[Inhoud]XXIII.De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.Het geschiedde zooals Johannes voorspeld had. Den volgenden morgen werden de drie vingers der beschuldigden ontbloot en twee daarvan ongeschonden bevonden. Alleen die van den pandeling was deerlijk toegetakeld; het geheele vel bleef aan het windsel hangen. Er viel niet aan te twijfelen, de Sangiangs hadden gesproken. Van een hevigen uitbrander vergezeld, kreeg de schuldige het bevel om binnen den kortst mogelijken tijd het verleide meisje te huwen. De goe gemeente had eerbied voor die onbetwistbare goddelijke tusschenkomst en bewonderde de wijsheid der uitspraak van hun nieuw hoofd. En.… och! de pandeling glimlachte eens; met een flinke vrouw won hij de zekerheid van niet te avond of morgen geslacht te worden. Dat was veel waard, dat moest hij eerlijk bekennen. Dienzelfden dag zag men hem vertrouwvol met zijn uitverkorene onder de schaduw der bosschen in den omtrek der kotta wandelen. Zij scheen met verzachtende hand den ontvelden vinger te verzorgen. Onze Europeanen zagen in, dat er voor iedere wond een pleister bestaat.[117]Intusschen werd voortgegaan met alles voor het vertrek naar soengei Miri in gereedheid te brengen. Evenwel, de levensmiddelen en de munitie stonden gepakt, de kanonnen en de geweren gereed, om slechts opgenomen en aan boord gebracht te worden; de bedrijvigheid gold dan ook nog maar voorzieningen van huishoudelijken aard en de Europeanen hadden in de laatste dagen vrij af. Ieder hunner nam er het zijne van en besteedde den tijd, zooals hem het aangenaamst voorkwam.Wienersdorf had wel willen herboriseeren; maar het kwam hem niet nutteloos voor, wat tijd te besteden zijn aanstaande vrouw, van wie hij al meer en meer begon te houden, voor de Europeesche samenleving te vormen. Wel brachten de Dajaksche gebruiken mede, dat, nu eenmaal de hand van het meisje plechtig gevraagd was, de beide minnenden elkander niet meer mochten zien tot op den dag van het huwelijk, maar, zoowel het gemeenschappelijk leven in die enge kotta, als de beslommeringen voor de reis, maakten het stipt betrachten van dat gebruik nagenoeg onmogelijk. Daarenboven, op de reis zelve zou Dohong voor zijn aanstaande moeten waken; wien zou haar heil meer aan het hart gaan dan hem? Ook meende Harimaoung Boekit, dat niemand alsdan zijn zuster beter zoude kunnen beschermen, dan de dappere Dohong met zijn zoo juist treffend geweer. De scheidsmuur tusschen de geliefden werd dus zoo stipt niet bewaakt en onze Zwitser verzuimde geen oogenblik, om meer en meer met de inborst van haar, met wie hij zich verbinden ging, bekend te raken.Die kennismaking viel niet tegen. Was Hamadoe, wat het uiterlijke betrof, een schoon kind, een parel te noemen, bij onderzoek bleek het, dat haar hart, haar gemoed een diamant van het zuiverste water was, waarvan[118]de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden was. Zij was verstandig, dat zag haar Dohong onmiddellijk, hoewel haar zekere begrippen, tot de eenvoudigste behoorende, vreemd waren; zij was lieftallig en die lieftalligheid kwam in een omlijsting als die harer omgeving nog beter uit. Die ruwheid toch gaf den toets aan van de edelheid van ’s meisjes karakter, dat in zoo’n omgeving ongekrenkt was gebleven. Zij was goed en zachtaardig; o! dat had hij goed opgemerkt. Iedere wreedheid verfoeide zij, ieder noodeloos lijden ging zij tegen zooveel in haar vermogen was; maar ziekelijke weekhartigheid was haar ook vreemd. Zij was de fiere dochter des wouds en als zoodanig was zij bewaard gebleven voor indrukken van de buitenwereld; zij had tot nu toe geen anderen gezichtseinder dan die harer bosschen gehad en de geheele menschheid had zich voor haar nog maar tot den stam bepaald, waartoe zij behoorde. Werden wreedheden, onmenschelijkheden door de leden van dien stam gepleegd, dan wendde zij het hoofd af, onmachtig als zij zich tegenover de zeden harer landgenooten gevoelde, om die gruwelen tegen te gaan. Toch zou zij haar hand niet gereikt hebben aan een man, die zooals men zegt geen vlieg kwaad kon doen. In haar oog moest de man krachtig en onbevangen het zwaard kunnen voeren; zijn vrouw moest in hem een krachtigen steun en een moedig beschermer vinden. Menschenvleesch had zij nimmer geproefd; zelfs eens dat haar een schoteltje met „oetak” (hersenen) aangeboden werd, was zij in onmacht gevallen en deswege hartelijk uitgelachen. Over die zwakheid had zij zich geschaamd, maar toch met zoo’n ernst er op aangedrongen, die aardigheid niet te herhalen, dat zelfs de stompsten het zich voor gezegd hielden.[119]Zij was zedig en kuisch. Niemand van haar omgeving had ooit, ook bij de meest ruwe handeling in haar nabijheid, een verdachten glimlach op haar gelaat, of een blik, die verkeerd kon uitgelegd worden, in haar oogen waargenomen. Zij bewoog zich te midden van de onreinheid, die haar omgaf, als het zwanendons te midden der wateren, zonder er door bespat te worden en zonder dat iets op haar bleef kleven. Hoorde zij in haar omgeving uitdrukkingen, waaromtrent zij geen onwetendheid kon voorwenden, dan bracht de ernst van haar lief gelaat de realisten tot zwijgen; en zoo ver had zij het gebracht, zonder daaromtrent een verzoek te doen of een woord te uiten, dat in haar tegenwoordigheid een kieschheid betracht werd, die anders zelden te midden dier boschmenschen aangetroffen werd. Wanneer zij een der priesteressen ontmoette, dan gaf haar oog te kennen hoezeer de vrouw haar verachtte, die zoo de vrouwelijke eerbaarheid met voeten trad. Nimmer had zij een woord met een dier wezens gewisseld.Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter. Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer verschenen dan behoorlijk[120]bedekt door een badjoe, hoewel haar speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht1.Bij zoo’n ongekunsteldheid waren de gesprekken met haar voor Wienersdorf allerbekoorlijkst. Zij was de onwetendheid zelve; maar zij nam, hetgeen haar verteld werd, tot zich en toonde een zeldzame gemakkelijkheid zich daarmee te vereenzelvigen. Zij was geheel oor, wanneer hij haar van de buitenwereld vertelde, van die buitenwereld, die hij haar zoo schoon afschilderde en waarvan zij niets wist. Wel waren haar broeders te Bandjermasin geweest en hadden daar zooveel betooverends gezien, dat zij onuitputtelijk in hun verhalen waren. Maar wat was Bandjermasin, vergeleken met Soerabaia, met Batavia, met Singapore? En wat waren die plaatsen op hun beurt vergeleken met de steden in het land der blanken? Of hij dan daar geweest was? was haar vraag.Hij aarzelde een oogenblik. Nog wilde hij het mom van Kwala Kapoeasser te zijn, volhouden en reeds was hij op het punt, haar diets te maken, dat hij veelvuldige reizen naar Java gemaakt had, dat hij eens met een zeer groot schip naar denegeri wolandageweest was; maar een blik in haar fraaie oogen, in die oogen, die hem zoo trouwhartig, zoo argeloos aanstaarden, deed hem het pad der veinzerij verlaten. Hij sloeg zijn eenen arm om haar leest, trok haar tot zich en ontblootte zich een der schouders, alwaar de wrijving van het baaitje, dat hij steeds droeg, de katiting,[121]die zijn huid kleurde, afgesleten had en zich zijn blank vel vertoonde.„Olo bapoeti!” (een blank mensch) ontsnapte het meisje met een gesmoorden gil van schrik. Hij hield haar in zijn armen omsloten; een oogenblik zwoegde haar borst onstuimig en hijgde zij naar adem; toen sloeg zij haar schoone armen om zijn hals:„Naughe!” lispelde zij, „ikau tabaliën, akoe langèh, tapi, koeèh pangkabas” (laat het zijn, zoo het wil; gij zijt de ijzerhoutboom, ik het rankgewas; maar beiden te zaam zijn wij zeer sterk).Onstuimig klemde hij haar aan zijn borst.Hij verhaalde haar alsnu, dat hij van de Hollanders weggegaan was, om zijn land weer op te zoeken. Dat begreep zij niet goed. Alle blanke menschen waren Hollanders, meende zij; en het kostte vrij wat moeite, om aan het natuurkind uit te leggen, dat de blanken nog meer verscheidenheden opleverden dan het bruine ras, waarvan zij trouwens alleen maar haar stamgenooten onder de oogen had gehad. Maar zij had medelijden met den man, die zulk een reis ondernomen, zich aan zoo veel ellende blootgesteld had, alleen om zijn geboortegrond terug te zien. Toch had zij ook daarvan geen recht begrip, want volgens haar kon men overal gelukkig zijn. Het gevoel, dat haar zoo deed spreken, was nog zoo onbewust bij haar, dat zij eigenlijk niet begreep, wat zij zeide. Maar hij, hij zamelde die woorden als kostbare parelen van haar lippen op, en van het oogenblik gebruik makende, ontrolde hij voor haar oogen een schildering van de Europeesche samenleving en van de onwaardeerbare voorrechten van de bescherming eener beschaafde maatschappij, die door banden van menschenmin te samen wordt gebonden. Hij verklaarde haar, hoe bloedvergieten daar wordt tegengegaan, waardoor de[122]eene blanke man naast den anderen kon vertoeven, welke veeten ook de verschillende stammen mochten verdeelen. Hij legde haar uit, dat de blanken vrij zijn, dat bij hen geen slaven bestaan, die immer in doodsangst verkeeren, van op gruwelijke manier omgebracht te worden. Hij verklaarde haar het bestaan der blanke vrouw, haar aandeel in den strijd des levens, hoe geheel verschillend haar toestand daar ginds was, waar zij naast haar echtgenoot troonde, een ware gezellin voor hem was, met hier, waar de vrouw niets anders dan het lastdier, de slavin des mans was.Zij hoorde hem aandachtig aan; er ging een wereld voor haar blikken op. Hij verhaalde haar van de prachtige woningen der blanken, zoo verschillend van de krotten, die zij slechts gezien had; hij beschreef haar de Europeesche steden met haar paleizen, haar pleinen, haar gemakkelijke straten, haar kerken, haar schouwburgen, haar wandelplaatsen, haar verlichting, enz. enz.; en deed dat met zulk een wegsleepende vervoering, dat hij een geheele omkeering in dat oorspronkelijk gemoed te weegbracht en wel zoodanig, dat het meisje haar armen aanvallig om zijn hals strengelde, en hem zacht, schier onhoorbaar in het oor ademde, dat zij heentrekken wilde, waar haar Dohong haar voeren zou. Een hartelijke kus weerklonk tot bezegeling van die belofte. Zij smeekte hem evenwel, voorloopig nog geheim te houden, dat hij geen Dajak was; zij nam op zich Harimaoung Boekit haar broeder, daarmede ter gelegener tijd in kennis te stellen.Terwijl de geliefden daar zoo aan het keuvelen waren en allergelukkigste oogenblikken doorleefden, hadden de drie andere Europeanen, ieder op zijn wijze den tijd trachten te dooden. La Cueille, verliefd als hij meende te zijn, had ook wel wat willen vrijen; maar zijner[123]Moendoet was de zorg voor de keuken opgedragen in het huisgezin, waartoe zij behoorde. Hij kwam dus bij zijn aangebedene te pas als het vijfde rad aan een wagen. Daarenboven had zij een knoflook- en peteh-2lucht bij zich, die alles behalve aanlokkelijk was en haar aanbidder tot den aftocht dwong. Pruttelend trok hij af en wilde een wandeling in den omtrek maken, toen hij Schlickeisen ontmoette, die evenzoo verlegen met zijn tijd rondliep, en zich bij hem aansloot. Beide mannen bestegen een djoekoeng, meer om op de rivier wat te spelevaren, dan wel met een bepaald doel om ergens heen te roeien. Zij plasten en ploeterden in het water als twee dartele knapen. Zij zagen Johannes en Harimaoung Boekit ook in een djoekoeng stroom-opwaarts stevenen, maar bekommerden zich daarom niet. Eensklaps kreeg La Cueille een stuk steenkool, dat op den oever lag, in het oog:„Dat is waar ook,” sprak hij, „Johannes heeft mij in der tijd verteld, dat even boven kotta Djankang bij middelbaren stand der rivier een steenkolenader in het oevertalud zichtbaar is. Het is thans laag water; kom, laten we daar heen roeien.”„Mij wel,” antwoordde de Zwitser; „maar me dunkt, ’t zal niet overbodig zijn onze geweren te halen. In dit land is het nooit kwaad, gewapend te zijn.”„We hebben onze mandauw’s”, meende de Waal, „maar ik zal van de gelegenheid gebruik maken, om een pikhouweel en een koevoet mede te nemen.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Weinige oogenblikken later zaten de twee mannen met hun geweren en de gemelde gereedschappen in hun vaartuig en stevenden de[124]rivier op. Zij hadden nog geen half uur langs den rechteroever geroeid, toen er zich een streep als een zwarte draad op de fijne grijze schieferklei, waaruit de vrij steile oever bestond, begon af te teekenen. Die draad nam langzamerhand in dikte toe, deed zich als een lint voor, dat al breeder en breeder werd, en eindelijk een band vertoonde, die met zwakke golvingen in nagenoeg horizontale richting liep en bij zijn grootste uitgebreidheid een breedte van bijna vier M. had. Over een aanmerkelijken afstand, strekte zich die laag noordwaarts uit, verminderde dan allengskens, maar voor dat zij zacht afnemende ten einde liep, zooals zij begonnen was, werd het ganggesteente plotseling afgebroken door een faille, een uitgebreide kalksteenformatie van verblindend witte kleur, die loodrecht als uit de diepte opsteeg.Daar, waar de zwarte band in den kleioever het machtigste voorkwam, stevenden de onderzoekers naar den wal, om van meer nabij te kunnen zien. La Cueille hakte eenige stukken van de zwarte laag af en bevond, dat hij een gang van zuivere steenkool voor zich had. De kool was grijsachtig zwart en mat van kleur. Tusschen de krachtige vingers van den Waal liet zij zich gemakkelijk verbrijzelen en vertoonde een fijn bladerige structuur op de breuk, waarbij evenwel verreweg de meeste stukjes den paralellopipedischen vorm aannamen. De meeste dier verschijnselen waren niet gunstig, maar de gewezen mijnwerker was hier op zijn terrein; hij liet zich zoo gauw niet ontmoedigen. Met zijn pikhouweel gewapend, brak hij door de eerste lagen, die eeuwen lang aan weer, wind en overstrooming waren blootgesteld geweest en, geholpen door Schlickeisen, had hij dan ook weldra het genoegen, een geheel andere soort van steenkool te voorschijn te halen.Maar daarmede nog niet tevreden, klom de Waal tegen[125]den oever op, begaf zich een paar honderd el landwaarts in en, bijgestaan door den Zwitser, begon hij daar, als door zijn mijnwerkers instinct geleid, bij een zichtbare depressie in den bodem, die als een terreinafscheiding vormde, een gat te maken. Met den koevoet en het houweel werd de aarde losgemaakt en met de handen naar buiten geworpen. Deze arbeid had niet veel te beteekenen, daar de grond droog en klonterig was. Binnen een paar uur, was dan ook een put gemaakt, ongeveer twee M. diep, bij een doorsnede van twee maal die maat. De gereedschappen stieten op een dek van zachten bruingrijzen kleisteen, die den Waal aan het juichen bracht. Hij doorbrak die steenlaag; zij had een dikte van ongeveer twee d.M. Hij bekeek het puin, dat te voorschijn werd, gebracht, herkende fijne laagjes klei-ijzersteen en was van nu af zeker van zijn zaak. Het duurde dan ook niet lang, of de eerste klomp steenkool was onder de vereenigde pogingen der beide Europeanen door de ijzeren tanden van pikhouweel en koevoet losgebroken.„O! dat is een ander product dan ginds! daar was ik zeker van,” juichte de Waal.Schlickeisen keek, keek, maar kon geen onderscheid vinden:„Het ziet er net uit als die kolen daar aan de rivier,” mompelde hij.„Met dat onderscheid dat deze soort gitzwart is. En kijk eens hoe glinsterend op de breuk, net een spiegel. Maar wat is dat? die plekken? die gelijken wel op barnsteen! Mijn God, dat zijn harsachtige vlekken, de schitterendste bewijzen, dat het vette steenkolen zijn. Wat een schat! wat een schat!!”De Zwitser zag de opgewondenheid zijns makkers met een glimlach aan. Hij had weinig verstand van mijnzaken,[126]maar kon toch de verrukking des Waals begrijpen en had daar groot genoegen in.„Kom,” riep deze, „laten we een goeden voorraad uitbreken, dan kan ik die steenkool straks probeeren.”En andermaal knarsten de ijzeren tanden der werktuigen onder de krachtige hand van de twee Europeanen in den schoot der aarde, om haar een harer nuttigste en kostbaarste voortbrengselen te ontwoekeren.Wie kan zeggen, wanneer die aangevangen arbeid daar in de verre binnenlanden van Borneo voortgezet zal worden, om den ontdekten schat te vermeesteren? Helaas! een duistere vraag; de omringende bevolking kende de waarde van den schat niet. En zij, die zich heer en meester van het grootste gedeelte van dat eiland noemen, missen de geestkracht om de onmetelijke rijkdommen hunner schoone koloniën naar eisch te exploiteeren.Maar aan zoo iets dachten onze avonturiers in het geheel niet. Zij werkten ijverig en onverpoosd voort; en weldra lagen daar een menigte klompen en verklaarde La Cueille, dat hij voor de proeven, die hij wenschte te nemen, genoeg voorraad had. De meesten dier klompen waren van zulk een afmeting, dat de beide mannen gezamenlijk al hun krachten moesten inspannen om ze in de djoekoeng te brengen.Zoodra zijn schat in de kotta gebracht was, begon de Waal een paar vuren te stoken, om zijn waarnemingen te doen, waarbij Schlickeisen hem stil aan zijn lot overliet en zijns weegs ging. Een drietal uren later, toen de overige Europeanen den Waal opzochten, was hij nog aan den gang en vonden zij hem opgetogen en uitbundig in zijn lof over zijn steenkolen.„Ziet,” riep hij in opgewondenheid uit, „ik heb een hoeveelheid van ongeveer 25 K.G. in stukjes van vier[127]kubieke c.M. geslagen; ik heb die boven eenig fijn gekapt droog hout opgestapeld en dat met wat droge spaanders in brand gestoken. O! je hadt eens moeten zien; mijn steenkolen ontvlamden, zoodra het hout vuur had gevat. Ze brandden levendig en helder voort met een vlam van roodachtig gele kleur, een geelgrijsachtigen rook uitstootende. Van zwavelijzer heb ik geen spoor ontdekt en de reuk van den rook was teerachtig en branderig en deed geen andere bestanddeelen dan die welke een zuivere steenkool samenstellen, onderscheiden. Noch mijn neus noch mijn ademhaling werden door dien rook onaangenaam aangedaan. In al de bekkens van Luik en van Henegouwen zijn waarachtig geen betere steenkolen aanwezig.”De Waal was verrukkelijk in zijn geestdrift. Zijn makkers staarden hem met onverholen verbazing aan. In zoo’n nimbus van geestdrift had hij zich nog niet voor hen voorgedaan. Met den halfgebogen wijsvinger van de linkerhand streek hij zich langs het voorhoofd, om de zweetdroppels, die er op parelden, te doen vallen, en hervatte na diep geademd te hebben:„’t Was een fraai gezicht, hoe die steenkoolbrokken bij het ontvlammen op onderscheidene plaatsen openscheurden, zonder tot gruis te vervallen. Dat gaf aan de brandende stukken een overal bloemkoolachtig uiterlijk en was oorzaak, dat de geheele massa kort na de ontvlamming een weinig opwerkte. Onmiddellijk voor de ontvlamming liet zich een knetterend geluid waarnemen, waarschijnlijk veroorzaakt, door de zich ontwikkelende waterdampen. Nadat de massa goed ontbrand was, heb ik kleine stukjes uit den gloed verwijderd en bleven deze nog geruimen tijd voortbranden, dat een bewijs voor de vetheid dezer steenkolen is. De geheele hoop heeft ruim twee uur lang met een flinke vlam gebrand,[128]waarna het gloeien, dat een langzame verbranding genoemd kan worden, is ingetreden. Dat duurt nualruim drie kwartier en zal nog wel een half uur aanhouden. Ziet, de terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig en van een witte kleur. Van sintelvorming kan ik tot nu toe niets gewaar worden. Nogmaals, dat zijn uitmuntende steenkolen en van zoo goede kwaliteit, als ik er ooit ontmoet heb.”„Zou het gewicht er van te bepalen zijn?” vroeg Wienersdorf.„O!” riep de Waal, overgelukkig over die vraag. „Kijk daar achter je dien kubus. Met behulp van je meetsnoer heb ik dien zoo bekapt. ’t Is zuiver een kubieke d.M. steenkool, raadt eens, wat die weegt.”„Hoe zouden we dat raden kunnen? In allen gevalle lichter dan water; wellicht acht of negenH.G.,” meende Johannes.„Kom laat op je schieten. Dan waren het slechts bruinkolen. Neen, die dobbelsteen weegt 1.26 K.G. ruim. Geloof je ’t niet? daar staat de unster er bij, het nawegen is gemakkelijk. Ik schat, dat de stère 1262,62 K.G. zal halen. Zeg, is dat niet prachtig?”„Voorzeker”, was het lachende antwoord van Johannes, „ik wist niet dat steenkolen zoo zwaar zijn. Het is toch maar versteend hout.”„Vergeet echter niet”, viel Wienersdorf in, „dat die versteening, zoo als je ’t noemt, plaats heeft gehad onder een buitengewoon sterke samendrukking.”„Is het dan geen versteening, dat je er zoo bijvoegt: „zoo als je ’t noemt?””„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden, onder den invloed[129]van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren, vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd, het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke lichaam bewaard is gebleven.”La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te geleerd was.„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld, nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel genoegzaam afgekoeld zijn.”In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.[130]„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig wat die cokes wegen.”En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die, nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De Waal trok een bedenkelijk gezicht.„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.… wacht, daar ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht wel herstellen.… Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij: „Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20 K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is. Wat kan ’t je schelen?”De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes overgebleven zijn.”[131]„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich in de praktijk houden.”„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om dienaangaande gesticht te zijn.”„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”„Hoe zoo?” vroeg deze.„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn alle rijkdommen in dit land vereenigd.”„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor, ofschoon het niet geheel afwezig is.”„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.[132]„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het ijzersmelten dan dat van houtskolen.”„Maar.… bij een machineoven?.…” bracht de Waal er aarzelend uit.„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot BatoeSambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen. Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen, zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”[133]„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort. „Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾ mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op anderhalf pond gedaald, waardoor het getalderomwentelingen aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat het schip geen stuur hield.”„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te voeden; toen ging alles weer goed.”„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”„Dat weet ik niet.”„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den schoorsteen?”„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de schoenzolen van den koksmaat zaten?”Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”[134]„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is, kunnen happen,” lachte Johannes.„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag beantwoorden?”„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij, dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb achtergelaten.”„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op had kunnen houden.”„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden uit, meende hij.”„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den grondslag gelegd heeft.”[135]„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland, meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust, worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet durven bevestigen.”Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde[136]zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het Poenanhoofd te woord.„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij balanceeren liet, „zie, het weegt juist eenboea kajoe.”3„En dat is voor een waarde van hoeveel?”Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea kajoe?”Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd werd en trok dientengevolge de schouders op.„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe waard is.”„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat geraakt.[137]„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet ik niet.”„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot echtgenoot.”Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk, zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf eindelijk ook instemde.„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang twee boea kajoe; begrijp je nu?”„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud. Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden? ’k begrijp er niets van.”„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”De Poenan lachte en antwoordde:[138]„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht, die den „sarok boelau”4hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht; dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door heftige koortsen aangetast zult worden.”„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die komt zal ik haar naar u zenden.”De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh”(rijp goud), had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau manggor” (onrijp goud) moest[139]beschouwd worden, dat ook door zijn bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.[140]1Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.↑2Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.↑3Zie over het goudgewicht de noot op eenvorige bladz.↑4Zie over de zielen der dingen de noot op bladz.51van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.↑
[Inhoud]XXIII.De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.Het geschiedde zooals Johannes voorspeld had. Den volgenden morgen werden de drie vingers der beschuldigden ontbloot en twee daarvan ongeschonden bevonden. Alleen die van den pandeling was deerlijk toegetakeld; het geheele vel bleef aan het windsel hangen. Er viel niet aan te twijfelen, de Sangiangs hadden gesproken. Van een hevigen uitbrander vergezeld, kreeg de schuldige het bevel om binnen den kortst mogelijken tijd het verleide meisje te huwen. De goe gemeente had eerbied voor die onbetwistbare goddelijke tusschenkomst en bewonderde de wijsheid der uitspraak van hun nieuw hoofd. En.… och! de pandeling glimlachte eens; met een flinke vrouw won hij de zekerheid van niet te avond of morgen geslacht te worden. Dat was veel waard, dat moest hij eerlijk bekennen. Dienzelfden dag zag men hem vertrouwvol met zijn uitverkorene onder de schaduw der bosschen in den omtrek der kotta wandelen. Zij scheen met verzachtende hand den ontvelden vinger te verzorgen. Onze Europeanen zagen in, dat er voor iedere wond een pleister bestaat.[117]Intusschen werd voortgegaan met alles voor het vertrek naar soengei Miri in gereedheid te brengen. Evenwel, de levensmiddelen en de munitie stonden gepakt, de kanonnen en de geweren gereed, om slechts opgenomen en aan boord gebracht te worden; de bedrijvigheid gold dan ook nog maar voorzieningen van huishoudelijken aard en de Europeanen hadden in de laatste dagen vrij af. Ieder hunner nam er het zijne van en besteedde den tijd, zooals hem het aangenaamst voorkwam.Wienersdorf had wel willen herboriseeren; maar het kwam hem niet nutteloos voor, wat tijd te besteden zijn aanstaande vrouw, van wie hij al meer en meer begon te houden, voor de Europeesche samenleving te vormen. Wel brachten de Dajaksche gebruiken mede, dat, nu eenmaal de hand van het meisje plechtig gevraagd was, de beide minnenden elkander niet meer mochten zien tot op den dag van het huwelijk, maar, zoowel het gemeenschappelijk leven in die enge kotta, als de beslommeringen voor de reis, maakten het stipt betrachten van dat gebruik nagenoeg onmogelijk. Daarenboven, op de reis zelve zou Dohong voor zijn aanstaande moeten waken; wien zou haar heil meer aan het hart gaan dan hem? Ook meende Harimaoung Boekit, dat niemand alsdan zijn zuster beter zoude kunnen beschermen, dan de dappere Dohong met zijn zoo juist treffend geweer. De scheidsmuur tusschen de geliefden werd dus zoo stipt niet bewaakt en onze Zwitser verzuimde geen oogenblik, om meer en meer met de inborst van haar, met wie hij zich verbinden ging, bekend te raken.Die kennismaking viel niet tegen. Was Hamadoe, wat het uiterlijke betrof, een schoon kind, een parel te noemen, bij onderzoek bleek het, dat haar hart, haar gemoed een diamant van het zuiverste water was, waarvan[118]de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden was. Zij was verstandig, dat zag haar Dohong onmiddellijk, hoewel haar zekere begrippen, tot de eenvoudigste behoorende, vreemd waren; zij was lieftallig en die lieftalligheid kwam in een omlijsting als die harer omgeving nog beter uit. Die ruwheid toch gaf den toets aan van de edelheid van ’s meisjes karakter, dat in zoo’n omgeving ongekrenkt was gebleven. Zij was goed en zachtaardig; o! dat had hij goed opgemerkt. Iedere wreedheid verfoeide zij, ieder noodeloos lijden ging zij tegen zooveel in haar vermogen was; maar ziekelijke weekhartigheid was haar ook vreemd. Zij was de fiere dochter des wouds en als zoodanig was zij bewaard gebleven voor indrukken van de buitenwereld; zij had tot nu toe geen anderen gezichtseinder dan die harer bosschen gehad en de geheele menschheid had zich voor haar nog maar tot den stam bepaald, waartoe zij behoorde. Werden wreedheden, onmenschelijkheden door de leden van dien stam gepleegd, dan wendde zij het hoofd af, onmachtig als zij zich tegenover de zeden harer landgenooten gevoelde, om die gruwelen tegen te gaan. Toch zou zij haar hand niet gereikt hebben aan een man, die zooals men zegt geen vlieg kwaad kon doen. In haar oog moest de man krachtig en onbevangen het zwaard kunnen voeren; zijn vrouw moest in hem een krachtigen steun en een moedig beschermer vinden. Menschenvleesch had zij nimmer geproefd; zelfs eens dat haar een schoteltje met „oetak” (hersenen) aangeboden werd, was zij in onmacht gevallen en deswege hartelijk uitgelachen. Over die zwakheid had zij zich geschaamd, maar toch met zoo’n ernst er op aangedrongen, die aardigheid niet te herhalen, dat zelfs de stompsten het zich voor gezegd hielden.[119]Zij was zedig en kuisch. Niemand van haar omgeving had ooit, ook bij de meest ruwe handeling in haar nabijheid, een verdachten glimlach op haar gelaat, of een blik, die verkeerd kon uitgelegd worden, in haar oogen waargenomen. Zij bewoog zich te midden van de onreinheid, die haar omgaf, als het zwanendons te midden der wateren, zonder er door bespat te worden en zonder dat iets op haar bleef kleven. Hoorde zij in haar omgeving uitdrukkingen, waaromtrent zij geen onwetendheid kon voorwenden, dan bracht de ernst van haar lief gelaat de realisten tot zwijgen; en zoo ver had zij het gebracht, zonder daaromtrent een verzoek te doen of een woord te uiten, dat in haar tegenwoordigheid een kieschheid betracht werd, die anders zelden te midden dier boschmenschen aangetroffen werd. Wanneer zij een der priesteressen ontmoette, dan gaf haar oog te kennen hoezeer de vrouw haar verachtte, die zoo de vrouwelijke eerbaarheid met voeten trad. Nimmer had zij een woord met een dier wezens gewisseld.Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter. Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer verschenen dan behoorlijk[120]bedekt door een badjoe, hoewel haar speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht1.Bij zoo’n ongekunsteldheid waren de gesprekken met haar voor Wienersdorf allerbekoorlijkst. Zij was de onwetendheid zelve; maar zij nam, hetgeen haar verteld werd, tot zich en toonde een zeldzame gemakkelijkheid zich daarmee te vereenzelvigen. Zij was geheel oor, wanneer hij haar van de buitenwereld vertelde, van die buitenwereld, die hij haar zoo schoon afschilderde en waarvan zij niets wist. Wel waren haar broeders te Bandjermasin geweest en hadden daar zooveel betooverends gezien, dat zij onuitputtelijk in hun verhalen waren. Maar wat was Bandjermasin, vergeleken met Soerabaia, met Batavia, met Singapore? En wat waren die plaatsen op hun beurt vergeleken met de steden in het land der blanken? Of hij dan daar geweest was? was haar vraag.Hij aarzelde een oogenblik. Nog wilde hij het mom van Kwala Kapoeasser te zijn, volhouden en reeds was hij op het punt, haar diets te maken, dat hij veelvuldige reizen naar Java gemaakt had, dat hij eens met een zeer groot schip naar denegeri wolandageweest was; maar een blik in haar fraaie oogen, in die oogen, die hem zoo trouwhartig, zoo argeloos aanstaarden, deed hem het pad der veinzerij verlaten. Hij sloeg zijn eenen arm om haar leest, trok haar tot zich en ontblootte zich een der schouders, alwaar de wrijving van het baaitje, dat hij steeds droeg, de katiting,[121]die zijn huid kleurde, afgesleten had en zich zijn blank vel vertoonde.„Olo bapoeti!” (een blank mensch) ontsnapte het meisje met een gesmoorden gil van schrik. Hij hield haar in zijn armen omsloten; een oogenblik zwoegde haar borst onstuimig en hijgde zij naar adem; toen sloeg zij haar schoone armen om zijn hals:„Naughe!” lispelde zij, „ikau tabaliën, akoe langèh, tapi, koeèh pangkabas” (laat het zijn, zoo het wil; gij zijt de ijzerhoutboom, ik het rankgewas; maar beiden te zaam zijn wij zeer sterk).Onstuimig klemde hij haar aan zijn borst.Hij verhaalde haar alsnu, dat hij van de Hollanders weggegaan was, om zijn land weer op te zoeken. Dat begreep zij niet goed. Alle blanke menschen waren Hollanders, meende zij; en het kostte vrij wat moeite, om aan het natuurkind uit te leggen, dat de blanken nog meer verscheidenheden opleverden dan het bruine ras, waarvan zij trouwens alleen maar haar stamgenooten onder de oogen had gehad. Maar zij had medelijden met den man, die zulk een reis ondernomen, zich aan zoo veel ellende blootgesteld had, alleen om zijn geboortegrond terug te zien. Toch had zij ook daarvan geen recht begrip, want volgens haar kon men overal gelukkig zijn. Het gevoel, dat haar zoo deed spreken, was nog zoo onbewust bij haar, dat zij eigenlijk niet begreep, wat zij zeide. Maar hij, hij zamelde die woorden als kostbare parelen van haar lippen op, en van het oogenblik gebruik makende, ontrolde hij voor haar oogen een schildering van de Europeesche samenleving en van de onwaardeerbare voorrechten van de bescherming eener beschaafde maatschappij, die door banden van menschenmin te samen wordt gebonden. Hij verklaarde haar, hoe bloedvergieten daar wordt tegengegaan, waardoor de[122]eene blanke man naast den anderen kon vertoeven, welke veeten ook de verschillende stammen mochten verdeelen. Hij legde haar uit, dat de blanken vrij zijn, dat bij hen geen slaven bestaan, die immer in doodsangst verkeeren, van op gruwelijke manier omgebracht te worden. Hij verklaarde haar het bestaan der blanke vrouw, haar aandeel in den strijd des levens, hoe geheel verschillend haar toestand daar ginds was, waar zij naast haar echtgenoot troonde, een ware gezellin voor hem was, met hier, waar de vrouw niets anders dan het lastdier, de slavin des mans was.Zij hoorde hem aandachtig aan; er ging een wereld voor haar blikken op. Hij verhaalde haar van de prachtige woningen der blanken, zoo verschillend van de krotten, die zij slechts gezien had; hij beschreef haar de Europeesche steden met haar paleizen, haar pleinen, haar gemakkelijke straten, haar kerken, haar schouwburgen, haar wandelplaatsen, haar verlichting, enz. enz.; en deed dat met zulk een wegsleepende vervoering, dat hij een geheele omkeering in dat oorspronkelijk gemoed te weegbracht en wel zoodanig, dat het meisje haar armen aanvallig om zijn hals strengelde, en hem zacht, schier onhoorbaar in het oor ademde, dat zij heentrekken wilde, waar haar Dohong haar voeren zou. Een hartelijke kus weerklonk tot bezegeling van die belofte. Zij smeekte hem evenwel, voorloopig nog geheim te houden, dat hij geen Dajak was; zij nam op zich Harimaoung Boekit haar broeder, daarmede ter gelegener tijd in kennis te stellen.Terwijl de geliefden daar zoo aan het keuvelen waren en allergelukkigste oogenblikken doorleefden, hadden de drie andere Europeanen, ieder op zijn wijze den tijd trachten te dooden. La Cueille, verliefd als hij meende te zijn, had ook wel wat willen vrijen; maar zijner[123]Moendoet was de zorg voor de keuken opgedragen in het huisgezin, waartoe zij behoorde. Hij kwam dus bij zijn aangebedene te pas als het vijfde rad aan een wagen. Daarenboven had zij een knoflook- en peteh-2lucht bij zich, die alles behalve aanlokkelijk was en haar aanbidder tot den aftocht dwong. Pruttelend trok hij af en wilde een wandeling in den omtrek maken, toen hij Schlickeisen ontmoette, die evenzoo verlegen met zijn tijd rondliep, en zich bij hem aansloot. Beide mannen bestegen een djoekoeng, meer om op de rivier wat te spelevaren, dan wel met een bepaald doel om ergens heen te roeien. Zij plasten en ploeterden in het water als twee dartele knapen. Zij zagen Johannes en Harimaoung Boekit ook in een djoekoeng stroom-opwaarts stevenen, maar bekommerden zich daarom niet. Eensklaps kreeg La Cueille een stuk steenkool, dat op den oever lag, in het oog:„Dat is waar ook,” sprak hij, „Johannes heeft mij in der tijd verteld, dat even boven kotta Djankang bij middelbaren stand der rivier een steenkolenader in het oevertalud zichtbaar is. Het is thans laag water; kom, laten we daar heen roeien.”„Mij wel,” antwoordde de Zwitser; „maar me dunkt, ’t zal niet overbodig zijn onze geweren te halen. In dit land is het nooit kwaad, gewapend te zijn.”„We hebben onze mandauw’s”, meende de Waal, „maar ik zal van de gelegenheid gebruik maken, om een pikhouweel en een koevoet mede te nemen.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Weinige oogenblikken later zaten de twee mannen met hun geweren en de gemelde gereedschappen in hun vaartuig en stevenden de[124]rivier op. Zij hadden nog geen half uur langs den rechteroever geroeid, toen er zich een streep als een zwarte draad op de fijne grijze schieferklei, waaruit de vrij steile oever bestond, begon af te teekenen. Die draad nam langzamerhand in dikte toe, deed zich als een lint voor, dat al breeder en breeder werd, en eindelijk een band vertoonde, die met zwakke golvingen in nagenoeg horizontale richting liep en bij zijn grootste uitgebreidheid een breedte van bijna vier M. had. Over een aanmerkelijken afstand, strekte zich die laag noordwaarts uit, verminderde dan allengskens, maar voor dat zij zacht afnemende ten einde liep, zooals zij begonnen was, werd het ganggesteente plotseling afgebroken door een faille, een uitgebreide kalksteenformatie van verblindend witte kleur, die loodrecht als uit de diepte opsteeg.Daar, waar de zwarte band in den kleioever het machtigste voorkwam, stevenden de onderzoekers naar den wal, om van meer nabij te kunnen zien. La Cueille hakte eenige stukken van de zwarte laag af en bevond, dat hij een gang van zuivere steenkool voor zich had. De kool was grijsachtig zwart en mat van kleur. Tusschen de krachtige vingers van den Waal liet zij zich gemakkelijk verbrijzelen en vertoonde een fijn bladerige structuur op de breuk, waarbij evenwel verreweg de meeste stukjes den paralellopipedischen vorm aannamen. De meeste dier verschijnselen waren niet gunstig, maar de gewezen mijnwerker was hier op zijn terrein; hij liet zich zoo gauw niet ontmoedigen. Met zijn pikhouweel gewapend, brak hij door de eerste lagen, die eeuwen lang aan weer, wind en overstrooming waren blootgesteld geweest en, geholpen door Schlickeisen, had hij dan ook weldra het genoegen, een geheel andere soort van steenkool te voorschijn te halen.Maar daarmede nog niet tevreden, klom de Waal tegen[125]den oever op, begaf zich een paar honderd el landwaarts in en, bijgestaan door den Zwitser, begon hij daar, als door zijn mijnwerkers instinct geleid, bij een zichtbare depressie in den bodem, die als een terreinafscheiding vormde, een gat te maken. Met den koevoet en het houweel werd de aarde losgemaakt en met de handen naar buiten geworpen. Deze arbeid had niet veel te beteekenen, daar de grond droog en klonterig was. Binnen een paar uur, was dan ook een put gemaakt, ongeveer twee M. diep, bij een doorsnede van twee maal die maat. De gereedschappen stieten op een dek van zachten bruingrijzen kleisteen, die den Waal aan het juichen bracht. Hij doorbrak die steenlaag; zij had een dikte van ongeveer twee d.M. Hij bekeek het puin, dat te voorschijn werd, gebracht, herkende fijne laagjes klei-ijzersteen en was van nu af zeker van zijn zaak. Het duurde dan ook niet lang, of de eerste klomp steenkool was onder de vereenigde pogingen der beide Europeanen door de ijzeren tanden van pikhouweel en koevoet losgebroken.„O! dat is een ander product dan ginds! daar was ik zeker van,” juichte de Waal.Schlickeisen keek, keek, maar kon geen onderscheid vinden:„Het ziet er net uit als die kolen daar aan de rivier,” mompelde hij.„Met dat onderscheid dat deze soort gitzwart is. En kijk eens hoe glinsterend op de breuk, net een spiegel. Maar wat is dat? die plekken? die gelijken wel op barnsteen! Mijn God, dat zijn harsachtige vlekken, de schitterendste bewijzen, dat het vette steenkolen zijn. Wat een schat! wat een schat!!”De Zwitser zag de opgewondenheid zijns makkers met een glimlach aan. Hij had weinig verstand van mijnzaken,[126]maar kon toch de verrukking des Waals begrijpen en had daar groot genoegen in.„Kom,” riep deze, „laten we een goeden voorraad uitbreken, dan kan ik die steenkool straks probeeren.”En andermaal knarsten de ijzeren tanden der werktuigen onder de krachtige hand van de twee Europeanen in den schoot der aarde, om haar een harer nuttigste en kostbaarste voortbrengselen te ontwoekeren.Wie kan zeggen, wanneer die aangevangen arbeid daar in de verre binnenlanden van Borneo voortgezet zal worden, om den ontdekten schat te vermeesteren? Helaas! een duistere vraag; de omringende bevolking kende de waarde van den schat niet. En zij, die zich heer en meester van het grootste gedeelte van dat eiland noemen, missen de geestkracht om de onmetelijke rijkdommen hunner schoone koloniën naar eisch te exploiteeren.Maar aan zoo iets dachten onze avonturiers in het geheel niet. Zij werkten ijverig en onverpoosd voort; en weldra lagen daar een menigte klompen en verklaarde La Cueille, dat hij voor de proeven, die hij wenschte te nemen, genoeg voorraad had. De meesten dier klompen waren van zulk een afmeting, dat de beide mannen gezamenlijk al hun krachten moesten inspannen om ze in de djoekoeng te brengen.Zoodra zijn schat in de kotta gebracht was, begon de Waal een paar vuren te stoken, om zijn waarnemingen te doen, waarbij Schlickeisen hem stil aan zijn lot overliet en zijns weegs ging. Een drietal uren later, toen de overige Europeanen den Waal opzochten, was hij nog aan den gang en vonden zij hem opgetogen en uitbundig in zijn lof over zijn steenkolen.„Ziet,” riep hij in opgewondenheid uit, „ik heb een hoeveelheid van ongeveer 25 K.G. in stukjes van vier[127]kubieke c.M. geslagen; ik heb die boven eenig fijn gekapt droog hout opgestapeld en dat met wat droge spaanders in brand gestoken. O! je hadt eens moeten zien; mijn steenkolen ontvlamden, zoodra het hout vuur had gevat. Ze brandden levendig en helder voort met een vlam van roodachtig gele kleur, een geelgrijsachtigen rook uitstootende. Van zwavelijzer heb ik geen spoor ontdekt en de reuk van den rook was teerachtig en branderig en deed geen andere bestanddeelen dan die welke een zuivere steenkool samenstellen, onderscheiden. Noch mijn neus noch mijn ademhaling werden door dien rook onaangenaam aangedaan. In al de bekkens van Luik en van Henegouwen zijn waarachtig geen betere steenkolen aanwezig.”De Waal was verrukkelijk in zijn geestdrift. Zijn makkers staarden hem met onverholen verbazing aan. In zoo’n nimbus van geestdrift had hij zich nog niet voor hen voorgedaan. Met den halfgebogen wijsvinger van de linkerhand streek hij zich langs het voorhoofd, om de zweetdroppels, die er op parelden, te doen vallen, en hervatte na diep geademd te hebben:„’t Was een fraai gezicht, hoe die steenkoolbrokken bij het ontvlammen op onderscheidene plaatsen openscheurden, zonder tot gruis te vervallen. Dat gaf aan de brandende stukken een overal bloemkoolachtig uiterlijk en was oorzaak, dat de geheele massa kort na de ontvlamming een weinig opwerkte. Onmiddellijk voor de ontvlamming liet zich een knetterend geluid waarnemen, waarschijnlijk veroorzaakt, door de zich ontwikkelende waterdampen. Nadat de massa goed ontbrand was, heb ik kleine stukjes uit den gloed verwijderd en bleven deze nog geruimen tijd voortbranden, dat een bewijs voor de vetheid dezer steenkolen is. De geheele hoop heeft ruim twee uur lang met een flinke vlam gebrand,[128]waarna het gloeien, dat een langzame verbranding genoemd kan worden, is ingetreden. Dat duurt nualruim drie kwartier en zal nog wel een half uur aanhouden. Ziet, de terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig en van een witte kleur. Van sintelvorming kan ik tot nu toe niets gewaar worden. Nogmaals, dat zijn uitmuntende steenkolen en van zoo goede kwaliteit, als ik er ooit ontmoet heb.”„Zou het gewicht er van te bepalen zijn?” vroeg Wienersdorf.„O!” riep de Waal, overgelukkig over die vraag. „Kijk daar achter je dien kubus. Met behulp van je meetsnoer heb ik dien zoo bekapt. ’t Is zuiver een kubieke d.M. steenkool, raadt eens, wat die weegt.”„Hoe zouden we dat raden kunnen? In allen gevalle lichter dan water; wellicht acht of negenH.G.,” meende Johannes.„Kom laat op je schieten. Dan waren het slechts bruinkolen. Neen, die dobbelsteen weegt 1.26 K.G. ruim. Geloof je ’t niet? daar staat de unster er bij, het nawegen is gemakkelijk. Ik schat, dat de stère 1262,62 K.G. zal halen. Zeg, is dat niet prachtig?”„Voorzeker”, was het lachende antwoord van Johannes, „ik wist niet dat steenkolen zoo zwaar zijn. Het is toch maar versteend hout.”„Vergeet echter niet”, viel Wienersdorf in, „dat die versteening, zoo als je ’t noemt, plaats heeft gehad onder een buitengewoon sterke samendrukking.”„Is het dan geen versteening, dat je er zoo bijvoegt: „zoo als je ’t noemt?””„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden, onder den invloed[129]van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren, vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd, het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke lichaam bewaard is gebleven.”La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te geleerd was.„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld, nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel genoegzaam afgekoeld zijn.”In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.[130]„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig wat die cokes wegen.”En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die, nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De Waal trok een bedenkelijk gezicht.„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.… wacht, daar ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht wel herstellen.… Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij: „Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20 K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is. Wat kan ’t je schelen?”De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes overgebleven zijn.”[131]„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich in de praktijk houden.”„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om dienaangaande gesticht te zijn.”„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”„Hoe zoo?” vroeg deze.„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn alle rijkdommen in dit land vereenigd.”„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor, ofschoon het niet geheel afwezig is.”„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.[132]„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het ijzersmelten dan dat van houtskolen.”„Maar.… bij een machineoven?.…” bracht de Waal er aarzelend uit.„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot BatoeSambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen. Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen, zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”[133]„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort. „Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾ mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op anderhalf pond gedaald, waardoor het getalderomwentelingen aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat het schip geen stuur hield.”„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te voeden; toen ging alles weer goed.”„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”„Dat weet ik niet.”„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den schoorsteen?”„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de schoenzolen van den koksmaat zaten?”Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”[134]„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is, kunnen happen,” lachte Johannes.„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag beantwoorden?”„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij, dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb achtergelaten.”„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op had kunnen houden.”„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden uit, meende hij.”„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den grondslag gelegd heeft.”[135]„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland, meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust, worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet durven bevestigen.”Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde[136]zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het Poenanhoofd te woord.„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij balanceeren liet, „zie, het weegt juist eenboea kajoe.”3„En dat is voor een waarde van hoeveel?”Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea kajoe?”Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd werd en trok dientengevolge de schouders op.„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe waard is.”„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat geraakt.[137]„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet ik niet.”„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot echtgenoot.”Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk, zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf eindelijk ook instemde.„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang twee boea kajoe; begrijp je nu?”„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud. Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden? ’k begrijp er niets van.”„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”De Poenan lachte en antwoordde:[138]„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht, die den „sarok boelau”4hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht; dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door heftige koortsen aangetast zult worden.”„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die komt zal ik haar naar u zenden.”De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh”(rijp goud), had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau manggor” (onrijp goud) moest[139]beschouwd worden, dat ook door zijn bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.[140]1Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.↑2Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.↑3Zie over het goudgewicht de noot op eenvorige bladz.↑4Zie over de zielen der dingen de noot op bladz.51van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.↑
XXIII.De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.
De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.
De uitspraak der Sangiangs.—Wienersdorf en zijn aanstaande.—Hamadoe een diamant.—Moendoet in de keuken.—De steenkolen bij kotta Djankang.—De proeven van La Cueille.—Zijn cokes.—De steenkolen aan boord van de Boni.—De verspreiding der steenkolen op Borneo.—Een misverstand.—De goudzoekers.—De „sarok-boelau” vertoornd.—Johannes over de koorts beschikkende.—De goudsoorten in de Dajaklanden.
Het geschiedde zooals Johannes voorspeld had. Den volgenden morgen werden de drie vingers der beschuldigden ontbloot en twee daarvan ongeschonden bevonden. Alleen die van den pandeling was deerlijk toegetakeld; het geheele vel bleef aan het windsel hangen. Er viel niet aan te twijfelen, de Sangiangs hadden gesproken. Van een hevigen uitbrander vergezeld, kreeg de schuldige het bevel om binnen den kortst mogelijken tijd het verleide meisje te huwen. De goe gemeente had eerbied voor die onbetwistbare goddelijke tusschenkomst en bewonderde de wijsheid der uitspraak van hun nieuw hoofd. En.… och! de pandeling glimlachte eens; met een flinke vrouw won hij de zekerheid van niet te avond of morgen geslacht te worden. Dat was veel waard, dat moest hij eerlijk bekennen. Dienzelfden dag zag men hem vertrouwvol met zijn uitverkorene onder de schaduw der bosschen in den omtrek der kotta wandelen. Zij scheen met verzachtende hand den ontvelden vinger te verzorgen. Onze Europeanen zagen in, dat er voor iedere wond een pleister bestaat.[117]Intusschen werd voortgegaan met alles voor het vertrek naar soengei Miri in gereedheid te brengen. Evenwel, de levensmiddelen en de munitie stonden gepakt, de kanonnen en de geweren gereed, om slechts opgenomen en aan boord gebracht te worden; de bedrijvigheid gold dan ook nog maar voorzieningen van huishoudelijken aard en de Europeanen hadden in de laatste dagen vrij af. Ieder hunner nam er het zijne van en besteedde den tijd, zooals hem het aangenaamst voorkwam.Wienersdorf had wel willen herboriseeren; maar het kwam hem niet nutteloos voor, wat tijd te besteden zijn aanstaande vrouw, van wie hij al meer en meer begon te houden, voor de Europeesche samenleving te vormen. Wel brachten de Dajaksche gebruiken mede, dat, nu eenmaal de hand van het meisje plechtig gevraagd was, de beide minnenden elkander niet meer mochten zien tot op den dag van het huwelijk, maar, zoowel het gemeenschappelijk leven in die enge kotta, als de beslommeringen voor de reis, maakten het stipt betrachten van dat gebruik nagenoeg onmogelijk. Daarenboven, op de reis zelve zou Dohong voor zijn aanstaande moeten waken; wien zou haar heil meer aan het hart gaan dan hem? Ook meende Harimaoung Boekit, dat niemand alsdan zijn zuster beter zoude kunnen beschermen, dan de dappere Dohong met zijn zoo juist treffend geweer. De scheidsmuur tusschen de geliefden werd dus zoo stipt niet bewaakt en onze Zwitser verzuimde geen oogenblik, om meer en meer met de inborst van haar, met wie hij zich verbinden ging, bekend te raken.Die kennismaking viel niet tegen. Was Hamadoe, wat het uiterlijke betrof, een schoon kind, een parel te noemen, bij onderzoek bleek het, dat haar hart, haar gemoed een diamant van het zuiverste water was, waarvan[118]de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden was. Zij was verstandig, dat zag haar Dohong onmiddellijk, hoewel haar zekere begrippen, tot de eenvoudigste behoorende, vreemd waren; zij was lieftallig en die lieftalligheid kwam in een omlijsting als die harer omgeving nog beter uit. Die ruwheid toch gaf den toets aan van de edelheid van ’s meisjes karakter, dat in zoo’n omgeving ongekrenkt was gebleven. Zij was goed en zachtaardig; o! dat had hij goed opgemerkt. Iedere wreedheid verfoeide zij, ieder noodeloos lijden ging zij tegen zooveel in haar vermogen was; maar ziekelijke weekhartigheid was haar ook vreemd. Zij was de fiere dochter des wouds en als zoodanig was zij bewaard gebleven voor indrukken van de buitenwereld; zij had tot nu toe geen anderen gezichtseinder dan die harer bosschen gehad en de geheele menschheid had zich voor haar nog maar tot den stam bepaald, waartoe zij behoorde. Werden wreedheden, onmenschelijkheden door de leden van dien stam gepleegd, dan wendde zij het hoofd af, onmachtig als zij zich tegenover de zeden harer landgenooten gevoelde, om die gruwelen tegen te gaan. Toch zou zij haar hand niet gereikt hebben aan een man, die zooals men zegt geen vlieg kwaad kon doen. In haar oog moest de man krachtig en onbevangen het zwaard kunnen voeren; zijn vrouw moest in hem een krachtigen steun en een moedig beschermer vinden. Menschenvleesch had zij nimmer geproefd; zelfs eens dat haar een schoteltje met „oetak” (hersenen) aangeboden werd, was zij in onmacht gevallen en deswege hartelijk uitgelachen. Over die zwakheid had zij zich geschaamd, maar toch met zoo’n ernst er op aangedrongen, die aardigheid niet te herhalen, dat zelfs de stompsten het zich voor gezegd hielden.[119]Zij was zedig en kuisch. Niemand van haar omgeving had ooit, ook bij de meest ruwe handeling in haar nabijheid, een verdachten glimlach op haar gelaat, of een blik, die verkeerd kon uitgelegd worden, in haar oogen waargenomen. Zij bewoog zich te midden van de onreinheid, die haar omgaf, als het zwanendons te midden der wateren, zonder er door bespat te worden en zonder dat iets op haar bleef kleven. Hoorde zij in haar omgeving uitdrukkingen, waaromtrent zij geen onwetendheid kon voorwenden, dan bracht de ernst van haar lief gelaat de realisten tot zwijgen; en zoo ver had zij het gebracht, zonder daaromtrent een verzoek te doen of een woord te uiten, dat in haar tegenwoordigheid een kieschheid betracht werd, die anders zelden te midden dier boschmenschen aangetroffen werd. Wanneer zij een der priesteressen ontmoette, dan gaf haar oog te kennen hoezeer de vrouw haar verachtte, die zoo de vrouwelijke eerbaarheid met voeten trad. Nimmer had zij een woord met een dier wezens gewisseld.Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter. Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer verschenen dan behoorlijk[120]bedekt door een badjoe, hoewel haar speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht1.Bij zoo’n ongekunsteldheid waren de gesprekken met haar voor Wienersdorf allerbekoorlijkst. Zij was de onwetendheid zelve; maar zij nam, hetgeen haar verteld werd, tot zich en toonde een zeldzame gemakkelijkheid zich daarmee te vereenzelvigen. Zij was geheel oor, wanneer hij haar van de buitenwereld vertelde, van die buitenwereld, die hij haar zoo schoon afschilderde en waarvan zij niets wist. Wel waren haar broeders te Bandjermasin geweest en hadden daar zooveel betooverends gezien, dat zij onuitputtelijk in hun verhalen waren. Maar wat was Bandjermasin, vergeleken met Soerabaia, met Batavia, met Singapore? En wat waren die plaatsen op hun beurt vergeleken met de steden in het land der blanken? Of hij dan daar geweest was? was haar vraag.Hij aarzelde een oogenblik. Nog wilde hij het mom van Kwala Kapoeasser te zijn, volhouden en reeds was hij op het punt, haar diets te maken, dat hij veelvuldige reizen naar Java gemaakt had, dat hij eens met een zeer groot schip naar denegeri wolandageweest was; maar een blik in haar fraaie oogen, in die oogen, die hem zoo trouwhartig, zoo argeloos aanstaarden, deed hem het pad der veinzerij verlaten. Hij sloeg zijn eenen arm om haar leest, trok haar tot zich en ontblootte zich een der schouders, alwaar de wrijving van het baaitje, dat hij steeds droeg, de katiting,[121]die zijn huid kleurde, afgesleten had en zich zijn blank vel vertoonde.„Olo bapoeti!” (een blank mensch) ontsnapte het meisje met een gesmoorden gil van schrik. Hij hield haar in zijn armen omsloten; een oogenblik zwoegde haar borst onstuimig en hijgde zij naar adem; toen sloeg zij haar schoone armen om zijn hals:„Naughe!” lispelde zij, „ikau tabaliën, akoe langèh, tapi, koeèh pangkabas” (laat het zijn, zoo het wil; gij zijt de ijzerhoutboom, ik het rankgewas; maar beiden te zaam zijn wij zeer sterk).Onstuimig klemde hij haar aan zijn borst.Hij verhaalde haar alsnu, dat hij van de Hollanders weggegaan was, om zijn land weer op te zoeken. Dat begreep zij niet goed. Alle blanke menschen waren Hollanders, meende zij; en het kostte vrij wat moeite, om aan het natuurkind uit te leggen, dat de blanken nog meer verscheidenheden opleverden dan het bruine ras, waarvan zij trouwens alleen maar haar stamgenooten onder de oogen had gehad. Maar zij had medelijden met den man, die zulk een reis ondernomen, zich aan zoo veel ellende blootgesteld had, alleen om zijn geboortegrond terug te zien. Toch had zij ook daarvan geen recht begrip, want volgens haar kon men overal gelukkig zijn. Het gevoel, dat haar zoo deed spreken, was nog zoo onbewust bij haar, dat zij eigenlijk niet begreep, wat zij zeide. Maar hij, hij zamelde die woorden als kostbare parelen van haar lippen op, en van het oogenblik gebruik makende, ontrolde hij voor haar oogen een schildering van de Europeesche samenleving en van de onwaardeerbare voorrechten van de bescherming eener beschaafde maatschappij, die door banden van menschenmin te samen wordt gebonden. Hij verklaarde haar, hoe bloedvergieten daar wordt tegengegaan, waardoor de[122]eene blanke man naast den anderen kon vertoeven, welke veeten ook de verschillende stammen mochten verdeelen. Hij legde haar uit, dat de blanken vrij zijn, dat bij hen geen slaven bestaan, die immer in doodsangst verkeeren, van op gruwelijke manier omgebracht te worden. Hij verklaarde haar het bestaan der blanke vrouw, haar aandeel in den strijd des levens, hoe geheel verschillend haar toestand daar ginds was, waar zij naast haar echtgenoot troonde, een ware gezellin voor hem was, met hier, waar de vrouw niets anders dan het lastdier, de slavin des mans was.Zij hoorde hem aandachtig aan; er ging een wereld voor haar blikken op. Hij verhaalde haar van de prachtige woningen der blanken, zoo verschillend van de krotten, die zij slechts gezien had; hij beschreef haar de Europeesche steden met haar paleizen, haar pleinen, haar gemakkelijke straten, haar kerken, haar schouwburgen, haar wandelplaatsen, haar verlichting, enz. enz.; en deed dat met zulk een wegsleepende vervoering, dat hij een geheele omkeering in dat oorspronkelijk gemoed te weegbracht en wel zoodanig, dat het meisje haar armen aanvallig om zijn hals strengelde, en hem zacht, schier onhoorbaar in het oor ademde, dat zij heentrekken wilde, waar haar Dohong haar voeren zou. Een hartelijke kus weerklonk tot bezegeling van die belofte. Zij smeekte hem evenwel, voorloopig nog geheim te houden, dat hij geen Dajak was; zij nam op zich Harimaoung Boekit haar broeder, daarmede ter gelegener tijd in kennis te stellen.Terwijl de geliefden daar zoo aan het keuvelen waren en allergelukkigste oogenblikken doorleefden, hadden de drie andere Europeanen, ieder op zijn wijze den tijd trachten te dooden. La Cueille, verliefd als hij meende te zijn, had ook wel wat willen vrijen; maar zijner[123]Moendoet was de zorg voor de keuken opgedragen in het huisgezin, waartoe zij behoorde. Hij kwam dus bij zijn aangebedene te pas als het vijfde rad aan een wagen. Daarenboven had zij een knoflook- en peteh-2lucht bij zich, die alles behalve aanlokkelijk was en haar aanbidder tot den aftocht dwong. Pruttelend trok hij af en wilde een wandeling in den omtrek maken, toen hij Schlickeisen ontmoette, die evenzoo verlegen met zijn tijd rondliep, en zich bij hem aansloot. Beide mannen bestegen een djoekoeng, meer om op de rivier wat te spelevaren, dan wel met een bepaald doel om ergens heen te roeien. Zij plasten en ploeterden in het water als twee dartele knapen. Zij zagen Johannes en Harimaoung Boekit ook in een djoekoeng stroom-opwaarts stevenen, maar bekommerden zich daarom niet. Eensklaps kreeg La Cueille een stuk steenkool, dat op den oever lag, in het oog:„Dat is waar ook,” sprak hij, „Johannes heeft mij in der tijd verteld, dat even boven kotta Djankang bij middelbaren stand der rivier een steenkolenader in het oevertalud zichtbaar is. Het is thans laag water; kom, laten we daar heen roeien.”„Mij wel,” antwoordde de Zwitser; „maar me dunkt, ’t zal niet overbodig zijn onze geweren te halen. In dit land is het nooit kwaad, gewapend te zijn.”„We hebben onze mandauw’s”, meende de Waal, „maar ik zal van de gelegenheid gebruik maken, om een pikhouweel en een koevoet mede te nemen.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Weinige oogenblikken later zaten de twee mannen met hun geweren en de gemelde gereedschappen in hun vaartuig en stevenden de[124]rivier op. Zij hadden nog geen half uur langs den rechteroever geroeid, toen er zich een streep als een zwarte draad op de fijne grijze schieferklei, waaruit de vrij steile oever bestond, begon af te teekenen. Die draad nam langzamerhand in dikte toe, deed zich als een lint voor, dat al breeder en breeder werd, en eindelijk een band vertoonde, die met zwakke golvingen in nagenoeg horizontale richting liep en bij zijn grootste uitgebreidheid een breedte van bijna vier M. had. Over een aanmerkelijken afstand, strekte zich die laag noordwaarts uit, verminderde dan allengskens, maar voor dat zij zacht afnemende ten einde liep, zooals zij begonnen was, werd het ganggesteente plotseling afgebroken door een faille, een uitgebreide kalksteenformatie van verblindend witte kleur, die loodrecht als uit de diepte opsteeg.Daar, waar de zwarte band in den kleioever het machtigste voorkwam, stevenden de onderzoekers naar den wal, om van meer nabij te kunnen zien. La Cueille hakte eenige stukken van de zwarte laag af en bevond, dat hij een gang van zuivere steenkool voor zich had. De kool was grijsachtig zwart en mat van kleur. Tusschen de krachtige vingers van den Waal liet zij zich gemakkelijk verbrijzelen en vertoonde een fijn bladerige structuur op de breuk, waarbij evenwel verreweg de meeste stukjes den paralellopipedischen vorm aannamen. De meeste dier verschijnselen waren niet gunstig, maar de gewezen mijnwerker was hier op zijn terrein; hij liet zich zoo gauw niet ontmoedigen. Met zijn pikhouweel gewapend, brak hij door de eerste lagen, die eeuwen lang aan weer, wind en overstrooming waren blootgesteld geweest en, geholpen door Schlickeisen, had hij dan ook weldra het genoegen, een geheel andere soort van steenkool te voorschijn te halen.Maar daarmede nog niet tevreden, klom de Waal tegen[125]den oever op, begaf zich een paar honderd el landwaarts in en, bijgestaan door den Zwitser, begon hij daar, als door zijn mijnwerkers instinct geleid, bij een zichtbare depressie in den bodem, die als een terreinafscheiding vormde, een gat te maken. Met den koevoet en het houweel werd de aarde losgemaakt en met de handen naar buiten geworpen. Deze arbeid had niet veel te beteekenen, daar de grond droog en klonterig was. Binnen een paar uur, was dan ook een put gemaakt, ongeveer twee M. diep, bij een doorsnede van twee maal die maat. De gereedschappen stieten op een dek van zachten bruingrijzen kleisteen, die den Waal aan het juichen bracht. Hij doorbrak die steenlaag; zij had een dikte van ongeveer twee d.M. Hij bekeek het puin, dat te voorschijn werd, gebracht, herkende fijne laagjes klei-ijzersteen en was van nu af zeker van zijn zaak. Het duurde dan ook niet lang, of de eerste klomp steenkool was onder de vereenigde pogingen der beide Europeanen door de ijzeren tanden van pikhouweel en koevoet losgebroken.„O! dat is een ander product dan ginds! daar was ik zeker van,” juichte de Waal.Schlickeisen keek, keek, maar kon geen onderscheid vinden:„Het ziet er net uit als die kolen daar aan de rivier,” mompelde hij.„Met dat onderscheid dat deze soort gitzwart is. En kijk eens hoe glinsterend op de breuk, net een spiegel. Maar wat is dat? die plekken? die gelijken wel op barnsteen! Mijn God, dat zijn harsachtige vlekken, de schitterendste bewijzen, dat het vette steenkolen zijn. Wat een schat! wat een schat!!”De Zwitser zag de opgewondenheid zijns makkers met een glimlach aan. Hij had weinig verstand van mijnzaken,[126]maar kon toch de verrukking des Waals begrijpen en had daar groot genoegen in.„Kom,” riep deze, „laten we een goeden voorraad uitbreken, dan kan ik die steenkool straks probeeren.”En andermaal knarsten de ijzeren tanden der werktuigen onder de krachtige hand van de twee Europeanen in den schoot der aarde, om haar een harer nuttigste en kostbaarste voortbrengselen te ontwoekeren.Wie kan zeggen, wanneer die aangevangen arbeid daar in de verre binnenlanden van Borneo voortgezet zal worden, om den ontdekten schat te vermeesteren? Helaas! een duistere vraag; de omringende bevolking kende de waarde van den schat niet. En zij, die zich heer en meester van het grootste gedeelte van dat eiland noemen, missen de geestkracht om de onmetelijke rijkdommen hunner schoone koloniën naar eisch te exploiteeren.Maar aan zoo iets dachten onze avonturiers in het geheel niet. Zij werkten ijverig en onverpoosd voort; en weldra lagen daar een menigte klompen en verklaarde La Cueille, dat hij voor de proeven, die hij wenschte te nemen, genoeg voorraad had. De meesten dier klompen waren van zulk een afmeting, dat de beide mannen gezamenlijk al hun krachten moesten inspannen om ze in de djoekoeng te brengen.Zoodra zijn schat in de kotta gebracht was, begon de Waal een paar vuren te stoken, om zijn waarnemingen te doen, waarbij Schlickeisen hem stil aan zijn lot overliet en zijns weegs ging. Een drietal uren later, toen de overige Europeanen den Waal opzochten, was hij nog aan den gang en vonden zij hem opgetogen en uitbundig in zijn lof over zijn steenkolen.„Ziet,” riep hij in opgewondenheid uit, „ik heb een hoeveelheid van ongeveer 25 K.G. in stukjes van vier[127]kubieke c.M. geslagen; ik heb die boven eenig fijn gekapt droog hout opgestapeld en dat met wat droge spaanders in brand gestoken. O! je hadt eens moeten zien; mijn steenkolen ontvlamden, zoodra het hout vuur had gevat. Ze brandden levendig en helder voort met een vlam van roodachtig gele kleur, een geelgrijsachtigen rook uitstootende. Van zwavelijzer heb ik geen spoor ontdekt en de reuk van den rook was teerachtig en branderig en deed geen andere bestanddeelen dan die welke een zuivere steenkool samenstellen, onderscheiden. Noch mijn neus noch mijn ademhaling werden door dien rook onaangenaam aangedaan. In al de bekkens van Luik en van Henegouwen zijn waarachtig geen betere steenkolen aanwezig.”De Waal was verrukkelijk in zijn geestdrift. Zijn makkers staarden hem met onverholen verbazing aan. In zoo’n nimbus van geestdrift had hij zich nog niet voor hen voorgedaan. Met den halfgebogen wijsvinger van de linkerhand streek hij zich langs het voorhoofd, om de zweetdroppels, die er op parelden, te doen vallen, en hervatte na diep geademd te hebben:„’t Was een fraai gezicht, hoe die steenkoolbrokken bij het ontvlammen op onderscheidene plaatsen openscheurden, zonder tot gruis te vervallen. Dat gaf aan de brandende stukken een overal bloemkoolachtig uiterlijk en was oorzaak, dat de geheele massa kort na de ontvlamming een weinig opwerkte. Onmiddellijk voor de ontvlamming liet zich een knetterend geluid waarnemen, waarschijnlijk veroorzaakt, door de zich ontwikkelende waterdampen. Nadat de massa goed ontbrand was, heb ik kleine stukjes uit den gloed verwijderd en bleven deze nog geruimen tijd voortbranden, dat een bewijs voor de vetheid dezer steenkolen is. De geheele hoop heeft ruim twee uur lang met een flinke vlam gebrand,[128]waarna het gloeien, dat een langzame verbranding genoemd kan worden, is ingetreden. Dat duurt nualruim drie kwartier en zal nog wel een half uur aanhouden. Ziet, de terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig en van een witte kleur. Van sintelvorming kan ik tot nu toe niets gewaar worden. Nogmaals, dat zijn uitmuntende steenkolen en van zoo goede kwaliteit, als ik er ooit ontmoet heb.”„Zou het gewicht er van te bepalen zijn?” vroeg Wienersdorf.„O!” riep de Waal, overgelukkig over die vraag. „Kijk daar achter je dien kubus. Met behulp van je meetsnoer heb ik dien zoo bekapt. ’t Is zuiver een kubieke d.M. steenkool, raadt eens, wat die weegt.”„Hoe zouden we dat raden kunnen? In allen gevalle lichter dan water; wellicht acht of negenH.G.,” meende Johannes.„Kom laat op je schieten. Dan waren het slechts bruinkolen. Neen, die dobbelsteen weegt 1.26 K.G. ruim. Geloof je ’t niet? daar staat de unster er bij, het nawegen is gemakkelijk. Ik schat, dat de stère 1262,62 K.G. zal halen. Zeg, is dat niet prachtig?”„Voorzeker”, was het lachende antwoord van Johannes, „ik wist niet dat steenkolen zoo zwaar zijn. Het is toch maar versteend hout.”„Vergeet echter niet”, viel Wienersdorf in, „dat die versteening, zoo als je ’t noemt, plaats heeft gehad onder een buitengewoon sterke samendrukking.”„Is het dan geen versteening, dat je er zoo bijvoegt: „zoo als je ’t noemt?””„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden, onder den invloed[129]van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren, vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd, het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke lichaam bewaard is gebleven.”La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te geleerd was.„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld, nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel genoegzaam afgekoeld zijn.”In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.[130]„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig wat die cokes wegen.”En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die, nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De Waal trok een bedenkelijk gezicht.„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.… wacht, daar ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht wel herstellen.… Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij: „Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20 K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is. Wat kan ’t je schelen?”De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes overgebleven zijn.”[131]„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich in de praktijk houden.”„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om dienaangaande gesticht te zijn.”„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”„Hoe zoo?” vroeg deze.„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn alle rijkdommen in dit land vereenigd.”„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor, ofschoon het niet geheel afwezig is.”„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.[132]„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het ijzersmelten dan dat van houtskolen.”„Maar.… bij een machineoven?.…” bracht de Waal er aarzelend uit.„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot BatoeSambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen. Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen, zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”[133]„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort. „Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾ mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op anderhalf pond gedaald, waardoor het getalderomwentelingen aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat het schip geen stuur hield.”„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te voeden; toen ging alles weer goed.”„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”„Dat weet ik niet.”„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den schoorsteen?”„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de schoenzolen van den koksmaat zaten?”Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”[134]„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is, kunnen happen,” lachte Johannes.„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag beantwoorden?”„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij, dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb achtergelaten.”„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op had kunnen houden.”„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden uit, meende hij.”„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den grondslag gelegd heeft.”[135]„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland, meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust, worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet durven bevestigen.”Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde[136]zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het Poenanhoofd te woord.„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij balanceeren liet, „zie, het weegt juist eenboea kajoe.”3„En dat is voor een waarde van hoeveel?”Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea kajoe?”Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd werd en trok dientengevolge de schouders op.„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe waard is.”„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat geraakt.[137]„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet ik niet.”„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot echtgenoot.”Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk, zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf eindelijk ook instemde.„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang twee boea kajoe; begrijp je nu?”„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud. Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden? ’k begrijp er niets van.”„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”De Poenan lachte en antwoordde:[138]„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht, die den „sarok boelau”4hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht; dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door heftige koortsen aangetast zult worden.”„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die komt zal ik haar naar u zenden.”De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh”(rijp goud), had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau manggor” (onrijp goud) moest[139]beschouwd worden, dat ook door zijn bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.[140]
Het geschiedde zooals Johannes voorspeld had. Den volgenden morgen werden de drie vingers der beschuldigden ontbloot en twee daarvan ongeschonden bevonden. Alleen die van den pandeling was deerlijk toegetakeld; het geheele vel bleef aan het windsel hangen. Er viel niet aan te twijfelen, de Sangiangs hadden gesproken. Van een hevigen uitbrander vergezeld, kreeg de schuldige het bevel om binnen den kortst mogelijken tijd het verleide meisje te huwen. De goe gemeente had eerbied voor die onbetwistbare goddelijke tusschenkomst en bewonderde de wijsheid der uitspraak van hun nieuw hoofd. En.… och! de pandeling glimlachte eens; met een flinke vrouw won hij de zekerheid van niet te avond of morgen geslacht te worden. Dat was veel waard, dat moest hij eerlijk bekennen. Dienzelfden dag zag men hem vertrouwvol met zijn uitverkorene onder de schaduw der bosschen in den omtrek der kotta wandelen. Zij scheen met verzachtende hand den ontvelden vinger te verzorgen. Onze Europeanen zagen in, dat er voor iedere wond een pleister bestaat.[117]
Intusschen werd voortgegaan met alles voor het vertrek naar soengei Miri in gereedheid te brengen. Evenwel, de levensmiddelen en de munitie stonden gepakt, de kanonnen en de geweren gereed, om slechts opgenomen en aan boord gebracht te worden; de bedrijvigheid gold dan ook nog maar voorzieningen van huishoudelijken aard en de Europeanen hadden in de laatste dagen vrij af. Ieder hunner nam er het zijne van en besteedde den tijd, zooals hem het aangenaamst voorkwam.
Wienersdorf had wel willen herboriseeren; maar het kwam hem niet nutteloos voor, wat tijd te besteden zijn aanstaande vrouw, van wie hij al meer en meer begon te houden, voor de Europeesche samenleving te vormen. Wel brachten de Dajaksche gebruiken mede, dat, nu eenmaal de hand van het meisje plechtig gevraagd was, de beide minnenden elkander niet meer mochten zien tot op den dag van het huwelijk, maar, zoowel het gemeenschappelijk leven in die enge kotta, als de beslommeringen voor de reis, maakten het stipt betrachten van dat gebruik nagenoeg onmogelijk. Daarenboven, op de reis zelve zou Dohong voor zijn aanstaande moeten waken; wien zou haar heil meer aan het hart gaan dan hem? Ook meende Harimaoung Boekit, dat niemand alsdan zijn zuster beter zoude kunnen beschermen, dan de dappere Dohong met zijn zoo juist treffend geweer. De scheidsmuur tusschen de geliefden werd dus zoo stipt niet bewaakt en onze Zwitser verzuimde geen oogenblik, om meer en meer met de inborst van haar, met wie hij zich verbinden ging, bekend te raken.
Die kennismaking viel niet tegen. Was Hamadoe, wat het uiterlijke betrof, een schoon kind, een parel te noemen, bij onderzoek bleek het, dat haar hart, haar gemoed een diamant van het zuiverste water was, waarvan[118]de weerga in de donkerste ingewanden van het eiland Borneo niet gevonden was. Zij was verstandig, dat zag haar Dohong onmiddellijk, hoewel haar zekere begrippen, tot de eenvoudigste behoorende, vreemd waren; zij was lieftallig en die lieftalligheid kwam in een omlijsting als die harer omgeving nog beter uit. Die ruwheid toch gaf den toets aan van de edelheid van ’s meisjes karakter, dat in zoo’n omgeving ongekrenkt was gebleven. Zij was goed en zachtaardig; o! dat had hij goed opgemerkt. Iedere wreedheid verfoeide zij, ieder noodeloos lijden ging zij tegen zooveel in haar vermogen was; maar ziekelijke weekhartigheid was haar ook vreemd. Zij was de fiere dochter des wouds en als zoodanig was zij bewaard gebleven voor indrukken van de buitenwereld; zij had tot nu toe geen anderen gezichtseinder dan die harer bosschen gehad en de geheele menschheid had zich voor haar nog maar tot den stam bepaald, waartoe zij behoorde. Werden wreedheden, onmenschelijkheden door de leden van dien stam gepleegd, dan wendde zij het hoofd af, onmachtig als zij zich tegenover de zeden harer landgenooten gevoelde, om die gruwelen tegen te gaan. Toch zou zij haar hand niet gereikt hebben aan een man, die zooals men zegt geen vlieg kwaad kon doen. In haar oog moest de man krachtig en onbevangen het zwaard kunnen voeren; zijn vrouw moest in hem een krachtigen steun en een moedig beschermer vinden. Menschenvleesch had zij nimmer geproefd; zelfs eens dat haar een schoteltje met „oetak” (hersenen) aangeboden werd, was zij in onmacht gevallen en deswege hartelijk uitgelachen. Over die zwakheid had zij zich geschaamd, maar toch met zoo’n ernst er op aangedrongen, die aardigheid niet te herhalen, dat zelfs de stompsten het zich voor gezegd hielden.[119]
Zij was zedig en kuisch. Niemand van haar omgeving had ooit, ook bij de meest ruwe handeling in haar nabijheid, een verdachten glimlach op haar gelaat, of een blik, die verkeerd kon uitgelegd worden, in haar oogen waargenomen. Zij bewoog zich te midden van de onreinheid, die haar omgaf, als het zwanendons te midden der wateren, zonder er door bespat te worden en zonder dat iets op haar bleef kleven. Hoorde zij in haar omgeving uitdrukkingen, waaromtrent zij geen onwetendheid kon voorwenden, dan bracht de ernst van haar lief gelaat de realisten tot zwijgen; en zoo ver had zij het gebracht, zonder daaromtrent een verzoek te doen of een woord te uiten, dat in haar tegenwoordigheid een kieschheid betracht werd, die anders zelden te midden dier boschmenschen aangetroffen werd. Wanneer zij een der priesteressen ontmoette, dan gaf haar oog te kennen hoezeer de vrouw haar verachtte, die zoo de vrouwelijke eerbaarheid met voeten trad. Nimmer had zij een woord met een dier wezens gewisseld.
Als ieder Dajaksch meisje had zij tot op den jonkvrouwelijken leeftijd naakt geloopen, slechts met een gouden „sapieng”, een nabootsing van het vijgenblad, door het eerste menschenpaar gebezigd, gedekt. Later had zij zich gekleed met den saloi, zooals al de andere jonkvrouwen van haar stam en had in haar onschuld er nimmer erg in gehad, welken aanstoot zulk een spaarzame kleeding kon geven. Zij wist niet beter. Maar bij het blako ontong had zij de oogen van haar aanstaande op haar ontbloote schouders voelen branden; toen was een schuchter gevoel, haar tot nog toe onbekend, ontwaakt; zij had zich wel voor de blikken van al die vergaderde mannen onder den grond willen verbergen. Dat gevoel was haar ondraaglijk geweest. Van dat oogenblik af was zij niet meer verschenen dan behoorlijk[120]bedekt door een badjoe, hoewel haar speelnooten haar schamper toevoegden, dat zij nu al de voorname getrouwde vrouw uithing, die bezoek verwacht1.
Bij zoo’n ongekunsteldheid waren de gesprekken met haar voor Wienersdorf allerbekoorlijkst. Zij was de onwetendheid zelve; maar zij nam, hetgeen haar verteld werd, tot zich en toonde een zeldzame gemakkelijkheid zich daarmee te vereenzelvigen. Zij was geheel oor, wanneer hij haar van de buitenwereld vertelde, van die buitenwereld, die hij haar zoo schoon afschilderde en waarvan zij niets wist. Wel waren haar broeders te Bandjermasin geweest en hadden daar zooveel betooverends gezien, dat zij onuitputtelijk in hun verhalen waren. Maar wat was Bandjermasin, vergeleken met Soerabaia, met Batavia, met Singapore? En wat waren die plaatsen op hun beurt vergeleken met de steden in het land der blanken? Of hij dan daar geweest was? was haar vraag.
Hij aarzelde een oogenblik. Nog wilde hij het mom van Kwala Kapoeasser te zijn, volhouden en reeds was hij op het punt, haar diets te maken, dat hij veelvuldige reizen naar Java gemaakt had, dat hij eens met een zeer groot schip naar denegeri wolandageweest was; maar een blik in haar fraaie oogen, in die oogen, die hem zoo trouwhartig, zoo argeloos aanstaarden, deed hem het pad der veinzerij verlaten. Hij sloeg zijn eenen arm om haar leest, trok haar tot zich en ontblootte zich een der schouders, alwaar de wrijving van het baaitje, dat hij steeds droeg, de katiting,[121]die zijn huid kleurde, afgesleten had en zich zijn blank vel vertoonde.
„Olo bapoeti!” (een blank mensch) ontsnapte het meisje met een gesmoorden gil van schrik. Hij hield haar in zijn armen omsloten; een oogenblik zwoegde haar borst onstuimig en hijgde zij naar adem; toen sloeg zij haar schoone armen om zijn hals:
„Naughe!” lispelde zij, „ikau tabaliën, akoe langèh, tapi, koeèh pangkabas” (laat het zijn, zoo het wil; gij zijt de ijzerhoutboom, ik het rankgewas; maar beiden te zaam zijn wij zeer sterk).
Onstuimig klemde hij haar aan zijn borst.
Hij verhaalde haar alsnu, dat hij van de Hollanders weggegaan was, om zijn land weer op te zoeken. Dat begreep zij niet goed. Alle blanke menschen waren Hollanders, meende zij; en het kostte vrij wat moeite, om aan het natuurkind uit te leggen, dat de blanken nog meer verscheidenheden opleverden dan het bruine ras, waarvan zij trouwens alleen maar haar stamgenooten onder de oogen had gehad. Maar zij had medelijden met den man, die zulk een reis ondernomen, zich aan zoo veel ellende blootgesteld had, alleen om zijn geboortegrond terug te zien. Toch had zij ook daarvan geen recht begrip, want volgens haar kon men overal gelukkig zijn. Het gevoel, dat haar zoo deed spreken, was nog zoo onbewust bij haar, dat zij eigenlijk niet begreep, wat zij zeide. Maar hij, hij zamelde die woorden als kostbare parelen van haar lippen op, en van het oogenblik gebruik makende, ontrolde hij voor haar oogen een schildering van de Europeesche samenleving en van de onwaardeerbare voorrechten van de bescherming eener beschaafde maatschappij, die door banden van menschenmin te samen wordt gebonden. Hij verklaarde haar, hoe bloedvergieten daar wordt tegengegaan, waardoor de[122]eene blanke man naast den anderen kon vertoeven, welke veeten ook de verschillende stammen mochten verdeelen. Hij legde haar uit, dat de blanken vrij zijn, dat bij hen geen slaven bestaan, die immer in doodsangst verkeeren, van op gruwelijke manier omgebracht te worden. Hij verklaarde haar het bestaan der blanke vrouw, haar aandeel in den strijd des levens, hoe geheel verschillend haar toestand daar ginds was, waar zij naast haar echtgenoot troonde, een ware gezellin voor hem was, met hier, waar de vrouw niets anders dan het lastdier, de slavin des mans was.
Zij hoorde hem aandachtig aan; er ging een wereld voor haar blikken op. Hij verhaalde haar van de prachtige woningen der blanken, zoo verschillend van de krotten, die zij slechts gezien had; hij beschreef haar de Europeesche steden met haar paleizen, haar pleinen, haar gemakkelijke straten, haar kerken, haar schouwburgen, haar wandelplaatsen, haar verlichting, enz. enz.; en deed dat met zulk een wegsleepende vervoering, dat hij een geheele omkeering in dat oorspronkelijk gemoed te weegbracht en wel zoodanig, dat het meisje haar armen aanvallig om zijn hals strengelde, en hem zacht, schier onhoorbaar in het oor ademde, dat zij heentrekken wilde, waar haar Dohong haar voeren zou. Een hartelijke kus weerklonk tot bezegeling van die belofte. Zij smeekte hem evenwel, voorloopig nog geheim te houden, dat hij geen Dajak was; zij nam op zich Harimaoung Boekit haar broeder, daarmede ter gelegener tijd in kennis te stellen.
Terwijl de geliefden daar zoo aan het keuvelen waren en allergelukkigste oogenblikken doorleefden, hadden de drie andere Europeanen, ieder op zijn wijze den tijd trachten te dooden. La Cueille, verliefd als hij meende te zijn, had ook wel wat willen vrijen; maar zijner[123]Moendoet was de zorg voor de keuken opgedragen in het huisgezin, waartoe zij behoorde. Hij kwam dus bij zijn aangebedene te pas als het vijfde rad aan een wagen. Daarenboven had zij een knoflook- en peteh-2lucht bij zich, die alles behalve aanlokkelijk was en haar aanbidder tot den aftocht dwong. Pruttelend trok hij af en wilde een wandeling in den omtrek maken, toen hij Schlickeisen ontmoette, die evenzoo verlegen met zijn tijd rondliep, en zich bij hem aansloot. Beide mannen bestegen een djoekoeng, meer om op de rivier wat te spelevaren, dan wel met een bepaald doel om ergens heen te roeien. Zij plasten en ploeterden in het water als twee dartele knapen. Zij zagen Johannes en Harimaoung Boekit ook in een djoekoeng stroom-opwaarts stevenen, maar bekommerden zich daarom niet. Eensklaps kreeg La Cueille een stuk steenkool, dat op den oever lag, in het oog:
„Dat is waar ook,” sprak hij, „Johannes heeft mij in der tijd verteld, dat even boven kotta Djankang bij middelbaren stand der rivier een steenkolenader in het oevertalud zichtbaar is. Het is thans laag water; kom, laten we daar heen roeien.”
„Mij wel,” antwoordde de Zwitser; „maar me dunkt, ’t zal niet overbodig zijn onze geweren te halen. In dit land is het nooit kwaad, gewapend te zijn.”
„We hebben onze mandauw’s”, meende de Waal, „maar ik zal van de gelegenheid gebruik maken, om een pikhouweel en een koevoet mede te nemen.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Weinige oogenblikken later zaten de twee mannen met hun geweren en de gemelde gereedschappen in hun vaartuig en stevenden de[124]rivier op. Zij hadden nog geen half uur langs den rechteroever geroeid, toen er zich een streep als een zwarte draad op de fijne grijze schieferklei, waaruit de vrij steile oever bestond, begon af te teekenen. Die draad nam langzamerhand in dikte toe, deed zich als een lint voor, dat al breeder en breeder werd, en eindelijk een band vertoonde, die met zwakke golvingen in nagenoeg horizontale richting liep en bij zijn grootste uitgebreidheid een breedte van bijna vier M. had. Over een aanmerkelijken afstand, strekte zich die laag noordwaarts uit, verminderde dan allengskens, maar voor dat zij zacht afnemende ten einde liep, zooals zij begonnen was, werd het ganggesteente plotseling afgebroken door een faille, een uitgebreide kalksteenformatie van verblindend witte kleur, die loodrecht als uit de diepte opsteeg.
Daar, waar de zwarte band in den kleioever het machtigste voorkwam, stevenden de onderzoekers naar den wal, om van meer nabij te kunnen zien. La Cueille hakte eenige stukken van de zwarte laag af en bevond, dat hij een gang van zuivere steenkool voor zich had. De kool was grijsachtig zwart en mat van kleur. Tusschen de krachtige vingers van den Waal liet zij zich gemakkelijk verbrijzelen en vertoonde een fijn bladerige structuur op de breuk, waarbij evenwel verreweg de meeste stukjes den paralellopipedischen vorm aannamen. De meeste dier verschijnselen waren niet gunstig, maar de gewezen mijnwerker was hier op zijn terrein; hij liet zich zoo gauw niet ontmoedigen. Met zijn pikhouweel gewapend, brak hij door de eerste lagen, die eeuwen lang aan weer, wind en overstrooming waren blootgesteld geweest en, geholpen door Schlickeisen, had hij dan ook weldra het genoegen, een geheel andere soort van steenkool te voorschijn te halen.
Maar daarmede nog niet tevreden, klom de Waal tegen[125]den oever op, begaf zich een paar honderd el landwaarts in en, bijgestaan door den Zwitser, begon hij daar, als door zijn mijnwerkers instinct geleid, bij een zichtbare depressie in den bodem, die als een terreinafscheiding vormde, een gat te maken. Met den koevoet en het houweel werd de aarde losgemaakt en met de handen naar buiten geworpen. Deze arbeid had niet veel te beteekenen, daar de grond droog en klonterig was. Binnen een paar uur, was dan ook een put gemaakt, ongeveer twee M. diep, bij een doorsnede van twee maal die maat. De gereedschappen stieten op een dek van zachten bruingrijzen kleisteen, die den Waal aan het juichen bracht. Hij doorbrak die steenlaag; zij had een dikte van ongeveer twee d.M. Hij bekeek het puin, dat te voorschijn werd, gebracht, herkende fijne laagjes klei-ijzersteen en was van nu af zeker van zijn zaak. Het duurde dan ook niet lang, of de eerste klomp steenkool was onder de vereenigde pogingen der beide Europeanen door de ijzeren tanden van pikhouweel en koevoet losgebroken.
„O! dat is een ander product dan ginds! daar was ik zeker van,” juichte de Waal.
Schlickeisen keek, keek, maar kon geen onderscheid vinden:
„Het ziet er net uit als die kolen daar aan de rivier,” mompelde hij.
„Met dat onderscheid dat deze soort gitzwart is. En kijk eens hoe glinsterend op de breuk, net een spiegel. Maar wat is dat? die plekken? die gelijken wel op barnsteen! Mijn God, dat zijn harsachtige vlekken, de schitterendste bewijzen, dat het vette steenkolen zijn. Wat een schat! wat een schat!!”
De Zwitser zag de opgewondenheid zijns makkers met een glimlach aan. Hij had weinig verstand van mijnzaken,[126]maar kon toch de verrukking des Waals begrijpen en had daar groot genoegen in.
„Kom,” riep deze, „laten we een goeden voorraad uitbreken, dan kan ik die steenkool straks probeeren.”
En andermaal knarsten de ijzeren tanden der werktuigen onder de krachtige hand van de twee Europeanen in den schoot der aarde, om haar een harer nuttigste en kostbaarste voortbrengselen te ontwoekeren.
Wie kan zeggen, wanneer die aangevangen arbeid daar in de verre binnenlanden van Borneo voortgezet zal worden, om den ontdekten schat te vermeesteren? Helaas! een duistere vraag; de omringende bevolking kende de waarde van den schat niet. En zij, die zich heer en meester van het grootste gedeelte van dat eiland noemen, missen de geestkracht om de onmetelijke rijkdommen hunner schoone koloniën naar eisch te exploiteeren.
Maar aan zoo iets dachten onze avonturiers in het geheel niet. Zij werkten ijverig en onverpoosd voort; en weldra lagen daar een menigte klompen en verklaarde La Cueille, dat hij voor de proeven, die hij wenschte te nemen, genoeg voorraad had. De meesten dier klompen waren van zulk een afmeting, dat de beide mannen gezamenlijk al hun krachten moesten inspannen om ze in de djoekoeng te brengen.
Zoodra zijn schat in de kotta gebracht was, begon de Waal een paar vuren te stoken, om zijn waarnemingen te doen, waarbij Schlickeisen hem stil aan zijn lot overliet en zijns weegs ging. Een drietal uren later, toen de overige Europeanen den Waal opzochten, was hij nog aan den gang en vonden zij hem opgetogen en uitbundig in zijn lof over zijn steenkolen.
„Ziet,” riep hij in opgewondenheid uit, „ik heb een hoeveelheid van ongeveer 25 K.G. in stukjes van vier[127]kubieke c.M. geslagen; ik heb die boven eenig fijn gekapt droog hout opgestapeld en dat met wat droge spaanders in brand gestoken. O! je hadt eens moeten zien; mijn steenkolen ontvlamden, zoodra het hout vuur had gevat. Ze brandden levendig en helder voort met een vlam van roodachtig gele kleur, een geelgrijsachtigen rook uitstootende. Van zwavelijzer heb ik geen spoor ontdekt en de reuk van den rook was teerachtig en branderig en deed geen andere bestanddeelen dan die welke een zuivere steenkool samenstellen, onderscheiden. Noch mijn neus noch mijn ademhaling werden door dien rook onaangenaam aangedaan. In al de bekkens van Luik en van Henegouwen zijn waarachtig geen betere steenkolen aanwezig.”
De Waal was verrukkelijk in zijn geestdrift. Zijn makkers staarden hem met onverholen verbazing aan. In zoo’n nimbus van geestdrift had hij zich nog niet voor hen voorgedaan. Met den halfgebogen wijsvinger van de linkerhand streek hij zich langs het voorhoofd, om de zweetdroppels, die er op parelden, te doen vallen, en hervatte na diep geademd te hebben:
„’t Was een fraai gezicht, hoe die steenkoolbrokken bij het ontvlammen op onderscheidene plaatsen openscheurden, zonder tot gruis te vervallen. Dat gaf aan de brandende stukken een overal bloemkoolachtig uiterlijk en was oorzaak, dat de geheele massa kort na de ontvlamming een weinig opwerkte. Onmiddellijk voor de ontvlamming liet zich een knetterend geluid waarnemen, waarschijnlijk veroorzaakt, door de zich ontwikkelende waterdampen. Nadat de massa goed ontbrand was, heb ik kleine stukjes uit den gloed verwijderd en bleven deze nog geruimen tijd voortbranden, dat een bewijs voor de vetheid dezer steenkolen is. De geheele hoop heeft ruim twee uur lang met een flinke vlam gebrand,[128]waarna het gloeien, dat een langzame verbranding genoemd kan worden, is ingetreden. Dat duurt nualruim drie kwartier en zal nog wel een half uur aanhouden. Ziet, de terugblijvende asch is zeer fijn, meelachtig en van een witte kleur. Van sintelvorming kan ik tot nu toe niets gewaar worden. Nogmaals, dat zijn uitmuntende steenkolen en van zoo goede kwaliteit, als ik er ooit ontmoet heb.”
„Zou het gewicht er van te bepalen zijn?” vroeg Wienersdorf.
„O!” riep de Waal, overgelukkig over die vraag. „Kijk daar achter je dien kubus. Met behulp van je meetsnoer heb ik dien zoo bekapt. ’t Is zuiver een kubieke d.M. steenkool, raadt eens, wat die weegt.”
„Hoe zouden we dat raden kunnen? In allen gevalle lichter dan water; wellicht acht of negenH.G.,” meende Johannes.
„Kom laat op je schieten. Dan waren het slechts bruinkolen. Neen, die dobbelsteen weegt 1.26 K.G. ruim. Geloof je ’t niet? daar staat de unster er bij, het nawegen is gemakkelijk. Ik schat, dat de stère 1262,62 K.G. zal halen. Zeg, is dat niet prachtig?”
„Voorzeker”, was het lachende antwoord van Johannes, „ik wist niet dat steenkolen zoo zwaar zijn. Het is toch maar versteend hout.”
„Vergeet echter niet”, viel Wienersdorf in, „dat die versteening, zoo als je ’t noemt, plaats heeft gehad onder een buitengewoon sterke samendrukking.”
„Is het dan geen versteening, dat je er zoo bijvoegt: „zoo als je ’t noemt?””
„Ja en neen. De vorming der steenkolen is eigenlijk een langdurige scheikundige bewerking, een soort van distillatieproces. De in de voortijden vernielde en het onderste boven gekeerde wouden stonden, onder den invloed[129]van een warmtegraad, waarvan we ons moeielijk een denkbeeld kunnen maken, hun rijkdom aan koolstof, waarvan de steenkool gevormd werd, in gasvormigen toestand af. Dit vervluchtigde product evenwel, door een ontzaglijke drukking bewerkt, ging tot vloeibaren, vervolgens bij afkoeling tot deegachtigen en vasten toestand over. Als zoodanig is er aan geen versteening te denken en toch is men geneigd, het er wel voor aan te nemen, als men er op let, dat onder die onweerstaanbare bewerking de plantenstof tot een delfstof, de organische schepping tot een anorganische is overgegaan, waarbij niet zelden de vorm, of beter uitgedrukt, de afdruk van het oorspronkelijke lichaam bewaard is gebleven.”
La Cueille trappelde van ongeduld bij die uitlegging, die hem te geleerd was.
„Ik heb nog meer gedaan,” ging hij opgetogen voort, zijn gedachtenloop volgende, alsof de anderen niet gesproken hadden. „Ziet, ’k heb cokes gebrand. Ik heb dien ouden roestigen ketel, die daar ginds in den hoek stond, genomen; ik heb hem met twintig K.G. steenkolen gevuld, nauwkeurig gewogen; ik heb er het deksel opgedaan en dat slechts op een kiertje opengelaten, om de gassen te laten vervliegen. Daarna heb ik er een vuurtje rondom gestookt en dat onderhouden, totdat de rook, die zich door de reet een uitweg baande, niet meer te ontvlammen was. Toen heb ik het vuur uitgedoofd en den ketel goed gesloten. Komt, helpt mij dien ketel omwerpen en de verkregen cokes wegen; ze zullen nu wel genoegzaam afgekoeld zijn.”
In een oogwenk lag de inhoud op den grond uitgespreid. Aan de verrukking van den Waal scheen geen einde te komen. Hij liep rondom den hoop als een kat om een pot heete brij. Niemand mocht er aan komen.[130]
„Ziet! ziet!” riep hij zegevierende uit, „ziet hoe die rommel flink aan elkaar gebakken is! En wat hebben die stukken een fraaie kleur, als van mat zilver, die vooral op de breuk goed uitkomt. Ik ben nieuwsgierig wat die cokes wegen.”
En met behulp zijner makkers was snel een korf gevonden en werd die, nauwkeurig met de geheele brandstof gevuld, aan den unster gehangen. De Waal trok een bedenkelijk gezicht.
„Dat valt tegen,” riep hij, „slechts 10.4 K.G. Maar.… wacht, daar ligt nog een flink brok, dat moet ook meedoen en dat zal het evenwicht wel herstellen.… Toch nog weinig, saperlotte! slechts 11.52 K.G.”
Eens rondkijkende, of nog niet een klompje vergeten was, mompelde hij: „Neen, alles is er. Laat zien, dat is 57.60% cokes van de gebezigde 20 K.G. steenkolen. Het overtreft nog altijd iedere Duitsche, Fransche of Belgische soort. De Ruhrortkolen geven maar 50.50%; de beste Luiker slechts 54.72%. Toch had ik gedacht dat deze kolen vetter waren; ze zagen er zoo prachtig uit en brandden zoo flink.”
„Maar mij dunkt”, sprak Wienersdorf om iets te zeggen, „als die kolen bijna drie percent meer cokes geven dan de beste Luiker, het al wel is. Wat kan ’t je schelen?”
De Waal snoof eens en streek zich met de zwarte hand over het gelaat.
„Wat het me schelen kan? Niet veel, dat beken ik. Maar ik ben hier op mijn terrein en weet je, alles wat het mijnwezen betreft, boezemt mij belang in. Daarenboven ik ben in mijn eer getast; ik heb mij door het uiterlijk dier kolen laten misleiden. Slechts 57.60%; terwijl de beste Newcastle kolen 65.67% opleveren. Van die zouden 13.13 K.G. cokes overgebleven zijn.”[131]
„Toch heb je redenen van tevredenheid, dunkt me.”
„In aanmerking genomen, dat die kolen dicht aan de oppervlakte der aarde gelegen hebben en dus nog altijd van de inwerking van weer en wind zullen geleden hebben, moet ik dat toegeven. En daarom kan men verzekerd zijn, dat bij het aanbreken van dieper liggende lagen, die cokes-verhouding zich aanmerkelijk zal wijzigen en meer gunstige resultaten zal opleveren. Ik wou nu wel eens weten, hoe die kolen zich in de praktijk houden.”
„In de praktijk? me dunkt, je hebt vuurtjes genoeg gestookt, om dienaangaande gesticht te zijn.”
„Ik meen bij hoogovens of bij machineovens.”
„Ah zoo! noem je dat in de praktijk? Als we langer hier bleven, dan zou het niet onmogelijk zijn je een hoogoven te construeeren,” lachte Johannes en zich naar Wienersdorf keerende, „natuurlijk met behulp van mijnheer den professor in de natuur- en scheikunde. Wij zouden de industrie in dit land tot een aardige hoogte kunnen voeren.”
„Hoe zoo?” vroeg deze.
„In de bovenlanden is het ijzererts niet zeldzaam, vooral niet in de boven Roengan, boven Kahajan en boven Doesson.”
„IJzererts?” vroeg La Cueille driftig, „ook ijzererts? maar dan zijn alle rijkdommen in dit land vereenigd.”
„Hier in de Kapoeas,” ging Johannes voort, „komt dat erts minder voor, ofschoon het niet geheel afwezig is.”
„Maar trekt de bevolking daar partij van?” vroeg Wienersdorf.
„De Dajaks weten het aardig uit te smelten. Bij mijn omzwervingen hier ter kust, heb ik eens zoo’n ijzersmelterij bezocht.”
„Toe, verhaal ons daar wat van,” vleide La Cueille.[132]
„Straks, in de avonduren zal ik dat misschien doen. Laat u thans de mededeeling genoeg zijn, dat de Dajaks bij die smelting geen steenkolen maar houtskolen bezigen. ’k Herhaal het, bleven we hier, dan konden we het droombeeld van La Cueille verwezenlijken en hem laten zien hoe zijn steenkolen zich zouden houden en de bevolking aantoonen, dat het gebruik van deze brandstof oneindig voordeeliger is bij het ijzersmelten dan dat van houtskolen.”
„Maar.… bij een machineoven?.…” bracht de Waal er aarzelend uit.
„Als men in de boven Dajaklanden is, kan men zoo maar niet alles tot zijn beschikking hebben,” lachte Schlickeisen. „Of wou je ook, dat wij een machine construeerden? Je hebt maar te bevelen.”
„Toch kan ik onze weetgierigen daaromtrent eenigszins inlichten,” viel Johannes in. „Bij gelegenheid eener inspectie door den kommandant van Kwala Kapoeas in deze bovenlanden gehouden, is het stoomschip Boni tot BatoeSambong, dus nog een eind voorbij kotta Djankang gestoomd. Bij die gelegenheid werd bij de steenkolenlaag, in het oevertalud zichtbaar, geankerd en een geheele lading van die brandstof ingenomen. Men was zeer gebrekkig van gereedschappen voorzien, zoodat de ader niet volkomen aangebroken kon worden en men zich vergenoegen moest met de klompen, die van zelf losgeraakt op den oever verspreid lagen, te laden. Om met die kolen een proef te nemen, had men de vuren sedert tweemaal vier en twintig uren laten uitgaan en had men den ketel herhaaldelijk gespuid, om hem behoorlijk af te koelen. Welnu, in veertig minuten tijds, met het horloge in de hand, was stoom gestookt.”
„Sacrebleu!” riep de Waal, „dat is mooi! met de beste Engelsche kolen, zal daartoe wel een uur benoodigd zijn.”[133]
„Juist, dat verzekerde de machinist der boot ook,” ging Johannes voort. „Toen de stoom een spanning van vijf Eng. pond per vierkanten Eng. duim bereikt had, werden de werktuigen aangezet en deden die twintig omwentelingen in de minuut; waardoor een snelheid naar gissing van 6¾ mijl werd verkregen. Ik zeg naar gissing, omdat die snelheid bij den sterken en onregelmatigen stroom, voor welken men afvoer, niet te bepalen was. Maar reeds weinige minuten later was de stoomspanning, hoe zorgvuldig ook gestookt werd, tot op drie, en nog iets later tot op anderhalf pond gedaald, waardoor het getalderomwentelingen aanmerkelijk verminderde en het anker moest uitgeworpen worden, omdat het schip geen stuur hield.”
„Dat was jammer,” zuchtte La Cueille.
„Ja, zeker was dat jammer. De proef had zich anders goed ingesteld. Er bleef niets anders over, dan de vuren weder met Newcastle kolen te voeden; toen ging alles weer goed.”
„Heeft men die proef later niet herhaald, hetzij met zuivere Kapoeaskolen, hetzij vermengd met Engelsche kolen?”
„Dat weet ik niet.”
„Kun je ook iets mededeelen omtrent den inhoud van den ketel en van het stoomwerk; als ook omtrent de grootte van den vuurhaard, den afstand van de roosterstaven onderling en de hoogte en de middellijn van den schoorsteen?”
„Schei uit!” riep Schlickeisen met wanhopig gebaar. „Wou je ook weten hoeveel kookgaten de kok in zijn kombuis had en hoeveel spijkers in de schoenzolen van den koksmaat zaten?”
Allen lachten hartelijk, maar de Zwitser ging voort: „Verduiveld! ik wist niet, dat je zoo’n man van cijfers waart.”[134]
„Zoo zie je, als de lui maar in de brij, die voor hen bestemd is, kunnen happen,” lachte Johannes.
„Nu ja! steenkolen zijn mijn brij. Maar kun je me mijn vraag beantwoorden?”
„Neen mijn waarde Waal, iets zekers kan ik je daaromtrent niet mededeelen. Ik heb in der tijd die cijfers, die je me vraagt, in mijn zakboekje opgeschreven. Ik was daartoe in staat, omdat ik op dien tocht als schrijver van den kommandant moest fungeeren en ik het rapport betrekkelijk die zaak, voor den resident te Bandjermasin in het net heb geschreven. Maar dat zakboekje ben ik kwijt; ik geloof ten naastebij, dat ik het te Kwala Kapoeas in de laatste oogenblikken heb achtergelaten.”
„Dat is wel jammer; als ik die cijfers had kunnen keuren, ware mij veel opgehelderd. Maar om het even, ’k houd me overtuigd, dat, wanneer men steenkolen uit het innerlijke der ader had gebroken, men wel stoom op had kunnen houden.”
„O! dat was ook de overtuiging van den machinist. Die prees die steenkolen zeer; vooral omdat ze niets dan fijne asch op en onder de roosterstaven achterlieten. Dat spaarde veel arbeid van schoonhouden uit, meende hij.”
„Maakt de Dajak gebruik van de steenkolen?” vroeg Wienersdorf.
„Neen, het gebruik van de „batoe kasientoe,” zooals de steenkool in de landstaal genoemd is, wordt als onreinmakend beschouwd. In sommige gevallen is het zelfs verboden een steenkolenvuur te naderen, of steenkolen aan te raken. Van waar dat bijgeloof komt, is mij niet duidelijk. Wel verhaalt een legende, dat Mahatara in een oogenblik van ontzettenden toorn geheele bosschen in den schoot der aarde bedolven en daar in steen veranderd heeft. Wellicht dat dit tot dien afkeer den grondslag gelegd heeft.”[135]
„Zijn de steenkolen op Borneo zeer verbreid?”
„Dat is een vraag, die bij de nog heerschende onbekendheid van dat eiland niet gemakkelijk te beantwoorden is. Intusschen, voor zoover wij Borneo kennen, moet de vraag met ja beantwoord worden; want in dat gedeelte, waar de Nederlanders gevestigd zijn, komen vele en machtige steenkolengangen voor. In het zuid-oostelijk gedeelte van het eiland, meer bekend onder den naam van Tanah-laoet, maken ze in de geheele heuvelformatie een belangrijk en bijna nimmer ontbrekend gedeelte der mineralogische samenstelling uit. Alle kloven en spleten, die veroorloven een blik te werpen in het eigenaardige dier onderaardsche natuur en waarin men tot hiertoe is doorgedrongen, hebben tot kolenlagen geleid. Op Poeloe laoet, een groot eiland, dicht onder de zuidoostkust gelegen, zetten die kolenlagen zich voort en worden zeer gemakkelijk in de heuvels teruggevonden. In Koetei op de oostkust, worden onder anderen te Pelarang machtige steenkolenaderen aangetroffen en langs de boorden van de boven-Doesson, boven Moeroi en boven Kahajan zijn lagen te ontwaren, die in uitgebreidheid weinig met die hier in de Kapoeas aanwezig, verschillen. Op de westkust worden die schatten langs de boorden der Kapoeas-Bohong, der Blitang, der beneden-Melawi, der Tabon-Kanoh aangetroffen; of zij daar echter van even goede kwaliteit zijn als deze hier, waarmede onze makker zijn proeven nam, zou ik niet durven bevestigen.”
Allen, maar vooral de Waal, hadden die geologische bijzonderheden met belangstelling aangehoord en wie weet hoe lang die steenkolen-verhandeling nog zou geduurd hebben, toen Harimaoung Boekit de vrienden kwam opzoeken. Voorzichtig hield hij een „tarodjok” (kleine weegschaal) in de hand en wees Johannes lachende daarop. Deze toonde[136]zich eenigermate ontstemd door die verschijning; maar daar er niets meer aan te doen was, verbeet hij zijn teleurstelling en stond het Poenanhoofd te woord.
„Wel, Amai hebt ge het gewogen?”
„Ja,” grinnikte de Poenan, terwijl hij de tong der weegschaal vrij balanceeren liet, „zie, het weegt juist eenboea kajoe.”3
„En dat is voor een waarde van hoeveel?”
Ja, die vraag was te sterk voor den Poenan, een te ingewikkeld rekenkunstig vraagstuk voor dat natuurkind. Hij krabde zich achter de ooren en keek een voor een de mannen van het gezelschap aan. Eindelijk zich tot zijn aanstaanden schoonbroeder wendende, vroeg hij dien:
„Als een thaël dertig realen kost, wat is dan de waarde van een boea kajoe?”
Verbluft keek Wienersdorf hem aan, met een gezicht zoo dwaas, dat zijn makkers in een luid gelach uitbarstten. Hij begreep zelf niet waarover het gold. Harimaoung Boekit wees hem op de tarodjok; in de eene schaal daarvan lag een fijn poeder, metaalachtig grauw-geel, dat veel van vuil kopervijlsel had; in de andere een klein koperen plaatje, dat een gewicht moest verbeelden. Nog begreep hij niet, wat van hem gevorderd werd en trok dientengevolge de schouders op.
„De menschen, die te Bandjermasin geweest zijn, laten er zich altijd veel op voorstaan, dat zij meer weten dan anderen,” hernam het Poenanhoofd vrij korzelig, „en nu weet die domkop mij niet eens te zeggen, wanneer een thaël dertig realen kost, wat dan een boea kajoe waard is.”
„Maar wat kost dertig realen? wat? wat??” vroeg de Zwitser ietwat geraakt.[137]
„Wat? hier dit „boelau oerei” (stofgoud).
„Zoo, is dat stofgoud? Moet ik daar de waarde van zeggen? Wel dat weet ik niet.”
„Weet je dat niet? O! mijn arme zuster! wat een domkop krijgt ze tot echtgenoot.”
Johannes schaterde het uit van het lachen; dat lachen was aanstekelijk, zoodat weldra La Cueille en Schlickeisen medededen en Wienersdorf eindelijk ook instemde.
„Maar Amai,” sprak Johannes, toen hij eindelijk zijn lachbui wat bedwongen had. „Dohong kent dat gewicht hier niet; te Bandjermasin en te Kwala Kapoeas wordt een geheel ander gebruikt. Luister,” ging hij tegen Wienersdorf voort, „een thaël weegt twee ringgit’s; een ringgit twee sadjampol; een sadjampol twee en een half sakobang; een sakobang twee boea kajoe; begrijp je nu?”
„O! nu ben ik er. Wel Amai, dan is dit voor drie gulden stofgoud. Maar,” wendde hij zich tot Johannes, „wat heeft dit alles te beduiden? ’k begrijp er niets van.”
„Och, ’k had ulieden willen verrassen en van u allemaal goudzoekers willen maken, u tot de fortuin leiden, zonder dat ge het wist. De aardigheid is er nu af. Ziet hier. De Poenan en ik zijn heden aan het goudwasschen gegaan; ik heb mijn eerste les in het edele vak willen nemen. En zietdaar het product van ongeveer twee uur arbeids, dat heb ik alleen gevonden. Het part van mijn leermeester is veel grooter.”
„In twee uur drie gulden?” vroeg Schlickeisen. „Verduiveld! tegen dien maatstaf is een prachtige daghuur te maken. Het spijt me, dat wij niet langer hier blijven kunnen; wij zouden hier een buidel maken kunnen en die zou bij onze thuiskomst niet onaardig klinken.”
„En nog zijn we niet gelukkig geweest. Niet waar Amai?”
De Poenan lachte en antwoordde:[138]
„Dat is uw schuld geweest; je hebt een menigte verboden zaken verricht, die den „sarok boelau”4hebben doen vluchten. Zoo hebt ge u staan baden in de rivier en hebt daarbij je gezicht stroomopwaarts gericht; dat mag niet. Je hebt je op den rand der djoekoeng neergezet en de beenen laten afhangen, je hadt ze gekruist onder uw zitvlak moeten opvouwen. Het is een wonder dat je nog iets gevonden hebt. Maar de sarok boelau zal zich wreken; je kunt er op rekenen, dat je door heftige koortsen aangetast zult worden.”
„Och! Amai,” lachte Johannes, „de koorts heeft geen vat op mij; als die komt zal ik haar naar u zenden.”
De Poenan lachte over die aardigheid volstrekt niet; de toezegging kwam hem wat kras voor. Hij verhaalde evenwel den vrienden, dat bij hem te lande, in de soengei Miri het goud overvloediger voorkomt. Hij zou hen daar helpen wasschen, maar dan moesten zij hem beloven, dat zij zich aan alle formaliteiten van den adat stipt zouden onderwerpen. Hij vertelde hun ook nog, dat het goud der Kapoeas beter was, dan dat hetwelk in de haar schatplichtige soengei’s Koewatan, Mawat, Taren en Sirat gevonden werd, maar dat het Kapoeasgoud bij dat der Kahajan achterstond. Het goud van de soengei Miri afkomstig, was evenwel het beste van alle soorten; dat was eigenlijk „boelau batoeèh”(rijp goud), had ook een fraaie hooggele kleur, terwijl al het andere als „boelau manggor” (onrijp goud) moest[139]beschouwd worden, dat ook door zijn bleekere kleur zijn geringer gehalte verraden werd.
De Poenan had zooveel van den rijkdom zijns lands verteld, dat de deserteurs nog lang na zijn vertrek over goud, goud en nog eens goud zaten te praten en blijken gaven door de goudkoorts aangetast te zijn.[140]
1Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.↑2Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.↑3Zie over het goudgewicht de noot op eenvorige bladz.↑4Zie over de zielen der dingen de noot op bladz.51van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.↑
1Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.↑2Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.↑3Zie over het goudgewicht de noot op eenvorige bladz.↑4Zie over de zielen der dingen de noot op bladz.51van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.↑
1Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.↑
1Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt. Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.↑
2Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.↑
2Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.↑
3Zie over het goudgewicht de noot op eenvorige bladz.↑
3Zie over het goudgewicht de noot op eenvorige bladz.↑
4Zie over de zielen der dingen de noot op bladz.51van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.↑
4Zie over de zielen der dingen de noot op bladz.51van dit deel. Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd, die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,” maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat heeft.↑