandalen de glibberige huid des kaaimans betrad, gleed hij uit en viel schrijlings op het lijf van het ondier, in zijn geestelijk gewaad zoo bespottelijk verwikkeld en met zulk een koddig gelaat, dat de Dajaks, toch al een volkje, welks lachspieren spoedig in beweging zijn, in een daverend[187]„soerak” (gejuich)1uitbarstten en hun lachen niet konden bedwingen.Maar de kaaiman, verwoed door den ontvangen schok, half onzinnig ten gevolge van de vermeerderde pijn door den haak in zijn keel veroorzaakt, verzamelde zijn laatste krachten, trok en wrong aan den noodlottigen kabel en zweepte met zijn staart vreeselijk de oppervlakte des waters. Een oogenblik poogde de Waal in doodsangst zijn ruiterpositie te bewaren, maar op die gladde huid met stekelige ruggegraat en bij die dwaze sprongen ging dat niet. Al spoedig gleed hij af en verdween in de diepte. Johannes poogde ook zijn standpunt te behouden; hij had zijne vingeren aan beide zijden in de oogen zijner tegenpartij gewrongen en trachtte zich in de oogkassen vast te klemmen. Maar door de hevige smart nog woester gemaakt, deed het ondier een vreeselijken ruk, verbrak den rottangkabel, waaraan de haak vast zat, en schoot met den Pangareran op zijn kop vastgeklemd, in ontzettende vaart onder water. Het was evenwel zijn laatste krachtsinspanning geweest. Borrelend brak het water op eenigen afstand in een paar golven omhoog, en weldra dreef het lijk van den kaaiman met den geelwitten buik omhoog, waarop de toeschouwers de vore konden opmerken, die de kleine „poeai”, door de vaste hand van Johannes bestuurd, zich tot in de ingewanden des ondiers gebaand had.De „poeai” is een klein driekant mesje met langen steel, dat met zijn scheede aan de scheede van den mandauw is vastgehecht. Het dient voornamelijk[188]om bij het koppensnellen de schedels, nadat zij op een houtvuur geroosterd zijn, verder van de vleeschdeelen, die niet genoegzaam verkoold zijn, te ontdoen.Iets verder dan de kaaiman kwam Johannes boven water en zijn eerste werk was om naar den Waal uit te zien. Toen hij dezen half verdronken nog in het water ploeterende, ontwaarde, schoot hij naar hem toe en hielp hem in het naastbij zijnde vaartuig. Helaas! de arme priester had zijn Koran, zijn rozenkrans en zijne sandalen verloren; maar toch dankte hij de Heilige Maagd vurig, dat hij er zoo afgekomen was. De sandalen werden een oogenblik later opgevischt, maar het Heilige Boek des Profeets en het bidsnoer bleven weg.Toen het lijk van den gevangen krokodil op Poeloe Kanamit aan den wal gebracht en opengesneden was, vond men in de maag een vasten harden bal van ineengedrukt haar, waarvan het grootste gedeelte aan individuën van het menschelijk geslacht toebehoord had, een paar tibia’s, die Wienersdorf klassificeerde, als aan een varken behoord te hebben en eindelijk een gouden ring met fraaien steen en een rozenkrans, die beiden erkend werden, als het eigendom te zijn geweest van den opgepeuzelden hadji. De vreugde was nu algemeen, want men was thans zeker den schuldige gevangen te hebben; de bloedwraak was voldaan en de jacht kon verder gestaakt worden. De ring werd door den dankbaren Ali Bahar aan den kloeken Pangareran toegewezen; het bidsnoer aan den Arabier ter vervanging van het verlorene.Johannes scheen aangedaan en mompelde zacht, terwijl hij den steen des rings in de stralen der zon liet flonkeren:„Dat aandenken zal mij nimmer verlaten. Verduiveld, dat was haast te duur gekocht. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van Poeloe Kanamit mij geluk aanbrengt. Dat is de tweede maal, dat ik in deze buurt verschijn,[189]en beide malen had het verduiveld weinig gescheeld, of ik was om zeep.”Van zijn kant boog La Cueille vroom het hoofd, sloeg een kruis en beloofde plechtig, bij terugkomst in het vaderland, ook dien rozenkrans als ex-voto der Moedermaagd aan te bieden.„Dien moet je bij je bamboemesje hangen,” meende Johannes. „Waarlijk je Notre Dame zal in haar nopjes komen. Als jij je kop thuis zult brengen, zal de verzameling curieus zijn.”„Ja, lach er maar mee, koffiekleurige heiden! ik heb den geheelen tijd gebeden en ik ben overtuigd, dat als ik er niet bij geweest was, je.…”„Ik niet in het water gelegen had, dierbare stroopkleurige Arabier van mijn hart!” lachte Johannes goedig. „Maar kom, jij met je gebeden en ik met mijn poeai, wij hebben beiden ons best gedaan, en ook hier geldt de spreuk: „einde goed, alles goed.”Toen de krokodillenjagers in de soengei Naning terugkwamen, was het middaguur reeds lang verstreken. De familieleden hielden zich onledig met den reusachtigen kop van het gevangen ondier met hunne poeai’s van de vleeschdeelen te ontdoen, waarna het bekkeneel bij de uitwatering der soengei op vier paaltjes van ongeveer anderhalven voet lang opgesteld werd op een plekje daartoe expresselijk opengekapt en van onkruid gezuiverd. Om het voorkomen van dit zegeteeken nog meer indrukwekkend te maken, plaatste Ali Bahar tusschen de opengesperde kaken van den monsterachtigen kop, een menschenschedel, die daarin als in een reuzennotenkraker gevat scheen. In de Dajaklanden vindt men vele zulke zegeteekenen, opgericht langs de oevers der rivieren, niet alleen van krokodillen, maar voornamelijk van wildezwijnskoppen en worden deze laatste vooral[190]geplaatst op begraafplaatsen, als om een gedenkteeken daar te stellen op, of beter in de nabijheid van de laatste verblijfplaats van hem, dien dit schadelijk gedierte vernielde. Wat ook niet onopgemerkt mag blijven is, dat, hoewel door de Nederlanders het koppensnellen zeer streng verboden is, toch in de benedenlanden, waar alleen het bevel der blanken eenig gezag heeft, vele Dajaks in het bezit van menschenschedels zijn. Vraagt men hun naar de herkomst, dan zijn het steeds erfstukken uit den voortijd, alhoewel die bewering veelal weersproken wordt door het versche uiterlijk van het besproken bekkeneel.Na nog een duchtig maal verorberd te hebben, waarbij de toeak lustig rondging, dien La Cueille evenwel, om in zijn rol van heilige te blijven, niet gebruiken mocht, maar waarbij de huisvrouw de attentie had den Arabier, in stede van het verafschuwde varkensvleesch of een schotel gesmoorde paalwormen of slangenmootjes in een eiersaus, een flinke portie hertenpoenang2voor te zetten, maakten de reizigers zich tot het vertrek gereed en verlieten zij, toen het donker geworden was, de soengei Naning, om verder noordwaarts te stevenen.Toen zij de Kapoeas bereikt hadden, bemerkten zij, dat de vloed met kracht kwam doorzetten. Dit deed hen besluiten hunne krachten te sparen. Wanneer twee pagaaien voortdurend in beweging bleven, zou de prauw vaart genoeg loopen, om tegen het kenteren van het tij de soengei Mantangei, hun naaste doel, te bereiken. Zouden zij zich in hunne berekening bedriegen en de eb ingetreden zijn, voordat zij de genoemde soengei zouden[191]hebben gehaald, dan zou het tijd genoeg zijn, de vereende krachten aan te wenden. Er werd dus afgesproken, dat de drie Dajaks, als het meest daaraan gewoon, de pagaai zouden hanteeren en een hunner, om de beurt, steeds den stuurbeseai zoude voeren. Aan Dajaksche prauwen is zeer zelden een roer aangebracht. Een der opvarenden neemt plaats aan den achtersteven om met zijn roeiwerktuig te sturen. Evenwel bij spoedreizen, of bij harden stroom roeit ook deze krachtig mede.La Cueille kon maar niet vergeten, dat hij dien dag nog al misdeeld was geweest. Hij verweet Johannes, dat hij hem die rol van Arabier had opgedragen.„Een toeakje zou mij toch na dat natte pak zoo gesmaakt hebben,” meende hij.„Dat geloof ik wel; maar je verloochening van de voorschriften des Korans, zou voorzeker argwaan opgewekt hebben en.… soengei Naning is nog zoo ver niet van Kwala Kapoeas,” vermaande Johannes ernstig.„Maar,” vervolgde hij, „nu niemand ons begluren kan, thans misgun ik je een hartigen teug niet, mits ik de administratie der flesch blijf voeren. Je hebt van daag wel een hartsterking verdiend.”En de daad bij het woord voegende, greep hij een vierkante flesch en een glaasje van onder de bank, waarop hij uitgestrekt lag, schonk boordevol in en reikte den Waal het glas over, met een „wel bekome het je.” Deze liet zich niet noodigen, greep toe en met een teug verdween het verleidelijke vocht en werd door zijn smakkende tong langs het verhemelte rondgevoerd.„Verd.…! dat is lekkere toeak, zoo heb ik ze nog niet gedronken,” zuchtte hij, bij adem komende.„Dat’s dubbel overgehaalde,” lachte Johannes.„Kom, nog een glaasje?” bad de Waal.„Geduld, de anderen moeten ook hun beurt hebben.[192]Kijk onze Dajaks eens gluren, o! dat zijn zulke drinkebroers.”„Waarvan wordt toeak toch gemaakt?” vroeg Wienersdorf.„Toeak wordt uit rijst gestookt,” leerde Johannes. „’t Zijn voornamelijk de ketansoorten3, die daartoe het meest gebruikt worden. Dit stoken geschiedt op de volgende wijze. Eerst wordt een soort van zuurdeeg „ragi” genoemd, gemaakt. Dit zuurdeeg bestaat uit een brij van wortelmeel, peper, geraspte pinangnoten en suiker. Vervolgens wordt de ketanrijst met dit zuurdeeg in een grooten aarden pot goed dooreen gemengd en laat men dat mengsel gedurende drie dagen aan de zonnehitte blootgesteld staan. Alsdan wordt er water bij gegoten, zoowat in de verhouding van een gantang water voor iedere gantang rijst. Dit laat men gedurende twee dagen in de zon gisten, waarna men het vocht door een doek zijgt. Dit vocht is de verlangde toeak.”„Hoe kan dat vocht zoo sterk zijn als de toeak, dien je ons geschonken hebt?” vroeg Wienersdorf. „Zoo als jij ons die bereiding uitlegt, is het meer een brouwsel, dan een gedistilleerd.”„Luister. Om den toeak sterker te maken, laat de Dajak hem in een pot koken en overdekt dien pot met een deksel van bladeren, waarin een horizontale dunne bamboebuis is aangebracht. Door die buis droppelt de verdichte damp en wordt in een aarden kom opgevangen. Nu kun je het den naam van gedistilleerd niet meer weigeren; de Dajaks noemen het alsdan „arak” en een flesch van die arak heb ik van Ali Bahar gekregen.”[193]Terwijl onze reizigers zoo onder het genot van een toeakje gezellig met elkander zaten te kouten, deelde Johannes zijnen tochtgenooten ook mede, dat hij hun gastheer in de soengei Naning verhaald had, op weg te zijn naar de boven-Kapoeas, om handel te drijven met de Olo Ott; dat Sjech Mohamed Al Mansoer hem als medehandelaar volgde om in die streken een kijkje te nemen en dan later met een geheele lading sitsen, madapollams en katoentjes terug te komen; dat de twee Zwitsers zijne (Johannes) pandelingen waren en dat Dalim en de twee andere Dajaks te Kwala Kapoeas voor de geheele reis door hem als roeiers waren ingehuurd. Hij uitte de meening, dat men goed zoude doen, zich voortaan aan die schikking te houden en haar te betrachten, wanneer vreemdelingen in de nabijheid waren. Allen besloten zoo te handelen. De goede verstandhouding zoude daardoor niet verbroken worden, want Johannes was de man niet om van het hem verleende gezag misbruik te maken; en wanneer de vluchtelingen geheel onder elkander zouden zijn, dan kon de hartelijkste toon, naar de inspraak van hun gemoed, heerschen.De nachtelijke uren spoedden voorbij en het was omstreeks een uur na middernacht, toen zij het gehoopte einddoel van hun reis voor heden, de Kwala Mantangei, bereikten. Maar nog voordat die monding zichtbaar was, hoorden zij de tonen der titih weerklinken. Dat weerhield onze reizigers niet. Toen zij evenwel het riviertje ingevaren waren en de eerste huizen, daar langs gebouwd, naderden, vernamen zij een groot rumoer, dat hen aanmaande zeer op hunne hoede te zijn. Van allerwege werden kreten gehoord van vrouwen en kinderen, die de grootste ontsteltenis en angst kenmerkten. Wat ook de spanning onzer avonturiers vermeerderde, was dat zij in de verte verscheidene[194]fakkellichten zagen, waarmede ettelijke vrouwen als in radeloosheid rondliepen en die zich eindelijk achter een der huizen op een punt vereenigden, maar daarbij toch het grootste misbaar bleven maken. Ras werd de prauw onder de struiken verborgen; Dalim steeg aan wal om op kondschap uit te gaan. Middelerwijl verdiepten de teruggeblevenen zich in allerlei gissingen, wat dat spektakel in dat nachtelijke uur wel te beteekenen zou hebben. Algemeen was het oordeel, dat hier gewichtige gebeurtenissen plaats grepen en niet onwaarschijnlijk was het, dat het dorp door een koppensnellersbende overvallen was. Hun ongeduld werd echter niet te lang op de proef gesteld, want Dalim verscheen spoedig en wenkte zijne makkers aan wal te stappen, maar raadde hun aan, hunne mandauw’s mede te nemen. Op die aanmaning had La Cueille niet bijzonder veel trek om mede te gaan en daar toch de prauw niet zonder bewaking mocht zijn, bleef hij met een der Dajaks achter. De anderen vervoegden zich bij Dalim en slopen met hem voorwaarts in de richting van het fakkellicht, evenwel daarbij de grootste omzichtigheid inachtnemende. Het was eigenlijk jammer dat de Waal hen niet begeleidde. Des ochtends had hij een krokodillenjacht bijgewoond, nu zou hij getuige geweest zijn van een geheel andere vangst.De bespieders langzamerhand naderbij gekomen, zagen van achter de struiken, die hen verborgen hielden, een dertigtal vrouwen en kinderen in de grootste ontsteltenis door elkander krioelen en konden maar niet vatten, wat de oorzaak van die zonderlinge bewegingen kon zijn. Eindelijk nog naderbij geslopen, zagen zij een reusachtige slang van meer dan dertig voet lang en ter dikte van een flink gebouwd man om zijn middel, die zich in de grilligste bochten wrong, zonder[195]evenwel merkbaar van plaats te veranderen. Het was alsof zij binnen een kring gekluisterd bleef. Nog naderbij gekomen, ontwaarden zij, dat de slang aan een haak vast zat, evenals des morgens de kaaiman, en dat de vrouwen met vereende krachten den rottankabel om een boom hadden geslagen. Zij hadden evenwel den kabel niet strak genoeg durven aanhalen, waardoor het beest de vrijheid gelaten was, zich in een grooten cirkel te bewegen.Het was een „Penganen” (boa constrictor) van ongemeene grootte, die daar te kronkelen lag. Het dier draaide en wrong zich op ontzettende wijze, nu eens om den kabel, alsof het poogde zich door een achterwaarts rukken, den haak tusschen de kaken uit te scheuren; dan weer eens om den boom, alsof het gold de sterkte van den kabel te beproeven. Dan schoot het bliksemsnel vooruit, waarschijnlijk met het doel, door een hevigen ruk hetzij den kabel, hetzij den haak, of ook wel de kaken, waartusschen hij vastzat, te doen zwichten. Maar alles te vergeefs. De wanhopige kronkelingen en bewegingen hadden slechts tot uitslag, dat de kring van vrouwen rondom, op een eerbiedigen afstand getrokken bleef. Geen dier wezens durfde vooruit te treden om het ondier te dooden, hoewel allen den ontblooten mandauw in de hand hadden.Terwijl onze reisgenooten met ingehouden adem stonden toe te kijken, schoot de boa andermaal plotseling vooruit. Ditmaal evenwel had hij zijn staart om een knaapje geslagen, dat zich te dichtbij gewaagd had. Het arme kind steende en rochelde onder die omhelzing, de vrouwen stieten een angstgegil uit en de rampzalige moeder van het wicht viel op den bodem, strekte de armen uit en smeekte in de lieftalligste bewoordingen het monster haren lieveling toch geen kwaad te doen.[196]Het kind hoog in de lucht verheffende, trachtte de slang den boom te bereiken, maar kon in dat voornemen niet spoedig genoeg slagen, daar zij in hare bewegingen belemmerd werd door de weinige lenigheid van den kabel, ook door het omkneld houden van het kind. Toch gelukte het haar den stam te bereiken, sloeg daar een paar kronkels om; en nu had een ontzettend tooneel plaats, dat door de snelheid, waarmee het gebeurde, niet te verhinderen was. Wel snelde Dalim met den mandauw in de vuist tusschen de gillende en tierende vrouwenschaar door; maar voordat hij den boa bereikt had, hoorde men het geknars van vermorzeld wordende beenderen, gepaard met een eenigen gil van het stuiptrekkende slachtoffer, dat in die vreeselijke kronkels tegen den boom als in een pletmolen tot brij gemalen werd.Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind, dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest zijn, maar[197]daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen, legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht, besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een stuk der huid aan den romp[198]verbonden, en nu uitte zich de wegstervende levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar neer lag.Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij en frank weer in het leven konden terugtreden.Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong, dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen[199]kon worden. Het raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een „Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden4. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat. Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger gehad te hebben.Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren, was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra knetterde een geweervuur, alsof[200]het gold een geheele legermacht te verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den luitenant, die zulk een leven maakten.Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim. „Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren, vroeg hij die, wat zij er van dachten?„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).En hare stem verheffende riep zij:„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het bosch met een dergelijken kreet antwoordde.Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien ook, dat een bende koppensnellers[201]van de Doesson de Mantangei waren afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een vreeselijke wijze huis te houden.De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap” (oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op het geroep zijner vrouw.De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in, en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts gewend.[202]De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt, die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de pagaai hanteeren.Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets meer deerde.Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden. Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en konden zij in het water[203]de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef. Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen” nog achterna zat.„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.„Ja”, was het antwoord.„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen. Is voor den duivel de werkelijkheid[204]nog niet erg genoeg, dat er nog altijd nagebreeuwd moet worden?”„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”, lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa achtergelaten hebben.”„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te over in de prauw.”„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats innemen.”„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille ongeduldig.„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik er mee deed.”„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes, „sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal. „We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare bescherming neme!”„Amen.”[205]

Toen weinige uren later de dageraad met zijn gulden tooi verscheen, werden spoedig, zoowel de bewoners van het huis, als de opvarenden van de prauw luide gewekt. In hun ongeduld waren toch een paar kleine jongens met een djoekoeng de soengei afgezakt en hadden de tijding aangebracht, dat de eend, aan de monding van het riviertje geplaatst, verdwenen was; maar dat zij heel in de verte, bovenstrooms van het eiland, een stuk hout ontwaard hadden, dat met kracht tegen de stroomrichting scheen opgevoerd te worden.

Iedereen haastte zich op die tijding en toen het ontbijt—wat gekookte rijst van gisteren met gedroogde visch—verorberd was, snelden allen naar de djoekoengs, die gereed lagen, en weldra schuimde het water van de kleine soengei Naning onder de krachtige pagaaislagen en waren de vaartuigen spoedig uit het oog der twee Zwitsers, die als wachthebbenden in de prauw achterbleven, verdwenen.

Al de haken, in de soengei uitgezet, waren nog aanwezig; ook die aan de oevers van Poeloe Kanamit gesteld,[184]kon men ontwaren, en lagen de spartelende en kwakende eenden nog steeds in doodsangst op hunne vlotjes. Maar het aas aan de monding van het riviertje aangeboden, was met haak en rottankabel verdwenen. IJverig werd uitgekeken en jawel, geheel overeenkomstig het bericht der kleine jongens, dreef ten noorden van het eiland een zwaar stuk hout, dat van tijd tot tijd met rukken tegen den stroom in werd gesleurd.

Als pijlen uit een boog schoten dedjoekoeng’svooruit en weldra was het stuk hout ingehaald en in een der vaartuigen geheschen. Aller handen grepen den kabel om hem in te palmen en spoedig was een monster zichtbaar van minstens twintig voet lengte. Maar zoodra het ondier, na veel tegenspartelen, aan de oppervlakte des waters gebracht was, deed het een vreeselijken luchtsprong, waardoor zijn geheele lichaam buiten het water verscheen en deed vreezen, dat de haak afbreken of uitscheuren zoude. Met den staart geeselde het monster het water tot schuim en schoot in blinde woede met zulk een kracht vooruit, dat de opvarenden loslaten moesten, wilden zij hunne vaartuigen niet onder water gesleept zien. Ter nauwernood was er tijd om het houtblok, waaraan de kabel vastzat, over boord te smijten. Maar met inspanning van alle krachten werd dat blok gevolgd en in ’t oog gehouden. Toen die razende wedren ongeveer een half uur geduurd had, begon de vaart van het houtblok zichtbaar te minderen en eindelijk lag het stil aan de oppervlakte voor den stroom te zwaaien. De djoekoeng’s naderden nu, alle handen werden weer aan het werk geslagen, namen het blok in en heschen den kaaiman weer van uit de diepte tot aan den waterspiegel. Weer vertoonde het ondier zijne acrobatische toeren en maakte daarbij sprongen, alsof het een luchtbewoner wilde worden. Soms draaide het[185]aan den kabel twintig à dertig malen oogverblindend snel om zijn lengteas, terwijl het water in wilde golven omhoog werd gejaagd. Toen ook die pogingen om zich los te scheuren mislukten, schoot het monster weer vooruit en sloeg op de vlucht. De krachten van het gevangen dier namen evenwel af, want nu waren het slechts weinige djoekoeng’s en dan nog maar van de kleinste soort, die genoodzaakt waren den kabel te laten slippen en achter te blijven. De meesten hielden vol en volvoerden, terwijl zij met reuzenkracht gesleept werden, pijlsnel een wedloop, waarbij het witte schuim zich voor den boeg wild en woest krulde en de slanke en ranke vaartuigen dreigde te overstelpen.

Maar de aanhouder wint. De vaart van het monster minderde allengskens en weldra was het weer gedwongen uit te rusten. Nu werd de vertooning van straks herhaald. Andermaal schoot de kaaiman vooruit, toen de zon hem onbescheiden in de oogen scheen; andermaal volgden de djoekoeng’s in ijlende vaart. Maar de afstanden, die werden afgelegd, werden al korter en korter en het oogenblik was nabij, dat het ondier uitgeput en onmachtig zoude zijn verderen tegenstand te bieden. Dat was het tijdstip voor den Pangareran en zijn akoliet om werkzaam op te treden. De prauw, waarin beiden gezeten waren, moest den kaaiman op zijde komen; waarna de Pangareran de verontschuldigingen van de Dajaks moest bijbrengen dat zij een „badjai” (krokodil), een kind en dienaar van Djata, den broeder van Mahatara het almachtige Opperwezen, moesten dooden. Tevens moest hij betuigen, dat zij (de Dajaks) door het ombrengen van een hunner verwanten of vrienden tot bloedwraak genoodzaakt werden. Dit geschiedde om de Dajaksche adat te bevredigen.[186]

Vervolgens zou de priester, als helper van den Pangareran eenige hoofdstukken uit den Koran lezen; waarna beiden op het lichaam moesten stijgen van den uitgeputten krokodil, die inmiddels bewegingloos langs boord lag, de Pangareran om de vreeselijke kaken van het ondier met een paar rottanglussen toe te halen en hem zoo onschadelijk te maken, de priester om hem bij dat werk met zijne gebeden te helpen. Bij die verrichting is in den regel hoegenaamd geen gevaar of ongeval te vreezen, wanneer zij slechts met kalmte en vastberadenheid uitgevoerd wordt. Maar al reeds bij den eersten wedren, door den krokodil gehouden, had de pseudo-Arabier geheel zijn bezinning verloren en al de „Notres Dames” zijner kennis luide aangeroepen en al de qualificatiën van de Moedermaagd, in de litanie van Lorette vervat, in de grootste wanhoop uitgegild. Eindelijk half suf van angst, zat hij nog maar automatisch kruisteekens op mond en borst te maken en te prevelen: „priez pour nous, priez pour nous.” In dien toestand moest hij handelend optreden.

Johannes was reeds met zijne naakte voeten op den kop van het ondier gesprongen en maakte zich gereed zijn prooi te muilbanden, toen de Dajaks hem toeriepen, voorzichtig te zijn, daar de priester hem nog niet gevolgd was. Driftig prevelde hij eenige woorden, waaronder een welgemeende hollandsche vloek klonk, die evenwel gelukkig door de omringenden niet verstaan werd. Toen evenwel La Cueille, al zijn moed bij elkaar rapende, hem volgen wilde en met zijn sandalen de glibberige huid des kaaimans betrad, gleed hij uit en viel schrijlings op het lijf van het ondier, in zijn geestelijk gewaad zoo bespottelijk verwikkeld en met zulk een koddig gelaat, dat de Dajaks, toch al een volkje, welks lachspieren spoedig in beweging zijn, in een daverend[187]„soerak” (gejuich)1uitbarstten en hun lachen niet konden bedwingen.

Maar de kaaiman, verwoed door den ontvangen schok, half onzinnig ten gevolge van de vermeerderde pijn door den haak in zijn keel veroorzaakt, verzamelde zijn laatste krachten, trok en wrong aan den noodlottigen kabel en zweepte met zijn staart vreeselijk de oppervlakte des waters. Een oogenblik poogde de Waal in doodsangst zijn ruiterpositie te bewaren, maar op die gladde huid met stekelige ruggegraat en bij die dwaze sprongen ging dat niet. Al spoedig gleed hij af en verdween in de diepte. Johannes poogde ook zijn standpunt te behouden; hij had zijne vingeren aan beide zijden in de oogen zijner tegenpartij gewrongen en trachtte zich in de oogkassen vast te klemmen. Maar door de hevige smart nog woester gemaakt, deed het ondier een vreeselijken ruk, verbrak den rottangkabel, waaraan de haak vast zat, en schoot met den Pangareran op zijn kop vastgeklemd, in ontzettende vaart onder water. Het was evenwel zijn laatste krachtsinspanning geweest. Borrelend brak het water op eenigen afstand in een paar golven omhoog, en weldra dreef het lijk van den kaaiman met den geelwitten buik omhoog, waarop de toeschouwers de vore konden opmerken, die de kleine „poeai”, door de vaste hand van Johannes bestuurd, zich tot in de ingewanden des ondiers gebaand had.

De „poeai” is een klein driekant mesje met langen steel, dat met zijn scheede aan de scheede van den mandauw is vastgehecht. Het dient voornamelijk[188]om bij het koppensnellen de schedels, nadat zij op een houtvuur geroosterd zijn, verder van de vleeschdeelen, die niet genoegzaam verkoold zijn, te ontdoen.

Iets verder dan de kaaiman kwam Johannes boven water en zijn eerste werk was om naar den Waal uit te zien. Toen hij dezen half verdronken nog in het water ploeterende, ontwaarde, schoot hij naar hem toe en hielp hem in het naastbij zijnde vaartuig. Helaas! de arme priester had zijn Koran, zijn rozenkrans en zijne sandalen verloren; maar toch dankte hij de Heilige Maagd vurig, dat hij er zoo afgekomen was. De sandalen werden een oogenblik later opgevischt, maar het Heilige Boek des Profeets en het bidsnoer bleven weg.

Toen het lijk van den gevangen krokodil op Poeloe Kanamit aan den wal gebracht en opengesneden was, vond men in de maag een vasten harden bal van ineengedrukt haar, waarvan het grootste gedeelte aan individuën van het menschelijk geslacht toebehoord had, een paar tibia’s, die Wienersdorf klassificeerde, als aan een varken behoord te hebben en eindelijk een gouden ring met fraaien steen en een rozenkrans, die beiden erkend werden, als het eigendom te zijn geweest van den opgepeuzelden hadji. De vreugde was nu algemeen, want men was thans zeker den schuldige gevangen te hebben; de bloedwraak was voldaan en de jacht kon verder gestaakt worden. De ring werd door den dankbaren Ali Bahar aan den kloeken Pangareran toegewezen; het bidsnoer aan den Arabier ter vervanging van het verlorene.

Johannes scheen aangedaan en mompelde zacht, terwijl hij den steen des rings in de stralen der zon liet flonkeren:

„Dat aandenken zal mij nimmer verlaten. Verduiveld, dat was haast te duur gekocht. Ik kan niet zeggen, dat de nabijheid van Poeloe Kanamit mij geluk aanbrengt. Dat is de tweede maal, dat ik in deze buurt verschijn,[189]en beide malen had het verduiveld weinig gescheeld, of ik was om zeep.”

Van zijn kant boog La Cueille vroom het hoofd, sloeg een kruis en beloofde plechtig, bij terugkomst in het vaderland, ook dien rozenkrans als ex-voto der Moedermaagd aan te bieden.

„Dien moet je bij je bamboemesje hangen,” meende Johannes. „Waarlijk je Notre Dame zal in haar nopjes komen. Als jij je kop thuis zult brengen, zal de verzameling curieus zijn.”

„Ja, lach er maar mee, koffiekleurige heiden! ik heb den geheelen tijd gebeden en ik ben overtuigd, dat als ik er niet bij geweest was, je.…”

„Ik niet in het water gelegen had, dierbare stroopkleurige Arabier van mijn hart!” lachte Johannes goedig. „Maar kom, jij met je gebeden en ik met mijn poeai, wij hebben beiden ons best gedaan, en ook hier geldt de spreuk: „einde goed, alles goed.”

Toen de krokodillenjagers in de soengei Naning terugkwamen, was het middaguur reeds lang verstreken. De familieleden hielden zich onledig met den reusachtigen kop van het gevangen ondier met hunne poeai’s van de vleeschdeelen te ontdoen, waarna het bekkeneel bij de uitwatering der soengei op vier paaltjes van ongeveer anderhalven voet lang opgesteld werd op een plekje daartoe expresselijk opengekapt en van onkruid gezuiverd. Om het voorkomen van dit zegeteeken nog meer indrukwekkend te maken, plaatste Ali Bahar tusschen de opengesperde kaken van den monsterachtigen kop, een menschenschedel, die daarin als in een reuzennotenkraker gevat scheen. In de Dajaklanden vindt men vele zulke zegeteekenen, opgericht langs de oevers der rivieren, niet alleen van krokodillen, maar voornamelijk van wildezwijnskoppen en worden deze laatste vooral[190]geplaatst op begraafplaatsen, als om een gedenkteeken daar te stellen op, of beter in de nabijheid van de laatste verblijfplaats van hem, dien dit schadelijk gedierte vernielde. Wat ook niet onopgemerkt mag blijven is, dat, hoewel door de Nederlanders het koppensnellen zeer streng verboden is, toch in de benedenlanden, waar alleen het bevel der blanken eenig gezag heeft, vele Dajaks in het bezit van menschenschedels zijn. Vraagt men hun naar de herkomst, dan zijn het steeds erfstukken uit den voortijd, alhoewel die bewering veelal weersproken wordt door het versche uiterlijk van het besproken bekkeneel.

Na nog een duchtig maal verorberd te hebben, waarbij de toeak lustig rondging, dien La Cueille evenwel, om in zijn rol van heilige te blijven, niet gebruiken mocht, maar waarbij de huisvrouw de attentie had den Arabier, in stede van het verafschuwde varkensvleesch of een schotel gesmoorde paalwormen of slangenmootjes in een eiersaus, een flinke portie hertenpoenang2voor te zetten, maakten de reizigers zich tot het vertrek gereed en verlieten zij, toen het donker geworden was, de soengei Naning, om verder noordwaarts te stevenen.

Toen zij de Kapoeas bereikt hadden, bemerkten zij, dat de vloed met kracht kwam doorzetten. Dit deed hen besluiten hunne krachten te sparen. Wanneer twee pagaaien voortdurend in beweging bleven, zou de prauw vaart genoeg loopen, om tegen het kenteren van het tij de soengei Mantangei, hun naaste doel, te bereiken. Zouden zij zich in hunne berekening bedriegen en de eb ingetreden zijn, voordat zij de genoemde soengei zouden[191]hebben gehaald, dan zou het tijd genoeg zijn, de vereende krachten aan te wenden. Er werd dus afgesproken, dat de drie Dajaks, als het meest daaraan gewoon, de pagaai zouden hanteeren en een hunner, om de beurt, steeds den stuurbeseai zoude voeren. Aan Dajaksche prauwen is zeer zelden een roer aangebracht. Een der opvarenden neemt plaats aan den achtersteven om met zijn roeiwerktuig te sturen. Evenwel bij spoedreizen, of bij harden stroom roeit ook deze krachtig mede.

La Cueille kon maar niet vergeten, dat hij dien dag nog al misdeeld was geweest. Hij verweet Johannes, dat hij hem die rol van Arabier had opgedragen.

„Een toeakje zou mij toch na dat natte pak zoo gesmaakt hebben,” meende hij.

„Dat geloof ik wel; maar je verloochening van de voorschriften des Korans, zou voorzeker argwaan opgewekt hebben en.… soengei Naning is nog zoo ver niet van Kwala Kapoeas,” vermaande Johannes ernstig.

„Maar,” vervolgde hij, „nu niemand ons begluren kan, thans misgun ik je een hartigen teug niet, mits ik de administratie der flesch blijf voeren. Je hebt van daag wel een hartsterking verdiend.”

En de daad bij het woord voegende, greep hij een vierkante flesch en een glaasje van onder de bank, waarop hij uitgestrekt lag, schonk boordevol in en reikte den Waal het glas over, met een „wel bekome het je.” Deze liet zich niet noodigen, greep toe en met een teug verdween het verleidelijke vocht en werd door zijn smakkende tong langs het verhemelte rondgevoerd.

„Verd.…! dat is lekkere toeak, zoo heb ik ze nog niet gedronken,” zuchtte hij, bij adem komende.

„Dat’s dubbel overgehaalde,” lachte Johannes.

„Kom, nog een glaasje?” bad de Waal.

„Geduld, de anderen moeten ook hun beurt hebben.[192]Kijk onze Dajaks eens gluren, o! dat zijn zulke drinkebroers.”

„Waarvan wordt toeak toch gemaakt?” vroeg Wienersdorf.

„Toeak wordt uit rijst gestookt,” leerde Johannes. „’t Zijn voornamelijk de ketansoorten3, die daartoe het meest gebruikt worden. Dit stoken geschiedt op de volgende wijze. Eerst wordt een soort van zuurdeeg „ragi” genoemd, gemaakt. Dit zuurdeeg bestaat uit een brij van wortelmeel, peper, geraspte pinangnoten en suiker. Vervolgens wordt de ketanrijst met dit zuurdeeg in een grooten aarden pot goed dooreen gemengd en laat men dat mengsel gedurende drie dagen aan de zonnehitte blootgesteld staan. Alsdan wordt er water bij gegoten, zoowat in de verhouding van een gantang water voor iedere gantang rijst. Dit laat men gedurende twee dagen in de zon gisten, waarna men het vocht door een doek zijgt. Dit vocht is de verlangde toeak.”

„Hoe kan dat vocht zoo sterk zijn als de toeak, dien je ons geschonken hebt?” vroeg Wienersdorf. „Zoo als jij ons die bereiding uitlegt, is het meer een brouwsel, dan een gedistilleerd.”

„Luister. Om den toeak sterker te maken, laat de Dajak hem in een pot koken en overdekt dien pot met een deksel van bladeren, waarin een horizontale dunne bamboebuis is aangebracht. Door die buis droppelt de verdichte damp en wordt in een aarden kom opgevangen. Nu kun je het den naam van gedistilleerd niet meer weigeren; de Dajaks noemen het alsdan „arak” en een flesch van die arak heb ik van Ali Bahar gekregen.”[193]

Terwijl onze reizigers zoo onder het genot van een toeakje gezellig met elkander zaten te kouten, deelde Johannes zijnen tochtgenooten ook mede, dat hij hun gastheer in de soengei Naning verhaald had, op weg te zijn naar de boven-Kapoeas, om handel te drijven met de Olo Ott; dat Sjech Mohamed Al Mansoer hem als medehandelaar volgde om in die streken een kijkje te nemen en dan later met een geheele lading sitsen, madapollams en katoentjes terug te komen; dat de twee Zwitsers zijne (Johannes) pandelingen waren en dat Dalim en de twee andere Dajaks te Kwala Kapoeas voor de geheele reis door hem als roeiers waren ingehuurd. Hij uitte de meening, dat men goed zoude doen, zich voortaan aan die schikking te houden en haar te betrachten, wanneer vreemdelingen in de nabijheid waren. Allen besloten zoo te handelen. De goede verstandhouding zoude daardoor niet verbroken worden, want Johannes was de man niet om van het hem verleende gezag misbruik te maken; en wanneer de vluchtelingen geheel onder elkander zouden zijn, dan kon de hartelijkste toon, naar de inspraak van hun gemoed, heerschen.

De nachtelijke uren spoedden voorbij en het was omstreeks een uur na middernacht, toen zij het gehoopte einddoel van hun reis voor heden, de Kwala Mantangei, bereikten. Maar nog voordat die monding zichtbaar was, hoorden zij de tonen der titih weerklinken. Dat weerhield onze reizigers niet. Toen zij evenwel het riviertje ingevaren waren en de eerste huizen, daar langs gebouwd, naderden, vernamen zij een groot rumoer, dat hen aanmaande zeer op hunne hoede te zijn. Van allerwege werden kreten gehoord van vrouwen en kinderen, die de grootste ontsteltenis en angst kenmerkten. Wat ook de spanning onzer avonturiers vermeerderde, was dat zij in de verte verscheidene[194]fakkellichten zagen, waarmede ettelijke vrouwen als in radeloosheid rondliepen en die zich eindelijk achter een der huizen op een punt vereenigden, maar daarbij toch het grootste misbaar bleven maken. Ras werd de prauw onder de struiken verborgen; Dalim steeg aan wal om op kondschap uit te gaan. Middelerwijl verdiepten de teruggeblevenen zich in allerlei gissingen, wat dat spektakel in dat nachtelijke uur wel te beteekenen zou hebben. Algemeen was het oordeel, dat hier gewichtige gebeurtenissen plaats grepen en niet onwaarschijnlijk was het, dat het dorp door een koppensnellersbende overvallen was. Hun ongeduld werd echter niet te lang op de proef gesteld, want Dalim verscheen spoedig en wenkte zijne makkers aan wal te stappen, maar raadde hun aan, hunne mandauw’s mede te nemen. Op die aanmaning had La Cueille niet bijzonder veel trek om mede te gaan en daar toch de prauw niet zonder bewaking mocht zijn, bleef hij met een der Dajaks achter. De anderen vervoegden zich bij Dalim en slopen met hem voorwaarts in de richting van het fakkellicht, evenwel daarbij de grootste omzichtigheid inachtnemende. Het was eigenlijk jammer dat de Waal hen niet begeleidde. Des ochtends had hij een krokodillenjacht bijgewoond, nu zou hij getuige geweest zijn van een geheel andere vangst.

De bespieders langzamerhand naderbij gekomen, zagen van achter de struiken, die hen verborgen hielden, een dertigtal vrouwen en kinderen in de grootste ontsteltenis door elkander krioelen en konden maar niet vatten, wat de oorzaak van die zonderlinge bewegingen kon zijn. Eindelijk nog naderbij geslopen, zagen zij een reusachtige slang van meer dan dertig voet lang en ter dikte van een flink gebouwd man om zijn middel, die zich in de grilligste bochten wrong, zonder[195]evenwel merkbaar van plaats te veranderen. Het was alsof zij binnen een kring gekluisterd bleef. Nog naderbij gekomen, ontwaarden zij, dat de slang aan een haak vast zat, evenals des morgens de kaaiman, en dat de vrouwen met vereende krachten den rottankabel om een boom hadden geslagen. Zij hadden evenwel den kabel niet strak genoeg durven aanhalen, waardoor het beest de vrijheid gelaten was, zich in een grooten cirkel te bewegen.

Het was een „Penganen” (boa constrictor) van ongemeene grootte, die daar te kronkelen lag. Het dier draaide en wrong zich op ontzettende wijze, nu eens om den kabel, alsof het poogde zich door een achterwaarts rukken, den haak tusschen de kaken uit te scheuren; dan weer eens om den boom, alsof het gold de sterkte van den kabel te beproeven. Dan schoot het bliksemsnel vooruit, waarschijnlijk met het doel, door een hevigen ruk hetzij den kabel, hetzij den haak, of ook wel de kaken, waartusschen hij vastzat, te doen zwichten. Maar alles te vergeefs. De wanhopige kronkelingen en bewegingen hadden slechts tot uitslag, dat de kring van vrouwen rondom, op een eerbiedigen afstand getrokken bleef. Geen dier wezens durfde vooruit te treden om het ondier te dooden, hoewel allen den ontblooten mandauw in de hand hadden.

Terwijl onze reisgenooten met ingehouden adem stonden toe te kijken, schoot de boa andermaal plotseling vooruit. Ditmaal evenwel had hij zijn staart om een knaapje geslagen, dat zich te dichtbij gewaagd had. Het arme kind steende en rochelde onder die omhelzing, de vrouwen stieten een angstgegil uit en de rampzalige moeder van het wicht viel op den bodem, strekte de armen uit en smeekte in de lieftalligste bewoordingen het monster haren lieveling toch geen kwaad te doen.[196]Het kind hoog in de lucht verheffende, trachtte de slang den boom te bereiken, maar kon in dat voornemen niet spoedig genoeg slagen, daar zij in hare bewegingen belemmerd werd door de weinige lenigheid van den kabel, ook door het omkneld houden van het kind. Toch gelukte het haar den stam te bereiken, sloeg daar een paar kronkels om; en nu had een ontzettend tooneel plaats, dat door de snelheid, waarmee het gebeurde, niet te verhinderen was. Wel snelde Dalim met den mandauw in de vuist tusschen de gillende en tierende vrouwenschaar door; maar voordat hij den boa bereikt had, hoorde men het geknars van vermorzeld wordende beenderen, gepaard met een eenigen gil van het stuiptrekkende slachtoffer, dat in die vreeselijke kronkels tegen den boom als in een pletmolen tot brij gemalen werd.

Zoodra de slang Dalim ontwaarde, die een slag naar haar deed zonder haar ernstig te kwetsen, wond zij zich bliksemsnel los van het kind, dat levenloos op den grond plofte, en wierp zich op den Dajak, die al spoedig door een paar van die gevreesde levende ringen omklemd, met uitpuilende oogen en uithangende tong naar lucht snakte. Het was of hem de borstkas onder de drukking van een onweerstaanbaar werktuig dichtgeschroefd werd. In zijne wanhopige behoudszucht deed hij nog verscheidene slagen naar de slang, maar had daarbij het ongeluk den kabel door te hakken, waardoor het beest geheel en al vrij werd in zijne bewegingen. Het knoopte dan ook dadelijk zijne kronkels zooveel te vaster en sloeg den staart reeds om den boomstam, ten einde den Dajak een gelijk lot als het kind te doen ondergaan. Dat alles gebeurde in weinige seconden, in niet genoegzaam tijdsverloop om de aanwezenden tot beraad te laten komen. Het zou dan ook met Dalim gedaan geweest zijn, maar[197]daar snelden Wienersdorf en Johannes vooruit, wierpen zich op den boa en, hoewel zij bij de snelle en tallooze bewegingen en het heen en weder wringen en kronkelen van het woedende ondier, dat zijn slachtoffer thans geheel omwonden had, voorzichtig moesten te werk gaan en geene afdoende houwen konden toebrengen ten einde hun metgezel ook niet te treffen, trokken zij toch de aandacht van de slang en bereikten zoo de beoogde afleiding. Het ondier wond zich van Dalim los en besprong Wienersdorf, dien zij een hevigen beet tusschen den hals en den schouder toebracht. Maar Johannes kapte en kerfde haar in weinige oogenblikken zoodanig, dat zij den Zwitser loslaten moest en haar heil nu in de vlucht trachtte te zoeken. Dat zou haar ook gelukt zijn, want toen zij vooruit schoot, stoven de angstige vrouwen op zijde, en lieten in hare ontsteltenis de fakkels vallen, zoodat plotseling alles in duisternis gehuld was. Maar nu was het de beurt aan Schlickeisen, om aan de worsteling deel te nemen. Hij was mede vooruit gestoven, toen de anderen Dalim ter hulp snelden; evenwel, bij de onmogelijkheid aan het gevecht deel te nemen, had hij zich beijverd het verpletterde kind op te rapen, in de hoop daarin de levensvonk te kunnen opwekken. Maar toen hij zag dat alle moeite te vergeefs was, maar vooral toen hij het ondier, achterna gezet door Johannes, in het duister zag verdwijnen, legde hij ijlings het lijkje in de armen der moeder, greep van den grond een fakkel, die gelukkig nog niet gebluscht was en was in een ondeelbaar oogenblik bij Johannes en met dezen den boa ter zijde. Wel poogde deze zich nog te verzetten, maar een paar flinke slagen met den mandauw in den nek, door de krachtvolle hand der Zwitsers toegebracht, besliste het pleit. De kop van het monster hing nog slechts door een stuk der huid aan den romp[198]verbonden, en nu uitte zich de wegstervende levenskracht in een doelloos gekronkel en gewriemel van het lange lichaam, totdat ook dat ophield en de geheele massa bewegingloos daar neer lag.

Over het nog stuiptrekkende lichaam van den boa hadden de drie Europeanen elkander de hand toegestoken en elkander geluk gewenscht met den uitslag van dit lang niet alledaagsche gevecht. Dalim trad ook nader, greep de handen der blanken, drukte die innig en betuigde zijn dankbaarheid in een onverstaanbaar gebrabbel, waarmede hij evenwel wenschte te kennen te geven, dat hij het leven aan zijne metgezellen te danken had en dat zij nu geheel en al op hem rekenen konden; dat hij hen tot Singapore begeleiden en niet verlaten zoude voor dat zij vrij en frank weer in het leven konden terugtreden.

Toen de „Penganen” afgemaakt was, vertelden de vrouwen van den kampong, dat hunne mannen allen afwezig waren, om „njating” (hars) te zamelen en dat den vorigen nacht een oude vrouw, die naast haren nog ouderen echtgenoot, te slapen lag, plotseling was wakker geworden met een gevoel van drukking op de maagstreek. Zij had daarop de handen in het donker uitgestoken, om te betasten, wat dat was, maar had toen een kilkoud voorwerp gevoeld, dat haar op het lichaam drukte en onder haren greep zich kromde. Daarop was zij onder een vreeselijk gegil opgevlogen en had om hulp geschreeuwd. De haastig toegeschoten huisgenooten hadden bij het schijnsel van een gebrekkig lampje, niets anders ontwaard dan een zwarte gedaante, die over den grond voortschoof en in het duister verdween. Toen men evenwel in het vertrek trad, waarin het oudje geslapen had, vond men haren echtgenoot dood en had deze een wond onder de korte ribben, waarin een menschenhoofd geborgen[199]kon worden. Het raadsel was nu snel opgelost. De kampong had een bezoek gehad van een „Penganen”, iets dat in die moerasstreken nu wel niet dagelijks geschiedt, maar toch niet tot de ongebeurlijkheden kan gerekend worden4. De vrouwtjes, verstoken van de hulp en de raadgevingen van het sterkere geslacht, waren op de gedachte gekomen, een haak uit te zetten, waaraan zij een levenden aap gebonden hadden en hun pogen had tot gevolg, dat de boa reeds den volgenden nacht aan den haak vastzat. Hij was den vorigen nacht in zijn maaltijd gestoord en scheen honger gehad te hebben.

Toen dat verhaal geëindigd was, beantwoordde Johannes de vragen der vrouwen, vanwaar de vreemdelingen kwamen, die zoo ter rechter tijd verschenen waren om hulp te bieden, met de mededeeling, dat hij op weg naar de bovenlanden was om handel te drijven en was met dien uitleg nog niet geheel klaar, toen eensklaps in de richting van de prauw onzer reizigers een paar geweerschoten knalden, gevolgd door een doordringend: lēēēēh lèlèlèlèlè—oeiiiit, welk laatste niet veel goeds voorspelde. In allerijl spoedden zij zich derwaarts en vonden La Cueille en zijn metgezel, den anderen Dajak, in een gevecht gewikkeld met de opvarenden van een aantal djoekoengs. Wie deze laatsten waren, was nu het oogenblik niet om op te helderen; want de aanvallers waren reeds dichtbij genaderd en er was geen tijd te verliezen. Onze verbondenen sprongen in de prauw, grepen hunne vuurwapens en weldra knetterde een geweervuur, alsof[200]het gold een geheele legermacht te verdrijven. Het waren vooral de twee Remmingtongeweren van den luitenant, die zulk een leven maakten.

Toen de djoekoengs den aftocht geblazen hadden en in het duister verdwenen waren, vroegen zich de avonturiers af, van welken kant die aanval wel zou gekomen zijn? Zou men hen van Kwala Kapoeas op het spoor zijn? of wel waren het koppensnellers van de bovenlanden?

„Ik vrees dat hier een groot misverstand plaats heeft,” sprak Dalim. „Van Kwala Kapoeas is, dunkt mij, nog niets te vreezen, en koppensnellers durven, zoo als hier geschied is, geen aanval doorzetten. Daarbij zoo talrijk trekken zij niet uit.”

Een paar vrouwen tot zich roepende, die hen angstig gevolgd waren, vroeg hij die, wat zij er van dachten?

„Olo hatoeèh manjating, jèh tèh paham kadjeleng boeli.” (de mannen zijn hars zoeken, zij zijn het, die spoedig terugkeerden).

En hare stem verheffende riep zij:

„Oōōōh Mihing!!” waarop Mihing, waarschijnlijk haar echtgenoot, uit het bosch met een dergelijken kreet antwoordde.

Spoedig was nu opgelost, wat tot de botsing aanleiding had gegeven. Een paar djoekoengs waren de terugkeerenden van het harszoeken vooruitgesneld en hadden bij het naderen van den kampong dat vreeselijk gegil der vrouwen vernomen. Onraad vreezende, waren de dapperen op de vlucht gegaan om de overige mannelijke kamponggenooten te gaan halen en zoo waren een twintigtal djoekoengs de soengei opgestoven. Dicht bij den kampong hadden zij een vreemde prauw opgemerkt, die onder de struiken verborgen was, en nu bestond er geen twijfel meer bij wien ook, dat een bende koppensnellers[201]van de Doesson de Mantangei waren afgezakt en nu bezig waren onder hunne vrouwen en kinderen op een vreeselijke wijze huis te houden.

De ontstelde mannen trachtten nu die prauw te naderen, maar werden toegeroepen door La Cueille, die het alles met wantrouwende blikken had gadegeslagen. Toen zijn westersch „werda” met een uittartenden kreet beantwoord werd, schoot hij op den opdringenden hoop, terwijl zijn makker, de achtergebleven Dajak dit insgelijks deed. De Mantangeiërs stoven nu verschrikt achteruit, maar verzamelden zich weer met het doel, om andermaal aanvallend te werk te gaan. Zij gilden hun „lahap” (oorlogskreet) en drongen met hunne djoekoengs vooruit, toen zij andermaal, thans echter met een goed onderhouden geweervuur ontvangen werden. Eenigen hunner werden vrij ernstig gekwetst en nu was de vlucht algemeen. In een oogwenk was geen djoekoeng meer te ontwaren. Dat de opvarenden evenwel niet ver af waren, bewees het antwoord van Mihing op het geroep zijner vrouw.

De Mantangeiërs waren dankbaar voor de hulp door onze vluchtelingen aan hunne vrouwen verleend bij haren strijd tegen de reuzenslang. Maar toch schudde Demang Soerah, de chef van dat district, bedenkelijk het hoofd en meende, dat onze reizigers maar zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten zoeken, want met dat noodlottige schieten was er bloed gevloeid en, zoo als hij dat uitdrukte: „bloed roept bloed”. Het voorzichtigste was te vertrekken, ten einde de gevolgen der zucht tot bloedwraak te ontgaan. Dat zagen onze vluchtelingen ook zeer goed in, en nog voor dat de dag aan den hemel zichtbaar was, hadden zij de soengei Mantangei verlaten en op de Kapoeas den steven weer noordwaarts gewend.[202]

De beet, dien Wienersdorf van de „Penganen” in den schouder ontvangen had, was meer pijnlijk dan wel gevaarlijk. De boa behoort niet tot de giftige slangen; alleen het krachtvol inslaan der achterwaarts geplaatste haaktanden van het ondier had smartvolle wonden veroorzaakt, die den Zwitser nog wel eens op de lippen deden bijten. Toen evenwel Dalim een papje van gekauwde bladeren van een struikgewas „boentoet kakoembang” gemaakt en dat op den gewonden schouder gelegd had, was de pijn spoedig over en, reeds den volgenden dag, kon de Zwitser weer de pagaai hanteeren.

Ook Dalim ondervond niet veel hinder van de omstrengeling, die hij te verduren had. Hij was alleen zeer benauwd geweest gedurende de omklemming; nu voelde hij slechts eenige stramheid in de gewrichten der ledematen. Hij rekte zich armen en beenen uit, boog de ruggegraat herhaalde malen voor en achterover, vroeg een hartigen teug uit de toeakflesch, en verklaarde na dien verorberd te hebben, dat hem niets meer deerde.

Onder het roeien verhaalde een der Dajaks, dat eenige maanden geleden twee bewoners van Kwala Kapoeas dicht bij de monding der Mantangéi door een „Penganen” waren aangevallen. Die twee hadden aan den oever op een droog plekje hun nachtverblijf opgeslagen en wilden, na hun avondmaal te hebben gebruikt, zich onbezorgd ter ruste begeven. Zij waren evenwel nog niet in slaap geraakt, toen zij een vreemdsoortig geschuifel vernamen en, bij het schijnsel van het kleine vuurtje, dat zij gestookt hadden, zagen, dat een vreeselijk groote boa op hen afkwam. Als de bliksem waren zij overeind en vluchtten zij in hunne prauw, waarna zij met inspanning van alle krachten de rivier voor den stroom afroeiden. Maar tot beider groote ontzetting, was ook de slang te water gegaan en konden zij in het water[203]de golvingen van haar lichaam, door het zwemmen veroorzaakt, behoorlijk waarnemen. Hoe zij zich ook inspanden, het hielp niets, het beest won zichtbaar op hen en weldra was het in de onmiddellijke nabijheid en poogde reeds de prauw te bespringen. Toen vermande zich een der Dajaks; hij greep zijn mandauw en bracht den boa een zoo duchtigen houw toe, dat de angel van het wapen in de greep lossprong en het lemmer in het taaie lichaam der slang zitten bleef. Daar het ondier niet doodelijk getroffen was, steeg zijn woede ten top en bleef den vervolgden niets over dan, bij het voorbijschieten van een hoek der rivier, aan wal te springen en ijlings in een hoogen boom te klimmen, die zich aan den kant van het water verhief. Maar ook daarin waren zij niet veilig, want het monster volgde hen op de hielen en opende reeds de afgrijselijke kaken, om toe te happen. Zij klommen al hooger en hooger; de slang volgde steeds. Eindelijk op de uiterste grens van een ver voorover hangenden tak gekomen, lieten zij zich in hunne vertwijfeling van boven naar beneden in de rivier rollen. Dit was den boa te kras. In stede van ook den sprong te wagen, liet hij zich naar beneden glijden; maar hoe vlug ook die beweging geschiedde, toen hij beneden was en rondkeek, waren de beide mannen verdwenen. Door den snellen stroom geholpen, hadden zij zich gehaast voort te zwemmen en achter den hoek, dien de rivier daar vormde, waren zij spoedig uit het gezicht van het ondier geraakt. Het gelukte hun hunne drijvende prauw in te halen en nu ging het uren lang vooruit alsof hen de „Penganen” nog achterna zat.

„Is het verhaal uit?” vroeg La Cueille knorrig.

„Ja”, was het antwoord.

„Goddank! ik begin van die mooie vertelsels meer dan genoeg te krijgen. Is voor den duivel de werkelijkheid[204]nog niet erg genoeg, dat er nog altijd nagebreeuwd moet worden?”

„Kom, zoo’n verhaal is in ’t leven als het zout bij de aardappelen”, lachte Schlickeisen. „Ik hoop nog eens zoo’n boa te ontmoeten.”

„Een mooie wensch! waartoe zou dat moeten dienen?”

„Ik heb het land, dat we bij ons overhaast vertrek, dien dooden boa achtergelaten hebben.”

„Nu nog mooier! wat wou je daarmee? We hebben toch al geen ruimte te over in de prauw.”

„Ja, maar hij zou gauw gevild zijn. De huid zou niet veel plaats innemen.”

„Maar wat wou je met die huid in hemels naam?” vroeg La Cueille ongeduldig.

„Worststoppen,” grinnikte Wienersdorf.

„Neen, porte-monnaies of sigarenkokers maken”, antwoordde Schlickeisen ernstig. „Dat zou niet onaardig zijn, een sigarenkoker van die glanzige huid met hare zwarte ruiten op gelen grond.”

„Als ik die huid had,” mompelde La Cueille, „zou ik wel weten, wat ik er mee deed.”

„Zeker weer naar Notre Dame,” meende Wienersdorf.

„Bij den rozenkrans en het besnijdenismesje”, grinnikte Johannes, „sakkerloot, die huid zou me een rare ophangerij aan het altaar vertoonen. De goe gemeente zou niet weten, wat ze er van maken moest.”

„Zwijg, gemeene heiden! spot met geen heilige zaken”, brulde de Waal. „We hebben nog veel hulp noodig, voor wij de reis ten einde hebben. Vol vertrouwen bid ik, dat de Moeder des Zaligmakers ons in hare bescherming neme!”

„Amen.”[205]

1Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.↑2Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.↑3Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.↑4Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.↑

1Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.↑2Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.↑3Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.↑4Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.↑

1Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.↑

1Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil: „ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen „soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt het „lahap”, genoemd.↑

2Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.↑

2Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder lekker.↑

3Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.↑

3Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de Dajaklanden „poeloet” genoemd.↑

4Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.↑

4Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis, zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht, maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.↑


Back to IndexNext