DE BOSCHMUIS.

DE BOSCHMUIS.Kleine Tookhees, de boschmuis1—„de bangerd”, zooals Simmo haar noemt—komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor kruimeltjes je haar gegeven hebt.Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op aarde, of in de lucht, of in ’t water, behalve haar eigen holletje onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren ’s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een boschmuis te vinden; en als zij eensuit zwemmen gaat, wat zij zoo graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, om te onderzoeken waar de kust vrij is.Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, dat hij Tookhees’ tweede verschijning leerdeafwachten. En dat is ’t behoud voor de kleine „bangerd”.Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aardeeronder uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite geeft voor zoo’n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, waar de roode mieren wonen.Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door ’t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en—ze springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl zeomkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een heele kolonie.Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf2, om tot de simpele ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd.Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder dat hij me hoorde, maar ik konniets zien. Het was doodstil in het bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke zolen bleef likken en als een bezetene aan ’t schelden ging, zoodra ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn aas afkwam, tot ik fluisterde: „Quiie, Simmo, wat is het?”„Nodwar k’chee Toquis; ik zie de bangerd,” zei hij, onbewust in zijn eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.—„O, sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje.” En toen ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan weeken, om ’s avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, dat hij ooren of nek niet overslaat.Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij op, wreef ze haastig over neus en oogen en danachter haar ooren—op de plekjes die je ’t gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent—toen nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten keer achter haar oor eindigde.Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en ’t gevoelige plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op reis was, of alleen baadde omdat ze ’t zoo prettig vond, net als ze haar snuitje in mijn kopje waschte.Ik liet het kopje staan waar ’t stond, en strooide een feestmaaltijd voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes te strooien en een paar keer als een muis tepiepen, of schichten en glimpen verschenen op ’t mos of tusschen het verbleekte goud van het tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, waarin ze voortdurend leefden.Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte.Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet wist wat er gebeurd was—slechts een donker veegje, dat eindigde in niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, hoefde zij niet bang te wezen—dat voelde Tookhees instinctmatig. En dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het komen en gaan vanmenschen, die heer en meester in de bosschen waren, hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand—dat merkte zij na een paar dagen. Alleen de „mink”3, die ’s nachts aan kwam sluipen om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en kwam zij brutaal in ’t zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees gevlogen is, zijn ze maar wat blij in ’t daglicht rond te kunnen draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt.Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar droeg haar deel weg om ’t ergens te verstoppen, niet om ’t aan haar kleintjes te voeren—daar waren ze nog te jong voor—; maar achter de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant van eenstuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard te verdwijnen. Langen tijd was ’t me een raadsel, hoe ’k haar nest moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was niet in den berkestam, waar ze in verdween—die was hol over de heele lengte,—ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van Tookhees’ holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze ’t water kon pakken. Toen kwam ’t geheim aan den dag; daar was het, in een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen.De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van ’t gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening gebogen—Et tuBrute!—en ze schoot het nest in. In een oogwenk was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes onder ’t voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er niet af konden vallen—allemaal, op één na, een teer, rose diertje, dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar ’t verloren kleintje zocht. Toen ze ’t veilig in zijn eigen nest ontdekte, met dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig.Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, waar beneden een gang was,die diep onder het mos recht naar haar nest onder den steen voerde.Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van mijn flanellen hemd af te knabbelen.Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, die voortdurend in ’t land leven waar de vrees regeert.Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met mos begroeid, waarover tweeling-bloemen4haar klokjes wiegelden over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doenhad, legde ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees’ neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal.Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees’ neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit.Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, als eeneekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl ’k mijn andere hand onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; een stuiptrekking—en zij was dood—van angst gestorven in een hand die haar niets gedaan had.Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar ’t water het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en ’s zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die ik gevangen had was klein en ’t was niet veel, en het ging met lange tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar waar ’t andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en eens, toen een reusachtigeforel over haar halve lengte boven water achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en beloofde ik mezelf het genot, dat ’k mijn hengel zou voelen buigen en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de heele zomer er mee gaan.Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle verscheidenheid van vorm en kleur, bij ’t uchtendkrieken en in de schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker te midden der leliebladen jagen—maar niets kon haar bekoren. En toen watertorren en ’t staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat ’t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een „zilveren-lepel”5met een leelijk „stel” haken, die ik verafschuw, en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei list. Daarop ving ik stroomop een roodvin6, haakte haar zorgvuldig aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes naar achterenafwikkelde bij ’t wegdrijven. Toen hij de draaikolk bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen.Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte Tookhees de boschmuis langs de takjes; ’t was haar klaarblijkelijk om de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter de groote rots.—Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had.Terwijl ’k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep en ging zitten wachten. „Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen voor me,” vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, „en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben.”Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, voordat ’k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger drukte den trekker.—„O, jou leelijke moordenaar,” zei het geweten, „bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer zal maken! Schaam je je niet?”„Maar ik wou die forel graag hebben,” wierp ik tegen.„Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding,” zei ’t geweten onverbiddelijk.„Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit—”„Zij eet je brood en je zout,” zei het geweten. Dat gaf den doorslag; en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde Tookhees haarkruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en ’t gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof ’k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar het kamp terug.Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen ’k den volgenden keer ingooide, verloor ’k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op ’t zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte.Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in ’t voorjaar te zien zijn als delaatste sneeuw wegsmelt. In een hoek van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin uitmonden. Ze spreken van Tookhees’ gezellige natuur, van haar lange bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de opeengepakte sneeuw daarboven den angst van ’s zomers heeft weggevaagd en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten.De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg—de kleine Tookhees, die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder ’t eten en zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje.Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het instinct van de vrees missen—een kikker,een jonge patrijs, een elandenkalf—en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen en haar voortdurende lessen in ’t wegschuilen had geleerd, maar op mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me van haar jongen weg te lokken.Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste ik als een uil—een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna zwaaide ik met een tak boven haar, alsof ’t de vleugel van een havik was, terwijl ’k er haar tegelijkertijd pardoes eenklap mee gaf, zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht van de vrees, maakte ’k met een stok een schuifelende beweging in de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug.Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, en tanden en klauwen—loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis.1Hesperomys Leucopus.↑2Corvus Corax Principalis.↑3Een ottersoort.↑4Linnaea Borealis.↑5Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd.↑6Notropis Cornutus.↑

DE BOSCHMUIS.Kleine Tookhees, de boschmuis1—„de bangerd”, zooals Simmo haar noemt—komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor kruimeltjes je haar gegeven hebt.Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op aarde, of in de lucht, of in ’t water, behalve haar eigen holletje onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren ’s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een boschmuis te vinden; en als zij eensuit zwemmen gaat, wat zij zoo graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, om te onderzoeken waar de kust vrij is.Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, dat hij Tookhees’ tweede verschijning leerdeafwachten. En dat is ’t behoud voor de kleine „bangerd”.Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aardeeronder uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite geeft voor zoo’n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, waar de roode mieren wonen.Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door ’t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en—ze springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl zeomkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een heele kolonie.Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf2, om tot de simpele ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd.Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder dat hij me hoorde, maar ik konniets zien. Het was doodstil in het bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke zolen bleef likken en als een bezetene aan ’t schelden ging, zoodra ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn aas afkwam, tot ik fluisterde: „Quiie, Simmo, wat is het?”„Nodwar k’chee Toquis; ik zie de bangerd,” zei hij, onbewust in zijn eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.—„O, sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje.” En toen ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan weeken, om ’s avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, dat hij ooren of nek niet overslaat.Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij op, wreef ze haastig over neus en oogen en danachter haar ooren—op de plekjes die je ’t gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent—toen nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten keer achter haar oor eindigde.Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en ’t gevoelige plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op reis was, of alleen baadde omdat ze ’t zoo prettig vond, net als ze haar snuitje in mijn kopje waschte.Ik liet het kopje staan waar ’t stond, en strooide een feestmaaltijd voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes te strooien en een paar keer als een muis tepiepen, of schichten en glimpen verschenen op ’t mos of tusschen het verbleekte goud van het tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, waarin ze voortdurend leefden.Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte.Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet wist wat er gebeurd was—slechts een donker veegje, dat eindigde in niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, hoefde zij niet bang te wezen—dat voelde Tookhees instinctmatig. En dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het komen en gaan vanmenschen, die heer en meester in de bosschen waren, hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand—dat merkte zij na een paar dagen. Alleen de „mink”3, die ’s nachts aan kwam sluipen om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en kwam zij brutaal in ’t zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees gevlogen is, zijn ze maar wat blij in ’t daglicht rond te kunnen draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt.Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar droeg haar deel weg om ’t ergens te verstoppen, niet om ’t aan haar kleintjes te voeren—daar waren ze nog te jong voor—; maar achter de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant van eenstuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard te verdwijnen. Langen tijd was ’t me een raadsel, hoe ’k haar nest moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was niet in den berkestam, waar ze in verdween—die was hol over de heele lengte,—ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van Tookhees’ holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze ’t water kon pakken. Toen kwam ’t geheim aan den dag; daar was het, in een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen.De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van ’t gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening gebogen—Et tuBrute!—en ze schoot het nest in. In een oogwenk was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes onder ’t voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er niet af konden vallen—allemaal, op één na, een teer, rose diertje, dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar ’t verloren kleintje zocht. Toen ze ’t veilig in zijn eigen nest ontdekte, met dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig.Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, waar beneden een gang was,die diep onder het mos recht naar haar nest onder den steen voerde.Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van mijn flanellen hemd af te knabbelen.Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, die voortdurend in ’t land leven waar de vrees regeert.Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met mos begroeid, waarover tweeling-bloemen4haar klokjes wiegelden over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doenhad, legde ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees’ neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal.Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees’ neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit.Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, als eeneekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl ’k mijn andere hand onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; een stuiptrekking—en zij was dood—van angst gestorven in een hand die haar niets gedaan had.Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar ’t water het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en ’s zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die ik gevangen had was klein en ’t was niet veel, en het ging met lange tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar waar ’t andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en eens, toen een reusachtigeforel over haar halve lengte boven water achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en beloofde ik mezelf het genot, dat ’k mijn hengel zou voelen buigen en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de heele zomer er mee gaan.Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle verscheidenheid van vorm en kleur, bij ’t uchtendkrieken en in de schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker te midden der leliebladen jagen—maar niets kon haar bekoren. En toen watertorren en ’t staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat ’t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een „zilveren-lepel”5met een leelijk „stel” haken, die ik verafschuw, en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei list. Daarop ving ik stroomop een roodvin6, haakte haar zorgvuldig aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes naar achterenafwikkelde bij ’t wegdrijven. Toen hij de draaikolk bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen.Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte Tookhees de boschmuis langs de takjes; ’t was haar klaarblijkelijk om de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter de groote rots.—Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had.Terwijl ’k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep en ging zitten wachten. „Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen voor me,” vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, „en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben.”Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, voordat ’k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger drukte den trekker.—„O, jou leelijke moordenaar,” zei het geweten, „bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer zal maken! Schaam je je niet?”„Maar ik wou die forel graag hebben,” wierp ik tegen.„Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding,” zei ’t geweten onverbiddelijk.„Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit—”„Zij eet je brood en je zout,” zei het geweten. Dat gaf den doorslag; en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde Tookhees haarkruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en ’t gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof ’k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar het kamp terug.Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen ’k den volgenden keer ingooide, verloor ’k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op ’t zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte.Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in ’t voorjaar te zien zijn als delaatste sneeuw wegsmelt. In een hoek van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin uitmonden. Ze spreken van Tookhees’ gezellige natuur, van haar lange bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de opeengepakte sneeuw daarboven den angst van ’s zomers heeft weggevaagd en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten.De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg—de kleine Tookhees, die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder ’t eten en zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje.Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het instinct van de vrees missen—een kikker,een jonge patrijs, een elandenkalf—en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen en haar voortdurende lessen in ’t wegschuilen had geleerd, maar op mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me van haar jongen weg te lokken.Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste ik als een uil—een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna zwaaide ik met een tak boven haar, alsof ’t de vleugel van een havik was, terwijl ’k er haar tegelijkertijd pardoes eenklap mee gaf, zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht van de vrees, maakte ’k met een stok een schuifelende beweging in de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug.Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, en tanden en klauwen—loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis.1Hesperomys Leucopus.↑2Corvus Corax Principalis.↑3Een ottersoort.↑4Linnaea Borealis.↑5Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd.↑6Notropis Cornutus.↑

DE BOSCHMUIS.

Kleine Tookhees, de boschmuis1—„de bangerd”, zooals Simmo haar noemt—komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor kruimeltjes je haar gegeven hebt.Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op aarde, of in de lucht, of in ’t water, behalve haar eigen holletje onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren ’s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een boschmuis te vinden; en als zij eensuit zwemmen gaat, wat zij zoo graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, om te onderzoeken waar de kust vrij is.Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, dat hij Tookhees’ tweede verschijning leerdeafwachten. En dat is ’t behoud voor de kleine „bangerd”.Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aardeeronder uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite geeft voor zoo’n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, waar de roode mieren wonen.Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door ’t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en—ze springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl zeomkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een heele kolonie.Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf2, om tot de simpele ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd.Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder dat hij me hoorde, maar ik konniets zien. Het was doodstil in het bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke zolen bleef likken en als een bezetene aan ’t schelden ging, zoodra ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn aas afkwam, tot ik fluisterde: „Quiie, Simmo, wat is het?”„Nodwar k’chee Toquis; ik zie de bangerd,” zei hij, onbewust in zijn eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.—„O, sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje.” En toen ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan weeken, om ’s avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, dat hij ooren of nek niet overslaat.Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij op, wreef ze haastig over neus en oogen en danachter haar ooren—op de plekjes die je ’t gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent—toen nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten keer achter haar oor eindigde.Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en ’t gevoelige plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op reis was, of alleen baadde omdat ze ’t zoo prettig vond, net als ze haar snuitje in mijn kopje waschte.Ik liet het kopje staan waar ’t stond, en strooide een feestmaaltijd voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes te strooien en een paar keer als een muis tepiepen, of schichten en glimpen verschenen op ’t mos of tusschen het verbleekte goud van het tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, waarin ze voortdurend leefden.Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte.Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet wist wat er gebeurd was—slechts een donker veegje, dat eindigde in niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, hoefde zij niet bang te wezen—dat voelde Tookhees instinctmatig. En dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het komen en gaan vanmenschen, die heer en meester in de bosschen waren, hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand—dat merkte zij na een paar dagen. Alleen de „mink”3, die ’s nachts aan kwam sluipen om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en kwam zij brutaal in ’t zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees gevlogen is, zijn ze maar wat blij in ’t daglicht rond te kunnen draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt.Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar droeg haar deel weg om ’t ergens te verstoppen, niet om ’t aan haar kleintjes te voeren—daar waren ze nog te jong voor—; maar achter de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant van eenstuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard te verdwijnen. Langen tijd was ’t me een raadsel, hoe ’k haar nest moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was niet in den berkestam, waar ze in verdween—die was hol over de heele lengte,—ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van Tookhees’ holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze ’t water kon pakken. Toen kwam ’t geheim aan den dag; daar was het, in een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen.De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van ’t gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening gebogen—Et tuBrute!—en ze schoot het nest in. In een oogwenk was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes onder ’t voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er niet af konden vallen—allemaal, op één na, een teer, rose diertje, dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar ’t verloren kleintje zocht. Toen ze ’t veilig in zijn eigen nest ontdekte, met dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig.Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, waar beneden een gang was,die diep onder het mos recht naar haar nest onder den steen voerde.Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van mijn flanellen hemd af te knabbelen.Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, die voortdurend in ’t land leven waar de vrees regeert.Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met mos begroeid, waarover tweeling-bloemen4haar klokjes wiegelden over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doenhad, legde ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees’ neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal.Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees’ neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit.Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, als eeneekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl ’k mijn andere hand onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; een stuiptrekking—en zij was dood—van angst gestorven in een hand die haar niets gedaan had.Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar ’t water het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en ’s zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die ik gevangen had was klein en ’t was niet veel, en het ging met lange tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar waar ’t andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en eens, toen een reusachtigeforel over haar halve lengte boven water achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en beloofde ik mezelf het genot, dat ’k mijn hengel zou voelen buigen en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de heele zomer er mee gaan.Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle verscheidenheid van vorm en kleur, bij ’t uchtendkrieken en in de schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker te midden der leliebladen jagen—maar niets kon haar bekoren. En toen watertorren en ’t staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat ’t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een „zilveren-lepel”5met een leelijk „stel” haken, die ik verafschuw, en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei list. Daarop ving ik stroomop een roodvin6, haakte haar zorgvuldig aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes naar achterenafwikkelde bij ’t wegdrijven. Toen hij de draaikolk bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen.Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte Tookhees de boschmuis langs de takjes; ’t was haar klaarblijkelijk om de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter de groote rots.—Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had.Terwijl ’k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep en ging zitten wachten. „Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen voor me,” vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, „en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben.”Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, voordat ’k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger drukte den trekker.—„O, jou leelijke moordenaar,” zei het geweten, „bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer zal maken! Schaam je je niet?”„Maar ik wou die forel graag hebben,” wierp ik tegen.„Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding,” zei ’t geweten onverbiddelijk.„Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit—”„Zij eet je brood en je zout,” zei het geweten. Dat gaf den doorslag; en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde Tookhees haarkruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en ’t gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof ’k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar het kamp terug.Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen ’k den volgenden keer ingooide, verloor ’k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op ’t zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte.Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in ’t voorjaar te zien zijn als delaatste sneeuw wegsmelt. In een hoek van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin uitmonden. Ze spreken van Tookhees’ gezellige natuur, van haar lange bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de opeengepakte sneeuw daarboven den angst van ’s zomers heeft weggevaagd en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten.De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg—de kleine Tookhees, die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder ’t eten en zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje.Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het instinct van de vrees missen—een kikker,een jonge patrijs, een elandenkalf—en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen en haar voortdurende lessen in ’t wegschuilen had geleerd, maar op mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me van haar jongen weg te lokken.Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste ik als een uil—een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna zwaaide ik met een tak boven haar, alsof ’t de vleugel van een havik was, terwijl ’k er haar tegelijkertijd pardoes eenklap mee gaf, zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht van de vrees, maakte ’k met een stok een schuifelende beweging in de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug.Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, en tanden en klauwen—loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis.

Kleine Tookhees, de boschmuis1—„de bangerd”, zooals Simmo haar noemt—komt altijd twee keer voor den dag, wanneer je piept om haar te voorschijn te brengen. Na een heele poos rondgegluurd te hebben schiet zij eerst haar gang uit; gaat dan op haar achterpootjes zitten; wrijft zich de oogen met haar pootjes uit; kijkt naar boven voor den uil en achter zich voor den vos, en recht voor zich naar de tent, waar de man woont; dan duikt zij weer halsoverkop haar tunnel in met bladgeritsel en een verschrikt gepiep, alsof Kupkawis, het uiltje, haar gezien had. Dat dient om zichzelf gerust te stellen. Een oogenblik later komt ze stilletjes weer voor den dag om te kijken wat voor kruimeltjes je haar gegeven hebt.

Geen wonder dat Tookhees zoo schuw is, want er bestaat geen plekje op aarde, of in de lucht, of in ’t water, behalve haar eigen holletje onder den bemosten steen, waar zij veilig is. Boven haar loeren ’s nachts de uilen, en de haviken overdag; in de wildernis is er rondom haar heen geen rondsluipende roover, van Mooween, den beer, langs een heele reeks van overgangen af, tot Kagax de wezel toe, of hij zal onder elken ouden tak of boomstam snuffelen in de hoop er een boschmuis te vinden; en als zij eensuit zwemmen gaat, wat zij zoo graag doet, is er geen dikke forel in de rivier, die haar draaikolk niet in den steek zal laten om op het kleine, kleine rimpeltje af te schieten, dat dapper op den overkant van den stroom aanhoudt. Met al die vijanden, die er op loeren haar te vangen, zoodra zij zich maar buiten waagt, moet ze wel eens schijnbewegingen maken als ze uitgaat, om te onderzoeken waar de kust vrij is.

Dit is de reden waarom ze altijd terugschiet, wanneer ze den eersten keer te voorschijn is gekomen, waarom je wel twee- of driemaal een snellen glimp van haar opvangt, nu hier, dan daar, voordat zij in het licht verschijnt. Ze weet dat haar vijanden zoo hongerig zijn, zoo bang dat ze ontsnappen zal of dat iemand anders haar zal vangen, dat ze al op haar afspringen zoodra ze maar een snor vertoont. Zoo belust zijn ze op haar vleesch en zoo overtuigd, wanneer ze haar gemist hebben, dat het neersuizen van vlerken of het dichtklappen van roode kaken haar van schrik wel voor goed hebben doen wegschuilen, dat ze een ander spoor gaan volgen. En als een rondsluipend dier achter een boomstomp om zit te loeren en Tookhees vliegensvlug weg ziet glippen en haar verschrikt gepiep hoort, dan denkt het heel natuurlijk dat die scherpe oogjes den staart gezien hebben, dien het verzuimde om zich heen te rollen; dus druipt het af, alsof het zich schaamde. Zelfs de vos, die een onuitputtelijk geduld heeft, is niet zoo leep geworden, dat hij Tookhees’ tweede verschijning leerdeafwachten. En dat is ’t behoud voor de kleine „bangerd”.

Eén toevlucht voor al deze vijanden heeft Tookhees: het uitgeholde nestje achter het aardige holletje onder den bemosten steen. Weliswaar kunnen de meeste van haar vijanden graven, maar haar gang kronkelt zich zóo, dat ze van buiten aan den ingang nooit kunnen nagaan waar ze heenleidt, en in de wildernis zijn geen slangen om haar achterna te gaan en het te onderzoeken. Ik heb wel een paar maal de plek gezien, waar Mooween den steen omgekeerd had en de aardeeronder uitgekrabbeld, maar gewoonlijk zit er wel een taaie wortel in den weg en komt Mooween tot de slotsom, dat hij zich veel te veel moeite geeft voor zoo’n mondjevol, en hij sjokt weg naar de boomstomp, waar de roode mieren wonen.

Op haar tochten door het bosch vergeet Tookhees nooit de mogelijke gevaren. Ze beweegt zich voort in een opeenvolging van schokken, plotselinge wendingen, al springend, al wegschuilend. Na lang rondspeuren komt ze haar holletje uit en schiet als een vischje door ’t mos naar een opgewipten boomwortel. Daar gaat ze overeind zitten luisteren, terwijl ze zenuwachtig over haar snorren strijkt. Dan glipt ze een paar voet langs den wortel, valt op den grond en verdwijnt. Ze verstopt zich daar onder een dor blad. Een oogenblik stilte en—ze springt op als een duiveltje-uit-een-doosje. Nu zit ze boven op het blad, dat haar bedekte, weer haar snorren te wrijven, terwijl zeomkijkt naar haar spoor, alsof ze voetstappen achter zich hoorde. Dan weer een zenuwachtig vooruitschieten, een gepiep om tegelijk haar ontvluchting en haar aankomst aan te kondigen, en ze verdwijnt onder den ouden, met mos begroeiden stam, waar haar makkers huizen, een heele kolonie.

Dit alles en nog veel meer ontdekte ik in die eerste vacantie, toen ik het wilde volkje begon te bestudeeren, dat binnen den gezichtskring van mijn tent woonde. Ik had lange tochten gemaakt achter beer en bever aan, ik had vergeefsche jachten gehouden op den ouden Witkop den adelaar, en Kakagos den uil, op de boschraaf2, om tot de simpele ontdekking te komen, dat er zich in den warmen kring van mijn kampvuur een wild volkje schuilhield, wiens leven nog onbekender en minstens even merkwaardig was als van de grootere dieren, die ik was gevolgd.

Op een dag, toen ik bedaard naar het kamp terugkeerde, zag ik Simmo geheel verdiept in de beschouwing van iets bij mijn tent. Hij stond naast een hoogen berk met een hand tegen den bast, dien hij den komenden winter voor zijn nieuwe kano wilde nemen; de andere hand omklemde zijn bijl nog, die hij een oogenblik te voren opgeraapt had om het tempo, waarin de ketel met boonen zong, te versnellen. Zijn bruine gezicht, waar een uitdrukking van kinderlijke aandacht op te lezen stond, gluurde achter den boom. Ik sloop nader zonder dat hij me hoorde, maar ik konniets zien. Het was doodstil in het bosch. Killooleet zat te dommelen bij zijn nest; de meesjes waren verdwenen, wel wetend dat het geen etenstijd was, en Meeko, de roode eekhoorn, had zoo dikwijls van den sparretop naar den grond moeten springen, dat hij nu mistroostig in zijn eigen spar zijn pijnlijke zolen bleef likken en als een bezetene aan ’t schelden ging, zoodra ik maar naderde. Nog steeds tuurde Simmo, alsof er een beer op zijn aas afkwam, tot ik fluisterde: „Quiie, Simmo, wat is het?”

„Nodwar k’chee Toquis; ik zie de bangerd,” zei hij, onbewust in zijn eigen dialect vervallend, dat de zoetste taal ter wereld is, zoo zacht, dat het wilde goedje niet verontrust wordt, wanneer het die hoort, en niet anders meent dan dat het een sterker ruischen in de dennen, of een zachter frutselen van den stroom tegen de rotsen is.—„O, sapperloot, kijk eens! Hij zijn snuit wasschen in je kopje.” En toen ik op de teenen aansloop en naast hem kwam staan, zat Tookhees daar op den rand van mijn kopje, waar ik een nieuw toplijntje in had staan weeken, om ’s avonds mee te visschen, ijverig bezig haar snuitje te poetsen, als een jongen met iemand achter zich om toe te kijken, dat hij ooren of nek niet overslaat.

Koude morgens uit mijn eigen jongenstijd schoten me te binnen en ik keek achter haar om te zien, of het bij haar ook gedwongen gebeurde, maar er was geen andere muis te zien. Twee handjesvol water schepte zij op, wreef ze haastig over neus en oogen en danachter haar ooren—op de plekjes die je ’t gauwst wakker maken, wanneer je slaperig bent—toen nog een handvol water en nog een flinken veeg, die net als den eersten keer achter haar oor eindigde.

Simmo was een en al verbazing, want een Indiaan merkt weinig in het bosch op, behalve wat bij zijn vallen-zetten en jagen te pas komt; en een muis haar snuitje te zien wasschen was hem even onbegrijpelijk, als mij een boek te zien lezen. Maar alle boschmuizen zijn heel zindelijk en hebben niets van die sterke luchtjes van onze huismuizen. Later, toen ik haar leerde kennen, zag ik dikwijls hoe ze zich waschte in het bord met water, dat ik voor haar holletje gezet had en steeds vol hield; zij waschte echter nooit meer dan haar snuitje en ’t gevoelige plekje achter haar ooren. Als ik haar dan echter weer eens in het meer of in de rivier zag zwemmen, heb ik me soms afgevraagd of ze op reis was, of alleen baadde omdat ze ’t zoo prettig vond, net als ze haar snuitje in mijn kopje waschte.

Ik liet het kopje staan waar ’t stond, en strooide een feestmaaltijd voor de kleine gast: beschuitkruimels en een stuk van een kaarsstompje. Den volgenden morgen waren ze verdwenen; de sporen van verscheiden muizen verrieden duidelijk wie er aangelokt waren uit de verscholen paadjes der wildernis. Dat was de eerste kennismaking van mensch en dier. Weldra kwamen ze geregeld. Ik hoefde maar kruimeltjes te strooien en een paar keer als een muis tepiepen, of schichten en glimpen verschenen op ’t mos of tusschen het verbleekte goud van het tapijt der oude berkeblaren, en de schuwe wezentjes kwamen aan mijn disch, met oogjes die glommen als git, met hun fijne pootjes opgeheven om hun snorren te poetsen of om zich te beschermen tegen den angst, waarin ze voortdurend leefden.

Ze waren niet allemaal gelijk; integendeel juist. Een, dezelfde die zich in mijn kopje gewasschen had, was grauw en oud, en wijs doordat zij haar vijanden zoo dikwijls ontdoken was. Haar linkeroor was gespleten tengevolge van een vechtpartij, of door den klauw van een uil, die haar net gemist had toen zij onder een wortel ontglipte.

Zij was de schuwste en tegelijk de brutaalste van het troepje. Een paar dagen lang naderde zij met wonderlijke behoedzaamheid; van elk dor blad, van elk wortelkluwen maakte zij gebruik om haar nadering te verbergen, en over de open plaatsen schoot zij zoo snel, dat je niet wist wat er gebeurd was—slechts een donker veegje, dat eindigde in niets. En het bruine blad verried niets van wat het verborg. Maar eenmaal zeker van haar zaak, kwam zij brutaal. Voor dat groote mensch-dier, met zijn gezicht dicht bij de muizentafel, doodstil, behalve zijn oogen, met een hand die voorzichtig bewoog, als ze bewoog, hoefde zij niet bang te wezen—dat voelde Tookhees instinctmatig. En dat vreemde vuur met die hongerig-makende geuren, de witte tent, het komen en gaan vanmenschen, die heer en meester in de bosschen waren, hielden vos en lynx en uil op een grooten afstand—dat merkte zij na een paar dagen. Alleen de „mink”3, die ’s nachts aan kwam sluipen om de visch van den man te stelen, dat was er een om bang voor te zijn. Dus gaf Tookhees voorloopig haar nachtelijke gewoonten op en kwam zij brutaal in ’t zonlicht voor den dag. Gewoonlijk komen de beestjes in de schemering te voorschijn, als hun snelle bewegingen te loor gaan in de kruipende, bevende schaduwen. Maar als hun vrees gevlogen is, zijn ze maar wat blij in ’t daglicht rond te kunnen draven, vooral wanneer allerlei lekker eten hen lokt.

Behalve de oudgediende was er een muizenmoedertje, wier kleine, grijze jasje toch wel groot genoeg was om een heerlijke moederliefde te bergen, zooals ik later merkte. Ze at nooit aan mijn disch, maar droeg haar deel weg om ’t ergens te verstoppen, niet om ’t aan haar kleintjes te voeren—daar waren ze nog te jong voor—; maar achter de heldere oogjes zeiden haar gedachten zeker onbewust, dat zij haar noodig hadden en dat ze om hunnentwil met grooter voorzorg voor haar leven moest waken. Ze sloop dus schuw naar mijn disch; altijd verscheen ze van onder een grijzen bastreep op een gevallen berk, nam denzelfden weg: eerst naar een bemosten steen, dan naar een donkere holte onder een wortel, vervolgens naar een lage varen en langs den onderkant van eenstuk hout naar de muizentafel. Daar stopte ze haastig beide wangen vol, tot ze zoo dik waren alsof ze kiespijn had en glipte langs denzelfden weg weer heen, om eindelijk onder den grijzen bastflard te verdwijnen. Langen tijd was ’t me een raadsel, hoe ’k haar nest moest ontdekken, dat niet ver af kon zijn, zooals ik wist. Het was niet in den berkestam, waar ze in verdween—die was hol over de heele lengte,—ook niet daar ergens onder. Op eenigen afstand lag een groote steen, half door het groene mos bedekt, dat er aan alle kanten tegen opstond. Het zorgvuldigste onderzoek had hier gefaald, geen spoor van Tookhees’ holletje had ik kunnen ontdekken. Zoo nam ik op een dag, toen het een halven storm woei en ik in mijn eentje het meer op wilde, dien steen op, om hem in den boeg van mijn kano te leggen. Dat was om het bootje vaster te doen liggen; dan zakte de neus zoo ver, dat ze ’t water kon pakken. Toen kwam ’t geheim aan den dag; daar was het, in een koepeltje van dor gras tusschen wat dennewortels onder den steen.

De moeder was op voedsel uit, maar een zwak sissend gepiep verried me, dat de jongen thuis waren en hongerig als gewoonlijk. Terwijl ik stond te kijken, was er een snelle beweging in een gang tusschen de wortels en kwam moeder muis terugsnellen. Ze stond even stil met haar voorpootjes tegen een wortel, om lucht te nemen van ’t gevaar dat er dreigde. Toen zag ze mijn gelaat over de opening gebogen—Et tuBrute!—en ze schoot het nest in. In een oogwenk was ze er weer uit en verdwenen in haar gang, terwijl de kleintjes onder ’t voortsnellen aan haar flanken hingen, zoo stijf, dat ze er niet af konden vallen—allemaal, op één na, een teer, rose diertje, dat je in een vingerhoed kon verstoppen en dat zich vol vertrouwen in het donkerste hoekje van mijn hand nestelde. Het duurde tien minuten, voordat het moedertje terugkwam en angstig naar ’t verloren kleintje zocht. Toen ze ’t veilig in zijn eigen nest ontdekte, met dat mannengezicht, dat nog steeds keek, was ze half gerustgesteld; maar toen ze zich neerwierp en het jong begon te drinken, werd ze weer bang en draafde haar gangetje in, terwijl het kleintje zich aan haar flank vastklemde, maar dezen keer stevig.

Ik legde den steen weer op zijn plaats en trok er het mos zorgvuldig omheen. Een paar dagen later was de muizenmoeder weer aan mijn disch. Ik sloop weg naar den steen, hield mijn oor er dicht tegenaan en hoorde met innige voldoening kleine piepgeluidjes, die me verrieden dat het huis weer bewoond was. Daarna bleef ik spieden om te zien langs welk paadje moeder muis de haren bereikte. Toen ze haar wangen vol had, verdween ze langs haar gewonen weg onder den bastreep. Deze leidde haar naar het holle binnenste van den berkestam, dien ze ten einde toe volgde; daar hield ze even op, oogen, ooren, neusgaten in de weer. Dan sprong ze naar een wirwar van wortels en dor blad, waar beneden een gang was,die diep onder het mos recht naar haar nest onder den steen voerde.

Behalve deze oudere muizen waren er vijf of zes jongere, alle schuw, op één na, die van den beginne af niet de minste vrees toonde, maar recht op mijn hand afkwam, haar kruimeltjes opat en tegen mijn mouw opkroop, waar zij zich een warm nestje begon te maken door wol van mijn flanellen hemd af te knabbelen.

Een groote tegenstelling met dit kereltje vormde een ander, dat maar al te wel wist wat vrees beteekende. Het hoorde tot een anderen stam, die nog niet gewend was geraakt aan de menschelijke gewoonten. Ik merkte te laat hoe zorgvuldig je met die wezentjes om moet gaan, die voortdurend in ’t land leven waar de vrees regeert.

Een eindje achter mijn tent lag een gevallen boomstam, vermolmd en met mos begroeid, waarover tweeling-bloemen4haar klokjes wiegelden over zijn heele lengte en waar een heele kolonie boschmuizen onder woonden. Ze aten de kruimels, die ik bij den boom strooide, maar ze waren nooit naar mijn disch te lokken. Was het omdat ze geen oudgediende met gespleten oor bezaten om de gewoonten van den mensch te bespieden, of omdat mijn eigen kolonie ze verjoeg? Ik heb het nooit kunnen uitmaken. Eens zag ik Tookhees onder den zwaren stam wegduiken toen ik naderde, en omdat ik niets belangrijkers te doenhad, legde ik een grooten kruimel bij haar gaatje, strekte me uit op het mos, verstopte mijn hand in een dorre varen dicht bij het verleidelijke beetje en piepte den lokroep. In een oogwenk verschenen Tookhees’ neus en oogen in haar deurtje, terwijl haar snorren zenuwachtig trilden toen zij het kaarsvet rook. Maar zij voelde achterdocht voor het groote ding; of misschien rook zij den mensch en was bang, want na herhaalde keeren schuilevinkje te hebben gespeeld, verdween zij heelemaal.

Ik vroeg me af hoe lang haar honger met haar voorzichtigheid zou strijden, toen ik het mos bij mijn lokaas van onderen in beweging zag komen. Een kleine golving van de mosbloemetjes, en Tookhees’ neus en oogen kwamen een oogenblik uit den grond te voorschijn, terwijl zij alle richtingen uit snuffelde. Haar bedoeling was nu duidelijk genoeg; zij was bezig een gang te graven om bij het beetje te komen dat zij openlijk niet durfde te nemen. Ik zat met ademlooze belangstelling toe te kijken, toen er een zwakke trilling, dichter bij mijn lokaas, verried waar zij met haar werk vorderde. Daarna werd het mos behoedzaam bewogen, dicht bij haar doel; een holletje opende zich, het stukje viel er in en Tookhees was verdwenen met haar buit.

Ik legde nog meer kruimeltjes uit mijn zak op dezelfde plek en weldra waren drie of vier muizen bezig er aan te knabbelen. Eén zat op, vlak bij de dorre varen, met een stukje brood in haar voorpooten, als eeneekhoorn. Plotseling bewoog de varen; voordat zij springen kon, sloot mijn hand zich over haar en terwijl ’k mijn andere hand onder haar liet glijden, bracht ik haar bij mijn gezicht om haar tusschen mijn vingers door gade te slaan. Zij maakte geen beweging om te ontkomen, maar trilde hevig. Haar pootjes schenen nu te zwak om haar gewicht te dragen; zij ging liggen; haar oogjes vielen toe; een stuiptrekking—en zij was dood—van angst gestorven in een hand die haar niets gedaan had.

Bij deze kolonie, wier leden me alle vreemd waren, leerde ik op een eigenaardige manier de gewoonte van de boschmuizen kennen om bezoeken af te leggen, en tegelijkertijd kreeg ik nog een les, die ik niet gauw vergeten zal. Dagenlang had ik op elke geoorloofde manier tevergeefs gepoogd een groote forel te vangen, een monster in haar soort, die in een draaikolk achter een rots hoogerop, waar ’t water het meer instroomde, woonde. Forellen waren schaarsch in dat meer en ’s zomers zijn de groote visschen altijd lui en moeilijk te snappen. Ik had het grootste deel van den tijd zin in forel, want de visch die ik gevangen had was klein en ’t was niet veel, en het ging met lange tusschenpoozen. Maar verscheiden keer als ik van den oever af, daar waar ’t andere water binnenstroomde, ingooide om vischjes te vangen, had ik wielingen in een groote draaikolk dicht bij den tegenovergelegen oever gezien, die me duidelijk groote visch daaronder verrieden; en eens, toen een reusachtigeforel over haar halve lengte boven water achter mijn vlieg aanschoot, verloor de katvisch alle bekoring en beloofde ik mezelf het genot, dat ’k mijn hengel zou voelen buigen en sidderen onder het voortjagen van die groote forel, al moest de heele zomer er mee gaan.

Vliegen gaven niets. Ik bood er haar een boekvol van aan in alle verscheidenheid van vorm en kleur, bij ’t uchtendkrieken en in de schemering, zonder haar in verzoeking te brengen. Ik probeerde larven, waar baars van houdt, een kikkerpoot, dien geen snoek kan weerstaan, en kikkertjes, zulke waarop groote forellen tusschen licht en donker te midden der leliebladen jagen—maar niets kon haar bekoren. En toen watertorren en ’t staartpuntje van een rooden eekhoorn, wat ’t beste vischaas ter wereld is, en spartelende sprinkhanen en een „zilveren-lepel”5met een leelijk „stel” haken, die ik verafschuw, en ik herinner me dankbaar dat de forellen die ook verafschuwden. Daar lagen ze in hun groote, koele draaikolk en namen lui wat de stroom hun aan voedsel toevoerde en hadden geen aandacht voor eenigerlei list. Daarop ving ik stroomop een roodvin6, haakte haar zorgvuldig aan, legde haar op een grooten houtspaander, wikkelde mijn snoer er omheen en liet dien stroomaf drijven, terwijl het snoer zachtjes naar achterenafwikkelde bij ’t wegdrijven. Toen hij de draaikolk bereikt had, beurde ik het tipje van mijn hengel op; het snoer ging strak staan; de roodvin sprong overboord en een forel van twee pond, die zeker dacht dat het kleine ding verscholen had gezeten onder den spaander, dook op en slikte het in. Dat was de eenige die ik ving. Haar worsteling had het diepe water in beroering gebracht en de andere forellen gaven verder niet meer om roodvinnen.

Later, terwijl ik eens bij dageraad op een groot rotsblok zat te prakkizeeren over nieuwe lokmiddelen en krijgslisten, trof een beweging in een elzestruik aan den overkant van den stroom mijn oog. Daar glipte Tookhees de boschmuis langs de takjes; ’t was haar klaarblijkelijk om de zwarte katjes te doen, die nog aan de uiteinden hingen. Terwijl ik naar haar stond te kijken, viel of sprong zij van haar twijgje in het stille water onder zich en nadat zij een oogenblik rondgekringd had, begon zij dapper den stroom over te zwemmen. Ik kon haar neus niet zien terwijl zij zwom, een rimpelende wig tegen het zwarte water, die een steeds wijder wordende V als een sleep achter zich liet. De trek duwde haar stroomaf; zij raakte den rand van de groote draaikolk; een wieling, een harde plons van onder op, en Tookhees was verdwenen zonder een spoor achter te laten, behalve een snellen kring van rimpels, die verzwolgen werden door de draaiingen en kolken achter de groote rots.—Ik had ontdekt welk aas de groote forel graag had.

Terwijl ’k me naar het kamp terughaastte, laadde ik een patroon luchtig met wat fijnen hagel, strooide een paar kruimeltjes in de buurt van den dikken stam achter mijn tent, piepte een paar keer den lokroep en ging zitten wachten. „Die muizen zijn eigenlijk vreemdelingen voor me,” vertelde ik mijn geweten, dat een beetje protesteerde, „en de bosschen zijn er vol van en ik wou die forel graag hebben.”

Even later ontstond er een geritsel in het mossige holletje en kwam Tookhees te voorschijn. Zij schoot over het open terrein, greep een kruimel in haar bekje, ging op haar achterpootjes zitten, nam den kruimel in haar voorpootjes en begon te eten. Ik had het geweer opgeheven in de meening dat zij wel een keer of wat zou schuilen, voordat ’k haar onder schot kreeg. Haar brutaliteit verbaasde me, maar ik herkende haar niet. Nog steeds ging mijn oog langs de loopen en over de korrel, tot waar Tookhees haar kruimel zat op te eten. Mijn vinger drukte den trekker.—„O, jou leelijke moordenaar,” zei het geweten, „bedenk toch hoe klein zij is en wat een groot spektakel je geweer zal maken! Schaam je je niet?”

„Maar ik wou die forel graag hebben,” wierp ik tegen.

„Vang ze dan zonder dit kleine, onschuldige ding,” zei ’t geweten onverbiddelijk.

„Maar zij is me heelemaal vreemd; ik heb nooit—”

„Zij eet je brood en je zout,” zei het geweten. Dat gaf den doorslag; en warempel, terwijl ik nog naar haar keek over de korrel, eindigde Tookhees haarkruimel, kwam naar mijn voet toe, glipte langs mijn been op mijn schoot en keek me vol verwachting aan. Het grijze velletje en ’t gespleten oor toonden de welkome gast aan mijn tafel van een week geleden. Zij was op bezoek bij de vreemde kolonie, zooals boschmuizen zoo graag doen, en trachtte ze door haar voorbeeld te overreden, dat ze me net zoo konden vertrouwen als zij. Beschaamder dan alsof ’k er op betrapt was een kwartel op den grond te schieten, gooide ik de huls weg die bijna mijn vriendinnetje gedood had, en keerde naar het kamp terug.

Daar maakte ik een muis uit een stukje vacht van een muskusrat, met een stuk van mijn leeren veter er als staart aangenaaid. Zij beantwoordde prachtig aan haar doel, want binnen het uur mocht ik grootte en pracht van een reusachtige forel, die in haar volle lengte op de rots naast me lag uitgestrekt, bewonderen. Maar toen ’k den volgenden keer ingooide, verloor ’k mijn lokmuis; ze bleef met een stuk van mijn toplijntje in den bek van een tweede forel achter, die naar boven schoot, op ’t zelfde oogenblik dat zij haar draaikolk aanraakte.

Daarna waren de boschmuizen veilig, wat mij betrof. Geen forel, al was ze zoo groot als een zalm, zou ze ooit proeven, tenzij ze lust hadden om te gaan zwemmen; en ik hield hun disch beter voorzien dan vroeger. Ik heb veel van hun bezoeken heen en weer gezien, en ik heb beter begrepen wat die gangen toch te beteekenen hebben, die in ’t voorjaar te zien zijn als delaatste sneeuw wegsmelt. In een hoek van het bosch, waar de driftsneeuw hoog ligt, zal men dikwijls een menigte gangen vinden, die uit alle richtingen in een kamer middenin uitmonden. Ze spreken van Tookhees’ gezellige natuur, van haar lange bezoeken bij haar makkers, niet gestoord door sprong of knauw, als de opeengepakte sneeuw daarboven den angst van ’s zomers heeft weggevaagd en haar beveiligt voor havik en uil en vos en wilde kat, en als geen open water haar er toe verleidt te gaan zwemmen waar Skooktum, de groote forel, hongerig op muizen onder haar draaikolk ligt te wachten.

De weken vloden maar al te snel, zooals het geval is met weken in de wildernis, en de droevige taak van ons kamp op te breken lag vlak voor ons. Eén ding baarde me echter zorg—de kleine Tookhees, die geen vrees kende, maar een nestje probeerde te maken in de mouw van mijn flanellen hemd. Haar argeloos vertrouwen trof me meer dan de eigenaardige gewoonten van alle andere muizen. Elken dag kwam zij om haar kruimeltjes te halen, niet van mijn disch, maar uit mijn hand. Zij genoot er klaarblijkelijk van de warmte onder ’t eten en zij kreeg altijd de uitgezochtste beetjes. Ik wist echter dat zij, wanneer ik heengegaan was, de eerste zou zijn die door den uil werd gegrepen, want alleen de vrees redt het wilde volkje.

Zoo nu en dan treft men dieren aan, onder allerlei soort, die het instinct van de vrees missen—een kikker,een jonge patrijs, een elandenkalf—en dan vraagt ge u verbaasd af welke gouden eeuw, die de vrees niet kende, of welk heerlijk visioen van Jesaja, waarin de leeuw bij het lam nederligt, daar werkelijkheid is geworden. Ik heb zelfs een jonge zwarte eend, wier natuurlijke geaardheid zoo wild is als de wildernis zelf, gezien, die niets van haar moeders noodsignalen en haar voortdurende lessen in ’t wegschuilen had geleerd, maar op mijn kano kwam aandobberen tusschen de waterplanten van een meer in de wildernis, terwijl haar makkers onzichtbaar wegdoken in hun schuilplaatsen van overbuigend riet en haar moeder er klapwiekend van doorging met geplas en gekwaak, en een vlerk liet slepen om me van haar jongen weg te lokken.

Het jong, dat geen vrees kent, wordt gewoonlijk door zijn moeder in den steek gelaten, of wel hij zal de eerste zijn, die in den strijd tegen den sterke valt, voordat ze hem als hopeloos opgeeft. Kleine Tookhees behoorde klaarblijkelijk tot deze klasse; dus vóór mijn vertrek stelde ik het mijzelf tot taak haar de vrees te leeren kennen, wat blijkbaar voor de Natuur en voor haar eigen moeder te veel was geweest. Ik kneep haar een paar keer, en terwijl ik dat deed, kraste ik als een uil—een schrikwekkend optreden, dat de andere muizen als bruine schichten halsoverkop naar een schuilplaats joeg. Daarna zwaaide ik met een tak boven haar, alsof ’t de vleugel van een havik was, terwijl ’k er haar tegelijkertijd pardoes eenklap mee gaf, zoodat zij een doodschrik kreeg. En dan weer, als zij voor den dag kwam, terwijl er een nieuw licht in haar oogjes daagde: het licht van de vrees, maakte ’k met een stok een schuifelende beweging in de varens als van een sluipenden vos en gaf haar een flinken tik met een sparretwijg. Het was een harde les, maar zij kende ze na een dag of wat. En nog eer ik mijn onderwijs staakte, was er geen muis, die aan mijn disch wilde komen, hoe overredend ik ook piepte. In de schemering schoten ze rond als eertijds, maar het eerste suizen van mijn tak joeg ze in een ommezien naar haar schuilplaats terug.

Dat was haar hardhandige, maar afdoende voorbereiding tegen de rooverbende, die weldra over mijn kampplaats zou rondsluipen. Dan zou een heimelijke beweging in de varens, of een neerschietende schaduw tusschen de schaduwen der schemering heel wat anders beteekenen dan een schuifelende tak en een wuivende sparretwijg. Een hap, een greep, en tanden en klauwen—loop wat je loopen kunt en kijk pas naderhand waarom! Zoo hoort het voor een verstandige boschmuis. Ik groette ze dus en liet ze achter om op zichzelf te passen in de wildernis.

1Hesperomys Leucopus.↑2Corvus Corax Principalis.↑3Een ottersoort.↑4Linnaea Borealis.↑5Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd.↑6Notropis Cornutus.↑

1Hesperomys Leucopus.↑2Corvus Corax Principalis.↑3Een ottersoort.↑4Linnaea Borealis.↑5Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd.↑6Notropis Cornutus.↑

1Hesperomys Leucopus.↑

2Corvus Corax Principalis.↑

3Een ottersoort.↑

4Linnaea Borealis.↑

5Een vischtuig, waarbij een glimmend, lepelvormig voorwerp achter de haken is bevestigd.↑

6Notropis Cornutus.↑


Back to IndexNext