XXX.

[Inhoud]XXX.Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer, verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en kokenden stroom,[277]die, van boven af gezien, zich als een band van glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was, daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel meer te halen dan het onverschillige:„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te doen.)[278]Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar.… de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers, waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende rotsblokken in den grond geploegd[279]hadden, waren allerwege verpletterde menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren. En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die woudloopers den blik af en haastten zich voort.Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan, overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat[280]bosch, aanboden. Op sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast lieten.„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd. Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden, terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen. Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen[281]voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen. Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”„En.… wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem gedood?”„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is[282]besloten hem bij Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de ongeduldige vraag des Zwitsers.De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag, bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze schutters naar omstandigheden zouden kunnen[283]handelen. Alvorens evenwel op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten, verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken, terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had moeten neerschieten.„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de moins.”Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der gevallenen in de mandjes[284]der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan, maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden. Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven, totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er niet aan te denken, het[285]vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil: „eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!Maar.… wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf getroffen te worden bloot.Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing aan dien blik, het[286]was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht, naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen, wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit; maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren. Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams[287]bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde plekken van den lijder.Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten derflotillemedegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was, gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten[288]van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken. Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg naar het bosch in.De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich. Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken, in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn toestand[289]eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam, waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik; zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die, evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting afgesleten was, prevelde hij:„Olo bapoeti!” (een blank mensch).Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden, hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder) lispelde hij bijna onhoorbaar.„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.[290]„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder afzonderlijk de hand schudde.Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd, waarop zijn aanvaller uitroepende:olo bapoeti, zich op hem geworpen en hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om door de redding van een withuid weer[291]op een meer vredelievenden voet met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het „toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à driem.m.indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van tweerijengaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou. Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met[292]citroensap, hetgeen denpatiëntwoest deed huilen en tieren van pijn. Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door deonverdraaglijkepijnen, die hij te verduren had, had hij zijn bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich omringd door zijn makkers.„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier. Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld, dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar geteekend.Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en kinderen, dat niets bijzonders aanbood,[293]maakte een ieder zich tot vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende deflotillede Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede, om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag gezworen; maar.… de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt. Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als dat nu geschied was.[294]

[Inhoud]XXX.Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer, verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en kokenden stroom,[277]die, van boven af gezien, zich als een band van glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was, daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel meer te halen dan het onverschillige:„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te doen.)[278]Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar.… de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers, waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende rotsblokken in den grond geploegd[279]hadden, waren allerwege verpletterde menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren. En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die woudloopers den blik af en haastten zich voort.Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan, overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat[280]bosch, aanboden. Op sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast lieten.„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd. Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden, terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen. Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen[281]voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen. Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”„En.… wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem gedood?”„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is[282]besloten hem bij Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de ongeduldige vraag des Zwitsers.De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag, bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze schutters naar omstandigheden zouden kunnen[283]handelen. Alvorens evenwel op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten, verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken, terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had moeten neerschieten.„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de moins.”Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der gevallenen in de mandjes[284]der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan, maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden. Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven, totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er niet aan te denken, het[285]vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil: „eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!Maar.… wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf getroffen te worden bloot.Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing aan dien blik, het[286]was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht, naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen, wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit; maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren. Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams[287]bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde plekken van den lijder.Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten derflotillemedegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was, gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten[288]van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken. Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg naar het bosch in.De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich. Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken, in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn toestand[289]eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam, waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik; zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die, evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting afgesleten was, prevelde hij:„Olo bapoeti!” (een blank mensch).Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden, hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder) lispelde hij bijna onhoorbaar.„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.[290]„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder afzonderlijk de hand schudde.Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd, waarop zijn aanvaller uitroepende:olo bapoeti, zich op hem geworpen en hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om door de redding van een withuid weer[291]op een meer vredelievenden voet met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het „toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à driem.m.indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van tweerijengaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou. Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met[292]citroensap, hetgeen denpatiëntwoest deed huilen en tieren van pijn. Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door deonverdraaglijkepijnen, die hij te verduren had, had hij zijn bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich omringd door zijn makkers.„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier. Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld, dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar geteekend.Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en kinderen, dat niets bijzonders aanbood,[293]maakte een ieder zich tot vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende deflotillede Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede, om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag gezworen; maar.… de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt. Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als dat nu geschied was.[294]

XXX.Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.

Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.

Vervolging.—Een bende Doessonners overvallen.—De Kiham Batoe Naroi.—De rangkan tusschen twee vuren.—Schlickeisen gered.—De Kahajan op.—Harimaoung Boekit verwonderd.—Schlickeisen getoetangd.—Terug naar Oepon Batoe.—Vooruit naar soengei Miri.

Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer, verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en kokenden stroom,[277]die, van boven af gezien, zich als een band van glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was, daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel meer te halen dan het onverschillige:„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te doen.)[278]Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar.… de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers, waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende rotsblokken in den grond geploegd[279]hadden, waren allerwege verpletterde menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren. En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die woudloopers den blik af en haastten zich voort.Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan, overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat[280]bosch, aanboden. Op sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast lieten.„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd. Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden, terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen. Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen[281]voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen. Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”„En.… wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem gedood?”„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is[282]besloten hem bij Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de ongeduldige vraag des Zwitsers.De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag, bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze schutters naar omstandigheden zouden kunnen[283]handelen. Alvorens evenwel op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten, verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken, terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had moeten neerschieten.„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de moins.”Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der gevallenen in de mandjes[284]der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan, maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden. Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven, totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er niet aan te denken, het[285]vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil: „eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!Maar.… wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf getroffen te worden bloot.Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing aan dien blik, het[286]was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht, naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen, wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit; maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren. Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams[287]bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde plekken van den lijder.Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten derflotillemedegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was, gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten[288]van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken. Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg naar het bosch in.De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich. Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken, in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn toestand[289]eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam, waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik; zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die, evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting afgesleten was, prevelde hij:„Olo bapoeti!” (een blank mensch).Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden, hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder) lispelde hij bijna onhoorbaar.„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.[290]„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder afzonderlijk de hand schudde.Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd, waarop zijn aanvaller uitroepende:olo bapoeti, zich op hem geworpen en hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om door de redding van een withuid weer[291]op een meer vredelievenden voet met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het „toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à driem.m.indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van tweerijengaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou. Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met[292]citroensap, hetgeen denpatiëntwoest deed huilen en tieren van pijn. Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door deonverdraaglijkepijnen, die hij te verduren had, had hij zijn bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich omringd door zijn makkers.„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier. Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld, dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar geteekend.Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en kinderen, dat niets bijzonders aanbood,[293]maakte een ieder zich tot vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende deflotillede Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede, om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag gezworen; maar.… de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt. Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als dat nu geschied was.[294]

Dat was een vreeselijke bevinding voor Johannes. In zenuwachtige haast doorzocht hij de tomoi en den geheelen beperkten omtrek daarvan, zonder iets verder te ontdekken. Daarna beklom hij in allerijl den Oepon Batoe en gaf kennis aan zijn makkers van het ongeluk dat hen allen trof. Met de diepste verslagenheid vernam vooral Wienersdorf dat relaas en beweende met bittere tranen het uiteinde van zijn trouwen makker, van zijn landsman. Want dat Schlickeisen niet meer tot de levenden behoorde, daaraan viel bijna niet te twijfelen, dat stond vast bij hem niet alleen, maar ook bij alle kottabewoners. Zeer waarschijnlijk waren de gewonden, na het vertrek hunner makkers, door een troepje Doessonners overvallen geworden; de Zwitser was ook gesneld, maar bij de worsteling was het onthoofde lijk te water geraakt en door den stroom medegesleept geworden. Een tweede veronderstelling, die geopperd werd, was dat Schlickeisen wellicht gelegenheid had gevonden in het water te springen, om zich zoo te redden. Hij was een behendig zwemmer, verzekerde Wienersdorf. Maar Harimaoung Boekit wees op den wilden en kokenden stroom,[277]die, van boven af gezien, zich als een band van glinsterend wit schuim tusschen de rotsen der oevers heenwrong, en uitte de meening, dat geen wezen, indien het geen waterdier was, daardoor heen kon komen, zonder honderd malen op de puntige rotsen verscheurd te worden. Een derde veronderstelling, die de Europeanen zich nauwelijks durfden toelispelen, was dat de ongelukkige levend in handen der Doessonners gevallen en door hen weggevoerd was. Dat ware een gruwzaam lot. Zij wisten toch en hadden het reeds verscheiden maal gezien, hoe de volkeren hunner omgeving met de krijgsgevangenen omsprongen. En wanneer nu die Doessonners, die wel tot de ruwste stammen van Borneo’s binnenlanden konden gerekend worden, ontdekten dat hun gevangene een blanke was? O! die gedachte alleen deed hen ijzen. En toch klemde zich Wienersdorf met de vertwijfeling der wanhoop aan die hypothese vast. Zij liet ten minste iets doorschemeren van een sprankje hoop, dat hij en zijn vrienden hulp zouden kunnen aanbrengen, dat zij den rampzalige zouden kunnen redden. Hij bepleitte die gedachte met een vuur, dat door Johannes gedeeld werd, en het scheen ook hem niet onmogelijk, dat Schlickeisen krijgsgevangen gemaakt was; en zijn avontuurlijken aard getrouw, was de Sienjo dadelijk gereed in die richting werkzaam te zijn. Beiden beijverden zich nu het Poenanhoofd voor hun opvatting te winnen. Aanvankelijk gelukte dat slechts middelmatig, want met het apathische karakter van den inlander, als het zijn belangen niet raakt, en de uiterst geringe waarde, die een menschenleven doorgaans in zijn oog heeft, was uit zijn mond niet veel meer te halen dan het onverschillige:

„Naughe! kalotèh oewei.” (Wat kan het mij schelen! er valt niets aan te doen.)[278]

Maar onder de bezielende taal van die twee, werd eindelijk ook zijn hart warm en was hij voor de zaak gewonnen. Allereerst werd nu besproken, welke bende dien overval kon bewerkstelligd hebben en waarheen zij getrokken kon zijn. Maar hier was goede raad duur, de meeningen liepen nogal uiteen, totdat Wienersdorf voorstelde, dadelijk naar kotta Ohas in de soengei Miri te vertrekken, waaromheen Soerapatti zelf het beleg geslagen had. Op dien hoofdtroep toch zouden alle uitzwermende benden steunen en daarbij zich na volbrachte taak aansluiten. Ook was het zeer waarschijnlijk, dat alle krijgsgevangenen het opperhoofd zouden aangeboden worden. Dat was wel het beste, wat er te doen viel; en, leefde de ongelukkige nog, dan was met een zekere mate van stoutmoedigheid veel tot zijn redding uit te voeren. Maar.… de rangkans waren nog niet aangekomen. Wel waren zij van de hoogte der rots ver beneden strooms op de rivier ontwaard en door het scherpziend oog der inboorlingen herkend; maar daar de avond viel, kon op hun aankomst niet gewacht worden, die door het geringe aantal roeiers, waarmede de flotille bemand was, nog wel verscheidene uren kon vertraagd worden. Harimaoung Boekit sloeg dan ook voor: den tocht naar soengei Miri onmiddellijk te aanvaarden en daartoe den weg over land te kiezen. Hij en Amai Kotong verzamelden hun strijders, lieten hen een flink rantsoen rijst in hun mandjes medenemen en toen de zon aan de kim verdween, klom dat troepje Dajaks en Poenans, vergezeld van de drie Europeanen, in alle stilte den heuvel af en richtte zijn schreden behoedzaam door het bosch marcheerende, noordwaarts. Bij het afdalen van de hoogte kon La Cueille opmerken, welke vreeselijke uitwerking zijn krijgslist gehad had. In de diepe en breede voren, die de rollende rotsblokken in den grond geploegd[279]hadden, waren allerwege verpletterde menschelijke lichamen in de aarde ingedrukt. Hier zag men een verbrijzelden schedel, elders een opengereten buik, op een andere plaats eenige handen en voeten, die als met een mes afgesneden waren. En bloed, bloed overal. Het was een ontzettend gezicht. Zelfs de zoo vereelte gemoederen der Dajaks waren bewogen; met afgrijzen wendden die woudloopers den blik af en haastten zich voort.

Toen de voet van den heuvel bereikt was, slingerde het pad zich evenwijdig aan de Kahajan, nu eens die rivier zeer dicht naderende, dan weer, wanneer de stroom kronkelde en westwaarts om boog, er zich van verwijderende. Den geheelen nacht en den daarop volgenden dag werd met inspanning van alle krachten voortgemarcheerd, zonder dat iets van den vijand ontwaard werd. Bij het vallen van den avond werd op een geschikte plaats halt gehouden, om een paar uur uit te rusten en zich eenigszins te verkwikken, waarna de marsch weer vol moed aanvaard werd.

Had de maan niet helder geschenen, dan ware zoo’n nachtelijke marsch door een tropisch woud onmogelijk geweest. Nu nog bood hij aanmerkelijke bezwaren en waren de vermoeienissen en inspanningen, die vereischt werden, overgroot te noemen. Het pad was zoo smal, dat slechts man voor man—de ganzenmarsch noemde La Cueille dat—voortgetreden kon worden. Soms verloor het pad zich in de dichte struiken of slingerende lianen en was het scherpzinnige instinct der Poenans en hun plaatskennis noodig, om den troep voor verdwalen te behoeden. Allerwege lagen omvergevallen boomstammen over den weg, de een nog gaaf en als een ware slagboom, andere half vermolmd en vergaan, overblijfselen van woudreuzen, die ook nu nog ongelooflijk moeilijke beletselen, bij het wonderlijke maanlicht in dat[280]bosch, aanboden. Op sommige plaatsen moest met den mandauw in de hand een doortocht te midden der doornachtige slingerplanten gebaand worden, die de schamele kleeding der reizigers havenden en hun huid niet altijd onaangetast lieten.

„Chien de pays!” bromde La Cueille, „ik zal er uitzien, of ik met al de katten van de Dajaklanden gestoeid heb.”

Het kon ongeveer middernacht zijn—men was eenigen tijd over een grasvlakte voortgetrokken, die geen beletselen aanbood en zich onder de kruinen van ver uit elkander staand hoog geboomte uitstrekte—toen een der Poenans waarschuwde, dat hij in de nachtelijke stilte een verdacht gerucht op een korten afstand gehoord had; hij beweerde zelfs menschenstemmen vernomen te hebben. Harimaoung Boekit prevelde zacht eenige woorden, waarop hij met een zestal zijner makkers zich op den grond lieten vallen en over het gras voortslopen. Gedurende een kwartieruur stond het overige gedeelte van den troep ademloos stil, in gespannen verwachting. Eensklaps verhieven zich eenige kreten van angst, van woede en van vertwijfeling, waarna alles weer doodstil werd. Die stilte duurde niet lang, want weldra verschenen de Poenans, waarvan twee hunner ieder een menschenhoofd bij de haren in de hand hielden, terwijl de vier anderen twee geknevelde gevangenen voortsleurden. Die beiden, geheel ongedeerd, waren in hun slaap zoo snel overrompeld geworden, dat zij geen tijd gehad hadden, om zich te weer te stellen. Het meerendeel hunner makkers was of gedood of zwaar gewond. In de verbijstering van het oogenblik hadden de overigen met apenvlugheid hun heil in de vlucht gezocht. Johannes ondervroeg de gevangenen, die eerst niet wilden antwoorden en in hun vermetele woede zelfs beleedigingen[281]voor hun overwinnaars ten beste hadden. Maar toen hun ondervrager hun op een toon van gezag aan het verstand bracht, dat hij hen wel aan het spreken zoude krijgen; maar vooral toen hij een nieuwe beleedigende uitdrukking van een hunner met een flinken vuistslag tusschen de beide oogen beantwoordde, die het den wrevelen groen en geel voor de oogen deed worden, toen werden zij gedweeër en vertelden, hoewel hortend en stootend, alsof ieder woord met geweld er uitgehaald moest worden, dat zij tot een bende behoorden, die het land afliep, om te plunderen, en dat zij van het wedervaren hunner stamgenooten weinig afwisten. Wel was hun verteld, dat bij een uitbarsting van den Oepon Batoe veel der hunnen omgekomen waren, maar dat daarbij ook al de bewoners der kotta den dood gevonden hadden; de eigenlijke toedracht schenen zij evenwel niet te weten. Zij verhaalden verder, dat de Doessonners een menigte koppen buitgemaakt hadden en dat hun een blanke in handen was gevallen. Ademloos hoorden onze vrienden dat bericht aan, terwijl Harimaoung Boekit verbaasd opkeek. Zoo kalm als hem maar mogelijk was, vroeg Johannes, hoe die blanke hier in deze streken kon gekomen zijn.

„Djaton tau” (dat weet ik niet) was het antwoord, „maar wij hebben hem gezien, hij lag aan handen en voeten gebonden in een rangkan; men had hem zijn baaitje afgescheurd. Zijn gezicht en handen waren bruin als die van een onzer; maar zijn borst en rug waren blank, hoewel men zien kon, dat hij zich de huid met katiting geverfd had.”

„En.… wat is er met dien blanke gebeurd?” vroeg Wienersdorf met aarzeling, als vreesde hij die vraag te stellen. „Heeft men hem gedood?”

„Neen, hoewel velen op zijn dood aandrongen, is[282]besloten hem bij Tomonggong Soerapatti te brengen. Die zal hem wel aan de Hollanders te Bandjermasin uitleveren, met wien hij gaarne vrede wil sluiten.”

„Dus de gevangene is ongedeerd! Maar waar is hij nu?” was de ongeduldige vraag des Zwitsers.

De gevangenen aarzelden, keken elkander aan en bewaarden het stilzwijgen, ook toen de vraag door Johannes met allen ernst herhaald werd. Maar toen La Cueille zijn vingerdikken rottan fluitend op den rug der weerspannigen liet nederkomen en die tuchtiging bij langer stilzwijgen herhaalde, was de tegenstand spoedig gebroken. Zij verhaalden toen, dat zij den rangkan, waarin de gevangen blanke lag, bij zonsondergang gezien hadden hier dicht bij, aan den oever der rivier, alwaar de roeiers den nacht dachten door te brengen.

Onmiddellijk werd opgebroken, om te trachten dat vaartuig te overvallen. En werkelijk, nog geen kwartier later, toen men de boorden der Kahajan naderde, werd een rangkan ontwaard, die evenwel onraad bespeurende, ijlings afstak om den overkant der rivier te bereiken. Wel losten de Europeanen een paar schoten op het vluchtende vaartuig, maar weldra was het onder de zwarte schaduwen van het zware bosch aan de overzijde uit het oog verdwenen. Toen evenwel de schoten geknald hadden, had men duidelijk de woorden: „hilf! hilf!” gehoord. Men was dus op het goede spoor en onze zwervelingen hadden de overtuiging verkregen, dat hun makker nog leefde. Er werd nu raad gehouden wat te doen. Het Poenanhoofd gaf te kennen, dat de Doessonners genoodzaakt zouden zijn de rivier te houden, daar de Kahajansche bevolking hun vijandig was. Hij verzekerde een pad te kennen, dat hen spoedig bovenstrooms van de vluchtelingen zoude brengen en alwaar onze schutters naar omstandigheden zouden kunnen[283]handelen. Alvorens evenwel op te breken, moest nog aan een wreede noodzakelijkheid gehoorzaamd worden. De twee Doessonsche krijgsgevangenen waren tot hier medegenomen; hen verder mede te voeren, zou vertraging veroorzaken en bijgevolg den uitslag van den tocht in gevaar kunnen brengen. Hen vrijlaten, zooals Wienersdorf voorsloeg, was nog minder doenlijk, daar zij hun zeer waarschijnlijk een geheele bende vijanden op den hals zouden halen. Na nog een voorstel van La Cueille, om hen ongewapend aan een boom te binden en hen zoo aan de genade Gods over te laten, verworpen te hebben als noodeloos wreed, in geval niemand daar voorbijkwam, of dat Kahajanners dien weg volgden, of als hoogst gevaarlijk, wanneer zij door stamgenooten bevrijd werden, fluisterde Johannes den Waal iets in het oor, waarop deze toestemmend knikte. De marsch werd daarop hervat, waarbij La Cueille, die met de bewaking der gevangenen belast was, den troep voorbij zich heen liet trekken, terwijl Wienersdorf en Johannes aan het hoofd bleven. Niet lang was men alzoo voortgetrokken, toen plotseling twee geweerschoten vernomen werden en de Waal buiten adem kwam aanloopen, om te vertellen, dat zijn gevangenen gepoogd hadden te ontvluchten, bij welke poging hij hen had moeten neerschieten.

„Après tout,” voegde hij er luchthartig bij, „ce sont deux canailles de moins.”

Of Wienersdorf die ontvluchtingspoging geloofde? Helaas! hij begreep maar al te wel de noodzakelijkheid van die menschenoffers, die tot redding zijns makkers gevallen waren. Hij kon zijn lotgenooten de list niet euvel nemen, die zij gebezigd hadden, om zijn gevoeligheid te sparen. Maar met een gebaar van afschuw zag hij de bloedige hoofden der gevallenen in de mandjes[284]der Poenans verdwijnen. Voor deze laatsten was de buit te schoon voorgekomen, om hem achter te laten.

Met versnelden tred werd nu voorwaarts gemarcheerd en de dageraad begon aan te breken, toen de troep een hoogte bereikte, die evenals Oepon Batoe zich aan den oever verhief, terwijl de rivier als een woeste waterval naar beneden schoot. Dat was de Kiham Batoe Naroi, wel de moeielijkste en langste van alle stroomversnellingen op de Kahajan, maar toch de minst gevaarlijke, omdat het vaarwater voldoende breed blijft. Bij die hoogte aangekomen, verdeelde Harimaoung Boekit het troepje in twee ongelijke deelen, waarvan het kleinste met Amai Kotong en Wienersdorf de hoogte beklom en in een uitholling van den rotswand post vatte in dier voege, dat zij bij een kromming der rivier de opwaartsvarenden een geheel eind met hun vuur konden bestrijken. Het andere gedeelte stelde zich aan den voet van den heuvel op, om wanneer de Doessonners zouden willen terugkeeren, hun den pas af te snijden. Beide troepen moesten achter rotsen en struiken verborgen blijven, totdat het oogenblik van handelen daar zou zijn.

Zooals het Poenanhoofd voorzien had, duurde het nog een poos, alvorens de verwachte rangkan zich vertoonde. Maar eindelijk kwam hij in het gezicht. Al dadelijk konden de verspieders zien, dat het vaartuig door een twintigtal roeiers bemand was, maar van den gevangene was door den afstand nog niets te bespeuren. Toen de rangkan dichter bij gekomen was, kon men eindelijk zien, dat Schlickeisen naakt, en aan handen en voeten gebonden, op den bodem van het vaartuig lag en in deerniswaardigen toestand scheen te verkeeren. Langzaam stevende de rangkan de gevaarlijke passage in. Hier in het vijandelijke land was er niet aan te denken, het[285]vaartuig langs een kabel te halen; daartoe zou men aan wal hebben moeten stappen. Alleen met roeien moest de zware stroom gebroken worden en dat was een moeielijke taak. Zwoegend plasten de roeiers hun pagaaien in het water en spanden alle kracht in. Soms schoot de rangkan gedwee vooruit, maar soms ook was het of hij stil stond op de schuimende wateren. Dan klonk het aanmoedigende gegil: „eoh! eoh! pambeseai goeloengoeloeng!” (vooruit! roeit snel!) dan verkortte de tijdmaat van den roeislag, dan sloegen de pagaaien dieper in het water, dan verdubbelde de inspanning en zoo werd het moeielijke punt te boven gekomen. Zoo was een geruimen tijd voortgetobt. Nog een krachtige inspanning, dan zou de kiham bestegen en de rangkan in kalm water gekomen zijn. Dus nogmaals: vooruit! vooruit!!

Maar.… wat was dat? Daar knalde een schot en de voorste roeier liet zijn pagaai glippen, terwijl hij doodelijk getroffen achterover tegen zijn makkers aanviel. Nogmaals klonk een schot, nogmaals en nogmaals en andermaal en allen met hetzelfde doodelijk gevolg. Ah! nu kende Wienersdorf geen ziekelijke menschenmin meer; het gold thans zijn trouwen makker te redden. Geen kogel mocht missen, want missen op dat kleine doel, stelde dien makker aan het grootste gevaar van zelf getroffen te worden bloot.

Als een bronzen standbeeld lag hij daar geknield, de kolf van zijn goed geweer tegen den schouder gesteund, het hoofd er even langs heen gebogen, terwijl de linkerhand het wapen met een vastheid, een kalmte omklemd hield, die iedere valsche beweging buitensloten. Het oog had slechts een blik voor de vizierkeep, waardoor het de korrel zocht, om die als in een lijn op gindsch doel te richten. Zijn geheele ziel hing aan dien blik, het[286]was of zijn bestaan, zijn alles geketend was aan die denkbeeldige lijn, die zijn kogel den weg moest wijzen. Middelerwijl bewoog hij, zonder adem te durven halen, den wijsvinger van de rechterhand zacht en zonder rukken op den trekker, deed dien bedaard en regelmatig overgaan en zond zoo met wisse hand kogel op kogel te midden van dat vaartuig, dat een seconde te voren, voor geen gevaar beducht, naar boven stevende en met den zwaren stroom worstelde.

Vier roeiers waren reeds getroffen, alvorens de opvarenden begrepen, wat er gaande was. Door het geloei der wateren was het eerste schot niet door allen gehoord, maar toen een tweede, een derde, een vierde hunner gekwetst, zich daar akelig in de hevigste pijnen op den bodem des rangkans wrongen, toen kwam er een oogenblik van aarzeling; vooral toen de opvarenden duidelijk de blauwe rookwolkjes van de schoten langs den rotswand zagen omhoog kronkelen. Toch nog bracht de aanvoerder der bende een oogenblik van beradenheid te weeg. Op zijn geroep van „beseai bewèi!” (roeit flink) spoedde het vaartuig nog eens krachtig vooruit; maar daar knalden andermaal achter elkander drie schoten, die weer drie roeiers zwaar verwondden, toen was er geen houden meer aan. De overblijvenden sloegen hun pagaaien ruggelings te water en onder dien aandrang en voortgezweept door den zwaren stroom schoot de rangkan terug den kiham af. Maar nu weerklonk ook het geweervuur van achteren. Thans was het de beurt van Johannes en La Cueille om bewijzen hunner bedrevenheid te geven, en, al konden zij niet bogen op een vaste hand als de Zwitser, hun kogels verdwaalden niet en weldra waren de verliezen der Doessonners van zoodanigen aard, dat de overblijvenden in hun vertwijfeling, nog voor dat het benedeneinde des woesten kihams[287]bereikt was, te water sprongen, om zich met zwemmen te redden. Dat was het oogenblik, dat Harimaoung Boekit verwachtte. Terwijl thans al de geweerdragenden een hevig vuur op de vluchtelingen openden, begaven hij en zijn Poenans zich te water. Als waterrotten doorkliefden zij den stroom, grepen den verlaten rangkan bij de boorden en brachten hem behouden aan den wal; evenwel zoo snel niet, of Wienersdorf, die den gang van het drama had kunnen gadeslaan, was bij het landen tegenwoordig. O! wat had hij angstige oogenblikken doorgestaan! Toen de rangkan aan wal kwam, boog hij er angstig over heen. God! wat een aanblik. Daar lag Schlickeisen schier naakt, in bewusteloozen toestand en blijkbaar de hevigste koorts ten prooi. De hals, de borst en de rug waren zeer ontstoken en opgezet en met honderden kleine wondjes overdekt. Daarenboven was het, alsof die lichaamsdeelen met een soort van blauwe verf overdekt waren. Spoedig verzamelde Wienersdorf eenige hoofddoeken zijner omgeving, waschte die schoon uit en lei ze daarna met koel en helder rivierwater gedrenkt, op het voorhoofd en de wonde plekken van den lijder.

Daarna beraadslaagde men wat met den zieke uit te voeren. Vooruit naar soengei Miri, was wel het meest verlokkende, wijl men daar het dichtste bij was; maar de munitie, die onze dapperen bij het verlaten derflotillemedegenomen hadden, was beperkt geweest en bij de verdediging van kotta Oepon Batoe was die grootendeels verbruikt. Onder den invloed van het ongeduld, om hun makker te hulp te snellen, was daaraan minder gedacht en had men zich voortgespoed. Maar nu Schlickeisen gered was, gebood de voorzichtigheid met dat gebrek aan kruit en lood ernstig rekening te houden, vooral daar de geringe voorraad door het beschieten[288]van den rangkan nog meer geslonken was en men berekenen kon, dat men bij het naderen van kotta Ohas met een overmachtigen vijand te doen zoude hebben. Er werd dan ook besloten naar Oepon Batoe terug te keeren. Maar de veroverde rangkan kon slechts omstreeks dertig personen bevatten, terwijl de troep vijftig sterk was. Na eenig beraad kwam men overeen, dat Amai Kotong met eenige zijner Kapoeassers en een gedeelte der Poenans over land naar kotta Rangan Hanoengoh zouden vertrekken. Dit troepje zoude uiterst omzichtig moeten marcheeren; want een ontmoeting met een of andere bende was niet onmogelijk. Tien hunner zouden met geweren gewapend zijn en daarmede achtten zij zich onoverwinnelijk tegenover de Doessonners. Daarenboven kenden zij het terrein uitstekend en was de weg, dien zij in rechte lijn af te leggen hadden, veel korter dan de waterweg van die veelvuldig kronkelende rivieren. En eindelijk hadden zij van de bevolking dezer streken alle hulp te verwachten. De beslissing was dan ook snel genomen; de rangkan voer de Kahajan af en Amai Kotong sloeg met zijn kleine bende den weg naar het bosch in.

De koele omslagen, die Wienersdorf zijn kameraad op de gewonde deelen gelegd had, misten hun gunstige uitwerking niet. Johannes en La Cueille hadden van eenige stokken en wat bladeren een afdak boven den lijder gemaakt, dat hem tegen de brandende stralen der zon beveiligde. Niet lang na het vertrek opende Schlickeisen de oogen en keek rondom zich. Een beweging, die hij maakte, perste hem een smartkreet af. Zijn makkers bogen zich over hem, ververschten de omslagen, hetgeen den lijder een gevoel van welbehaaglijkheid verschafte, lieten hem drinken, in een woord, verleenden hem liefdevol die verzorging, welke zijn toestand[289]eischte. Toen zij zagen, dat de koorts geweken was, waschten zij zijn lichaam af, door welke handeling de blauwe kleur, waarmede hij ingesmeerd scheen, verdween en de bijna blanke huid te voorschijn kwam, waarin ontelbare wondjes geprikt waren. Op het gezicht van die huid zette Harimaoung Boekit groote oogen op. Hij boog zich voorover, bekeek den lijder aandachtig en vestigde daarop zijn oog onderzoekend eerst op Johannes en La Cueille, daarna op Wienersdorf. Allen voelden dien blik; zij voelden dat iets beslissends plaats greep. Wienersdorf scheurde zijn baatje open en, in den kring, waarin die vier mannen om den lijder gehurkt zaten, ontblootte hij zich de schouders en vertoonde die, evenwel zoo dat de roeiers er niets van zien konden, aan het Poenanhoofd. Toen deze de blanke huid zag, waarvan de katiting afgesleten was, prevelde hij:

„Olo bapoeti!” (een blank mensch).

Een oogenblik zat de woudzoon daar als versuft. Hij bedekte zich de oogen met beide handen, als vreesde hij te zien vooral in zijn binnenste, waar vreeselijke hartstochten loeiden. Maar zijn verbijstering duurde slechts kort. In die weinige sekonden evenwel was hem het gebeurde op het vlot in Danau Ampang voor den geest getreden, hij had zich herinnerd, hoe Wienersdorf en Schlickeisen hem bij kotta Djankang gered hadden, toen hij gestrikt, als een wild dier voortgesleurd werd. Met een gebaar als veegde hij een onwelkome gedachte van zijn voorhoofd weg, verhief hij het gelaat, vestigde een open blik op Wienersdorf en vatte hem bij de hand:

„Naughe! ikau kakangkoe” (om het even! gij zijt mijn oudere broeder) lispelde hij bijna onhoorbaar.

„En die?” vroeg de Zwitser op de drie overige Europeanen wijzende.[290]

„Adingkoe!” (mijn jongere broeders) sprak de Poenan, terwijl hij ieder afzonderlijk de hand schudde.

Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van Johannes, die dat geheele tooneel met angstig kloppend hart had aangestaard. Men kwam nu overeen dat de Europeanen hun vermomming voor hun omgeving zouden blijven behouden. Later zouden zij hun geschiedenis verhalen.

De aandacht werd nu verder op Schlickeisen gevestigd. Harimaoung Boekit beweerde, dat zijn toestand niets te beteekenen had en verklaarde, dat hij eenvoudig getatouëerd was. En werkelijk, toen de ontsteking zijner wonden geheel geweken was, verhaalde de Zwitser dat hij, na het verdwijnen zijner makkers bij de rotsbeklimming, met de vier gewonde Dajaks, slechts oog en oor hebbende voor hetgeen boven op Oepon Batoe plaats had, door een troep Doessonners was overvallen, die zich in een vaartuig de rivier hadden laten afzakken. Zij waren plotseling van achter den Batoe Soeli te voorschijn gekomen, en de overval was zoo spoedig geschied, dat de Dajaks onthoofd waren, voordat zij zich te weer konden stellen. Hij zelf was dat lot slechts ontkomen, door dat bij de worsteling zijn baatje scheurde en zijn huid zichtbaar werd, waarop zijn aanvaller uitroepende:olo bapoeti, zich op hem geworpen en hem met beide armen omstrengeld had, hetgeen te gemakkelijker kon geschieden, daar hij zich wegens zijn gewonden arm niet krachtig kon verdedigen. In een oogwenk was hij gekneveld en voerden de Doessonners hem gevankelijk mede. Hij hoorde hoe zijn overwinnaars er over spraken hem naar Tomonggong Soerapatti te willen brengen en hoe die hem waarschijnlijk aan het bestuur te Bandjermasin zouden uitleveren, om door de redding van een withuid weer[291]op een meer vredelievenden voet met de Hollanders te geraken. Natuurlijk konden zij niet gissen welk belang de Nederlanders hadden, een dier deserteurs in handen te krijgen. De gedachte evenwel dat een blanke, die hun in handen was gevallen, gespaard zoude worden en dat zijn kostbare schedel hun ontgaan zou, scheen wrevel bij die woestaards te wekken, en zoo kwamen zij op het denkbeeld hun gevangene te tatouëeren, om bij wijze van aardigheid het Nederlandsch Indische Gouvernement een getatouëerden blanke aan te bieden. Een der aanwezenden haalde een „pantoek,” een priknaald voor den dag en begon den gevangene daarmede de kleine wondjes toe te brengen, welker menigte de grillige figuren van het „toetang” (tatoueering) moesten vormen. Die inprikking had plaats, door de naald met de punt ter bestemder plaats op de huid te zetten en er dan met een stuk hout zoodanig op te slaan, dat zij twee à driem.m.indrong. Daar men met een gevangene te doen had, werd niet zeer zachtzinnig met hem omgesprongen en werd de naald veelal dieper in het vleesch gedreven, dan wel stipt noodig was. Eerst werd om den hals en het middel van het slachtoffer een kring van drie rijen gaatjes geprikt, waarna die kringen door drie rechte lijnen, ieder van tweerijengaatjes, op de borst—waarvan twee over de tepels en een over het midden der borstkas getrokken—en op den rug door een, welke over de ruggestreng ging, vereenigd werden. Toen dat klaar was, wilde de operateur zijn werk vervolgen, en de ruimte tusschen de lijnen met grillige arabesken aanvullen; maar een zijner makkers deed hem opmerken, dat de lijder dat niet verdragen, maar zeker bezwijken zou. Daarom staakte hij het prikken en wiesch nu de wondjes eerst met heet water, om een overvloedige verbloeding te bevorderen, en daarna met[292]citroensap, hetgeen denpatiëntwoest deed huilen en tieren van pijn. Toen de wondjes ten gevolge van die laatste wassching behoorlijk ontstoken en hevig gezwollen waren, werden zij met een papachtige indigo-oplossing ingesmeerd; waarna de lijder in de hevigste pijnen zonder een teug waters en zonder eenige dekking in den fellen zonneschijn aan zijn lot overgelaten werd. Een koortsachtige toestand was daarop ingetreden, die hem het bewustzijn had doen verliezen. Des nachts was hij een oogenblik uit zijn verdooving opgeschrikt door een paar geweerschoten; hij had toen om hulp geroepen; maar gefolterd door deonverdraaglijkepijnen, die hij te verduren had, had hij zijn bewustzijn weer verloren. Toen hij tot zich zelf kwam, zag hij zich omringd door zijn makkers.

„Cré matin!” lachte La Cueille, „je bent door het oog van een naald gekropen; maar eigenlijk is het jammer, dat de kerels je niet ten einde toe beschilderd hebben; je zoudt er uitzien als een behangselpapier. Kijk, net als die Poenan daar. Wat zou je mooi zijn! Nu zal je al veel bekijks hebben van de meisjes in Zwitserland.”

De zieke glimlachte flauw over den uitval; toen echter zijn vrienden de koele omslagen nog eens vernieuwd hadden, viel hij in een weldadigen slaap, waaruit hij niet eerder ontwaakte, dan toen de rangkan te kotta Oepon Batoe aangekomen was. Hij gevoelde zich toen zoo ver hersteld, dat hij zonder iemands hulp aan wal kon stappen. Wel waren de geprikte deelen nog uiterst pijnlijk, maar de ontsteking was geheel geweken en van koortsachtigheid geen spoor meer. Maar door die kringen en die lijnen was onze Schlickeisen voor zijn geheele leven onuitwischbaar geteekend.

Na een korte kennismaking met het wedervaren van de vrouwen en kinderen, dat niets bijzonders aanbood,[293]maakte een ieder zich tot vertrek gereed; en nog voordat de avond gevallen was, stevende deflotillede Kahajan om. Harimaoung Boekit wilde geen uur verloren laten gaan, om het benarde kotta Ohas te hulp te vliegen. Bij den helderen maneschijn werd onverpoosd voortgeroeid; de vrouwen deden zelfs mede, om de afwezige Poenans te vervangen. Maar al die haast en al die inspanning waren geheel vruchteloos; want toen de rangkan, tegen het middaguur Toembang Miri instevende, kwam hun een zwaar bemand vaartuig te gemoet, dat het nieuws bracht, dat Amai Kotong met zijn troepje te kotta Rangan Hanoengoh was aangekomen en de niet minder belangrijke tijding, dat Tomonggong Soerapatti bij het vernemen van de vreeselijke nederlaag der zijnen voor Oepon Batoe, het beleg van kotta Ohas had opgebroken en met het overschot zijner krijgsmacht naar de Doessonlanden was teruggekeerd. Wel had hij bij zijn vertrek den Dajaks van Kahajan en van Kapoeas een vreeselijke wraak voor die nederlaag gezworen; maar.… de bewoners dier streken waren hem nu al vast kwijt. Keerde hij later terug, dan zou men hem met evenveel moed bekampen, als dat nu geschied was.[294]


Back to IndexNext