HOOFDSTUK XXIX.SLOT.„Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè,” zei Bob; „het toeval speelt zoo’n groote rol in het leven!”Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.„Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft gestaan?” vroeg ik.„Nee, ik doelde op onze kennismaking,” antwoordde Bob. „Als je bedenkt dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje,” zei hij, terwijl hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.„Ja, maar hoe zoo?”„Och,” hernam Bob, „ik kwam toen hierheen om het huis en de streek eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel openlijk tegen je spreken, is het niet?”„Ja, toe ga voort.”„Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het hetbest om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam.”Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.„Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.„’s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen—liep ik je vader tegen het lijf.”„Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd,” zei ik.„Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den schrik; dat wil ik je gerust bekennen,maarteruggaan wilde ik niet. Ik zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten.”Bob zweeg even en hernam toen:„Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven maar beweren dat hij met opzet mijnvader had doodgeschoten, omdat die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!„Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met zijn boeken.”„Wat een vreeselijk leven!” riep ik uit.„Hij geraakte eraan gewend,” hernam Bob, „en de Horners ook; zoo verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest, toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter dat je bleef denken dat hij dood was.”Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.„Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden,” hernam Bob; „en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik hem zeker nooit zou vergeven,” hernam Bob wiens stem even haperde;„en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand drukte, en toen vroeg hij of ik eenoogje op jou wilde houden. Voor jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij; na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden.”„Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden,” zei ik.„Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde,” antwoordde Bob, „omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan, waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog van niets weten,” riep Bob plotseling heftig uit.„Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?” vroeg ik.„Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen immers of jij me kende?”„Ja.”„Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.„De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin wonen—zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn—de papieren en stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde hij ze zeker jou als een erfenis nalaten.”„Waarom zou hij dat hebben gedaan?” vroeg ik.„Dat deed hij alleen om mij te plagen,” antwoordde Bob, „want ik had een soort koop met hem gesloten; toen hij nuwerd weggejaagd en me dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.„Ik had je dol graag alles verteld,” hernam Bob, „maar ik had je vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen.”„Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan,” zei ik op ernstigen toon, daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.„Ja,” zei Bob; „gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten.”De klok begon te slaan.„Elf uur,” riep ik uit. „De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader mochten gaan.”„Best,” zei Bob, die langzaam overeind rees. „Zeg, Martin, ik ben nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister ’s jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste woord over deze zaak.”„Wat dan?” vroeg ik.„Ik ben vast besloten op dit punt,” hernam Bob op heel beslisten toon; „al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed, dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen,” voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouderklopte. „Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik je den boel cadeau.”„O Bob...” begon ik.„Geen woord meer erover!” riep Bob. „Anders geef ik je op je gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?”„Ja,” antwoordde de dokter die in zijn koetsje stapte; „de heer Ellinghem maakt het heel goed. Hij is den schrik nog niet geheel te boven en hij verlangt ernaar jullie beiden te zien.”We gingen de kamer binnen. Toen mijn vader, dien ik zoo lange jaren had dood gewaand, ons ieder bij de hand vatte en Gods zegen over ons beiden afsmeekte, toen gevoelde ik dat de herinnering aan het vreeselijke drama was uitgewischt en dat we een nieuw leven konden beginnen.EINDE.
HOOFDSTUK XXIX.SLOT.„Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè,” zei Bob; „het toeval speelt zoo’n groote rol in het leven!”Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.„Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft gestaan?” vroeg ik.„Nee, ik doelde op onze kennismaking,” antwoordde Bob. „Als je bedenkt dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje,” zei hij, terwijl hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.„Ja, maar hoe zoo?”„Och,” hernam Bob, „ik kwam toen hierheen om het huis en de streek eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel openlijk tegen je spreken, is het niet?”„Ja, toe ga voort.”„Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het hetbest om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam.”Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.„Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.„’s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen—liep ik je vader tegen het lijf.”„Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd,” zei ik.„Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den schrik; dat wil ik je gerust bekennen,maarteruggaan wilde ik niet. Ik zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten.”Bob zweeg even en hernam toen:„Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven maar beweren dat hij met opzet mijnvader had doodgeschoten, omdat die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!„Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met zijn boeken.”„Wat een vreeselijk leven!” riep ik uit.„Hij geraakte eraan gewend,” hernam Bob, „en de Horners ook; zoo verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest, toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter dat je bleef denken dat hij dood was.”Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.„Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden,” hernam Bob; „en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik hem zeker nooit zou vergeven,” hernam Bob wiens stem even haperde;„en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand drukte, en toen vroeg hij of ik eenoogje op jou wilde houden. Voor jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij; na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden.”„Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden,” zei ik.„Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde,” antwoordde Bob, „omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan, waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog van niets weten,” riep Bob plotseling heftig uit.„Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?” vroeg ik.„Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen immers of jij me kende?”„Ja.”„Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.„De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin wonen—zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn—de papieren en stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde hij ze zeker jou als een erfenis nalaten.”„Waarom zou hij dat hebben gedaan?” vroeg ik.„Dat deed hij alleen om mij te plagen,” antwoordde Bob, „want ik had een soort koop met hem gesloten; toen hij nuwerd weggejaagd en me dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.„Ik had je dol graag alles verteld,” hernam Bob, „maar ik had je vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen.”„Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan,” zei ik op ernstigen toon, daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.„Ja,” zei Bob; „gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten.”De klok begon te slaan.„Elf uur,” riep ik uit. „De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader mochten gaan.”„Best,” zei Bob, die langzaam overeind rees. „Zeg, Martin, ik ben nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister ’s jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste woord over deze zaak.”„Wat dan?” vroeg ik.„Ik ben vast besloten op dit punt,” hernam Bob op heel beslisten toon; „al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed, dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen,” voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouderklopte. „Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik je den boel cadeau.”„O Bob...” begon ik.„Geen woord meer erover!” riep Bob. „Anders geef ik je op je gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?”„Ja,” antwoordde de dokter die in zijn koetsje stapte; „de heer Ellinghem maakt het heel goed. Hij is den schrik nog niet geheel te boven en hij verlangt ernaar jullie beiden te zien.”We gingen de kamer binnen. Toen mijn vader, dien ik zoo lange jaren had dood gewaand, ons ieder bij de hand vatte en Gods zegen over ons beiden afsmeekte, toen gevoelde ik dat de herinnering aan het vreeselijke drama was uitgewischt en dat we een nieuw leven konden beginnen.EINDE.
HOOFDSTUK XXIX.SLOT.
„Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè,” zei Bob; „het toeval speelt zoo’n groote rol in het leven!”Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.„Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft gestaan?” vroeg ik.„Nee, ik doelde op onze kennismaking,” antwoordde Bob. „Als je bedenkt dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje,” zei hij, terwijl hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.„Ja, maar hoe zoo?”„Och,” hernam Bob, „ik kwam toen hierheen om het huis en de streek eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel openlijk tegen je spreken, is het niet?”„Ja, toe ga voort.”„Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het hetbest om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam.”Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.„Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.„’s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen—liep ik je vader tegen het lijf.”„Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd,” zei ik.„Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den schrik; dat wil ik je gerust bekennen,maarteruggaan wilde ik niet. Ik zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten.”Bob zweeg even en hernam toen:„Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven maar beweren dat hij met opzet mijnvader had doodgeschoten, omdat die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!„Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met zijn boeken.”„Wat een vreeselijk leven!” riep ik uit.„Hij geraakte eraan gewend,” hernam Bob, „en de Horners ook; zoo verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest, toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter dat je bleef denken dat hij dood was.”Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.„Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden,” hernam Bob; „en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik hem zeker nooit zou vergeven,” hernam Bob wiens stem even haperde;„en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand drukte, en toen vroeg hij of ik eenoogje op jou wilde houden. Voor jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij; na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden.”„Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden,” zei ik.„Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde,” antwoordde Bob, „omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan, waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog van niets weten,” riep Bob plotseling heftig uit.„Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?” vroeg ik.„Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen immers of jij me kende?”„Ja.”„Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.„De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin wonen—zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn—de papieren en stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde hij ze zeker jou als een erfenis nalaten.”„Waarom zou hij dat hebben gedaan?” vroeg ik.„Dat deed hij alleen om mij te plagen,” antwoordde Bob, „want ik had een soort koop met hem gesloten; toen hij nuwerd weggejaagd en me dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.„Ik had je dol graag alles verteld,” hernam Bob, „maar ik had je vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen.”„Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan,” zei ik op ernstigen toon, daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.„Ja,” zei Bob; „gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten.”De klok begon te slaan.„Elf uur,” riep ik uit. „De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader mochten gaan.”„Best,” zei Bob, die langzaam overeind rees. „Zeg, Martin, ik ben nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister ’s jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste woord over deze zaak.”„Wat dan?” vroeg ik.„Ik ben vast besloten op dit punt,” hernam Bob op heel beslisten toon; „al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed, dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen,” voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouderklopte. „Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik je den boel cadeau.”„O Bob...” begon ik.„Geen woord meer erover!” riep Bob. „Anders geef ik je op je gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?”„Ja,” antwoordde de dokter die in zijn koetsje stapte; „de heer Ellinghem maakt het heel goed. Hij is den schrik nog niet geheel te boven en hij verlangt ernaar jullie beiden te zien.”We gingen de kamer binnen. Toen mijn vader, dien ik zoo lange jaren had dood gewaand, ons ieder bij de hand vatte en Gods zegen over ons beiden afsmeekte, toen gevoelde ik dat de herinnering aan het vreeselijke drama was uitgewischt en dat we een nieuw leven konden beginnen.EINDE.
„Wat kunnen de dingen toch zonderling loopen, hè,” zei Bob; „het toeval speelt zoo’n groote rol in het leven!”
Het was de morgen na den brand; samen liepen we heen en weer over het terras, dat door de zon werd beschenen. In de lucht hing nog een sterke brandlucht; een paar brandweermannen waren bezig op de puinhoopen te spuiten van den afgebranden vleugel die zwart en naargeestig opdoemde.
„Vindt je het zoo zonderling dat de boel hier in brand heeft gestaan?” vroeg ik.
„Nee, ik doelde op onze kennismaking,” antwoordde Bob. „Als je bedenkt dat ik een paar jaar geleden niets van je af wist. Hé, ik ga wat op den grond zitten, want ik ben moe na dit nachtje,” zei hij, terwijl hij zich met een zucht op het gras uitstrekte.
„Ja, maar hoe zoo?”
„Och,” hernam Bob, „ik kwam toen hierheen om het huis en de streek eens op te nemen. Daar in Canada hadden ze me altijd wijs gemaakt dat die dood van mijn vader een geheimzinnig tintje had. Ik mag toch wel openlijk tegen je spreken, is het niet?”
„Ja, toe ga voort.”
„Toen ik nu een tijd in Engeland was, vond ik het hetbest om zelf eens een kijkje te gaan nemen. Ik was toen al een heelen tijd op St. Martin en in den zomer trok ik er op uit; ronduit gezegd was ik niet bijster vriendschappelijk gezind tegen jou en het huis en den heelen boel hier. Je moet het me niet kwalijk nemen, Martin, want er was mij altijd voorgehouden dat anderen genoten van wat mij toekwam.”
Bob lachte even alsof hij dit feit heel vermakelijk vond.
„Toen maakte ik onderweg kennis met jou, hals over kop kan je wel zeggen, en den ouden Horner joeg ik een schrik op het lijf, omdat ik als twee druppels water op mijn vader lijk, het verschil in leeftijd natuurlijk uitgezonderd. Ik vond het toen vervelend dat ik als een spion was komen aanzetten, en toch wilde ik je niet alles vertellen.
„’s Avonds nadat ik dien tocht had ondernomen door het onbewoonde gedeelte kwam ik pas tot de ontdekking, dat je niets wist en niets vermoedde. Jij kreeg er gauw genoeg van en ging terug; uit nieuwsgierigheid drong ik verder door in mijn eentje en toen—liep ik je vader tegen het lijf.”
„Ik kon wel aan je zien dat er iets bijzonders was gebeurd,” zei ik.
„Geen wonder. Toen ik tot de ontdekking kwam dat werkelijk iemand zich bevond in dit zoogenaamde spookhuis, toen kreeg ik een schok van den schrik; dat wil ik je gerust bekennen,maarteruggaan wilde ik niet. Ik zou natuurlijk ongemerkt hebben kunnen wegsluipen, maar daarin vond ik iets gemeens. Ik liep dus naar hem toe en, evenals Horner, herkende hij in mij onmiddellijk den zoon van den man dien hij had doodgeschoten.”
Bob zweeg even en hernam toen:
„Je vader en ik waren beiden ontsteld; ik vond het maar het best om hem ronduit alles te vertellen en dat deed hij ook. Na het ongeluk was hij als krankzinnig van verdriet; de menschen bleven maar beweren dat hij met opzet mijnvader had doodgeschoten, omdat die recht meende te hebben op het landgoed; daarom trok hij voor een tijd naar het buitenland, zonder iets van zich te laten hooren. Later kwam hij terug, zonder dat iemand dit wist; hij stelde vertrouwen in de Horners; de menschen hebben al dien tijd gezwegen en uitstekend voor hem gezorgd. Kranige lui zijn het; dat zeg ik!
„Met je vader heb ik toen lang en breed gesproken. Hij vertelde me dat hij nooit den schok was te boven gekomen; hij voelde zich een moordenaar; niets kon zijn daad ongedaan maken en hoe langer hij als een kluizenaar leefde, des te meer besefte hij dat hij zich nooit meer onder de menschen zou durven vertoonen. Als het heelemaal donker was liep hij wat in den tuin; verder leefde hij in een paar kamers met zijn boeken.”
„Wat een vreeselijk leven!” riep ik uit.
„Hij geraakte eraan gewend,” hernam Bob, „en de Horners ook; zoo verliepen eenige jaren. Je vader wist dat je thuis zou komen en toen je op dien avond zoo zeker was dat iemand in je kamer was geweest, toen hadt je gelijk, want je vader had naar je staan kijken. Hij heeft me verteld hoe vreeselijk het voor hem was om niet tegen je te mogen spreken, jij die toch zijn eigen zoon was; maar hij vond het beter dat je bleef denken dat hij dood was.”
Bob zweeg even; ik wilde wat zeggen, doch spreken was me onmogelijk.
„Ik heb je al gezegd dat we een lang gesprek met elkaar hadden,” hernam Bob; „en als ik ooit mocht hebben getwijfeld of het een ongeluk was geweest of niet, dan wil ik je wel zeggen dat die twijfel onmiddellijk verdween toen ik kennis had gemaakt met je vader. Hij zei dat ik hem zeker nooit zou vergeven,” hernam Bob wiens stem even haperde;„en hij sprak me zoo vriendelijk en hartelijk toe dat ik hem de hand drukte, en toen vroeg hij of ik eenoogje op jou wilde houden. Voor jou was het beter dat hij zijn kluizenaarsleven voortzette, zei hij; na zooveel jaren in de eenzaamheid te hebben doorgebracht, was het hem onmogelijk om in de wereld terug te keeren, maar als ik je wat zou willen voorthelpen, dan zou hij dit heerlijk vinden.”
„Mijn vader wist toch dat ik van dit alles onkundig was gehouden,” zei ik.
„Ja, en hij vond het beter dat ik je maar niets vertelde,” antwoordde Bob, „omdat er dan een soort scheidsmuur tusschen ons zou ontstaan, waardoor we misschien nooit echte vrienden zouden worden. Ik beloofde hem te zullen zwijgen, en zonder dien ellendigen Brunton zou je nog van niets weten,” riep Bob plotseling heftig uit.
„Maar hoe kwam Brunton achter dit alles?” vroeg ik.
„Dat zal ik je vertellen; de vader van Brunton met wien je al kennis maakte voor je nog een voet hadt gezet op St. Martin, was een tijd lang mede-directeur van de firma. Finsberie & Koster. Hij vroeg toen immers of jij me kende?”
„Ja.”
„Hij was van alles op de hoogte, omdat hij al die stukken en papieren had gelezen die betrekking hadden op de bewuste zaak. Onze vriend Brunton, den zoon bedoel ik, schijnt nog al nieuwsgierig te zijn uitgevallen, want hij heeft in de papieren van zijn vader zitten snuffelen en daardoor is hij er achter gekomen.
„De oude Brunton trok zich uit de zaken terug en kwam te St. Martin wonen—zeker om dicht bij zijn lief zoontje te zijn—de papieren en stukken schijnt hij van het kantoor te hebben meegenomen; onze Brunton kon ze daardoor te pakken krijgen en toen hij werd weggejaagd wilde hij ze zeker jou als een erfenis nalaten.”
„Waarom zou hij dat hebben gedaan?” vroeg ik.
„Dat deed hij alleen om mij te plagen,” antwoordde Bob, „want ik had een soort koop met hem gesloten; toen hij nuwerd weggejaagd en me dus geen geld meer kon aftroggelen, toen vond hij het zeker aardig om voor het laatst nog een gemeenen streek uit te halen.
„Ik had je dol graag alles verteld,” hernam Bob, „maar ik had je vader beloofd de zaak geheim te houden, dus ik moest zwijgen.”
„Hoe heerlijk dat je met me bent meegegaan,” zei ik op ernstigen toon, daar het tooneel van dien nacht me nog steeds voor oogen stond.
„Ja,” zei Bob; „gelukkig dat ik lang en sterk ben. Als ik kleiner was geweest, zou ik het niet hebben kunnen doen. Maar weet je wien ik voor den brandstichter houd? niemand anders dan den ouden Horner; de man trok altijd naar dat gedeelte van het huis voor hij naar bed ging met een kaars in de hand om zich bij te lichten. De vlam is zeker in aanraking gekomen met een van die oude gordijnen die kurkdroog zijn en die bijna voor elke deur hangen; dat herinner ik me nog heel goed. De man heeft er zelf niets van gemerkt en de deur achter zich gesloten.”
De klok begon te slaan.
„Elf uur,” riep ik uit. „De dokter heeft gezegd dat we dan naar vader mochten gaan.”
„Best,” zei Bob, die langzaam overeind rees. „Zeg, Martin, ik ben nog wat stijf in de leden na die ladder-geschiedenis. Maar luister ’s jongen. Ik wou je nog iets zeggen, maar dat is dan ook mijn laatste woord over deze zaak.”
„Wat dan?” vroeg ik.
„Ik ben vast besloten op dit punt,” hernam Bob op heel beslisten toon; „al zouden ook dozijnen advocaten aan mijn hoofd malen, ik laat de zaak rusten; wie of ook het meest recht heeft op het landgoed, dat kan me geen zier schelen; ik heb genoeg daarginds in Canada; ik zou je Mallorie niet eens willen hebben. Je mag het houden, jongen,” voegde Bob er glimlachend aan toe, terwijl hij me op mijn schouderklopte. „Als ik er misschien meer recht op heb dan jij, dan geef ik je den boel cadeau.”
„O Bob...” begon ik.
„Geen woord meer erover!” riep Bob. „Anders geef ik je op je gezicht. Het is best mogelijk dat jij er meer recht op hebt; we zullen het niet onderzoeken. Dat is het beste. O, daar komt de dokter aan... We mogen nu naar boven, is het niet, mijnheer?”
„Ja,” antwoordde de dokter die in zijn koetsje stapte; „de heer Ellinghem maakt het heel goed. Hij is den schrik nog niet geheel te boven en hij verlangt ernaar jullie beiden te zien.”
We gingen de kamer binnen. Toen mijn vader, dien ik zoo lange jaren had dood gewaand, ons ieder bij de hand vatte en Gods zegen over ons beiden afsmeekte, toen gevoelde ik dat de herinnering aan het vreeselijke drama was uitgewischt en dat we een nieuw leven konden beginnen.
EINDE.