HOOFDSTUK XXIV.

HOOFDSTUK XXIV.IK LEID DEN OPSTAND.Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd behandeld.Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat laag en gemeen was.„We moeten zoo’n herrie maken dat Kolman het hoort,” zei ik telkens. „Die moet er zich mee bemoeien.”„Waarom?” vroeg Stenford heel bedaard.„Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen,” antwoordde ik, „en dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd.”De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd konworden als gevolg van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren en keurden het plan niet meer zoo sterk af.Kien was de eenige die onverschillig bleef. „Maak toch niet zoo’n herrie,” zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. „Je stelt je aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt.” Na deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den opstand die werd beraamd.„Ondankbare rakker,” merkte Stenford lachend op; „dat is nu weer echt iets voor Kien om het zoo op te nemen.”Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren vast besloten—dat was ik althans—om te verhoeden dat hij zulk een schandelijke bejegening zou ondergaan.„’t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop,” zei ik uitdagend. „’t Is best mogelijk dat ik op m’n gezicht krijg, maar ik denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als iemand moet boeten, dan ben ik het.”Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. „Hoe wil je het aanleggen?” vroeg een van de jongens die practisch was uitgevallen.„Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen afranselen,” zei ik. „Het zijn er maar twee moet je niet vergeten.”„Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd,” antwoordde die jongen. „Ze trekken dus partij voor elkaar.”„Natuurlijk,” hernam ik, „maar ze zullen maar met hun tweeën in die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen beletten dat ze Kien met een hand aanraken?”„Hm! dat zou wel gaan,” zei Stenford, „en daarna?”„Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalstfiguur geslagen en vertellen het natuurlijk aan niemand.”„En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit voortkwam?”„Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd,” riep ik uit op zegevierenden toon.Eenige juichkreten werden aangeheven.„Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt,” ging ik hoe langer hoe opgewondener voort. „Natuurlijk is er wat moed voor noodig, maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt.”Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en Burns me achterop.„Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen haar op m’n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen,” zei Stenford, „maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet boeten.”„Z-zoo d-denk ik er ook over,” viel Burns in.„Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten,” hernam Stenford. „Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is, dan laten ze je allemaal in den steek.”„Ik zal volhouden,” zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.„Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken,” zei Stenford. „Ik dacht dat—”„Och wat!” riep ik kwaad. „Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet meer dezelfde kerel.”„Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan,” zei Burns, „d-dat zou J-Juniper ook doen.”„En wat zegt die ervan?” vroeg ik. „Je hebt hem natuurlijk alles overgebriefd.”„D-dat heb ik n-niet gedaan,” antwoordde Burns; „maar Juniper weet altijd alles.”Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een spottenden blik naar ons drieën. „Zoo, jeugdige aanvoerder,” zei hij tegen me, „hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang in elkaar geflansd?”Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.„Het moet een soort Marseillaise worden, jongen,” zei Jim met een sierlijk gebaar van den arm. „Er moet iets inkomen van bloed dat den grond drenkt! Vindt je ook niet?”„Wij zullen beletten dat het gebeurt,” zei ik op uitdagenden toon.„Heel goed,” merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op, alsof ik iets over het weer had gezegd.„Ja, wij verdragen het niet,” riep ik uit.„Groot gelijk,” hernam Juniper;„jullie moet zoo iets niet verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?”„Ja,” zei ik kortaf.„En hoe luidde het oordeel van uw vriend?”Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem op de hoogte.„K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden,” stotterde Burns.„Och, kom,” hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te vinden. „De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor hem het woord op als een dappere Trojaan.”„Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt,” mompelde ik.„Maar dat is nu eenmaal gebeurd,” zei Juniper, „en daarom zou ik u ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend in deze zaak op te volgen.”Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik scheen te krijgen in het geval.„Wel allemachtig, nu wordt het ernst,” riep hij uit. „Zulke blikken worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig weer ontmoeten.”Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren: „Scheid uit met die malligheid, kerel.”Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.„Type van een vent, die Juniper!” zei Stenford; „je weet nooit of ie je voor den gek houdt of niet.”„Dat w-weet ik wel,” zei Burns; „hij is een b-beste k-kerel.”„Hij kan mij geweldig vervelen,” zei ik nijdig. „Toe vooruit; we komen anders nog te laat.”We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool werd Kien geroepen.„Wat moeten we doen, Ellinghem?” werd me van alle kanten gevraagd.We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.„Zullen we hem vasthouden?” werd door een van de jongens voorgesteld.„Als we hem ’s verstopten,” zei een ander.„Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z’n gezicht krijgen,” zei een derde.„Laat ie gaan,” beval ik.Kien was trouwens al op z’n eigen houtje vertrokken om zijn straf te ondergaan.„Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn,” hernam ik.„Wie van de prefekten zijn het?” vroeg ik aan den jongen die Kien was komen roepen.„Norman en Kitsjin,” antwoordde hij.„Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak,” zei Stenford.„N-Norman z-zal hem d-de les lezen,” zei Burns.„Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?” vroeg iemand.„Nee, dat zal ie niet,” zei ik. „Vooruit jongens, ga mee. Zijn jullie klaar?”De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd, den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was aangebroken.„Toe vooruit!” riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij heen wierp. „De jongens die niet bang zijn volgen me!”Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden, want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar als een wapen mee droeg.We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas dat daarin was aangebrachtom de gang eenigszins te verlichten, daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.BRAVO BOB.BRAVO BOB.Het glas vloog aan duizenden stukken. Bladz. 203.Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van den aanval was aangebroken.„Toe nou, maak voort,” zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het maar beter om overhaast te werk te gaan.Ik klopte hard en nijdig op de deur.In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer niet hadden gehoord.Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.Ik gaf zoo’n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten hooren.Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en de deur op een kier geopend.„Wat is er?” vroeg Bob op strengen toon.„Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen,” zei ik.Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang stond samengeschoold.„Jullie kunt niet binnen komen,” antwoordde hij heel beslist.„Dat kunnen we wel,” antwoordde ik; „we willen niet dat jullie Kien zult slaan.”Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slagdicht te gooien: voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de deur begon te beuken en te hameren.„Open!” gilde ik. „Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan, versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!”Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was Stenford. „Houd nou op, kerel,” zei hij. „Je kunt er immers niets aan doen.”„Ja, g-ga m-mee,” zei Burns. „Maak n-niet zoo’n k-kabaal.”Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.„Laat me los,” schreeuwde ik. „Jullie bent lafaards en ellendelingen, allemaal!”„Onraad!” werd in de gang geroepen.„Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan,” zei Stenford. „Je kan niets tegen ze uitvoeren!”„Dat denk je maar,” riep ik uit, terwijl ik me losrukte. „Dan zal ik wel alleen de deur inslaan.”Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden en neergeploft.Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met al mijn kracht te doen aankomen kon ik juistachter het matglas den vorm van een hoofd gewaar worden—het was het hoofd van Bob.Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai op den grond kletterden en rinkelden.Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield en over zijn gansche lichaam trilde.„Groote hemel,” riep Stenford uit; „hij heeft het in z’n oogen gekregen!”

HOOFDSTUK XXIV.IK LEID DEN OPSTAND.Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd behandeld.Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat laag en gemeen was.„We moeten zoo’n herrie maken dat Kolman het hoort,” zei ik telkens. „Die moet er zich mee bemoeien.”„Waarom?” vroeg Stenford heel bedaard.„Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen,” antwoordde ik, „en dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd.”De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd konworden als gevolg van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren en keurden het plan niet meer zoo sterk af.Kien was de eenige die onverschillig bleef. „Maak toch niet zoo’n herrie,” zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. „Je stelt je aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt.” Na deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den opstand die werd beraamd.„Ondankbare rakker,” merkte Stenford lachend op; „dat is nu weer echt iets voor Kien om het zoo op te nemen.”Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren vast besloten—dat was ik althans—om te verhoeden dat hij zulk een schandelijke bejegening zou ondergaan.„’t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop,” zei ik uitdagend. „’t Is best mogelijk dat ik op m’n gezicht krijg, maar ik denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als iemand moet boeten, dan ben ik het.”Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. „Hoe wil je het aanleggen?” vroeg een van de jongens die practisch was uitgevallen.„Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen afranselen,” zei ik. „Het zijn er maar twee moet je niet vergeten.”„Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd,” antwoordde die jongen. „Ze trekken dus partij voor elkaar.”„Natuurlijk,” hernam ik, „maar ze zullen maar met hun tweeën in die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen beletten dat ze Kien met een hand aanraken?”„Hm! dat zou wel gaan,” zei Stenford, „en daarna?”„Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalstfiguur geslagen en vertellen het natuurlijk aan niemand.”„En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit voortkwam?”„Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd,” riep ik uit op zegevierenden toon.Eenige juichkreten werden aangeheven.„Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt,” ging ik hoe langer hoe opgewondener voort. „Natuurlijk is er wat moed voor noodig, maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt.”Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en Burns me achterop.„Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen haar op m’n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen,” zei Stenford, „maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet boeten.”„Z-zoo d-denk ik er ook over,” viel Burns in.„Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten,” hernam Stenford. „Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is, dan laten ze je allemaal in den steek.”„Ik zal volhouden,” zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.„Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken,” zei Stenford. „Ik dacht dat—”„Och wat!” riep ik kwaad. „Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet meer dezelfde kerel.”„Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan,” zei Burns, „d-dat zou J-Juniper ook doen.”„En wat zegt die ervan?” vroeg ik. „Je hebt hem natuurlijk alles overgebriefd.”„D-dat heb ik n-niet gedaan,” antwoordde Burns; „maar Juniper weet altijd alles.”Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een spottenden blik naar ons drieën. „Zoo, jeugdige aanvoerder,” zei hij tegen me, „hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang in elkaar geflansd?”Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.„Het moet een soort Marseillaise worden, jongen,” zei Jim met een sierlijk gebaar van den arm. „Er moet iets inkomen van bloed dat den grond drenkt! Vindt je ook niet?”„Wij zullen beletten dat het gebeurt,” zei ik op uitdagenden toon.„Heel goed,” merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op, alsof ik iets over het weer had gezegd.„Ja, wij verdragen het niet,” riep ik uit.„Groot gelijk,” hernam Juniper;„jullie moet zoo iets niet verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?”„Ja,” zei ik kortaf.„En hoe luidde het oordeel van uw vriend?”Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem op de hoogte.„K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden,” stotterde Burns.„Och, kom,” hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te vinden. „De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor hem het woord op als een dappere Trojaan.”„Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt,” mompelde ik.„Maar dat is nu eenmaal gebeurd,” zei Juniper, „en daarom zou ik u ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend in deze zaak op te volgen.”Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik scheen te krijgen in het geval.„Wel allemachtig, nu wordt het ernst,” riep hij uit. „Zulke blikken worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig weer ontmoeten.”Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren: „Scheid uit met die malligheid, kerel.”Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.„Type van een vent, die Juniper!” zei Stenford; „je weet nooit of ie je voor den gek houdt of niet.”„Dat w-weet ik wel,” zei Burns; „hij is een b-beste k-kerel.”„Hij kan mij geweldig vervelen,” zei ik nijdig. „Toe vooruit; we komen anders nog te laat.”We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool werd Kien geroepen.„Wat moeten we doen, Ellinghem?” werd me van alle kanten gevraagd.We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.„Zullen we hem vasthouden?” werd door een van de jongens voorgesteld.„Als we hem ’s verstopten,” zei een ander.„Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z’n gezicht krijgen,” zei een derde.„Laat ie gaan,” beval ik.Kien was trouwens al op z’n eigen houtje vertrokken om zijn straf te ondergaan.„Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn,” hernam ik.„Wie van de prefekten zijn het?” vroeg ik aan den jongen die Kien was komen roepen.„Norman en Kitsjin,” antwoordde hij.„Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak,” zei Stenford.„N-Norman z-zal hem d-de les lezen,” zei Burns.„Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?” vroeg iemand.„Nee, dat zal ie niet,” zei ik. „Vooruit jongens, ga mee. Zijn jullie klaar?”De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd, den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was aangebroken.„Toe vooruit!” riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij heen wierp. „De jongens die niet bang zijn volgen me!”Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden, want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar als een wapen mee droeg.We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas dat daarin was aangebrachtom de gang eenigszins te verlichten, daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.BRAVO BOB.BRAVO BOB.Het glas vloog aan duizenden stukken. Bladz. 203.Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van den aanval was aangebroken.„Toe nou, maak voort,” zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het maar beter om overhaast te werk te gaan.Ik klopte hard en nijdig op de deur.In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer niet hadden gehoord.Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.Ik gaf zoo’n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten hooren.Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en de deur op een kier geopend.„Wat is er?” vroeg Bob op strengen toon.„Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen,” zei ik.Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang stond samengeschoold.„Jullie kunt niet binnen komen,” antwoordde hij heel beslist.„Dat kunnen we wel,” antwoordde ik; „we willen niet dat jullie Kien zult slaan.”Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slagdicht te gooien: voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de deur begon te beuken en te hameren.„Open!” gilde ik. „Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan, versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!”Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was Stenford. „Houd nou op, kerel,” zei hij. „Je kunt er immers niets aan doen.”„Ja, g-ga m-mee,” zei Burns. „Maak n-niet zoo’n k-kabaal.”Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.„Laat me los,” schreeuwde ik. „Jullie bent lafaards en ellendelingen, allemaal!”„Onraad!” werd in de gang geroepen.„Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan,” zei Stenford. „Je kan niets tegen ze uitvoeren!”„Dat denk je maar,” riep ik uit, terwijl ik me losrukte. „Dan zal ik wel alleen de deur inslaan.”Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden en neergeploft.Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met al mijn kracht te doen aankomen kon ik juistachter het matglas den vorm van een hoofd gewaar worden—het was het hoofd van Bob.Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai op den grond kletterden en rinkelden.Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield en over zijn gansche lichaam trilde.„Groote hemel,” riep Stenford uit; „hij heeft het in z’n oogen gekregen!”

HOOFDSTUK XXIV.IK LEID DEN OPSTAND.

Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd behandeld.Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat laag en gemeen was.„We moeten zoo’n herrie maken dat Kolman het hoort,” zei ik telkens. „Die moet er zich mee bemoeien.”„Waarom?” vroeg Stenford heel bedaard.„Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen,” antwoordde ik, „en dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd.”De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd konworden als gevolg van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren en keurden het plan niet meer zoo sterk af.Kien was de eenige die onverschillig bleef. „Maak toch niet zoo’n herrie,” zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. „Je stelt je aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt.” Na deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den opstand die werd beraamd.„Ondankbare rakker,” merkte Stenford lachend op; „dat is nu weer echt iets voor Kien om het zoo op te nemen.”Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren vast besloten—dat was ik althans—om te verhoeden dat hij zulk een schandelijke bejegening zou ondergaan.„’t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop,” zei ik uitdagend. „’t Is best mogelijk dat ik op m’n gezicht krijg, maar ik denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als iemand moet boeten, dan ben ik het.”Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. „Hoe wil je het aanleggen?” vroeg een van de jongens die practisch was uitgevallen.„Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen afranselen,” zei ik. „Het zijn er maar twee moet je niet vergeten.”„Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd,” antwoordde die jongen. „Ze trekken dus partij voor elkaar.”„Natuurlijk,” hernam ik, „maar ze zullen maar met hun tweeën in die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen beletten dat ze Kien met een hand aanraken?”„Hm! dat zou wel gaan,” zei Stenford, „en daarna?”„Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalstfiguur geslagen en vertellen het natuurlijk aan niemand.”„En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit voortkwam?”„Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd,” riep ik uit op zegevierenden toon.Eenige juichkreten werden aangeheven.„Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt,” ging ik hoe langer hoe opgewondener voort. „Natuurlijk is er wat moed voor noodig, maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt.”Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en Burns me achterop.„Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen haar op m’n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen,” zei Stenford, „maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet boeten.”„Z-zoo d-denk ik er ook over,” viel Burns in.„Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten,” hernam Stenford. „Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is, dan laten ze je allemaal in den steek.”„Ik zal volhouden,” zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.„Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken,” zei Stenford. „Ik dacht dat—”„Och wat!” riep ik kwaad. „Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet meer dezelfde kerel.”„Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan,” zei Burns, „d-dat zou J-Juniper ook doen.”„En wat zegt die ervan?” vroeg ik. „Je hebt hem natuurlijk alles overgebriefd.”„D-dat heb ik n-niet gedaan,” antwoordde Burns; „maar Juniper weet altijd alles.”Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een spottenden blik naar ons drieën. „Zoo, jeugdige aanvoerder,” zei hij tegen me, „hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang in elkaar geflansd?”Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.„Het moet een soort Marseillaise worden, jongen,” zei Jim met een sierlijk gebaar van den arm. „Er moet iets inkomen van bloed dat den grond drenkt! Vindt je ook niet?”„Wij zullen beletten dat het gebeurt,” zei ik op uitdagenden toon.„Heel goed,” merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op, alsof ik iets over het weer had gezegd.„Ja, wij verdragen het niet,” riep ik uit.„Groot gelijk,” hernam Juniper;„jullie moet zoo iets niet verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?”„Ja,” zei ik kortaf.„En hoe luidde het oordeel van uw vriend?”Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem op de hoogte.„K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden,” stotterde Burns.„Och, kom,” hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te vinden. „De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor hem het woord op als een dappere Trojaan.”„Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt,” mompelde ik.„Maar dat is nu eenmaal gebeurd,” zei Juniper, „en daarom zou ik u ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend in deze zaak op te volgen.”Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik scheen te krijgen in het geval.„Wel allemachtig, nu wordt het ernst,” riep hij uit. „Zulke blikken worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig weer ontmoeten.”Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren: „Scheid uit met die malligheid, kerel.”Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.„Type van een vent, die Juniper!” zei Stenford; „je weet nooit of ie je voor den gek houdt of niet.”„Dat w-weet ik wel,” zei Burns; „hij is een b-beste k-kerel.”„Hij kan mij geweldig vervelen,” zei ik nijdig. „Toe vooruit; we komen anders nog te laat.”We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool werd Kien geroepen.„Wat moeten we doen, Ellinghem?” werd me van alle kanten gevraagd.We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.„Zullen we hem vasthouden?” werd door een van de jongens voorgesteld.„Als we hem ’s verstopten,” zei een ander.„Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z’n gezicht krijgen,” zei een derde.„Laat ie gaan,” beval ik.Kien was trouwens al op z’n eigen houtje vertrokken om zijn straf te ondergaan.„Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn,” hernam ik.„Wie van de prefekten zijn het?” vroeg ik aan den jongen die Kien was komen roepen.„Norman en Kitsjin,” antwoordde hij.„Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak,” zei Stenford.„N-Norman z-zal hem d-de les lezen,” zei Burns.„Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?” vroeg iemand.„Nee, dat zal ie niet,” zei ik. „Vooruit jongens, ga mee. Zijn jullie klaar?”De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd, den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was aangebroken.„Toe vooruit!” riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij heen wierp. „De jongens die niet bang zijn volgen me!”Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden, want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar als een wapen mee droeg.We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas dat daarin was aangebrachtom de gang eenigszins te verlichten, daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.BRAVO BOB.BRAVO BOB.Het glas vloog aan duizenden stukken. Bladz. 203.Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van den aanval was aangebroken.„Toe nou, maak voort,” zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het maar beter om overhaast te werk te gaan.Ik klopte hard en nijdig op de deur.In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer niet hadden gehoord.Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.Ik gaf zoo’n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten hooren.Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en de deur op een kier geopend.„Wat is er?” vroeg Bob op strengen toon.„Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen,” zei ik.Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang stond samengeschoold.„Jullie kunt niet binnen komen,” antwoordde hij heel beslist.„Dat kunnen we wel,” antwoordde ik; „we willen niet dat jullie Kien zult slaan.”Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slagdicht te gooien: voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de deur begon te beuken en te hameren.„Open!” gilde ik. „Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan, versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!”Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was Stenford. „Houd nou op, kerel,” zei hij. „Je kunt er immers niets aan doen.”„Ja, g-ga m-mee,” zei Burns. „Maak n-niet zoo’n k-kabaal.”Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.„Laat me los,” schreeuwde ik. „Jullie bent lafaards en ellendelingen, allemaal!”„Onraad!” werd in de gang geroepen.„Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan,” zei Stenford. „Je kan niets tegen ze uitvoeren!”„Dat denk je maar,” riep ik uit, terwijl ik me losrukte. „Dan zal ik wel alleen de deur inslaan.”Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden en neergeploft.Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met al mijn kracht te doen aankomen kon ik juistachter het matglas den vorm van een hoofd gewaar worden—het was het hoofd van Bob.Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai op den grond kletterden en rinkelden.Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield en over zijn gansche lichaam trilde.„Groote hemel,” riep Stenford uit; „hij heeft het in z’n oogen gekregen!”

Voor het avond werd had ik een heele groep onder de juniores overgehaald om deel te nemen aan het oproer dat ik wilde doen uitbreken, hoewel Stenford mij aanhoudend voor oogen hield dat de heele boel schromelijk zou mislukken. Niettegenstaande Kien ons soms gruwelijk kon vervelen met zijn voorliefde voor scheikundige proefnemingen, was hij toch heel bemind, en het kostte me dan ook weinig moeite om de anderen te overtuigen dat hij schandelijk werd behandeld.

Dit alleen zou echter niet voldoende zijn geweest om volgelingen te werven. Ik gaf op Brunton af die ik alle mogelijke dingen naar het hoofd slingerde. Ieder van ons had zooveel plagerijen van dien naren jongen moeten verduren, dat hij in staat werd beschouwd tot al wat laag en gemeen was.

„We moeten zoo’n herrie maken dat Kolman het hoort,” zei ik telkens. „Die moet er zich mee bemoeien.”

„Waarom?” vroeg Stenford heel bedaard.

„Omdat Kolman dan natuurlijk navraag zal doen,” antwoordde ik, „en dan wordt Brunton voor en Brunton na genoemd, en dan zal uitkomen al wat ie in de stad heeft uitgevoerd, en dan wordt ie zeker weggejaagd.”

De mogelijkheid alleen dat Brunton weggestuurd konworden als gevolg van den opstand, bracht verscheiden aanhangers tot onze partij over. Zelfs Stenford en Burns hielden op met het opperen van bezwaren en keurden het plan niet meer zoo sterk af.

Kien was de eenige die onverschillig bleef. „Maak toch niet zoo’n herrie,” zei hij, toen hij vernam wat ik van plan was. „Je stelt je aan als een gek en je zal zien dat je er zelf tegen aanloopt.” Na deze woorden liep hij door zonder zich verder te bekommeren over den opstand die werd beraamd.

„Ondankbare rakker,” merkte Stenford lachend op; „dat is nu weer echt iets voor Kien om het zoo op te nemen.”

Hoe Kien de zaak opnam liet ons echter onverschillig. We waren vast besloten—dat was ik althans—om te verhoeden dat hij zulk een schandelijke bejegening zou ondergaan.

„’t Kan me geen steek schelen of ik er tegen aanloop,” zei ik uitdagend. „’t Is best mogelijk dat ik op m’n gezicht krijg, maar ik denk er niet aan den boel op te geven. Ik ben de aanvoerder, en als iemand moet boeten, dan ben ik het.”

Deze met gloed uitgesproken woorden werden met applaus begroet. „Hoe wil je het aanleggen?” vroeg een van de jongens die practisch was uitgevallen.

„Stenford zegt dat twee van de prefekten morgenochtend Kien zullen afranselen,” zei ik. „Het zijn er maar twee moet je niet vergeten.”

„Jawel, maar ze hebben allemaal toegestemd,” antwoordde die jongen. „Ze trekken dus partij voor elkaar.”

„Natuurlijk,” hernam ik, „maar ze zullen maar met hun tweeën in die kamer zijn, en denk je dan dat wij met ons twaalven niet kunnen beletten dat ze Kien met een hand aanraken?”

„Hm! dat zou wel gaan,” zei Stenford, „en daarna?”

„Als we Kien hebben ontzet en bevrijd, dan zal je er van hen nooit meer iets van hooren. Ze hebben dan een allermalstfiguur geslagen en vertellen het natuurlijk aan niemand.”

„En als dat nu eens niet gebeurde en er een geduchte herrie uit voortkwam?”

„Dan halen we er Brunton bij en dan wordt die weggejaagd,” riep ik uit op zegevierenden toon.

Eenige juichkreten werden aangeheven.

„Ik verlang niets van jullie dan dat je me helpt,” ging ik hoe langer hoe opgewondener voort. „Natuurlijk is er wat moed voor noodig, maar dan is er ook geen sprake van dat de boel mislukt.”

Dit heele gesprek was gevoerd op het verst afgelegen gedeelte van het speelterrein; toen ik me omkeerde en weg liep kwamen Stenford en Burns me achterop.

„Als ik ook niet bij die vuurwerk-historie was geweest, dan zou geen haar op m’n hoofd erover hebben gedacht om mee te doen,” zei Stenford, „maar nu vind ik het ellendig dat de arme kerel er alleen voor moet boeten.”

„Z-zoo d-denk ik er ook over,” viel Burns in.

„Maar je zal toch ondervinden dat je niets hoegenaamd kunt uitrichten,” hernam Stenford. „Nu hebben al die lui een heel hoog woord en zeggen ze ja en amen op al wat je beweert, maar als het oogenblik daar is, dan laten ze je allemaal in den steek.”

„Ik zal volhouden,” zei ik, terwijl ik fier het hoofd in den nek wierp.

„Je hadt beter gedaan met naar Kitsjin te trekken,” zei Stenford. „Ik dacht dat—”

„Och wat!” riep ik kwaad. „Sinds Kitsjin een prefekt is, is ie niet meer dezelfde kerel.”

„Ik w-wist wel dat ie m-met de anderen zou meegaan,” zei Burns, „d-dat zou J-Juniper ook doen.”

„En wat zegt die ervan?” vroeg ik. „Je hebt hem natuurlijk alles overgebriefd.”

„D-dat heb ik n-niet gedaan,” antwoordde Burns; „maar Juniper weet altijd alles.”

Op dat oogenblik kwam dit heerschap juist opdagen; hij wierp een spottenden blik naar ons drieën. „Zoo, jeugdige aanvoerder,” zei hij tegen me, „hoe gaat het met den opstand? Is het aantal oproerlingen voortdurend stijgend? Gehoorzamen ze stipt aan de bevelen van den leider? Onze dichter Burns is er ook bij? Heb je al een krijgszang in elkaar geflansd?”

Burns lachte. Hij was gewend aan dergelijke spotternijen van Jim.

„Het moet een soort Marseillaise worden, jongen,” zei Jim met een sierlijk gebaar van den arm. „Er moet iets inkomen van bloed dat den grond drenkt! Vindt je ook niet?”

„Wij zullen beletten dat het gebeurt,” zei ik op uitdagenden toon.

„Heel goed,” merkte de heer Juniper op even onverschilligen toon op, alsof ik iets over het weer had gezegd.

„Ja, wij verdragen het niet,” riep ik uit.

„Groot gelijk,” hernam Juniper;„jullie moet zoo iets niet verdragen. Mag ik ook weten, mijnheer, of u den raad hebt ingewonnen van uw ouderen vriend Kitsjin, alvorens u is overgegaan tot het uitvoeren van de plannen die door u werden beraamd?”

„Ja,” zei ik kortaf.

„En hoe luidde het oordeel van uw vriend?”

Ik bleef het antwoord op die vraag schuldig, doch Burns bracht hem op de hoogte.

„K-Kitsjin heeft het hem af-afgeraden,” stotterde Burns.

„Och, kom,” hernam Jim die het geval hoogst vermakelijk scheen te vinden. „De aanvoerder zwijgt, maar onze dichter Burns neemt voor hem het woord op als een dappere Trojaan.”

„Ik verlang volstrekt niet dat iemand voor mij het woord neemt,” mompelde ik.

„Maar dat is nu eenmaal gebeurd,” zei Juniper, „en daarom zou ik u ernstig in overweging willen geven om den raad van uw ouderen vriend in deze zaak op te volgen.”

Ik wierp hem een fonkelenden blik toe, waardoor hij nog grooter schik scheen te krijgen in het geval.

„Wel allemachtig, nu wordt het ernst,” riep hij uit. „Zulke blikken worden geworpen bij gevechten op leven en dood. Ik word heusch bang. Vaarwel, waarde heer en adjudant Burns. Mogen we elkaar spoedig weer ontmoeten.”

Hij groette met een keurig gebaar en liep door; zijn potsierlijke houding liet hij echter varen en keerde terug om me in te fluisteren: „Scheid uit met die malligheid, kerel.”

Nu liep hij werkelijk door en liet ons staan.

„Type van een vent, die Juniper!” zei Stenford; „je weet nooit of ie je voor den gek houdt of niet.”

„Dat w-weet ik wel,” zei Burns; „hij is een b-beste k-kerel.”

„Hij kan mij geweldig vervelen,” zei ik nijdig. „Toe vooruit; we komen anders nog te laat.”

We wisten niet precies hoe laat Kien den volgenden morgen voor zijn rechters moest verschijnen, zoodat het nog duister was op welk uur wij ten strijde moesten optrekken. In het rustuur na de ochtendschool werd Kien geroepen.

„Wat moeten we doen, Ellinghem?” werd me van alle kanten gevraagd.

We waren nu allen te zamen in de gymnastiekzaal; wel had ik bemerkt dat de oproerige geest voortdurend moest worden aangewakkerd, omdat die anders zeer zeker zou zijn gedoofd.

„Zullen we hem vasthouden?” werd door een van de jongens voorgesteld.

„Als we hem ’s verstopten,” zei een ander.

„Als ie niet gauw gaat zal ie nog meer op z’n gezicht krijgen,” zei een derde.

„Laat ie gaan,” beval ik.

Kien was trouwens al op z’n eigen houtje vertrokken om zijn straf te ondergaan.

„Hij moet eerst in de kamer van de prefekten zijn,” hernam ik.

„Wie van de prefekten zijn het?” vroeg ik aan den jongen die Kien was komen roepen.

„Norman en Kitsjin,” antwoordde hij.

„Eerst krijgt ie een preek en dan krijgt ie een pak,” zei Stenford.

„N-Norman z-zal hem d-de les lezen,” zei Burns.

„Dus Kitsjin zal hem met den rotting geven?” vroeg iemand.

„Nee, dat zal ie niet,” zei ik. „Vooruit jongens, ga mee. Zijn jullie klaar?”

De plotselinge overgang tusschen praten en handelend optreden scheen de meesten van mijn aanhangers te doen terugdeinzen. Ik kwam nu tot de ontdekking dat de jongens die het hardst hadden geschreeuwd, den minsten moed toonden nu het gewichtige oogenblik eindelijk was aangebroken.

„Toe vooruit!” riep ik, terwijl ik een verachtelijken blik om mij heen wierp. „De jongens die niet bang zijn volgen me!”

Het was mogelijk dat de een zich voor den ander wilde groot houden, want een heel troepje kwam, hoewel schoorvoetend, achter me aan toen ik de gymnastiekzaal verliet. Ik had met halters staan zwaaien en had een van de zware ijzeren dingen in de hand gehouden; ik wilde hem niet terug brengen en niet neergooien, zoodat ik het ding maar als een wapen mee droeg.

We trokken het plein over en door de gang, waar de kamer der prefekten zich aan het einde bevond. De bovenhelft van de deur was van matglas dat daarin was aangebrachtom de gang eenigszins te verlichten, daar dit gedeelte anders bijna geheel in donker zou zijn gehuld.

BRAVO BOB.BRAVO BOB.Het glas vloog aan duizenden stukken. Bladz. 203.

BRAVO BOB.

Het glas vloog aan duizenden stukken. Bladz. 203.

Toen we deze bewuste deur naderden, bleven mijn aanhangers eenigszins achter, alsof ze hoe langer hoe banger werden nu het oogenblik van den aanval was aangebroken.

„Toe nou, maak voort,” zei ik, terwijl ik over mijn schouder een blik achter me wierp en regelrecht naar de deur toe liep.

Ik voelde zelf wel dat mijn hart klopte van angst, en daarom was het maar beter om overhaast te werk te gaan.

Ik klopte hard en nijdig op de deur.

In de kamer hoorde ik praten; het was de stem van Norman; die was zeker bezig met een standje te maken aan dien armen Kien. Toen ik geen antwoord kreeg op mijn geklop, dacht ik dat ze het in de kamer niet hadden gehoord.

Ik keek om me heen en zag op eenigen afstand de jongens op elkaar in de gang staan; mijn optreden werd met de grootste belangstelling gevolgd.

Ik gaf zoo’n geweldigen slag op de deur dat ze het binnen wel moesten hooren.

Het spreken in de kamer hield op; ik hoorde een paar menschen te samen praten; toen weerklonk een haastige stap; de kruk werd omgedraaid en de deur op een kier geopend.

„Wat is er?” vroeg Bob op strengen toon.

„Laat ons eerst binnen; dan zullen we het je vertellen,” zei ik.

Hij keek eerst naar mij en toen naar de groep jongens die in de gang stond samengeschoold.

„Jullie kunt niet binnen komen,” antwoordde hij heel beslist.

„Dat kunnen we wel,” antwoordde ik; „we willen niet dat jullie Kien zult slaan.”

Ik zag dat hij op het punt stond de deur met een slagdicht te gooien: voor hij hiertoe den tijd had, had ik mijn voet er tusschen gezet.

Een sekonde slechts kwam de deur tegen mijn laars aan. Toen werd op de een of andere geheimzinnige manier niet alleen mijn voet weggeduwd maar ik werd achteruit gegooid, zoodat ik het aan een aantal struikelingen had te danken dat ik niet met een smak op den grond terecht kwam.

Razend van drift snelde ik op de deur toe, maar die zat nu op slot. Woedend stond ik aan den knop te ruggelen, terwijl ik op de deur begon te beuken en te hameren.

„Open!” gilde ik. „Open! Jullie raakt Kien met geen vinger aan, versta je. Laat hem eruit! Toe dan jongens, trap de deur in!”

Ik voelde dat een hand op mijn schouder werd gelegd. Het was Stenford. „Houd nou op, kerel,” zei hij. „Je kunt er immers niets aan doen.”

„Ja, g-ga m-mee,” zei Burns. „Maak n-niet zoo’n k-kabaal.”

Beiden grepen me bij een arm en trachtten me weg te voeren.

„Laat me los,” schreeuwde ik. „Jullie bent lafaards en ellendelingen, allemaal!”

„Onraad!” werd in de gang geroepen.

„Toe ga nu mee; we kunnen er nog vandoor gaan,” zei Stenford. „Je kan niets tegen ze uitvoeren!”

„Dat denk je maar,” riep ik uit, terwijl ik me losrukte. „Dan zal ik wel alleen de deur inslaan.”

Toen ik achteruit was gegooid was de halter me uit de hand gegleden en neergeploft.

Ik raapte het ding nu schielijk op en greep het beet om hiermede een aanval te doen op de deur als met een stormram. Stenford trachtte me nog terug te houden, doch ik duwde hem weg.

Toen ik op de deur toesnelde en de hand uitstrekte om den slag met al mijn kracht te doen aankomen kon ik juistachter het matglas den vorm van een hoofd gewaar worden—het was het hoofd van Bob.

Terwijl ik een snerpenden kreet uitstiet deed ik een aanval met den halter. Het glas vloog aan duizenden stukken die met helsch lawaai op den grond kletterden en rinkelden.

Achter de deur weerklonk een vreeselijke gil en door de gebroken deur zag ik het bebloede gelaat van Bob die de handen voor de oogen hield en over zijn gansche lichaam trilde.

„Groote hemel,” riep Stenford uit; „hij heeft het in z’n oogen gekregen!”


Back to IndexNext