[Inhoud]XXXIV.De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—TeKoetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest door elkander geworpen natuur te vertoonen.Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruisen,[347]maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden,[348]om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding, die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook zulke tooneelen te vinden?”„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet waar?” sprak Johannes gemelijk.„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n waterval wat op te poetsen?”„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt en in Zwitserland mocht verzeild[349]raken, ga dan den val van die beek bij avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te zien.”„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging in zijn stem.„He! waarom zul-je daarvoor passen?”„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg, dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren. Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen. Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.… Maar, om tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en geluk wenschen.”„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een oorlam niet ver af is.”Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja James Brooke. Mij dunkt dat het[350]wel een gelukwensch waard is. De meeste en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde. Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening trillende stem.„Goddank!” riep Schlickeisen.„Béniesoit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs den vlaggestok.[351]Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de lijn. Zij schijnt.… maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak, trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren, krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman” een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe, dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend vertrekt de „Firefly” naarKoetshing; met die kunt gij de reis medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar Singapore te brengen.”De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn, die zij in[352]gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes, waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”. Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden. Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te brengen.Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken, de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van Wienersdorf en lispelde:„Nu zijt gij mijn alles!”Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de innigheid daarvan overtuigde haar, dat de[353]man, voor wien zij alles op aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort, de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over het fort is opgedragen.”„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn voorgehouden. Zoo wordt ero.a.in voorgeschreven, dat om zich te overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen[354]moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van den stap van den schildwacht.”„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van de plattelandsgarde civiquein mijn land nog voor zij hun kemelsharen galons verwerven.”„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n fort moet onneembaar zijn.”„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten die?”„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk. De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar ontlast, heet soengei Sakarang.”De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de Sarawak-rivier,[355]binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan. Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te leveren.Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen,d.w.z.als individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om hun huid op te bleeken.„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille herkennen.”„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je trekt.”Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.[356]„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen. Gebruik je nu vlijtigeau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi” (baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden rondgezworven.De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken met aandoening[357]naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan den gezichteinder verdwijnen zag.„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af, waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en zocht toen troost bij haar gemaal.Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek, dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud, om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand te helpen. Door zijn tusschenkomst[358]maakten zij hun stofgoud en hun bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat, na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim 25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor en na over zijn deel beschikken.De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band onder zoo vreemde omstandigheden gesloten,[359]in weerwil dat de geboden niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude laten bekrachtigen.Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had; hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den in 1825 vermoorden GeorgMüllerafkomstig was. Getroffen nam de consul dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land- en volkenkunde te Batavia aan te bieden.Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers vanNew Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe, mailboot der Franschemessagéries impérialeslag met stoom op en tot vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep Johannes hen na:„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka in.[360]. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam, vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo zeer over die desertie; maar Secretarie en IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand geen zondebok was aan te wijzen. Maar.… behelsden die rapporten wel de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak, daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt. De IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren troosteloos.[361]Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg hij een lumineus idée.„In het jaar 1800.… laat zien,.… zeven?… neen, acht en vijftig werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement gekort.”„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem spaart de moeite van te denken uit.”„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend[362]denkbeeld een voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.… hij is nog geen kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later nog wel dienst doen.”Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij uit:„Brave Kerle!!”En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand. Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.….”De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:[363]„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens hij dronk:„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)EINDE VAN HET TWEEDE EN LAATSTE DEEL.[369]
[Inhoud]XXXIV.De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—TeKoetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest door elkander geworpen natuur te vertoonen.Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruisen,[347]maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden,[348]om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding, die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook zulke tooneelen te vinden?”„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet waar?” sprak Johannes gemelijk.„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n waterval wat op te poetsen?”„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt en in Zwitserland mocht verzeild[349]raken, ga dan den val van die beek bij avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te zien.”„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging in zijn stem.„He! waarom zul-je daarvoor passen?”„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg, dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren. Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen. Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.… Maar, om tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en geluk wenschen.”„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een oorlam niet ver af is.”Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja James Brooke. Mij dunkt dat het[350]wel een gelukwensch waard is. De meeste en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde. Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening trillende stem.„Goddank!” riep Schlickeisen.„Béniesoit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs den vlaggestok.[351]Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de lijn. Zij schijnt.… maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak, trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren, krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman” een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe, dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend vertrekt de „Firefly” naarKoetshing; met die kunt gij de reis medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar Singapore te brengen.”De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn, die zij in[352]gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes, waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”. Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden. Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te brengen.Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken, de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van Wienersdorf en lispelde:„Nu zijt gij mijn alles!”Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de innigheid daarvan overtuigde haar, dat de[353]man, voor wien zij alles op aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort, de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over het fort is opgedragen.”„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn voorgehouden. Zoo wordt ero.a.in voorgeschreven, dat om zich te overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen[354]moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van den stap van den schildwacht.”„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van de plattelandsgarde civiquein mijn land nog voor zij hun kemelsharen galons verwerven.”„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n fort moet onneembaar zijn.”„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten die?”„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk. De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar ontlast, heet soengei Sakarang.”De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de Sarawak-rivier,[355]binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan. Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te leveren.Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen,d.w.z.als individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om hun huid op te bleeken.„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille herkennen.”„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je trekt.”Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.[356]„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen. Gebruik je nu vlijtigeau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi” (baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden rondgezworven.De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken met aandoening[357]naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan den gezichteinder verdwijnen zag.„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af, waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en zocht toen troost bij haar gemaal.Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek, dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud, om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand te helpen. Door zijn tusschenkomst[358]maakten zij hun stofgoud en hun bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat, na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim 25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor en na over zijn deel beschikken.De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band onder zoo vreemde omstandigheden gesloten,[359]in weerwil dat de geboden niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude laten bekrachtigen.Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had; hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den in 1825 vermoorden GeorgMüllerafkomstig was. Getroffen nam de consul dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land- en volkenkunde te Batavia aan te bieden.Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers vanNew Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe, mailboot der Franschemessagéries impérialeslag met stoom op en tot vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep Johannes hen na:„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka in.[360]. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam, vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo zeer over die desertie; maar Secretarie en IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand geen zondebok was aan te wijzen. Maar.… behelsden die rapporten wel de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak, daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt. De IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren troosteloos.[361]Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg hij een lumineus idée.„In het jaar 1800.… laat zien,.… zeven?… neen, acht en vijftig werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement gekort.”„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem spaart de moeite van te denken uit.”„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend[362]denkbeeld een voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.… hij is nog geen kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later nog wel dienst doen.”Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij uit:„Brave Kerle!!”En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand. Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.….”De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:[363]„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens hij dronk:„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)EINDE VAN HET TWEEDE EN LAATSTE DEEL.[369]
XXXIV.De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—TeKoetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.
De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—TeKoetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.
De afdaling van het Batang Loepar gebergte.—Een Borneosche waterval.—De grens overschreden.—Simangang.—Afscheid.—Op de „Firefly”.—Een Sarawaksch fort.—TeKoetshing.—Aan boord van de „Rainbow.”—Te Singapore.—Vertrek naar Europa.—Besluit.
Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest door elkander geworpen natuur te vertoonen.Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruisen,[347]maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden,[348]om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding, die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook zulke tooneelen te vinden?”„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet waar?” sprak Johannes gemelijk.„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n waterval wat op te poetsen?”„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt en in Zwitserland mocht verzeild[349]raken, ga dan den val van die beek bij avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te zien.”„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging in zijn stem.„He! waarom zul-je daarvoor passen?”„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg, dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren. Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen. Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.… Maar, om tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en geluk wenschen.”„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een oorlam niet ver af is.”Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja James Brooke. Mij dunkt dat het[350]wel een gelukwensch waard is. De meeste en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde. Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening trillende stem.„Goddank!” riep Schlickeisen.„Béniesoit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs den vlaggestok.[351]Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de lijn. Zij schijnt.… maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak, trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren, krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman” een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe, dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend vertrekt de „Firefly” naarKoetshing; met die kunt gij de reis medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar Singapore te brengen.”De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn, die zij in[352]gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes, waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”. Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden. Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te brengen.Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken, de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van Wienersdorf en lispelde:„Nu zijt gij mijn alles!”Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de innigheid daarvan overtuigde haar, dat de[353]man, voor wien zij alles op aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort, de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over het fort is opgedragen.”„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn voorgehouden. Zoo wordt ero.a.in voorgeschreven, dat om zich te overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen[354]moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van den stap van den schildwacht.”„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van de plattelandsgarde civiquein mijn land nog voor zij hun kemelsharen galons verwerven.”„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n fort moet onneembaar zijn.”„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten die?”„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk. De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar ontlast, heet soengei Sakarang.”De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de Sarawak-rivier,[355]binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan. Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te leveren.Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen,d.w.z.als individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om hun huid op te bleeken.„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille herkennen.”„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je trekt.”Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.[356]„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen. Gebruik je nu vlijtigeau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi” (baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden rondgezworven.De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken met aandoening[357]naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan den gezichteinder verdwijnen zag.„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af, waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en zocht toen troost bij haar gemaal.Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek, dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud, om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand te helpen. Door zijn tusschenkomst[358]maakten zij hun stofgoud en hun bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat, na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim 25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor en na over zijn deel beschikken.De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band onder zoo vreemde omstandigheden gesloten,[359]in weerwil dat de geboden niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude laten bekrachtigen.Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had; hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den in 1825 vermoorden GeorgMüllerafkomstig was. Getroffen nam de consul dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land- en volkenkunde te Batavia aan te bieden.Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers vanNew Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe, mailboot der Franschemessagéries impérialeslag met stoom op en tot vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep Johannes hen na:„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka in.[360]. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam, vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo zeer over die desertie; maar Secretarie en IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand geen zondebok was aan te wijzen. Maar.… behelsden die rapporten wel de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak, daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt. De IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren troosteloos.[361]Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg hij een lumineus idée.„In het jaar 1800.… laat zien,.… zeven?… neen, acht en vijftig werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement gekort.”„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem spaart de moeite van te denken uit.”„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend[362]denkbeeld een voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.… hij is nog geen kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later nog wel dienst doen.”Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij uit:„Brave Kerle!!”En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand. Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.….”De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:[363]„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens hij dronk:„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)EINDE VAN HET TWEEDE EN LAATSTE DEEL.[369]
Na het ontwaken en toen de nachtnevelen door de eerste zonnestralen weggeveegd waren, ontrolde zich een wonderschoon schouwspel voor de oogen onzer reizigers. De zuidelijke helling van het gebergte, hetwelk zij den vorigen dag beklommen hadden, was met hoogwoud bedekt, waardoor ieder vergezicht verhinderd was geweest. De zadelrug, waarop zij overnacht hadden, was ook nog overdekt met prachtexemplaren van de flora der intertropische hoogzone. Maar toen zij den rand der noordelijke helling naderden, was het alsof de rijke plantenwereld, die hen tot hier begeleid had, plotseling verdween, om slechts een woest door elkander geworpen natuur te vertoonen.
Ja, woest was hier het terrein in den volsten zin des woords. Door torenhoog op elkander gestapelde rotsen was de geheele helling gevormd, werd het afdalende pad soms versperd, waren poorten, kloven en huiveringwekkende doorgangen geopend, waardoor men somtijds niet dan gebogen of kruipend heen dringen kon. Hier gaapten gevaarlijke rotsspleten met niet te peilen afgronden, op welker bodem het oor den bergstroom hoorde bruisen,[347]maar dien het oog niet kon ontwaren. Elders verhieven zich rotskammen, steil, loodrecht, veelal somber overhellend en met dood en verderf dreigend. Toch troffen de reizigers te midden van dien chaos, door ontzettende natuurkrachten bij het vormen van den bodem teweeggebracht, soms oasen aan, welker bodem en zachte hellingen, met kort fijn gras bekleed, hier en daar gestoffeerd met een fraai gepluimden ceder, den Zwitsers een Alpenweide met haar dennen voor oogen tooverde en hun den uitroep ontlokte:
„Een park aangelegd in den verheven scheppingsstijl!”
Bij het betreden van een dier oasen, ontwaarden de reizigers een waterval, die op geringen afstand van hen langs een hoogen rotswand neerstortte. Met niet te verzadigen verrukking keken de Zwitsers naar den hoogen zwartblauwen diorietrand, scherp afgeteekend op het zachte hemelazuur, waar de waternimf haar fladderend gewaad in het ijle liet zweven. De soengei Oendoep—zoo heette die beek—in haar loop door een paar rotsblokken gestremd, stortte haar wateren ongeveer 400 voet naar beneden. Prachtig groenblauw genuanceerd, zou de voornaamste stroomarm langs den loodrechten rotswand als een kristallen straal den dalbodem bereikt hebben; maar halverwege ontmoette die straal een vooruitstekende steenmassa, waarop hij met donderend geweld in schuim en fijne stofdeeltjes uiteenspatte, om verder als melk zoo wit en luchtig als een zwevende wolk in het dal neer te dalen. De andere takken van de Oendoep sprongen onstuimig van den bovenrand af, maar ontmoetten al dadelijk steenspitsen en rotsnaalden, waaraan zij zich schenen vast te klemmen, toch echter in millioenen en millioenen schuimblaasjes uiteenspatten, haar saamgeperste zuilen in tal van wolkjes zagen overgaan, die, aan seinvuurpijlen gelijk, hun baan afteekenden,[348]om als watervonken een oogenblik onder de keerkringszon te schitteren en langzamerhand en onmerkbaar voor den blik te verdwijnen. De vier vrienden naderden met Hamadoe den val zoo dicht mogelijk en kozen instinktmatig tot plek van beschouwing het punt, waar zij de prachtige regenbogen, allerwegen door de breking der zonnestralen gevormd, konden waarnemen. Nog meer naderende, waren zij weldra door een dubbelen regenboog omringd, die als een stralenkrans zoo geheel met ieder hunner samenvloeide, dat hij, zoolang zij zich in die nabijheid bevonden, met hen voor of achterwaarts schreed, in een woord al hun bewegingen volgde. Aan hun haren, op hun huid, op de schamele kleeding, die hen bedekte, hechtten zich de fijne waterdruppels en schitterden daar, ieder op zichzelf aan een diamant gelijk, met onvergelijkelijke pracht in prismatische kleuren.
„Schoon! wonderschoon!” fluisterde de jonge vrouw. „Zijn in uw land ook zulke tooneelen te vinden?”
„Zeker is het schoon, mijn dierbare,” antwoordde haar echtgenoot. „Maar Zwitserland zal u niet minder aanbieden. Om niet van den Rijnval te Laufen te spreken, zullen de Giessbach bij het Brienzermeer, de Staubbach in het Lauterbronnendal en meer andere u even grootsche tooneelen, zoo niet grootschere laten zien.”
„Waar de blanken zich vermaken met zoo’n waterval op te verven, niet waar?” sprak Johannes gemelijk.
„Wat bedoel je met je opverven?” vroeg Schlickeisen.
„Heb ik niet ergens gelezen, dat de natuur in ulieder vaderland te arm bevonden werd, zoodat er nog wat bengaalsch vuur bij moest om zoo’n waterval wat op te poetsen?”
„Ja, bij den Giessbach gebeurt dat; maar wanneer je ooit in Europa komt en in Zwitserland mocht verzeild[349]raken, ga dan den val van die beek bij avond bewonderen en offer een zestal francs op om hem verlicht te zien.”
„Ik zal er wel voor passen,” sprak Johannes met ietwat verontwaardiging in zijn stem.
„He! waarom zul-je daarvoor passen?”
„Omdat de natuur in mijn oog te verheven is, om haar door een narrenkleed, een hansworstenpak te ontheiligen. De Europeanen—vergeeft mij de uitspraak—zijn en blijven narren overal. Ik herinner mij dat ergens op Java bij den intocht van den Gouverneur-Generaal al de stammen der prachtige kanarieboomen, die aan weerszijden van den weg, dezen tot een verrukkelijk lommerrijke laan maakten, tot anderhalve manshoogte helder wit gekalkt en met een rood randje versierd waren. Zoo iets kan slechts in het brein van een volbloed Europeaan opkomen. Er moet steeds zoo iets van een lappendeken bij zijn. Gekalkte boomstammen en bloed- roode watervallen! God betere ’t!.… Maar, om tot een ander onderwerp over te gaan, laten wij, terwijl wij vol bewondering voor dezen waterval staan, elkander de hand drukken en geluk wenschen.”
„Gaarne,” lachte La Cueille, „ik houd van geluk wenschen, omdat dan een oorlam niet ver af is.”
Johannes sprong op een der draagmandjes toe, greep een paar vierkante flesschen, echt merk A.V.H., schonk ieder der aanwezigen een flinken teug in, verhief daarna zijn klapperdop en sprak:
„Mannen! broeders! Heden ochtend hebben wij den zadelrug van het Batang Loepar gebergte overschreden. De kam van dat gebergte maakt de grens uit tusschen het Nederlandsche grondgebied en Sarawak. Die grens zijn wij overgetrokken en we bevinden ons thans op het gebied van Radja James Brooke. Mij dunkt dat het[350]wel een gelukwensch waard is. De meeste en grootste gevaren liggen even als die grens achter ons. Weinige dagreizen scheiden ons nog slechts van de zee en, vergeleken met hetgeen wij doorworsteld hebben, is het afteleggen traject als kinderwerk te beschouwen. Broeders! ik drink op Radja James Brooke, die zoo ter rechter tijd op de onherbergzaamste kust van geheel Borneo een rijk heeft gesticht, als het ware om ons na zoo’n tocht op te nemen en in veiligheid te brengen. Hip! hip!! hoera!!!”
„Hip! hip!! hoera!!!” antwoordden de overige Europeanen.
„Lēēēh lĕlĕlĕlĕlĕ ouiiiiit!!!” gilden de Poenans.
De reizigers lieten nu de oogen weiden over de vlakte, die zich aan hun voeten uitspreidde. Hoe woest ook de hellingen aan deze zijde van het Batang Loepar gebergte waren, daar beneden strekte zich een tapijt uit van het weligste groen. Te midden van dat tapijt ontrolde zich een zilveren lint, hetwelk nagenoeg van zuid naar noord slingerde. Harimaoung Boekit verklaarde den vrienden, dat het de soengei Oendoep was. Hij wees hun op een punt aan den horizon, dat helder wit op het liefelijke groen uitblonk. Wienersdorf greep zijn kijker:
„Het zijn witte Europeesche gebouwen!” riep hij met van aandoening trillende stem.
„Goddank!” riep Schlickeisen.
„Béniesoit la très Sainte Vierge de Jupille,” mompelde La Cueille zeer devoot, terwijl hij zijn hoofddoek afnam.
„Ja, het zijn gebouwen, behoorlijk gewit,” ging Wienersdorf aandachtig kijkende voort. „Als ik wel onderscheid, ligt daar een fort. Het schijnt een vierkante, gebastionneerde redoute te zijn. Ik zie zelfs den vlaggestok.[351]Maar die vlag? Slap en bewegingloos hangt zij langs de lijn. Zij schijnt.… maar ah! daar ontplooit haar een windje. Een veld van goud, waarop een rechtstandig kruis, hetwelk de geheele baan in vier vakken verdeelt. De opstand van het kruis is half rood en half zwart, en de eene kruisarm vertoont deze, de andere gene kleur.”
„Dat is waarschijnlijk de Sarawaksche vlag,” sprak Johannes.
„Die plaats heet Simangang,” lichtte Harimaoung Boekit toe.
De reizigers waren nu snel beneden aan den voet van de bergketen en vóórdat de zon ten ondergang neigde, waren zij bij het Sarawaksche fort aangekomen. Aanvankelijk liep de bezetting te wapen, toen ons troepje reizigers verscheen, maar Schlickeisen, die uitmuntend Engelsch sprak, trad alleen vooruit. Toen de assistent-resident tevens militaire kommandant vernam, dat vier Europeanen tot dat troepje behoorden, dat dit vier soldaten waren, die van de Hollanders weggeloopen waren, krulden zich zijn lippen tot een glimlach. Dat „the damned Dutchman” een kool gestoofd was, bracht Mr. Spencer in een buitengewoon goede luim. Hij trad naar buiten, monsterde het troepje en stond genadig toe, dat de Europeanen hun intrek in het fort namen. Harimaoung Boekit met zijn Poenans zouden evenwel buiten moeten blijven.
„Gij treft het bijzonder,” betuigde de Engelschman; „morgen ochtend vertrekt de „Firefly” naarKoetshing; met die kunt gij de reis medemaken. Daar zult gij wel een vaartuig aantreffen om u naar Singapore te brengen.”
De Europeanen dankten innig voor deze gunst. Zij verkozen evenwel den nacht buiten het fort door te brengen. Het zouden de laatste uren zijn, die zij in[352]gezelschap van het brave Poenanhoofd zouden doorbrengen. Hij zou zijn vrienden aan boord zien stappen, om onmiddellijk daarna den terugtocht naar soengei Miri te ondernemen.
Onder opgeruimd gekout, soms afgewisseld door een weemoedige stemming bij de gedachte aan de naderende scheiding, ging de nacht voorbij. Bij het aanbreken van den dag brachten de Europeanen hun draagmandjes, waarin hun schatten verborgen waren, aan boord van de „Firefly”. Harimaoung Boekit vergezelde hen tot op het dek. Toen het laatste gegil van de stoomfluit weerklonken had, greep hij zijn zuster om den hals en keek haar aandachtig in de oogen, alsof hij zich haar beeld in de ziel wilde griffen; terwijl heete tranen hem langs de wangen biggelden. Onstuimig klemde hij haar eindelijk aan zijn borst, greep toen de hand van Wienersdorf en bracht die aan de lippen.
„Paharingkoe Dohong” (mijn broeder Dohong) sprak hij snikkend. Dat waren de eenige woorden, die hij in zijn ontroering vermocht uit te brengen.
Nog een getjingel van de bel, nog een gegil van de stoomfluit, toen rukte hij zich los uit de omarming van Hamadoe, drukte de vier vrienden nogmaals de hand en sprong aan wal. De loopplank was reeds ingetrokken, de raderen volbrachten hun omwentelingen en weldra was er een klove tusschen zuster en broeder, een klove die met iedere seconde in uitgebreidheid toenam, totdat beider beeld zich in den morgennevel oploste en zij onzichtbaar voor elkander waren. Hamadoe wischte zich toen een traan van de frissche wang, sloeg haar arm om den hals van Wienersdorf en lispelde:
„Nu zijt gij mijn alles!”
Een hartelijke omhelzing beantwoordde haar omstrengeling en de innigheid daarvan overtuigde haar, dat de[353]man, voor wien zij alles op aarde verliet, haar niet minder liefhad dan zij hem.
„Wat zag het er smerig uit in dat fort,” zeide La Cueille, toen het viertal bij elkander een kringetje op het dek gevormd had. „Ik heb gisteren daar eens in rondgewandeld; maar foei, wat ’n vieze boel.”
„Je kondt wel zien, dat de schrobbende, poetsende, wrijvende en boenende Hollanders daar niet huishouden. Ik heb daar ook rondgewandeld en ziet hier, wat ik opgemerkt heb. Het fortje te Simangang, welks borstwering, zooals gij hebt kunnen zien, uit ijzerhouten palissaden bestaat, is bewapend met vier gladziels kanonnen van 6 ℔, geplaatst op rolpaarden; oude vuile dingen, die daar als bangmakers staan en waarvan bij aanranding meer gevaar dan heil voor de bezetting te verwachten zoude zijn. Het garnizoen, geheel uit Dajaks bestaande, is 35 man sterk, die evenwel met de Sniderkarabijn, een uitmuntend achterlaadgeweer, gewapend zijn. Er is maar één Europeaan in het fort, de assistent-resident. Dat is een burger, wien tevens het kommando over het fort is opgedragen.”
„Het is wat moois,” grinnikte La Cueille, „een politiek! wat zullen die soldaatjes zich lekker gevoelen en wat zal er voor hen gezorgd worden.”
„Zwijg kerel; dat je die lui hier aan boord niet hooren, maar het is ellendig. Om zoo’n zwartrok eenigszins in staat te stellen een niet al te mal figuur te slaan tegenover zijn manschappen, is hem een instructie uitgereikt onder den officieelen naam van: „hints to young out-station officers from the rajah.” Een curieus stuk, waarin op eigenaardige wijze den pseudo-officier zijn verplichtingen zijn voorgehouden. Zoo wordt ero.a.in voorgeschreven, dat om zich te overtuigen of de wapens in orde zijn, hij den vinger in de geweerloopen[354]moet brengen, ten einde te zien of die ook beroest zijn. Ook dat het beste en zekerste bewijs van een goede waakzaamheid is het hooren van den stap van den schildwacht.”
„Kom laat naar je kijken,” lachte de Waal, „dat weten de korporaals van de plattelandsgarde civiquein mijn land nog voor zij hun kemelsharen galons verwerven.”
„Wel mogelijk, maar dat moet aan de Sarawaksche dienstdoende officieren schriftelijk gegeven worden, anders weten zij het niet. Dat is nu eenmaal zoo. Ik vernam verder, dat in Sarawak veertien van die fortjes bestaan, waarvan het meerendeel slechts door een dozijn soldaten bezet zijn. Simangang als grenspost eischt evenwel een sterker garnizoen.”
„Twaalf Dajaks onder bevel van een stalen pen, duizend duivels! zoo’n fort moet onneembaar zijn.”
„Dat Simangang is prachtig gelegen,” sprak Schlickeisen, „het is een wel uitgekozen punt aan de samenvloeiing van twee rivieren. Hoe heeten die?”
„De hoofdstroom heet Batang Loepar.”
„Maar zoo heet het gebergte, waarover wij getrokken zijn.”
„En zoo heet ook de stroom, die aan den voet van dat gebergte ontspringt. Het is een prachtig vaarwater bijna aan een zeearm gelijk. De rivier, die zich tegenover het fort Simangang in de Batang Loepar ontlast, heet soengei Sakarang.”
De „Firefly” was een flinke raderboot, die zich op dien fraaien breeden stroom snel en sierlijk bewoog. Bij het vallen van den avond had zij de monding bereikt en konden de reizigers zich in den aanblik der zee verlustigen. De steven werd nu westwaarts gewend en nog voor dat de dag aanbrak, was zij de monding van de soengei Moratabas, een tak van de Sarawak-rivier,[355]binnengestevend. Een paar uur later lag zij voor Koetshing, de hoofdplaats van het Sarawaksche rijk ten anker. Radja James Brooke ontving onze reizigers welwillend en hoorde het verhaal hunner wederwaardigheden met de meest onverdeelde belangstelling aan. Onverholen bewonderde hij hun stoutmoedigheid, hun geestkracht en doortastendheid, maar ook onbewimpeld veroordeelde hij de volvoerde desertie, die hij als „faithlessness” trouwbreuk tegenover het gouvernement, waarmede een verband was aangegaan, brandmerkte. Toch kon hij niet over zich verkrijgen de mannen, die zoo’n tocht volvoerd hadden, die zooveel geleden en ondervonden, die alles gewaagd hadden om hun vrijheid terug te krijgen, aan de Nederlandsche autoriteiten uit te leveren.
Twee dagen later vertrok de „Rainbow”, een elegant schroefscheepje als bark getuigd, naar Singapore en scheepten onze reizigers zich daarop in. De Europeanen hadden zich het verblijf te Koetshing ten nutte gemaakt en alle pogingen aangewend, hun huid met veel zeep van haar katitingverf te ontdoen, hetgeen niet geheel en al gelukte. De bronskleur, die hen zoolang beschermd had, liet zich zoo maar niet verwijderen en zij bleven uitzien als Indo-Europeanen,d.w.z.als individuën van gemengd ras. Zij moesten het aan den tijd overlaten om hun huid op te bleeken.
„Crétonnerre!” pruttelde La Cueille, „niemand zal mij te Jupille herkennen.”
„Dat zal razend jammer zijn,” lachte Johannes, „maar laat je bamboemesje van soengei Naning zien, ik verwed, dat je dan toch de opmerkzaamheid van al de Walinnetjes van het geheele Luikerland tot je trekt.”
Allen lachten, alleen de Waal bewaarde verontwaardigd zijn ernst.[356]
„Maak je maar niet ongerust,” ging de spotter voort, „je hebt nog wel een paar maanden voor den boeg, alvorens te Jupille aan te komen. Gebruik je nu vlijtigeau de Javelle, dan zul je wel voldoende gebleekt zijn, om er weer uit te zien als een jodenpaaschkoek. En mocht er nog een spoor van de katiting overgebleven zijn, dan zal dat bij de Walenmaagden wel door den inhoud van je wandelstok vergoed worden.”
„Te drommel ja,” lachte Schlickeisen, „weinig reizigers kunnen zich beroemen, met zulke kostbare stokken te huis te komen.”
Het viertal had ook getracht zich van fatsoenlijke kleeding te voorzien. Wel zijn de modemagazijnen te Koetshing met een lantaarn te zoeken; toch slaagden zij naar wensch en konden de ewah en de „klambi” (baadje) die hen tot heden gedekt hadden, tegen een matrozen zondagspak verwisselen. Hamadoe had zich onder de leiding van haar echtgenoot en van Johannes eenige sierlijke sarongs en witte kabaai’s aangeschaft en zag er, daarin getooid, allerliefst uit. Ook Dalim en zijn makker van Kwala Kapoeas hadden zich getransformeerd en prijkten nu in de smaakvolle kleederdracht van de bemiddelde Maleiers. Allen zagen er dus bij het aan boord stappen zeer deftig uit en onmogelijk kon men hen aanzien, dat zij ongeveer drie maanden in Borneo’s wildernissen hadden rondgezworven.
De „Rainbow,” te Glasgow gebouwd, was een wakker scheepje, dat den postdienst tusschen Sarawak en Singapore volvoerde. Denzelfden dag van vertrek liep het vaartuig bij kalm en helder weder dicht onder de rotsen van Tandjoeng Datoe en kon ons viertal nog een laatsten blik werpen op het eiland, dat zij van zuid naar noord doorgetrokken en alwaar zij in zulke zonderlinge toestanden verkeerd hadden. Allen keken met aandoening[357]naar die kaap, niet het minst de jonge vrouw, die met verkropte droefheid nog een tip van het land harer geboorte daar voorbijschuiven, langzaam op den achtergrond treden en eindelijk aan den gezichteinder verdwijnen zag.
„Naughe,” lispelde zij, „ajoeë Mahatara mangkilak.” (Het zij hoe het zij, het is Gods begeerte). Zij wendde den blik van den horizon af, waar haar oog nog lang had getracht Poeloe Kalimantan te ontwaren en zocht toen troost bij haar gemaal.
Drie etmalen later liet de „Rainbow” het anker op de reede van Singapore vallen. De ontscheping was ras geschied. Het eerste bezoek, dat de deserteurs in die wereldstad brachten, was bij den Nederlandschen consul. De veroordeeling door Radja Brooke over hun desertie uitgesproken, had voornamelijk de Zwitsers diep getroffen. Zij wilden weten, welke uitgaven de Nederlandsche staat voor hun aanwerving als soldaat gedaan had. Toen zij dat vernomen hadden, deponeerde ieder hunner bij den consul voor een waarde van duizend gulden aan stofgoud, om die onkosten te vergoeden en om voor den nog te verloopen diensttijd van hun verband een plaatsvervanger aan te werven. Ook verzochten zij dien consul, een fraaien veldkijker en dito boussole met twee keurig bewerkte Remmingtongeweren, die zij hem ter hand stelden, te willen toezenden aan den kommandeerenden officier van Kwala Kapoeas, wiens naam zij hem duidelijk opgaven. Zij erkenden gaarne, dat zij door de instrumenten en wapenen van den luitenant mede te nemen, zich aan de eerlijkheid, vergrepen hadden. De consul, door die gedragingen getroffen, voelde zooveel sympathie voor die mannen, dat hij zich gaarne te hunner beschikking stelde, om hen in hun moeilijken toestand te helpen. Door zijn tusschenkomst[358]maakten zij hun stofgoud en hun bezoarsteenen op de meest voordeelige wijze te gelde en bevonden dat, na Dalim en zijn makker rijkelijk beloond te hebben, ieders deel ruim 25,000 gulden bedroeg, die de consul gedeeltelijk in sovereigns en gedeeltelijk in wissels aan de beide Zwitsers en aan den Waal uitbetaalde. Johannes, die zich te Singapore wilde vestigen, zou voor en na over zijn deel beschikken.
De consul ging in zijn edelmoedige bemoeiingen nog verder. Hij schreef naar Batavia en verkreeg, nadat bij het Indische leger vier plaatsvervangers voor de gedeserteerden gesteld waren, hun papieren en behoorlijk ontslag uit den militairen dienst. Dat had evenwel tijd gekost, maar gedurende de drie maanden, die daarmede gemoeid waren, had hij de twee Zwitsers als schrijvers op zijn kantoor gebezigd en La Cueille bij een wapensmid bezorgd, zoodat zij hun brood ruim verdienen konden, zonder hun kapitaal te behoeven aan te raken.
Van dien tusschentijd maakte Wienersdorf gebruik om zijn ega trapsgewijze in het westersche leven in te wijden. Hij was begonnen met haar in een der voornaamste magazijnen in een Europeesche dame te transformeeren. Hij had de zaken goed en met smaak gedaan, zoodat dan ook het lieve vrouwtje in dat nieuwe toilet er allerbetooverendst uitzag. Overigens was zij van nature goed ontwikkeld, zij had de gave van alles goed en vlug in zich op te nemen, zoodat haar vervorming niets geen moeite kostte. Bij gelegenheid dat de dominé van Riouw eens een uitstapje te Singapore maakte, werd deze in den arm genomen, om het paar kerkelijk in te zegenen. Zijn WelEerwaarde liet zich alle omstandigheden van het Dajaksche huwelijk mededeelen en toen hij dat alles vernomen had, aarzelde hij geen oogenblik, maar zegende den band onder zoo vreemde omstandigheden gesloten,[359]in weerwil dat de geboden niet hadden plaats gehad. Stellig beloofde Wienersdorf, dat bij aankomst in Zwitserland hij de verbintenis ook door den landamman zoude laten bekrachtigen.
Eindelijk waren de papieren van Batavia aangekomen en weerhield niets meer onze Europeanen om naar hun vaderland terug te keeren. Alvorens evenwel te vertrekken, brachten de vier lotgenooten een laatste bezoek bij den Nederlandschen consul, die hen zoo ter zijde gestaan had; hartelijk drukten zij hem de hand, en als bewijs hunner erkentelijkheid boden zij hem het dagregister aan, dat La Cueille te kotta Rangan Hanoengoh van Harimaoung Boekit ontvangen had en waarschijnlijk van den in 1825 vermoorden GeorgMüllerafkomstig was. Getroffen nam de consul dien foliant aan en maakte het voornemen hem aan het museum voor land- en volkenkunde te Batavia aan te bieden.
Daags daarna stonden onze mannen vereenigd op een der steigers vanNew Harbour, de aanlegplaats der mailstoomers te Singapore. De Hydaspe, mailboot der Franschemessagéries impérialeslag met stoom op en tot vertrek gereed. Aandoenlijk was het afscheid, dat Johannes van zijn makkers nam. Hun aller gemoed was te vol om veel woorden te kunnen wisselen. Zwijgend en snikkend drukten zij elkander de hand en de boot was reeds de straat ingestoomd, die Poeloe Pandjang van het eiland van Singapore afscheidt, toen de drie vrienden nog uittuurden en nog meenden in de verte een zakdoek te zien waaien. Met een snik riep Johannes hen na:
„Dat God hen nu verder geleide! het waren flinke ferme kerels!”
De Hydaspe was weldra uit het oog verdwenen en stevende straat Malakka in.[360]
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De kommandant van Kwala Kapoeas had na den terugtocht van kotta Djankang geen poging meer aangewend om de deserteurs in handen te krijgen. Toen hij kort daarop met een stoomschip voor die kotta kwam, vernam hij de ware toedracht van het gebeurde, maar ook dat de vogels gevlogen waren. Zeer verbolgen was men te Batavia, evenwel niet zoo zeer over die desertie; maar Secretarie en IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog konden niet verkroppen, dat de verantwoording des luitenants sloot als een bus en dat met diens rapporten in de hand geen zondebok was aan te wijzen. Maar.… behelsden die rapporten wel de waarheid, de geheele waarheid, niets dan de waarheid? In die fabrieken van geflatteerde verslagen en rapporten over rustige rust nam men de vrijheid daaraan te twijfelen. Er werd een commissie gezonden met vertoonbare instructie, om de toedracht van het gebeurde tot klaarheid te brengen; maar met geheime opdracht om stipt na te gaan of des luitenants handelingen geen aanleiding tot die desertie gegeven hadden. De commissarissen, volijverige landsdienaren, namen hun taak volgens die geheime opdracht op en ondervroegen iedereen tot den bijkok toe, of ook de kommandant soms bij de een of andere gelegenheid redenen tot ontevredenheid had gegeven. Toen die bijkok, een rechte snaak, daarop antwoordde, dat niet de kommandant, maar wel het hongerlijderstarief tot gepruttel en wrevel en wellicht ook tot die desertie aanleiding hadden gegeven, werd eerst die uitdrukking uiterst gekuischt geverbaliseerd; maar daar zij niet geheel weg te moffelen was, werd de geheele arbeid van die commissie in den doofpot gestopt. De IIeAfdeeling van het Departement van Oorlog en de Secretarie waren troosteloos.[361]
Geen zondebok! Zoo iets was nog nooit voorgekomen.
Wat zullen ze in den Haag wel zeggen?!!
Eens toen de chef van gemelde afdeeling met een gouvernements-sekretaris over die zaak van gedachten wisselde, kreeg hij een lumineus idée.
„In het jaar 1800.… laat zien,.… zeven?… neen, acht en vijftig werd een kapitein der infanterie gestraft met veertien dagen provoost en overplaatsing, omdat bij het doen van reglementair voorgeschreven saluutschoten op ’s Konings verjaardag een paar manschappen der bediening door het ontijdig afgaan van het stuk ernstig gekwetst werden. Die manschappen werden voor den dienst afgekeurd en een jaar na het gebeurde werd op dien kapitein ook nog verhaald de geldelijke schade aan het rijk door het ontijdig pensionneeren van de gekwetsten berokkend. Het bedrag dier schade werd jaarlijks van zijn traktement gekort.”
„Drommels! drie straffen voor één feit, dat was ook geen vriendje.”
„Dat tot daar aan toe, maar dat kan als antecedent dienen.”
„Ja, daar zijt gij sterk in bij uw departement. Het antecedentensysteem spaart de moeite van te denken uit.”
„Om het even; thans kan het goeden dienst presteeren. Die olijkert daar in de Dajaklanden, die de brutaliteit heeft om te bewijzen, dat hij geen schuld aan het geval heeft en daarenboven de onbeschaamdheid ontwikkelt bij die bewijsvoering een dosis talent voor den dag te brengen, moet op zijn voorman gezet worden. Waar zou anders het prestige der bureaux blijven? Door die desertie is het rijk schade berokkend; schuld of geen schuld, die moet hij vergoeden.”
De legerbevelhebber diende overeenkomstig dit schitterend[362]denkbeeld een voorstel in om den kommandant van Kwala Kapoeas te belasten met een som van 4000 gulden, zijnde het vermoedelijk bedrag van hetgeen die vier deserteurs aan den staat gekost hadden, na aftrek van een redelijk tantum voor de diensten, welke zij Nederland bewezen hadden. Hoewel niemand dan de strafrechter boeten en alleen de rekenkamer vergoedingen opleggen kan, was toch reeds het betrekkelijk besluit geschreven ter Secretarie en zou naar Buitenzorg opgezonden worden, om met de handteekening van den Gouverneur Generaal te worden bekrachtigd, toen van den consul te Singapore een even groote som ontvangen werd om voor de deserteurs plaatsvervangers te stellen. Dat was te erg; dat bracht den geheelen kladwinkel van Batavia in de war.
„Die kerel is met den helm geboren, geloof ik,” werd op zekere kamer van het paleis te Weltevreden gemompeld; „maar.… hij is nog geen kapitein, daar kan ik hem een briefje van geven. Die desertie zal later nog wel dienst doen.”
Een vriendenhand schreef het gansche verloop en den geheelen snooden toeleg naar Kwala Kapoeas. De luitenant legde des avonds toen zij bij elkaar zaten den dokter dat geschrift voor. Toen de esculaap het geheele relaas van den consul te Singapore gelezen had, barstte hij uit:
„Brave Kerle!!”
En meteen vloog hij het vertrek uit, maar kwam een oogenblik daarna weer binnengestoven met een flesch echte Veuve Cliquot in de hand. Zenuwachtig liet hij de kurk knallen, de glazen waren ras gevuld.
„Ik thrink, ik thrink op de wohlgeschlaagde.….”
De luitenant vloog op, hield den medicinae doctor de hand op den mond:[363]
„Je drinkt op de eindbeschikking der Voorzienigheid, die mij voor de betaling van vierduizend pop behoed heeft. Drommels mijn waarde mof, ik beken dat is een dronk waard. Ik dank je van harte. Kijk daar ga je.”
De dokter keek den officier een oogenblik wezenloos aan. Eindelijk scheen hij te begrijpen. Hij bracht het glas aan den mond, maar toch kon de onverbeterlijke Germaan niet weerhouden uit te roepen, alvorens hij dronk:
„Salamat djalang!” (Geluk op hun reis.)
EINDE VAN HET TWEEDE EN LAATSTE DEEL.
[369]