VI.Vervolg van de reis.Voor de eerste maal in zijn leven zette Cesar Cascabel, de natuurlijke en onverzoenlijke vijand van Groot-Brittannië, den voet op engelschen bodem! Nog nooit had het stof van dezen grond, dien hij instinktmatig haatte, aan zijne zolen gekleefd. Onze lezers moeten niet denken dat wij deze overdreven uitdrukkingen billijken, maar op eene andere wijze kunnen wij geen denkbeeld geven van de vrij belachelijke voorstelling, welke onze kermiskunstenaar zich maakte van de gevoelens die ieder goed franschman koesteren moet tegenover den zoogenaamden erfvijand van zijn land. Dit was een dwaas vooroordeel en in ’t geheel niet in overeenstemming met de begrippen van onzen tijd, maar de man was eenmaal niet anders.Hij zag daarbij nog over ’t hoofd dat Columbia geen europeesch land is en dus geen deel uitmaakt van het echte Groot-Brittannië, bestaande uit Engeland, Schotland en Ierland, waartegen in vroeger tijd de volkshaat der franschen gericht was. Voor Cesar Cascabel was het genoeg dat de britsche vlag er wapperde, evenals zij bijvoorbeeld wappert boven de Indiën, Australië of Nieuw-Zeeland.Britsch-Columbia is eene provincie van Nieuw-Brittannia, waaronder eene van de belangrijkste koloniale bezittingen der engelschen verstaan wordt, want de geheele Canada-Dominion, dat is Boven- en Beneden-Canada, alsmede de onmetelijke uitgestrektheden landsdie aan de Hudsonsbaai-compagnie zijn afgestaan, behooren ertoe. Twee oceanen, de Stille en de Atlantische, begrenzen het aan den West- en den Oostkant. De Zuidergrens vormen de Vereenigde Staten en deze loopt van het Washington-territorium in het Oosten tot den Staat Maine in het Westen.Er was dus geen mogelijkheid voor onze karavaan om op haren tocht naar het Noorden deze engelsche bezitting te ontwijken. Wel waren het maar een paar honderd mijlen, want zoo lang is de kortste lijn tot aan de zuidelijke grens van Alaska, waar het russische gebied in westelijk Amerika eenen aanvang neemt. Maar twee honderd mijlen mochten eene kleinigheid wezen voor deSchoone Zwerfster, die wel andere reizen achter den rug had, het was toch precies tweehonderd maal meer dan Cesar Cascabel pleizierig vond in zulk een «vervloekt land” te vertoeven. Hij deed dus wat hij kon om het oponthoud zoo kort mogelijk te doen zijn.Er zou dus nergens halt gehouden worden als alleen om te eten en te rusten. Ook van kunstenmaken, koorddansen of worstelen mocht niets inkomen. De familie Cascabel zou geen paarlen voor de zwijnen werpen en geen engelsche oogen op hare toeren vergasten.Voor muntstukken met het borstbeeld van koningin Victoria koesterde zij niets dan minachting en een papieren dollar was haar meer waard, dan een zilveren kroon of een gouden pond sterling.Met deze voornemens bezield, kozen de passagiers derSchoone Zwerfsterhunnen weg zoover mogelijk buiten de steden of dorpen. Als zij onder weg gelegenheid vonden om door de jacht aan leeftocht te komen, behoefden zij hunne beurs niet open te maken en de winkeliers in dit verafschuwde land geen voordeel van hunne reis te doen hebben.Niemand verbeelde zich dat dit eene soort van aanstellerij van Cesar Cascabel was, het ging bij hem inderdaad van harte. Kalm als een wijsgeer had hij zich geschikt in de grievende teleurstelling welke hij ondervonden had; weinige uren waren voldoende geweest om hem na den schandelijken diefstal zijne opgeruimdheid te doen herkrijgen; maar van het oogenblik af dat hij de grens van Nieuw-Brittannië overtrok, was hij kregelig en uit zijn humeur. Met een zuur gezicht, het hoofd voorover en zijnen hoed over de ooren liep hij voort, terwijl hij met stuursche blikken de onschuldige voetgangers, die hij tegenkwam, monsterde. Hij was niet goed-lachs meer zooals anders en dat ondervond Sander bij eene grap die hij zich veroorloofde, maar die met een onverwachten uitbrander beloond werd.Op een mooien dag ging die kwajongen opeens achteruit loopen,wel een kwartier lang, waarbij hij de gekste bokkensprongen en grimassen maakte.Knorrig vroeg zijn vader wat het beduidde om zich op die manier veel meer te vermoeien dan noodzakelijk of nuttig was.—Wel, wij reizen immers den verkeerden kant uit! was Sander’s antwoord.Al de anderen schoten in eenen lach, zelfs Kruidnagel, die het een heel geestig gezegde vond... als het tenminste niet uiterst flauw was.—Sander, klonk het echter op strengen toon uit den mond van het hoofd des gezins, als je weer van die aardigheden verkoopt op oogenblikken dat het in ’t geheel niet te pas komt, zal ik zoodanig aan je ooren trekken dat ze op je hielen komen te hangen!—Maar vader.....—Mond gehouden! zoo lang wij in dit land van engelschen zijn, wordt er geen gekheid gemaakt.Van dit oogenblik af waagde niemand meer eene grap in tegenwoordigheid van den geweldigen Albion-hater, al voelden de anderen ook niet zoo ’n heftigen afkeer van engelschen.Dit gedeelte van Britsch-Columbia, dat zich uitstrekt tot aan de kust van den Stillen Oceaan, is zeer ongelijk van bodem. In het Oosten vormt het Rotsige Gebergte een hoogen scheidsmuur, die zijne vertakkingen tot in de poollanden uitzendt, en naar het Westen wordt de kust van Bute, die door een aantalfjords, even als de Noorweegsche kust, wordt ingesneden, beheerscht door schilderachtige en hooge rotsgevaarten. Zulke steilten worden nergens in Europa aangetroffen, zelfs niet in het land der Alpen, terwijl de gletschers in uitgestrektheid en diepte de Zwitschersche verre overtreffen. Zoo is bij voorbeeld de berg Hocker niet minder dan vijf duizend achthonderd meter hoog, dat is duizend meter meer dan de Mont Blanc, en is de berg Brun, ofschoon lager dan de eerstgenoemde, toch weder hooger dan de reus der Alpen.Gelukkig voor onze karavaan ligt er tusschen de gebergten van het Oosten en het Westen eene breede en vruchtbare vallei, waar open vlakten en trotsche wouden elkander afwisselen. Langs den straatweg, die door dit dal loopt, stroomt eene belangrijke rivier, de Frazer, die over eene lengte van ongeveer honderd mijlen van Zuid naar Noord stroomt, en zich uitstort in den nauwen zeearm, welke ingesloten wordt door de kust van Bute, Vancouver-eiland en eene ontelbare menigte kleine eilandjes.Vancouver-eiland is tweehonderd vijftig geografische mijlen lang en drieenzeventig mijlen breed. De portugeezen hebben er zicheerst meester van gemaakt, maar later zijn deze verdrongen door de Spanjaarden, die er in 1789 bij tractaat bezitters van werden. Vancouver heeft het eiland driemaal bezocht in den tijd toen het door de inboorlingen nog Noutka geheeten werd; het heeft een tijdlang den naam van dien engelschen ontdekker en tevens dien van den spaanschen kapitein Quadra gedragen, maar in de laatste jaren van de achttiende eeuw is het voorgoed in handen van de engelschen overgegaan.De hoofdplaats van het eiland is Victoria, maar Nanaimo is de grootste stad. Vertegenwoordigers van de Hudsonsbaai-compagnie hebben het eerst de rijke kolenmijnen ontgonnen, die tegenwoordig onder de belangrijkste afvoerbronnen behooren, welke de drukke scheepvaart tusschen San Francisco en de verschillende punten der Westkust van Noord-Amerika voeden.Een weinig noordelijker danVancouver-eiland ligt Queen-Charlotte-eiland, het grootste der eilandengroep van dien naam die mede behoort tot Engelands uitgestrekte bezittingen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan.Ieder begrijpt, dat Cascabel er even weinig aan dacht de steden op deze eilanden te gaan bezoeken als hij den voet had willen zetten in Adelaïde of Melbourne in Australië, of in Madras of Calcutta in Britsch-Indië. Zoo snel zijne paarden voortwilden trok hij de vallei der Frazer-rivier door en hij zorgde met geen andere bewoners in aanraking te komen dan met de lieden van het indiaansche ras.Zoolang de reizigers zich in dit dal bevonden, hadden zij geene moeite om aan het noodige wild te komen, dat in de dagelijksche behoefte der tafel ruimschoots voorzag. Aan herten, hazen en patrijzen was geen gebrek, en die brave beesten—merkte Cesar op—die zijn oudste zoon met zelden falende hand het lood in het lijf joeg, dienden op die manier ten minste tot voedsel voor eerlijke lieden. Zij zelven hadden geen droppel engelsch bloed in hunne aderen en ze konden door een franschman opgegeten worden zonder dat hun vleesch hem walgde!Even voorbij fort Langley reed de reiswagen de diepe kloof der Frazer-vallei binnen. Een eigenlijke rijweg was hier niet; de grond lag als aan zichzelf overgelaten; op den rechteroever der rivier strekten groote grasvelden zich uit, in het westen begrensd door dichte wouden, waarboven ver naar achteren de hooge bergen tegen de meestal grijsachtig gekleurde lucht afstaken.Niet ver van New-Westminster, eene van de voornaamste steden in het kustland van Bute, aan de monding der Frazer-rivier gelegen,was de wagen, op raad van Jan, op eene daar liggende veerpont naar den anderen oever overgezet. Dit was eene goede voorzorg, want deSchoone Zwerfsterhad nu slechts de rivier te volgen om langs den kortsten en den gemakkelijksten weg een gedeelte van het russische gebied van Alaska te bereiken, dat een eind over de grens van Columbia uitsteekt.Bovendien was het toeval Cascabel gunstig geweest en had hij eenen gids ontmoet, die zich bereid verklaard had hem den weg tot aan de russische grens te wijzen. Dit was een brave indiaan en zij hadden geen reden om spijt te hebben over het vertrouwen dat zij in hem stelden. Natuurlijk kostte het weder eenig geld, maar het was beter een dollar of wat meer uit te geven dan zuinig te zijn ten koste van de veiligheid en den spoed.De gids heette Ro-No en behoorde tot een der stammen wiertyhis, dat wil zeggen wier opperhoofden, in levendig verkeer met europeanen zijn. Dit is een geheel ander soort van indianen dan de Tchilicotten, die tot een valsch, wreedaardig, woest en trouweloos menschenras behooren, en voor wie de reizigers in het noordwesten van Amerika niet genoeg op hunne hoede kunnen zijn. Nog in 1864 hebben deze straatroovers het geheele personeel, dat bezig was met opmetingen voor het aanleggen van eenen spoorweg op de kust van Bute, helpen vermoorden. Ook de ingenieur Wadington, wiens dood in de geheele kolonie betreurd werd, was in hunne handen gevallen en ellendig omgebracht. In dien tijd, werd er verhaald, hadden de Tchilicotten het hart van een hunner slachtoffers uit zijn lichaam gescheurd en verslonden, zoodat zij toen nog op ééne lijn stonden met de menscheneters op de afgelegen eilanden in Polynesië.Jan had eene beschrijving van deze wreedheden gelezen in het verhaal der reis van Frederick Whymper door Noord-Amerika en zijnen vader gewaarschuwd voor eene mogelijke ontmoeting met de Tchilicotten; maar zij hadden samen afgesproken daar niets van aan de anderen te vertellen, ten einde hen niet noodeloos ongerust te maken. Bovendien waren deze Roodhuiden sedert deze gebeurtenissen voorgevallen waren, voorzichtig op eenen afstand gebleven, want eenige hunner, van wie bewezen was dat zij de meeste schuld aan deze euveldaden hadden, waren door beulshanden opgeknoopt. Dit had een heilzamen schrik teweeggebracht en de gids Ro-No verzekerde ten stelligste dat de karavaan op haren verderen tocht door Britsch-Columbia niets te vreezen had.Ro-No, de gids. (Zie bladz. 68).Ro-No, de gids. (Zie bladz.68).Het weder bleef bij voortduring gunstig en des middags tusschen twaalven en tweeën begon het reeds ter dege warm te worden.Aan alle takken prijkten de berstende en met sappen gevulde knoppen; nog een korten tijd en de eerste bladeren en bloemen zouden het woud met de teedere kleuren der lente sieren.Het landschap vertoonde nu de eigenaardige karaktertrekken aan noordelijke landen eigen. De Frazer-vallei wordt ingesloten door wouden, waarin de boomsoorten van het Noorden de bovenhand hebben. Dit zijn ceders en dennen, en eene pijnboomsoort, Douglas genaamd, waaronder stammen gevonden worden van vijftien meters omtrek op den grond en van meer dan honderd voet hoogte. In bosschen en beemden wemelde het van wild en Jan behoefde niet ver af te dwalen om dagelijks in de behoeften der keuken te voorzien.Het land was voor het overige niet woest of verlaten. Dikwijls trokken zij dorpen voorbij waar de Indianen het vrij goed met de engelsche ambtenaren schenen te kunnen vinden. In de rivier vertoonden zich heele vloten van cederhouten vaartuigen die zich lieten afdrijven op den stroom of er tegen opvoeren met kracht van pagaaien en zeilen.Dikwijls kwamen zij ook troepen Indianen op weg naar het Zuiden tegen. Zij liepen in hunne witte wollen mantels gewikkeld en wisselden gewoonlijk eenige woorden met mijnheer Cascabel, die hen reeds eenigszins begon te verstaan, want zij spraken een zonderling mengelmoes van talen, samengesteld uit woorden van franschen en engelschen oorsprong, ofschoon de inlandsche taal er natuurlijk de grondstof van uitmaakte.—Mooi zoo! riep Cascabel uit. Nu spreek ik al Chinouk! Dat is alweder eene taal, die ik versta, zonder haar ooit geleerd te hebben.Alle volksstammen in het hooge Westen van Amerika, deelde Ro-No hun mede, spreken de Chinouktaal, die tot in de landen van Alaska verstaan en gesproken wordt.Onnoodig te zeggen, dat, dank zij de vroege warmte, die dit jaar was ingevallen, de sneeuw overal gesmolten was. Anders blijft zij somtijds nog in het begin van April liggen. Alles werkte dus samen om hunne reis voorspoedig te maken. Cesar ontzag zooveel als noodig was zijne paarden, maar zette er toch den meest mogelijken haast achter, ten einde zoo spoedig mogelijk het grondgebied van Columbia achter den rug te hebben. Het werd voortdurend warmer en dit konden zij ook merken aan het steeds toenemende aantal muggen, die eindelijk bijna onverdragelijk werden. Het was niet mogelijk deSchoone Zwerfstervoor deze beesten gesloten te houden, ook al werd er zoodra het donker begon te worden, in het geheel geen licht meer opgestoken.—Die satansche beesten! riep Cascabel op eenen avond uit, nadat hij zich te vergeefs in het zweet gewerkt had om ze weg te jagen.—Ik zou wel eens willen weten waar die ellendige muggen toe dienen, zeide Sander.—Zij dienen... om ons opteëten, antwoordde Kruidnagel.—Maar ook om de engelschen hier in Columbia te verslinden, voegde Cascabel er bloeddorstig bij. Daarom, kinderen, mag er geene mug meer doodgemaakt worden. Die engelschen kunnen er nooit genoeg last van hebben en dat is het eenige wat mij eenigszins troost.Met de jacht bleef het steeds voorspoedig gaan. Het wild was zoo overvloedig, dat de herten in het gezicht van den wagen buiten den zoom van het woud in de vlakte kwamen om in de rivier hunnen dorst te lesschen.Door Wagram trouw bijgestaan, schoot Jan er verscheidene, zonder zich verder van den wagen te verwijderen dan de voorzichtigheid toeliet, want zijne moeder was altijd angstig als hij lang uit zicht bleef. Ook Sander ging somtijds mede op de jacht en werd door zijn ouderen broeder in de eerste beginselen daarvan onderwezen. Het was dikwijls moeilijk uit te maken wie het vlugst was, de jongste der beide Nimrods of hun jachthond.Het duurde echter lang eer Jan grooter wild wist te bemachtigen dan herten, maar eindelijk kreeg hij een bison onder schot. Dit was geen gemakkelijke prooi. Bij het eerste schot werd het dier alleen gewond; het kwam woedend op hem af en ofschoon hij het nog een tweeden kogel in den kop joeg, bleef het doorloopen totdat het vlak bij hem was en de hoorns hem bijna raakten. Toen eerst viel het neder. Natuurlijk vertelde hij aan de anderen niets van het gevaar dat hij geloopen had, maar het groote beest, dat met zijn dikke manen veel van een leeuw had en op eenige honderd schreden van de Frazer-rivier gevallen was, woog zoo zwaar dat zij de paarden van den wagen moesten spannen om het weg te sleepen.De bison is een herkauwend dier, dat door de Indianen op verschillende manieren benuttigd wordt en dat zij met de lans en met pijlen te lijf gaan. De huid gebruiken zij om op te slapen of als deken, of zij verkoopen die voor een twintigtal piasters. Het vleesch wordt in de zon gedroogd en daarna in lange repen gesneden, in welken staat het maanden lang bewaard kan blijven om in tijden van schaarschte tot voedsel te dienen.Het dier kwam woedend op hem af. (Zie bladz. 71).Het dier kwam woedend op hem af.(Zie bladz.71).Europeanen lusten in den regel van de bison alleen de tong, maar dit is dan ook eene bijzonder fijne lekkernij. Onze reizigers lieten het echter niet bij de tong. Cornelia wist het vleesch op allerleimanieren te koken, te braden, te roosteren en te stoven, en zoodoende kon het voor verscheidene maaltijden dienen en was ieder er over uit, dat het best smaakte. Van de tong was er voor allen maar een klein stukje, maar dat werd zoo lekker gevonden, dat allen betuigden nog nooit iets fijners geproefd te hebben.Gedurende de eerste veertien dagen van den tocht door Columbia gebeurde er niets anders, dat de moeite waard is vermeld te worden, alleen begon er reeds verandering in het weer te komen. Het zou niet lang meer duren, of hun tocht naar het Noorden zou door de zware regens zoo niet belet, dan toch bemoeilijkt worden.Onder deze omstandigheden stond het te vreezen dat de Frazer-rivier tengevolge van den aanhoudenden was buiten hare oevers treden zou, hetgeen voor deSchoone Zwerfstereene ernstige, ja misschien eene onoverkomelijke hinderpaal had kunnen worden.Gelukkig echter rees het water in de rivier tengevolge van den geweldigen regen wel hoog, maar niet ver boven de oevers, zoodat de vlakte, welke anders ondergeloopen zou zijn tot aan den zoom van het woud dat evenwijdig aan de rivier liep, grootendeels droog bleef. Niet dan langzaam kwam de wagen vooruit, want de wielen kleefden vast aan den doorweekten grond; maar onder het waterdichte dak vonden de reizigers eene veilige schuilplaats tegen regen en wind. Het was trouwens niet de eerste maal dat zij onder soortgelijke omstandigheden de goede eigenschappen van deSchoone Zwerfsterop prijs hadden leeren stellen.VII.Dwars door Caribou.Hoe jammer, dat onze brave Cascabel niet eenige jaren vroeger het gedeelte van Britsch-Columbia bezocht had, dat zich thans voor hem uitstrekte! Hoe jammer dat zijn zwervend gelukzoekersleven hem niet derwaarts gevoerd had in eenen tijd, toen de bodem met goud als bedekt lag en de menschen het slechts hadden opterapen! Waarom was het tafereel, dat Jan zijnen vader schetste van dien verwonderlijken tijd, een beeld van hetgeen geweest was en niet van het tegenwoordige?—Hier hebben wij nu Caribou, vader, zeide Jan. Maar misschien weet gij niet wat Caribou is?—Ik heb er niet het minste vermoeden van, was Cesar’s antwoord. Is het een beest op twee of op vier pooten?—Wat, een beest? riep Napoleona. Toch geen verscheurend dier? Is het groot en bijt het?—Het is in ’t geheel geen beest, hernam Jan; het is eenvoudig een land dat zoo genoemd wordt, en wel het goudland, Columbisch Eldorado. Hoeveel schatten er verborgen lagen en hoeveel lieden er rijk geworden zijn....—En hoeveel anderen er dood-arm werden, viel zijn vader hem in de rede.—Dat is waar, vader, en ik moet er bijvoegen dat dit met de meesten het geval was. Maar er waren toch ook mijnwerkersvereenigingendie een gewicht van een paar duizend marken aan goud iederen dag uit den grond haalden. In eene der Caribou-valleien, Williams-creek genaamd, vonden zij het bij handenvol tegelijk!Hoe overvloedig echter het edele metaal in dit goudland opgehoopt lag, de toeloop van menschen om het te plunderen was nog grooter. Door deze opeenhooping, waaronder zich allerlei gemeen gespuis bevond, werd het leven er uiterst bezwaarlijk en de prijs van alles verbazend hoog. Eten en drinken waren bijna niet te betalen, een pond brood kostte een dollar. Te midden der dichte menschenmassa ontstonden allerlei besmettelijke ziekten. Kortom, de meesten die naar Caribou gestroomd waren, vonden er niets dan ellende en dood. Dat is echter het geval in al die goudlanden, in Californië en Australië zoo goed als hier.—Het zou toch wel aardig zijn, vader, zeide Napoleona, zoo’n bonk goud op den weg te vinden.—Wat zou je daar meê doen, kleuter?—Wat zij er mêe doen zou? vroeg Cornelia. Zij zou het aan haar moedertje geven, die er wel een zak mooie blinkende goudstukken voor zou weten te krijgen.—Wij moeten maar goed zoeken, zeide Kruidnagel, dan vinden wij stellig iets, of het moest zijn....—Of het moest zijn dat wij niets vonden, wilt ge zeker zeggen? viel Jan hem in de rede. Dat is het juist wat er gebeuren zal, want de kas is zoo ledig als eene kas maar bij mogelijkheid zijn kan.—Nu, nu, zeide Sander nog, men kan toch nooit weten!—Heiwat kinderen! begon nu vader Cascabel met zijne meest indrukwekkende stem. Ik verbied u allen op die manier rijk te worden. Geen goud afkomstig uit een engelschen grond! Foei! Laat ons snel maken dat wij voortkomen en ons niet ophouden om eene klomp opterapen, al was zij zoo groot als Kruidnagel zijn hoofd! Eenmaal aan de grens, kinderen, al staat daar ook geen bord met het opschrift: »Voeten vegen s. v. p.,” zullen wij het stof van onze schoenen kloppen, teneinde geen korrel van den Columbiaanschen grond mêe te dragen.Die Cesar Cascabel bleef in dit opzicht altijd dezelfde! Maar de goede man had ditmaal mooi praten, want er bestond heel weinig kans dat iemand meer een klompje goud op den weg zou tegenkomen.Dit nam echter niet weg dat er ondanks het strenge verbod nog dikwijls, zoo lang zij in deze streek waren, met onderzoekende blikken naar den grond gekeken werd. Er lag geen keisteen langs den weg af Napoleona, maar vooral Sander, dacht dat het eenbrok goud was. Waarom zou dat niet kunnen? Is Amerika niet van alle landen ter wereld het rijkste aan edel metaal, rijker dan Australië, Rusland, Venezuela of China?Intusschen was de regentijd ingetreden. Geen dag ging er voorbij of het stortregende. Natuurlijk werden de wegen daar niet beter op en ging het rijden hoe langer hoe bezwaarlijker.De indiaansche gids drong er op aan dat zij spoed zouden maken want hij vreesde dat de kleine riviertjes of beken, die zich in de Frazer-rivier storten en die in den zomer bijna droog loopen, tengevolge van den regen ondoorwaadbaar zouden worden. Gebeurde dit, hoe moesten zij er dan over komen? Er bestond in dat geval veel kans dat deSchoone Zwerfstergedurende al de weken dat de regen aanhield, aan ééne plaats gekluisterd zou blijven. Iedere dag dat zij eerder buiten de Frazer-vallei kwamen, was dus als winst te beschouwen.Zooals wij reeds verteld hebben had de karavaan van de indiaansche stammen, sedert de roofzuchtige Tchilicotten naar het Oosten teruggedrongen waren, niets meer te vreezen. Dit was eene reden tot gerustheid, maar daarentegen waren er nog wilde beesten, onder anderen beren, die in eene afgelegene vallei, aan verschillende zijden door water omringd, als zij door honger gekweld werden, voor reizigers lastig konden wezen.Zoo iets ondervond Sander bij zekere gelegenheid, toen hij bijna het slachtoffer werd van zijne ongehoorzaamheid aan zijnen vader.Dit gebeurde in den namiddag van den 17denMei. Zij hadden den wagen doen stil houden op een vijftig schreden van een riviertje dat zij bijna droogvoets waren overgekomen. Het lag tusschen hooge oevers ingesloten en zou dus een onoverkomelijk beletsel geweest zijn indien het door een plotselingen was tot eenen stroom was aangezwollen.Zij zouden daar een paar uren rust houden. Jan ging dus vooruit om te zien of hij niet wat schieten kon. Sander kreeg last bij den wagen te blijven, maar hij stoorde zich daar niet aan, ging de beek weder over zonder dat iemand het merkte en wandelde den kant op dien zij afgekomen waren, met niets bij zich dan een touw van een voet of twaalf lengte, dat hij als een gordel om zijn middel gewonden had.De knaap had een plannetje gemaakt. Onder weg had hij eenen vogel met schitterende veeren zien zitten. Dien wilde hij weder trachten te vinden om zijn nest uittehalen. Het touw had hij medegenomen teneinde het te gebruiken om als het noodig was in eenen boom te kunnen klimmen.Dit was lang niet voorzichtig, te meer dewijl het weder er alles behalve gunstig uitzag. Donkere wolken kwamen van alle kanten opzetten en er was blijkbaar een onweder in aantocht. Maar houd eens een jongen tegen die een vogelnestje wil gaan uithalen!Al voortloopende geraakte Sander spoedig midden in het dichte woud, waarvan de voorste boomen tot aan den linkeroever der beek stonden. Hij had zijnen vogel weder in het oog gekregen, maar het dier fladderde van den eenen tak naar den anderen, als wilde het hem steeds verder van den weg lokken.Sander dacht aan niets dan zijne prooi en vergat dat deSchoone Zwerfsterreeds over twee uren weder op weg moest. Twintig minuten nadat hij het riviertjeovergegaanwas, bevond hij zich reeds een goede halve mijl in het bosch. Hier was geen spoor van eenen weg meer; tenauwernood een pad tusschen de dennen- en cederboomen, telkens door kreupelhout versperd.De vogel vloog, luid zingende, tusschen de boomen rond en Sander liep hem na zoo hard hij kon, springende als een jonge kat. Het baatte echter niets. Eindelijk verloor hij den vogel tusschen het dichte groen uit het oog.—Loop naar de maan! riep hij, ziende dat het nutteloos was zijnen tocht voort te zetten.Nu bemerkte hij eerst dat de lucht geheel met zware wolken overdekt was geworden. Reeds lichtte het van tijd tot tijd te midden van het dichte groen.Dat was de flikkering der eerste bliksemstralen, die spoedig door het gerommel van den donder gevolgd werden.—Ik moet maken dat ik wegkom; dacht de knaap; maar wat zal vader wel zeggen?Op dit oogenblik werd zijne aandacht getrokken door eenen steen van zonderlingen vorm, zoo groot ongeveer als een pijnappel, waar zich hier en daar metaalachtige stippen op vertoonden.Dat was genoeg om Sander te doen denken dat het een klomp goud kon zijn, die de goudgravers hier hadden laten liggen. Met eenen kreet van vreugde raapte hij den steen op, bekeek hem van alle kanten en stak hem in zijn zak, met het stellige voornemen echter om er niemand iets van te vertellen.—Wij zullen later wel eens zien wat zij zeggen zullen, dacht hij, als ik er klinkende munt voor in de plaats heb gekregen!Nauwelijks had hij zijne kostbare vondst bij zich gestoken of het onweder barstte in volle hevigheid los. Op eens liet zich tusschen het rommelen der donderslagen, dat van alle zijden door de bergen weerkaatst werd, een hevig gebrul hooren.De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl. 77).De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl.77).Een twintigtal schreden van Sander af vertoonde zich buiten een kreupelboschje een groote beer, van de soort die in Noord-Amerikagrizzly-beer genoemd worden.Sander was niet bang van aard, maar nu zette hij het toch zoo hard hij kon op een loopen, den kant van het riviertje op. De beer hem na. Gelukte het den knaap bijtijds aan de beek te komen en den anderen oever te halen, dan was hij in veiligheid. De anderen zouden den beer wel aan den kant van het riviertje op eenen afstand houden, of indien zij er kans toe zagen hem neerschieten. Zijne huid was geld waard.Maar het stortregende, de bliksemstralen volgden elkander op, de donder was geen oogenblik van de lucht. Sander was reeds tot op het lijf toe nat, zijne doorweekte kleederen maakten het loopen hem moeielijk, ieder oogenblik dreigde hij op den glibberigen grond uitteglijden, en indien hij viel, was de beer hem dadelijk op het lijf. Gelukkig gebeurde dit echter niet. Na bijna een kwartier loopens kwam hij ademloos aan den oever der beek.Hier echter kon hij niet verder. Het riviertje was in een woesten stroom veranderd, het water tot aan den oeverrand gerezen, rotsblokken, boomtakken, heele stammen werden in woeste vaart er in medegesleurd. In dien draaikolk te springen, was een wissen dood te gemoet gaan. Op redding bestond niet de minste kans.Terugkeeren dorst Sander niet. De beer was hem dicht op de hielen. De reizigers en deSchoone Zwerfster, die hij tusschen de boomen ternauwernood zien kon, kon hij niet te hulp roepen.De zucht tot lijfsbehoud deed hem, bijna zonder er over te denken, het eenige middel aangrijpen waardoor hij misschien behouden kon blijven.Een pas of vijf van hem vandaan stond een groote cederboom, waarvan de onderste takken over de beek heen hingen.De knaap vloog naar den stam, die gelukkig niet al te dik was. Hij sloeg zijne armen er om heen, trok zich aan de uitstekende punten in de schors naar boven en kwam zoodoende tot het punt waar de stam zich splitste. Vandaar klom hij tusschen de takken verder naar boven. Een aap zou het hem niet verbeterd hebben, maar men moet bedenken dat onze jonge kunstenmaker aan zulke lichaamsoefeningen gewoon was. Nu geloofde hij zich in veiligheid.Daarin vergiste hij zich echter. De beer was eerst eene poos bij den boom blijven staan, maar maakte zich nu ook gereed er in te klimmen. Hem te ontkomen was moeielijk, want eenmaal aan ’t klauteren, kon het beest evengoed als Sander tusschen de bovenste takken komen.een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz. 79)een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz.79)Maar Sander behield zijne tegenwoordigheid van geest. Niet voor niets was hij de zoon van den vermaarden Cascabel en gewend zich uit allerlei moeilijkheden te redden.Hij moest zien dat hij weer uit den boom en de beek overkwam. Maar hoe? De regen bleef bij stroomen neervallen, ieder oogenblik wies het water, reeds stond het hooger dan de tegenover liggende oever en stroomde het den kant uit waar de wagen was blijven staan.Om hulp roepen kon hem niet baten, want er was geen mogelijkheid dat zijne kreten te midden van het geweld van storm, regen en stroom gehoord werden. Bovendien, wanneer Cascabel, Jan of Kruidnagel op de gedachten mochten zijn gekomen om den afwezige te gaan zoeken, dan moesten zij den anderen kant opgegaan zijn, maar zouden zij zeker niet de richting der beek gevolgd hebben, welke zij niet konden weten dat Sander weer overgegaan was.Intusschen was de beer reeds aan ’t klimmen, wel langzaam, maar hij kwam toch vooruit. Reeds was hij bijna aan de splitsing van den stam. Sander trok zich op naar de hoogere takken.Op eens kreeg de knaap eenen inval. Enkele takken van den cederboom hingen tot op eenen afstand van een voet of tien boven de beek. Haastig rolde hij het touw los dat hij om zijn middel gebonden had, maakte daar eene lus in en wierp die om het uiteinde van een der overhangende takken. De lus hield en hij trok den tak naar zich toe, zoodanig dat die overeind kwam te staan.Dat alles gebeurde in weinige oogenblikken, behendig en met slim overleg.Hij had geen tijd te verliezen. Reeds was de beer boven de benedenste takken, reeds klauterde hij van den eenen tak op den anderen.Toen klemde Sander zich stevig vast aan het uiteinde van den overeindstaanden tak en liet dien daarna terugspringen alsof het een veer was. Als een steen, die uit een katapult geslingerd wordt, vloog hij over de beek heen. Hij maakte nog eenen luchtsprong en kwam op den rechteroever te land, terwijl de beer, heelemaal overbluft, zijne prooi die hem door de lucht ontsnapte nastaarde.—Zoo’n straatjongen!Met deze woorden verwelkomde hem vader Cascabel, die den onvoorzichtigen knaap in alle richtingen tevergeefs gezocht had en juist op dit oogenblik met Jan en Kruidnagel aan den oever der beek kwam.—Kwajongen, herhaalde hij, wat een angst hebben wij uitgestaan!—Ja vader, ik heb een pak slaag verdiend, antwoordde Sander. Sla er maar op!Maar Cascabel dacht niet aan slaag. Hij pakte den jongen op en omhelsde hem, terwijl hij zeide:—Pas op dat je het niet weer doet, want dan.....—Dan geeft u me toch wéér een zoen! zei Sander, terwijl hij zelf zijnen vader om den hals pakte.Op eens riep hij:—Kijk dien beer eens! Hij staat te kijken of hij van Lotje getikt is, zoo’n lummel!Jan had wel lust gehad het beest, dat zich langzaam verwijderde, eenen kogel achterna te sturen, maar er viel niet aan te denken om het te vervolgen. Het water bleef steeds wassen, zij hadden niets beters te doen dan te maken dat zij wegkwamen en allen keerden dus naar deSchoone Zwerfsterterug.VIII.Het “Schurkendorp”.Acht dagen later, den 26denMei, kwam de reiswagen in de nabijheid der bronnen van de Frazer. Het was dag en nacht blijven doorregenen, maar nu, meende de gids te kunnen verzekeren, kon het niet lang meer duren of er moest verandering van weer komen.Zij trokken de rivier bij haren oversprong over, waar het terrein weder in hooge mate golvend was. Daarna gingen zij met deSchoone Zwerfsterrecht den kant van het Westen op.Nog een dag of wat rijdens en de karavaan zou aan de grens van Alaska komen.Sedert eene week hadden zij geen dorp of gehucht meer op hunnen weg ontmoet. Over de diensten van den indiaan Ro-No konden zij niet anders dan tevreden zijn; hij kende het land op een prik.Dien dag waarschuwde de gids Cascabel, dat het misschien niet kwaad zou zijn een etmaal rust te houden in een nabijgelegen dorp, want dat de paarden zichtbaar moede waren en het dus wel noodig hadden.—Wat is dat voor een dorp? vroeg Cascabel, die alles wat in Britsch-Columbia was nog altijd wantrouwde.—Het heet Schurkendorp, antwoordde de gids.—Wat zeg je, Schurkendorp?—Ja, bevestigde Jan, die naam staat ook op de kaart. Ik denk dat het de verbasterde naam is van een indiaanschen stam, waarvan de klank min of meer op »schurk” leek.—Voor mijn part is het een mooie naam, bromde Cascabel. Als er engelschen wonen, al waren het er maar een half dozijn, is er zeker geen betere te bedenken.Denzelfden avond hield deSchoone Zwerfsterdus stil bij de eerste huisjes van het dorp. Nog maar drie dagen en de grens tusschen Britsch-Columbia en de russische bezittingen zou door hen overschreden worden.Dan zou dus ook Cesar zijne opgeruimdheid terugkrijgen, die hij gemist had zoo lang hij op het gebied Harer britsche Majesteit vertoefde.Schurkendorp was oorspronkelijk alleen door indianen bewoond geweest. Er bevonden zich echter eenige engelschen, jagers uit liefhebberij of om den broode, die er slechts gedurende de maanden van het jachtseizoen verblijf hielden.Onder hen waren ook eenige officieren van het garnizoen te Victoria. Een hunner, een baronet, Sir Edward Turner, was een trotsch, aanmatigend man, een twistzoeker van natuur en bovendien een van die engelschen, die denken dat hun alles geoorloofd is omdat zij engelschen zijn. Het spreekt van zelf, dat hij aan franschen voor het minst een even grooten hekel had als Cesar Cascabel aan engelschen. Die twee maakten dus samen een mooi span!Denzelfden avond toen zij in het dorp gekomen waren, terwijl Jan, Sander en Kruidnagel er op uit waren om inkoopen te doen, hadden de honden van den edelen baronet niet ver van deSchoone Zwerfstereene ontmoeting met Wagram en Marengo, die opgevoed waren in denzelfden volkshaat welken hun meester koesterde.Tusschen den poedel en den patrijshond aan den eenen, en depointersaan den anderen kant bestond dus reeds dadelijk eene gespannen verhouding. Het kwam tot blaffen, de tanden laten zien, elkander bijten, totdat eindelijk de wederzijdsche eigenaars op het lawaai afkwamen.Sir Edward Turner woonde in een huis aan het begin van het dorp. Met opgeheven zweep schoot hij op de twee honden van Cascabel toe.Dit was genoeg voor dezen om tegen den baronet partij te trekken voor zijne viervoetige reisgenooten.Sir Edward Turner, die zeer netjes fransch sprak, zag terstond met wien hij te doen had. Onbeschaamd als hij ten allen tijde was, vond hij niet de minste reden om den kunstenmaker en diens landgenooten in het algemeen niet »echt engelsch”, uit de hoogte te behandelen.Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz. 84).Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz.84).Ieder kan begrijpen hoe Cascabel geneigd was, dat op te nemen.Maar hij wilde zich geen onaangenaamheden op den hals halen, vooral niet op engelsch grondgebied, en geen gevaar loopen vertraging in zijne reis te ondervinden. Hij hield zich dus in en antwoordde op eenen toon waar niets op aan te merken viel:—Uwe honden zijn begonnen met de mijne aan te vallen, mijnheer.—Uw honden? antwoordde de edelman, koorddansershonden! Die verdienen niets anders dan een knauw of een pak ransel!—Ik moet u doen opmerken, hernam Cesar, onwillekeurig driftig wordende, dat hetgeen gij daar zegt niet te pas komt voor eengentleman.—Voor een kerel als jij heb ik toch geen ander antwoord.—Mijnheer, ik wil beleefd blijven, maar gij zijt een vlegel!—Weet je wel met wien je te doen hebt? Ik heet Sir Edward Turner, baronet!Cascabel was nu zijne drift niet langer meester. Bleek, met fonkelende oogen en dreigende vuisten kwam hij op den baronet af, toen Napoleona hem kwam roepen.—Vader, riep zij, moeder vraagt naar u!Cornelia had haar dochtertje gestuurd omdat zij wilde dat haar man naar den wagen terugkeerde.—Ik kom dadelijk, antwoordde hij. Napoleona, zeg aan uwe moeder dat ik eerst een praatje met dien heer heb te houden.Toen hij dien naam hoorde, begon de engelschman verachtelijk te lachen.—Napoleona! zeide hij. Een mooie naam voor zoo’n meid! Die schavuit.....Dat was meer dan Cascabel verdragen kon. Met over de borst gekruiste armen stapte hij vooruit tot vlak bij den engelschman.—Gij beleedigt mij! begon hij.—Zoo, beleedig ik u?—Dat niet alleen, maar gij beleedigt een groot man, die uw heele eiland ingepakt zou hebben als hij goedgevonden had er heen te gaan.—Ei, ei!—Hij zou het ingeslikt hebben als een oester!—Onbeschaamde praatjesmaker!De engelschman was een weinig teruggegaan en stelde zich in postuur als een bokser, gereed om van zich afteslaan.—Mijnheer de baronet, gij hebt mij beleedigd en zult mij daar rekenschap van geven!—Rekenschap geven aan een kunstenmaker!—Door hem te beleedigen zijt gij zijns gelijke geworden. Wij zullen vechten zooals gij verkiest, met den degen, het pistool, den sabel of de vuist.—Waarom niet met een paar varkensblazen, spotte de baron, als paljassen voor eene tent!—Verdedig u!—Wie gaat er nu vechten met een kermisklant?—Ja zeker, schreeuwde Cascabel, buiten zichzelven van woede, met zoo’n kermisklant zal je vechten,... of je krijgt van hem een pak slaag!Zonder er aan te denken dat de engelschman hem wel eens de baas kon zijn in het boksen, waar deze soort van heeren zich van hunne jeugd af in oefenen, zou Cesar hem te lijf gegaan zijn, ware niet Cornelia in persoon komen toesnellen om hem tegen te houden.Op hetzelfde oogenblik kwamen eenige officieren, wapenbroeders en jachtgezellen van sir Edward Turner, op het standje af. Zij wilden niet toelaten dat iemand van zijnen stand zijne handen vuil zou maken aan zoo’n »kerel” en scholden de geheele familie Cascabel uit voor al wat leelijk is. Van die scheldwoorden trok de vastberadene Cornelia zich echter niets aan—ten minste zij deed alsof zij ze niet hoorde. Alleen wierp zij sir Edward Turner eenen blik toe, die dezen, indien hij haar beter gekend had, niet bijzonder gerust zou hebben doen zijn over den afloop van het geval.Intusschen waren ook Jan, Kruidnagel en Sander komen aanloopen en er scheen kans te bestaan op eene algemeene kloppartij, maar ook dit voorkwam moeder Cascabel, door op bevelenden toon te zeggen:—Kom meê, Cesar, en jullie allemaal marsch! Naar deZwerfster! Niemand heeft hier iets te maken!Niet een kreeg het in zijn hart om een woord tegen te spreken.Hoe Cascabel dien avond in zijn humeur was, behoeven wij niet te zeggen. Dat hij persoonlijk beleedigd was, kwam er minder op aan, maar dat zoo’n engelschman het gewaagd had zijn grootsten held te bespotten! Hij wilde hem te lijf, hij zou hem op zijn gezicht slaan, hem en al zijne kameraads, al de schurkachtige bewoners van Schurkendorp. De jongens wilden niets liever dan met hun vader meê van leer te trekken. En Kruidnagel, die zwoer dat hij den engelschman zijn neus zou afbijten..... of als het niet anders kon, dan maar een oor!Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedaren te brengen. (Zie bladz. 87).Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedarentebrengen. (Zie bladz.87).Cornelia had vrij wat moeite om al die driftkoppen tot bedaren te brengen. Te meer dewijl zij erkennen moest dat het ongelijk geheelaan den kant van sir Edward Turner was en dat zoowel haar man als de geheele troep behandeld was op eene manier zooals de ergste vagebonden het elkander niet doen zouden.Maar Cornelia vond dat hun toestand al zorgelijk genoeg was en zij niet noodig hadden dien nog erger te maken. Toen haar man er op staan bleef dat hij den baronet eene rammeling moest gaan toedienen, beet zij hem eindelijk toe:—Dat zul je laten Cesar! Ik verkies het niet!Daar was Cascabel niet tegen opgewassen. Als zijne vrouw op dien toon sprak, gaf hij haar altijd gelijk.Cornelia had rust noch duur zoo lang zij het verwenschte dorp niet achter den rug hadden. Waren zij eerst maar een mijl of wat noordelijker, dan kon zij weder gerust ademhalen. Teneinde overtuigd te zijn dat niemand gedurende den nacht buiten den wagen kwam, sloot zij niet alleen zelve de deur aan den binnenkant, maar bleef zij den geheelen nacht buiten deSchoone Zwerfsterde wacht houden.Den volgenden ochtend, dat was den 27stenMei, maakte Cornelia te drie uur den geheelen troep wakker. Uit overmaat van voorzichtigheid wilde zij vóór het aanbreken van den dag op weg, zoodat geen mensch, geen engelschman, geen indiaan, iets van hun vertrek kon merken. Dat was zeker het beste middel om alle verdere onaangenaamheden te voorkomen, maar zelfs toen maakte de anders zoo bedaarde vrouw een haast onbegrijpelijken spoed. Zij verkeerde in eenen toestand van zeldzame opgewondenheid, keek aanhoudend met onderzoekende blikken rond, was overal bij en kon geen woorden genoeg vinden om haren man, hare zonen en Kruidnagel, die geen van allen haast genoeg naar haren zin maakten, hunne langzaamheid te verwijten.—Hoeveel dagen hebben wij nog noodig om over de grens te komen? vroeg zij hunnen gids.—Een dag of drie, antwoordde Ro-No.—Opgepakt dan! hernam Cornelia. Vóór alles is het noodig, dat wij niet meer gezien worden.Intusschen moet niemand zich verbeelden, dat Cesar de beleediging van den vorigen dag vergeten had. Deze plek te verlaten, zonder dat hij den baronet zijne onbeschoftheid betaald had gezet, was een hard gelag voor onzen vurigen franschman, die daarenboven nog al de koppigheid van een echten normandiër bezat.—Dat komt er van, schold hij, als men eenmaal den voet zet in zoo’n smeerlappenland!Meer dan eens voelde hij nog lust den kant van het dorp uittegaan, in de hoop, dat het toeval hem sir Edward Turner wederzou doen ontmoeten. Hij keek met vurige blikken naar de gesloten vensterblinden van het huis waar de baronet woonde, maar hij dorst zich niet te verwijderen buiten de oogen der waakzame Cornelia, die hem geen oogenblik aan zichzelf overliet.—Waar ga je naar toe, Cesar?... Blijf bij mij, Cesar! Ik verkies niet dat je van den wagen afkomt, Cesar!Zoo ging het aanhoudend door. Nog nooit, zoolang hij getrouwd geweest was, had Cascabel zich met zulke onverbrekelijke boeien aan zijne dierbare wederhelft vastgeklonken gevoeld.Dank zij al dit drijven en jagen werd er meer dan gewoonlijk haast gemaakt en stonden de paarden spoedig voor den wagen. Te vier uur ’s nachts zat al wat leven had, de honden, de aap en de papegaai, het hoofd van het gezin met zijne zonen en zijn dochtertje, binnen in deSchoone Zwerfsteropgesloten. Cornelia ging zelve op den bok zitten, Kruidnagel en de gids vatten de paarden bij den teugel en voort ging het.Een kwartier later was er van Schurkendorp niets meer te zien te midden van het dichte groen der boomen, die het aan alle zijden omringden. Het begon pas eenigszins licht te worden; alles was doodstil. Op de onafzienbare vlakte, die zich vóór hen naar het Noorden uitstrekte, was geen levend wezen te bespeuren.Toen eerst, toen zij niet de geringste vrees meer behoefde te koesteren dat iemand in het dorp iets van hunnen aftocht bemerkt had, en toen Cornelia er gerust op meende te mogen rekenen dat geen indiaan of engelschman haar iets in den weg zou kunnen leggen, begon zij weder haar gewone vriendelijke gezicht te toonen. Dat maakte haren man in den grond van zijn hart een weinig gemelijk.—Voor dat volk daar ginder moet ge dan toch al heel erg bang geweest zijn, Cornelia, merkte hij op.—Erg bang, was al wat zijne vrouw antwoordde.In de drie dagen, die volgden, gebeurde er niets bijzonders. Toen eindelijk, zooals de gids voorspeld had, kwamen zij op de uiterste grens van Britsch-Columbia.DeSchoone Zwerfsterreed tot aan gene zijde der grenslijn. Daar hield zij op het grondgebied van Alaska stil.Zij hadden nu niets anders meer te doen dan afterekenen met Ro-No, die hen ijverig en trouw gediend had. Hij werd bedankt voor zijne diensten en nam toen van het reisgezelschap afscheid, na hun den laatsten weg gewezen te hebben in de richting van Sitka, de hoofdstad der russische bezittingen in Noord-Amerika.Nu hij eindelijk niet meer onder het britsche gezag ademde,zou men misschien denken dat Cesar Cascabel zijn goede humeur dadelijk terugkreeg. Het had er echter niets van. Drie dagen waren er reeds voorbij sedert hij in Schurkendorp de ontmoeting met den engelschman gehad had, maar nog altijd brandde de ondervonden beleediging hem op het hart. Hij kon dan ook niet nalaten tot Cornelia te zeggen:—Dat ge mij ook niet hebt laten gaan om dien lord zijne bekomst te geven!—Dat was al gebeurd Cesar, zeide moeder Cascabel op den eenvoudigsten toon ter wereld.Het was werkelijk gebeurd, en goed ook!Laat in den avond, toen allen in den wagen gerust lagen te slapen en de deur zorgvuldig op het slot was, had Cornelia zich naar de woning van den baronet begeven. Juist stapte hij de deur uit om naar de plek, waar de jagers samen moesten komen, te gaan. Zij volgde hem een tijd lang in het eenzame bosch. Toen had zij hem ingehaald en daar, met niemand tot getuige dan de zwijgende boomen, had «de eerste worstelares van den prijskamp te Chicago” den edelman een pak ransel toegediend, waar hij in eerste uren niet van kon opstaan. Eerst den volgenden ochtend kwam sir Edward Turner weer op de been, maar met pijn in al zijne ledematen. Nog een heelen tijd droeg zijn lichaam de sporen van zijne ontmoeting met deze beminnelijke vrouw.—O Cornelia! riep haar man, toen hij dit uit haren mond vernam, u dank ik het dat mijne eer gewroken is! Niemand is waardiger den naam Cascabel te dragen dan gij!
VI.Vervolg van de reis.Voor de eerste maal in zijn leven zette Cesar Cascabel, de natuurlijke en onverzoenlijke vijand van Groot-Brittannië, den voet op engelschen bodem! Nog nooit had het stof van dezen grond, dien hij instinktmatig haatte, aan zijne zolen gekleefd. Onze lezers moeten niet denken dat wij deze overdreven uitdrukkingen billijken, maar op eene andere wijze kunnen wij geen denkbeeld geven van de vrij belachelijke voorstelling, welke onze kermiskunstenaar zich maakte van de gevoelens die ieder goed franschman koesteren moet tegenover den zoogenaamden erfvijand van zijn land. Dit was een dwaas vooroordeel en in ’t geheel niet in overeenstemming met de begrippen van onzen tijd, maar de man was eenmaal niet anders.Hij zag daarbij nog over ’t hoofd dat Columbia geen europeesch land is en dus geen deel uitmaakt van het echte Groot-Brittannië, bestaande uit Engeland, Schotland en Ierland, waartegen in vroeger tijd de volkshaat der franschen gericht was. Voor Cesar Cascabel was het genoeg dat de britsche vlag er wapperde, evenals zij bijvoorbeeld wappert boven de Indiën, Australië of Nieuw-Zeeland.Britsch-Columbia is eene provincie van Nieuw-Brittannia, waaronder eene van de belangrijkste koloniale bezittingen der engelschen verstaan wordt, want de geheele Canada-Dominion, dat is Boven- en Beneden-Canada, alsmede de onmetelijke uitgestrektheden landsdie aan de Hudsonsbaai-compagnie zijn afgestaan, behooren ertoe. Twee oceanen, de Stille en de Atlantische, begrenzen het aan den West- en den Oostkant. De Zuidergrens vormen de Vereenigde Staten en deze loopt van het Washington-territorium in het Oosten tot den Staat Maine in het Westen.Er was dus geen mogelijkheid voor onze karavaan om op haren tocht naar het Noorden deze engelsche bezitting te ontwijken. Wel waren het maar een paar honderd mijlen, want zoo lang is de kortste lijn tot aan de zuidelijke grens van Alaska, waar het russische gebied in westelijk Amerika eenen aanvang neemt. Maar twee honderd mijlen mochten eene kleinigheid wezen voor deSchoone Zwerfster, die wel andere reizen achter den rug had, het was toch precies tweehonderd maal meer dan Cesar Cascabel pleizierig vond in zulk een «vervloekt land” te vertoeven. Hij deed dus wat hij kon om het oponthoud zoo kort mogelijk te doen zijn.Er zou dus nergens halt gehouden worden als alleen om te eten en te rusten. Ook van kunstenmaken, koorddansen of worstelen mocht niets inkomen. De familie Cascabel zou geen paarlen voor de zwijnen werpen en geen engelsche oogen op hare toeren vergasten.Voor muntstukken met het borstbeeld van koningin Victoria koesterde zij niets dan minachting en een papieren dollar was haar meer waard, dan een zilveren kroon of een gouden pond sterling.Met deze voornemens bezield, kozen de passagiers derSchoone Zwerfsterhunnen weg zoover mogelijk buiten de steden of dorpen. Als zij onder weg gelegenheid vonden om door de jacht aan leeftocht te komen, behoefden zij hunne beurs niet open te maken en de winkeliers in dit verafschuwde land geen voordeel van hunne reis te doen hebben.Niemand verbeelde zich dat dit eene soort van aanstellerij van Cesar Cascabel was, het ging bij hem inderdaad van harte. Kalm als een wijsgeer had hij zich geschikt in de grievende teleurstelling welke hij ondervonden had; weinige uren waren voldoende geweest om hem na den schandelijken diefstal zijne opgeruimdheid te doen herkrijgen; maar van het oogenblik af dat hij de grens van Nieuw-Brittannië overtrok, was hij kregelig en uit zijn humeur. Met een zuur gezicht, het hoofd voorover en zijnen hoed over de ooren liep hij voort, terwijl hij met stuursche blikken de onschuldige voetgangers, die hij tegenkwam, monsterde. Hij was niet goed-lachs meer zooals anders en dat ondervond Sander bij eene grap die hij zich veroorloofde, maar die met een onverwachten uitbrander beloond werd.Op een mooien dag ging die kwajongen opeens achteruit loopen,wel een kwartier lang, waarbij hij de gekste bokkensprongen en grimassen maakte.Knorrig vroeg zijn vader wat het beduidde om zich op die manier veel meer te vermoeien dan noodzakelijk of nuttig was.—Wel, wij reizen immers den verkeerden kant uit! was Sander’s antwoord.Al de anderen schoten in eenen lach, zelfs Kruidnagel, die het een heel geestig gezegde vond... als het tenminste niet uiterst flauw was.—Sander, klonk het echter op strengen toon uit den mond van het hoofd des gezins, als je weer van die aardigheden verkoopt op oogenblikken dat het in ’t geheel niet te pas komt, zal ik zoodanig aan je ooren trekken dat ze op je hielen komen te hangen!—Maar vader.....—Mond gehouden! zoo lang wij in dit land van engelschen zijn, wordt er geen gekheid gemaakt.Van dit oogenblik af waagde niemand meer eene grap in tegenwoordigheid van den geweldigen Albion-hater, al voelden de anderen ook niet zoo ’n heftigen afkeer van engelschen.Dit gedeelte van Britsch-Columbia, dat zich uitstrekt tot aan de kust van den Stillen Oceaan, is zeer ongelijk van bodem. In het Oosten vormt het Rotsige Gebergte een hoogen scheidsmuur, die zijne vertakkingen tot in de poollanden uitzendt, en naar het Westen wordt de kust van Bute, die door een aantalfjords, even als de Noorweegsche kust, wordt ingesneden, beheerscht door schilderachtige en hooge rotsgevaarten. Zulke steilten worden nergens in Europa aangetroffen, zelfs niet in het land der Alpen, terwijl de gletschers in uitgestrektheid en diepte de Zwitschersche verre overtreffen. Zoo is bij voorbeeld de berg Hocker niet minder dan vijf duizend achthonderd meter hoog, dat is duizend meter meer dan de Mont Blanc, en is de berg Brun, ofschoon lager dan de eerstgenoemde, toch weder hooger dan de reus der Alpen.Gelukkig voor onze karavaan ligt er tusschen de gebergten van het Oosten en het Westen eene breede en vruchtbare vallei, waar open vlakten en trotsche wouden elkander afwisselen. Langs den straatweg, die door dit dal loopt, stroomt eene belangrijke rivier, de Frazer, die over eene lengte van ongeveer honderd mijlen van Zuid naar Noord stroomt, en zich uitstort in den nauwen zeearm, welke ingesloten wordt door de kust van Bute, Vancouver-eiland en eene ontelbare menigte kleine eilandjes.Vancouver-eiland is tweehonderd vijftig geografische mijlen lang en drieenzeventig mijlen breed. De portugeezen hebben er zicheerst meester van gemaakt, maar later zijn deze verdrongen door de Spanjaarden, die er in 1789 bij tractaat bezitters van werden. Vancouver heeft het eiland driemaal bezocht in den tijd toen het door de inboorlingen nog Noutka geheeten werd; het heeft een tijdlang den naam van dien engelschen ontdekker en tevens dien van den spaanschen kapitein Quadra gedragen, maar in de laatste jaren van de achttiende eeuw is het voorgoed in handen van de engelschen overgegaan.De hoofdplaats van het eiland is Victoria, maar Nanaimo is de grootste stad. Vertegenwoordigers van de Hudsonsbaai-compagnie hebben het eerst de rijke kolenmijnen ontgonnen, die tegenwoordig onder de belangrijkste afvoerbronnen behooren, welke de drukke scheepvaart tusschen San Francisco en de verschillende punten der Westkust van Noord-Amerika voeden.Een weinig noordelijker danVancouver-eiland ligt Queen-Charlotte-eiland, het grootste der eilandengroep van dien naam die mede behoort tot Engelands uitgestrekte bezittingen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan.Ieder begrijpt, dat Cascabel er even weinig aan dacht de steden op deze eilanden te gaan bezoeken als hij den voet had willen zetten in Adelaïde of Melbourne in Australië, of in Madras of Calcutta in Britsch-Indië. Zoo snel zijne paarden voortwilden trok hij de vallei der Frazer-rivier door en hij zorgde met geen andere bewoners in aanraking te komen dan met de lieden van het indiaansche ras.Zoolang de reizigers zich in dit dal bevonden, hadden zij geene moeite om aan het noodige wild te komen, dat in de dagelijksche behoefte der tafel ruimschoots voorzag. Aan herten, hazen en patrijzen was geen gebrek, en die brave beesten—merkte Cesar op—die zijn oudste zoon met zelden falende hand het lood in het lijf joeg, dienden op die manier ten minste tot voedsel voor eerlijke lieden. Zij zelven hadden geen droppel engelsch bloed in hunne aderen en ze konden door een franschman opgegeten worden zonder dat hun vleesch hem walgde!Even voorbij fort Langley reed de reiswagen de diepe kloof der Frazer-vallei binnen. Een eigenlijke rijweg was hier niet; de grond lag als aan zichzelf overgelaten; op den rechteroever der rivier strekten groote grasvelden zich uit, in het westen begrensd door dichte wouden, waarboven ver naar achteren de hooge bergen tegen de meestal grijsachtig gekleurde lucht afstaken.Niet ver van New-Westminster, eene van de voornaamste steden in het kustland van Bute, aan de monding der Frazer-rivier gelegen,was de wagen, op raad van Jan, op eene daar liggende veerpont naar den anderen oever overgezet. Dit was eene goede voorzorg, want deSchoone Zwerfsterhad nu slechts de rivier te volgen om langs den kortsten en den gemakkelijksten weg een gedeelte van het russische gebied van Alaska te bereiken, dat een eind over de grens van Columbia uitsteekt.Bovendien was het toeval Cascabel gunstig geweest en had hij eenen gids ontmoet, die zich bereid verklaard had hem den weg tot aan de russische grens te wijzen. Dit was een brave indiaan en zij hadden geen reden om spijt te hebben over het vertrouwen dat zij in hem stelden. Natuurlijk kostte het weder eenig geld, maar het was beter een dollar of wat meer uit te geven dan zuinig te zijn ten koste van de veiligheid en den spoed.De gids heette Ro-No en behoorde tot een der stammen wiertyhis, dat wil zeggen wier opperhoofden, in levendig verkeer met europeanen zijn. Dit is een geheel ander soort van indianen dan de Tchilicotten, die tot een valsch, wreedaardig, woest en trouweloos menschenras behooren, en voor wie de reizigers in het noordwesten van Amerika niet genoeg op hunne hoede kunnen zijn. Nog in 1864 hebben deze straatroovers het geheele personeel, dat bezig was met opmetingen voor het aanleggen van eenen spoorweg op de kust van Bute, helpen vermoorden. Ook de ingenieur Wadington, wiens dood in de geheele kolonie betreurd werd, was in hunne handen gevallen en ellendig omgebracht. In dien tijd, werd er verhaald, hadden de Tchilicotten het hart van een hunner slachtoffers uit zijn lichaam gescheurd en verslonden, zoodat zij toen nog op ééne lijn stonden met de menscheneters op de afgelegen eilanden in Polynesië.Jan had eene beschrijving van deze wreedheden gelezen in het verhaal der reis van Frederick Whymper door Noord-Amerika en zijnen vader gewaarschuwd voor eene mogelijke ontmoeting met de Tchilicotten; maar zij hadden samen afgesproken daar niets van aan de anderen te vertellen, ten einde hen niet noodeloos ongerust te maken. Bovendien waren deze Roodhuiden sedert deze gebeurtenissen voorgevallen waren, voorzichtig op eenen afstand gebleven, want eenige hunner, van wie bewezen was dat zij de meeste schuld aan deze euveldaden hadden, waren door beulshanden opgeknoopt. Dit had een heilzamen schrik teweeggebracht en de gids Ro-No verzekerde ten stelligste dat de karavaan op haren verderen tocht door Britsch-Columbia niets te vreezen had.Ro-No, de gids. (Zie bladz. 68).Ro-No, de gids. (Zie bladz.68).Het weder bleef bij voortduring gunstig en des middags tusschen twaalven en tweeën begon het reeds ter dege warm te worden.Aan alle takken prijkten de berstende en met sappen gevulde knoppen; nog een korten tijd en de eerste bladeren en bloemen zouden het woud met de teedere kleuren der lente sieren.Het landschap vertoonde nu de eigenaardige karaktertrekken aan noordelijke landen eigen. De Frazer-vallei wordt ingesloten door wouden, waarin de boomsoorten van het Noorden de bovenhand hebben. Dit zijn ceders en dennen, en eene pijnboomsoort, Douglas genaamd, waaronder stammen gevonden worden van vijftien meters omtrek op den grond en van meer dan honderd voet hoogte. In bosschen en beemden wemelde het van wild en Jan behoefde niet ver af te dwalen om dagelijks in de behoeften der keuken te voorzien.Het land was voor het overige niet woest of verlaten. Dikwijls trokken zij dorpen voorbij waar de Indianen het vrij goed met de engelsche ambtenaren schenen te kunnen vinden. In de rivier vertoonden zich heele vloten van cederhouten vaartuigen die zich lieten afdrijven op den stroom of er tegen opvoeren met kracht van pagaaien en zeilen.Dikwijls kwamen zij ook troepen Indianen op weg naar het Zuiden tegen. Zij liepen in hunne witte wollen mantels gewikkeld en wisselden gewoonlijk eenige woorden met mijnheer Cascabel, die hen reeds eenigszins begon te verstaan, want zij spraken een zonderling mengelmoes van talen, samengesteld uit woorden van franschen en engelschen oorsprong, ofschoon de inlandsche taal er natuurlijk de grondstof van uitmaakte.—Mooi zoo! riep Cascabel uit. Nu spreek ik al Chinouk! Dat is alweder eene taal, die ik versta, zonder haar ooit geleerd te hebben.Alle volksstammen in het hooge Westen van Amerika, deelde Ro-No hun mede, spreken de Chinouktaal, die tot in de landen van Alaska verstaan en gesproken wordt.Onnoodig te zeggen, dat, dank zij de vroege warmte, die dit jaar was ingevallen, de sneeuw overal gesmolten was. Anders blijft zij somtijds nog in het begin van April liggen. Alles werkte dus samen om hunne reis voorspoedig te maken. Cesar ontzag zooveel als noodig was zijne paarden, maar zette er toch den meest mogelijken haast achter, ten einde zoo spoedig mogelijk het grondgebied van Columbia achter den rug te hebben. Het werd voortdurend warmer en dit konden zij ook merken aan het steeds toenemende aantal muggen, die eindelijk bijna onverdragelijk werden. Het was niet mogelijk deSchoone Zwerfstervoor deze beesten gesloten te houden, ook al werd er zoodra het donker begon te worden, in het geheel geen licht meer opgestoken.—Die satansche beesten! riep Cascabel op eenen avond uit, nadat hij zich te vergeefs in het zweet gewerkt had om ze weg te jagen.—Ik zou wel eens willen weten waar die ellendige muggen toe dienen, zeide Sander.—Zij dienen... om ons opteëten, antwoordde Kruidnagel.—Maar ook om de engelschen hier in Columbia te verslinden, voegde Cascabel er bloeddorstig bij. Daarom, kinderen, mag er geene mug meer doodgemaakt worden. Die engelschen kunnen er nooit genoeg last van hebben en dat is het eenige wat mij eenigszins troost.Met de jacht bleef het steeds voorspoedig gaan. Het wild was zoo overvloedig, dat de herten in het gezicht van den wagen buiten den zoom van het woud in de vlakte kwamen om in de rivier hunnen dorst te lesschen.Door Wagram trouw bijgestaan, schoot Jan er verscheidene, zonder zich verder van den wagen te verwijderen dan de voorzichtigheid toeliet, want zijne moeder was altijd angstig als hij lang uit zicht bleef. Ook Sander ging somtijds mede op de jacht en werd door zijn ouderen broeder in de eerste beginselen daarvan onderwezen. Het was dikwijls moeilijk uit te maken wie het vlugst was, de jongste der beide Nimrods of hun jachthond.Het duurde echter lang eer Jan grooter wild wist te bemachtigen dan herten, maar eindelijk kreeg hij een bison onder schot. Dit was geen gemakkelijke prooi. Bij het eerste schot werd het dier alleen gewond; het kwam woedend op hem af en ofschoon hij het nog een tweeden kogel in den kop joeg, bleef het doorloopen totdat het vlak bij hem was en de hoorns hem bijna raakten. Toen eerst viel het neder. Natuurlijk vertelde hij aan de anderen niets van het gevaar dat hij geloopen had, maar het groote beest, dat met zijn dikke manen veel van een leeuw had en op eenige honderd schreden van de Frazer-rivier gevallen was, woog zoo zwaar dat zij de paarden van den wagen moesten spannen om het weg te sleepen.De bison is een herkauwend dier, dat door de Indianen op verschillende manieren benuttigd wordt en dat zij met de lans en met pijlen te lijf gaan. De huid gebruiken zij om op te slapen of als deken, of zij verkoopen die voor een twintigtal piasters. Het vleesch wordt in de zon gedroogd en daarna in lange repen gesneden, in welken staat het maanden lang bewaard kan blijven om in tijden van schaarschte tot voedsel te dienen.Het dier kwam woedend op hem af. (Zie bladz. 71).Het dier kwam woedend op hem af.(Zie bladz.71).Europeanen lusten in den regel van de bison alleen de tong, maar dit is dan ook eene bijzonder fijne lekkernij. Onze reizigers lieten het echter niet bij de tong. Cornelia wist het vleesch op allerleimanieren te koken, te braden, te roosteren en te stoven, en zoodoende kon het voor verscheidene maaltijden dienen en was ieder er over uit, dat het best smaakte. Van de tong was er voor allen maar een klein stukje, maar dat werd zoo lekker gevonden, dat allen betuigden nog nooit iets fijners geproefd te hebben.Gedurende de eerste veertien dagen van den tocht door Columbia gebeurde er niets anders, dat de moeite waard is vermeld te worden, alleen begon er reeds verandering in het weer te komen. Het zou niet lang meer duren, of hun tocht naar het Noorden zou door de zware regens zoo niet belet, dan toch bemoeilijkt worden.Onder deze omstandigheden stond het te vreezen dat de Frazer-rivier tengevolge van den aanhoudenden was buiten hare oevers treden zou, hetgeen voor deSchoone Zwerfstereene ernstige, ja misschien eene onoverkomelijke hinderpaal had kunnen worden.Gelukkig echter rees het water in de rivier tengevolge van den geweldigen regen wel hoog, maar niet ver boven de oevers, zoodat de vlakte, welke anders ondergeloopen zou zijn tot aan den zoom van het woud dat evenwijdig aan de rivier liep, grootendeels droog bleef. Niet dan langzaam kwam de wagen vooruit, want de wielen kleefden vast aan den doorweekten grond; maar onder het waterdichte dak vonden de reizigers eene veilige schuilplaats tegen regen en wind. Het was trouwens niet de eerste maal dat zij onder soortgelijke omstandigheden de goede eigenschappen van deSchoone Zwerfsterop prijs hadden leeren stellen.
Voor de eerste maal in zijn leven zette Cesar Cascabel, de natuurlijke en onverzoenlijke vijand van Groot-Brittannië, den voet op engelschen bodem! Nog nooit had het stof van dezen grond, dien hij instinktmatig haatte, aan zijne zolen gekleefd. Onze lezers moeten niet denken dat wij deze overdreven uitdrukkingen billijken, maar op eene andere wijze kunnen wij geen denkbeeld geven van de vrij belachelijke voorstelling, welke onze kermiskunstenaar zich maakte van de gevoelens die ieder goed franschman koesteren moet tegenover den zoogenaamden erfvijand van zijn land. Dit was een dwaas vooroordeel en in ’t geheel niet in overeenstemming met de begrippen van onzen tijd, maar de man was eenmaal niet anders.
Hij zag daarbij nog over ’t hoofd dat Columbia geen europeesch land is en dus geen deel uitmaakt van het echte Groot-Brittannië, bestaande uit Engeland, Schotland en Ierland, waartegen in vroeger tijd de volkshaat der franschen gericht was. Voor Cesar Cascabel was het genoeg dat de britsche vlag er wapperde, evenals zij bijvoorbeeld wappert boven de Indiën, Australië of Nieuw-Zeeland.
Britsch-Columbia is eene provincie van Nieuw-Brittannia, waaronder eene van de belangrijkste koloniale bezittingen der engelschen verstaan wordt, want de geheele Canada-Dominion, dat is Boven- en Beneden-Canada, alsmede de onmetelijke uitgestrektheden landsdie aan de Hudsonsbaai-compagnie zijn afgestaan, behooren ertoe. Twee oceanen, de Stille en de Atlantische, begrenzen het aan den West- en den Oostkant. De Zuidergrens vormen de Vereenigde Staten en deze loopt van het Washington-territorium in het Oosten tot den Staat Maine in het Westen.
Er was dus geen mogelijkheid voor onze karavaan om op haren tocht naar het Noorden deze engelsche bezitting te ontwijken. Wel waren het maar een paar honderd mijlen, want zoo lang is de kortste lijn tot aan de zuidelijke grens van Alaska, waar het russische gebied in westelijk Amerika eenen aanvang neemt. Maar twee honderd mijlen mochten eene kleinigheid wezen voor deSchoone Zwerfster, die wel andere reizen achter den rug had, het was toch precies tweehonderd maal meer dan Cesar Cascabel pleizierig vond in zulk een «vervloekt land” te vertoeven. Hij deed dus wat hij kon om het oponthoud zoo kort mogelijk te doen zijn.
Er zou dus nergens halt gehouden worden als alleen om te eten en te rusten. Ook van kunstenmaken, koorddansen of worstelen mocht niets inkomen. De familie Cascabel zou geen paarlen voor de zwijnen werpen en geen engelsche oogen op hare toeren vergasten.Voor muntstukken met het borstbeeld van koningin Victoria koesterde zij niets dan minachting en een papieren dollar was haar meer waard, dan een zilveren kroon of een gouden pond sterling.
Met deze voornemens bezield, kozen de passagiers derSchoone Zwerfsterhunnen weg zoover mogelijk buiten de steden of dorpen. Als zij onder weg gelegenheid vonden om door de jacht aan leeftocht te komen, behoefden zij hunne beurs niet open te maken en de winkeliers in dit verafschuwde land geen voordeel van hunne reis te doen hebben.
Niemand verbeelde zich dat dit eene soort van aanstellerij van Cesar Cascabel was, het ging bij hem inderdaad van harte. Kalm als een wijsgeer had hij zich geschikt in de grievende teleurstelling welke hij ondervonden had; weinige uren waren voldoende geweest om hem na den schandelijken diefstal zijne opgeruimdheid te doen herkrijgen; maar van het oogenblik af dat hij de grens van Nieuw-Brittannië overtrok, was hij kregelig en uit zijn humeur. Met een zuur gezicht, het hoofd voorover en zijnen hoed over de ooren liep hij voort, terwijl hij met stuursche blikken de onschuldige voetgangers, die hij tegenkwam, monsterde. Hij was niet goed-lachs meer zooals anders en dat ondervond Sander bij eene grap die hij zich veroorloofde, maar die met een onverwachten uitbrander beloond werd.
Op een mooien dag ging die kwajongen opeens achteruit loopen,wel een kwartier lang, waarbij hij de gekste bokkensprongen en grimassen maakte.
Knorrig vroeg zijn vader wat het beduidde om zich op die manier veel meer te vermoeien dan noodzakelijk of nuttig was.
—Wel, wij reizen immers den verkeerden kant uit! was Sander’s antwoord.
Al de anderen schoten in eenen lach, zelfs Kruidnagel, die het een heel geestig gezegde vond... als het tenminste niet uiterst flauw was.
—Sander, klonk het echter op strengen toon uit den mond van het hoofd des gezins, als je weer van die aardigheden verkoopt op oogenblikken dat het in ’t geheel niet te pas komt, zal ik zoodanig aan je ooren trekken dat ze op je hielen komen te hangen!
—Maar vader.....
—Mond gehouden! zoo lang wij in dit land van engelschen zijn, wordt er geen gekheid gemaakt.
Van dit oogenblik af waagde niemand meer eene grap in tegenwoordigheid van den geweldigen Albion-hater, al voelden de anderen ook niet zoo ’n heftigen afkeer van engelschen.
Dit gedeelte van Britsch-Columbia, dat zich uitstrekt tot aan de kust van den Stillen Oceaan, is zeer ongelijk van bodem. In het Oosten vormt het Rotsige Gebergte een hoogen scheidsmuur, die zijne vertakkingen tot in de poollanden uitzendt, en naar het Westen wordt de kust van Bute, die door een aantalfjords, even als de Noorweegsche kust, wordt ingesneden, beheerscht door schilderachtige en hooge rotsgevaarten. Zulke steilten worden nergens in Europa aangetroffen, zelfs niet in het land der Alpen, terwijl de gletschers in uitgestrektheid en diepte de Zwitschersche verre overtreffen. Zoo is bij voorbeeld de berg Hocker niet minder dan vijf duizend achthonderd meter hoog, dat is duizend meter meer dan de Mont Blanc, en is de berg Brun, ofschoon lager dan de eerstgenoemde, toch weder hooger dan de reus der Alpen.
Gelukkig voor onze karavaan ligt er tusschen de gebergten van het Oosten en het Westen eene breede en vruchtbare vallei, waar open vlakten en trotsche wouden elkander afwisselen. Langs den straatweg, die door dit dal loopt, stroomt eene belangrijke rivier, de Frazer, die over eene lengte van ongeveer honderd mijlen van Zuid naar Noord stroomt, en zich uitstort in den nauwen zeearm, welke ingesloten wordt door de kust van Bute, Vancouver-eiland en eene ontelbare menigte kleine eilandjes.
Vancouver-eiland is tweehonderd vijftig geografische mijlen lang en drieenzeventig mijlen breed. De portugeezen hebben er zicheerst meester van gemaakt, maar later zijn deze verdrongen door de Spanjaarden, die er in 1789 bij tractaat bezitters van werden. Vancouver heeft het eiland driemaal bezocht in den tijd toen het door de inboorlingen nog Noutka geheeten werd; het heeft een tijdlang den naam van dien engelschen ontdekker en tevens dien van den spaanschen kapitein Quadra gedragen, maar in de laatste jaren van de achttiende eeuw is het voorgoed in handen van de engelschen overgegaan.
De hoofdplaats van het eiland is Victoria, maar Nanaimo is de grootste stad. Vertegenwoordigers van de Hudsonsbaai-compagnie hebben het eerst de rijke kolenmijnen ontgonnen, die tegenwoordig onder de belangrijkste afvoerbronnen behooren, welke de drukke scheepvaart tusschen San Francisco en de verschillende punten der Westkust van Noord-Amerika voeden.
Een weinig noordelijker danVancouver-eiland ligt Queen-Charlotte-eiland, het grootste der eilandengroep van dien naam die mede behoort tot Engelands uitgestrekte bezittingen in dit gedeelte van den Stillen Oceaan.
Ieder begrijpt, dat Cascabel er even weinig aan dacht de steden op deze eilanden te gaan bezoeken als hij den voet had willen zetten in Adelaïde of Melbourne in Australië, of in Madras of Calcutta in Britsch-Indië. Zoo snel zijne paarden voortwilden trok hij de vallei der Frazer-rivier door en hij zorgde met geen andere bewoners in aanraking te komen dan met de lieden van het indiaansche ras.
Zoolang de reizigers zich in dit dal bevonden, hadden zij geene moeite om aan het noodige wild te komen, dat in de dagelijksche behoefte der tafel ruimschoots voorzag. Aan herten, hazen en patrijzen was geen gebrek, en die brave beesten—merkte Cesar op—die zijn oudste zoon met zelden falende hand het lood in het lijf joeg, dienden op die manier ten minste tot voedsel voor eerlijke lieden. Zij zelven hadden geen droppel engelsch bloed in hunne aderen en ze konden door een franschman opgegeten worden zonder dat hun vleesch hem walgde!
Even voorbij fort Langley reed de reiswagen de diepe kloof der Frazer-vallei binnen. Een eigenlijke rijweg was hier niet; de grond lag als aan zichzelf overgelaten; op den rechteroever der rivier strekten groote grasvelden zich uit, in het westen begrensd door dichte wouden, waarboven ver naar achteren de hooge bergen tegen de meestal grijsachtig gekleurde lucht afstaken.
Niet ver van New-Westminster, eene van de voornaamste steden in het kustland van Bute, aan de monding der Frazer-rivier gelegen,was de wagen, op raad van Jan, op eene daar liggende veerpont naar den anderen oever overgezet. Dit was eene goede voorzorg, want deSchoone Zwerfsterhad nu slechts de rivier te volgen om langs den kortsten en den gemakkelijksten weg een gedeelte van het russische gebied van Alaska te bereiken, dat een eind over de grens van Columbia uitsteekt.
Bovendien was het toeval Cascabel gunstig geweest en had hij eenen gids ontmoet, die zich bereid verklaard had hem den weg tot aan de russische grens te wijzen. Dit was een brave indiaan en zij hadden geen reden om spijt te hebben over het vertrouwen dat zij in hem stelden. Natuurlijk kostte het weder eenig geld, maar het was beter een dollar of wat meer uit te geven dan zuinig te zijn ten koste van de veiligheid en den spoed.
De gids heette Ro-No en behoorde tot een der stammen wiertyhis, dat wil zeggen wier opperhoofden, in levendig verkeer met europeanen zijn. Dit is een geheel ander soort van indianen dan de Tchilicotten, die tot een valsch, wreedaardig, woest en trouweloos menschenras behooren, en voor wie de reizigers in het noordwesten van Amerika niet genoeg op hunne hoede kunnen zijn. Nog in 1864 hebben deze straatroovers het geheele personeel, dat bezig was met opmetingen voor het aanleggen van eenen spoorweg op de kust van Bute, helpen vermoorden. Ook de ingenieur Wadington, wiens dood in de geheele kolonie betreurd werd, was in hunne handen gevallen en ellendig omgebracht. In dien tijd, werd er verhaald, hadden de Tchilicotten het hart van een hunner slachtoffers uit zijn lichaam gescheurd en verslonden, zoodat zij toen nog op ééne lijn stonden met de menscheneters op de afgelegen eilanden in Polynesië.
Jan had eene beschrijving van deze wreedheden gelezen in het verhaal der reis van Frederick Whymper door Noord-Amerika en zijnen vader gewaarschuwd voor eene mogelijke ontmoeting met de Tchilicotten; maar zij hadden samen afgesproken daar niets van aan de anderen te vertellen, ten einde hen niet noodeloos ongerust te maken. Bovendien waren deze Roodhuiden sedert deze gebeurtenissen voorgevallen waren, voorzichtig op eenen afstand gebleven, want eenige hunner, van wie bewezen was dat zij de meeste schuld aan deze euveldaden hadden, waren door beulshanden opgeknoopt. Dit had een heilzamen schrik teweeggebracht en de gids Ro-No verzekerde ten stelligste dat de karavaan op haren verderen tocht door Britsch-Columbia niets te vreezen had.
Ro-No, de gids. (Zie bladz. 68).Ro-No, de gids. (Zie bladz.68).
Ro-No, de gids. (Zie bladz.68).
Het weder bleef bij voortduring gunstig en des middags tusschen twaalven en tweeën begon het reeds ter dege warm te worden.Aan alle takken prijkten de berstende en met sappen gevulde knoppen; nog een korten tijd en de eerste bladeren en bloemen zouden het woud met de teedere kleuren der lente sieren.
Het landschap vertoonde nu de eigenaardige karaktertrekken aan noordelijke landen eigen. De Frazer-vallei wordt ingesloten door wouden, waarin de boomsoorten van het Noorden de bovenhand hebben. Dit zijn ceders en dennen, en eene pijnboomsoort, Douglas genaamd, waaronder stammen gevonden worden van vijftien meters omtrek op den grond en van meer dan honderd voet hoogte. In bosschen en beemden wemelde het van wild en Jan behoefde niet ver af te dwalen om dagelijks in de behoeften der keuken te voorzien.
Het land was voor het overige niet woest of verlaten. Dikwijls trokken zij dorpen voorbij waar de Indianen het vrij goed met de engelsche ambtenaren schenen te kunnen vinden. In de rivier vertoonden zich heele vloten van cederhouten vaartuigen die zich lieten afdrijven op den stroom of er tegen opvoeren met kracht van pagaaien en zeilen.
Dikwijls kwamen zij ook troepen Indianen op weg naar het Zuiden tegen. Zij liepen in hunne witte wollen mantels gewikkeld en wisselden gewoonlijk eenige woorden met mijnheer Cascabel, die hen reeds eenigszins begon te verstaan, want zij spraken een zonderling mengelmoes van talen, samengesteld uit woorden van franschen en engelschen oorsprong, ofschoon de inlandsche taal er natuurlijk de grondstof van uitmaakte.
—Mooi zoo! riep Cascabel uit. Nu spreek ik al Chinouk! Dat is alweder eene taal, die ik versta, zonder haar ooit geleerd te hebben.
Alle volksstammen in het hooge Westen van Amerika, deelde Ro-No hun mede, spreken de Chinouktaal, die tot in de landen van Alaska verstaan en gesproken wordt.
Onnoodig te zeggen, dat, dank zij de vroege warmte, die dit jaar was ingevallen, de sneeuw overal gesmolten was. Anders blijft zij somtijds nog in het begin van April liggen. Alles werkte dus samen om hunne reis voorspoedig te maken. Cesar ontzag zooveel als noodig was zijne paarden, maar zette er toch den meest mogelijken haast achter, ten einde zoo spoedig mogelijk het grondgebied van Columbia achter den rug te hebben. Het werd voortdurend warmer en dit konden zij ook merken aan het steeds toenemende aantal muggen, die eindelijk bijna onverdragelijk werden. Het was niet mogelijk deSchoone Zwerfstervoor deze beesten gesloten te houden, ook al werd er zoodra het donker begon te worden, in het geheel geen licht meer opgestoken.
—Die satansche beesten! riep Cascabel op eenen avond uit, nadat hij zich te vergeefs in het zweet gewerkt had om ze weg te jagen.
—Ik zou wel eens willen weten waar die ellendige muggen toe dienen, zeide Sander.
—Zij dienen... om ons opteëten, antwoordde Kruidnagel.
—Maar ook om de engelschen hier in Columbia te verslinden, voegde Cascabel er bloeddorstig bij. Daarom, kinderen, mag er geene mug meer doodgemaakt worden. Die engelschen kunnen er nooit genoeg last van hebben en dat is het eenige wat mij eenigszins troost.
Met de jacht bleef het steeds voorspoedig gaan. Het wild was zoo overvloedig, dat de herten in het gezicht van den wagen buiten den zoom van het woud in de vlakte kwamen om in de rivier hunnen dorst te lesschen.Door Wagram trouw bijgestaan, schoot Jan er verscheidene, zonder zich verder van den wagen te verwijderen dan de voorzichtigheid toeliet, want zijne moeder was altijd angstig als hij lang uit zicht bleef. Ook Sander ging somtijds mede op de jacht en werd door zijn ouderen broeder in de eerste beginselen daarvan onderwezen. Het was dikwijls moeilijk uit te maken wie het vlugst was, de jongste der beide Nimrods of hun jachthond.
Het duurde echter lang eer Jan grooter wild wist te bemachtigen dan herten, maar eindelijk kreeg hij een bison onder schot. Dit was geen gemakkelijke prooi. Bij het eerste schot werd het dier alleen gewond; het kwam woedend op hem af en ofschoon hij het nog een tweeden kogel in den kop joeg, bleef het doorloopen totdat het vlak bij hem was en de hoorns hem bijna raakten. Toen eerst viel het neder. Natuurlijk vertelde hij aan de anderen niets van het gevaar dat hij geloopen had, maar het groote beest, dat met zijn dikke manen veel van een leeuw had en op eenige honderd schreden van de Frazer-rivier gevallen was, woog zoo zwaar dat zij de paarden van den wagen moesten spannen om het weg te sleepen.
De bison is een herkauwend dier, dat door de Indianen op verschillende manieren benuttigd wordt en dat zij met de lans en met pijlen te lijf gaan. De huid gebruiken zij om op te slapen of als deken, of zij verkoopen die voor een twintigtal piasters. Het vleesch wordt in de zon gedroogd en daarna in lange repen gesneden, in welken staat het maanden lang bewaard kan blijven om in tijden van schaarschte tot voedsel te dienen.
Het dier kwam woedend op hem af. (Zie bladz. 71).Het dier kwam woedend op hem af.(Zie bladz.71).
Het dier kwam woedend op hem af.(Zie bladz.71).
Europeanen lusten in den regel van de bison alleen de tong, maar dit is dan ook eene bijzonder fijne lekkernij. Onze reizigers lieten het echter niet bij de tong. Cornelia wist het vleesch op allerleimanieren te koken, te braden, te roosteren en te stoven, en zoodoende kon het voor verscheidene maaltijden dienen en was ieder er over uit, dat het best smaakte. Van de tong was er voor allen maar een klein stukje, maar dat werd zoo lekker gevonden, dat allen betuigden nog nooit iets fijners geproefd te hebben.
Gedurende de eerste veertien dagen van den tocht door Columbia gebeurde er niets anders, dat de moeite waard is vermeld te worden, alleen begon er reeds verandering in het weer te komen. Het zou niet lang meer duren, of hun tocht naar het Noorden zou door de zware regens zoo niet belet, dan toch bemoeilijkt worden.
Onder deze omstandigheden stond het te vreezen dat de Frazer-rivier tengevolge van den aanhoudenden was buiten hare oevers treden zou, hetgeen voor deSchoone Zwerfstereene ernstige, ja misschien eene onoverkomelijke hinderpaal had kunnen worden.
Gelukkig echter rees het water in de rivier tengevolge van den geweldigen regen wel hoog, maar niet ver boven de oevers, zoodat de vlakte, welke anders ondergeloopen zou zijn tot aan den zoom van het woud dat evenwijdig aan de rivier liep, grootendeels droog bleef. Niet dan langzaam kwam de wagen vooruit, want de wielen kleefden vast aan den doorweekten grond; maar onder het waterdichte dak vonden de reizigers eene veilige schuilplaats tegen regen en wind. Het was trouwens niet de eerste maal dat zij onder soortgelijke omstandigheden de goede eigenschappen van deSchoone Zwerfsterop prijs hadden leeren stellen.
VII.Dwars door Caribou.Hoe jammer, dat onze brave Cascabel niet eenige jaren vroeger het gedeelte van Britsch-Columbia bezocht had, dat zich thans voor hem uitstrekte! Hoe jammer dat zijn zwervend gelukzoekersleven hem niet derwaarts gevoerd had in eenen tijd, toen de bodem met goud als bedekt lag en de menschen het slechts hadden opterapen! Waarom was het tafereel, dat Jan zijnen vader schetste van dien verwonderlijken tijd, een beeld van hetgeen geweest was en niet van het tegenwoordige?—Hier hebben wij nu Caribou, vader, zeide Jan. Maar misschien weet gij niet wat Caribou is?—Ik heb er niet het minste vermoeden van, was Cesar’s antwoord. Is het een beest op twee of op vier pooten?—Wat, een beest? riep Napoleona. Toch geen verscheurend dier? Is het groot en bijt het?—Het is in ’t geheel geen beest, hernam Jan; het is eenvoudig een land dat zoo genoemd wordt, en wel het goudland, Columbisch Eldorado. Hoeveel schatten er verborgen lagen en hoeveel lieden er rijk geworden zijn....—En hoeveel anderen er dood-arm werden, viel zijn vader hem in de rede.—Dat is waar, vader, en ik moet er bijvoegen dat dit met de meesten het geval was. Maar er waren toch ook mijnwerkersvereenigingendie een gewicht van een paar duizend marken aan goud iederen dag uit den grond haalden. In eene der Caribou-valleien, Williams-creek genaamd, vonden zij het bij handenvol tegelijk!Hoe overvloedig echter het edele metaal in dit goudland opgehoopt lag, de toeloop van menschen om het te plunderen was nog grooter. Door deze opeenhooping, waaronder zich allerlei gemeen gespuis bevond, werd het leven er uiterst bezwaarlijk en de prijs van alles verbazend hoog. Eten en drinken waren bijna niet te betalen, een pond brood kostte een dollar. Te midden der dichte menschenmassa ontstonden allerlei besmettelijke ziekten. Kortom, de meesten die naar Caribou gestroomd waren, vonden er niets dan ellende en dood. Dat is echter het geval in al die goudlanden, in Californië en Australië zoo goed als hier.—Het zou toch wel aardig zijn, vader, zeide Napoleona, zoo’n bonk goud op den weg te vinden.—Wat zou je daar meê doen, kleuter?—Wat zij er mêe doen zou? vroeg Cornelia. Zij zou het aan haar moedertje geven, die er wel een zak mooie blinkende goudstukken voor zou weten te krijgen.—Wij moeten maar goed zoeken, zeide Kruidnagel, dan vinden wij stellig iets, of het moest zijn....—Of het moest zijn dat wij niets vonden, wilt ge zeker zeggen? viel Jan hem in de rede. Dat is het juist wat er gebeuren zal, want de kas is zoo ledig als eene kas maar bij mogelijkheid zijn kan.—Nu, nu, zeide Sander nog, men kan toch nooit weten!—Heiwat kinderen! begon nu vader Cascabel met zijne meest indrukwekkende stem. Ik verbied u allen op die manier rijk te worden. Geen goud afkomstig uit een engelschen grond! Foei! Laat ons snel maken dat wij voortkomen en ons niet ophouden om eene klomp opterapen, al was zij zoo groot als Kruidnagel zijn hoofd! Eenmaal aan de grens, kinderen, al staat daar ook geen bord met het opschrift: »Voeten vegen s. v. p.,” zullen wij het stof van onze schoenen kloppen, teneinde geen korrel van den Columbiaanschen grond mêe te dragen.Die Cesar Cascabel bleef in dit opzicht altijd dezelfde! Maar de goede man had ditmaal mooi praten, want er bestond heel weinig kans dat iemand meer een klompje goud op den weg zou tegenkomen.Dit nam echter niet weg dat er ondanks het strenge verbod nog dikwijls, zoo lang zij in deze streek waren, met onderzoekende blikken naar den grond gekeken werd. Er lag geen keisteen langs den weg af Napoleona, maar vooral Sander, dacht dat het eenbrok goud was. Waarom zou dat niet kunnen? Is Amerika niet van alle landen ter wereld het rijkste aan edel metaal, rijker dan Australië, Rusland, Venezuela of China?Intusschen was de regentijd ingetreden. Geen dag ging er voorbij of het stortregende. Natuurlijk werden de wegen daar niet beter op en ging het rijden hoe langer hoe bezwaarlijker.De indiaansche gids drong er op aan dat zij spoed zouden maken want hij vreesde dat de kleine riviertjes of beken, die zich in de Frazer-rivier storten en die in den zomer bijna droog loopen, tengevolge van den regen ondoorwaadbaar zouden worden. Gebeurde dit, hoe moesten zij er dan over komen? Er bestond in dat geval veel kans dat deSchoone Zwerfstergedurende al de weken dat de regen aanhield, aan ééne plaats gekluisterd zou blijven. Iedere dag dat zij eerder buiten de Frazer-vallei kwamen, was dus als winst te beschouwen.Zooals wij reeds verteld hebben had de karavaan van de indiaansche stammen, sedert de roofzuchtige Tchilicotten naar het Oosten teruggedrongen waren, niets meer te vreezen. Dit was eene reden tot gerustheid, maar daarentegen waren er nog wilde beesten, onder anderen beren, die in eene afgelegene vallei, aan verschillende zijden door water omringd, als zij door honger gekweld werden, voor reizigers lastig konden wezen.Zoo iets ondervond Sander bij zekere gelegenheid, toen hij bijna het slachtoffer werd van zijne ongehoorzaamheid aan zijnen vader.Dit gebeurde in den namiddag van den 17denMei. Zij hadden den wagen doen stil houden op een vijftig schreden van een riviertje dat zij bijna droogvoets waren overgekomen. Het lag tusschen hooge oevers ingesloten en zou dus een onoverkomelijk beletsel geweest zijn indien het door een plotselingen was tot eenen stroom was aangezwollen.Zij zouden daar een paar uren rust houden. Jan ging dus vooruit om te zien of hij niet wat schieten kon. Sander kreeg last bij den wagen te blijven, maar hij stoorde zich daar niet aan, ging de beek weder over zonder dat iemand het merkte en wandelde den kant op dien zij afgekomen waren, met niets bij zich dan een touw van een voet of twaalf lengte, dat hij als een gordel om zijn middel gewonden had.De knaap had een plannetje gemaakt. Onder weg had hij eenen vogel met schitterende veeren zien zitten. Dien wilde hij weder trachten te vinden om zijn nest uittehalen. Het touw had hij medegenomen teneinde het te gebruiken om als het noodig was in eenen boom te kunnen klimmen.Dit was lang niet voorzichtig, te meer dewijl het weder er alles behalve gunstig uitzag. Donkere wolken kwamen van alle kanten opzetten en er was blijkbaar een onweder in aantocht. Maar houd eens een jongen tegen die een vogelnestje wil gaan uithalen!Al voortloopende geraakte Sander spoedig midden in het dichte woud, waarvan de voorste boomen tot aan den linkeroever der beek stonden. Hij had zijnen vogel weder in het oog gekregen, maar het dier fladderde van den eenen tak naar den anderen, als wilde het hem steeds verder van den weg lokken.Sander dacht aan niets dan zijne prooi en vergat dat deSchoone Zwerfsterreeds over twee uren weder op weg moest. Twintig minuten nadat hij het riviertjeovergegaanwas, bevond hij zich reeds een goede halve mijl in het bosch. Hier was geen spoor van eenen weg meer; tenauwernood een pad tusschen de dennen- en cederboomen, telkens door kreupelhout versperd.De vogel vloog, luid zingende, tusschen de boomen rond en Sander liep hem na zoo hard hij kon, springende als een jonge kat. Het baatte echter niets. Eindelijk verloor hij den vogel tusschen het dichte groen uit het oog.—Loop naar de maan! riep hij, ziende dat het nutteloos was zijnen tocht voort te zetten.Nu bemerkte hij eerst dat de lucht geheel met zware wolken overdekt was geworden. Reeds lichtte het van tijd tot tijd te midden van het dichte groen.Dat was de flikkering der eerste bliksemstralen, die spoedig door het gerommel van den donder gevolgd werden.—Ik moet maken dat ik wegkom; dacht de knaap; maar wat zal vader wel zeggen?Op dit oogenblik werd zijne aandacht getrokken door eenen steen van zonderlingen vorm, zoo groot ongeveer als een pijnappel, waar zich hier en daar metaalachtige stippen op vertoonden.Dat was genoeg om Sander te doen denken dat het een klomp goud kon zijn, die de goudgravers hier hadden laten liggen. Met eenen kreet van vreugde raapte hij den steen op, bekeek hem van alle kanten en stak hem in zijn zak, met het stellige voornemen echter om er niemand iets van te vertellen.—Wij zullen later wel eens zien wat zij zeggen zullen, dacht hij, als ik er klinkende munt voor in de plaats heb gekregen!Nauwelijks had hij zijne kostbare vondst bij zich gestoken of het onweder barstte in volle hevigheid los. Op eens liet zich tusschen het rommelen der donderslagen, dat van alle zijden door de bergen weerkaatst werd, een hevig gebrul hooren.De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl. 77).De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl.77).Een twintigtal schreden van Sander af vertoonde zich buiten een kreupelboschje een groote beer, van de soort die in Noord-Amerikagrizzly-beer genoemd worden.Sander was niet bang van aard, maar nu zette hij het toch zoo hard hij kon op een loopen, den kant van het riviertje op. De beer hem na. Gelukte het den knaap bijtijds aan de beek te komen en den anderen oever te halen, dan was hij in veiligheid. De anderen zouden den beer wel aan den kant van het riviertje op eenen afstand houden, of indien zij er kans toe zagen hem neerschieten. Zijne huid was geld waard.Maar het stortregende, de bliksemstralen volgden elkander op, de donder was geen oogenblik van de lucht. Sander was reeds tot op het lijf toe nat, zijne doorweekte kleederen maakten het loopen hem moeielijk, ieder oogenblik dreigde hij op den glibberigen grond uitteglijden, en indien hij viel, was de beer hem dadelijk op het lijf. Gelukkig gebeurde dit echter niet. Na bijna een kwartier loopens kwam hij ademloos aan den oever der beek.Hier echter kon hij niet verder. Het riviertje was in een woesten stroom veranderd, het water tot aan den oeverrand gerezen, rotsblokken, boomtakken, heele stammen werden in woeste vaart er in medegesleurd. In dien draaikolk te springen, was een wissen dood te gemoet gaan. Op redding bestond niet de minste kans.Terugkeeren dorst Sander niet. De beer was hem dicht op de hielen. De reizigers en deSchoone Zwerfster, die hij tusschen de boomen ternauwernood zien kon, kon hij niet te hulp roepen.De zucht tot lijfsbehoud deed hem, bijna zonder er over te denken, het eenige middel aangrijpen waardoor hij misschien behouden kon blijven.Een pas of vijf van hem vandaan stond een groote cederboom, waarvan de onderste takken over de beek heen hingen.De knaap vloog naar den stam, die gelukkig niet al te dik was. Hij sloeg zijne armen er om heen, trok zich aan de uitstekende punten in de schors naar boven en kwam zoodoende tot het punt waar de stam zich splitste. Vandaar klom hij tusschen de takken verder naar boven. Een aap zou het hem niet verbeterd hebben, maar men moet bedenken dat onze jonge kunstenmaker aan zulke lichaamsoefeningen gewoon was. Nu geloofde hij zich in veiligheid.Daarin vergiste hij zich echter. De beer was eerst eene poos bij den boom blijven staan, maar maakte zich nu ook gereed er in te klimmen. Hem te ontkomen was moeielijk, want eenmaal aan ’t klauteren, kon het beest evengoed als Sander tusschen de bovenste takken komen.een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz. 79)een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz.79)Maar Sander behield zijne tegenwoordigheid van geest. Niet voor niets was hij de zoon van den vermaarden Cascabel en gewend zich uit allerlei moeilijkheden te redden.Hij moest zien dat hij weer uit den boom en de beek overkwam. Maar hoe? De regen bleef bij stroomen neervallen, ieder oogenblik wies het water, reeds stond het hooger dan de tegenover liggende oever en stroomde het den kant uit waar de wagen was blijven staan.Om hulp roepen kon hem niet baten, want er was geen mogelijkheid dat zijne kreten te midden van het geweld van storm, regen en stroom gehoord werden. Bovendien, wanneer Cascabel, Jan of Kruidnagel op de gedachten mochten zijn gekomen om den afwezige te gaan zoeken, dan moesten zij den anderen kant opgegaan zijn, maar zouden zij zeker niet de richting der beek gevolgd hebben, welke zij niet konden weten dat Sander weer overgegaan was.Intusschen was de beer reeds aan ’t klimmen, wel langzaam, maar hij kwam toch vooruit. Reeds was hij bijna aan de splitsing van den stam. Sander trok zich op naar de hoogere takken.Op eens kreeg de knaap eenen inval. Enkele takken van den cederboom hingen tot op eenen afstand van een voet of tien boven de beek. Haastig rolde hij het touw los dat hij om zijn middel gebonden had, maakte daar eene lus in en wierp die om het uiteinde van een der overhangende takken. De lus hield en hij trok den tak naar zich toe, zoodanig dat die overeind kwam te staan.Dat alles gebeurde in weinige oogenblikken, behendig en met slim overleg.Hij had geen tijd te verliezen. Reeds was de beer boven de benedenste takken, reeds klauterde hij van den eenen tak op den anderen.Toen klemde Sander zich stevig vast aan het uiteinde van den overeindstaanden tak en liet dien daarna terugspringen alsof het een veer was. Als een steen, die uit een katapult geslingerd wordt, vloog hij over de beek heen. Hij maakte nog eenen luchtsprong en kwam op den rechteroever te land, terwijl de beer, heelemaal overbluft, zijne prooi die hem door de lucht ontsnapte nastaarde.—Zoo’n straatjongen!Met deze woorden verwelkomde hem vader Cascabel, die den onvoorzichtigen knaap in alle richtingen tevergeefs gezocht had en juist op dit oogenblik met Jan en Kruidnagel aan den oever der beek kwam.—Kwajongen, herhaalde hij, wat een angst hebben wij uitgestaan!—Ja vader, ik heb een pak slaag verdiend, antwoordde Sander. Sla er maar op!Maar Cascabel dacht niet aan slaag. Hij pakte den jongen op en omhelsde hem, terwijl hij zeide:—Pas op dat je het niet weer doet, want dan.....—Dan geeft u me toch wéér een zoen! zei Sander, terwijl hij zelf zijnen vader om den hals pakte.Op eens riep hij:—Kijk dien beer eens! Hij staat te kijken of hij van Lotje getikt is, zoo’n lummel!Jan had wel lust gehad het beest, dat zich langzaam verwijderde, eenen kogel achterna te sturen, maar er viel niet aan te denken om het te vervolgen. Het water bleef steeds wassen, zij hadden niets beters te doen dan te maken dat zij wegkwamen en allen keerden dus naar deSchoone Zwerfsterterug.
Hoe jammer, dat onze brave Cascabel niet eenige jaren vroeger het gedeelte van Britsch-Columbia bezocht had, dat zich thans voor hem uitstrekte! Hoe jammer dat zijn zwervend gelukzoekersleven hem niet derwaarts gevoerd had in eenen tijd, toen de bodem met goud als bedekt lag en de menschen het slechts hadden opterapen! Waarom was het tafereel, dat Jan zijnen vader schetste van dien verwonderlijken tijd, een beeld van hetgeen geweest was en niet van het tegenwoordige?
—Hier hebben wij nu Caribou, vader, zeide Jan. Maar misschien weet gij niet wat Caribou is?
—Ik heb er niet het minste vermoeden van, was Cesar’s antwoord. Is het een beest op twee of op vier pooten?
—Wat, een beest? riep Napoleona. Toch geen verscheurend dier? Is het groot en bijt het?
—Het is in ’t geheel geen beest, hernam Jan; het is eenvoudig een land dat zoo genoemd wordt, en wel het goudland, Columbisch Eldorado. Hoeveel schatten er verborgen lagen en hoeveel lieden er rijk geworden zijn....
—En hoeveel anderen er dood-arm werden, viel zijn vader hem in de rede.
—Dat is waar, vader, en ik moet er bijvoegen dat dit met de meesten het geval was. Maar er waren toch ook mijnwerkersvereenigingendie een gewicht van een paar duizend marken aan goud iederen dag uit den grond haalden. In eene der Caribou-valleien, Williams-creek genaamd, vonden zij het bij handenvol tegelijk!
Hoe overvloedig echter het edele metaal in dit goudland opgehoopt lag, de toeloop van menschen om het te plunderen was nog grooter. Door deze opeenhooping, waaronder zich allerlei gemeen gespuis bevond, werd het leven er uiterst bezwaarlijk en de prijs van alles verbazend hoog. Eten en drinken waren bijna niet te betalen, een pond brood kostte een dollar. Te midden der dichte menschenmassa ontstonden allerlei besmettelijke ziekten. Kortom, de meesten die naar Caribou gestroomd waren, vonden er niets dan ellende en dood. Dat is echter het geval in al die goudlanden, in Californië en Australië zoo goed als hier.
—Het zou toch wel aardig zijn, vader, zeide Napoleona, zoo’n bonk goud op den weg te vinden.
—Wat zou je daar meê doen, kleuter?
—Wat zij er mêe doen zou? vroeg Cornelia. Zij zou het aan haar moedertje geven, die er wel een zak mooie blinkende goudstukken voor zou weten te krijgen.
—Wij moeten maar goed zoeken, zeide Kruidnagel, dan vinden wij stellig iets, of het moest zijn....
—Of het moest zijn dat wij niets vonden, wilt ge zeker zeggen? viel Jan hem in de rede. Dat is het juist wat er gebeuren zal, want de kas is zoo ledig als eene kas maar bij mogelijkheid zijn kan.
—Nu, nu, zeide Sander nog, men kan toch nooit weten!
—Heiwat kinderen! begon nu vader Cascabel met zijne meest indrukwekkende stem. Ik verbied u allen op die manier rijk te worden. Geen goud afkomstig uit een engelschen grond! Foei! Laat ons snel maken dat wij voortkomen en ons niet ophouden om eene klomp opterapen, al was zij zoo groot als Kruidnagel zijn hoofd! Eenmaal aan de grens, kinderen, al staat daar ook geen bord met het opschrift: »Voeten vegen s. v. p.,” zullen wij het stof van onze schoenen kloppen, teneinde geen korrel van den Columbiaanschen grond mêe te dragen.
Die Cesar Cascabel bleef in dit opzicht altijd dezelfde! Maar de goede man had ditmaal mooi praten, want er bestond heel weinig kans dat iemand meer een klompje goud op den weg zou tegenkomen.
Dit nam echter niet weg dat er ondanks het strenge verbod nog dikwijls, zoo lang zij in deze streek waren, met onderzoekende blikken naar den grond gekeken werd. Er lag geen keisteen langs den weg af Napoleona, maar vooral Sander, dacht dat het eenbrok goud was. Waarom zou dat niet kunnen? Is Amerika niet van alle landen ter wereld het rijkste aan edel metaal, rijker dan Australië, Rusland, Venezuela of China?
Intusschen was de regentijd ingetreden. Geen dag ging er voorbij of het stortregende. Natuurlijk werden de wegen daar niet beter op en ging het rijden hoe langer hoe bezwaarlijker.
De indiaansche gids drong er op aan dat zij spoed zouden maken want hij vreesde dat de kleine riviertjes of beken, die zich in de Frazer-rivier storten en die in den zomer bijna droog loopen, tengevolge van den regen ondoorwaadbaar zouden worden. Gebeurde dit, hoe moesten zij er dan over komen? Er bestond in dat geval veel kans dat deSchoone Zwerfstergedurende al de weken dat de regen aanhield, aan ééne plaats gekluisterd zou blijven. Iedere dag dat zij eerder buiten de Frazer-vallei kwamen, was dus als winst te beschouwen.
Zooals wij reeds verteld hebben had de karavaan van de indiaansche stammen, sedert de roofzuchtige Tchilicotten naar het Oosten teruggedrongen waren, niets meer te vreezen. Dit was eene reden tot gerustheid, maar daarentegen waren er nog wilde beesten, onder anderen beren, die in eene afgelegene vallei, aan verschillende zijden door water omringd, als zij door honger gekweld werden, voor reizigers lastig konden wezen.
Zoo iets ondervond Sander bij zekere gelegenheid, toen hij bijna het slachtoffer werd van zijne ongehoorzaamheid aan zijnen vader.
Dit gebeurde in den namiddag van den 17denMei. Zij hadden den wagen doen stil houden op een vijftig schreden van een riviertje dat zij bijna droogvoets waren overgekomen. Het lag tusschen hooge oevers ingesloten en zou dus een onoverkomelijk beletsel geweest zijn indien het door een plotselingen was tot eenen stroom was aangezwollen.
Zij zouden daar een paar uren rust houden. Jan ging dus vooruit om te zien of hij niet wat schieten kon. Sander kreeg last bij den wagen te blijven, maar hij stoorde zich daar niet aan, ging de beek weder over zonder dat iemand het merkte en wandelde den kant op dien zij afgekomen waren, met niets bij zich dan een touw van een voet of twaalf lengte, dat hij als een gordel om zijn middel gewonden had.
De knaap had een plannetje gemaakt. Onder weg had hij eenen vogel met schitterende veeren zien zitten. Dien wilde hij weder trachten te vinden om zijn nest uittehalen. Het touw had hij medegenomen teneinde het te gebruiken om als het noodig was in eenen boom te kunnen klimmen.
Dit was lang niet voorzichtig, te meer dewijl het weder er alles behalve gunstig uitzag. Donkere wolken kwamen van alle kanten opzetten en er was blijkbaar een onweder in aantocht. Maar houd eens een jongen tegen die een vogelnestje wil gaan uithalen!
Al voortloopende geraakte Sander spoedig midden in het dichte woud, waarvan de voorste boomen tot aan den linkeroever der beek stonden. Hij had zijnen vogel weder in het oog gekregen, maar het dier fladderde van den eenen tak naar den anderen, als wilde het hem steeds verder van den weg lokken.
Sander dacht aan niets dan zijne prooi en vergat dat deSchoone Zwerfsterreeds over twee uren weder op weg moest. Twintig minuten nadat hij het riviertjeovergegaanwas, bevond hij zich reeds een goede halve mijl in het bosch. Hier was geen spoor van eenen weg meer; tenauwernood een pad tusschen de dennen- en cederboomen, telkens door kreupelhout versperd.
De vogel vloog, luid zingende, tusschen de boomen rond en Sander liep hem na zoo hard hij kon, springende als een jonge kat. Het baatte echter niets. Eindelijk verloor hij den vogel tusschen het dichte groen uit het oog.
—Loop naar de maan! riep hij, ziende dat het nutteloos was zijnen tocht voort te zetten.
Nu bemerkte hij eerst dat de lucht geheel met zware wolken overdekt was geworden. Reeds lichtte het van tijd tot tijd te midden van het dichte groen.
Dat was de flikkering der eerste bliksemstralen, die spoedig door het gerommel van den donder gevolgd werden.
—Ik moet maken dat ik wegkom; dacht de knaap; maar wat zal vader wel zeggen?
Op dit oogenblik werd zijne aandacht getrokken door eenen steen van zonderlingen vorm, zoo groot ongeveer als een pijnappel, waar zich hier en daar metaalachtige stippen op vertoonden.
Dat was genoeg om Sander te doen denken dat het een klomp goud kon zijn, die de goudgravers hier hadden laten liggen. Met eenen kreet van vreugde raapte hij den steen op, bekeek hem van alle kanten en stak hem in zijn zak, met het stellige voornemen echter om er niemand iets van te vertellen.
—Wij zullen later wel eens zien wat zij zeggen zullen, dacht hij, als ik er klinkende munt voor in de plaats heb gekregen!
Nauwelijks had hij zijne kostbare vondst bij zich gestoken of het onweder barstte in volle hevigheid los. Op eens liet zich tusschen het rommelen der donderslagen, dat van alle zijden door de bergen weerkaatst werd, een hevig gebrul hooren.
De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl. 77).De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl.77).
De vogel fladderde van den eenen tak naar den anderen. (Zie bl.77).
Een twintigtal schreden van Sander af vertoonde zich buiten een kreupelboschje een groote beer, van de soort die in Noord-Amerikagrizzly-beer genoemd worden.
Sander was niet bang van aard, maar nu zette hij het toch zoo hard hij kon op een loopen, den kant van het riviertje op. De beer hem na. Gelukte het den knaap bijtijds aan de beek te komen en den anderen oever te halen, dan was hij in veiligheid. De anderen zouden den beer wel aan den kant van het riviertje op eenen afstand houden, of indien zij er kans toe zagen hem neerschieten. Zijne huid was geld waard.
Maar het stortregende, de bliksemstralen volgden elkander op, de donder was geen oogenblik van de lucht. Sander was reeds tot op het lijf toe nat, zijne doorweekte kleederen maakten het loopen hem moeielijk, ieder oogenblik dreigde hij op den glibberigen grond uitteglijden, en indien hij viel, was de beer hem dadelijk op het lijf. Gelukkig gebeurde dit echter niet. Na bijna een kwartier loopens kwam hij ademloos aan den oever der beek.
Hier echter kon hij niet verder. Het riviertje was in een woesten stroom veranderd, het water tot aan den oeverrand gerezen, rotsblokken, boomtakken, heele stammen werden in woeste vaart er in medegesleurd. In dien draaikolk te springen, was een wissen dood te gemoet gaan. Op redding bestond niet de minste kans.
Terugkeeren dorst Sander niet. De beer was hem dicht op de hielen. De reizigers en deSchoone Zwerfster, die hij tusschen de boomen ternauwernood zien kon, kon hij niet te hulp roepen.
De zucht tot lijfsbehoud deed hem, bijna zonder er over te denken, het eenige middel aangrijpen waardoor hij misschien behouden kon blijven.
Een pas of vijf van hem vandaan stond een groote cederboom, waarvan de onderste takken over de beek heen hingen.
De knaap vloog naar den stam, die gelukkig niet al te dik was. Hij sloeg zijne armen er om heen, trok zich aan de uitstekende punten in de schors naar boven en kwam zoodoende tot het punt waar de stam zich splitste. Vandaar klom hij tusschen de takken verder naar boven. Een aap zou het hem niet verbeterd hebben, maar men moet bedenken dat onze jonge kunstenmaker aan zulke lichaamsoefeningen gewoon was. Nu geloofde hij zich in veiligheid.
Daarin vergiste hij zich echter. De beer was eerst eene poos bij den boom blijven staan, maar maakte zich nu ook gereed er in te klimmen. Hem te ontkomen was moeielijk, want eenmaal aan ’t klauteren, kon het beest evengoed als Sander tusschen de bovenste takken komen.
een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz. 79)een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz.79)
een twintigtal schreden van Sander af, vertoonde zich een groote beer. (Zie bladz.79)
Maar Sander behield zijne tegenwoordigheid van geest. Niet voor niets was hij de zoon van den vermaarden Cascabel en gewend zich uit allerlei moeilijkheden te redden.
Hij moest zien dat hij weer uit den boom en de beek overkwam. Maar hoe? De regen bleef bij stroomen neervallen, ieder oogenblik wies het water, reeds stond het hooger dan de tegenover liggende oever en stroomde het den kant uit waar de wagen was blijven staan.
Om hulp roepen kon hem niet baten, want er was geen mogelijkheid dat zijne kreten te midden van het geweld van storm, regen en stroom gehoord werden. Bovendien, wanneer Cascabel, Jan of Kruidnagel op de gedachten mochten zijn gekomen om den afwezige te gaan zoeken, dan moesten zij den anderen kant opgegaan zijn, maar zouden zij zeker niet de richting der beek gevolgd hebben, welke zij niet konden weten dat Sander weer overgegaan was.
Intusschen was de beer reeds aan ’t klimmen, wel langzaam, maar hij kwam toch vooruit. Reeds was hij bijna aan de splitsing van den stam. Sander trok zich op naar de hoogere takken.
Op eens kreeg de knaap eenen inval. Enkele takken van den cederboom hingen tot op eenen afstand van een voet of tien boven de beek. Haastig rolde hij het touw los dat hij om zijn middel gebonden had, maakte daar eene lus in en wierp die om het uiteinde van een der overhangende takken. De lus hield en hij trok den tak naar zich toe, zoodanig dat die overeind kwam te staan.
Dat alles gebeurde in weinige oogenblikken, behendig en met slim overleg.
Hij had geen tijd te verliezen. Reeds was de beer boven de benedenste takken, reeds klauterde hij van den eenen tak op den anderen.
Toen klemde Sander zich stevig vast aan het uiteinde van den overeindstaanden tak en liet dien daarna terugspringen alsof het een veer was. Als een steen, die uit een katapult geslingerd wordt, vloog hij over de beek heen. Hij maakte nog eenen luchtsprong en kwam op den rechteroever te land, terwijl de beer, heelemaal overbluft, zijne prooi die hem door de lucht ontsnapte nastaarde.
—Zoo’n straatjongen!
Met deze woorden verwelkomde hem vader Cascabel, die den onvoorzichtigen knaap in alle richtingen tevergeefs gezocht had en juist op dit oogenblik met Jan en Kruidnagel aan den oever der beek kwam.
—Kwajongen, herhaalde hij, wat een angst hebben wij uitgestaan!
—Ja vader, ik heb een pak slaag verdiend, antwoordde Sander. Sla er maar op!
Maar Cascabel dacht niet aan slaag. Hij pakte den jongen op en omhelsde hem, terwijl hij zeide:
—Pas op dat je het niet weer doet, want dan.....
—Dan geeft u me toch wéér een zoen! zei Sander, terwijl hij zelf zijnen vader om den hals pakte.
Op eens riep hij:
—Kijk dien beer eens! Hij staat te kijken of hij van Lotje getikt is, zoo’n lummel!
Jan had wel lust gehad het beest, dat zich langzaam verwijderde, eenen kogel achterna te sturen, maar er viel niet aan te denken om het te vervolgen. Het water bleef steeds wassen, zij hadden niets beters te doen dan te maken dat zij wegkwamen en allen keerden dus naar deSchoone Zwerfsterterug.
VIII.Het “Schurkendorp”.Acht dagen later, den 26denMei, kwam de reiswagen in de nabijheid der bronnen van de Frazer. Het was dag en nacht blijven doorregenen, maar nu, meende de gids te kunnen verzekeren, kon het niet lang meer duren of er moest verandering van weer komen.Zij trokken de rivier bij haren oversprong over, waar het terrein weder in hooge mate golvend was. Daarna gingen zij met deSchoone Zwerfsterrecht den kant van het Westen op.Nog een dag of wat rijdens en de karavaan zou aan de grens van Alaska komen.Sedert eene week hadden zij geen dorp of gehucht meer op hunnen weg ontmoet. Over de diensten van den indiaan Ro-No konden zij niet anders dan tevreden zijn; hij kende het land op een prik.Dien dag waarschuwde de gids Cascabel, dat het misschien niet kwaad zou zijn een etmaal rust te houden in een nabijgelegen dorp, want dat de paarden zichtbaar moede waren en het dus wel noodig hadden.—Wat is dat voor een dorp? vroeg Cascabel, die alles wat in Britsch-Columbia was nog altijd wantrouwde.—Het heet Schurkendorp, antwoordde de gids.—Wat zeg je, Schurkendorp?—Ja, bevestigde Jan, die naam staat ook op de kaart. Ik denk dat het de verbasterde naam is van een indiaanschen stam, waarvan de klank min of meer op »schurk” leek.—Voor mijn part is het een mooie naam, bromde Cascabel. Als er engelschen wonen, al waren het er maar een half dozijn, is er zeker geen betere te bedenken.Denzelfden avond hield deSchoone Zwerfsterdus stil bij de eerste huisjes van het dorp. Nog maar drie dagen en de grens tusschen Britsch-Columbia en de russische bezittingen zou door hen overschreden worden.Dan zou dus ook Cesar zijne opgeruimdheid terugkrijgen, die hij gemist had zoo lang hij op het gebied Harer britsche Majesteit vertoefde.Schurkendorp was oorspronkelijk alleen door indianen bewoond geweest. Er bevonden zich echter eenige engelschen, jagers uit liefhebberij of om den broode, die er slechts gedurende de maanden van het jachtseizoen verblijf hielden.Onder hen waren ook eenige officieren van het garnizoen te Victoria. Een hunner, een baronet, Sir Edward Turner, was een trotsch, aanmatigend man, een twistzoeker van natuur en bovendien een van die engelschen, die denken dat hun alles geoorloofd is omdat zij engelschen zijn. Het spreekt van zelf, dat hij aan franschen voor het minst een even grooten hekel had als Cesar Cascabel aan engelschen. Die twee maakten dus samen een mooi span!Denzelfden avond toen zij in het dorp gekomen waren, terwijl Jan, Sander en Kruidnagel er op uit waren om inkoopen te doen, hadden de honden van den edelen baronet niet ver van deSchoone Zwerfstereene ontmoeting met Wagram en Marengo, die opgevoed waren in denzelfden volkshaat welken hun meester koesterde.Tusschen den poedel en den patrijshond aan den eenen, en depointersaan den anderen kant bestond dus reeds dadelijk eene gespannen verhouding. Het kwam tot blaffen, de tanden laten zien, elkander bijten, totdat eindelijk de wederzijdsche eigenaars op het lawaai afkwamen.Sir Edward Turner woonde in een huis aan het begin van het dorp. Met opgeheven zweep schoot hij op de twee honden van Cascabel toe.Dit was genoeg voor dezen om tegen den baronet partij te trekken voor zijne viervoetige reisgenooten.Sir Edward Turner, die zeer netjes fransch sprak, zag terstond met wien hij te doen had. Onbeschaamd als hij ten allen tijde was, vond hij niet de minste reden om den kunstenmaker en diens landgenooten in het algemeen niet »echt engelsch”, uit de hoogte te behandelen.Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz. 84).Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz.84).Ieder kan begrijpen hoe Cascabel geneigd was, dat op te nemen.Maar hij wilde zich geen onaangenaamheden op den hals halen, vooral niet op engelsch grondgebied, en geen gevaar loopen vertraging in zijne reis te ondervinden. Hij hield zich dus in en antwoordde op eenen toon waar niets op aan te merken viel:—Uwe honden zijn begonnen met de mijne aan te vallen, mijnheer.—Uw honden? antwoordde de edelman, koorddansershonden! Die verdienen niets anders dan een knauw of een pak ransel!—Ik moet u doen opmerken, hernam Cesar, onwillekeurig driftig wordende, dat hetgeen gij daar zegt niet te pas komt voor eengentleman.—Voor een kerel als jij heb ik toch geen ander antwoord.—Mijnheer, ik wil beleefd blijven, maar gij zijt een vlegel!—Weet je wel met wien je te doen hebt? Ik heet Sir Edward Turner, baronet!Cascabel was nu zijne drift niet langer meester. Bleek, met fonkelende oogen en dreigende vuisten kwam hij op den baronet af, toen Napoleona hem kwam roepen.—Vader, riep zij, moeder vraagt naar u!Cornelia had haar dochtertje gestuurd omdat zij wilde dat haar man naar den wagen terugkeerde.—Ik kom dadelijk, antwoordde hij. Napoleona, zeg aan uwe moeder dat ik eerst een praatje met dien heer heb te houden.Toen hij dien naam hoorde, begon de engelschman verachtelijk te lachen.—Napoleona! zeide hij. Een mooie naam voor zoo’n meid! Die schavuit.....Dat was meer dan Cascabel verdragen kon. Met over de borst gekruiste armen stapte hij vooruit tot vlak bij den engelschman.—Gij beleedigt mij! begon hij.—Zoo, beleedig ik u?—Dat niet alleen, maar gij beleedigt een groot man, die uw heele eiland ingepakt zou hebben als hij goedgevonden had er heen te gaan.—Ei, ei!—Hij zou het ingeslikt hebben als een oester!—Onbeschaamde praatjesmaker!De engelschman was een weinig teruggegaan en stelde zich in postuur als een bokser, gereed om van zich afteslaan.—Mijnheer de baronet, gij hebt mij beleedigd en zult mij daar rekenschap van geven!—Rekenschap geven aan een kunstenmaker!—Door hem te beleedigen zijt gij zijns gelijke geworden. Wij zullen vechten zooals gij verkiest, met den degen, het pistool, den sabel of de vuist.—Waarom niet met een paar varkensblazen, spotte de baron, als paljassen voor eene tent!—Verdedig u!—Wie gaat er nu vechten met een kermisklant?—Ja zeker, schreeuwde Cascabel, buiten zichzelven van woede, met zoo’n kermisklant zal je vechten,... of je krijgt van hem een pak slaag!Zonder er aan te denken dat de engelschman hem wel eens de baas kon zijn in het boksen, waar deze soort van heeren zich van hunne jeugd af in oefenen, zou Cesar hem te lijf gegaan zijn, ware niet Cornelia in persoon komen toesnellen om hem tegen te houden.Op hetzelfde oogenblik kwamen eenige officieren, wapenbroeders en jachtgezellen van sir Edward Turner, op het standje af. Zij wilden niet toelaten dat iemand van zijnen stand zijne handen vuil zou maken aan zoo’n »kerel” en scholden de geheele familie Cascabel uit voor al wat leelijk is. Van die scheldwoorden trok de vastberadene Cornelia zich echter niets aan—ten minste zij deed alsof zij ze niet hoorde. Alleen wierp zij sir Edward Turner eenen blik toe, die dezen, indien hij haar beter gekend had, niet bijzonder gerust zou hebben doen zijn over den afloop van het geval.Intusschen waren ook Jan, Kruidnagel en Sander komen aanloopen en er scheen kans te bestaan op eene algemeene kloppartij, maar ook dit voorkwam moeder Cascabel, door op bevelenden toon te zeggen:—Kom meê, Cesar, en jullie allemaal marsch! Naar deZwerfster! Niemand heeft hier iets te maken!Niet een kreeg het in zijn hart om een woord tegen te spreken.Hoe Cascabel dien avond in zijn humeur was, behoeven wij niet te zeggen. Dat hij persoonlijk beleedigd was, kwam er minder op aan, maar dat zoo’n engelschman het gewaagd had zijn grootsten held te bespotten! Hij wilde hem te lijf, hij zou hem op zijn gezicht slaan, hem en al zijne kameraads, al de schurkachtige bewoners van Schurkendorp. De jongens wilden niets liever dan met hun vader meê van leer te trekken. En Kruidnagel, die zwoer dat hij den engelschman zijn neus zou afbijten..... of als het niet anders kon, dan maar een oor!Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedaren te brengen. (Zie bladz. 87).Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedarentebrengen. (Zie bladz.87).Cornelia had vrij wat moeite om al die driftkoppen tot bedaren te brengen. Te meer dewijl zij erkennen moest dat het ongelijk geheelaan den kant van sir Edward Turner was en dat zoowel haar man als de geheele troep behandeld was op eene manier zooals de ergste vagebonden het elkander niet doen zouden.Maar Cornelia vond dat hun toestand al zorgelijk genoeg was en zij niet noodig hadden dien nog erger te maken. Toen haar man er op staan bleef dat hij den baronet eene rammeling moest gaan toedienen, beet zij hem eindelijk toe:—Dat zul je laten Cesar! Ik verkies het niet!Daar was Cascabel niet tegen opgewassen. Als zijne vrouw op dien toon sprak, gaf hij haar altijd gelijk.Cornelia had rust noch duur zoo lang zij het verwenschte dorp niet achter den rug hadden. Waren zij eerst maar een mijl of wat noordelijker, dan kon zij weder gerust ademhalen. Teneinde overtuigd te zijn dat niemand gedurende den nacht buiten den wagen kwam, sloot zij niet alleen zelve de deur aan den binnenkant, maar bleef zij den geheelen nacht buiten deSchoone Zwerfsterde wacht houden.Den volgenden ochtend, dat was den 27stenMei, maakte Cornelia te drie uur den geheelen troep wakker. Uit overmaat van voorzichtigheid wilde zij vóór het aanbreken van den dag op weg, zoodat geen mensch, geen engelschman, geen indiaan, iets van hun vertrek kon merken. Dat was zeker het beste middel om alle verdere onaangenaamheden te voorkomen, maar zelfs toen maakte de anders zoo bedaarde vrouw een haast onbegrijpelijken spoed. Zij verkeerde in eenen toestand van zeldzame opgewondenheid, keek aanhoudend met onderzoekende blikken rond, was overal bij en kon geen woorden genoeg vinden om haren man, hare zonen en Kruidnagel, die geen van allen haast genoeg naar haren zin maakten, hunne langzaamheid te verwijten.—Hoeveel dagen hebben wij nog noodig om over de grens te komen? vroeg zij hunnen gids.—Een dag of drie, antwoordde Ro-No.—Opgepakt dan! hernam Cornelia. Vóór alles is het noodig, dat wij niet meer gezien worden.Intusschen moet niemand zich verbeelden, dat Cesar de beleediging van den vorigen dag vergeten had. Deze plek te verlaten, zonder dat hij den baronet zijne onbeschoftheid betaald had gezet, was een hard gelag voor onzen vurigen franschman, die daarenboven nog al de koppigheid van een echten normandiër bezat.—Dat komt er van, schold hij, als men eenmaal den voet zet in zoo’n smeerlappenland!Meer dan eens voelde hij nog lust den kant van het dorp uittegaan, in de hoop, dat het toeval hem sir Edward Turner wederzou doen ontmoeten. Hij keek met vurige blikken naar de gesloten vensterblinden van het huis waar de baronet woonde, maar hij dorst zich niet te verwijderen buiten de oogen der waakzame Cornelia, die hem geen oogenblik aan zichzelf overliet.—Waar ga je naar toe, Cesar?... Blijf bij mij, Cesar! Ik verkies niet dat je van den wagen afkomt, Cesar!Zoo ging het aanhoudend door. Nog nooit, zoolang hij getrouwd geweest was, had Cascabel zich met zulke onverbrekelijke boeien aan zijne dierbare wederhelft vastgeklonken gevoeld.Dank zij al dit drijven en jagen werd er meer dan gewoonlijk haast gemaakt en stonden de paarden spoedig voor den wagen. Te vier uur ’s nachts zat al wat leven had, de honden, de aap en de papegaai, het hoofd van het gezin met zijne zonen en zijn dochtertje, binnen in deSchoone Zwerfsteropgesloten. Cornelia ging zelve op den bok zitten, Kruidnagel en de gids vatten de paarden bij den teugel en voort ging het.Een kwartier later was er van Schurkendorp niets meer te zien te midden van het dichte groen der boomen, die het aan alle zijden omringden. Het begon pas eenigszins licht te worden; alles was doodstil. Op de onafzienbare vlakte, die zich vóór hen naar het Noorden uitstrekte, was geen levend wezen te bespeuren.Toen eerst, toen zij niet de geringste vrees meer behoefde te koesteren dat iemand in het dorp iets van hunnen aftocht bemerkt had, en toen Cornelia er gerust op meende te mogen rekenen dat geen indiaan of engelschman haar iets in den weg zou kunnen leggen, begon zij weder haar gewone vriendelijke gezicht te toonen. Dat maakte haren man in den grond van zijn hart een weinig gemelijk.—Voor dat volk daar ginder moet ge dan toch al heel erg bang geweest zijn, Cornelia, merkte hij op.—Erg bang, was al wat zijne vrouw antwoordde.In de drie dagen, die volgden, gebeurde er niets bijzonders. Toen eindelijk, zooals de gids voorspeld had, kwamen zij op de uiterste grens van Britsch-Columbia.DeSchoone Zwerfsterreed tot aan gene zijde der grenslijn. Daar hield zij op het grondgebied van Alaska stil.Zij hadden nu niets anders meer te doen dan afterekenen met Ro-No, die hen ijverig en trouw gediend had. Hij werd bedankt voor zijne diensten en nam toen van het reisgezelschap afscheid, na hun den laatsten weg gewezen te hebben in de richting van Sitka, de hoofdstad der russische bezittingen in Noord-Amerika.Nu hij eindelijk niet meer onder het britsche gezag ademde,zou men misschien denken dat Cesar Cascabel zijn goede humeur dadelijk terugkreeg. Het had er echter niets van. Drie dagen waren er reeds voorbij sedert hij in Schurkendorp de ontmoeting met den engelschman gehad had, maar nog altijd brandde de ondervonden beleediging hem op het hart. Hij kon dan ook niet nalaten tot Cornelia te zeggen:—Dat ge mij ook niet hebt laten gaan om dien lord zijne bekomst te geven!—Dat was al gebeurd Cesar, zeide moeder Cascabel op den eenvoudigsten toon ter wereld.Het was werkelijk gebeurd, en goed ook!Laat in den avond, toen allen in den wagen gerust lagen te slapen en de deur zorgvuldig op het slot was, had Cornelia zich naar de woning van den baronet begeven. Juist stapte hij de deur uit om naar de plek, waar de jagers samen moesten komen, te gaan. Zij volgde hem een tijd lang in het eenzame bosch. Toen had zij hem ingehaald en daar, met niemand tot getuige dan de zwijgende boomen, had «de eerste worstelares van den prijskamp te Chicago” den edelman een pak ransel toegediend, waar hij in eerste uren niet van kon opstaan. Eerst den volgenden ochtend kwam sir Edward Turner weer op de been, maar met pijn in al zijne ledematen. Nog een heelen tijd droeg zijn lichaam de sporen van zijne ontmoeting met deze beminnelijke vrouw.—O Cornelia! riep haar man, toen hij dit uit haren mond vernam, u dank ik het dat mijne eer gewroken is! Niemand is waardiger den naam Cascabel te dragen dan gij!
Acht dagen later, den 26denMei, kwam de reiswagen in de nabijheid der bronnen van de Frazer. Het was dag en nacht blijven doorregenen, maar nu, meende de gids te kunnen verzekeren, kon het niet lang meer duren of er moest verandering van weer komen.
Zij trokken de rivier bij haren oversprong over, waar het terrein weder in hooge mate golvend was. Daarna gingen zij met deSchoone Zwerfsterrecht den kant van het Westen op.
Nog een dag of wat rijdens en de karavaan zou aan de grens van Alaska komen.
Sedert eene week hadden zij geen dorp of gehucht meer op hunnen weg ontmoet. Over de diensten van den indiaan Ro-No konden zij niet anders dan tevreden zijn; hij kende het land op een prik.
Dien dag waarschuwde de gids Cascabel, dat het misschien niet kwaad zou zijn een etmaal rust te houden in een nabijgelegen dorp, want dat de paarden zichtbaar moede waren en het dus wel noodig hadden.
—Wat is dat voor een dorp? vroeg Cascabel, die alles wat in Britsch-Columbia was nog altijd wantrouwde.
—Het heet Schurkendorp, antwoordde de gids.
—Wat zeg je, Schurkendorp?
—Ja, bevestigde Jan, die naam staat ook op de kaart. Ik denk dat het de verbasterde naam is van een indiaanschen stam, waarvan de klank min of meer op »schurk” leek.
—Voor mijn part is het een mooie naam, bromde Cascabel. Als er engelschen wonen, al waren het er maar een half dozijn, is er zeker geen betere te bedenken.
Denzelfden avond hield deSchoone Zwerfsterdus stil bij de eerste huisjes van het dorp. Nog maar drie dagen en de grens tusschen Britsch-Columbia en de russische bezittingen zou door hen overschreden worden.
Dan zou dus ook Cesar zijne opgeruimdheid terugkrijgen, die hij gemist had zoo lang hij op het gebied Harer britsche Majesteit vertoefde.
Schurkendorp was oorspronkelijk alleen door indianen bewoond geweest. Er bevonden zich echter eenige engelschen, jagers uit liefhebberij of om den broode, die er slechts gedurende de maanden van het jachtseizoen verblijf hielden.
Onder hen waren ook eenige officieren van het garnizoen te Victoria. Een hunner, een baronet, Sir Edward Turner, was een trotsch, aanmatigend man, een twistzoeker van natuur en bovendien een van die engelschen, die denken dat hun alles geoorloofd is omdat zij engelschen zijn. Het spreekt van zelf, dat hij aan franschen voor het minst een even grooten hekel had als Cesar Cascabel aan engelschen. Die twee maakten dus samen een mooi span!
Denzelfden avond toen zij in het dorp gekomen waren, terwijl Jan, Sander en Kruidnagel er op uit waren om inkoopen te doen, hadden de honden van den edelen baronet niet ver van deSchoone Zwerfstereene ontmoeting met Wagram en Marengo, die opgevoed waren in denzelfden volkshaat welken hun meester koesterde.
Tusschen den poedel en den patrijshond aan den eenen, en depointersaan den anderen kant bestond dus reeds dadelijk eene gespannen verhouding. Het kwam tot blaffen, de tanden laten zien, elkander bijten, totdat eindelijk de wederzijdsche eigenaars op het lawaai afkwamen.
Sir Edward Turner woonde in een huis aan het begin van het dorp. Met opgeheven zweep schoot hij op de twee honden van Cascabel toe.
Dit was genoeg voor dezen om tegen den baronet partij te trekken voor zijne viervoetige reisgenooten.
Sir Edward Turner, die zeer netjes fransch sprak, zag terstond met wien hij te doen had. Onbeschaamd als hij ten allen tijde was, vond hij niet de minste reden om den kunstenmaker en diens landgenooten in het algemeen niet »echt engelsch”, uit de hoogte te behandelen.
Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz. 84).Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz.84).
Wagram en Marengo raakten aan het vechten met de jachthonden van den baronet. (Zie bladz.84).
Ieder kan begrijpen hoe Cascabel geneigd was, dat op te nemen.Maar hij wilde zich geen onaangenaamheden op den hals halen, vooral niet op engelsch grondgebied, en geen gevaar loopen vertraging in zijne reis te ondervinden. Hij hield zich dus in en antwoordde op eenen toon waar niets op aan te merken viel:
—Uwe honden zijn begonnen met de mijne aan te vallen, mijnheer.
—Uw honden? antwoordde de edelman, koorddansershonden! Die verdienen niets anders dan een knauw of een pak ransel!
—Ik moet u doen opmerken, hernam Cesar, onwillekeurig driftig wordende, dat hetgeen gij daar zegt niet te pas komt voor eengentleman.
—Voor een kerel als jij heb ik toch geen ander antwoord.
—Mijnheer, ik wil beleefd blijven, maar gij zijt een vlegel!
—Weet je wel met wien je te doen hebt? Ik heet Sir Edward Turner, baronet!
Cascabel was nu zijne drift niet langer meester. Bleek, met fonkelende oogen en dreigende vuisten kwam hij op den baronet af, toen Napoleona hem kwam roepen.
—Vader, riep zij, moeder vraagt naar u!
Cornelia had haar dochtertje gestuurd omdat zij wilde dat haar man naar den wagen terugkeerde.
—Ik kom dadelijk, antwoordde hij. Napoleona, zeg aan uwe moeder dat ik eerst een praatje met dien heer heb te houden.
Toen hij dien naam hoorde, begon de engelschman verachtelijk te lachen.
—Napoleona! zeide hij. Een mooie naam voor zoo’n meid! Die schavuit.....
Dat was meer dan Cascabel verdragen kon. Met over de borst gekruiste armen stapte hij vooruit tot vlak bij den engelschman.
—Gij beleedigt mij! begon hij.
—Zoo, beleedig ik u?
—Dat niet alleen, maar gij beleedigt een groot man, die uw heele eiland ingepakt zou hebben als hij goedgevonden had er heen te gaan.
—Ei, ei!
—Hij zou het ingeslikt hebben als een oester!
—Onbeschaamde praatjesmaker!
De engelschman was een weinig teruggegaan en stelde zich in postuur als een bokser, gereed om van zich afteslaan.
—Mijnheer de baronet, gij hebt mij beleedigd en zult mij daar rekenschap van geven!
—Rekenschap geven aan een kunstenmaker!
—Door hem te beleedigen zijt gij zijns gelijke geworden. Wij zullen vechten zooals gij verkiest, met den degen, het pistool, den sabel of de vuist.
—Waarom niet met een paar varkensblazen, spotte de baron, als paljassen voor eene tent!
—Verdedig u!
—Wie gaat er nu vechten met een kermisklant?
—Ja zeker, schreeuwde Cascabel, buiten zichzelven van woede, met zoo’n kermisklant zal je vechten,... of je krijgt van hem een pak slaag!
Zonder er aan te denken dat de engelschman hem wel eens de baas kon zijn in het boksen, waar deze soort van heeren zich van hunne jeugd af in oefenen, zou Cesar hem te lijf gegaan zijn, ware niet Cornelia in persoon komen toesnellen om hem tegen te houden.
Op hetzelfde oogenblik kwamen eenige officieren, wapenbroeders en jachtgezellen van sir Edward Turner, op het standje af. Zij wilden niet toelaten dat iemand van zijnen stand zijne handen vuil zou maken aan zoo’n »kerel” en scholden de geheele familie Cascabel uit voor al wat leelijk is. Van die scheldwoorden trok de vastberadene Cornelia zich echter niets aan—ten minste zij deed alsof zij ze niet hoorde. Alleen wierp zij sir Edward Turner eenen blik toe, die dezen, indien hij haar beter gekend had, niet bijzonder gerust zou hebben doen zijn over den afloop van het geval.
Intusschen waren ook Jan, Kruidnagel en Sander komen aanloopen en er scheen kans te bestaan op eene algemeene kloppartij, maar ook dit voorkwam moeder Cascabel, door op bevelenden toon te zeggen:
—Kom meê, Cesar, en jullie allemaal marsch! Naar deZwerfster! Niemand heeft hier iets te maken!
Niet een kreeg het in zijn hart om een woord tegen te spreken.
Hoe Cascabel dien avond in zijn humeur was, behoeven wij niet te zeggen. Dat hij persoonlijk beleedigd was, kwam er minder op aan, maar dat zoo’n engelschman het gewaagd had zijn grootsten held te bespotten! Hij wilde hem te lijf, hij zou hem op zijn gezicht slaan, hem en al zijne kameraads, al de schurkachtige bewoners van Schurkendorp. De jongens wilden niets liever dan met hun vader meê van leer te trekken. En Kruidnagel, die zwoer dat hij den engelschman zijn neus zou afbijten..... of als het niet anders kon, dan maar een oor!
Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedaren te brengen. (Zie bladz. 87).Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedarentebrengen. (Zie bladz.87).
Cornelia had vrij wat moeite om al de driftkoppen tot bedarentebrengen. (Zie bladz.87).
Cornelia had vrij wat moeite om al die driftkoppen tot bedaren te brengen. Te meer dewijl zij erkennen moest dat het ongelijk geheelaan den kant van sir Edward Turner was en dat zoowel haar man als de geheele troep behandeld was op eene manier zooals de ergste vagebonden het elkander niet doen zouden.
Maar Cornelia vond dat hun toestand al zorgelijk genoeg was en zij niet noodig hadden dien nog erger te maken. Toen haar man er op staan bleef dat hij den baronet eene rammeling moest gaan toedienen, beet zij hem eindelijk toe:
—Dat zul je laten Cesar! Ik verkies het niet!
Daar was Cascabel niet tegen opgewassen. Als zijne vrouw op dien toon sprak, gaf hij haar altijd gelijk.
Cornelia had rust noch duur zoo lang zij het verwenschte dorp niet achter den rug hadden. Waren zij eerst maar een mijl of wat noordelijker, dan kon zij weder gerust ademhalen. Teneinde overtuigd te zijn dat niemand gedurende den nacht buiten den wagen kwam, sloot zij niet alleen zelve de deur aan den binnenkant, maar bleef zij den geheelen nacht buiten deSchoone Zwerfsterde wacht houden.
Den volgenden ochtend, dat was den 27stenMei, maakte Cornelia te drie uur den geheelen troep wakker. Uit overmaat van voorzichtigheid wilde zij vóór het aanbreken van den dag op weg, zoodat geen mensch, geen engelschman, geen indiaan, iets van hun vertrek kon merken. Dat was zeker het beste middel om alle verdere onaangenaamheden te voorkomen, maar zelfs toen maakte de anders zoo bedaarde vrouw een haast onbegrijpelijken spoed. Zij verkeerde in eenen toestand van zeldzame opgewondenheid, keek aanhoudend met onderzoekende blikken rond, was overal bij en kon geen woorden genoeg vinden om haren man, hare zonen en Kruidnagel, die geen van allen haast genoeg naar haren zin maakten, hunne langzaamheid te verwijten.
—Hoeveel dagen hebben wij nog noodig om over de grens te komen? vroeg zij hunnen gids.
—Een dag of drie, antwoordde Ro-No.
—Opgepakt dan! hernam Cornelia. Vóór alles is het noodig, dat wij niet meer gezien worden.
Intusschen moet niemand zich verbeelden, dat Cesar de beleediging van den vorigen dag vergeten had. Deze plek te verlaten, zonder dat hij den baronet zijne onbeschoftheid betaald had gezet, was een hard gelag voor onzen vurigen franschman, die daarenboven nog al de koppigheid van een echten normandiër bezat.
—Dat komt er van, schold hij, als men eenmaal den voet zet in zoo’n smeerlappenland!
Meer dan eens voelde hij nog lust den kant van het dorp uittegaan, in de hoop, dat het toeval hem sir Edward Turner wederzou doen ontmoeten. Hij keek met vurige blikken naar de gesloten vensterblinden van het huis waar de baronet woonde, maar hij dorst zich niet te verwijderen buiten de oogen der waakzame Cornelia, die hem geen oogenblik aan zichzelf overliet.
—Waar ga je naar toe, Cesar?... Blijf bij mij, Cesar! Ik verkies niet dat je van den wagen afkomt, Cesar!
Zoo ging het aanhoudend door. Nog nooit, zoolang hij getrouwd geweest was, had Cascabel zich met zulke onverbrekelijke boeien aan zijne dierbare wederhelft vastgeklonken gevoeld.
Dank zij al dit drijven en jagen werd er meer dan gewoonlijk haast gemaakt en stonden de paarden spoedig voor den wagen. Te vier uur ’s nachts zat al wat leven had, de honden, de aap en de papegaai, het hoofd van het gezin met zijne zonen en zijn dochtertje, binnen in deSchoone Zwerfsteropgesloten. Cornelia ging zelve op den bok zitten, Kruidnagel en de gids vatten de paarden bij den teugel en voort ging het.
Een kwartier later was er van Schurkendorp niets meer te zien te midden van het dichte groen der boomen, die het aan alle zijden omringden. Het begon pas eenigszins licht te worden; alles was doodstil. Op de onafzienbare vlakte, die zich vóór hen naar het Noorden uitstrekte, was geen levend wezen te bespeuren.
Toen eerst, toen zij niet de geringste vrees meer behoefde te koesteren dat iemand in het dorp iets van hunnen aftocht bemerkt had, en toen Cornelia er gerust op meende te mogen rekenen dat geen indiaan of engelschman haar iets in den weg zou kunnen leggen, begon zij weder haar gewone vriendelijke gezicht te toonen. Dat maakte haren man in den grond van zijn hart een weinig gemelijk.
—Voor dat volk daar ginder moet ge dan toch al heel erg bang geweest zijn, Cornelia, merkte hij op.
—Erg bang, was al wat zijne vrouw antwoordde.
In de drie dagen, die volgden, gebeurde er niets bijzonders. Toen eindelijk, zooals de gids voorspeld had, kwamen zij op de uiterste grens van Britsch-Columbia.
DeSchoone Zwerfsterreed tot aan gene zijde der grenslijn. Daar hield zij op het grondgebied van Alaska stil.
Zij hadden nu niets anders meer te doen dan afterekenen met Ro-No, die hen ijverig en trouw gediend had. Hij werd bedankt voor zijne diensten en nam toen van het reisgezelschap afscheid, na hun den laatsten weg gewezen te hebben in de richting van Sitka, de hoofdstad der russische bezittingen in Noord-Amerika.
Nu hij eindelijk niet meer onder het britsche gezag ademde,zou men misschien denken dat Cesar Cascabel zijn goede humeur dadelijk terugkreeg. Het had er echter niets van. Drie dagen waren er reeds voorbij sedert hij in Schurkendorp de ontmoeting met den engelschman gehad had, maar nog altijd brandde de ondervonden beleediging hem op het hart. Hij kon dan ook niet nalaten tot Cornelia te zeggen:
—Dat ge mij ook niet hebt laten gaan om dien lord zijne bekomst te geven!
—Dat was al gebeurd Cesar, zeide moeder Cascabel op den eenvoudigsten toon ter wereld.
Het was werkelijk gebeurd, en goed ook!
Laat in den avond, toen allen in den wagen gerust lagen te slapen en de deur zorgvuldig op het slot was, had Cornelia zich naar de woning van den baronet begeven. Juist stapte hij de deur uit om naar de plek, waar de jagers samen moesten komen, te gaan. Zij volgde hem een tijd lang in het eenzame bosch. Toen had zij hem ingehaald en daar, met niemand tot getuige dan de zwijgende boomen, had «de eerste worstelares van den prijskamp te Chicago” den edelman een pak ransel toegediend, waar hij in eerste uren niet van kon opstaan. Eerst den volgenden ochtend kwam sir Edward Turner weer op de been, maar met pijn in al zijne ledematen. Nog een heelen tijd droeg zijn lichaam de sporen van zijne ontmoeting met deze beminnelijke vrouw.
—O Cornelia! riep haar man, toen hij dit uit haren mond vernam, u dank ik het dat mijne eer gewroken is! Niemand is waardiger den naam Cascabel te dragen dan gij!