XI.Het Oeral-gebergteHet Oeral-gebergte is voor reizigers op zijn minst even belangwekkend als de Pyreneën of de Alpen. Het woord Oeral beteekent in het tartaarsch “gordel” en inderdaad is het een gordel die zich uitstrekt van de Kaspische tot de Noordelijke IJszee, over eene lengte van tweeduizend negenhonderd mijlen, een gordel met edelgesteenten ingelegd en met kostbare metalen, zooals goud, zilver en platina opgesierd. Deze gordel maakt de scheiding uit tusschen de twee werelddeelen Azië en Europa. Het is een uitgestrekt bergland, waarvan de wateren, welke bij het smelten der sneeuw op de hooge toppen ontstaan, in de rivieren de Oeral, de Kara, de Petchora, de Kama en nog een aantal kleinere stroomen wegvloeien. Het is een geweldige muur van graniet en basalt, die zijne punten en naalden opheft tot eene hoogte van tweeduizend driehonderd meters boven den zeespiegel.—Dat zijn nu de echte “russische bergen”, merkte Cascabel gekscherende op. Maar men glijdt er niet van zelf af, even als van demontagnes russes, die ze op de kermissen en elders vertoonen.Neen waarlijk niet, ze zouden er niet van zelf afglijden!Een eerste bezwaar bij het trekken door het gebergte, was dat zij de stadjes en dorpjes,zavodijsgenaamd, niet zouden kunnen mijden, die er in grooten getale tusschen verspreid liggen en welke er ontstaan zijn door de vestiging, in vroeger jaren, van mijnwerkersdie bij het ontginnen der mijnen gebruikt werden. Cascabel koesterde echter nu niet zooveel vrees meer voor eene ontmoeting met politie- of militaire posten, want zijne papieren waren in orde. Daarom zou er dan ook geen bezwaar bestaan hebben om het Oeral-gebergte meer op het midden over te trekken, waar zij den fraaien straatweg van Jekaterinburg hadden kunnen volgen, welke een der drukst bezochte bergpaden is, en die hen in het gouvernement Jekaterinburg zou hebben doen aankomen. Maar Ortik had hen meer naar het Noorden geleid en nu konden zij niet beter doen dan den Petchora-pas volgen en van daar naar Perm zuidwaarts trekken.Hier zouden zij den volgenden dag eenen aanvang mede maken.Bij het aanbreken van den ochtend konden zij eerst terdege zien welk een ontzaglijk aantal wolven er geweest waren. Waren die in deSchoone Zwerfsterbinnengedrongen, geen twijfel of allen die zich daar bevonden zouden door de vraatlustige dieren zijn omgebracht.Een vijftigtal wolven lagen ontzield op den grond. Ze behoorden tot de grootste soort, de gevaarlijkste vijanden der reizigers in de steppe. De anderen waren spoorloos verdwenen en hadden het op een loopen gezet alsof ze met een vlammend zwaard waren weggejaagd—eene vergelijking welke op dit geval volkomen van toepassing was. De twee in brand gestoken wolven werden op een honderdtal schreden buiten de open plek in het bosch gevonden.Nu was er echter eene andere moeielijkheid. Hier aan den ingang van den Petchora-pas, was deSchoone Zwerfsterop grooten afstand van eenig bewoond oord, want op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte worden geen dorpen aangetroffen.—Wat moeten wij aanvangen, zeide Jan, nu onze trekdieren op den loop gegaan zijn?—Waren zij alleen maar op den loop, antwoordde Cascabel, dan zouden wij ze misschien kunnen terugvinden. Maar naar alle waarschijnlijkheid zijn onze rendieren door de wolven verslonden.—Arme beesten, zeide Napoleona, ik hield al evenveel van ze als van Vermout en Gladiator.—Die zouden stellig ook door de wolven opgevreten zijn, als ze daarginder niet verdronken waren, voegde Sander er bij.—Helaas ja, dat zou zeker gebeurd zijn, stemde Cascabel met een diepen zucht toe. Maar hoe komen wij nu aan een ander middel van vervoer?—Ik zal mij naar het naastbij gelegen dorp begeven waar ik mij tot elken prijs paarden zal verschaffen, zeide Sergius. Als Ortik mede wil gaan om mij den weg te wijzen.....Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz. 154.)Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz.154.)—Ik ben tot uwen dienst zoodra gij op weg wilt gaan, antwoordde Ortik.—Ik geloof ook dat dit het beste is wat wij doen kunnen, hernam Cascabel.Dat zou dan ook dienzelfden dag gebeurd zijn, maar tot aller verbazing zagen zij tegen een uur of acht twee van de rendieren uit het bosch weder te voorschijn komen.Sander kreeg ze het eerst in het oog.—Vader! vader! riep hij. Daar zijn ze! Ze komen terug!—Levend en wel?—Die twee zien er ten minste niet uit alsof ze opgegeten zijn, want ze loopen hierheen.—Ten minste, merkte Kruidnagel op, als ze niet straks weer neervallen.—O die lieve beesten, riep Napoleona, ik ga ze dadelijk goeden morgen zeggen.De kleine meid sloeg hare armen om den hals van een der dieren en gaf het een zoen.Twee rendieren zouden echter niet bij machte geweest zijn deSchoone Zwerfstertegen den berg op te trekken. Gelukkig kwamen er langzamerhand nog andere opdagen en binnen een uur waren er, van de twintig welke zij van de Liakhoff-eilanden medegenomen hadden, weer veertien bijeen.—Hoera voor de rendieren! schreeuwde Sander opgewonden, maar de goede beesten trokken zich van zijne verrukking niet veel aan.Er waren dus maar zes van de kudde verloren gegaan, die door de wolven overvallen waren voordat ze tijd gehad hadden zich los te rukken. De veertien anderen hadden het dadelijk op een loopen gezet, de wolven hadden ze niet kunnen inhalen en toen het gevaar voorbij was, waren de vluchtelingen bij instinct naar hun nachtkwartier teruggekeerd.Men kan zich licht voorstellen welk eene blijdschap dit teweegbracht. Veertien rendieren waren genoeg om den tocht door den bergpas voort te zetten. Voor zoover hunne krachten te kort schoten op de steile hellingen, konden de mannen den wagen helpen voortduwen en de kans op een triomfantelijken intocht te Perm was dus nog niet geheel verkeken.Het eenige wat Cascabel speet, was dat deSchoone Zwerfsterer niet meer zoo schitterend als vroeger uitzag. De wanden en paneelen van den wagen waren door de tanden en de klauwen der wolven vol krassen en scheuren gekomen, en reeds vóór dien tijdhad hij door weer en wind, en ten gevolge van allerlei ongevallen op de lange en avontuurlijke reis, zijnen glans bijna geheel verloren. Het mooie naambord der Cascabels was onder de sneeuwstormen zoo goed als onleesbaar geworden. Er zou heel wat geschilderd en gevernist moeten worden om deSchoone Zwerfsterharen naam weer waardig te maken en al het boenen en schrobben van Cornelia en Kruidnagel was niet in staat dit te verhelpen.Te tien uur werden de rendieren voorgespannen en hervatten zij hunnen tocht. Het ging dadelijk vrij steil bergopwaarts en de mannen wandelden dus naast den wagen.Het was mooi weder en hier in het bergland was ook de warmte niet hinderlijk. Telkens moest echter de wagen met kracht van schouders en armen voortgeholpen, of moesten de wielen, als die tot aan hunne assen in eene scheur gezakt waren, opgebeurd worden. Bij iederen scherpen hoek dien de weg maakte, moesten zij bij de hand zijn om te voorkomen dat deSchoone Zwerfsteraan den voor- of achterkant met de rotsen aan weerszijden in aanraking kwam.De passen door het Oeral-gebergte zijn niet door menschenhand gemaakt, maar gebaand door de natuur zelve, ten einde aan het water, dat met vele bochten van de hoogte komt stroomen, eenen uitweg te verschaffen. Een riviertje, dat zich later in de Sosva stort, stroomt langs den pas, en laat op sommige plaatsen slechts een smal pad vrij, dat zigzagsgewijs naar boven gaat. Loodrecht rijst op die plekken de bergwand omhoog, die bekleed is met een gordijn van mos- en klimplanten, tusschen welke het grauwe gesteente zich echter duidelijk zien laat. Waar de wanden minder steil zijn, komen kleine vlakten voor, begroeid met pijn- en denneboomen, met berken en lorken, en met andere gewassen die in de noordelijke streken inheemsch zijn. In de verte, half verscholen te midden der wolken, vertoonen zich de besneeuwde bergtoppen, van waar het water afvloeit dat de beken en riviertjes doet ontstaan.Op dezen eersten dag kwam de karavaan geen mensch tegen. De bergpas werd blijkbaar weinig bereisd, maar Ortik en Kirschef schenen er vrij goed bekend te wezen. Een paar keeren, op plaatsen waar verscheidene kloven samenliepen en de weg zich dus in verschillende richtingen splitste, schenen zij te aarzelen. Zij lieten den wagen dan een oogenblik stil houden en overlegden samen op fluisterenden toon, hetgeen niemands achterdocht kon wekken want er bestond niet de geringste reden om hen niet te vertrouwen.Kayette alleen kon niet nalaten het oog op hen te houden, waar de twee russen echter niets van merkten. Zij bespeurde wel datbeiden nu en dan ter sluiks met elkander praatten of elkaar geheimzinnige blikken toewierpen. Dit alles versterkte haar in het wantrouwen dat zij onwillekeurig koesterde, maar de booswichten vermoedden dit volstrekt niet.Tegen den avond was er aan den oever van het riviertje halt gemaakt en nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, belastten Cascabel, Kruidnagel en Kirschef zich met de taak om gedurende den nacht de wacht te houden. Dit was noodzakelijk, maar het kostte hun toch moeite, na zulk een vermoeienden dag en na den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht hadden, opnieuw wakker te blijven.Den volgenden ochtend werd de tocht voortgezet door den steeds steiler en nauwer wordenden bergpas. Het was dezelfde vermoeiende arbeid als den vorigen dag, en zij vorderden op dezen dagmarsch niet meer dan twee of drie mijlen. Dit viel hun echter niet bijzonder tegen, want zij hadden op eenig oponthoud gedurende hunnen tocht door het gebergte gerekend.Verscheidene malen kwam het voor dat Sergius en Jan gelegenheid hadden een prachtig stuk wild, in de valleien en kloven welke in den pas uitkwamen, onder schot te krijgen. Dikwijls zagen zij de elanden, de herten en de hazen bij troepen voorbijrennen en Cornelia zou met een stuk versch gebraad niet weinig in haar schik geweest zijn; maar helaas, al het kruit en lood was op de wolven verschoten en vóor dat zij aan eene bewoonde plaats kwamen, was er geene gelegenheid om den voorraad aan te vullen. Er kon dus geen schot gedaan worden en het was grappig om te zien hoe verbaasd Wagram telkens zijnen baas aankeek, als wilde hij vragen:—Hoe is het, wordt er in het geheel niet meer gejaagd?Bij eene andere gelegenheid zouden zij hunne wapens nog beter hebben kunnen gebruiken.Dat was tegen drie uur des middags, terwijl deSchoone Zwerfstertegen de steenachtige helling langzaam vooruitkwam. Aan den anderen kant van het riviertje liet zich op eens een groote beer zien, die door de honden met een woedend geblaf begroet werd. Het beest stond op zijne achterpooten overeind en schudde met zijn grooten kop, als dacht hij er over na wat dat voor eene vreemde vertooning was die hem in zijne eenzaamheid kwam storen.Had hij kwade bedoelingen? Was het alleen uit nieuwsgierigheid, of kwam er schrokkigheid bij, dat hij de karavaan zoo nauwkeurig stond optenemen?Jan had de honden tot zwijgen gebracht en hield ze vast, wanthet was geen zaak zulk een geduchten vijand, ongewapend als zij waren, noodeloos in het harnas te jagen. Het riviertje had hij gemakkelijk kunnen overkomen, en het was veiliger hem geen aanleiding te geven om de plek te verlaten waar hij zich bevond.De twee partijen keken elkaar dus rustig aan doch lieten elkander ongemoeid, even als twee reizigers wier pad zich kruist. Echter kon Cascabel niet nalaten te zeggen:—Hoe jammer dat wij dezen bruinen vriend uit het Oeral-gebergte niet mêe kunnen nemen! Wat zou hij een prachtig figuur bij den troep maken!Er was echter geen gelegenheid om den beer een engagement in den troep aantebieden. Het beest gaf trouwens blijkbaar aan zijn zwervend bestaan in de bosschen de voorkeur boven het reizen op kermissen. Hij schudde nog een paar keer zijn grooten kop en verdween toen op een drafje tusschen de boomen.Sander kon hem zóó niet laten gaan en nam onderdanig zijn hoed voor hem af, maar Jan zou hem vrij wat liever een geweerkogel achterna gestuurd hebben.Tegen zes uur ’s avonds werd er ongeveer onder dezelfde omstandigheden als den vorigen avond halt gehouden. Den volgenden ochtend werd de bezwaarlijke tocht te vijf uur hervat. Het ging op dezelfde manier voort: veel vermoeienis maar geen ongelukken.Zij hadden nu echter het ergste achter den rug, want zij waren met deSchoone Zwerfsterop het hoogste punt gekomen, daar waar de pas den bergketen snijdt. Van hier af ging het bijna voortdurend naar beneden, altijd in westelijke richting, tot dat zij aan den kant van Europa in de vlakte zouden aanlanden.Dit was op den avond van den 6denJuli. De trekbeesten waren dood-af en konden niet verder. Er werd halt gehouden aan den ingang eener bochtige kloof, die ter rechterzijde door een dicht woud begrensd werd.Het was den geheelen dag drukkend warm geweest. In het Oosten hing eene dikke wolkenmassa, aan den benedenkant als met een mes afgesneden, wier donkere tint scherp afstak tegen eene lichtgrijze streep aan den gezichteinder.—Het ziet er uit alsof wij onweder zullen krijgen, merkte Jan op.—Dat is onpleizierig genoeg, antwoordde Ortik, want hier in het Oeral-gebergte valt er met de onweders niet te spotten.—Welnu, dan moeten wij ergens zien te schuilen, zeide Cascabel. Ik ben minder bang voor een onweder dan voor wolven.—Kayette, vroeg Napoleona aan het Indiaansche meisje, zijt ge bang voor den donder?De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz. 159.)De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz.159.)—Wel neen, meidlief, antwoordde Kayette.—Daar heeft Kayette groot gelijk in, zeide Jan. Het is dwaas, daar bang voor te zijn.—Je hebt goed praten, hernam Napoleona terwijl zij hare schouders ophaalde. Wat zal men er aan doen als men bang is?—Kijk zoo’n bange meid eens! riep Sander. Maar uilskuiken, er is niets geen verschil tusschen het rollen van den donder en dat van de ballen bij het kegelen.—Jawel, maar het lijken wel ballen van vuur, die u naar het hoofd geslingerd worden, zeide het kind en kneep hare oogen toe voor een fellen bliksemstraal.Zoo haastig mogelijk werd alles voor den nacht in gereedheid gebracht, zoodat zij vóór dat het begon te stortregenen allen onder dak waren. Toen de avondmaaltijd afgeloopen was, werd er afgesproken dat de mannen, evenals in de voorafgaande nachten, om beurten de wacht zouden houden.Sergius wilde de eerste wacht doen, maar Ortik kwam hem voor door te vragen:—Vindt gij het goed dat wij samen, Kirschef en ik, dezen nacht beginnen?—Zooals gij wilt, antwoordde Sergius. Te middernacht zullen Jan en ik u komen aflossen.—Dat is dus afgesproken, mijnheer Sergius, zeide Ortik.Hier scheen niets achter te kunnen steken, maar toch vertrouwde Kayette de zaak niet. Zonder zich van haar vermoeden rekenschap te kunnen geven, was het haar alsof de twee matrozen iets kwaads in den zin hadden.Het onweder was nu in volle hevigheid losgebarsten. Tusschen het bladerendak der boomen lichtte ieder oogenblik de bliksem; hoog boven hunne hoofden ratelde de donder, die door de bergwanden in alle richtingen honderdvoudig herhaald werd.Napoleona was reeds in haar bed gekropen en stopte hare oogen en ooren onder de lakens. Ieder volgde spoedig haar voorbeeld en tegen negen uur verkeerde alles in deSchoone Zwerfsterin diepe rust, ondanks het geraas der donderslagen en het gehuil van den storm.Kayette kon echter den slaap niet vatten. Zij had zich niet uitgekleed en ofschoon zij zeer moede was, bleef zij wakker liggen. De gedachte dat hun aller veiligheid was toevertrouwd aan die twee russen, liet haar geen oogenblik met rust. Na zich een uur lang slapeloos op haar bed te hebben rondgewenteld, besloot zij zich te overtuigen wat die twee uitvoerden. Zij lichtte het gordijntjevan het raampje boven hare slaapplaats op en keek bij het licht der bliksemstralen naar buiten.Zij zag dat Ortik en Kirschef samen stonden te praten. Op eens hielden zij echter stil en deden een pas of wat in de richting van de kloof, waar op dit oogenblik een man zich tusschen de boomen vertoonde.Ortik gaf door een teeken den onbekende te verstaan dat hij niet dichter bij moest komen om de honden niet wakker te maken. Dat Wagram en Marengo niet reeds aangeslagen hadden, kwam door dat zij binnen deSchoone Zwerfstervoor het noodweder waren komen schuilen.Ortik en Kirschef gingen den vreemdeling tegemoet en wisselden eenige woorden met hem. Toen zag Kayette dat zij met hun drieën onder de boomen verder gingen.Wat kon dat voor een kerel zijn? Wat hadden de twee matrozen met hem te bepraten? Tot elken prijs wilde Kayette daar achter komen.Het meisje liet zich uit hare slaapplaats glijden, zachtkens, zoodat niemand er wakker van werd. Op het oogenblik toen zij voorbij Jan kwam, hoorde zij hem haren naam noemen.Zou hij haar gezien hebben?Neen, hij droomde.... hij droomde van Kayette!Zij sloop naar de deur, opende die en sloot haar zachtkens achter zich toe, steeds zorg dragende dat zij geen leven maakte.Eenmaal buiten zijnde scheen zij te aarzelen, maar het duurde slechts een oogenblik.—Komaan! zeide zij halfluid.Hare vrees had niet langer dan eene sekonde geduurd. Zij wist dat zij haar leven op het spel zette, dat de twee booswichten haar niet zouden sparen indien zij bespeurden dat zij bespied werden. Maar zij was moedig en vastberaden.Kayette sloop voort tusschen de boomen, waaronder het donker was zoo lang een bliksemstraal niet alles met een rossen gloed overgoot. Zij liep gebukt voort onder het kreupelhout en tusschen het hooge gras, totdat zij achter den stam van een zwaren lorkeboom bleef staan. Een twintigtal schreden van zich af hoorde zij eenige mannen praten.Zij waren met hun zevenen. Ortik en Kirschef voegden zich juist bij hen. Zij stonden in een troepje bij elkaar onder de boomen.Het gesprek werd in het russisch gevoerd. Kayette had dus geen moeite om alles wat zij zeiden te verstaan.Zij waren met hun zevenen. (Zie blz 162.)Zij waren met hun zevenen. (Zie blz162.)—Het doet mij pleizier, begon Ortik, dat ik den Petchora-pasde voorkeur gegeven heb. Ik dacht wel dat ik hier kennissen vinden zou. Niet waar Rostof?Rostof was de kerel, dien Kayette het eerst in de nabijheid van den wagen gezien had.—Sedert twee dagen volgen wij den wagen, antwoordde Rostof, maar wij passen op dat niemand ons in het oog krijgt. Wij hebben u en Kirschef terstond herkend en dachten dus wel dat er een goede slag te slaan zou zijn.—Eén zeker, zeide Ortik, en misschien wel twee.—Maar waar komt gij van daan? vroeg Rostof.—Uit het hartje van Amerika, waar wij een heelen tijd bij de bende van Karnof geweest zijn.—Wat zijn dat voor lieden daar gij nu bij zijt?—Dat zijn fransche kunstenmakers, eene zekere familie Cascabel die op reis is naar Europa. Wij zullen u later wel alles vertellen wat wij ondervonden hebben. Thans is er geen tijd om veel te praten.—Is er geld in den wagen? vroeg een van de andere roovers.—Nog twee- of drieduizend roebels ongeveer.—Waarom hebt gij nog geen hartelijk afscheid van die brave menschen genomen? vroeg Rostof op spottenden toon.—Daar hadden wij goede redenen voor, want er valt nog vrij wat meer te verdienen dan dit armzalige sommetje. Maar om dàt te kunnen doen, hebben wij hulp noodig.—Wat is dat voor een buitenkansje?—Dat zal ik u zeggen, vrienden, hernam Ortik. Dat Kirschef en ik zonder bezwaar door Siberië heengetrokken en hier op de russische grens gekomen zijn, hebben wij aan die Cascabels te danken. Maar er is nog iemand in het gezelschap die hetzelfde gedaan heeft, wel wetende dat geen sterveling hem onder eenen troep koorddansers zou zoeken. Dat is een rus, wien het evenmin als ons vergund is in zijn land terug te komen, maar om andere redenen, want het is een staatkundige veroordeelde van voorname familie, een schatrijk heer. Cascabel en zijne vrouw zijn de eenigen die weten wie hij is, maar wij tweeën zijn er ook achter gekomen.—Hoe hebt gij dat ontdekt?—Op eenen avond te Mouji, waar wij een gesprek tusschen Cascabel en den rus hebben afgeluisterd.—Wie is het dan eigenlijk?—Mijnheer Sergius wordt hij door ieder genoemd, maar hij heet graaf Narkine. Wordt hij op russisch grondgebied ontdekt, dan kan het hem zijn leven kosten.—Wacht even, zeide Rostof. Die graaf Narkine, kan dat niet een zoon zijn van Prins Narkine, die een jaar of wat geleden naar Siberië verbannen en van daar ontvlucht is? Dat geval heeft destijds een heele opschudding gemaakt.—Diezelfde is het, bevestigde Ortik. Welnu, die graaf Narkine heeft, behalve zijn leven, heel wat millioenen voor het verliezen en hij zal er ons wel één van willen afstaan als dat het eenige middel is om niet aan de politie verklapt te worden.—Dat is niet kwaad bedacht, Ortik. Maar waartoe hebt gij onze hulp noodig om dat plan ten uitvoer te brengen?—Omdat het noodzakelijk is, dat Kirschef en ik ons niet in die geschiedenis van Sergius mengen, wanneer wij, indien dit plan mislukken mocht, nog eenige kans willen overhouden om den anderen slag te slaan. Teneinde ons van het geld en van den reiswagen der Cascabel’s, met alles wat daar in is, te kunnen meester maken, moeten zij niet beter weten of wij zijn twee russische schipbreukelingen, die aan hen hunne redding te danken hebben. Wij willen dus den heelen troep naar de andere wereld helpen. Daarna kunnen wij veilig overal heentrekken waar wij willen, zonder dat de politie vermoeden kan dat wij iets anders zijn dan reizende kunstenmakers.—Vindt gij het goed, Ortik, dat wij nog dezen nacht den wagen overvallen en ons van graaf Narkine meester maken om hem te doen weten op welke voorwaarden wij hem hier in Rusland met rust willen laten?—Geduld wat! antwoordde Ortik, Graaf Narkine is van plan naar Perm te gaan om zijn ouden vader op te zoeken. Laat hem dus eerst dáár wezen, en eenmaal te Perm zullen wij hem eene boodschap doen toekomen, een klein briefje, waarin hij wegens dringende redenen verzocht wordt ons een onderhoud toe te staan. Op die manier zult ge daar het voorrecht hebben van kennis met hem te maken.—Dus valt er op het oogenblik niets te doen?—Volstrekt niets, zeide Ortik. Zorgt gij maar dat ge een weinig vóór ons te Perm komt, zóó dat ge ons daar af kunt wachten.—Dat blijft afgesproken, antwoordde Rostof.De booswichten gingen hierna uiteen zonder dat iemand van hen vermoedde dat hun gesprek was afgeluisterd.Eenige oogenblikken nadat Kayette weder in den wagen was gegaan, kwamen ook Ortik en Kirschef daar terug. Zij hadden er niets van bemerkt dat iemand hen bespied had.Kayette kende dus nu het plan der onverlaten, en tegelijk waszij te weten gekomen dat Sergius, haar beschermer, graaf Narkine heette en dat zijn leven, evenals dat van al zijne reisgenooten, van de twee booswichten afhing. Stond hij niet een deel van zijn vermogen aan de roovers af, dan zouden zij hem verraden.Geheel van haar stuk gebracht door alles wat zij vernomen had, moest Kayette eenigen tijd nadenken vóór dat zij tot een vast plan komen kon. Zij was besloten Ortik’s voornemen te verijdelen, maar moest een middel bedenken om daarin te slagen. Zij bracht een slapeloozen nacht door met het beramen van allerlei plannen en twijfelde dikwijls nog of alles wat haar door het hoofd ging werkelijkheid en niet maar een benauwde droom was.Het was echter maar al te waar en zij behoefde daar niet langer aan te twijfelen, toen zij den volgenden ochtend, nadat het ontbijt afgeloopen was, Ortik tegen Cascabel hoorde zeggen:—Gij weet dat Kirschef en ik voornemens zijn geweest, zoodra wij het Oeral-gebergte overgetrokken waren, onzen eigen weg te gaan en ons rechtstreeks naar Riga te begeven. Maar bij nader inzien lijkt het ons beter dat wij ook naar Perm gaan en den gouverneur daar verzoeken ons de middelen te verschaffen om naar onze woonplaats terug te keeren. Hebt gij er niet tegen dat wij de reis met u voortzetten?—Met alle genoegen, mijne vrienden, was Cascabel’s antwoord. Als men zoo’n eind samen gereisd heeft, moet men niet vóór dat het noodig is uit elkander gaan, want het oogenblik van scheiden komt altijd nog te vroeg.XII.Einde van de reis, maar niet van de geschiedenis.Op hetzelfde oogenblik dus, dat graaf Narkine en de familie Cascabel hun lange en gevaarvolle reis achter den rug hadden, en zij van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen dachten uit te rusten, dreigde een verraderlijk komplot hen met grooter gevaren dan ooit te voren. Nog een paar dagen en zij zouden het Oeral-gebergte over zijn. Dan nog een honderdtal mijlen in zuidwestelijke richting door eene vlakke streek, en deSchoone Zwerfsterzou te Perm aankomen.Wij weten dat Cascabel voornemens was in die stad eenige dagen te vertoeven, teneinde het Sergius gemakkelijk te maken om iederen nacht naar het slot Walska te gaan, zonder dat hij gevaar liep door iemand herkend te worden. Naarmate van de omstandigheden, kon hij dan bij prins Narkine blijven of met deSchoone Zwerfsterverder gaan naar Nisjni, of misschien heelemaal naar Frankrijk.Besloot hij echter te Perm te blijven, dan zou het oogenblik daar zijn om afscheid te nemen van Kayette, want die zou hij zeker niet van zich laten gaan.Deze gedachte vervolgde Jan en zij maakte hem iederen dag meer bedroefd en terneergeslagen. Zijne ouders, zijn broeder en zijn zusje bemerkten zijn verdriet en deelden het van harte. Niemand hunner kon er aan denken dat zij Kayette zouden moeten achterlaten.Dien ochtend was Jan mismoediger dan ooit. Hij zocht het Indiaansche meisje op en vond dat zij er slecht uitzag, een natuurlijk gevolg van den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht had.—Scheelt er iets aan Kayette? vroeg hij.—Neen Jan, antwoordde zij, ik ben heel wel.—Dat is zeker niet waar. Ge ziet er uit of ge niet geslapen hebt. Of hebt ge geschreid, Kayette-lief?—Och dat komt van dat onweder van gisteren. Ik heb werkelijk van nacht niet best geslapen.—Onze lange reis valt u misschien te zwaar?—Mij Jan? Wel neen, ik ben immers sterk genoeg en aan allerlei ontberingen van mijne jeugd af gewend. Het zal wel weer overgaan.—Er is toch iets niet goed met u Kayette, dat zie ik wel! Ik bid u, zeg mij wat het is?—Ik mankeer niets, Jan.Jan meende nu niet verder aan te mogen dringen.Toen zij zag hoe ongerust de arme jongen zich maakte, was Kayette op het punt hem alles te zeggen. Zij kon het bijna niet uitstaan dat zij iets voor hem geheim moest houden. Maar hij was driftig en onverschrokken van aard, zoodat het niet zeker was dat hij zich in tegenwoordigheid van Ortik en Kirschef zou kunnen inhouden. De minste onvoorzichtigheid kon voor graaf Narkine een groot gevaar doen ontstaan, zoodat Kayette het beter vond alles voor zich te houden.Na over alles goed nagedacht te hebben, besloot zij Cesar Cascabel zelven te vertellen wat zij vernomen had. Hiertoe was het echter noodig dat zij hem alleen te spreken kon krijgen en zoolang zij nog niet uit den bergpas waren, ging dit niet gemakkelijk want de twee russen mochten er niets van merken.Oogenblikkelijke haast bestond er trouwens niet, want de booswichten waren niet van plan iets te beginnen vóór dat onze reizigers te Perm waren aangekomen. Zoo lang Cascabel en de andere reisgenooten hen op denzelfden voet bleven behandelen, konden zij niet vermoeden dat er iemand iets van hunne plannen wist. Toen Sergius vernam dat Ortik en Kirschef voornemens waren den tocht tot Perm mede te maken, had hij hun niet onduidelijk te kennen gegeven dat hem dit genoegen deed.Te zes uur ’s morgens van den 7denjuli stelde deSchoone Zwerfsterzich weer in beweging. Een uur daarna kwamen zij aan de bronnen uit welke de Petchora ontspringt, naar welke rivier deze bergpas haren naam draagt. Zoodra zij buiten het gebergte treedt,zwelt zij gaandeweg tot eene van de aanzienlijkste rivieren in noordelijk Rusland. Na eenen loop van dertienhonderd vijftig kilometer, stort zij zich in de Noordelijke IJszee.Op de hoogte waar zij zich bevonden was de Petchora echter nog maar een wilde bergstroom, die door een rotsachtig bed, langs denne-, berke- en lorkebosschen, zich den weg naar beneden baant. Zij hadden slechts den linkeroever te houden om van zelf het einde van den pas te bereiken, en wanneer zij een weinig voorzichtigheid gebruikten op de steilste hellingen, kon het dalen geen bijzondere moeielijkheid meer opleveren.Dien dag kon Kayette geen gelegenheid vinden om Cascabel onder vier oogen te spreken. Zooveel zij na kon gaan hielden de twee russen thans geen afzonderlijke gesprekken meer en verwijderden zij zich niet meer onder een of ander voorwendsel wanneer er rust gehouden werd. Het was duidelijk dat zij niets meer af te spreken hadden, dat hunne medeplichtigen reeds vooruit waren en zij er op rekenden elkander te Perm weder te zullen ontmoeten.Den volgenden dag maakten zij een flinken marsch. De weg werd gaandeweg breeder en gemakkelijker te berijden. Tusschen de steile oevers hoorden zij de Petchora in de diepte over hare steenen bedding bruischen. De bergpas werd minder wild en minder verlaten; zij kwamen enkele marskramers tegen, op reis naar Siberië, met hunne koopwaar op den rug en eenen met ijzer beslagen stok in de hand. Zij ontmoetten ook troepjes mijnwerkers, die uit de mijnen kwamen of er heen gingen, en wisselden eenen groet met deze lieden. Aan het einde eener vallei zagen zij hier en daar eene boerenwoning of een gehucht van enkele huizen. De hooge toppen van de Denejkin- en de Kontchakov-bergen vertoonden zich in het Zuiden.Na een rustigen nacht kwam deSchoone Zwerfstertegen den middag aan het uiteinde van den Petchora-pas. Eindelijk had dus onze karavaan het doel van haren tocht bereikt en bevond zij zich in Europa.Nog driehonderdvijftig wersten, niet meer dan een honderdtal mijlen, en de stad Perm zou—zooals Cascabel zeide—“een huis en een gezin méér binnen hare muren bevatten”.—Oef! voegde hij er met een zucht van verlichting bij, ik ben toch blij dat wij dat reisje achter den rug hebben! Heb ik nu geen gelijk gehad? Wij zien alweder dat alle wegen naar Rome leiden. Wij zijn aan den verkeerden kant in Europa gekomen, dat is al. Maar wat komt het er op aan? Nog eene korte poos en wij zijn in Frankrijk!Het scheelde niet veel of de levenslustige man had staande gehouden dat hij de Normandische lucht al inademde en hij aan den voet van het Oeral-gebergte, de zeelucht reeds begon te ruiken.Aan het einde van den bergpas stond een dorpje van een vijftigtal huizen en een honderd of wat inwoners.Zij besloten hier tot den volgenden dag te blijven en er hunnen voorraad meel, vet, thee en suiker aan te vullen.Sergius en Jan maakten ook terstond van de gelegenheid gebruik om kruit en lood en andere benoodigdheden voor de vuurwapens aanteschaffen.Zoodra zij hierin geslaagd waren, gingen zij op weg.—Vooruit vriend Jan! riep Sergius. Er zal hier wel iets te jagen vallen en wij zullen niet platzak thuis komen.—Zooals gij wilt, antwoordde Jan, meer omdat het hem gevraagd werd dan uit eigen liefhebberij.De arme jongen had geene gedachte voor iets anders dan voor de op handen zijnde scheiding. Hij had nergens lust in.—Gaat gij met ons mede, Ortik? vroeg Sergius.—Gaarne, antwoordde de matroos.—Als gij uw best doet om wat goeds medetebrengen, riep moeder Cascabel hen na, dan zal ik voor een lekker maal zorgen.Het was pas twee uren en de jagers hadden dus nog een goeden dag vóór zich. Het gehucht lag omringd van wouden en uitgestrekte vlakten, en het zou wel een wonder zijn als er hier niet een goed jachtveld te vinden was.Sergius, Jan en Ortik verwijderden zich. Kirschef en Kruidnagel waren met de rendieren bezig. De beesten moesten in een weiland onder de boomen gebracht worden, waar zij konden grazen en uitrusten.Cornelia was intusschen in den wagen gegaan, waar altijd het een of ander schoontemaken viel. De anderen hoorden haar roepen:—Napoleona, waar zit ge?—Hier ben ik, moeder.—Is Kayette daar ook?—Ik zal dadelijk komen, juffrouw Cascabel.Dat was echter eene gelegenheid die zij niet voorbij wilde laten gaan om met Cascabel ongestoord te kunnen praten.—Mijnheer Cascabel, begon zij.....—Wat is er Kwakkeltje?—Ik zou u gaarne eens willen spreken.—Wel zoo. Nu spreek maar op!—Ja maar, heel in vertrouwen......De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz. 170.)De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz.170.)—Zoo, is het zulk een geheim?—Wat zou het Kwakkeltje willen? dacht Cesar bij zich zelf, Zou zij mij misschien iets te zeggen hebben over mijn armen Jan?Zij gingen samen een klein eind buiten het dorp, terwijl Cornelia in den wagen aan het werk toog.—Welnu meisjelief, begon Cascabel weder, wat hebt gij mij te vertellen en wat is er voor een verschrikkelijk geheim?—Mijnheer Cascabel, antwoordde Kayette, sedert drie dagen wilde ik een gesprek met u hebben, maar niemand mocht ons kunnen beluisteren of zelfs er iets van merken.—Het is dus iets heel gewichtigs dat gij mij hebt medetedeelen?—Mijnheer Cascabel, ik weet dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.—Wat zegt ge daar? Graaf Narkine? Wel zoo, en hoe zijt ge daar achter gekomen?—Ik heb het gehoord van lieden die u beluisterd hebben toen ge met mijnheer Sergius te Mouji op eenen avond in gesprek waart.—Is het mogelijk!—Die lieden heb ik op mijne beurt beluisterd terwijl zij samen over graaf Narkine aan ’t praten waren. Maar zij weten daar niets van.—Wie waren dat dan?—Ortik en Kirschef.—Zoo! Weten die het dus ook?—Ja mijnheer Cascabel, zij zijn van alles op de hoogte. Zij weten dat mijnheer Sergius een staatkundig veroordeelde is, die in het geheim naar Rusland terugkeert om zijnen vader, prins Narkine optezoeken.Cascabel stond, vreemd te kijken over hetgeen Kayette hem vertelde. Een tijdlang bleef hij sprakeloos, maar na eene poos nagedacht te hebben, hernam hij:—Het spijt mij wel dat Ortik en Kirschef dit geheim ontdekt hebben, maar nu zij er bij toeval achter gekomen zijn, zullen zij het zeker niet verklappen.—Zij zijn het niet bij toeval te weten gekomen, antwoordde Kayette, en zijn stellig voornemens het te verklappen.—Dat geloof ik niet. Het zijn een paar brave zeelui!—Mijnheer Cascabel, begon het meisje weder, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar.—Wat zegt ge daar?Mijnheer Cascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz. 172.)MijnheerCascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz.172.)—Ortik en Kirschef zijn twee boosdoeners, die bij de rooversbende van Karnof in Amerika geweest zijn. Zij beiden hebben graaf Narkine op de Alaskische grens reeds naar het leven gestaan. Toen ditmislukt was, zijn zij te Port-Clarence scheep gegaan om naar de Siberische kust overtesteken, maar op de Liakhoff-eilanden terecht gekomen, waar wij hen aangetroffen hebben. Zij weten dat graaf Narkine zijn leven op het spel zet door in Rusland terug te komen; zij willen hem dus een gedeelte van zijn fortuin afpersen, en als hij weigert, verraden zij hem. Gebeurt dat, dan is mijnheer Sergius verloren en gij zelf misschien ook!Cascabel was niet in staat een woord uittebrengen. Kayette vertelde hem nu uitvoerig hoe het kwam dat zij de twee matrozen van den aanvang af niet goed vertrouwd had. Zij had de stem van Kirschef wel degelijk méér gehoord; thans herinnerde zij het zich, het was dien nacht op de grens van Alaska, toen de twee roovers graaf Narkine en zijnen bediende overvielen, zonder toen nog te weten dat hij een russisch edelman was, die in Amerika eene schuilplaats gezocht had. Nu echter, een nacht of wat geleden, had Kayette hen beide, terwijl zij samen de wacht hielden bij den wagen, met een vreemden man zien heengaan. Zij was hen nageloopen en had het gesprek, dat zij met zeven hunner vroegere makkers voerden, afgeluisterd. Zij was nu op de hoogte van alles wat Ortik in zijn schild voerde. Hij had met opzet deSchoone Zwerfsterdoor den Petchora-pas geleid omdat hij overtuigd was daar andere bandieten te zullen aantreffen, en hij zou er niet tegen opgezien hebben mijnheer Sergius en de geheele familie Cascabel te vermoorden. Maar sedert hij vernomen had dat mijnheer Sergius niemand anders was dan graaf Narkine, had hij begrepen dat het voordeeliger zou zijn hem te dwingen om eene groote som gelds te betalen, teneinde niet aan de russische politie te worden verraden. Daarmede wilde Ortik echter wachten tot zij te Perm zouden zijn; hij noch Kirschef zouden zich met de zaak bemoeien teneinde hunne handen geheel vrij te hebben indien dit plan mislukken mocht. De andere roovers zouden mijnheer Sergius schriftelijk doen weten dat zij hem voor dringende zaken noodzakelijk spreken moesten.Het kostte Cascabel niet weinig moeite zijne verontwaardiging te bedwingen terwijl Kayette dit verhaal deed. Zulke schavuiten, die hij op allerlei manieren geholpen, die hij uit de handen der wilden verlost, te eten gegeven en in hun land gebracht had! Nu, dat was een mooi paar onderdanen dat hij zijne majesteit den Czaar terug kwam brengen! Waren het nog engelschen geweest! Een paar gauwdieven meer of minder kwamen er voor Engeland niet op aan. Zulke ellendelingen! zulke gemeene bedriegers!—Maar wat denkt gij nu te beginnen, mijnheer Cascabel? vroeg Kayette.—Wat ik beginnen ga, Kwakkeltje? Wel, dat is heel eenvoudig. Bij de eerste kozakkenpost de beste die wij tegenkomen, vertel ik wie Ortik en Kirschef zijn, en dan worden ze allebei opgehangen.—Gij zult u nog wel eens bedenken, mijnheer Cascabel, hernam het meisje. Dat zult gij zeker niet doen.—En waarom niet?—Omdat Ortik en Kirschef dan dadelijk graaf Narkine zullen verraden, en meteen degenen die hem behulpzaam zijn geweest om naar Rusland terugtekeeren, aan de politie zullen overleveren.—Wat ons aangaat, wat kan mij dat schelen? riep Cascabel uit. Als het ons alleen betrof! Maar met mijnheer Sergius is het een ander geval. Gij hebt gelijk Kayette, wij moeten iets anders bedenken.Hij was zeer opgewonden en blijkbaar niet dadelijk in staat zijn gedachten te verzamelen. Hij liep eenige oogenblikken op en neder en sloeg zich voor het hoofd om er een plan uit te halen. Toen bleef hij weder voor Kayette staan.—Hebt gij mij niet gezegd, vroeg hij, dat het Ortik’s plan was te wachten tot wij te Perm zijn en daar met die andere schurken te handelen?—Ja mijnheer Cascabel, hij heeft hun uitdrukkelijk aanbevolen, vóór dien tijd niets te ondernemen.—Dat is een hard geval, barstte Cascabel uit, een heel hard geval! Met zulke schavuiten samen te moeten reizen tot Perm toe, met hen te moeten praten en een vriendelijk gezicht tegen hen te moeten zetten! De duivel mag mij halen als ik geen lust heb hen bij den kraag te pakken en hen te pletter te slaan... zoo!... zoo!En met zijne krachtige handen zwaaide hij en sloeg die op elkaar, alsof hij Ortik en Kirschef te pakken had en hen tegen elkaar sloeg, als de bekkens op eene turksche trom.—Gij moet toch doen alsof gij er niets van weet, mijnheer Cascabel, hernam Kayette, en hen niets laten merken.—Zeker, zeker meisje.—Alleen zou ik willen weten of gij het raadzaam acht, mijnheer Sergius op de hoogte te brengen?—Dat geloof ik niet, antwoordde Cascabel. Het lijkt mij verstandiger als wij alles vóór ons houden, want wat zou mijnheer Sergius er aan kunnen doen? Het is mijn plicht voor zijne veiligheid te waken en dat zal ik doen ook. Bovendien weet ik vooruit waar hij het eerst op bedacht zou zijn. Uit vrees van ons aan grooter gevaren bloot te stellen, zou hij in staat wezen terstond zijn eigen weg te gaan en ons alleen te laten trekken. In dat geval ware hijnaar alle waarschijnlijkheid verloren en wij moeten er hem dus in het geheel niet over spreken.—Maar zult gij Jan er ook niets van zeggen?—Waar denkt gij aan Kayette? Jan is veel te driftig, hij zou zich in tegenwoordigheid van die twee gemeene schurken geen oogenblik in kunnen houden. Hij is niet zoo’n bedaarde man als zijn vader en hij zou bij de eerste gelegenheid de beste laten merken dat hij alles wist. Neen, Jan mag er evenmin iets van weten als mijnheer Sergius.—En juffrouw Cascabel? Moet die ook niet op de hoogte gebracht worden? vroeg Kayette weder.—Cornelia? Ja, dat is heel iets anders. Dat is eene heel bijzondere vrouw: die is altijd in staat om een goeden raad te geven en als het er op aankomt, ook een stevige hand uit te steken. Voor haar heb ik nog nooit iets geheim gehouden en bovendien weet zij even goed als ik dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.—Juffrouw Cascabel moet het dus weten?—Ja, met haar zal ik alles overleggen. Aan eene vrouw als zij kan men het gewichtigste staatsgeheim toevertrouwen. Zij zou het niet verklappen al dreigden zij haar hare tong aftesnijden en dat is toch wel het ergste wat eene vrouw kan overkomen! Zeker, zeker, ik zal er met haar over praten.—Laat ons dan nu naar deSchoone Zwerfsterterugkeeren, hernam Kayette. Niemand mag er iets van merken dat wij samen gesproken hebben.—Ge hebt volkomen gelijk, Kwakkeltje, ge hebt gelijk, zooals altijd.—Maar mijnheer Cascabel, pas vooral op dat ge aan Ortik en aan Kirschef niets merken laat....—Dat zal niet gemakkelijk gaan, maar wees maar niet ongerust, ik zal hen honing om den mond smeren. Zulke bandieten! Het is toch wat te zeggen, dat wij nog zoo’n tijd met hen in aanraking moeten blijven! Dat is dus de reden waarom zij mij verteld hebben dat zij ons de eer zullen aandoen van met ons mede te reizen tot Perm, en dat zij eerst van daar den tocht naar Riga zullen aanvangen. Zulke smeerlappen! De ergste schavuiten die er ooit geweest zijn, konden zich niet gemeener aanstellen!Deze gedachte maakte Cascabel zóó woedend, dat hij al de boosdoeners, die hij in zijn leven ooit had hooren noemen, begon op te tellen: Papavoine, Lacenaire, Tropmann......—Maar mijnheer Cascabel, viel Kayette hem in de rede, als dàt nu de manier is om u in bedwang te houden.....—Neen, neen, Kwakkeltje, wees maar niet bang. Dat heeft mijlucht gegeven, want ik zou er anders in gestikt zijn. Ik had een gevoel alsof ik gewurgd werd, maar nu zal ik kalm worden. Ik ben al bedaard. Laat ons nu naar deSchoone Zwerfsterteruggaan. Zulke hondsvotten!Zij keerden samen naar het dorp terug, maar praatten verder over niets. Er was dan ook stof genoeg om eene poos over na te denken. Dat zulk eene wonderbaarlijke reis als zij gedaan hadden, nu die zoo goed als afgeloopen was, nog mislukken moest door zulk eene onvoorziene teleurstelling!Zij waren al in de nabijheid van den wagen, toen Cascabel staan bleef.—Zeg eens, Kayette, begon hij.—Wat is er, mijnheer Cascabel.—Alles wel beschouwd, zal ik Cornelia toch ook niets vertellen.—Waarom niet?—Ja, hoe zal ik u dat uitleggen? Ziet ge, ik heb in het algemeen opgemerkt dat eene vrouw het best in staat is een geheim voor zich te houden als zij er in het geheel niets van weet. Daarom moet alles maar tusschen ons tweeën blijven.Kayette begaf zich naar binnen om moeder Cascabel in het huishouden te helpen. Zij kwamen Kirschef voorbij en Cesar knikte hem vriendschappelijk toe, maar bij zichzelf dacht hij:—Wat heeft die kerel een schelmengezicht!Twee uren later kwamen de jagers terug en nu was de beurt aan Ortik, die met een prachtig hert op zijne schouders kwam aandragen, om in de hartelijkste bewoordingen door Cascabel welkom geheeten te worden.Sergius en Jan hadden bovendien nog twee hazen en eenige koppels patrijzen geschoten, zoodat Cornelia in staat was een waar feestmaal aan te richten, waar haar echtgenoot zich terdege aan te goed deed. Die man was inderdaad ondoorgrondelijk. Hij liet niets merken van hetgeen er in hem omging en het was hem in het geheel niet aan te zien dat hij wist dat er twee moordenaars met hem aan tafel zaten, twee spitsboeven die niets minder in hun schild voerden dan hem en zijn geheele gezin te vermoorden. Hij was zelfs opgeruimder dan anders en wilde dat al de anderen in zijne vroolijke stemming zouden deelen; hij liet Kruidnagel eene fijne flesch opentrekken en hij dronk op hunne behouden terugkomst in Europa en op hunne spoedige aankomst in Frankrijk.Den volgenden ochtend, den 10denJuli, werd de reis naar Perm voortgezet. Toen zij den bergpas uit waren, liet het zich aanzien dat de tocht verder zonder moeilijkheden en zonder buitengewoneavonturen volbracht zou worden. DeSchoone Zwerfsterhield den rechteroever van de Vischera, welke rivier langs den voet van het Oeral-gebergte stroomt. Den geheelen weg langs vonden zij stadjes, dorpen en alleenstaande boerenplaatsen, met vriendelijke menschen die hen goed ontvingen. Er was wild in overvloed en het weder, hoewel het zeer warm was, werd door een koelen wind uit het noordoosten opgefrischt. De rendieren stapten wakker voort, maar Sergius had bovendien in het laatste dorp een span paarden gekocht, die nu hielpen trekken, zoodat er bijna tien mijlen daags werden afgelegd.Het was waarlijk een feestelijke intocht dien de karavaan op het grondgebied van het oude Europa deed, en er zou geen wolkje aan den hemel van Cascabel’s geluk te zien geweest zijn indien hij geen twee struikroovers bij zich gehad had.—En dan volgt die andere rooverbende ons nog op de hielen als jakhalzen achter eene karavaan, dacht hij bij zichzelf. Komaan Cesar Cascabel, gij moet weer eens toonen wat gij kunt en die schelmen er in laten loopen!Het was intusschen maar jammer dat het zoo voortreffelijk uitgevoerde reisplan op deze manier weder geheel bedorven dreigde te worden. Cascabel’s papieren waren nu volkomen in orde, Sergius maakte deel van den troep uit en de russische politiebeambten lieten hem zonder aanmerkingen door. Eenmaal te Perm aangekomen, zou hij alle gelegenheid hebben om, zoo dikwijls hij verkoos, naar het kasteel Walska te gaan, vervolgens zou hij, na zijnen vader weergezien en eenige dagen bij hem doorgebracht te hebben, zonder eenig bezwaar als kunstenmaker heel Rusland kunnen doortrekken en zich naar Frankrijk begeven, waar hij volkomen veilig zou wezen. Dan was er dus geen sprake van afscheid nemen en Kayette zoowel als hij konden bij de Cascabels blijven. Wie weet of er dan ook niet een middel te vinden ware geweest om den armen Jan gelukkig te maken. Waarlijk, de galg was nog te goed voor de booswichten die dit wel overlegde plan in duigen deden vallen! Als Cascabel daaraan dacht, dan gaf hij somtijds zijn gemoed lucht in verwenschingen, waar niemand, die niet in het geheim was, iets van begreep.Cornelia vroeg hem dan ook eens:—Wat scheelt er toch aan, Cesar, dat gij zoo te keer gaat?—Mij scheelt niets, was zijn antwoord.—Maar gij stelt u aan als een dolleman.....—Ik stel mij aan als een dolleman, Cornelia, omdat ik anders werkelijk dol zou worden.De wakkere vrouw wist niet wat zij van haren man denken moest.Er gingen weder vier dagen voorbij. DeSchoone Zwerfsterhad een zestigtal mijlen achter den rug sedert zij het Oeral-gebergte verlaten hadden, en maakte nu in het stadje Solikamsk halt.De rooverbende, waar Ortik zijne afspraak mede gemaakt had, was hier zeker reeds vóór de karavaan aangekomen, maar hij en Kirschef deden geene moeite om met de anderen in aanraking te komen.Intusschen bevonden Rostof en zijne maats zich werkelijk in de stad. Zij waren voornemens dienzelfden nacht verder te gaan. Perm lag nog een mijl of zestig meer naar het Westen. Eenmaal daar aangekomen, konden zij hun misdadigen toeleg uitvoeren.Den volgenden ochtend vroeg verlieten de Cascabels het stadje Solikamsk en den 17denJuli trokken zij de Koswa-rivier in de veerpont over. Over drie dagen rekenden zij, als er niets tusschen beide kwam, te Perm te zullen aankomen en daar hunne voorstellingen aantevangen, teneinde die op de kermis te Nisjni later voort te zetten. Dit behoorde tot het programma der merkwaardige “kunstreis,” die zij bezig waren te doen.Sergius verblijdde zich mede in het vooruitzicht dat hij spoedig het kasteel Walska, de plek zijner geboorte, terug zou zien, maar eene verklaarbare ongerustheid vermengde zich met zijne blijdschap en wanneer hij met Cascabel over de toekomst sprak, maakte hij van zijne bezorgdheid geen geheim. Sedert vele jaren had hij niet dan ongeregeld bericht van zijnen vader ontvangen en nu sedert dertien maanden, zoolang zijne avontuurlijke reis van de grens van Alaska naar Europa geduurd had, had hij niets meer van hem vernomen. Hoogbejaard als de prins was, bestond er maar al te veel kans dat zijn zoon hem misschien niet meer terug zou zien.Daar wilde Cesar Cascabel echter niet van hooren.—Komaan, mijnheer Sergius, zeide hij, maak u daar nu niet ongerust over. Prins Narkine is zoo gezond als gij en ik, daar sta ik voor in! Gij weet dat ik best voor waarzegger zou kunnen spelen, want de toekomst is evenmin voor mij verborgen als het verleden. Uw vader is in blakenden welstand en over weinige dagen zult gij hem terugzien.Cascabel was hiervan zoo vast overtuigd dat hij er op had durven zweren, indien de plannen van Ortik en die andere booswichten hem niet in den weg gezeten hadden.Daarom bromde hij bij zichzelf:—Ik ben niet valsch van natuur, maar als ik dien schavuit tusschen mijne tanden kon stuk scheuren, zou ik het doen, en ik zou ook nog mijn best doen dat het niet te spoedig afgeloopen was!Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz. 181.)Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz.181.)Naarmate deSchoone Zwerfsterdichter bij Perm kwam, werd intusschen de ongerustheid van Kayette grooter. Wat zou Cascabel beginnen? Hoe zou het hem mogelijk wezen Ortik’s plannen te verijdelen zonder de veiligheid van Sergius in de waagschaal te stellen? Zij wist geen antwoord op die vragen te bedenken en kon hare bezorgdheid niet voor de anderen verborgen houden, zoodat Jan, die wel bespeurde hoe angstig en gejaagd zij was, maar er de reden niet van doorgrondde, er heelemaal door van streek raakte.In den ochtend van den 20stenjuli trokken zij de Kama-rivier over en omstreeks vijf uren in den namiddag hielden zij hunnen intocht op de groote markt te Perm. Daar werden alle beschikkingen gemaakt om er verscheidene dagen te vertoeven.Ortik haastte zich zijne maats kennis te geven van hunne aankomst. Een uur later had hij eenen brief van Rostof in handen, waarin Sergius verzocht werd wegens dringende aangelegenheden in eene afgelegen herberg te komen. Die brief moest zoo spoedig mogelijk overhandigd worden. Mislukte dit middel, dan zouden zij het op eene andere manier aanleggen.Tegen het vallen van den avond echter, toen de brief aan deSchoone Zwerfsterbezorgd werd, bevond Sergius zich reeds op weg naar het kasteel Walska. Cascabel nam de boodschap aan en hield zich alsof hij er zeer verwonderd over was. Hij beloofde dat hij den brief aan Sergius zou overhandigen en sprak er verder met niemand over.Het beviel Ortik maar half dat Sergius niet meer in den wagen was, want hij had zijne poging om hem in den strik te laten loopen liever gedaan vóór dat de banneling zijnen vader terug gezien had. Maar hij liet niets van zijne teleurstelling merken en toen hij met de anderen aan den avondmaaltijd plaats nam, vroeg hij alleen:—Is mijnheer Sergius niet thuis?—Neen, antwoordde Cascabel. Hij is de stad ingegaan om het noodige af te spreken met de stedelijke beambten voor de voorstellingen die wij hier willen geven.—Zoo, en wanneer zou hij terug komen?—In den loop van den avond, denk ik.
XI.Het Oeral-gebergteHet Oeral-gebergte is voor reizigers op zijn minst even belangwekkend als de Pyreneën of de Alpen. Het woord Oeral beteekent in het tartaarsch “gordel” en inderdaad is het een gordel die zich uitstrekt van de Kaspische tot de Noordelijke IJszee, over eene lengte van tweeduizend negenhonderd mijlen, een gordel met edelgesteenten ingelegd en met kostbare metalen, zooals goud, zilver en platina opgesierd. Deze gordel maakt de scheiding uit tusschen de twee werelddeelen Azië en Europa. Het is een uitgestrekt bergland, waarvan de wateren, welke bij het smelten der sneeuw op de hooge toppen ontstaan, in de rivieren de Oeral, de Kara, de Petchora, de Kama en nog een aantal kleinere stroomen wegvloeien. Het is een geweldige muur van graniet en basalt, die zijne punten en naalden opheft tot eene hoogte van tweeduizend driehonderd meters boven den zeespiegel.—Dat zijn nu de echte “russische bergen”, merkte Cascabel gekscherende op. Maar men glijdt er niet van zelf af, even als van demontagnes russes, die ze op de kermissen en elders vertoonen.Neen waarlijk niet, ze zouden er niet van zelf afglijden!Een eerste bezwaar bij het trekken door het gebergte, was dat zij de stadjes en dorpjes,zavodijsgenaamd, niet zouden kunnen mijden, die er in grooten getale tusschen verspreid liggen en welke er ontstaan zijn door de vestiging, in vroeger jaren, van mijnwerkersdie bij het ontginnen der mijnen gebruikt werden. Cascabel koesterde echter nu niet zooveel vrees meer voor eene ontmoeting met politie- of militaire posten, want zijne papieren waren in orde. Daarom zou er dan ook geen bezwaar bestaan hebben om het Oeral-gebergte meer op het midden over te trekken, waar zij den fraaien straatweg van Jekaterinburg hadden kunnen volgen, welke een der drukst bezochte bergpaden is, en die hen in het gouvernement Jekaterinburg zou hebben doen aankomen. Maar Ortik had hen meer naar het Noorden geleid en nu konden zij niet beter doen dan den Petchora-pas volgen en van daar naar Perm zuidwaarts trekken.Hier zouden zij den volgenden dag eenen aanvang mede maken.Bij het aanbreken van den ochtend konden zij eerst terdege zien welk een ontzaglijk aantal wolven er geweest waren. Waren die in deSchoone Zwerfsterbinnengedrongen, geen twijfel of allen die zich daar bevonden zouden door de vraatlustige dieren zijn omgebracht.Een vijftigtal wolven lagen ontzield op den grond. Ze behoorden tot de grootste soort, de gevaarlijkste vijanden der reizigers in de steppe. De anderen waren spoorloos verdwenen en hadden het op een loopen gezet alsof ze met een vlammend zwaard waren weggejaagd—eene vergelijking welke op dit geval volkomen van toepassing was. De twee in brand gestoken wolven werden op een honderdtal schreden buiten de open plek in het bosch gevonden.Nu was er echter eene andere moeielijkheid. Hier aan den ingang van den Petchora-pas, was deSchoone Zwerfsterop grooten afstand van eenig bewoond oord, want op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte worden geen dorpen aangetroffen.—Wat moeten wij aanvangen, zeide Jan, nu onze trekdieren op den loop gegaan zijn?—Waren zij alleen maar op den loop, antwoordde Cascabel, dan zouden wij ze misschien kunnen terugvinden. Maar naar alle waarschijnlijkheid zijn onze rendieren door de wolven verslonden.—Arme beesten, zeide Napoleona, ik hield al evenveel van ze als van Vermout en Gladiator.—Die zouden stellig ook door de wolven opgevreten zijn, als ze daarginder niet verdronken waren, voegde Sander er bij.—Helaas ja, dat zou zeker gebeurd zijn, stemde Cascabel met een diepen zucht toe. Maar hoe komen wij nu aan een ander middel van vervoer?—Ik zal mij naar het naastbij gelegen dorp begeven waar ik mij tot elken prijs paarden zal verschaffen, zeide Sergius. Als Ortik mede wil gaan om mij den weg te wijzen.....Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz. 154.)Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz.154.)—Ik ben tot uwen dienst zoodra gij op weg wilt gaan, antwoordde Ortik.—Ik geloof ook dat dit het beste is wat wij doen kunnen, hernam Cascabel.Dat zou dan ook dienzelfden dag gebeurd zijn, maar tot aller verbazing zagen zij tegen een uur of acht twee van de rendieren uit het bosch weder te voorschijn komen.Sander kreeg ze het eerst in het oog.—Vader! vader! riep hij. Daar zijn ze! Ze komen terug!—Levend en wel?—Die twee zien er ten minste niet uit alsof ze opgegeten zijn, want ze loopen hierheen.—Ten minste, merkte Kruidnagel op, als ze niet straks weer neervallen.—O die lieve beesten, riep Napoleona, ik ga ze dadelijk goeden morgen zeggen.De kleine meid sloeg hare armen om den hals van een der dieren en gaf het een zoen.Twee rendieren zouden echter niet bij machte geweest zijn deSchoone Zwerfstertegen den berg op te trekken. Gelukkig kwamen er langzamerhand nog andere opdagen en binnen een uur waren er, van de twintig welke zij van de Liakhoff-eilanden medegenomen hadden, weer veertien bijeen.—Hoera voor de rendieren! schreeuwde Sander opgewonden, maar de goede beesten trokken zich van zijne verrukking niet veel aan.Er waren dus maar zes van de kudde verloren gegaan, die door de wolven overvallen waren voordat ze tijd gehad hadden zich los te rukken. De veertien anderen hadden het dadelijk op een loopen gezet, de wolven hadden ze niet kunnen inhalen en toen het gevaar voorbij was, waren de vluchtelingen bij instinct naar hun nachtkwartier teruggekeerd.Men kan zich licht voorstellen welk eene blijdschap dit teweegbracht. Veertien rendieren waren genoeg om den tocht door den bergpas voort te zetten. Voor zoover hunne krachten te kort schoten op de steile hellingen, konden de mannen den wagen helpen voortduwen en de kans op een triomfantelijken intocht te Perm was dus nog niet geheel verkeken.Het eenige wat Cascabel speet, was dat deSchoone Zwerfsterer niet meer zoo schitterend als vroeger uitzag. De wanden en paneelen van den wagen waren door de tanden en de klauwen der wolven vol krassen en scheuren gekomen, en reeds vóór dien tijdhad hij door weer en wind, en ten gevolge van allerlei ongevallen op de lange en avontuurlijke reis, zijnen glans bijna geheel verloren. Het mooie naambord der Cascabels was onder de sneeuwstormen zoo goed als onleesbaar geworden. Er zou heel wat geschilderd en gevernist moeten worden om deSchoone Zwerfsterharen naam weer waardig te maken en al het boenen en schrobben van Cornelia en Kruidnagel was niet in staat dit te verhelpen.Te tien uur werden de rendieren voorgespannen en hervatten zij hunnen tocht. Het ging dadelijk vrij steil bergopwaarts en de mannen wandelden dus naast den wagen.Het was mooi weder en hier in het bergland was ook de warmte niet hinderlijk. Telkens moest echter de wagen met kracht van schouders en armen voortgeholpen, of moesten de wielen, als die tot aan hunne assen in eene scheur gezakt waren, opgebeurd worden. Bij iederen scherpen hoek dien de weg maakte, moesten zij bij de hand zijn om te voorkomen dat deSchoone Zwerfsteraan den voor- of achterkant met de rotsen aan weerszijden in aanraking kwam.De passen door het Oeral-gebergte zijn niet door menschenhand gemaakt, maar gebaand door de natuur zelve, ten einde aan het water, dat met vele bochten van de hoogte komt stroomen, eenen uitweg te verschaffen. Een riviertje, dat zich later in de Sosva stort, stroomt langs den pas, en laat op sommige plaatsen slechts een smal pad vrij, dat zigzagsgewijs naar boven gaat. Loodrecht rijst op die plekken de bergwand omhoog, die bekleed is met een gordijn van mos- en klimplanten, tusschen welke het grauwe gesteente zich echter duidelijk zien laat. Waar de wanden minder steil zijn, komen kleine vlakten voor, begroeid met pijn- en denneboomen, met berken en lorken, en met andere gewassen die in de noordelijke streken inheemsch zijn. In de verte, half verscholen te midden der wolken, vertoonen zich de besneeuwde bergtoppen, van waar het water afvloeit dat de beken en riviertjes doet ontstaan.Op dezen eersten dag kwam de karavaan geen mensch tegen. De bergpas werd blijkbaar weinig bereisd, maar Ortik en Kirschef schenen er vrij goed bekend te wezen. Een paar keeren, op plaatsen waar verscheidene kloven samenliepen en de weg zich dus in verschillende richtingen splitste, schenen zij te aarzelen. Zij lieten den wagen dan een oogenblik stil houden en overlegden samen op fluisterenden toon, hetgeen niemands achterdocht kon wekken want er bestond niet de geringste reden om hen niet te vertrouwen.Kayette alleen kon niet nalaten het oog op hen te houden, waar de twee russen echter niets van merkten. Zij bespeurde wel datbeiden nu en dan ter sluiks met elkander praatten of elkaar geheimzinnige blikken toewierpen. Dit alles versterkte haar in het wantrouwen dat zij onwillekeurig koesterde, maar de booswichten vermoedden dit volstrekt niet.Tegen den avond was er aan den oever van het riviertje halt gemaakt en nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, belastten Cascabel, Kruidnagel en Kirschef zich met de taak om gedurende den nacht de wacht te houden. Dit was noodzakelijk, maar het kostte hun toch moeite, na zulk een vermoeienden dag en na den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht hadden, opnieuw wakker te blijven.Den volgenden ochtend werd de tocht voortgezet door den steeds steiler en nauwer wordenden bergpas. Het was dezelfde vermoeiende arbeid als den vorigen dag, en zij vorderden op dezen dagmarsch niet meer dan twee of drie mijlen. Dit viel hun echter niet bijzonder tegen, want zij hadden op eenig oponthoud gedurende hunnen tocht door het gebergte gerekend.Verscheidene malen kwam het voor dat Sergius en Jan gelegenheid hadden een prachtig stuk wild, in de valleien en kloven welke in den pas uitkwamen, onder schot te krijgen. Dikwijls zagen zij de elanden, de herten en de hazen bij troepen voorbijrennen en Cornelia zou met een stuk versch gebraad niet weinig in haar schik geweest zijn; maar helaas, al het kruit en lood was op de wolven verschoten en vóor dat zij aan eene bewoonde plaats kwamen, was er geene gelegenheid om den voorraad aan te vullen. Er kon dus geen schot gedaan worden en het was grappig om te zien hoe verbaasd Wagram telkens zijnen baas aankeek, als wilde hij vragen:—Hoe is het, wordt er in het geheel niet meer gejaagd?Bij eene andere gelegenheid zouden zij hunne wapens nog beter hebben kunnen gebruiken.Dat was tegen drie uur des middags, terwijl deSchoone Zwerfstertegen de steenachtige helling langzaam vooruitkwam. Aan den anderen kant van het riviertje liet zich op eens een groote beer zien, die door de honden met een woedend geblaf begroet werd. Het beest stond op zijne achterpooten overeind en schudde met zijn grooten kop, als dacht hij er over na wat dat voor eene vreemde vertooning was die hem in zijne eenzaamheid kwam storen.Had hij kwade bedoelingen? Was het alleen uit nieuwsgierigheid, of kwam er schrokkigheid bij, dat hij de karavaan zoo nauwkeurig stond optenemen?Jan had de honden tot zwijgen gebracht en hield ze vast, wanthet was geen zaak zulk een geduchten vijand, ongewapend als zij waren, noodeloos in het harnas te jagen. Het riviertje had hij gemakkelijk kunnen overkomen, en het was veiliger hem geen aanleiding te geven om de plek te verlaten waar hij zich bevond.De twee partijen keken elkaar dus rustig aan doch lieten elkander ongemoeid, even als twee reizigers wier pad zich kruist. Echter kon Cascabel niet nalaten te zeggen:—Hoe jammer dat wij dezen bruinen vriend uit het Oeral-gebergte niet mêe kunnen nemen! Wat zou hij een prachtig figuur bij den troep maken!Er was echter geen gelegenheid om den beer een engagement in den troep aantebieden. Het beest gaf trouwens blijkbaar aan zijn zwervend bestaan in de bosschen de voorkeur boven het reizen op kermissen. Hij schudde nog een paar keer zijn grooten kop en verdween toen op een drafje tusschen de boomen.Sander kon hem zóó niet laten gaan en nam onderdanig zijn hoed voor hem af, maar Jan zou hem vrij wat liever een geweerkogel achterna gestuurd hebben.Tegen zes uur ’s avonds werd er ongeveer onder dezelfde omstandigheden als den vorigen avond halt gehouden. Den volgenden ochtend werd de bezwaarlijke tocht te vijf uur hervat. Het ging op dezelfde manier voort: veel vermoeienis maar geen ongelukken.Zij hadden nu echter het ergste achter den rug, want zij waren met deSchoone Zwerfsterop het hoogste punt gekomen, daar waar de pas den bergketen snijdt. Van hier af ging het bijna voortdurend naar beneden, altijd in westelijke richting, tot dat zij aan den kant van Europa in de vlakte zouden aanlanden.Dit was op den avond van den 6denJuli. De trekbeesten waren dood-af en konden niet verder. Er werd halt gehouden aan den ingang eener bochtige kloof, die ter rechterzijde door een dicht woud begrensd werd.Het was den geheelen dag drukkend warm geweest. In het Oosten hing eene dikke wolkenmassa, aan den benedenkant als met een mes afgesneden, wier donkere tint scherp afstak tegen eene lichtgrijze streep aan den gezichteinder.—Het ziet er uit alsof wij onweder zullen krijgen, merkte Jan op.—Dat is onpleizierig genoeg, antwoordde Ortik, want hier in het Oeral-gebergte valt er met de onweders niet te spotten.—Welnu, dan moeten wij ergens zien te schuilen, zeide Cascabel. Ik ben minder bang voor een onweder dan voor wolven.—Kayette, vroeg Napoleona aan het Indiaansche meisje, zijt ge bang voor den donder?De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz. 159.)De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz.159.)—Wel neen, meidlief, antwoordde Kayette.—Daar heeft Kayette groot gelijk in, zeide Jan. Het is dwaas, daar bang voor te zijn.—Je hebt goed praten, hernam Napoleona terwijl zij hare schouders ophaalde. Wat zal men er aan doen als men bang is?—Kijk zoo’n bange meid eens! riep Sander. Maar uilskuiken, er is niets geen verschil tusschen het rollen van den donder en dat van de ballen bij het kegelen.—Jawel, maar het lijken wel ballen van vuur, die u naar het hoofd geslingerd worden, zeide het kind en kneep hare oogen toe voor een fellen bliksemstraal.Zoo haastig mogelijk werd alles voor den nacht in gereedheid gebracht, zoodat zij vóór dat het begon te stortregenen allen onder dak waren. Toen de avondmaaltijd afgeloopen was, werd er afgesproken dat de mannen, evenals in de voorafgaande nachten, om beurten de wacht zouden houden.Sergius wilde de eerste wacht doen, maar Ortik kwam hem voor door te vragen:—Vindt gij het goed dat wij samen, Kirschef en ik, dezen nacht beginnen?—Zooals gij wilt, antwoordde Sergius. Te middernacht zullen Jan en ik u komen aflossen.—Dat is dus afgesproken, mijnheer Sergius, zeide Ortik.Hier scheen niets achter te kunnen steken, maar toch vertrouwde Kayette de zaak niet. Zonder zich van haar vermoeden rekenschap te kunnen geven, was het haar alsof de twee matrozen iets kwaads in den zin hadden.Het onweder was nu in volle hevigheid losgebarsten. Tusschen het bladerendak der boomen lichtte ieder oogenblik de bliksem; hoog boven hunne hoofden ratelde de donder, die door de bergwanden in alle richtingen honderdvoudig herhaald werd.Napoleona was reeds in haar bed gekropen en stopte hare oogen en ooren onder de lakens. Ieder volgde spoedig haar voorbeeld en tegen negen uur verkeerde alles in deSchoone Zwerfsterin diepe rust, ondanks het geraas der donderslagen en het gehuil van den storm.Kayette kon echter den slaap niet vatten. Zij had zich niet uitgekleed en ofschoon zij zeer moede was, bleef zij wakker liggen. De gedachte dat hun aller veiligheid was toevertrouwd aan die twee russen, liet haar geen oogenblik met rust. Na zich een uur lang slapeloos op haar bed te hebben rondgewenteld, besloot zij zich te overtuigen wat die twee uitvoerden. Zij lichtte het gordijntjevan het raampje boven hare slaapplaats op en keek bij het licht der bliksemstralen naar buiten.Zij zag dat Ortik en Kirschef samen stonden te praten. Op eens hielden zij echter stil en deden een pas of wat in de richting van de kloof, waar op dit oogenblik een man zich tusschen de boomen vertoonde.Ortik gaf door een teeken den onbekende te verstaan dat hij niet dichter bij moest komen om de honden niet wakker te maken. Dat Wagram en Marengo niet reeds aangeslagen hadden, kwam door dat zij binnen deSchoone Zwerfstervoor het noodweder waren komen schuilen.Ortik en Kirschef gingen den vreemdeling tegemoet en wisselden eenige woorden met hem. Toen zag Kayette dat zij met hun drieën onder de boomen verder gingen.Wat kon dat voor een kerel zijn? Wat hadden de twee matrozen met hem te bepraten? Tot elken prijs wilde Kayette daar achter komen.Het meisje liet zich uit hare slaapplaats glijden, zachtkens, zoodat niemand er wakker van werd. Op het oogenblik toen zij voorbij Jan kwam, hoorde zij hem haren naam noemen.Zou hij haar gezien hebben?Neen, hij droomde.... hij droomde van Kayette!Zij sloop naar de deur, opende die en sloot haar zachtkens achter zich toe, steeds zorg dragende dat zij geen leven maakte.Eenmaal buiten zijnde scheen zij te aarzelen, maar het duurde slechts een oogenblik.—Komaan! zeide zij halfluid.Hare vrees had niet langer dan eene sekonde geduurd. Zij wist dat zij haar leven op het spel zette, dat de twee booswichten haar niet zouden sparen indien zij bespeurden dat zij bespied werden. Maar zij was moedig en vastberaden.Kayette sloop voort tusschen de boomen, waaronder het donker was zoo lang een bliksemstraal niet alles met een rossen gloed overgoot. Zij liep gebukt voort onder het kreupelhout en tusschen het hooge gras, totdat zij achter den stam van een zwaren lorkeboom bleef staan. Een twintigtal schreden van zich af hoorde zij eenige mannen praten.Zij waren met hun zevenen. Ortik en Kirschef voegden zich juist bij hen. Zij stonden in een troepje bij elkaar onder de boomen.Het gesprek werd in het russisch gevoerd. Kayette had dus geen moeite om alles wat zij zeiden te verstaan.Zij waren met hun zevenen. (Zie blz 162.)Zij waren met hun zevenen. (Zie blz162.)—Het doet mij pleizier, begon Ortik, dat ik den Petchora-pasde voorkeur gegeven heb. Ik dacht wel dat ik hier kennissen vinden zou. Niet waar Rostof?Rostof was de kerel, dien Kayette het eerst in de nabijheid van den wagen gezien had.—Sedert twee dagen volgen wij den wagen, antwoordde Rostof, maar wij passen op dat niemand ons in het oog krijgt. Wij hebben u en Kirschef terstond herkend en dachten dus wel dat er een goede slag te slaan zou zijn.—Eén zeker, zeide Ortik, en misschien wel twee.—Maar waar komt gij van daan? vroeg Rostof.—Uit het hartje van Amerika, waar wij een heelen tijd bij de bende van Karnof geweest zijn.—Wat zijn dat voor lieden daar gij nu bij zijt?—Dat zijn fransche kunstenmakers, eene zekere familie Cascabel die op reis is naar Europa. Wij zullen u later wel alles vertellen wat wij ondervonden hebben. Thans is er geen tijd om veel te praten.—Is er geld in den wagen? vroeg een van de andere roovers.—Nog twee- of drieduizend roebels ongeveer.—Waarom hebt gij nog geen hartelijk afscheid van die brave menschen genomen? vroeg Rostof op spottenden toon.—Daar hadden wij goede redenen voor, want er valt nog vrij wat meer te verdienen dan dit armzalige sommetje. Maar om dàt te kunnen doen, hebben wij hulp noodig.—Wat is dat voor een buitenkansje?—Dat zal ik u zeggen, vrienden, hernam Ortik. Dat Kirschef en ik zonder bezwaar door Siberië heengetrokken en hier op de russische grens gekomen zijn, hebben wij aan die Cascabels te danken. Maar er is nog iemand in het gezelschap die hetzelfde gedaan heeft, wel wetende dat geen sterveling hem onder eenen troep koorddansers zou zoeken. Dat is een rus, wien het evenmin als ons vergund is in zijn land terug te komen, maar om andere redenen, want het is een staatkundige veroordeelde van voorname familie, een schatrijk heer. Cascabel en zijne vrouw zijn de eenigen die weten wie hij is, maar wij tweeën zijn er ook achter gekomen.—Hoe hebt gij dat ontdekt?—Op eenen avond te Mouji, waar wij een gesprek tusschen Cascabel en den rus hebben afgeluisterd.—Wie is het dan eigenlijk?—Mijnheer Sergius wordt hij door ieder genoemd, maar hij heet graaf Narkine. Wordt hij op russisch grondgebied ontdekt, dan kan het hem zijn leven kosten.—Wacht even, zeide Rostof. Die graaf Narkine, kan dat niet een zoon zijn van Prins Narkine, die een jaar of wat geleden naar Siberië verbannen en van daar ontvlucht is? Dat geval heeft destijds een heele opschudding gemaakt.—Diezelfde is het, bevestigde Ortik. Welnu, die graaf Narkine heeft, behalve zijn leven, heel wat millioenen voor het verliezen en hij zal er ons wel één van willen afstaan als dat het eenige middel is om niet aan de politie verklapt te worden.—Dat is niet kwaad bedacht, Ortik. Maar waartoe hebt gij onze hulp noodig om dat plan ten uitvoer te brengen?—Omdat het noodzakelijk is, dat Kirschef en ik ons niet in die geschiedenis van Sergius mengen, wanneer wij, indien dit plan mislukken mocht, nog eenige kans willen overhouden om den anderen slag te slaan. Teneinde ons van het geld en van den reiswagen der Cascabel’s, met alles wat daar in is, te kunnen meester maken, moeten zij niet beter weten of wij zijn twee russische schipbreukelingen, die aan hen hunne redding te danken hebben. Wij willen dus den heelen troep naar de andere wereld helpen. Daarna kunnen wij veilig overal heentrekken waar wij willen, zonder dat de politie vermoeden kan dat wij iets anders zijn dan reizende kunstenmakers.—Vindt gij het goed, Ortik, dat wij nog dezen nacht den wagen overvallen en ons van graaf Narkine meester maken om hem te doen weten op welke voorwaarden wij hem hier in Rusland met rust willen laten?—Geduld wat! antwoordde Ortik, Graaf Narkine is van plan naar Perm te gaan om zijn ouden vader op te zoeken. Laat hem dus eerst dáár wezen, en eenmaal te Perm zullen wij hem eene boodschap doen toekomen, een klein briefje, waarin hij wegens dringende redenen verzocht wordt ons een onderhoud toe te staan. Op die manier zult ge daar het voorrecht hebben van kennis met hem te maken.—Dus valt er op het oogenblik niets te doen?—Volstrekt niets, zeide Ortik. Zorgt gij maar dat ge een weinig vóór ons te Perm komt, zóó dat ge ons daar af kunt wachten.—Dat blijft afgesproken, antwoordde Rostof.De booswichten gingen hierna uiteen zonder dat iemand van hen vermoedde dat hun gesprek was afgeluisterd.Eenige oogenblikken nadat Kayette weder in den wagen was gegaan, kwamen ook Ortik en Kirschef daar terug. Zij hadden er niets van bemerkt dat iemand hen bespied had.Kayette kende dus nu het plan der onverlaten, en tegelijk waszij te weten gekomen dat Sergius, haar beschermer, graaf Narkine heette en dat zijn leven, evenals dat van al zijne reisgenooten, van de twee booswichten afhing. Stond hij niet een deel van zijn vermogen aan de roovers af, dan zouden zij hem verraden.Geheel van haar stuk gebracht door alles wat zij vernomen had, moest Kayette eenigen tijd nadenken vóór dat zij tot een vast plan komen kon. Zij was besloten Ortik’s voornemen te verijdelen, maar moest een middel bedenken om daarin te slagen. Zij bracht een slapeloozen nacht door met het beramen van allerlei plannen en twijfelde dikwijls nog of alles wat haar door het hoofd ging werkelijkheid en niet maar een benauwde droom was.Het was echter maar al te waar en zij behoefde daar niet langer aan te twijfelen, toen zij den volgenden ochtend, nadat het ontbijt afgeloopen was, Ortik tegen Cascabel hoorde zeggen:—Gij weet dat Kirschef en ik voornemens zijn geweest, zoodra wij het Oeral-gebergte overgetrokken waren, onzen eigen weg te gaan en ons rechtstreeks naar Riga te begeven. Maar bij nader inzien lijkt het ons beter dat wij ook naar Perm gaan en den gouverneur daar verzoeken ons de middelen te verschaffen om naar onze woonplaats terug te keeren. Hebt gij er niet tegen dat wij de reis met u voortzetten?—Met alle genoegen, mijne vrienden, was Cascabel’s antwoord. Als men zoo’n eind samen gereisd heeft, moet men niet vóór dat het noodig is uit elkander gaan, want het oogenblik van scheiden komt altijd nog te vroeg.
Het Oeral-gebergte is voor reizigers op zijn minst even belangwekkend als de Pyreneën of de Alpen. Het woord Oeral beteekent in het tartaarsch “gordel” en inderdaad is het een gordel die zich uitstrekt van de Kaspische tot de Noordelijke IJszee, over eene lengte van tweeduizend negenhonderd mijlen, een gordel met edelgesteenten ingelegd en met kostbare metalen, zooals goud, zilver en platina opgesierd. Deze gordel maakt de scheiding uit tusschen de twee werelddeelen Azië en Europa. Het is een uitgestrekt bergland, waarvan de wateren, welke bij het smelten der sneeuw op de hooge toppen ontstaan, in de rivieren de Oeral, de Kara, de Petchora, de Kama en nog een aantal kleinere stroomen wegvloeien. Het is een geweldige muur van graniet en basalt, die zijne punten en naalden opheft tot eene hoogte van tweeduizend driehonderd meters boven den zeespiegel.
—Dat zijn nu de echte “russische bergen”, merkte Cascabel gekscherende op. Maar men glijdt er niet van zelf af, even als van demontagnes russes, die ze op de kermissen en elders vertoonen.
Neen waarlijk niet, ze zouden er niet van zelf afglijden!
Een eerste bezwaar bij het trekken door het gebergte, was dat zij de stadjes en dorpjes,zavodijsgenaamd, niet zouden kunnen mijden, die er in grooten getale tusschen verspreid liggen en welke er ontstaan zijn door de vestiging, in vroeger jaren, van mijnwerkersdie bij het ontginnen der mijnen gebruikt werden. Cascabel koesterde echter nu niet zooveel vrees meer voor eene ontmoeting met politie- of militaire posten, want zijne papieren waren in orde. Daarom zou er dan ook geen bezwaar bestaan hebben om het Oeral-gebergte meer op het midden over te trekken, waar zij den fraaien straatweg van Jekaterinburg hadden kunnen volgen, welke een der drukst bezochte bergpaden is, en die hen in het gouvernement Jekaterinburg zou hebben doen aankomen. Maar Ortik had hen meer naar het Noorden geleid en nu konden zij niet beter doen dan den Petchora-pas volgen en van daar naar Perm zuidwaarts trekken.
Hier zouden zij den volgenden dag eenen aanvang mede maken.
Bij het aanbreken van den ochtend konden zij eerst terdege zien welk een ontzaglijk aantal wolven er geweest waren. Waren die in deSchoone Zwerfsterbinnengedrongen, geen twijfel of allen die zich daar bevonden zouden door de vraatlustige dieren zijn omgebracht.
Een vijftigtal wolven lagen ontzield op den grond. Ze behoorden tot de grootste soort, de gevaarlijkste vijanden der reizigers in de steppe. De anderen waren spoorloos verdwenen en hadden het op een loopen gezet alsof ze met een vlammend zwaard waren weggejaagd—eene vergelijking welke op dit geval volkomen van toepassing was. De twee in brand gestoken wolven werden op een honderdtal schreden buiten de open plek in het bosch gevonden.
Nu was er echter eene andere moeielijkheid. Hier aan den ingang van den Petchora-pas, was deSchoone Zwerfsterop grooten afstand van eenig bewoond oord, want op de oostelijke helling van het Oeral-gebergte worden geen dorpen aangetroffen.
—Wat moeten wij aanvangen, zeide Jan, nu onze trekdieren op den loop gegaan zijn?
—Waren zij alleen maar op den loop, antwoordde Cascabel, dan zouden wij ze misschien kunnen terugvinden. Maar naar alle waarschijnlijkheid zijn onze rendieren door de wolven verslonden.
—Arme beesten, zeide Napoleona, ik hield al evenveel van ze als van Vermout en Gladiator.
—Die zouden stellig ook door de wolven opgevreten zijn, als ze daarginder niet verdronken waren, voegde Sander er bij.
—Helaas ja, dat zou zeker gebeurd zijn, stemde Cascabel met een diepen zucht toe. Maar hoe komen wij nu aan een ander middel van vervoer?
—Ik zal mij naar het naastbij gelegen dorp begeven waar ik mij tot elken prijs paarden zal verschaffen, zeide Sergius. Als Ortik mede wil gaan om mij den weg te wijzen.....
Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz. 154.)Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz.154.)
Een vijftigtal wolven lag ontzield op den grond. (Zie blz.154.)
—Ik ben tot uwen dienst zoodra gij op weg wilt gaan, antwoordde Ortik.
—Ik geloof ook dat dit het beste is wat wij doen kunnen, hernam Cascabel.
Dat zou dan ook dienzelfden dag gebeurd zijn, maar tot aller verbazing zagen zij tegen een uur of acht twee van de rendieren uit het bosch weder te voorschijn komen.
Sander kreeg ze het eerst in het oog.
—Vader! vader! riep hij. Daar zijn ze! Ze komen terug!
—Levend en wel?
—Die twee zien er ten minste niet uit alsof ze opgegeten zijn, want ze loopen hierheen.
—Ten minste, merkte Kruidnagel op, als ze niet straks weer neervallen.
—O die lieve beesten, riep Napoleona, ik ga ze dadelijk goeden morgen zeggen.
De kleine meid sloeg hare armen om den hals van een der dieren en gaf het een zoen.
Twee rendieren zouden echter niet bij machte geweest zijn deSchoone Zwerfstertegen den berg op te trekken. Gelukkig kwamen er langzamerhand nog andere opdagen en binnen een uur waren er, van de twintig welke zij van de Liakhoff-eilanden medegenomen hadden, weer veertien bijeen.
—Hoera voor de rendieren! schreeuwde Sander opgewonden, maar de goede beesten trokken zich van zijne verrukking niet veel aan.
Er waren dus maar zes van de kudde verloren gegaan, die door de wolven overvallen waren voordat ze tijd gehad hadden zich los te rukken. De veertien anderen hadden het dadelijk op een loopen gezet, de wolven hadden ze niet kunnen inhalen en toen het gevaar voorbij was, waren de vluchtelingen bij instinct naar hun nachtkwartier teruggekeerd.
Men kan zich licht voorstellen welk eene blijdschap dit teweegbracht. Veertien rendieren waren genoeg om den tocht door den bergpas voort te zetten. Voor zoover hunne krachten te kort schoten op de steile hellingen, konden de mannen den wagen helpen voortduwen en de kans op een triomfantelijken intocht te Perm was dus nog niet geheel verkeken.
Het eenige wat Cascabel speet, was dat deSchoone Zwerfsterer niet meer zoo schitterend als vroeger uitzag. De wanden en paneelen van den wagen waren door de tanden en de klauwen der wolven vol krassen en scheuren gekomen, en reeds vóór dien tijdhad hij door weer en wind, en ten gevolge van allerlei ongevallen op de lange en avontuurlijke reis, zijnen glans bijna geheel verloren. Het mooie naambord der Cascabels was onder de sneeuwstormen zoo goed als onleesbaar geworden. Er zou heel wat geschilderd en gevernist moeten worden om deSchoone Zwerfsterharen naam weer waardig te maken en al het boenen en schrobben van Cornelia en Kruidnagel was niet in staat dit te verhelpen.
Te tien uur werden de rendieren voorgespannen en hervatten zij hunnen tocht. Het ging dadelijk vrij steil bergopwaarts en de mannen wandelden dus naast den wagen.
Het was mooi weder en hier in het bergland was ook de warmte niet hinderlijk. Telkens moest echter de wagen met kracht van schouders en armen voortgeholpen, of moesten de wielen, als die tot aan hunne assen in eene scheur gezakt waren, opgebeurd worden. Bij iederen scherpen hoek dien de weg maakte, moesten zij bij de hand zijn om te voorkomen dat deSchoone Zwerfsteraan den voor- of achterkant met de rotsen aan weerszijden in aanraking kwam.
De passen door het Oeral-gebergte zijn niet door menschenhand gemaakt, maar gebaand door de natuur zelve, ten einde aan het water, dat met vele bochten van de hoogte komt stroomen, eenen uitweg te verschaffen. Een riviertje, dat zich later in de Sosva stort, stroomt langs den pas, en laat op sommige plaatsen slechts een smal pad vrij, dat zigzagsgewijs naar boven gaat. Loodrecht rijst op die plekken de bergwand omhoog, die bekleed is met een gordijn van mos- en klimplanten, tusschen welke het grauwe gesteente zich echter duidelijk zien laat. Waar de wanden minder steil zijn, komen kleine vlakten voor, begroeid met pijn- en denneboomen, met berken en lorken, en met andere gewassen die in de noordelijke streken inheemsch zijn. In de verte, half verscholen te midden der wolken, vertoonen zich de besneeuwde bergtoppen, van waar het water afvloeit dat de beken en riviertjes doet ontstaan.
Op dezen eersten dag kwam de karavaan geen mensch tegen. De bergpas werd blijkbaar weinig bereisd, maar Ortik en Kirschef schenen er vrij goed bekend te wezen. Een paar keeren, op plaatsen waar verscheidene kloven samenliepen en de weg zich dus in verschillende richtingen splitste, schenen zij te aarzelen. Zij lieten den wagen dan een oogenblik stil houden en overlegden samen op fluisterenden toon, hetgeen niemands achterdocht kon wekken want er bestond niet de geringste reden om hen niet te vertrouwen.
Kayette alleen kon niet nalaten het oog op hen te houden, waar de twee russen echter niets van merkten. Zij bespeurde wel datbeiden nu en dan ter sluiks met elkander praatten of elkaar geheimzinnige blikken toewierpen. Dit alles versterkte haar in het wantrouwen dat zij onwillekeurig koesterde, maar de booswichten vermoedden dit volstrekt niet.
Tegen den avond was er aan den oever van het riviertje halt gemaakt en nadat de avondmaaltijd afgeloopen was, belastten Cascabel, Kruidnagel en Kirschef zich met de taak om gedurende den nacht de wacht te houden. Dit was noodzakelijk, maar het kostte hun toch moeite, na zulk een vermoeienden dag en na den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht hadden, opnieuw wakker te blijven.
Den volgenden ochtend werd de tocht voortgezet door den steeds steiler en nauwer wordenden bergpas. Het was dezelfde vermoeiende arbeid als den vorigen dag, en zij vorderden op dezen dagmarsch niet meer dan twee of drie mijlen. Dit viel hun echter niet bijzonder tegen, want zij hadden op eenig oponthoud gedurende hunnen tocht door het gebergte gerekend.
Verscheidene malen kwam het voor dat Sergius en Jan gelegenheid hadden een prachtig stuk wild, in de valleien en kloven welke in den pas uitkwamen, onder schot te krijgen. Dikwijls zagen zij de elanden, de herten en de hazen bij troepen voorbijrennen en Cornelia zou met een stuk versch gebraad niet weinig in haar schik geweest zijn; maar helaas, al het kruit en lood was op de wolven verschoten en vóor dat zij aan eene bewoonde plaats kwamen, was er geene gelegenheid om den voorraad aan te vullen. Er kon dus geen schot gedaan worden en het was grappig om te zien hoe verbaasd Wagram telkens zijnen baas aankeek, als wilde hij vragen:
—Hoe is het, wordt er in het geheel niet meer gejaagd?
Bij eene andere gelegenheid zouden zij hunne wapens nog beter hebben kunnen gebruiken.
Dat was tegen drie uur des middags, terwijl deSchoone Zwerfstertegen de steenachtige helling langzaam vooruitkwam. Aan den anderen kant van het riviertje liet zich op eens een groote beer zien, die door de honden met een woedend geblaf begroet werd. Het beest stond op zijne achterpooten overeind en schudde met zijn grooten kop, als dacht hij er over na wat dat voor eene vreemde vertooning was die hem in zijne eenzaamheid kwam storen.
Had hij kwade bedoelingen? Was het alleen uit nieuwsgierigheid, of kwam er schrokkigheid bij, dat hij de karavaan zoo nauwkeurig stond optenemen?
Jan had de honden tot zwijgen gebracht en hield ze vast, wanthet was geen zaak zulk een geduchten vijand, ongewapend als zij waren, noodeloos in het harnas te jagen. Het riviertje had hij gemakkelijk kunnen overkomen, en het was veiliger hem geen aanleiding te geven om de plek te verlaten waar hij zich bevond.
De twee partijen keken elkaar dus rustig aan doch lieten elkander ongemoeid, even als twee reizigers wier pad zich kruist. Echter kon Cascabel niet nalaten te zeggen:
—Hoe jammer dat wij dezen bruinen vriend uit het Oeral-gebergte niet mêe kunnen nemen! Wat zou hij een prachtig figuur bij den troep maken!
Er was echter geen gelegenheid om den beer een engagement in den troep aantebieden. Het beest gaf trouwens blijkbaar aan zijn zwervend bestaan in de bosschen de voorkeur boven het reizen op kermissen. Hij schudde nog een paar keer zijn grooten kop en verdween toen op een drafje tusschen de boomen.
Sander kon hem zóó niet laten gaan en nam onderdanig zijn hoed voor hem af, maar Jan zou hem vrij wat liever een geweerkogel achterna gestuurd hebben.
Tegen zes uur ’s avonds werd er ongeveer onder dezelfde omstandigheden als den vorigen avond halt gehouden. Den volgenden ochtend werd de bezwaarlijke tocht te vijf uur hervat. Het ging op dezelfde manier voort: veel vermoeienis maar geen ongelukken.
Zij hadden nu echter het ergste achter den rug, want zij waren met deSchoone Zwerfsterop het hoogste punt gekomen, daar waar de pas den bergketen snijdt. Van hier af ging het bijna voortdurend naar beneden, altijd in westelijke richting, tot dat zij aan den kant van Europa in de vlakte zouden aanlanden.
Dit was op den avond van den 6denJuli. De trekbeesten waren dood-af en konden niet verder. Er werd halt gehouden aan den ingang eener bochtige kloof, die ter rechterzijde door een dicht woud begrensd werd.
Het was den geheelen dag drukkend warm geweest. In het Oosten hing eene dikke wolkenmassa, aan den benedenkant als met een mes afgesneden, wier donkere tint scherp afstak tegen eene lichtgrijze streep aan den gezichteinder.
—Het ziet er uit alsof wij onweder zullen krijgen, merkte Jan op.
—Dat is onpleizierig genoeg, antwoordde Ortik, want hier in het Oeral-gebergte valt er met de onweders niet te spotten.
—Welnu, dan moeten wij ergens zien te schuilen, zeide Cascabel. Ik ben minder bang voor een onweder dan voor wolven.
—Kayette, vroeg Napoleona aan het Indiaansche meisje, zijt ge bang voor den donder?
De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz. 159.)De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz.159.)
De beer schudde nog een paar keer zijn grooten kop. (Zie blz.159.)
—Wel neen, meidlief, antwoordde Kayette.
—Daar heeft Kayette groot gelijk in, zeide Jan. Het is dwaas, daar bang voor te zijn.
—Je hebt goed praten, hernam Napoleona terwijl zij hare schouders ophaalde. Wat zal men er aan doen als men bang is?
—Kijk zoo’n bange meid eens! riep Sander. Maar uilskuiken, er is niets geen verschil tusschen het rollen van den donder en dat van de ballen bij het kegelen.
—Jawel, maar het lijken wel ballen van vuur, die u naar het hoofd geslingerd worden, zeide het kind en kneep hare oogen toe voor een fellen bliksemstraal.
Zoo haastig mogelijk werd alles voor den nacht in gereedheid gebracht, zoodat zij vóór dat het begon te stortregenen allen onder dak waren. Toen de avondmaaltijd afgeloopen was, werd er afgesproken dat de mannen, evenals in de voorafgaande nachten, om beurten de wacht zouden houden.
Sergius wilde de eerste wacht doen, maar Ortik kwam hem voor door te vragen:
—Vindt gij het goed dat wij samen, Kirschef en ik, dezen nacht beginnen?
—Zooals gij wilt, antwoordde Sergius. Te middernacht zullen Jan en ik u komen aflossen.
—Dat is dus afgesproken, mijnheer Sergius, zeide Ortik.
Hier scheen niets achter te kunnen steken, maar toch vertrouwde Kayette de zaak niet. Zonder zich van haar vermoeden rekenschap te kunnen geven, was het haar alsof de twee matrozen iets kwaads in den zin hadden.
Het onweder was nu in volle hevigheid losgebarsten. Tusschen het bladerendak der boomen lichtte ieder oogenblik de bliksem; hoog boven hunne hoofden ratelde de donder, die door de bergwanden in alle richtingen honderdvoudig herhaald werd.
Napoleona was reeds in haar bed gekropen en stopte hare oogen en ooren onder de lakens. Ieder volgde spoedig haar voorbeeld en tegen negen uur verkeerde alles in deSchoone Zwerfsterin diepe rust, ondanks het geraas der donderslagen en het gehuil van den storm.
Kayette kon echter den slaap niet vatten. Zij had zich niet uitgekleed en ofschoon zij zeer moede was, bleef zij wakker liggen. De gedachte dat hun aller veiligheid was toevertrouwd aan die twee russen, liet haar geen oogenblik met rust. Na zich een uur lang slapeloos op haar bed te hebben rondgewenteld, besloot zij zich te overtuigen wat die twee uitvoerden. Zij lichtte het gordijntjevan het raampje boven hare slaapplaats op en keek bij het licht der bliksemstralen naar buiten.
Zij zag dat Ortik en Kirschef samen stonden te praten. Op eens hielden zij echter stil en deden een pas of wat in de richting van de kloof, waar op dit oogenblik een man zich tusschen de boomen vertoonde.
Ortik gaf door een teeken den onbekende te verstaan dat hij niet dichter bij moest komen om de honden niet wakker te maken. Dat Wagram en Marengo niet reeds aangeslagen hadden, kwam door dat zij binnen deSchoone Zwerfstervoor het noodweder waren komen schuilen.
Ortik en Kirschef gingen den vreemdeling tegemoet en wisselden eenige woorden met hem. Toen zag Kayette dat zij met hun drieën onder de boomen verder gingen.
Wat kon dat voor een kerel zijn? Wat hadden de twee matrozen met hem te bepraten? Tot elken prijs wilde Kayette daar achter komen.
Het meisje liet zich uit hare slaapplaats glijden, zachtkens, zoodat niemand er wakker van werd. Op het oogenblik toen zij voorbij Jan kwam, hoorde zij hem haren naam noemen.
Zou hij haar gezien hebben?
Neen, hij droomde.... hij droomde van Kayette!
Zij sloop naar de deur, opende die en sloot haar zachtkens achter zich toe, steeds zorg dragende dat zij geen leven maakte.
Eenmaal buiten zijnde scheen zij te aarzelen, maar het duurde slechts een oogenblik.
—Komaan! zeide zij halfluid.
Hare vrees had niet langer dan eene sekonde geduurd. Zij wist dat zij haar leven op het spel zette, dat de twee booswichten haar niet zouden sparen indien zij bespeurden dat zij bespied werden. Maar zij was moedig en vastberaden.
Kayette sloop voort tusschen de boomen, waaronder het donker was zoo lang een bliksemstraal niet alles met een rossen gloed overgoot. Zij liep gebukt voort onder het kreupelhout en tusschen het hooge gras, totdat zij achter den stam van een zwaren lorkeboom bleef staan. Een twintigtal schreden van zich af hoorde zij eenige mannen praten.
Zij waren met hun zevenen. Ortik en Kirschef voegden zich juist bij hen. Zij stonden in een troepje bij elkaar onder de boomen.
Het gesprek werd in het russisch gevoerd. Kayette had dus geen moeite om alles wat zij zeiden te verstaan.
Zij waren met hun zevenen. (Zie blz 162.)Zij waren met hun zevenen. (Zie blz162.)
Zij waren met hun zevenen. (Zie blz162.)
—Het doet mij pleizier, begon Ortik, dat ik den Petchora-pasde voorkeur gegeven heb. Ik dacht wel dat ik hier kennissen vinden zou. Niet waar Rostof?
Rostof was de kerel, dien Kayette het eerst in de nabijheid van den wagen gezien had.
—Sedert twee dagen volgen wij den wagen, antwoordde Rostof, maar wij passen op dat niemand ons in het oog krijgt. Wij hebben u en Kirschef terstond herkend en dachten dus wel dat er een goede slag te slaan zou zijn.
—Eén zeker, zeide Ortik, en misschien wel twee.
—Maar waar komt gij van daan? vroeg Rostof.
—Uit het hartje van Amerika, waar wij een heelen tijd bij de bende van Karnof geweest zijn.
—Wat zijn dat voor lieden daar gij nu bij zijt?
—Dat zijn fransche kunstenmakers, eene zekere familie Cascabel die op reis is naar Europa. Wij zullen u later wel alles vertellen wat wij ondervonden hebben. Thans is er geen tijd om veel te praten.
—Is er geld in den wagen? vroeg een van de andere roovers.
—Nog twee- of drieduizend roebels ongeveer.
—Waarom hebt gij nog geen hartelijk afscheid van die brave menschen genomen? vroeg Rostof op spottenden toon.
—Daar hadden wij goede redenen voor, want er valt nog vrij wat meer te verdienen dan dit armzalige sommetje. Maar om dàt te kunnen doen, hebben wij hulp noodig.
—Wat is dat voor een buitenkansje?
—Dat zal ik u zeggen, vrienden, hernam Ortik. Dat Kirschef en ik zonder bezwaar door Siberië heengetrokken en hier op de russische grens gekomen zijn, hebben wij aan die Cascabels te danken. Maar er is nog iemand in het gezelschap die hetzelfde gedaan heeft, wel wetende dat geen sterveling hem onder eenen troep koorddansers zou zoeken. Dat is een rus, wien het evenmin als ons vergund is in zijn land terug te komen, maar om andere redenen, want het is een staatkundige veroordeelde van voorname familie, een schatrijk heer. Cascabel en zijne vrouw zijn de eenigen die weten wie hij is, maar wij tweeën zijn er ook achter gekomen.
—Hoe hebt gij dat ontdekt?
—Op eenen avond te Mouji, waar wij een gesprek tusschen Cascabel en den rus hebben afgeluisterd.
—Wie is het dan eigenlijk?
—Mijnheer Sergius wordt hij door ieder genoemd, maar hij heet graaf Narkine. Wordt hij op russisch grondgebied ontdekt, dan kan het hem zijn leven kosten.
—Wacht even, zeide Rostof. Die graaf Narkine, kan dat niet een zoon zijn van Prins Narkine, die een jaar of wat geleden naar Siberië verbannen en van daar ontvlucht is? Dat geval heeft destijds een heele opschudding gemaakt.
—Diezelfde is het, bevestigde Ortik. Welnu, die graaf Narkine heeft, behalve zijn leven, heel wat millioenen voor het verliezen en hij zal er ons wel één van willen afstaan als dat het eenige middel is om niet aan de politie verklapt te worden.
—Dat is niet kwaad bedacht, Ortik. Maar waartoe hebt gij onze hulp noodig om dat plan ten uitvoer te brengen?
—Omdat het noodzakelijk is, dat Kirschef en ik ons niet in die geschiedenis van Sergius mengen, wanneer wij, indien dit plan mislukken mocht, nog eenige kans willen overhouden om den anderen slag te slaan. Teneinde ons van het geld en van den reiswagen der Cascabel’s, met alles wat daar in is, te kunnen meester maken, moeten zij niet beter weten of wij zijn twee russische schipbreukelingen, die aan hen hunne redding te danken hebben. Wij willen dus den heelen troep naar de andere wereld helpen. Daarna kunnen wij veilig overal heentrekken waar wij willen, zonder dat de politie vermoeden kan dat wij iets anders zijn dan reizende kunstenmakers.
—Vindt gij het goed, Ortik, dat wij nog dezen nacht den wagen overvallen en ons van graaf Narkine meester maken om hem te doen weten op welke voorwaarden wij hem hier in Rusland met rust willen laten?
—Geduld wat! antwoordde Ortik, Graaf Narkine is van plan naar Perm te gaan om zijn ouden vader op te zoeken. Laat hem dus eerst dáár wezen, en eenmaal te Perm zullen wij hem eene boodschap doen toekomen, een klein briefje, waarin hij wegens dringende redenen verzocht wordt ons een onderhoud toe te staan. Op die manier zult ge daar het voorrecht hebben van kennis met hem te maken.
—Dus valt er op het oogenblik niets te doen?
—Volstrekt niets, zeide Ortik. Zorgt gij maar dat ge een weinig vóór ons te Perm komt, zóó dat ge ons daar af kunt wachten.
—Dat blijft afgesproken, antwoordde Rostof.
De booswichten gingen hierna uiteen zonder dat iemand van hen vermoedde dat hun gesprek was afgeluisterd.
Eenige oogenblikken nadat Kayette weder in den wagen was gegaan, kwamen ook Ortik en Kirschef daar terug. Zij hadden er niets van bemerkt dat iemand hen bespied had.
Kayette kende dus nu het plan der onverlaten, en tegelijk waszij te weten gekomen dat Sergius, haar beschermer, graaf Narkine heette en dat zijn leven, evenals dat van al zijne reisgenooten, van de twee booswichten afhing. Stond hij niet een deel van zijn vermogen aan de roovers af, dan zouden zij hem verraden.
Geheel van haar stuk gebracht door alles wat zij vernomen had, moest Kayette eenigen tijd nadenken vóór dat zij tot een vast plan komen kon. Zij was besloten Ortik’s voornemen te verijdelen, maar moest een middel bedenken om daarin te slagen. Zij bracht een slapeloozen nacht door met het beramen van allerlei plannen en twijfelde dikwijls nog of alles wat haar door het hoofd ging werkelijkheid en niet maar een benauwde droom was.
Het was echter maar al te waar en zij behoefde daar niet langer aan te twijfelen, toen zij den volgenden ochtend, nadat het ontbijt afgeloopen was, Ortik tegen Cascabel hoorde zeggen:
—Gij weet dat Kirschef en ik voornemens zijn geweest, zoodra wij het Oeral-gebergte overgetrokken waren, onzen eigen weg te gaan en ons rechtstreeks naar Riga te begeven. Maar bij nader inzien lijkt het ons beter dat wij ook naar Perm gaan en den gouverneur daar verzoeken ons de middelen te verschaffen om naar onze woonplaats terug te keeren. Hebt gij er niet tegen dat wij de reis met u voortzetten?
—Met alle genoegen, mijne vrienden, was Cascabel’s antwoord. Als men zoo’n eind samen gereisd heeft, moet men niet vóór dat het noodig is uit elkander gaan, want het oogenblik van scheiden komt altijd nog te vroeg.
XII.Einde van de reis, maar niet van de geschiedenis.Op hetzelfde oogenblik dus, dat graaf Narkine en de familie Cascabel hun lange en gevaarvolle reis achter den rug hadden, en zij van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen dachten uit te rusten, dreigde een verraderlijk komplot hen met grooter gevaren dan ooit te voren. Nog een paar dagen en zij zouden het Oeral-gebergte over zijn. Dan nog een honderdtal mijlen in zuidwestelijke richting door eene vlakke streek, en deSchoone Zwerfsterzou te Perm aankomen.Wij weten dat Cascabel voornemens was in die stad eenige dagen te vertoeven, teneinde het Sergius gemakkelijk te maken om iederen nacht naar het slot Walska te gaan, zonder dat hij gevaar liep door iemand herkend te worden. Naarmate van de omstandigheden, kon hij dan bij prins Narkine blijven of met deSchoone Zwerfsterverder gaan naar Nisjni, of misschien heelemaal naar Frankrijk.Besloot hij echter te Perm te blijven, dan zou het oogenblik daar zijn om afscheid te nemen van Kayette, want die zou hij zeker niet van zich laten gaan.Deze gedachte vervolgde Jan en zij maakte hem iederen dag meer bedroefd en terneergeslagen. Zijne ouders, zijn broeder en zijn zusje bemerkten zijn verdriet en deelden het van harte. Niemand hunner kon er aan denken dat zij Kayette zouden moeten achterlaten.Dien ochtend was Jan mismoediger dan ooit. Hij zocht het Indiaansche meisje op en vond dat zij er slecht uitzag, een natuurlijk gevolg van den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht had.—Scheelt er iets aan Kayette? vroeg hij.—Neen Jan, antwoordde zij, ik ben heel wel.—Dat is zeker niet waar. Ge ziet er uit of ge niet geslapen hebt. Of hebt ge geschreid, Kayette-lief?—Och dat komt van dat onweder van gisteren. Ik heb werkelijk van nacht niet best geslapen.—Onze lange reis valt u misschien te zwaar?—Mij Jan? Wel neen, ik ben immers sterk genoeg en aan allerlei ontberingen van mijne jeugd af gewend. Het zal wel weer overgaan.—Er is toch iets niet goed met u Kayette, dat zie ik wel! Ik bid u, zeg mij wat het is?—Ik mankeer niets, Jan.Jan meende nu niet verder aan te mogen dringen.Toen zij zag hoe ongerust de arme jongen zich maakte, was Kayette op het punt hem alles te zeggen. Zij kon het bijna niet uitstaan dat zij iets voor hem geheim moest houden. Maar hij was driftig en onverschrokken van aard, zoodat het niet zeker was dat hij zich in tegenwoordigheid van Ortik en Kirschef zou kunnen inhouden. De minste onvoorzichtigheid kon voor graaf Narkine een groot gevaar doen ontstaan, zoodat Kayette het beter vond alles voor zich te houden.Na over alles goed nagedacht te hebben, besloot zij Cesar Cascabel zelven te vertellen wat zij vernomen had. Hiertoe was het echter noodig dat zij hem alleen te spreken kon krijgen en zoolang zij nog niet uit den bergpas waren, ging dit niet gemakkelijk want de twee russen mochten er niets van merken.Oogenblikkelijke haast bestond er trouwens niet, want de booswichten waren niet van plan iets te beginnen vóór dat onze reizigers te Perm waren aangekomen. Zoo lang Cascabel en de andere reisgenooten hen op denzelfden voet bleven behandelen, konden zij niet vermoeden dat er iemand iets van hunne plannen wist. Toen Sergius vernam dat Ortik en Kirschef voornemens waren den tocht tot Perm mede te maken, had hij hun niet onduidelijk te kennen gegeven dat hem dit genoegen deed.Te zes uur ’s morgens van den 7denjuli stelde deSchoone Zwerfsterzich weer in beweging. Een uur daarna kwamen zij aan de bronnen uit welke de Petchora ontspringt, naar welke rivier deze bergpas haren naam draagt. Zoodra zij buiten het gebergte treedt,zwelt zij gaandeweg tot eene van de aanzienlijkste rivieren in noordelijk Rusland. Na eenen loop van dertienhonderd vijftig kilometer, stort zij zich in de Noordelijke IJszee.Op de hoogte waar zij zich bevonden was de Petchora echter nog maar een wilde bergstroom, die door een rotsachtig bed, langs denne-, berke- en lorkebosschen, zich den weg naar beneden baant. Zij hadden slechts den linkeroever te houden om van zelf het einde van den pas te bereiken, en wanneer zij een weinig voorzichtigheid gebruikten op de steilste hellingen, kon het dalen geen bijzondere moeielijkheid meer opleveren.Dien dag kon Kayette geen gelegenheid vinden om Cascabel onder vier oogen te spreken. Zooveel zij na kon gaan hielden de twee russen thans geen afzonderlijke gesprekken meer en verwijderden zij zich niet meer onder een of ander voorwendsel wanneer er rust gehouden werd. Het was duidelijk dat zij niets meer af te spreken hadden, dat hunne medeplichtigen reeds vooruit waren en zij er op rekenden elkander te Perm weder te zullen ontmoeten.Den volgenden dag maakten zij een flinken marsch. De weg werd gaandeweg breeder en gemakkelijker te berijden. Tusschen de steile oevers hoorden zij de Petchora in de diepte over hare steenen bedding bruischen. De bergpas werd minder wild en minder verlaten; zij kwamen enkele marskramers tegen, op reis naar Siberië, met hunne koopwaar op den rug en eenen met ijzer beslagen stok in de hand. Zij ontmoetten ook troepjes mijnwerkers, die uit de mijnen kwamen of er heen gingen, en wisselden eenen groet met deze lieden. Aan het einde eener vallei zagen zij hier en daar eene boerenwoning of een gehucht van enkele huizen. De hooge toppen van de Denejkin- en de Kontchakov-bergen vertoonden zich in het Zuiden.Na een rustigen nacht kwam deSchoone Zwerfstertegen den middag aan het uiteinde van den Petchora-pas. Eindelijk had dus onze karavaan het doel van haren tocht bereikt en bevond zij zich in Europa.Nog driehonderdvijftig wersten, niet meer dan een honderdtal mijlen, en de stad Perm zou—zooals Cascabel zeide—“een huis en een gezin méér binnen hare muren bevatten”.—Oef! voegde hij er met een zucht van verlichting bij, ik ben toch blij dat wij dat reisje achter den rug hebben! Heb ik nu geen gelijk gehad? Wij zien alweder dat alle wegen naar Rome leiden. Wij zijn aan den verkeerden kant in Europa gekomen, dat is al. Maar wat komt het er op aan? Nog eene korte poos en wij zijn in Frankrijk!Het scheelde niet veel of de levenslustige man had staande gehouden dat hij de Normandische lucht al inademde en hij aan den voet van het Oeral-gebergte, de zeelucht reeds begon te ruiken.Aan het einde van den bergpas stond een dorpje van een vijftigtal huizen en een honderd of wat inwoners.Zij besloten hier tot den volgenden dag te blijven en er hunnen voorraad meel, vet, thee en suiker aan te vullen.Sergius en Jan maakten ook terstond van de gelegenheid gebruik om kruit en lood en andere benoodigdheden voor de vuurwapens aanteschaffen.Zoodra zij hierin geslaagd waren, gingen zij op weg.—Vooruit vriend Jan! riep Sergius. Er zal hier wel iets te jagen vallen en wij zullen niet platzak thuis komen.—Zooals gij wilt, antwoordde Jan, meer omdat het hem gevraagd werd dan uit eigen liefhebberij.De arme jongen had geene gedachte voor iets anders dan voor de op handen zijnde scheiding. Hij had nergens lust in.—Gaat gij met ons mede, Ortik? vroeg Sergius.—Gaarne, antwoordde de matroos.—Als gij uw best doet om wat goeds medetebrengen, riep moeder Cascabel hen na, dan zal ik voor een lekker maal zorgen.Het was pas twee uren en de jagers hadden dus nog een goeden dag vóór zich. Het gehucht lag omringd van wouden en uitgestrekte vlakten, en het zou wel een wonder zijn als er hier niet een goed jachtveld te vinden was.Sergius, Jan en Ortik verwijderden zich. Kirschef en Kruidnagel waren met de rendieren bezig. De beesten moesten in een weiland onder de boomen gebracht worden, waar zij konden grazen en uitrusten.Cornelia was intusschen in den wagen gegaan, waar altijd het een of ander schoontemaken viel. De anderen hoorden haar roepen:—Napoleona, waar zit ge?—Hier ben ik, moeder.—Is Kayette daar ook?—Ik zal dadelijk komen, juffrouw Cascabel.Dat was echter eene gelegenheid die zij niet voorbij wilde laten gaan om met Cascabel ongestoord te kunnen praten.—Mijnheer Cascabel, begon zij.....—Wat is er Kwakkeltje?—Ik zou u gaarne eens willen spreken.—Wel zoo. Nu spreek maar op!—Ja maar, heel in vertrouwen......De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz. 170.)De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz.170.)—Zoo, is het zulk een geheim?—Wat zou het Kwakkeltje willen? dacht Cesar bij zich zelf, Zou zij mij misschien iets te zeggen hebben over mijn armen Jan?Zij gingen samen een klein eind buiten het dorp, terwijl Cornelia in den wagen aan het werk toog.—Welnu meisjelief, begon Cascabel weder, wat hebt gij mij te vertellen en wat is er voor een verschrikkelijk geheim?—Mijnheer Cascabel, antwoordde Kayette, sedert drie dagen wilde ik een gesprek met u hebben, maar niemand mocht ons kunnen beluisteren of zelfs er iets van merken.—Het is dus iets heel gewichtigs dat gij mij hebt medetedeelen?—Mijnheer Cascabel, ik weet dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.—Wat zegt ge daar? Graaf Narkine? Wel zoo, en hoe zijt ge daar achter gekomen?—Ik heb het gehoord van lieden die u beluisterd hebben toen ge met mijnheer Sergius te Mouji op eenen avond in gesprek waart.—Is het mogelijk!—Die lieden heb ik op mijne beurt beluisterd terwijl zij samen over graaf Narkine aan ’t praten waren. Maar zij weten daar niets van.—Wie waren dat dan?—Ortik en Kirschef.—Zoo! Weten die het dus ook?—Ja mijnheer Cascabel, zij zijn van alles op de hoogte. Zij weten dat mijnheer Sergius een staatkundig veroordeelde is, die in het geheim naar Rusland terugkeert om zijnen vader, prins Narkine optezoeken.Cascabel stond, vreemd te kijken over hetgeen Kayette hem vertelde. Een tijdlang bleef hij sprakeloos, maar na eene poos nagedacht te hebben, hernam hij:—Het spijt mij wel dat Ortik en Kirschef dit geheim ontdekt hebben, maar nu zij er bij toeval achter gekomen zijn, zullen zij het zeker niet verklappen.—Zij zijn het niet bij toeval te weten gekomen, antwoordde Kayette, en zijn stellig voornemens het te verklappen.—Dat geloof ik niet. Het zijn een paar brave zeelui!—Mijnheer Cascabel, begon het meisje weder, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar.—Wat zegt ge daar?Mijnheer Cascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz. 172.)MijnheerCascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz.172.)—Ortik en Kirschef zijn twee boosdoeners, die bij de rooversbende van Karnof in Amerika geweest zijn. Zij beiden hebben graaf Narkine op de Alaskische grens reeds naar het leven gestaan. Toen ditmislukt was, zijn zij te Port-Clarence scheep gegaan om naar de Siberische kust overtesteken, maar op de Liakhoff-eilanden terecht gekomen, waar wij hen aangetroffen hebben. Zij weten dat graaf Narkine zijn leven op het spel zet door in Rusland terug te komen; zij willen hem dus een gedeelte van zijn fortuin afpersen, en als hij weigert, verraden zij hem. Gebeurt dat, dan is mijnheer Sergius verloren en gij zelf misschien ook!Cascabel was niet in staat een woord uittebrengen. Kayette vertelde hem nu uitvoerig hoe het kwam dat zij de twee matrozen van den aanvang af niet goed vertrouwd had. Zij had de stem van Kirschef wel degelijk méér gehoord; thans herinnerde zij het zich, het was dien nacht op de grens van Alaska, toen de twee roovers graaf Narkine en zijnen bediende overvielen, zonder toen nog te weten dat hij een russisch edelman was, die in Amerika eene schuilplaats gezocht had. Nu echter, een nacht of wat geleden, had Kayette hen beide, terwijl zij samen de wacht hielden bij den wagen, met een vreemden man zien heengaan. Zij was hen nageloopen en had het gesprek, dat zij met zeven hunner vroegere makkers voerden, afgeluisterd. Zij was nu op de hoogte van alles wat Ortik in zijn schild voerde. Hij had met opzet deSchoone Zwerfsterdoor den Petchora-pas geleid omdat hij overtuigd was daar andere bandieten te zullen aantreffen, en hij zou er niet tegen opgezien hebben mijnheer Sergius en de geheele familie Cascabel te vermoorden. Maar sedert hij vernomen had dat mijnheer Sergius niemand anders was dan graaf Narkine, had hij begrepen dat het voordeeliger zou zijn hem te dwingen om eene groote som gelds te betalen, teneinde niet aan de russische politie te worden verraden. Daarmede wilde Ortik echter wachten tot zij te Perm zouden zijn; hij noch Kirschef zouden zich met de zaak bemoeien teneinde hunne handen geheel vrij te hebben indien dit plan mislukken mocht. De andere roovers zouden mijnheer Sergius schriftelijk doen weten dat zij hem voor dringende zaken noodzakelijk spreken moesten.Het kostte Cascabel niet weinig moeite zijne verontwaardiging te bedwingen terwijl Kayette dit verhaal deed. Zulke schavuiten, die hij op allerlei manieren geholpen, die hij uit de handen der wilden verlost, te eten gegeven en in hun land gebracht had! Nu, dat was een mooi paar onderdanen dat hij zijne majesteit den Czaar terug kwam brengen! Waren het nog engelschen geweest! Een paar gauwdieven meer of minder kwamen er voor Engeland niet op aan. Zulke ellendelingen! zulke gemeene bedriegers!—Maar wat denkt gij nu te beginnen, mijnheer Cascabel? vroeg Kayette.—Wat ik beginnen ga, Kwakkeltje? Wel, dat is heel eenvoudig. Bij de eerste kozakkenpost de beste die wij tegenkomen, vertel ik wie Ortik en Kirschef zijn, en dan worden ze allebei opgehangen.—Gij zult u nog wel eens bedenken, mijnheer Cascabel, hernam het meisje. Dat zult gij zeker niet doen.—En waarom niet?—Omdat Ortik en Kirschef dan dadelijk graaf Narkine zullen verraden, en meteen degenen die hem behulpzaam zijn geweest om naar Rusland terugtekeeren, aan de politie zullen overleveren.—Wat ons aangaat, wat kan mij dat schelen? riep Cascabel uit. Als het ons alleen betrof! Maar met mijnheer Sergius is het een ander geval. Gij hebt gelijk Kayette, wij moeten iets anders bedenken.Hij was zeer opgewonden en blijkbaar niet dadelijk in staat zijn gedachten te verzamelen. Hij liep eenige oogenblikken op en neder en sloeg zich voor het hoofd om er een plan uit te halen. Toen bleef hij weder voor Kayette staan.—Hebt gij mij niet gezegd, vroeg hij, dat het Ortik’s plan was te wachten tot wij te Perm zijn en daar met die andere schurken te handelen?—Ja mijnheer Cascabel, hij heeft hun uitdrukkelijk aanbevolen, vóór dien tijd niets te ondernemen.—Dat is een hard geval, barstte Cascabel uit, een heel hard geval! Met zulke schavuiten samen te moeten reizen tot Perm toe, met hen te moeten praten en een vriendelijk gezicht tegen hen te moeten zetten! De duivel mag mij halen als ik geen lust heb hen bij den kraag te pakken en hen te pletter te slaan... zoo!... zoo!En met zijne krachtige handen zwaaide hij en sloeg die op elkaar, alsof hij Ortik en Kirschef te pakken had en hen tegen elkaar sloeg, als de bekkens op eene turksche trom.—Gij moet toch doen alsof gij er niets van weet, mijnheer Cascabel, hernam Kayette, en hen niets laten merken.—Zeker, zeker meisje.—Alleen zou ik willen weten of gij het raadzaam acht, mijnheer Sergius op de hoogte te brengen?—Dat geloof ik niet, antwoordde Cascabel. Het lijkt mij verstandiger als wij alles vóór ons houden, want wat zou mijnheer Sergius er aan kunnen doen? Het is mijn plicht voor zijne veiligheid te waken en dat zal ik doen ook. Bovendien weet ik vooruit waar hij het eerst op bedacht zou zijn. Uit vrees van ons aan grooter gevaren bloot te stellen, zou hij in staat wezen terstond zijn eigen weg te gaan en ons alleen te laten trekken. In dat geval ware hijnaar alle waarschijnlijkheid verloren en wij moeten er hem dus in het geheel niet over spreken.—Maar zult gij Jan er ook niets van zeggen?—Waar denkt gij aan Kayette? Jan is veel te driftig, hij zou zich in tegenwoordigheid van die twee gemeene schurken geen oogenblik in kunnen houden. Hij is niet zoo’n bedaarde man als zijn vader en hij zou bij de eerste gelegenheid de beste laten merken dat hij alles wist. Neen, Jan mag er evenmin iets van weten als mijnheer Sergius.—En juffrouw Cascabel? Moet die ook niet op de hoogte gebracht worden? vroeg Kayette weder.—Cornelia? Ja, dat is heel iets anders. Dat is eene heel bijzondere vrouw: die is altijd in staat om een goeden raad te geven en als het er op aankomt, ook een stevige hand uit te steken. Voor haar heb ik nog nooit iets geheim gehouden en bovendien weet zij even goed als ik dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.—Juffrouw Cascabel moet het dus weten?—Ja, met haar zal ik alles overleggen. Aan eene vrouw als zij kan men het gewichtigste staatsgeheim toevertrouwen. Zij zou het niet verklappen al dreigden zij haar hare tong aftesnijden en dat is toch wel het ergste wat eene vrouw kan overkomen! Zeker, zeker, ik zal er met haar over praten.—Laat ons dan nu naar deSchoone Zwerfsterterugkeeren, hernam Kayette. Niemand mag er iets van merken dat wij samen gesproken hebben.—Ge hebt volkomen gelijk, Kwakkeltje, ge hebt gelijk, zooals altijd.—Maar mijnheer Cascabel, pas vooral op dat ge aan Ortik en aan Kirschef niets merken laat....—Dat zal niet gemakkelijk gaan, maar wees maar niet ongerust, ik zal hen honing om den mond smeren. Zulke bandieten! Het is toch wat te zeggen, dat wij nog zoo’n tijd met hen in aanraking moeten blijven! Dat is dus de reden waarom zij mij verteld hebben dat zij ons de eer zullen aandoen van met ons mede te reizen tot Perm, en dat zij eerst van daar den tocht naar Riga zullen aanvangen. Zulke smeerlappen! De ergste schavuiten die er ooit geweest zijn, konden zich niet gemeener aanstellen!Deze gedachte maakte Cascabel zóó woedend, dat hij al de boosdoeners, die hij in zijn leven ooit had hooren noemen, begon op te tellen: Papavoine, Lacenaire, Tropmann......—Maar mijnheer Cascabel, viel Kayette hem in de rede, als dàt nu de manier is om u in bedwang te houden.....—Neen, neen, Kwakkeltje, wees maar niet bang. Dat heeft mijlucht gegeven, want ik zou er anders in gestikt zijn. Ik had een gevoel alsof ik gewurgd werd, maar nu zal ik kalm worden. Ik ben al bedaard. Laat ons nu naar deSchoone Zwerfsterteruggaan. Zulke hondsvotten!Zij keerden samen naar het dorp terug, maar praatten verder over niets. Er was dan ook stof genoeg om eene poos over na te denken. Dat zulk eene wonderbaarlijke reis als zij gedaan hadden, nu die zoo goed als afgeloopen was, nog mislukken moest door zulk eene onvoorziene teleurstelling!Zij waren al in de nabijheid van den wagen, toen Cascabel staan bleef.—Zeg eens, Kayette, begon hij.—Wat is er, mijnheer Cascabel.—Alles wel beschouwd, zal ik Cornelia toch ook niets vertellen.—Waarom niet?—Ja, hoe zal ik u dat uitleggen? Ziet ge, ik heb in het algemeen opgemerkt dat eene vrouw het best in staat is een geheim voor zich te houden als zij er in het geheel niets van weet. Daarom moet alles maar tusschen ons tweeën blijven.Kayette begaf zich naar binnen om moeder Cascabel in het huishouden te helpen. Zij kwamen Kirschef voorbij en Cesar knikte hem vriendschappelijk toe, maar bij zichzelf dacht hij:—Wat heeft die kerel een schelmengezicht!Twee uren later kwamen de jagers terug en nu was de beurt aan Ortik, die met een prachtig hert op zijne schouders kwam aandragen, om in de hartelijkste bewoordingen door Cascabel welkom geheeten te worden.Sergius en Jan hadden bovendien nog twee hazen en eenige koppels patrijzen geschoten, zoodat Cornelia in staat was een waar feestmaal aan te richten, waar haar echtgenoot zich terdege aan te goed deed. Die man was inderdaad ondoorgrondelijk. Hij liet niets merken van hetgeen er in hem omging en het was hem in het geheel niet aan te zien dat hij wist dat er twee moordenaars met hem aan tafel zaten, twee spitsboeven die niets minder in hun schild voerden dan hem en zijn geheele gezin te vermoorden. Hij was zelfs opgeruimder dan anders en wilde dat al de anderen in zijne vroolijke stemming zouden deelen; hij liet Kruidnagel eene fijne flesch opentrekken en hij dronk op hunne behouden terugkomst in Europa en op hunne spoedige aankomst in Frankrijk.Den volgenden ochtend, den 10denJuli, werd de reis naar Perm voortgezet. Toen zij den bergpas uit waren, liet het zich aanzien dat de tocht verder zonder moeilijkheden en zonder buitengewoneavonturen volbracht zou worden. DeSchoone Zwerfsterhield den rechteroever van de Vischera, welke rivier langs den voet van het Oeral-gebergte stroomt. Den geheelen weg langs vonden zij stadjes, dorpen en alleenstaande boerenplaatsen, met vriendelijke menschen die hen goed ontvingen. Er was wild in overvloed en het weder, hoewel het zeer warm was, werd door een koelen wind uit het noordoosten opgefrischt. De rendieren stapten wakker voort, maar Sergius had bovendien in het laatste dorp een span paarden gekocht, die nu hielpen trekken, zoodat er bijna tien mijlen daags werden afgelegd.Het was waarlijk een feestelijke intocht dien de karavaan op het grondgebied van het oude Europa deed, en er zou geen wolkje aan den hemel van Cascabel’s geluk te zien geweest zijn indien hij geen twee struikroovers bij zich gehad had.—En dan volgt die andere rooverbende ons nog op de hielen als jakhalzen achter eene karavaan, dacht hij bij zichzelf. Komaan Cesar Cascabel, gij moet weer eens toonen wat gij kunt en die schelmen er in laten loopen!Het was intusschen maar jammer dat het zoo voortreffelijk uitgevoerde reisplan op deze manier weder geheel bedorven dreigde te worden. Cascabel’s papieren waren nu volkomen in orde, Sergius maakte deel van den troep uit en de russische politiebeambten lieten hem zonder aanmerkingen door. Eenmaal te Perm aangekomen, zou hij alle gelegenheid hebben om, zoo dikwijls hij verkoos, naar het kasteel Walska te gaan, vervolgens zou hij, na zijnen vader weergezien en eenige dagen bij hem doorgebracht te hebben, zonder eenig bezwaar als kunstenmaker heel Rusland kunnen doortrekken en zich naar Frankrijk begeven, waar hij volkomen veilig zou wezen. Dan was er dus geen sprake van afscheid nemen en Kayette zoowel als hij konden bij de Cascabels blijven. Wie weet of er dan ook niet een middel te vinden ware geweest om den armen Jan gelukkig te maken. Waarlijk, de galg was nog te goed voor de booswichten die dit wel overlegde plan in duigen deden vallen! Als Cascabel daaraan dacht, dan gaf hij somtijds zijn gemoed lucht in verwenschingen, waar niemand, die niet in het geheim was, iets van begreep.Cornelia vroeg hem dan ook eens:—Wat scheelt er toch aan, Cesar, dat gij zoo te keer gaat?—Mij scheelt niets, was zijn antwoord.—Maar gij stelt u aan als een dolleman.....—Ik stel mij aan als een dolleman, Cornelia, omdat ik anders werkelijk dol zou worden.De wakkere vrouw wist niet wat zij van haren man denken moest.Er gingen weder vier dagen voorbij. DeSchoone Zwerfsterhad een zestigtal mijlen achter den rug sedert zij het Oeral-gebergte verlaten hadden, en maakte nu in het stadje Solikamsk halt.De rooverbende, waar Ortik zijne afspraak mede gemaakt had, was hier zeker reeds vóór de karavaan aangekomen, maar hij en Kirschef deden geene moeite om met de anderen in aanraking te komen.Intusschen bevonden Rostof en zijne maats zich werkelijk in de stad. Zij waren voornemens dienzelfden nacht verder te gaan. Perm lag nog een mijl of zestig meer naar het Westen. Eenmaal daar aangekomen, konden zij hun misdadigen toeleg uitvoeren.Den volgenden ochtend vroeg verlieten de Cascabels het stadje Solikamsk en den 17denJuli trokken zij de Koswa-rivier in de veerpont over. Over drie dagen rekenden zij, als er niets tusschen beide kwam, te Perm te zullen aankomen en daar hunne voorstellingen aantevangen, teneinde die op de kermis te Nisjni later voort te zetten. Dit behoorde tot het programma der merkwaardige “kunstreis,” die zij bezig waren te doen.Sergius verblijdde zich mede in het vooruitzicht dat hij spoedig het kasteel Walska, de plek zijner geboorte, terug zou zien, maar eene verklaarbare ongerustheid vermengde zich met zijne blijdschap en wanneer hij met Cascabel over de toekomst sprak, maakte hij van zijne bezorgdheid geen geheim. Sedert vele jaren had hij niet dan ongeregeld bericht van zijnen vader ontvangen en nu sedert dertien maanden, zoolang zijne avontuurlijke reis van de grens van Alaska naar Europa geduurd had, had hij niets meer van hem vernomen. Hoogbejaard als de prins was, bestond er maar al te veel kans dat zijn zoon hem misschien niet meer terug zou zien.Daar wilde Cesar Cascabel echter niet van hooren.—Komaan, mijnheer Sergius, zeide hij, maak u daar nu niet ongerust over. Prins Narkine is zoo gezond als gij en ik, daar sta ik voor in! Gij weet dat ik best voor waarzegger zou kunnen spelen, want de toekomst is evenmin voor mij verborgen als het verleden. Uw vader is in blakenden welstand en over weinige dagen zult gij hem terugzien.Cascabel was hiervan zoo vast overtuigd dat hij er op had durven zweren, indien de plannen van Ortik en die andere booswichten hem niet in den weg gezeten hadden.Daarom bromde hij bij zichzelf:—Ik ben niet valsch van natuur, maar als ik dien schavuit tusschen mijne tanden kon stuk scheuren, zou ik het doen, en ik zou ook nog mijn best doen dat het niet te spoedig afgeloopen was!Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz. 181.)Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz.181.)Naarmate deSchoone Zwerfsterdichter bij Perm kwam, werd intusschen de ongerustheid van Kayette grooter. Wat zou Cascabel beginnen? Hoe zou het hem mogelijk wezen Ortik’s plannen te verijdelen zonder de veiligheid van Sergius in de waagschaal te stellen? Zij wist geen antwoord op die vragen te bedenken en kon hare bezorgdheid niet voor de anderen verborgen houden, zoodat Jan, die wel bespeurde hoe angstig en gejaagd zij was, maar er de reden niet van doorgrondde, er heelemaal door van streek raakte.In den ochtend van den 20stenjuli trokken zij de Kama-rivier over en omstreeks vijf uren in den namiddag hielden zij hunnen intocht op de groote markt te Perm. Daar werden alle beschikkingen gemaakt om er verscheidene dagen te vertoeven.Ortik haastte zich zijne maats kennis te geven van hunne aankomst. Een uur later had hij eenen brief van Rostof in handen, waarin Sergius verzocht werd wegens dringende aangelegenheden in eene afgelegen herberg te komen. Die brief moest zoo spoedig mogelijk overhandigd worden. Mislukte dit middel, dan zouden zij het op eene andere manier aanleggen.Tegen het vallen van den avond echter, toen de brief aan deSchoone Zwerfsterbezorgd werd, bevond Sergius zich reeds op weg naar het kasteel Walska. Cascabel nam de boodschap aan en hield zich alsof hij er zeer verwonderd over was. Hij beloofde dat hij den brief aan Sergius zou overhandigen en sprak er verder met niemand over.Het beviel Ortik maar half dat Sergius niet meer in den wagen was, want hij had zijne poging om hem in den strik te laten loopen liever gedaan vóór dat de banneling zijnen vader terug gezien had. Maar hij liet niets van zijne teleurstelling merken en toen hij met de anderen aan den avondmaaltijd plaats nam, vroeg hij alleen:—Is mijnheer Sergius niet thuis?—Neen, antwoordde Cascabel. Hij is de stad ingegaan om het noodige af te spreken met de stedelijke beambten voor de voorstellingen die wij hier willen geven.—Zoo, en wanneer zou hij terug komen?—In den loop van den avond, denk ik.
Op hetzelfde oogenblik dus, dat graaf Narkine en de familie Cascabel hun lange en gevaarvolle reis achter den rug hadden, en zij van de doorgestane ontberingen en vermoeienissen dachten uit te rusten, dreigde een verraderlijk komplot hen met grooter gevaren dan ooit te voren. Nog een paar dagen en zij zouden het Oeral-gebergte over zijn. Dan nog een honderdtal mijlen in zuidwestelijke richting door eene vlakke streek, en deSchoone Zwerfsterzou te Perm aankomen.
Wij weten dat Cascabel voornemens was in die stad eenige dagen te vertoeven, teneinde het Sergius gemakkelijk te maken om iederen nacht naar het slot Walska te gaan, zonder dat hij gevaar liep door iemand herkend te worden. Naarmate van de omstandigheden, kon hij dan bij prins Narkine blijven of met deSchoone Zwerfsterverder gaan naar Nisjni, of misschien heelemaal naar Frankrijk.
Besloot hij echter te Perm te blijven, dan zou het oogenblik daar zijn om afscheid te nemen van Kayette, want die zou hij zeker niet van zich laten gaan.
Deze gedachte vervolgde Jan en zij maakte hem iederen dag meer bedroefd en terneergeslagen. Zijne ouders, zijn broeder en zijn zusje bemerkten zijn verdriet en deelden het van harte. Niemand hunner kon er aan denken dat zij Kayette zouden moeten achterlaten.
Dien ochtend was Jan mismoediger dan ooit. Hij zocht het Indiaansche meisje op en vond dat zij er slecht uitzag, een natuurlijk gevolg van den slapeloozen nacht dien zij doorgebracht had.
—Scheelt er iets aan Kayette? vroeg hij.
—Neen Jan, antwoordde zij, ik ben heel wel.
—Dat is zeker niet waar. Ge ziet er uit of ge niet geslapen hebt. Of hebt ge geschreid, Kayette-lief?
—Och dat komt van dat onweder van gisteren. Ik heb werkelijk van nacht niet best geslapen.
—Onze lange reis valt u misschien te zwaar?
—Mij Jan? Wel neen, ik ben immers sterk genoeg en aan allerlei ontberingen van mijne jeugd af gewend. Het zal wel weer overgaan.
—Er is toch iets niet goed met u Kayette, dat zie ik wel! Ik bid u, zeg mij wat het is?
—Ik mankeer niets, Jan.
Jan meende nu niet verder aan te mogen dringen.
Toen zij zag hoe ongerust de arme jongen zich maakte, was Kayette op het punt hem alles te zeggen. Zij kon het bijna niet uitstaan dat zij iets voor hem geheim moest houden. Maar hij was driftig en onverschrokken van aard, zoodat het niet zeker was dat hij zich in tegenwoordigheid van Ortik en Kirschef zou kunnen inhouden. De minste onvoorzichtigheid kon voor graaf Narkine een groot gevaar doen ontstaan, zoodat Kayette het beter vond alles voor zich te houden.
Na over alles goed nagedacht te hebben, besloot zij Cesar Cascabel zelven te vertellen wat zij vernomen had. Hiertoe was het echter noodig dat zij hem alleen te spreken kon krijgen en zoolang zij nog niet uit den bergpas waren, ging dit niet gemakkelijk want de twee russen mochten er niets van merken.
Oogenblikkelijke haast bestond er trouwens niet, want de booswichten waren niet van plan iets te beginnen vóór dat onze reizigers te Perm waren aangekomen. Zoo lang Cascabel en de andere reisgenooten hen op denzelfden voet bleven behandelen, konden zij niet vermoeden dat er iemand iets van hunne plannen wist. Toen Sergius vernam dat Ortik en Kirschef voornemens waren den tocht tot Perm mede te maken, had hij hun niet onduidelijk te kennen gegeven dat hem dit genoegen deed.
Te zes uur ’s morgens van den 7denjuli stelde deSchoone Zwerfsterzich weer in beweging. Een uur daarna kwamen zij aan de bronnen uit welke de Petchora ontspringt, naar welke rivier deze bergpas haren naam draagt. Zoodra zij buiten het gebergte treedt,zwelt zij gaandeweg tot eene van de aanzienlijkste rivieren in noordelijk Rusland. Na eenen loop van dertienhonderd vijftig kilometer, stort zij zich in de Noordelijke IJszee.
Op de hoogte waar zij zich bevonden was de Petchora echter nog maar een wilde bergstroom, die door een rotsachtig bed, langs denne-, berke- en lorkebosschen, zich den weg naar beneden baant. Zij hadden slechts den linkeroever te houden om van zelf het einde van den pas te bereiken, en wanneer zij een weinig voorzichtigheid gebruikten op de steilste hellingen, kon het dalen geen bijzondere moeielijkheid meer opleveren.
Dien dag kon Kayette geen gelegenheid vinden om Cascabel onder vier oogen te spreken. Zooveel zij na kon gaan hielden de twee russen thans geen afzonderlijke gesprekken meer en verwijderden zij zich niet meer onder een of ander voorwendsel wanneer er rust gehouden werd. Het was duidelijk dat zij niets meer af te spreken hadden, dat hunne medeplichtigen reeds vooruit waren en zij er op rekenden elkander te Perm weder te zullen ontmoeten.
Den volgenden dag maakten zij een flinken marsch. De weg werd gaandeweg breeder en gemakkelijker te berijden. Tusschen de steile oevers hoorden zij de Petchora in de diepte over hare steenen bedding bruischen. De bergpas werd minder wild en minder verlaten; zij kwamen enkele marskramers tegen, op reis naar Siberië, met hunne koopwaar op den rug en eenen met ijzer beslagen stok in de hand. Zij ontmoetten ook troepjes mijnwerkers, die uit de mijnen kwamen of er heen gingen, en wisselden eenen groet met deze lieden. Aan het einde eener vallei zagen zij hier en daar eene boerenwoning of een gehucht van enkele huizen. De hooge toppen van de Denejkin- en de Kontchakov-bergen vertoonden zich in het Zuiden.
Na een rustigen nacht kwam deSchoone Zwerfstertegen den middag aan het uiteinde van den Petchora-pas. Eindelijk had dus onze karavaan het doel van haren tocht bereikt en bevond zij zich in Europa.
Nog driehonderdvijftig wersten, niet meer dan een honderdtal mijlen, en de stad Perm zou—zooals Cascabel zeide—“een huis en een gezin méér binnen hare muren bevatten”.
—Oef! voegde hij er met een zucht van verlichting bij, ik ben toch blij dat wij dat reisje achter den rug hebben! Heb ik nu geen gelijk gehad? Wij zien alweder dat alle wegen naar Rome leiden. Wij zijn aan den verkeerden kant in Europa gekomen, dat is al. Maar wat komt het er op aan? Nog eene korte poos en wij zijn in Frankrijk!
Het scheelde niet veel of de levenslustige man had staande gehouden dat hij de Normandische lucht al inademde en hij aan den voet van het Oeral-gebergte, de zeelucht reeds begon te ruiken.
Aan het einde van den bergpas stond een dorpje van een vijftigtal huizen en een honderd of wat inwoners.
Zij besloten hier tot den volgenden dag te blijven en er hunnen voorraad meel, vet, thee en suiker aan te vullen.
Sergius en Jan maakten ook terstond van de gelegenheid gebruik om kruit en lood en andere benoodigdheden voor de vuurwapens aanteschaffen.
Zoodra zij hierin geslaagd waren, gingen zij op weg.
—Vooruit vriend Jan! riep Sergius. Er zal hier wel iets te jagen vallen en wij zullen niet platzak thuis komen.
—Zooals gij wilt, antwoordde Jan, meer omdat het hem gevraagd werd dan uit eigen liefhebberij.
De arme jongen had geene gedachte voor iets anders dan voor de op handen zijnde scheiding. Hij had nergens lust in.
—Gaat gij met ons mede, Ortik? vroeg Sergius.
—Gaarne, antwoordde de matroos.
—Als gij uw best doet om wat goeds medetebrengen, riep moeder Cascabel hen na, dan zal ik voor een lekker maal zorgen.
Het was pas twee uren en de jagers hadden dus nog een goeden dag vóór zich. Het gehucht lag omringd van wouden en uitgestrekte vlakten, en het zou wel een wonder zijn als er hier niet een goed jachtveld te vinden was.
Sergius, Jan en Ortik verwijderden zich. Kirschef en Kruidnagel waren met de rendieren bezig. De beesten moesten in een weiland onder de boomen gebracht worden, waar zij konden grazen en uitrusten.
Cornelia was intusschen in den wagen gegaan, waar altijd het een of ander schoontemaken viel. De anderen hoorden haar roepen:
—Napoleona, waar zit ge?
—Hier ben ik, moeder.
—Is Kayette daar ook?
—Ik zal dadelijk komen, juffrouw Cascabel.
Dat was echter eene gelegenheid die zij niet voorbij wilde laten gaan om met Cascabel ongestoord te kunnen praten.
—Mijnheer Cascabel, begon zij.....
—Wat is er Kwakkeltje?
—Ik zou u gaarne eens willen spreken.
—Wel zoo. Nu spreek maar op!
—Ja maar, heel in vertrouwen......
De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz. 170.)De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz.170.)
De rendieren moesten in een weiland gebracht worden. (Zie blz.170.)
—Zoo, is het zulk een geheim?
—Wat zou het Kwakkeltje willen? dacht Cesar bij zich zelf, Zou zij mij misschien iets te zeggen hebben over mijn armen Jan?
Zij gingen samen een klein eind buiten het dorp, terwijl Cornelia in den wagen aan het werk toog.
—Welnu meisjelief, begon Cascabel weder, wat hebt gij mij te vertellen en wat is er voor een verschrikkelijk geheim?
—Mijnheer Cascabel, antwoordde Kayette, sedert drie dagen wilde ik een gesprek met u hebben, maar niemand mocht ons kunnen beluisteren of zelfs er iets van merken.
—Het is dus iets heel gewichtigs dat gij mij hebt medetedeelen?
—Mijnheer Cascabel, ik weet dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.
—Wat zegt ge daar? Graaf Narkine? Wel zoo, en hoe zijt ge daar achter gekomen?
—Ik heb het gehoord van lieden die u beluisterd hebben toen ge met mijnheer Sergius te Mouji op eenen avond in gesprek waart.
—Is het mogelijk!
—Die lieden heb ik op mijne beurt beluisterd terwijl zij samen over graaf Narkine aan ’t praten waren. Maar zij weten daar niets van.
—Wie waren dat dan?
—Ortik en Kirschef.
—Zoo! Weten die het dus ook?
—Ja mijnheer Cascabel, zij zijn van alles op de hoogte. Zij weten dat mijnheer Sergius een staatkundig veroordeelde is, die in het geheim naar Rusland terugkeert om zijnen vader, prins Narkine optezoeken.
Cascabel stond, vreemd te kijken over hetgeen Kayette hem vertelde. Een tijdlang bleef hij sprakeloos, maar na eene poos nagedacht te hebben, hernam hij:
—Het spijt mij wel dat Ortik en Kirschef dit geheim ontdekt hebben, maar nu zij er bij toeval achter gekomen zijn, zullen zij het zeker niet verklappen.
—Zij zijn het niet bij toeval te weten gekomen, antwoordde Kayette, en zijn stellig voornemens het te verklappen.
—Dat geloof ik niet. Het zijn een paar brave zeelui!
—Mijnheer Cascabel, begon het meisje weder, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar.
—Wat zegt ge daar?
Mijnheer Cascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz. 172.)MijnheerCascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz.172.)
MijnheerCascabel, graaf Narkine bevindt zich in het grootste gevaar. (Zie blz.172.)
—Ortik en Kirschef zijn twee boosdoeners, die bij de rooversbende van Karnof in Amerika geweest zijn. Zij beiden hebben graaf Narkine op de Alaskische grens reeds naar het leven gestaan. Toen ditmislukt was, zijn zij te Port-Clarence scheep gegaan om naar de Siberische kust overtesteken, maar op de Liakhoff-eilanden terecht gekomen, waar wij hen aangetroffen hebben. Zij weten dat graaf Narkine zijn leven op het spel zet door in Rusland terug te komen; zij willen hem dus een gedeelte van zijn fortuin afpersen, en als hij weigert, verraden zij hem. Gebeurt dat, dan is mijnheer Sergius verloren en gij zelf misschien ook!
Cascabel was niet in staat een woord uittebrengen. Kayette vertelde hem nu uitvoerig hoe het kwam dat zij de twee matrozen van den aanvang af niet goed vertrouwd had. Zij had de stem van Kirschef wel degelijk méér gehoord; thans herinnerde zij het zich, het was dien nacht op de grens van Alaska, toen de twee roovers graaf Narkine en zijnen bediende overvielen, zonder toen nog te weten dat hij een russisch edelman was, die in Amerika eene schuilplaats gezocht had. Nu echter, een nacht of wat geleden, had Kayette hen beide, terwijl zij samen de wacht hielden bij den wagen, met een vreemden man zien heengaan. Zij was hen nageloopen en had het gesprek, dat zij met zeven hunner vroegere makkers voerden, afgeluisterd. Zij was nu op de hoogte van alles wat Ortik in zijn schild voerde. Hij had met opzet deSchoone Zwerfsterdoor den Petchora-pas geleid omdat hij overtuigd was daar andere bandieten te zullen aantreffen, en hij zou er niet tegen opgezien hebben mijnheer Sergius en de geheele familie Cascabel te vermoorden. Maar sedert hij vernomen had dat mijnheer Sergius niemand anders was dan graaf Narkine, had hij begrepen dat het voordeeliger zou zijn hem te dwingen om eene groote som gelds te betalen, teneinde niet aan de russische politie te worden verraden. Daarmede wilde Ortik echter wachten tot zij te Perm zouden zijn; hij noch Kirschef zouden zich met de zaak bemoeien teneinde hunne handen geheel vrij te hebben indien dit plan mislukken mocht. De andere roovers zouden mijnheer Sergius schriftelijk doen weten dat zij hem voor dringende zaken noodzakelijk spreken moesten.
Het kostte Cascabel niet weinig moeite zijne verontwaardiging te bedwingen terwijl Kayette dit verhaal deed. Zulke schavuiten, die hij op allerlei manieren geholpen, die hij uit de handen der wilden verlost, te eten gegeven en in hun land gebracht had! Nu, dat was een mooi paar onderdanen dat hij zijne majesteit den Czaar terug kwam brengen! Waren het nog engelschen geweest! Een paar gauwdieven meer of minder kwamen er voor Engeland niet op aan. Zulke ellendelingen! zulke gemeene bedriegers!
—Maar wat denkt gij nu te beginnen, mijnheer Cascabel? vroeg Kayette.
—Wat ik beginnen ga, Kwakkeltje? Wel, dat is heel eenvoudig. Bij de eerste kozakkenpost de beste die wij tegenkomen, vertel ik wie Ortik en Kirschef zijn, en dan worden ze allebei opgehangen.
—Gij zult u nog wel eens bedenken, mijnheer Cascabel, hernam het meisje. Dat zult gij zeker niet doen.
—En waarom niet?
—Omdat Ortik en Kirschef dan dadelijk graaf Narkine zullen verraden, en meteen degenen die hem behulpzaam zijn geweest om naar Rusland terugtekeeren, aan de politie zullen overleveren.
—Wat ons aangaat, wat kan mij dat schelen? riep Cascabel uit. Als het ons alleen betrof! Maar met mijnheer Sergius is het een ander geval. Gij hebt gelijk Kayette, wij moeten iets anders bedenken.
Hij was zeer opgewonden en blijkbaar niet dadelijk in staat zijn gedachten te verzamelen. Hij liep eenige oogenblikken op en neder en sloeg zich voor het hoofd om er een plan uit te halen. Toen bleef hij weder voor Kayette staan.
—Hebt gij mij niet gezegd, vroeg hij, dat het Ortik’s plan was te wachten tot wij te Perm zijn en daar met die andere schurken te handelen?
—Ja mijnheer Cascabel, hij heeft hun uitdrukkelijk aanbevolen, vóór dien tijd niets te ondernemen.
—Dat is een hard geval, barstte Cascabel uit, een heel hard geval! Met zulke schavuiten samen te moeten reizen tot Perm toe, met hen te moeten praten en een vriendelijk gezicht tegen hen te moeten zetten! De duivel mag mij halen als ik geen lust heb hen bij den kraag te pakken en hen te pletter te slaan... zoo!... zoo!
En met zijne krachtige handen zwaaide hij en sloeg die op elkaar, alsof hij Ortik en Kirschef te pakken had en hen tegen elkaar sloeg, als de bekkens op eene turksche trom.
—Gij moet toch doen alsof gij er niets van weet, mijnheer Cascabel, hernam Kayette, en hen niets laten merken.
—Zeker, zeker meisje.
—Alleen zou ik willen weten of gij het raadzaam acht, mijnheer Sergius op de hoogte te brengen?
—Dat geloof ik niet, antwoordde Cascabel. Het lijkt mij verstandiger als wij alles vóór ons houden, want wat zou mijnheer Sergius er aan kunnen doen? Het is mijn plicht voor zijne veiligheid te waken en dat zal ik doen ook. Bovendien weet ik vooruit waar hij het eerst op bedacht zou zijn. Uit vrees van ons aan grooter gevaren bloot te stellen, zou hij in staat wezen terstond zijn eigen weg te gaan en ons alleen te laten trekken. In dat geval ware hijnaar alle waarschijnlijkheid verloren en wij moeten er hem dus in het geheel niet over spreken.
—Maar zult gij Jan er ook niets van zeggen?
—Waar denkt gij aan Kayette? Jan is veel te driftig, hij zou zich in tegenwoordigheid van die twee gemeene schurken geen oogenblik in kunnen houden. Hij is niet zoo’n bedaarde man als zijn vader en hij zou bij de eerste gelegenheid de beste laten merken dat hij alles wist. Neen, Jan mag er evenmin iets van weten als mijnheer Sergius.
—En juffrouw Cascabel? Moet die ook niet op de hoogte gebracht worden? vroeg Kayette weder.
—Cornelia? Ja, dat is heel iets anders. Dat is eene heel bijzondere vrouw: die is altijd in staat om een goeden raad te geven en als het er op aankomt, ook een stevige hand uit te steken. Voor haar heb ik nog nooit iets geheim gehouden en bovendien weet zij even goed als ik dat mijnheer Sergius eigenlijk graaf Narkine heet.
—Juffrouw Cascabel moet het dus weten?
—Ja, met haar zal ik alles overleggen. Aan eene vrouw als zij kan men het gewichtigste staatsgeheim toevertrouwen. Zij zou het niet verklappen al dreigden zij haar hare tong aftesnijden en dat is toch wel het ergste wat eene vrouw kan overkomen! Zeker, zeker, ik zal er met haar over praten.
—Laat ons dan nu naar deSchoone Zwerfsterterugkeeren, hernam Kayette. Niemand mag er iets van merken dat wij samen gesproken hebben.
—Ge hebt volkomen gelijk, Kwakkeltje, ge hebt gelijk, zooals altijd.
—Maar mijnheer Cascabel, pas vooral op dat ge aan Ortik en aan Kirschef niets merken laat....
—Dat zal niet gemakkelijk gaan, maar wees maar niet ongerust, ik zal hen honing om den mond smeren. Zulke bandieten! Het is toch wat te zeggen, dat wij nog zoo’n tijd met hen in aanraking moeten blijven! Dat is dus de reden waarom zij mij verteld hebben dat zij ons de eer zullen aandoen van met ons mede te reizen tot Perm, en dat zij eerst van daar den tocht naar Riga zullen aanvangen. Zulke smeerlappen! De ergste schavuiten die er ooit geweest zijn, konden zich niet gemeener aanstellen!
Deze gedachte maakte Cascabel zóó woedend, dat hij al de boosdoeners, die hij in zijn leven ooit had hooren noemen, begon op te tellen: Papavoine, Lacenaire, Tropmann......
—Maar mijnheer Cascabel, viel Kayette hem in de rede, als dàt nu de manier is om u in bedwang te houden.....
—Neen, neen, Kwakkeltje, wees maar niet bang. Dat heeft mijlucht gegeven, want ik zou er anders in gestikt zijn. Ik had een gevoel alsof ik gewurgd werd, maar nu zal ik kalm worden. Ik ben al bedaard. Laat ons nu naar deSchoone Zwerfsterteruggaan. Zulke hondsvotten!
Zij keerden samen naar het dorp terug, maar praatten verder over niets. Er was dan ook stof genoeg om eene poos over na te denken. Dat zulk eene wonderbaarlijke reis als zij gedaan hadden, nu die zoo goed als afgeloopen was, nog mislukken moest door zulk eene onvoorziene teleurstelling!
Zij waren al in de nabijheid van den wagen, toen Cascabel staan bleef.
—Zeg eens, Kayette, begon hij.
—Wat is er, mijnheer Cascabel.
—Alles wel beschouwd, zal ik Cornelia toch ook niets vertellen.
—Waarom niet?
—Ja, hoe zal ik u dat uitleggen? Ziet ge, ik heb in het algemeen opgemerkt dat eene vrouw het best in staat is een geheim voor zich te houden als zij er in het geheel niets van weet. Daarom moet alles maar tusschen ons tweeën blijven.
Kayette begaf zich naar binnen om moeder Cascabel in het huishouden te helpen. Zij kwamen Kirschef voorbij en Cesar knikte hem vriendschappelijk toe, maar bij zichzelf dacht hij:
—Wat heeft die kerel een schelmengezicht!
Twee uren later kwamen de jagers terug en nu was de beurt aan Ortik, die met een prachtig hert op zijne schouders kwam aandragen, om in de hartelijkste bewoordingen door Cascabel welkom geheeten te worden.
Sergius en Jan hadden bovendien nog twee hazen en eenige koppels patrijzen geschoten, zoodat Cornelia in staat was een waar feestmaal aan te richten, waar haar echtgenoot zich terdege aan te goed deed. Die man was inderdaad ondoorgrondelijk. Hij liet niets merken van hetgeen er in hem omging en het was hem in het geheel niet aan te zien dat hij wist dat er twee moordenaars met hem aan tafel zaten, twee spitsboeven die niets minder in hun schild voerden dan hem en zijn geheele gezin te vermoorden. Hij was zelfs opgeruimder dan anders en wilde dat al de anderen in zijne vroolijke stemming zouden deelen; hij liet Kruidnagel eene fijne flesch opentrekken en hij dronk op hunne behouden terugkomst in Europa en op hunne spoedige aankomst in Frankrijk.
Den volgenden ochtend, den 10denJuli, werd de reis naar Perm voortgezet. Toen zij den bergpas uit waren, liet het zich aanzien dat de tocht verder zonder moeilijkheden en zonder buitengewoneavonturen volbracht zou worden. DeSchoone Zwerfsterhield den rechteroever van de Vischera, welke rivier langs den voet van het Oeral-gebergte stroomt. Den geheelen weg langs vonden zij stadjes, dorpen en alleenstaande boerenplaatsen, met vriendelijke menschen die hen goed ontvingen. Er was wild in overvloed en het weder, hoewel het zeer warm was, werd door een koelen wind uit het noordoosten opgefrischt. De rendieren stapten wakker voort, maar Sergius had bovendien in het laatste dorp een span paarden gekocht, die nu hielpen trekken, zoodat er bijna tien mijlen daags werden afgelegd.
Het was waarlijk een feestelijke intocht dien de karavaan op het grondgebied van het oude Europa deed, en er zou geen wolkje aan den hemel van Cascabel’s geluk te zien geweest zijn indien hij geen twee struikroovers bij zich gehad had.
—En dan volgt die andere rooverbende ons nog op de hielen als jakhalzen achter eene karavaan, dacht hij bij zichzelf. Komaan Cesar Cascabel, gij moet weer eens toonen wat gij kunt en die schelmen er in laten loopen!
Het was intusschen maar jammer dat het zoo voortreffelijk uitgevoerde reisplan op deze manier weder geheel bedorven dreigde te worden. Cascabel’s papieren waren nu volkomen in orde, Sergius maakte deel van den troep uit en de russische politiebeambten lieten hem zonder aanmerkingen door. Eenmaal te Perm aangekomen, zou hij alle gelegenheid hebben om, zoo dikwijls hij verkoos, naar het kasteel Walska te gaan, vervolgens zou hij, na zijnen vader weergezien en eenige dagen bij hem doorgebracht te hebben, zonder eenig bezwaar als kunstenmaker heel Rusland kunnen doortrekken en zich naar Frankrijk begeven, waar hij volkomen veilig zou wezen. Dan was er dus geen sprake van afscheid nemen en Kayette zoowel als hij konden bij de Cascabels blijven. Wie weet of er dan ook niet een middel te vinden ware geweest om den armen Jan gelukkig te maken. Waarlijk, de galg was nog te goed voor de booswichten die dit wel overlegde plan in duigen deden vallen! Als Cascabel daaraan dacht, dan gaf hij somtijds zijn gemoed lucht in verwenschingen, waar niemand, die niet in het geheim was, iets van begreep.
Cornelia vroeg hem dan ook eens:
—Wat scheelt er toch aan, Cesar, dat gij zoo te keer gaat?
—Mij scheelt niets, was zijn antwoord.
—Maar gij stelt u aan als een dolleman.....
—Ik stel mij aan als een dolleman, Cornelia, omdat ik anders werkelijk dol zou worden.
De wakkere vrouw wist niet wat zij van haren man denken moest.
Er gingen weder vier dagen voorbij. DeSchoone Zwerfsterhad een zestigtal mijlen achter den rug sedert zij het Oeral-gebergte verlaten hadden, en maakte nu in het stadje Solikamsk halt.
De rooverbende, waar Ortik zijne afspraak mede gemaakt had, was hier zeker reeds vóór de karavaan aangekomen, maar hij en Kirschef deden geene moeite om met de anderen in aanraking te komen.
Intusschen bevonden Rostof en zijne maats zich werkelijk in de stad. Zij waren voornemens dienzelfden nacht verder te gaan. Perm lag nog een mijl of zestig meer naar het Westen. Eenmaal daar aangekomen, konden zij hun misdadigen toeleg uitvoeren.
Den volgenden ochtend vroeg verlieten de Cascabels het stadje Solikamsk en den 17denJuli trokken zij de Koswa-rivier in de veerpont over. Over drie dagen rekenden zij, als er niets tusschen beide kwam, te Perm te zullen aankomen en daar hunne voorstellingen aantevangen, teneinde die op de kermis te Nisjni later voort te zetten. Dit behoorde tot het programma der merkwaardige “kunstreis,” die zij bezig waren te doen.
Sergius verblijdde zich mede in het vooruitzicht dat hij spoedig het kasteel Walska, de plek zijner geboorte, terug zou zien, maar eene verklaarbare ongerustheid vermengde zich met zijne blijdschap en wanneer hij met Cascabel over de toekomst sprak, maakte hij van zijne bezorgdheid geen geheim. Sedert vele jaren had hij niet dan ongeregeld bericht van zijnen vader ontvangen en nu sedert dertien maanden, zoolang zijne avontuurlijke reis van de grens van Alaska naar Europa geduurd had, had hij niets meer van hem vernomen. Hoogbejaard als de prins was, bestond er maar al te veel kans dat zijn zoon hem misschien niet meer terug zou zien.
Daar wilde Cesar Cascabel echter niet van hooren.
—Komaan, mijnheer Sergius, zeide hij, maak u daar nu niet ongerust over. Prins Narkine is zoo gezond als gij en ik, daar sta ik voor in! Gij weet dat ik best voor waarzegger zou kunnen spelen, want de toekomst is evenmin voor mij verborgen als het verleden. Uw vader is in blakenden welstand en over weinige dagen zult gij hem terugzien.
Cascabel was hiervan zoo vast overtuigd dat hij er op had durven zweren, indien de plannen van Ortik en die andere booswichten hem niet in den weg gezeten hadden.
Daarom bromde hij bij zichzelf:
—Ik ben niet valsch van natuur, maar als ik dien schavuit tusschen mijne tanden kon stuk scheuren, zou ik het doen, en ik zou ook nog mijn best doen dat het niet te spoedig afgeloopen was!
Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz. 181.)Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz.181.)
Rostof schreef den brief aan Sergius. (Zie blz.181.)
Naarmate deSchoone Zwerfsterdichter bij Perm kwam, werd intusschen de ongerustheid van Kayette grooter. Wat zou Cascabel beginnen? Hoe zou het hem mogelijk wezen Ortik’s plannen te verijdelen zonder de veiligheid van Sergius in de waagschaal te stellen? Zij wist geen antwoord op die vragen te bedenken en kon hare bezorgdheid niet voor de anderen verborgen houden, zoodat Jan, die wel bespeurde hoe angstig en gejaagd zij was, maar er de reden niet van doorgrondde, er heelemaal door van streek raakte.
In den ochtend van den 20stenjuli trokken zij de Kama-rivier over en omstreeks vijf uren in den namiddag hielden zij hunnen intocht op de groote markt te Perm. Daar werden alle beschikkingen gemaakt om er verscheidene dagen te vertoeven.
Ortik haastte zich zijne maats kennis te geven van hunne aankomst. Een uur later had hij eenen brief van Rostof in handen, waarin Sergius verzocht werd wegens dringende aangelegenheden in eene afgelegen herberg te komen. Die brief moest zoo spoedig mogelijk overhandigd worden. Mislukte dit middel, dan zouden zij het op eene andere manier aanleggen.
Tegen het vallen van den avond echter, toen de brief aan deSchoone Zwerfsterbezorgd werd, bevond Sergius zich reeds op weg naar het kasteel Walska. Cascabel nam de boodschap aan en hield zich alsof hij er zeer verwonderd over was. Hij beloofde dat hij den brief aan Sergius zou overhandigen en sprak er verder met niemand over.
Het beviel Ortik maar half dat Sergius niet meer in den wagen was, want hij had zijne poging om hem in den strik te laten loopen liever gedaan vóór dat de banneling zijnen vader terug gezien had. Maar hij liet niets van zijne teleurstelling merken en toen hij met de anderen aan den avondmaaltijd plaats nam, vroeg hij alleen:
—Is mijnheer Sergius niet thuis?
—Neen, antwoordde Cascabel. Hij is de stad ingegaan om het noodige af te spreken met de stedelijke beambten voor de voorstellingen die wij hier willen geven.
—Zoo, en wanneer zou hij terug komen?
—In den loop van den avond, denk ik.