[Inhoud]XVIII.Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde[2]doel werden ook op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat zich tot een naaldenspits aanpunten.Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na, verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden, maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een buitengewone plechtigheid betaamde.De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de[3]kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi”1opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord,[4]iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen. Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen. De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van een zestal jongelingen, die met sawangtakken2in de hand een soort van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en Schlickeisen volgden onmiddellijk.Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een „taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken, bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere helft door de vrouwen,[5]met de Balians in de voorste rij, werd ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s begeleidden.Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan” genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die aanstaande waren. De Antang3is een valk, wiens vlucht door de Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens afgeleid worden.Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos scheen hij[6]bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan, toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste voorteekens, die gegeven konden worden.Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te zijn.Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe, bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken.[7]Hij riep Mahatara, al de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz.4tot getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam hetPoenanhoofdandermaal het woord:„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons. Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.… bloed eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer tusschen ons staan.”Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong,5die van zijn jongste[8]jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein[9]van Kotta Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de geheele zaak niets begreep.„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”Met innige verachting vervolgde hij:„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen! Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera6de wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen, omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen.Hèla harap olo bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!”7ging hij met klimmende drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij koelbloedig honderden slaven[10]en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer dan menschen dooden!”Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt. Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben; tenzij.…. mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen. Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer krampachtig omklemd. Neen, uitkomst[11]was er niet. Een seconde aarzelens nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik. Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de lippen en boog het hoofd.Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen.8Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel. Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.[12]Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje, hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw ontplooide.En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een, twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den wal.Wat was er gebeurd?La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had, bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken. Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot van achter den hoek te voorschijn[13]schieten. Nog hield hij zich stil en liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten.…Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!! de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring bij de flotille veroorzaakte.Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie vierde gedeelten van de overwinning verzekert.En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een[14]levendig geweervuur los, gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar, terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn, omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne repeteergeweren aan den schouder en … pang! pang! lagen twee der sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang! andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in, losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het genoegen smaken, den strik[15]door te snijden, die het Poenanhoofd den adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe Dohong!” (mijne dappere broeders).Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles stil.De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten, en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort van heilige onverschilligheid,[16]zag hij de varkenskluifjes voor en na in onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes, spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield. Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch, maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield. Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks, wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de heilige man zijn portie kreeg.Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang” (lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de hersenen uit de twee schedels gehaald[17]en geschud waren en de schotel behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op, en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven, hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel, laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren, om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken9. Eindelijk werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de frissche lucht. Daar kwam[18]de bewustelooze ras bij en herstelden zich de anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen tot bedaren te brengen.Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang, maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik, want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan die vrouw, terwijl hij zich verbond dat[19]menschelijk offer later ter geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was, vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende, om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan, en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn oog een meer edele richting te geven.Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht10deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij[20]had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje, dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds, zou geworden zijn.[21]Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was. Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de boodschap:„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih” (vrouwenonderrok) aantrekke.”Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling, legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware Dohong was.Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel[22]oogenblik van beraad, maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant, dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen. Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij denRadja balawang boelau11alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude afgesmeekt worden.Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns makkers bijna deed benijden.Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog „palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het „palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar de geringste ontrouw,[23]dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle uitgaven het hoofd te bieden.„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri12gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka13, den beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes, zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”[24]1Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.Hambataris de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Diehambataris zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.Kalisiworden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.↑2Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.↑3Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.↑4Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.↑5Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”↑6Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.↑7Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”↑8Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.↑9Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.↑10De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.↑11Radja balawang boelauof de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.↑12De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.↑13Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.↑
[Inhoud]XVIII.Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde[2]doel werden ook op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat zich tot een naaldenspits aanpunten.Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na, verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden, maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een buitengewone plechtigheid betaamde.De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de[3]kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi”1opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord,[4]iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen. Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen. De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van een zestal jongelingen, die met sawangtakken2in de hand een soort van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en Schlickeisen volgden onmiddellijk.Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een „taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken, bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere helft door de vrouwen,[5]met de Balians in de voorste rij, werd ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s begeleidden.Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan” genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die aanstaande waren. De Antang3is een valk, wiens vlucht door de Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens afgeleid worden.Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos scheen hij[6]bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan, toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste voorteekens, die gegeven konden worden.Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te zijn.Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe, bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken.[7]Hij riep Mahatara, al de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz.4tot getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam hetPoenanhoofdandermaal het woord:„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons. Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.… bloed eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer tusschen ons staan.”Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong,5die van zijn jongste[8]jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein[9]van Kotta Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de geheele zaak niets begreep.„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”Met innige verachting vervolgde hij:„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen! Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera6de wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen, omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen.Hèla harap olo bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!”7ging hij met klimmende drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij koelbloedig honderden slaven[10]en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer dan menschen dooden!”Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt. Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben; tenzij.…. mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen. Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer krampachtig omklemd. Neen, uitkomst[11]was er niet. Een seconde aarzelens nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik. Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de lippen en boog het hoofd.Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen.8Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel. Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.[12]Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje, hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw ontplooide.En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een, twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den wal.Wat was er gebeurd?La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had, bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken. Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot van achter den hoek te voorschijn[13]schieten. Nog hield hij zich stil en liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten.…Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!! de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring bij de flotille veroorzaakte.Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie vierde gedeelten van de overwinning verzekert.En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een[14]levendig geweervuur los, gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar, terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn, omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne repeteergeweren aan den schouder en … pang! pang! lagen twee der sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang! andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in, losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het genoegen smaken, den strik[15]door te snijden, die het Poenanhoofd den adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe Dohong!” (mijne dappere broeders).Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles stil.De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten, en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort van heilige onverschilligheid,[16]zag hij de varkenskluifjes voor en na in onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes, spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield. Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch, maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield. Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks, wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de heilige man zijn portie kreeg.Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang” (lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de hersenen uit de twee schedels gehaald[17]en geschud waren en de schotel behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op, en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven, hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel, laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren, om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken9. Eindelijk werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de frissche lucht. Daar kwam[18]de bewustelooze ras bij en herstelden zich de anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen tot bedaren te brengen.Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang, maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik, want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan die vrouw, terwijl hij zich verbond dat[19]menschelijk offer later ter geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was, vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende, om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan, en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn oog een meer edele richting te geven.Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht10deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij[20]had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje, dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds, zou geworden zijn.[21]Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was. Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de boodschap:„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih” (vrouwenonderrok) aantrekke.”Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling, legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware Dohong was.Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel[22]oogenblik van beraad, maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant, dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen. Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij denRadja balawang boelau11alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude afgesmeekt worden.Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns makkers bijna deed benijden.Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog „palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het „palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar de geringste ontrouw,[23]dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle uitgaven het hoofd te bieden.„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri12gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka13, den beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes, zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”[24]1Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.Hambataris de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Diehambataris zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.Kalisiworden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.↑2Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.↑3Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.↑4Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.↑5Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”↑6Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.↑7Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”↑8Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.↑9Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.↑10De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.↑11Radja balawang boelauof de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.↑12De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.↑13Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.↑
XVIII.Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.
Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.
Verdere maatregelen ter verdediging.—Dajaksche keukenbedrijvigheid.—De verzoeningseed.—Johannes redenaar.—Twee kanonschoten.—De aanval.—Harimaoung Boekit andermaal gered.—Wienersdorf in onmacht.—Een dankbare Poenan.—Een Dajaksche schoone.—Huwelijksaanvraag.
Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde[2]doel werden ook op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat zich tot een naaldenspits aanpunten.Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na, verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden, maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een buitengewone plechtigheid betaamde.De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de[3]kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi”1opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord,[4]iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen. Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen. De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van een zestal jongelingen, die met sawangtakken2in de hand een soort van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en Schlickeisen volgden onmiddellijk.Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een „taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken, bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere helft door de vrouwen,[5]met de Balians in de voorste rij, werd ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s begeleidden.Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan” genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die aanstaande waren. De Antang3is een valk, wiens vlucht door de Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens afgeleid worden.Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos scheen hij[6]bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan, toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste voorteekens, die gegeven konden worden.Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te zijn.Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe, bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken.[7]Hij riep Mahatara, al de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz.4tot getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam hetPoenanhoofdandermaal het woord:„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons. Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.… bloed eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer tusschen ons staan.”Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong,5die van zijn jongste[8]jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein[9]van Kotta Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de geheele zaak niets begreep.„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”Met innige verachting vervolgde hij:„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen! Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera6de wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen, omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen.Hèla harap olo bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!”7ging hij met klimmende drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij koelbloedig honderden slaven[10]en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer dan menschen dooden!”Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt. Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben; tenzij.…. mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen. Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer krampachtig omklemd. Neen, uitkomst[11]was er niet. Een seconde aarzelens nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik. Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de lippen en boog het hoofd.Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen.8Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel. Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.[12]Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje, hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw ontplooide.En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een, twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den wal.Wat was er gebeurd?La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had, bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken. Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot van achter den hoek te voorschijn[13]schieten. Nog hield hij zich stil en liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten.…Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!! de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring bij de flotille veroorzaakte.Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie vierde gedeelten van de overwinning verzekert.En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een[14]levendig geweervuur los, gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar, terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn, omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne repeteergeweren aan den schouder en … pang! pang! lagen twee der sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang! andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in, losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het genoegen smaken, den strik[15]door te snijden, die het Poenanhoofd den adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe Dohong!” (mijne dappere broeders).Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles stil.De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten, en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort van heilige onverschilligheid,[16]zag hij de varkenskluifjes voor en na in onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes, spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield. Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch, maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield. Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks, wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de heilige man zijn portie kreeg.Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang” (lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de hersenen uit de twee schedels gehaald[17]en geschud waren en de schotel behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op, en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven, hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel, laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren, om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken9. Eindelijk werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de frissche lucht. Daar kwam[18]de bewustelooze ras bij en herstelden zich de anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen tot bedaren te brengen.Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang, maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik, want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan die vrouw, terwijl hij zich verbond dat[19]menschelijk offer later ter geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was, vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende, om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan, en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn oog een meer edele richting te geven.Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht10deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij[20]had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje, dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds, zou geworden zijn.[21]Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was. Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de boodschap:„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih” (vrouwenonderrok) aantrekke.”Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling, legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware Dohong was.Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel[22]oogenblik van beraad, maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant, dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen. Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij denRadja balawang boelau11alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude afgesmeekt worden.Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns makkers bijna deed benijden.Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog „palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het „palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar de geringste ontrouw,[23]dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle uitgaven het hoofd te bieden.„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri12gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka13, den beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes, zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”[24]
Zoodra de dag aangebroken was, toog een ieder in de versterking weer aan het werk om de maatregelen tot verdediging te voltooien. Johannes en Wienersdorf trokken uit, ieder van een troepje Dajaks vergezeld, met allerlei gereedschappen gewapend. Allereerst werden de prauw onzer avonturiers en de andere vaartuigen van de kottabewoners met vereende krachten tegen den heuvel opgehaald en onder een der gebouwen binnen de versterking opgeborgen. Vervolgens werden de oevertaluds der rivier in de onmiddellijke nabijheid der kotta afgegraven, ten einde een beklimming van die zijde zoo moeielijk mogelijk te maken. Toen dat klaar was, begon men het geheele werk met een viervoudigen kring van wolfskuilen te omgeven. Die kuilen, waarin een aan beide einden scherp aangepunte ijzerhouten paal geslagen was, werden met een laag lang gras bedekt, om ze zoodoende voor het oog te verbergen en een bestorming zoo niet onmogelijk te maken, dan toch de aanvallers tot voorzichtigheid te nopen en hen onder het werkzame vuur der verdedigers slechts langzaam vooruit te laten schrijden. Ter bereiking van datzelfde[2]doel werden ook op de voornaamste toegangen randjoe’s geplant en werden vooral de saillanten met een breeden kring van die asperges omgeven. Randjoe’s zijn voetangels, eenvoudige pennen van zeer hard hout vervaardigd, die onder allerlei hellingen zoodanig in den grond geslagen worden, dat de punten in het gras verscholen, bijna onzichtbaar zijn. Voor den ongeschoeiden voet van den inlander zijn de randjoe’s een geducht chicanemiddel. Op Borneo worden zij in de benedenlanden veel van niboeng, een palmsoort, of van bamboe, in de bovenlanden uitsluitend van ijzerhout vervaardigd. Oud ijzerhout is buitengemeen hard en laat zich tot een naaldenspits aanpunten.
Schlickeisen en La Cueille gingen de bewapening nog eens na, verzekerden zich van de goede werking van ieder onderdeel en stelden zich, toen dat alles naar wensch ging, ter beschikking van hunne makkers, die hunne Europeesche knuisten volstrekt niet versmaadden, maar hen de schop en het pikhouweel ijverig lieten hanteeren.
Gedurende die bedrijvigheid hielden de Poenans van Harimaoung Boekit zich onledig een paal met den „blajoeng” (een soort van dissel) glad en keurig te bewerken, waaraan het slachtoffer zou gebonden worden. Zoo’n paal met dat doeleinde heet „sapoendoe”. Overeind geplant, steekt hij iets meer boven den grond uit dan een mensch lang is en is aan zijn boveneind met een menschenhoofd versierd, dat met lang uithangende tong gebeeldhouwd wordt. Toen die paal klaar was, werd hij midden op het binnenplein der versterking geplant. Dat plein werd verder rein aangeveegd en met helder wit zand bestrooid, zooals dat voor zulk een buitengewone plechtigheid betaamde.
De vrouwen hielden zich intusschen bezig met de[3]kokerij en hadden daarmede de handen vol; want de plechtigheid van den verzoeningseed zou met een groot feestmaal besloten worden. En aan dat feestmaal mocht niets ontbreken. Volgens ’s lands gebruik waren twee buffels en vier groote varkens geslacht en moest het vleesch en spek daarvan, met dat van twee herten tot allerhande lekkere beten vervormd worden, zoowel gekookt en gebraden, als gesausd en gepoft. Paalwormen waren in die streken niet te verkrijgen, anders had die schotel niet ontbroken op zoo’n feest; maar de slangenmootjes waren present en de zorgzame huisvrouw zou het ontbrekende gerecht vervangen door een „bangamat” (vliegende hond) die geheel gebraden als bij ons een speenvarken, ter tafel zou verschijnen. Als versnapering tusschen de hoofdgerechten zouden schoteltjes met schijfjes van „baloedoek” en balletjes van „hambatar” en „kalisi”1opgebracht worden. Ook zou er veel gebak van „kasei behas” (rijstemeel), van „hambieh” (sago) en „rahias” (pisang) aanwezig moeten zijn; terwijl ten slotte als confituren zouden aangeboden worden schelpen met „tangoeli” gevuld, zijnde dit jonge bijenlarven in honig gebraden, die als een delikate lekkernij beschouwd worden. In een woord,[4]iedereen had het druk en onder die drukte vloden de morgenuren heen.
Toen de zon zoo omstreeks de helft harer baan nabij was, kwam Indoe Kotong, de vrouw van het kottahoofd, berichten, dat zij met het feestmaal gereed was en dat de plechtigheid dus een aanvang kon nemen. Amai Kotong verzamelde hierop de mannelijke bewoners van kotta Djankang, zijne echtgenoot schaarde de vrouwen en meisjes om zich heen en Harimaoung Boekit begaf zich tot onze vier deserteurs, die een oogenblik bij elkander gezeten waren om van den verrichten arbeid uit te rusten, en terwijl hij Wienersdorf onder den arm greep, noodigde hij de anderen uit om de plechtigheid van den verzoeningseed bij te wonen. De Europeanen hadden evenwel met elkander afgesproken, dat een hunner gedurende de feestelijkheden waakzaam zoude blijven, en daartoe was La Cueille aangewezen, die dan ook dadelijk opstond en zich naar het geblindeerde schildwachthuisje begaf om het omliggende terrein in het oog te houden. Wienersdorf en Harimaoung Boekit traden te midden van een zestal jongelingen, die met sawangtakken2in de hand een soort van eerewacht voor de twee helden van het feest vormden. Johannes en Schlickeisen volgden onmiddellijk.
Op het plein der versterking aangekomen, vonden zij de mannen allen in oorlogstooi gedoscht; maar bij deze gelegenheid het gezicht met een „taboekah”, houten mombakkes met de gedrochtelijkste gelaatstrekken, bedekt. Allen hadden den mandauw om het middel gegespt en de lans in de hand en vormden rondom den offerpaal een halven kring, welks andere helft door de vrouwen,[5]met de Balians in de voorste rij, werd ingenomen. Zoodra allen gerangschikt waren, begonnen de priesteressen hare bezweringsgezangen, die zij met het geluid hunner katambong’s begeleidden.
Dat zingen duurde totdat de zon de kortste schaduw had geworpen en die weer begon te verlengen, dus totdat het middaguur voorbij was, waarna bevel gegeven werd het slachtoffer voor te brengen. Het gedeelte van den dag, tusschen twaalf en drie uur, wordt door de Dajaks „badjagi hai” geheeten als het gelukkigste tijdperk. Alle voorname handelingen en ondernemingen moeten in dat tijdvak begonnen of volvoerd worden.
Terwijl de arme ongelukkige uit hare kooi gehaald werd, klom een der Balians op een daartoe expresselijk vervaardigde trap, „tadjahan” genaamd, en zong een invocatie, ten doel hebbende om den Antang te verzoeken een gunstig voorteeken te geven, zoowel ten opzichte der verzoening, die plaats zou grijpen, als der gebeurtenissen, die aanstaande waren. De Antang3is een valk, wiens vlucht door de Dajaks geraadpleegd wordt en waaruit goede of kwade voorteekens afgeleid worden.
Het was alsof de valk de aanroeping gehoord had, want de priesteres stond nog op haar verheven stelling toen zulk een roofvogel boven den boschrand verscheen. Het dier beschreef zijn kringen in de lucht aan de linkerzijde der versterking. Aller oogen volgden die vlucht in gespannen verwachting. Al draaiende klom de valk langzamerhand tot ongeveer in het zenith, toefde daar een oogenblik, terwijl hij al nauwer en nauwer kringen boven de versterking beschreef. Een poos scheen hij[6]bewegingloos vlak boven het middenpunt der kotta te staan, toen liet hij plotseling een doordringenden schreeuw hooren en viel meer dan hij wegvloog in de richting vanwaar hij gekomen was. Alle aanwezige Dajaks waren diep ter neer geslagen. Aan de linkerzij verschenen en naar die zij teruggevlogen! Een kreet als een waarschuwing boven hunne hoofden! O! dat waren wel de ongunstigste voorteekens, die gegeven konden worden.
Nog was die algemeene bekommering niet bedaard, toen La Cueille den kring doorbrak, Wienersdorf en Johannes iets toefluisterde en zich ijlings voortspoedde. Die verschijning en verdwijning van den Waal waren zoo spoedig geschied, dat zij bij de algemeene verslagenheid niet opgemerkt werden. Johannes gaf den Zwitsers een wenk om oplettend te zijn.
Middelerwijl was de arme vrouw reeds den kring binnengeleid en waren twee mannen bezig haar aan den sapoendoe te binden, en wel zoo, dat de uithangende tong van het beeldwerk haar aangeraakt zoude hebben, indien zij overeind gestaan had. Zij hing evenwel in hare banden meer dan zij stond en hield het hoofd licht ter zijde gebogen. Zij was overigens kalm en gelaten en keek den kring harer beulen vrijmoedig rond.
Toen zij vastgebonden was, trad Harimaoung Boekit op Wienersdorf toe, bracht hem op de bloote borst een lichte snede met zijn „poeai” toe en ving het bloed, dat uit de wonde vloot, in een glas op. Hij bracht zich daarna ook een lichte verwonding toe, liet zijn bloed bij dat van den Zwitser droppelen en vulde het glas verder met toeak. Vervolgens hief hij het bloedige mengsel in de hoogte en sprak een vreeselijke vervloeking over zichzelven uit, indien hij den broederband, dien hij op het punt stond te bevestigen, zoude verbreken.[7]Hij riep Mahatara, al de Sangiangs, al de Karriouws, Pampahileps, Antoeëns enz.4tot getuigen aan van zijn broederlijke genegenheid jegens den redder zijns levens. Hij smeekte hen, hem de afgrijselijkste straffen en martelingen te doen ondergaan, zoo hij die toegenegenheid mocht ontrouw worden, en eindigde zijn toespraak met het glas, dat hij steeds in de hand gehouden had, in een teug tot op de helft te ledigen, waarna hij het Wienersdorf aanbood, die onder het prevelen van eenige onverstaanbare woorden en van walging kokhalzende, het restantje inzwolg.
Na die plechtigheid, welke „hatoendi daha” genoemd wordt, nam hetPoenanhoofdandermaal het woord:
„Wij zijn nu broeders,” sprak hij tot den Zwitser, terwijl hij diens hand greep en die met innige hartelijkheid schudde, „als broeder zal ik u steeds behandelen. Maar er bestaat nog een bloedschuld tusschen ons. Ik heb u aangevallen; ik trachtte uw aller schedels te bemachtigen; gij weet het, schedels zijn onze rijkdom. Maar bij dien strijd is een uwer makkers gedood, verscheidenen der mijnen zijn omgekomen en.… bloed eischt bloed! Zie! om aan dien eisch te voldoen, om dat bloed uit te wisschen, zullen wij een pandeling slachten, wij zullen ons met haar bloed insmeren, dan is die schuld uitgedelgd en zal er niets meer tusschen ons staan.”
Johannes greep daarop de hand van Wienersdorf, trok hem met zich de tadjahan op, die de Balian zoo even verlaten had:
„Paharingkoe!” (mijne broeders) riep hij tot de verzamelden, „mijn vriend Dohong,5die van zijn jongste[8]jaren te Bandjermasin, daar waar de groote heer der Hollanders zetelt, gewoond heeft, kan zich niet meer genoegzaam in het Dajaksch uitdrukken, daarom heeft hij mijn hulp verzocht om tot u te spreken. Hij neemt het verbond van Harimaoung Boekit dankbaar aan en zal steeds een goede broeder voor hem zijn, wat er ook moge gebeuren. Even als het water door een mandauwslag gespleten, zich weer vereenigt zonder een spoor van scheiding achter te laten, zoo zal hunne vriendschap ongestoord blijven en in leven en in dood kunnen zij op elkander rekenen. Maar onze Dohong is te midden der blanken opgegroeid; zij hebben hem ingeprent, dat zonder hun verlof, niemand een mensch mag dooden. Ook te Kwala Kapoeas is dat verboden. Ik weet nu wel dat dat kinderachtig is, dat die bleekgezichten zich met zaken bemoeien, die hun niet aangaan; maar wat er aan te doen? Die wet heeft Dohong aangenomen, ja ingezogen; hij heeft daardoor een afschuw van het ter dood brengen van menschen, wanneer dat niet in den strijd geschiedt. Hij stelt daarom zijn broeder voor, die vrouw het leven te schenken, zooals hij dat aan het Poenanhoofd geschonken heeft. En om de bloedschuld af te wasschen, verzoekt hij dat een buffel aan de Sangiangs geofferd worde. Die beschermers van ons Dajaks nemen in de benedenlanden genoegen met zoo’n offer; zij zullen dat hier ook doen. Gij hebt gezien welk slecht voorteeken de Antang ons gaf. Dat geschiedde alleen, omdat wij Kwala Kapoeassers, tegen de gebruiken, die wij plechtig bezworen hebben, om geen menschen te dooden, zouden zondigen. Laten wij een buffel slachten, in stede van die vrouw, dan zult gij zien, dat de voorteekenen veranderen zullen en de strijd, die ons wacht, een goede uitkomst zal hebben.”
Een doodelijke stilte heerschte er op dat binnenplein[9]van Kotta Djankang. Bij het einde van die toespraak waren de gezichten betrokken en kon men daarop de grootste ontevredenheid lezen. Vooral de Poenans verborgen hunne gevoelens niet en sloegen de handen aan de mandauws. In die woorden zagen zij een beleediging voor hun hoofd. Harimaoung besteeg de trap en begon met de vrij sluwe verklaring, dat hij van de geheele zaak niets begreep.
„Hier in de bovenlanden,” ging hij verder, „hebben de blanken niets te zeggen en, voegde hij er met een uitdagenden blik bij, „wanneer zij hier wenschen te bevelen, moeten zij maar opkomen!”
Met innige verachting vervolgde hij:
„Net of zij zoo angstvallig met het leven van een mensch omspringen! Hoevele duizenden menschen zijn niet omgekomen in den oorlog, die ons schoon eiland beroerd heeft? En wie heeft dien oorlog veroorzaakt? Was het hunne schraperigheid niet, die den Amai van Martapoera6de wapens in de hand wrong? Wie zal tellen hoeveel Javanen er omgekomen zijn van honger, omdat zij koffie moesten planten, of kotta’s moesten bouwen voor de bleekgezichten, en hunne velden niet konden bebouwen, omdat zij geen tijd hadden? Of zouden zij meenen, dat wij dat alles niet weten? Zij verbieden ons een onzer pandelingen te slachten en geven voor dat uit liefde voor dien slaaf te doen.Hèla harap olo bapoeti, aloe menjak totoke, haliau jèh!”7ging hij met klimmende drift voort. „Wanneer men hun geld te na komt, dan vermoorden zij koelbloedig honderden slaven[10]en vrijen. Om geld te maken, doen zij meer dan menschen dooden!”
Hier hield de Poenan een oogenblik op, als of hij behoefte had diep adem te scheppen, en vervolgde toen met gedempte stem:
„Maar wat kan ons schelen, wat de blanken bevelen? Ieder is gehouden zich te voegen naar den adat van het land, waar hij zich bevindt. Wanneer ik te Bandjermasin zal komen, zal ik de gebruiken, die daar in zwang zijn, eerbiedigen. Is de Groote Heer een eerlijk man, dan—er valt niet aan te twijfelen—zal hij onze gebruiken niet schenden, wanneer hij ons bezoeken zal. Kort en goed, wij laten ons door de blanken geen wetten voorschrijven. De feestelijkheid zal haren voortgang hebben; tenzij.…. mijn broeder Dohong mijne vriendschap niet wil aannemen.”
Die laatste woorden werden niet alleen met aarzeling, maar ook met een zacht ruischende stem, van een snik vergezeld, uitgesproken. De gedachte, dat zijn redder zijn vriendschap zou kunnen versmaden, deed het natuurkind smartelijk aan. Overigens stond de Poenan daar trotsch en fier, met trillende neusvleugels, de oogen woest rollend en het hoofd in den nek. Zijn mandauw had hij half uit de scheede getrokken.
Wienersdorf liet bliksemsnel den blik langs de hem omringende mannen gaan. La Cueille was afwezig; Johannes stond met gebogen hoofd; de Dajaks van kotta Djankang lieten een afkeurend gemompel hooren en schaarden zich aan de zijde hunner stamverwanten de Poenans; zij, die van kotta Baroe medegekomen waren, volgden die beweging; zelfs Dalim en zijn makker stonden besluiteloos. Er was op niemands hulp te rekenen. Alleen Schlickeisen stond daar met opgeheven hoofd en hield zijn geweer krampachtig omklemd. Neen, uitkomst[11]was er niet. Een seconde aarzelens nog, kon aanleiding tot een bloedbad geven, dat niet zou eindigen dan met de vernietiging van het viertal Europeanen, dat evenwel als zoodanig niet herkend was. Dat overzag Wienersdorf in dien blik. Plotseling greep hij de hand van Harimaoung Boekit, bracht die aan de lippen en boog het hoofd.
Johannes, die tot nu zwijgend naast zijn makker gestaan had, trad nu vooruit naar den vlaggestok, bracht een pakje te voorschijn, bond dat aan de lijn en heesch dat vormlooze ding in top. De jongelingen schaarden zich nu op een gelid. De oudste daarvan trad vooruit en bracht terwijl hij een grijnzend gelach liet hooren, het slachtoffer een steek onder de linkerborst toe. Voorzeker had hij haar dadelijk kunnen dooden, maar dan zou het bloeddorstig vermaak te spoedig geeindigd zijn. Minstens moesten alle ongehuwde mannen eenmaal voortreden en zich aan een steek vergasten, daarom had hij slechts zijn lanspunt een halve duim in het vleesch gedrongen.8
Maar op dien steek gebeurden drie zaken te gelijkertijd.
Vooreerst liet het slachtoffer een doordringenden gil hooren. Tot nog toe was zij kalm gebleven, zij had vast vertrouwd, dat het mangang kaoeit haar gevoelloos gemaakt had. Zij ondervond nu het tegendeel. Schrikkelijk wrong zij zich nu in hare banden en vreeselijk was het haar geschreeuw om erbarming aan te hooren.[12]
Te gelijker tijd had Johannes de vlaggelijn geschud, zoodat het pakje, hetwelk hij een oogenblik te voren geheschen had, zich ontrolde en de Nederlandsche driekleur zich boven het hoofd van de arme vrouw ontplooide.
En alsof die driekleur haar redding aanbracht, knalden plotseling een, twee kanonschoten, die de geheele bezetting als door elkander en naar de borstwering deden stuiven. Johannes maakte van de algemeene verwarring gebruik, hij sprong naar den sapoendoe toe, sneed de banden van de rampzalige vrouw los, stelde haar in handen van de andere vrouwen met opdracht haar goed te verzorgen en, voegde hij er ernstig bij, haar niet te laten ontvluchten. Toen spoedde ook hij zich naar den wal.
Wat was er gebeurd?
La Cueille, op zijn verheven standpunt gezeten, had al lang de signalen opgemerkt, die door den vooruitgeschoven post gegeven werden. Hij bekommerde er zich echter weinig om. Hij verliet het geblindeerde schilderhuisje, drong door den kring om den sapoendoe, vertelde aan Johannes en Wienersdorf snel, wat hij gezien had, en bracht hun aan het verstand, dat het nu alleen maar kwestie was om tijd te winnen, dat dan die arme vrouw nog wel gered kon worden. Daarna had hij zich naar den saillant begeven, van waar hij een ruim gezicht over de rivier had, bracht de twee geladen kanonstukjes in de richting, nam een brandende lont ter hand en wachtte zijn tijd af. Hij hield een oog zoowel op wat er gebeurde in de versterking als op wat op de rivier voorviel. Hij zag de beweging daar binnen, ja hoorde de toespraak van Johannes en bewonderde zijn makker in zijne middelen om de plechtigheid te rekken. Eindelijk, na nog een poos wachtens, zag hij een geheele prauwenvloot van achter den hoek te voorschijn[13]schieten. Nog hield hij zich stil en liet haar naderen, terwijl hij opmerkzaam bleef op hetgeen rondom hem voorviel. Het drama binnen vorderde met de prauwen daar buiten.…
Eindelijk viel niet meer te aarzelen. Nogmaals verbeterde hij de richting zijner stukjes, bracht toen de lont bij het zundgat en boem!!! de kogel vloog tusschen de vloot door en boorde een der achterste vaartuigen in den grond. De opvarenden, overigens ongedeerd, moesten zich met zwemmen redden, terwijl dat schot al niet weinig verwarring bij de flotille veroorzaakte.
Boem!!! klonk het nogmaals en een vlucht kartetskogels floot tusschen en over de prauwen, kwetste eenige roeiers en bracht de ontsteltenis ten top. De luitenant gelastte te landen om zich met zijne dapperen voorloopig buiten schot op te stellen. De prauwen stevenden naar den wal en weldra was de geheele aanvallende macht, onzichtbaar voor het oog der kottaverdedigers, achter struik en boom verborgen.
De officier begreep, dat hij zijn troep niet onder den indruk van dat eerste insucces mocht laten. Wel was het hem zonderling te moede, van die sterkte, waaruit hij vuur gekregen had, de Nederlandsche vlag te zien waaien; maar hij mocht niet aarzelen, en daarom verzamelde hij zijn macht en stormde op de versterking aan, indachtig aan de ondervinding van eeuwen, dat bij indische oorlogen stoutmoedigheid drie vierde gedeelten van de overwinning verzekert.
En, waren er geene Europeanen in de versterking geweest, die der bezetting moed inspraken, dan was de beweging voorzeker geslaagd. Maar nu, op geweerschots-afstands gekomen, dreunden drie kanonschoten, die het aanvallend troepje met kartetskogels overstelpten en aan het wankelen brachten. Dadelijk barstte daarop een[14]levendig geweervuur los, gevolgd al weer door een paar kartetsschoten, die een einde aan de weifeling der helden maakten en hen op de vlucht dreven, alvorens zij nog in de gelegenheid geweest waren een schot te lossen. Toen Harimaoung Boekit die achterwaartsche beweging ontwaarde, kon hij de verzoeking geen weerstand bieden. Met slechts een paar zijner volgelingen stoof hij de versterking uit om koppen te snellen. Maar, terwijl hij op een paar achterblijvers der vluchtelingen inhakte en zich beijverde de hoofden der gevallenen te verzamelen, trad eensklaps een troepje gewapenden van achter eenige struiken te voorschijn, omsingelde hem en wierp hem, vóór hij zich goed te weer kon stellen een strik over het hoofd en sleepte hem half verwurgd voort. Wienersdorf en Schlickeisen zagen duidelijk wat er gebeurde. Beiden ijlden naar buiten, verzamelden nog eenige strijders en spoedden zich voort. Bij de terreinsdepressie gekomen, die de hoogte, waarop kotta Djankang gelegen is, van het ander heuvelland afscheidt, zagen zij het lichaam van den Poenan, dat door eenige menschen voortgesleurd werd. Zij waren toen slechts een vijftig passen er van verwijderd. Als twee steenzuilen zoo onbeweeglijk bleven de twee Zwitsers stilstaan, brachten hunne repeteergeweren aan den schouder en … pang! pang! lagen twee der sleepers op den grond uitgestrekt; pang! pang! nogmaals twee. De overblijvenden aarzelden, de buit, dien zij bemachtigd en als een hoofd herkend hadden, was te kostbaar om achter te laten. Pang! pang! andermaal twee lijken. Toch konden zij nog niet besluiten om te vluchten. Maar daar stoven plotseling eenige gedaanten op hen in, losten nogmaals ieder een schot en tastten hen toen met het blanke wapen aan. Nog een kleine schermutseling en Wienersdorf kon het genoegen smaken, den strik[15]door te snijden, die het Poenanhoofd den adem benam. Hij reikte hem vervolgens de hand, hielp hem overeind en fluisterde hem een „salamat” (gelukwensch) in het oor.
Toen de Poenan op de been was, greep hij naar zijn hals, alsof die noodlottige rottanstrik daar nog zat, proestte als een kater, die pas uit het water gehaald was, bewoog een voor een al zijn ledematen, als om te beproeven, of die nog aanwezig waren en, nadat hij zich daarvan overtuigd had, vatte hij de handen der beide Zwitsers, legde die op zijn hoofdkruin onder het prevelen van de woorden: „Paharingkoe Dohong!” (mijne dappere broeders).
Nog een oogenblik knalden schoten van weerszijden, toen werd alles stil.
De aanvallers trokken zich terug en telden hunne verliezen. Zij begroeven in der haast vijf gesneuvelden, terwijl meer dan het dubbelde aantal gekwetsten achter de struiken lag te kermen. Van de bezetting der kotta was slechts een man, een pandeling, door een geweerschot gedood en hadden een paar anderen lichte schrammen bekomen.
Aan feestvieren werd nu verder niet gedacht. Bij gedeelten gebruikten de belegerden hun maal, terwijl de overigen achter de borstwering op de banketten gereed stonden, om iederen aanval, wanneer die hernieuwd mocht worden, af te weren. De vroolijkheid was daarom niet uitgesloten, en bij het lekkere maal, dat verorberd werd, ging, zonder tot overdaad aanleiding te geven, de klapperdop, met toeak gevuld, rond en werd de eerste behaalde zege met een duchtigen dronk gevierd.
Aan zijn priesterlijk karakter getrouw, onthield zich onze Waalsche Sjech van alle spijs en drank, door den Profeet verboden. Met een soort van heilige onverschilligheid,[16]zag hij de varkenskluifjes voor en na in onpeilbare keelgaten verdwijnen. Het liet hem vrij koel, toen Johannes, spotachtig van aard, hem een heerlijke karbonade onder den neus hield. Hij deed zich daarentegen te goed aan het herten- en buffelvleesch, maar paste zorgvuldig voor de entremêts, omtrent welker oorsprong hij zich behoorlijk op de hoogte had gesteld. Evenwel kon hij niet nalaten een zucht te slaken, toen de lekkere geur van den toeak zijn reukorgaan streelde, en hij werd ernstig boos, toen Johannes, zijne plagerij voortzettende, hem een goed gevulden klapperdop onder den neus hield. Om het weer goed te maken, beloofde hem zijn makker, dat hij straks, wanneer zij buiten den kring der profanen waren, zou zorgen dat de heilige man zijn portie kreeg.
Terwijl onze Europeanen op Dajaksche wijze met gekruiste beenen zaten rondom het matje, dat de tafel uitmaakte en zich te midden hunner nieuwe vrienden Gods gaven goed lieten smaken, kwam een Poenan binnen en smeet een paar bloedige menschenhoofden in den gevormden kring, te midden der opgebrachte gerechten. Er ging, vooral onder de Poenans van het gezelschap een oorverdoovend gejuich op. Twee hunner grepen die hoofden, sneden de laatste halswervels, die er nog aanzaten, af en begonnen nu door de vrij geworden opening van den schedel de hersenzelfstandigheid met een bamboelemmer op een aarden schotel te ledigen. Gedurende die bezigheid, sneed een ander een flinke vlok haar van die hoofden, kapte die in stukken ter grootte van een halven vinger en roerde dat haar onder bijvoeging van wat fijngewreven „sahang” (lombokh, spaansche peper) door die bloedige hersenmassa. Met ontzetting hadden onze deserteurs dat tooneel aangezien. Toen al de hersenen uit de twee schedels gehaald[17]en geschud waren en de schotel behoorlijk toebereid was, nam hem een der Poenans, plaatste een aarden lepeltje rechtop in de brij en bood hem Johannes aan. Deze bedankte met een gebaar. Bij Wienersdorf gekomen, liet deze een blik op dat walgelijk mengsel vallen, maar werd tegelijkertijd door zulk een misselijk gevoel overweldigd, dat hij bewusteloos neerstortte.
In hunne ontsteltenis letten de drie overige Europeanen daar niet op, en de Dajaks wel een weinig verwonderd, maar overgelukkig dat de vreemdelingen geweigerd hadden van dien lekkeren schotel te proeven, hieven een gejuich aan. Hij die den schotel droeg, greep den lepel, laadde hem, wierp toen het hoofd achterover en liet, terwijl hij de oogen zacht sloot en zijn gelaat van genot straalde, een goede portie in den wijd geopenden mond glijden. Hij gaf toen den schotel aan een makker over, die dezelfde manoeuvre volbracht, en het lekkers verder gaf. Het was toen een smakken met tong en met lippen, dat de toeschouwers wel moesten begrijpen dat de smullenden in den hoogsten graad van genieting verkeerden. Langzaam en met verrukten blik zogen zij de haren uit, die trouwens alleen door het mengsel geroerd waren, om de lekkerbekken tot bedaard genieten te noodzaken9. Eindelijk werd het den Europeanen te benauwd om het hart; alles draaide hun voor de oogen. Zij sprongen op, om zich te verwijderen van het ontzettend tooneel, maar ontwaarden eerst toen, dat Wienersdorf bewusteloos ter neer lag. Zij tilden hem op en ijlden met hem naar buiten in de frissche lucht. Daar kwam[18]de bewustelooze ras bij en herstelden zich de anderen. Een dronk zuiver water hielp ook om hunne ontstelde zenuwen tot bedaren te brengen.
Harimaoung Boekit had dus ten tweeden male het leven aan Wienersdorf te danken. Van zijne volgelingen had hij vernomen met welken moed, met welke doodsverachting deze hem te hulp was gesneld en zich daarbij aan de grootste gevaren had blootgesteld. Hij trad zijn redder nabij, legde de hand op zijn schouder en vroeg hem met bewogen stem, of hij iets voor hem doen kon of hem iets kon geven. Alles wat hij bezat, was het eigendom zijns redders. Als deze verkoos dat hij, het trotsche Poenanhoofd, zijn „djipen” (pandeling) zoude worden, zou hij voor altijd afstand doen van de vrijheid en zijn broeder overal volgen.
Wienersdorf, steeds nog onder den invloed van het afschuwelijk tooneel van straks, dat hij evenwel, ten gevolge zijner bewusteloosheid slechts gedeeltelijk had kunnen waarnemen, bedacht zich op die vraag niet lang, maar greep de hand van den Poenan, drukte die met levendige innigheid en smeekte hem om het leven van die arme vrouw, die door de aankomst van de aanvalsflotille zoo op het juiste oogenblik van een vreeselijk uiteinde gered werd. Door dat de Zwitser de landstaal niet bijzonder machtig was, begreep de Poenan aanvankelijk weinig of niets van de bede. Toen het hem eindelijk met behulp van Johannes helder werd, wat zijn redder vroeg, ontsierde nog eenmaal een uiterst onaangename trek het overigens voorname gelaat, maar ook slechts voor een oogenblik, want in het daarop volgende had het natuurkind zijn geheele zelfbeheersching hernomen en den handdruk des Zwitsers met warmte beantwoord. Hij voldeed aan het gedane verzoek en schonk het leven aan die vrouw, terwijl hij zich verbond dat[19]menschelijk offer later ter geschikter tijd door een buffel te vervangen. Intusschen kon hij de eigenlijke beweegredenen, waarom zijn redder zoo op het leven van die vrouw gesteld was, maar niet vatten. Zijn oorspronkelijk begripsvermogen deed hem vermoeden, dat hier een hartstochtelijke genegenheid in het spel was en hoewel die pandelinge, moeder van twee kinderen, niet jeugdig meer en nimmer voor een schoonheid gehouden was, vermocht hij aan het aandringen des Zwitsers geen anderen uitleg te geven, ofschoon hij zich over diens smaak ten zeerste verbaasde. Onder den indruk van die opvatting en wezenlijk alles er voor over hebbende, om zijn redder gelukkig te zien, bood hij hem zijn volle zuster, een jonge lieftallige maagd, het pronkjuweel van zijn stand tot vrouw aan, en trachtte zoo door een huwelijk niet alleen den gesloten broederband te versterken, maar ook aan de hartstochten van dien broeder in zijn oog een meer edele richting te geven.
Hamadoe—zoo was de naam van die zuster—was een heerlijk wezen. Zij kon bogen op een fijn besneden gelaat, waaraan de zachte bronskleur een groote bekoorlijkheid verleende, met een fraai gevormden neus, dien menige Europeesche schoone haar benijd zoude hebben; met een mondje, welks zwellende en half geopende lippen aan een pas opengespleten pala-vrucht10deden denken; met een paar groote donkere oogen, die een zacht kwijnende uitdrukking konden aannemen, maar waarin ook een vuur kon schitteren, alsof die dochter des wouds in lichtelaaie vlam stond, hetgeen niet onmogelijk was. Daarbij[20]had zij fijn zacht haar, zwartblauw van kleur en zoo overvloedig en lang dat, wanneer zij heur „kondèh” (haarwrong) loswierp, de sierlijke lokken haar als in een mantel wikkelden, het reeds zoo innemend gelaat allerliefst omlijstten en haar dartelend en golvend tot op de kuiten vielen. Zij had een boezem, maagdelijk bescheiden in ontwikkeling en toch weelderig in zijn vormen, die den meesteischenden beeldhouwer tot model had kunnen strekken; en daarbij een middel, ongekunsteld en natuurlijk, dat zonder behulp van balein en staal, met twee handen te omspannen was en zich zoo lenig en buigzaam bij de minste bewegingen van het meisje vertoonde, alsof geen ruggegraat aanwezig was. Daaronder rondden een paar heupen bekoorlijk en dichterlijk af, om uit den mond van den meest koelbloedigen een lofzang op zooveel natuurschoon te ontlokken.
Het valt niet te ontkennen, onze Europeanen hadden al menigmaal de lieve Hamadoe, die haren naam van „honigzoet” zoo wel verdiende, met een bewonderenden blik nageoogd, wanneer zij vrij en ongedwongen op Dajaksche wijze gekleed, dat wil zeggen met het fraaie bovenlijf geheel bloot en het overige slechts gedekt met een „saloi”—een kort kleedje, dat slechts van het middel tot de knieën reikt—zich binnen de versterking bewoog. En toch, nu hem dat juweeltje van vrouwelijk schoon aangeboden werd, aarzelde Wienersdorf en was op het punt een verontschuldiging te stamelen; toen Johannes hem voorkwam en den Poenan antwoordde, dat zijn vriend zijn aanbod dankbaar aannam en zich gelukkig zou achten, de echtgenoot van de schoone Hamadoe te zijn; maar dat hij al de Sangiangs zou danken wanneer hij door dat huwelijk de vleeschelijke broeder van Harimaoung Boekit, zijn bloedbroeder reeds, zou geworden zijn.[21]
Wel eenigszins onthutst door die onverwachte tusschenkomst, sloeg de Zwitser de oogen op en wilde spreken; maar beleefd werd hem verzocht zich te verwijderen, daar Johannes nu als zijn zaakgelastigde de verdere huwelijksformaliteiten met de aanstaande en hare familiebetrekkingen te behandelen had. Wienersdorf trok mompelend af met het stellige voornemen, zich tot geen dwaasheden te laten overhalen, hoe verleidelijk en bekoorlijk de schoone Hamadoe ook was. Helaas! wanneer de mensch wikt, is hij het niet altijd, die beschikt.
Toen Harimaoung Boekit en Johannes in huis getreden waren, werd de maagd geroepen en deed Johannes, nadat zij verschenen was, de aanvraag om hare hand geheel volgens de Dajaksche gebruiken. Wel had de schoone een gunstige meening ten opzichte van haren aanstaande, maar zij keek nieuwsgierig rond, keek nog eens; dat die zaakgelastigde haar geen koppen ten huwelijksgeschenk kon aanbieden, deed haar aarzelen. Zij stond daar besluiteloos. Eindelijk greep zij een vrouwenkleedje, dat over een touw te drogen hing, en bood dat den afgezant aan met de boodschap:
„Uw vriend is geen man, hij is slechts een bedeesde vrouw en verdient geen mannenkleederen aan te hebben; daar, dat hij dezen „tapih” (vrouwenonderrok) aantrekke.”
Johannes glimlachte even, maar nam dat kleedje niet aan. Harimaoung Boekit verhaalde haar nu zijn dubbele redding door dien vreemdeling, legde haar uit, dat de Hollanders in de benedenlanden het koppensnellen verboden hadden, dat zijn redder niet anders kon doen dan dat verbod na te komen, maar dat hij overigens de dapperste der dapperen, een ware Dohong was.
Na deze verklaring nam de lieve maagd geen enkel[22]oogenblik van beraad, maar verklaarde vrijmoedig dat zij met den tapih ook hare straks gesproken woorden terugnam en dat, nu haar broeder, de eenige verwant, dien zij te kotta Djankang had, geen beletselen opwierp, zij gereed was Dohong’s levensgezellin te worden en lief en leed met hem te deelen. Zij verzocht haren broeder alles in gereedheid te brengen om zoo spoedig mogelijk het „blako ontong” te vieren, waarbij denRadja balawang boelau11alle heil en voorspoed op haar huwelijksbed zoude afgesmeekt worden.
Dat alles werd gezegd met een bekoorlijke zedigheid, maar toch met een zeker vertoon van vreugde, die Johannes verrukte en hem het geluk zijns makkers bijna deed benijden.
Nadat Hamadoe zich verwijderd had, vingen de eigenlijke huwelijksonderhandelingen aan. Johannes begon op den voorgrond te stellen, dat Dohong een vrijgestelde pandeling was, die met weinig of geen aardsche goederen gezegend was, en bijgevolg noch een hoog „palakko”, noch de andere bij het sluiten van een huwelijk te betalen sommen, althans tot een aanzienlijk bedrag, zoude kunnen voldoen. Het „palakko” is een schatting, die de bruidegom aan de ouders of bij gebreke daarvan aan andere familieleden van de bruid betaalt of eigenlijk renteloos leent. Die schatting bedraagt, naarmate van de welgesteldheid des huwelijkscandidaats, van 50 tot 800 gulden, en heeft ten doel dezen in het rechte spoor te houden; want pleegt hij ook maar de geringste ontrouw,[23]dan vervalt die som in eigendom aan zijn vrouw.
Harimaoung Boekit glimlachte bij die mededeeling, greep eenige bamboekokertjes, die met lussen aan den wand hingen, en stelde die zijnen toespreker ter hand, onder mededeeling dat daarin ruim twintig thaëls stofgoud vervat waren en dus meer dan genoeg om aan alle uitgaven het hoofd te bieden.
„Zou ik aarzelen dit goud af te staan om mijn broeder Dohong gelukkig te maken?” sprak het edelmoedige Poenanhoofd. „Ik heb hem mijn lichaam aangeboden; alles wat het mijne is, kan hij het zijne noemen.”
Toen dat geregeld was, werd de dag der plechtigheid bepaald en vastgesteld, dat het huwelijk in verband met de omstandigheden, twee maanden later, in het gebied van Harimaoung Boekit, aan de soengei Miri12gelegen, zoude voltrokken worden. Ter eere van Kadjanka13, den beheerscher van de maan en den beschermer der jonggehuwde vrouwtjes, zou het huwelijk op den dag van volle maan plaats hebben.
„Het is te hopen,” voegde Harimaoung Boekit er bij, „dat de belegeraars lang voor dien tijd zullen afgetrokken zijn.”[24]
1Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.Hambataris de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Diehambataris zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.Kalisiworden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.↑2Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.↑3Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.↑4Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.↑5Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”↑6Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.↑7Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”↑8Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.↑9Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.↑10De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.↑11Radja balawang boelauof de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.↑12De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.↑13Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.↑
1Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.Hambataris de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Diehambataris zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.Kalisiworden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.↑2Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.↑3Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.↑4Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.↑5Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”↑6Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.↑7Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”↑8Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.↑9Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.↑10De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.↑11Radja balawang boelauof de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.↑12De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.↑13Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.↑
1Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.Hambataris de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Diehambataris zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.Kalisiworden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.↑
1Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch. Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige streken aangetroffen.
Hambataris de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve in vermolmd hout gevonden wordt. Diehambataris zeer vet en heeft de dikte en de lengte van een vinger.
Kalisiworden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.↑
2Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.↑
2Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.↑
3Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.↑
3Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den schrijver.↑
4Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.↑
4Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.↑
5Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”↑
5Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”↑
6Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.↑
6Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.↑
7Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”↑
7Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”↑
8Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.↑
8Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur. Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.↑
9Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.↑
9Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd hebt.↑
10De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.↑
10De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de noot gewikkeld zit.↑
11Radja balawang boelauof de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.↑
11Radja balawang boelauof de koning der gouden poort, wordt ook Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van dit werk verhaald worden.↑
12De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.↑
12De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.↑
13Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.↑
13Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.↑