„Là ci darem la mano!”——
„Là ci darem la mano!”——
De zang der verlokking ruischt dan als een lied der verzoening—als eene bede om vergiffenis voor den misstap die zoo ras begaan werd, en zoo lang geboet.
Clair—obscur—C'est un mystère,Qui souvent me trouble l'esprit:L'oeil parfois, que le jour éblouit,Perd son chemin dans la lumière,Tandis que, égaré, obscurci.Il voit un phare dans la nuit.
Clair—obscur—C'est un mystère,Qui souvent me trouble l'esprit:L'oeil parfois, que le jour éblouit,Perd son chemin dans la lumière,Tandis que, égaré, obscurci.Il voit un phare dans la nuit.
Het was al tamelijk laat in den avond, toen de omnibus van het station, na veel hotsen en botsen, mij door zijn stilstaan te beduiden gaf dat ik mij bevond aan de deur mijner bestemming: de deur, of liever de poort, van het wijdvermaardeRothe Hauste Trier. Ik stapte uit. De gebruikelijke kellner (gij kent hem: den bewusten met de bij afwisseling zwarte en blonde bakkebaardjes: denzelfden die bij de aankomst van elken omnibus heeft post gevat voor de deuren van alle hotels ter wereld) maakte de gebruikelijke Judas-achtige buiging; wij wisselden de gebruikelijke vragen en antwoorden—en ik verloor daarna geen oogenblik om de eetzaal binnen tegaan, waar mij zonder dralen een bord van de gebruikelijke watersoep werd onder den neus geschoven, als inleiding tot de gebakkene aardappelen en kalfscoteletten, dewelke, gelijk gebruikelijk, niet nalaten zouden zoo aanstonds te volgen.
Ik had in den trein, van Straatsburg komende, reeds opgemerkt dat het een zeldzaam schoone nacht beloofde te worden: de volle maan rees als een rijpe granaat-appel boven de golvingen van het Badensche gebergte. In den omnibus was het mij niet ontgaan, dat ik doorreed onder den holklinkenden poortboog van een donker gevaarte—de Porta Nigra, naar een mede-passagier mij konddeed. Ik had voorts gelezen dat het logement waar ik mijnen intrek nam, het Roode Huis, gerekend wordt tot de merkwaardigste gebouwen van Rijnland's merkwaardigste stad. Doch met voorbedachten rade had ik noch op het een, noch op het ander acht geslagen, getrouw aan mijnen stelregel om zoo min mogelijk de waarneming van het schoone te doen samengaan met de nijpingen van eene hongerige maag en eenen dorstigen gorgel. De wolf in u, o mensch, gevoelt voor het verhevene niets. Werp hem eene kluif toe, vóór gij uit bewonderen of uit mijmeren gaat, opdat hij u met zijn blaffen niet store.
Eerst bij het ledigschenken van mijn tweede halfje Brauneberger bespeurde ik dat ik niet alléén gegeten had. Rechts en links van mijnen stoel aan het boveneinde van den disch zaten op geringen afstand twee vrouwen, waarvan de eene met een boek, de andere met een handwerk zich onledig hield. Vreemd! Ik meende toch wel zeker te zijn dat er daareven nog, buiten den knecht en mijzelven, niemand in de zaal was geweest. Hoe was het mogelijk, dat ik van het binnenkomen dezer nieuwegasten niets bemerkt had? Hier waren geene deuren die onhoorbaar als zefirs om hare hengselen zwenkten; hier was geen perzisch tapijt waarover de voetstap geruchtloos henenglipt;—de planken vloer lag zelfs vrij dik met zand bestrooid. Kon de gulzigheid des hongers mij blind en doof hebben gemaakt? Maar zóó streelend voor het verhemelte had ik toch waarlijk de opgewarmde klieken uit deze Triersche vetpotten niet gevonden, om onder het genot er van al mijne overige zintuigen uit wandelen te laten gaan. Vreemd inderdaad! van welke zijde ik het ook bekeek. En tevens voor mij wel een weinig beschamend. Het kwam in mij op, dat ik mij in de oogen dezer dames moest hebben aangesteld als een hyena tijdens de voedering. Niet ééns te hebben opgekeken van mijn bord, terwijl zij binnentraden, met eene minzame neiging misschien—en mij de eer bewezen, zoo dicht in mijne nabijheid aan de tafel plaats te nemen!—Ik begreep mijzelven niet—en nog minder begreep ik het raadselachtige opduiken van deze twee dischgenooten.
Intusschen, hoe zij er dan ook gekomen waren—daar zaten zij, zwijgend tegenover elkander, de zichtbare, desnoods tastbare bewijsstukken van mijne onverklaarbare onoplettendheid: de eene in de weer met haar saffraangeel borduurpatroon van zonderlinge, geheel oud-modische teekening; de andere gebogen over eenen sterk beduimelden roman—Engelsch, naar het afzichtelijk roodbonte omslag te oordeelen. Hoewel ik nu, gelijk gezegd, mij ietwat met mijzelven verlegen voelde, bleef ik toch mans genoeg om aan mijne oogen den kost te geven. De beide dames verdienden inderdaad eenige opmerkzaamheid.
Die met het naaldwerk was eene oude, die met hetboek eene jonge vrouw. De oude droeg op haar gerimpeld gelaat de deerlijk verweerde sporen van eene indrukwekkende maar strenge schoonheid; de jonge, met hare gladde doch onregelmatige trekken, zou ik eer mooi dan schoon hebben willen noemen—piquant zeer zeker. De oude had, onder twee fronsende wenkbrauwen, een paar oogen van smeulend vuur, en tusschen die oogen eene groeve, waarin een foliant vol diepe gedachten en eene gansche kroniek vol sombere herinneringen schenen verholen te liggen;—de blik der jonge was als staal zoo grauw, zoo hard, zoo blinkend en zoo koud—en toch met zijne levendigheid niet zonder iets, dat sommige mannen verlokkend vinden, andere brutaal. Statig en stokrecht zat de oude op haren stoel, met de dunne lippen op elkander genepen, al de leden roerloos, de hand alleen met de gedrildheid van een uurwerk nieuwe steken toevoegend aan het gewirwar van arabesken op het stramien. De jonge daarentegen bleef geene tien seconden achtereen in dezelfde houding; nu wierp zij zich achterover, dan zijlings op den rechter-, zijlings op den linker-elleboog, straks voorover met het kroezig gelokte hoofd tusschen de op de tafel gestutte armen. Haar lezen was een ongedurig glippen van bladzijde op bladzijde, met sprongen over geheele hoofdstukken heen; en niet minder bewegelijk dan haar lichaam was haar gelaat: onophoudelijk, als weerlicht in eenen zomernacht, schoten uit de hoeken van haren fijnen mond de trekjes van spot en van spijt, van humor, hoon, vernuft en gemelijkheid;—het leek wel of er kwik voor bloed stroomde door hare slangachtig ranke gestalte—maar kwik op koortshitte dan. De kleeding der twee liep al evenzeer uiteen; de oude was gehuld in eenen pij-achtigen mantelvan donkere stof; de jonge droeg een nauwsluitend, lichtbruin reiskostuum, zeer sierlijk, doch meer mannelijk dan vrouwelijk van snit. Een gouden kruis slechts sierde der hoogbejaarde, eene zilveren hoepelslang der jeugdige de borst. Wat echter, bij al dit snijdende verschil in doen en wezen, mij bijzonder trof, was eene verre, niet aan te duiden, maar daarom niet minder onmiskenbare gelijkenis tusschen die strakke grijsheid en die tintelende jeugd: iets als tusschen oudtante en achternicht—een familie-trek. Een familie-trek, die het paar echter niet weerhield van over de tafel heen elkander hoogst onvriendelijke blikken toe te werpen: vonken van dreigenden toorn uit de koolzwarte oude, flitsen van tartende minachting uit de staalgrauwe jonge oogen.—Ik begreep er minder van dan ooit.
Middelerwijl gaf niemand geluid;—die doodsche stilte in de holle, spaarzaam verlichte eetzaal begon onaangenaam te worden. Ik had koffie besteld. Was de kellner met de kamermeid aan het minnekoozen, dat hij mij dien drank niet bracht?—Zeldzaam geval! Minder om de koffie dan om den kellner was het mij op dat oogenblik te doen. Mijne verlegenheid van daareven maakte namelijk allengs plaats voor eene zekere beklemdheid, eene gewaarwording alsof ik wel gaarne wegwilde, maar niet wegkonuit dit gezelschap. Hoe boezemden opeens die twee vrouwen mij zulk eene wonderlijke belangstelling in? Van de oude voelde ik mij vreemd, en toch tot haar aangetrokken. Aan de jonge voelde ik mij verwant, en toch van haar afkeerig. Wie waren zij? Waarom gingen zij om de ure elf (de klok had geslagen) niet behoorlijk naar hare kamers? Hoe ketenden zij mij zoo machteloos aan mijnen stoel met haren onheilspellendenoogenstrijd?—Ik wil bekennen, dat het opdagen van een gewoon menschelijk individu, zelfs van eenen kellner, mij aangenaam ware geweest.... Maar de slungel volhardde in zijne afwezigheid. En opstaan en heengaan, ikkonhet niet.
Juist zocht ik, mij vermannend, naar eene niet àl te lamme phrase om het nare zwijgen te verbreken, toen de oudste der beide dames—half tot mijnen schrik, half tot mijne verademing—haar hoofd naar mij toewendde en aldus tot mij sprak:
„Gij maakt weinig haast, vreemdeling, om de merkwaardigheden van Augusta Trevirorum te bezichtigen.”—Eene stem als uit een grafgewelf; toch rijk van toon en week van trilling.
„Mevrouw”, antwoordde ik, terwijl ik bij het hooren van mijn eigen geluid weer eenen riem onder mijn hart voelde—„ik ben eerst heden avond hier beland. Morgen vroeg denk ik—”
„De vroege morgen is bedrog!” viel zij mij in de rede: „De nacht slechts spreekt hier waarheid. Dit is eene stad om bij maanlicht te doorwandelen.”
„Gij kunt gelijk hebben. Ik zou inderdaad, daar de avond zoo schoon is, en als ik naar mijnen lust te werk ging—”
„Volg mij!” gebood zij, in hare volle lengte oprijzend van haren zetel: „Ik wil uwe leidsvrouw zijn.”
Ik keek haar nog eens terdege aan. De verwarde grijze lokken, de puntige neus en kin, de ingevallen mond, de tanige, diep doorploegde wangen.... Wel! dacht ik: indien zij met dit nachtelijk avontuur haren eigen eerbaren naam niet vreest te verspelen—de mijne loopt er zeker geen gevaar bij.
„Gaarne, mevrouw!” riep ik: „recht gaarne. Uwe bereidwilligheid is inderdaad.... Als gij ooit in Rotterdam mocht komen——”
„Genoeg!” sprak zij: „ik ben gereed.”
Op mijne buiging voor de jongere dame kreeg ik niets terug dan een allerverachtendst opkrullen van de koraalroode bovenlip, zoodat de tanderij er onder zichtbaar werd—als een snoer van paarlen, zoo gij wilt—maar juister gesproken, als het gebit van eenen hond.
Tragisch gedrapeerd in haren wijden mantel, waarvan zij de kap zich over het hoofd had getrokken, schreed de oude mij vóór—de breede Simeonsstraat af, naar de Porta Nigra. Weldra stonden wij voor den machtigen steenklomp stil.
Wij waren alleen; van de wakkere Trevieren waakte er geen enkele meer; zelfs geene nachtwacht verstoorde met loggen tred het plechtige zwijgen dezer aan den droom gewijde ure. De volle maan, onbeneveld, glansde halverwege aan den hemeltrans. Kan deze bekoorster eenen glimp van schoonheid spreiden zelfs over eene moderne huizenrij, zoo laat het zich denken hoe magisch een spel zij drijft met een bouwstuk als dit: een monument uit den Romeinen-tijd: een gewrocht dat in letterlijken zin is zwart geëtst door den aanslag van vijftienhonderd jaren—toch geene ruïne nog, maar stevig genoeg om het front te bieden aan evenveel eeuwen van toekomst, als het reeds eeuwen tartte van verleden. Wonderbaar goten zich de kille maanstralen door de ledigeboogramen in de hoogte; prachtig lagen de zwarte slagschaduwen gelegerd tusschen de zuilen en in de diepten der beide poortgewelven. Geene windvleug zuchtte er in het ommestaand geboomte. Zóó kalm, zoo klaar en luw was de nacht, dat het scheen of Rome's eigen zomerhemel zich welfde boven dit ontzaggelijke handenwerk van Rome's zonen.
Mijne geleidster stond, en tuurde het aan. Om haar een teeken van leven te ontlokken (want het ging er naar zweemen of zij mede in eenen zwarten steen veranderd was), stiet ik een schuchter kuchje uit. Het hielp niet.—„Dit is dan”, begon ik, „het trotsche gedenkstuk—”
„Bah!” smaalde zij: „een toren van Baäl. Maar het bloed der martelaren heeft de smet der afgodendienaars er van weggewasschen.”
„Met uw verlof”, hernam ik, versteld van deze zonderlinge taal: „die afgodendienaars—”
„Stil!” beet zij mij toe: „Oreer niet, maar geef acht!...”Zij greep mij heftig bij den arm.—„Voelt gij den bodem niet dreunen onder den tred der krijgsknechten?—Het is de dappere Claudius met zijn cohort. Zij gaan de poort bezetten, om den aanval af te slaan van de zwermen barbaren, die aanrukken over de bergen. Hoor! de wapenkreten—de schok der zwaarden tegen de schilden—het gekerm der snevenden!—Heere, hoe doet gij de heidenen vallen gelijk halmen onder de sikkel, opdat uw woord te spoediger zegeviere over hen allen!”—
Om de waarheid te zeggen, ik voelde bij deze beschrijving niets, dan het nijpen van hare vingeren in mijn vleesch; en ik vernam geen ander gerucht dan, heel in de verte, het gejoel van een troepje Triersche nachtbrakers, vroolijke bruiloftsgasten naar alle waarschijnlijkheid.Deze vrouw verkeerde blijkbaar in eenen uiterst overspannen toestand:—eene gemesmeriseerde misschien?—Nochtans maakte haar spookachtig pathos op mij eenen zekeren indruk.
„Victorie!” voer zij voort: „De bespringers neergeworpen! de grond bezaaid met hunne lijken!.... Het is waar, ook Claudius en zijne beide broeders liggen daar onder de rochelenden—mijne kloeke zoons, mijne edele knapen! Maar—Christus zij geloofd!—wat wil eene moeder beter, dan dat hare kinderen hun hartebloed vergieten onder Zijne banier!.... Kom, vreemdeling! Wandel verder met mij door de eeuwen van mijn lijden en van mijne kracht!”
„Dit was”, vervolgde zij, terwijl ik aan hare zijde ging, beangst en toch geboeid door de geheimzinnige majesteit van haar woord en wezen: „dit was nog de minst bittere teuge uit den kelk. Zacht was de heldendood mijner zonen: als de kus eener moeder kort en zoet, vergeleken bij het uiteinde van Thyrsus hunnen vader, dien de heiden Rictiovarus spijkeren deed aan het kruis, omdat hij niet wierook wilde plengen in de offerschalen der afgoden. Hier was het!” riep zij, naar eene verhevenheid wijzende, die wij door eene enge steeg langs den voormaligen wal genaderd waren, en waarop nog een brokstuk van eenen ouden toren stond: „Hier, ja!.... Hij was jong; ik was schoon; oneindig minden wij elkander. Met ééne bede, met éénen traan—ik wist het—hadde ik hem het gemoed week kunnen maken, zoodat hij den Heiland hadde afgezworen, en gered ware geweest. Ik sprak die bede niet uit; dien traan drong ik naar binnen. Ik zag de nagels hem door handen en voeten klinken; ik zag hem oprichten aan het hout, ten prooi aanlangzame foltering. Rechtop stond ik onder het kruis, hem vermanende tot roemen in zijn martelaarschap. Zijn bloed drupte mij op de schouders. Hij smeekte om drinken—ik weigerde het hem. Méér dan Christus zou hij lijden—méér dan Maria ik.”
De ontzettende waarheid van uitdrukking, waarmede dit verhaal haar van de lippen rolde, had mij zóó aangegrepen, dat ik mij bij lijve in het gehoorde verplaatst voelde. Het kwam niet in mij op, dat slechts eene schim of eene krankzinnige zoo spreken kon. Elke critische overweging bleef mij verre. Ik doorleefde mee dit verleden van heldenmoed en smart.
„Ongelukkige!” riep ik—„en gij hadt de kracht—?”
„Zijne ziel was mij liever dan zijn lichaam”, antwoordde zij. „Mijne kracht kwam van boven. Mijn kruis is mijn heil.... Doch stil! Ik ben nog niet aan het einde.”
Eene zijstraat voerde ons op de markt. Wij stonden naast de granietzuil van den aartsbisschop Heinrich. Achter ons rees dreigend de zware St. Gangolphs-toren. Vóór ons was het Roode Huis, stedelijk raadhuis in de middeneeuwen—sedert verlaagd tot eethuis en herberg. Maar in dit uur zou niemand het zijn verval in waardigheid hebben aangezien. Het hooge, spitse leiendak, blinkend in den maneschijn, deed het zweemen naar een kasteel. De beelden der heiligen en ridders tusschen de spitsboogvensters schenen van hunne voetstukken te treden. En als de vurige letteren in Belsazar's zaal, glom aan den muur het trotsche stedelijke devies:Ante Romam Treviris stetit annis mille trecentis.
„Dáár zaten zij”, hernam mijne gezellin—„op dezelfde plek waar gij zoo even hebt geavondmaald. Het was vóór vierhonderd jaren eene opene zuilengalerij; eenetribune stond er opgeslagen voor de heeren van den clerus en van den raad. Daar zaten zij—heilige mannen en erntfeste regenten. En tegenover hen, naast deze zuil, was een mutserd aangericht van goed droog sparrehout. Het armezondaarsklokje luidde; monniken rondom den brandstapel hieven eenConfutatisaan. Toen naderde, met vasten tred en opgeheven hoofd, eene frissche jonge maagd—de papieren mijter op de golvende lokken, om de slanke leden het gevlamde kleed.Mijnedochter, verstaat ge?mijnéénig overgebleven kind!—„Ten vure met de ketterin!” schreeuwde het volk: „ten vure!”.... En ik, hare moeder, hare aanklaagster—ik smeekte niet voor haar, ik dekte haar niet met mijn lichaam tegen den beul en zijne fakkel. „Bekeer u!” maande ik haar. „Nooit!” was haar antwoord: „ik kan sterven zoo goed als mijn vader!”—„Sterf dan!” riep ik—„en doormij, opdat dit allerzwaarste wee om der waarheid wille u misschien genade doe erlangen!”.... Met deze hand, ziet ge? heb ik den beul de spaan uit de vuist gerukt; met deze hand heb ik den brand gestoken in het stroo. Knetterend joeg de vlam omhoog. Zij zengde mij de haren: zij dreef mij den walm van het brandoffer in de neusgaten. Maar geen duimbreed week ik achterwaarts:—ik bleef, zelve meebrandend, totdat mijn liefste door den gloed verteerd was.... Eeuwig zal ik voor haar bidden, dat het vuur hier op aarde haar aflaat doe vinden van het vuur der hel. Maar vuur slechts kon haar louteren. Wat ik deed, was recht. Hier sta ik. God richte mij!”
Eene rilling voer mij door het ruggemerg. Ik blikte om mij heen;—het was of het bleeke maanlicht zich doormengeld had met een bloedrood schijnsel; of al de oudegevaarten in het rond, die van dit gruwelstuk getuigen waren geweest, den rossen gloed weerkaatsten van het maagdenmoordendauto-da-fé. Eindelijk vond ik de spraak terug:
„Ontzettende! gedrocht en heldin, die een bloedspoor achterlaat waar gij treedt—wie zijt gij dan toch?”
Zij sleepte mij voort naar de Domkerk; de zware deur week open bij haar naderen—en dreunend klonk hare stem door die weidsche ruimte, waar honderd marmeren beeldengroepen, wit als geesten in den door de vensters brekenden maneschijn, de vingeren gericht hielden naar den hemel:
„Wie ik ben?—Ik ben, die dezen tempel gebouwd heeft, en al de tempelen van den waren God, zoo wijd het kruis heeft gezegevierd op aarde. Ik ben, die niets te lief heeft geacht—gade, noch kroost, noch mijn eigen hartebloed, om het weg te geven voor den triomf der Alléénzaligmakende. Ik ben, die barrevoets door de sneeuw van het Noorden waadde, en door de blakende zandwoestijnen van het Zuiden, die honger en dorst, gevangenis en geeseling duizend malen heb getart, om ééne heidenziel te winnen voor het eeuwige heil. Ik ben, die eeuwen lang de volkeren geknield heb gezien aan mijne voeten, de vorsten wedijverend om eenen kus te mogen drukken op mijne hand. Ik ben—het oude geloof..... Neen—veins geen ontzag! Van u verwacht ik niet dat gij u voor mij in het stof zult buigen. Ik weet dat gij neigt tot diegenen, die mij verfoeien als genius der duisternis, terwijl zij die andere—de schaamtelooze deern—ten troon willen heffen als genius des lichts.... Ik vloek u niet: in mijne grijsheid werd ik het vermaledeien moede. Maar dit zeg ik u, vreemdeling—zoo ik ervelen gevloekt heb, méér nog heb ik er gezegend; zoo ik er duizenden lijden deed, millioenen heb ik er onder lijden getroost en staande gehouden; zoo ik natiën tot vertwijfeling dreef, geslachten op geslachten, eeuw in, eeuw uit, deed ik leven in hope en sterven in vrede. Dit zeg ik u:—daar was in mijne duisternis een licht—en daar is in uw licht eene duisternis!”
Hoe ik uit den Dom weer op de markt, van de markt in het Roode Huis gekomen ben, en verder, door den doolhof van gangen en trappen in het middeneeuwsch getimmerte, mijne kamer en mijn bed gevonden heb—dit staat mij niet helder voor. Zóóveel slechts heugt mij, dat ik een duchtig gat in den dag sliep, en dat ik nooit in mijn leven zulk een kluwen van ventende en koopende vrouwen, en zulk een gebergte van hoopen fruit en stapels groenten bijeenzag, als toen ik mijn hoofd uit het venster stak. Boeren en lanterfanters krioelden tusschen het kakelende vrouwvolk heen. De zwaar beladen marktkarren knarsten over de straatkeien. De voerlui schreeuwden ho! en hoist! of floten hunne paarden en de voorbijtrippelende dienstmeisjes toe. En hoog boven dit alles deden de klokken van St. Gangolphs en den Dom, Onze Lieve Vrouwe en de H. Drievuldigheid, St. Gervasius en St. Antonius—en wat al kerken het heilige Trier nog meer bezitten mag—de zonnig blauwe lucht vroolijk meedansen met haar gebeier. Het was de woeligste markt- en heiligedag dien men zich denken kan. Welk een verschil tusschen dewereld die is, en de wereld die men zich kan droomen!—in tweeërlei zin, helaas!
Maarhadik gedroomd?—Ik kon het nauwelijks gelooven. Eenen droom is men gewoonlijk na het wasschen vergeten. De ontmoeting van dezen nacht daarentegen stond mij zoo levendig, zoo in al het geziene en al het gehoorde klaar en scherp voor den geest. En toch....
De éénige intusschen, die mij omtrent dit punt zekerheid verschaffen kon, was de kellner.
„Vriend”, vroeg ik den jongeling, nadat de drie of vier overige ontbijtgasten waren heengegaan: „zeg mij eens, zijn die twee dames nog hier?”
„Welke twee dames?”
„Wel, die oude en die jonge, die gisteren-avond met mij in de eetzaal zaten.”
Hij gaapte mij verwonderd aan.—„Twee dames?—Mijnheer was gisteren-avond moederziel alleen in de eetzaal.”
„Alle Wetter!Er was toch eene oude dame die borduurde, en eene jonge die in eenen roodbonten roman las. Ik heb toch nog oogen in mijn hoofd?”
De verbazing op zijn meelkleurig gelaat week voor een oolijk lachje. „Ik zeide het mijnheer gisteren immers!” grinnikte hij: „Van alle Moezelwijnen is de Brauneberger wel de koppigste.Ich könnte Geschichtchen davon erzählen, oho!.... Komme schon!” riep hij—en wip, met zijn servet over den arm, hippelde hij naar een tafeltje waar men hem klopte.
De vlegel!—Hij had mij voor den neus geknipt, maar daarmee nog niet overtuigd. Die Brauneberger,nota bene!Eéne enkele flesch—en dit voor mij!—Belachelijk!Ik zag toch wat ik zag!—Die verschrikkelijke oude mocht dan misschien een spookbeeld zijn geweest, een phantasma, uit mijn brein voortgekomen tengevolge van de hersenschuddingen bij den langen spoorwegrit. Maar de jonge, met haar drieste oogen, hare malsche lippen, haar hondegebit.... Wie zag er ooit een droombeeld met een Rembrandt-hoedje gekapt? of een phantasma bladerende in eene Engelsche shillings-editie?
Met dit al niet wetende wat ik van het geval te denken had, nam ik mijne beenen op, ten einde het Duitsche Rome en zijne wandeldreven nu ook eens bij het licht des daags te bezien.
De vijfde namiddag-ure had geslagen, toen ik den door de geschiedenis gewijden cirkel betrad, die even buiten de stad tusschen groene wijnbergen verscholen ligt: het amphitheater, de arena, in welke eenmaal het heidendom der Imperatoren al zijne weelde ten toon spreidde, en al zijne gruwelijkheid. Ik had met voordacht den vóóravond bestemd tot dit bezoek; half de kunst van zien bestaat in het juiste kiezen van den tijd waarop en van de stemming waarin. Ik heb reeds gezegd: ga niet uit bewonderen wanneer u dorst, noch uit mijmeren wanneer u hongert. Ik voeg er bij: zoek het overschot van een Druïden-woud niet op bij middagzonneschijn, en eenen bouwval der oudheid niet in den jubelenden ochtendstond.
Wèl mocht eene lichte huivering mij bevangen, als ik, versch van de lectuur des historie-schrijvers, den voet zette binnen die eenzame ruimte, van zoovele ijselijkheden het schouwtooneel.
Het moet omstreeks deze zelfde ure zijn geweest, datmenschen, wier beschaving en daden nog steeds der menschheid bewondering afdwingen, op deze plek eene orgie van wreedheid vierden, van hartloos zwelgen in anderer pijn—een bloedfestijn, bij welks herinnering zelfs de minst evangelischgezinden onder ons den Hemel danken moeten dat zij Christenen zijn.
Tot op de bovenste omgang saamgepakt, verdringen zich de tienduizenden ongeduldige toeschouwers; en op het hoogepodium, onder den purperen troonhemel, zit Keizer Konstantijn, ontstuwd van zijne senatoren, consuls, praetoren en gezantenstoet. Het gedruisch der menigte is als dat eener onstuimige zee: zij weet het, dit gaat een dag der dagen worden: de Caesar wil op zijne zege over de Franken de kroon drukken met een schouwspel, waarvan Rome zelfs de weerga nog niet zag;—tot hunkerens gespannen is dus de bloedige verwachting. Dierengevechten strekken tot inleiding;—men acht ze ditmaal slechts voor kinderen de aandacht waard. Daar schettert opnieuw het trompetsignaal. Een Lybische leeuw springt uit een der holen in den ringmuur te voorschijn. Door dagen vastens uitgehongerd, verbijsterd door het licht en de kleuren, getergd door de kreten en door den reuk van de menschen in het rond, stuift hij woedend tegen de omschutting op, om zich eene prooi naar beneden te sleuren;—doch het metselwerk is te stijl: hij moet brullend afdeinzen. Ziet—daar is ook reeds een lichter te grijpen buit hem in het oog gevallen. Een jonge man, schoon en fier, staat daar midden in den circus. Het is Ragaïs, de overwonnen Frankenvorst. Men heeft hem uitgedost als jager; eene pardelhuid hing men hem over de schouders, eene lichte werpspies gaf men hem in de hand: want hij mag zich weren—wel nietmet eene kans om den leeuw te verslaan, maar om zijnen eigen doodstrijd en het vermaak van zijne vijanden te verlengen. Kalm blikt hij langs de rijen der gierige kijkers. Als hij Konstantijn speurt in den gulden stoel, keilt hij bliksemsnel zijn wapen door de lucht, zoodat het neerdrilt voor des Keizers voeten. Dan opent hij voor het aanspringende monster zijne armen, en steekt zijnen hals in den gapenden muil.
Op den leeuw volgt een tijger; op Ragaïs volgt Ascarik, de tweede Franken-koning. En is ook dit tweede stuk vorstelijk aas besprongen en verscheurd, dan eerst komt er rechtaf leven in het tooneel. Van vorsten was de voorraad schaarsch; van edelen en gemeenen is zij overvloedig. Bij gansche troepen jaagt men de weerlooze krijgsgevangenen in het perk; bij dozijnen laat men de grimmige bestiën—leeuwen, tijgers, panthers en beren, allen door honger tot het uiterste van woede en vraatzucht aangedreven—onder hen losbreken. Eenige duizenden strijdbare mannen geven op dien éénen namiddag onder klauw en tand den geest. En hoe hooger de stapels worden van lillend menschenvleesch, waarin de gedierten wroeten, des te doller wordt het razen van het dus onthaalde volk. De rood beloopen oogen puilen uit de kassen; de vastgeklemde tanden knarsen over elkaar; de scheefgetrokken monden brullen en gillen van genot........ Om de zinnen wat te bekoelen, besproeit men van tijd tot tijd de rijen met eenen stofregen van rozenwater—den geur van wellust, dien dit geslacht, verfijnd in geneugte en in wreedheid, het liefst had nà den geur van bloed.
Ziedaar het Triersche amphitheater op eenen zomerschen namiddag in het jaar onzes Heeren 306.
En nu—welk een verval! en welk een vrede!—Eenige vormlooze steenbrokken aan weerszijden van den ingang, eene rest van den ringmuur—dit is alles wat de tijd van het trotsche bouwwerk overliet. Waar de drom van tierende kijkers rist aan rist gestapeld zat, daar stonden nu bloeiende wijnstokken geschaard; waar de gladiatoren kampten, de dieren en hunne offers over elkander rolden in de doodstuip, daar knabbelde een geitje aan eenen heester, en tjilpte een krekeltje in het gras. Stilte, de liefelijke stilte van den zomer-avondstond, vervulde met haar gefluister dezen ontredderden kuil der gruwelen.
En straks werd die stilte verbroken door kindergezang, dat naderde uit de verte.....O tempora, o mores!Een schoolmeester schreed den cirkel binnen, aan de spits van een peloton pupillen. Zijne stem klonk als die eens hoofdmans over honderd; ontzagwekkend kliefde hij de lucht met zijne paraplu. Hij stelde de knaapjes in twee gelederen, deed hen de wandelstokken schouderen, en kommandeerde: „Rechts, richt u! Voorwaarts, marsch!”—of iets dergelijks. En rap rap rap rap! gingen de korte beentjes van de jongens, en de lange beenen van den onderwijzer.... Na de militaire kwamen de athletische oefeningen. Op het tempo „eins!” werden al de wandelstokken met beide handen vastgegrepen; op „zwei!” rezen zij alle horizontaal boven de hoofden; op „drei!” hurkten al de heupen neer—en op „vier!” begon zich het gansche gezelschap in beweging te zetten op die eigenaardige wijze, minder uit een aesthetisch dan uit een gymnastisch oogpunt aan te bevelen, die men in studentikose kringen pleegt aan te duiden met het verbum „kikkeren”.—„Hiep, hoep!” schreeuwde de paedagoog,met koene sprongen zijnen leerlingen vooruithuppend op de baan der lenigheid. Want tot 's mans eer moet ik betuigen, dat hij niet slechts in het kommando groot was, doch het ook geenszins beneden zich achtte al de afgeroepene evolutiënin propia personamee te maken—en dit, ondanks zijnen blauwen bril en zijnen zwartlakenschen kuitendekker, met bewonderenswaardige gratie en vaardigheid. „Hiep, hoep!—Stilte, lummels! Wie lachen durft, conjugeert mij vijf-en-twintig maal het werkwoordrisum tenere!—Hiep, hoep! hiep, hoep! hiep, hoep!——Halt!—Eins! Zwei! Drei!”——en daar stonden zij allen weer in„Reihe und Glied!” met hijgende borsten en hoogroode wangen.... Och jemini! dit was koddig! O ironie der geschiedenis! Het Romeinsche amphitheater te Trier diende dus ook thans nog tot arena!.... De éénige wreedheid echter, die ik er plegen zag, bestond in eene vermaning met de paraplu, door 's meesters hand toegebracht op den ronden kop van eenen in het kikkeren waarlijk àl te onleerzamen scholier. De jongen wreef zijnen knikker, en griende even. Maar bij het afmarscheeren blaatte hij weer mee uit volle keel:
„Was fragichviel nach Geld und GutWenn ich zufrieden bin!....”
„Was fragichviel nach Geld und GutWenn ich zufrieden bin!....”
Ja ja, beste jongen!—Wenn ich zufrieden bin!—dáár zit hem de knoop!...
Ik slenterde mijmerend stadwaarts:—langs de schoone ruïne der Romeinsche Baden, over de duizend- en nogmaals duizendjarige Moezelbrug—tusschen ruige bouwvallen en popperige villa's—het wonderlijkstedurcheinandervan doode kolossen en levende nietigheden. Daarna volgde ik de rivier totaan het dorpje Palliën, waar ik, links afslaande, de twee- of driehonderd in de rots gehouwen treden beklom, die opvoeren tot het meest bezochte bedevaartsoord van burgers en vreemden te Trier: de restauratieSchneiders Hof. Hier, op de breede veranda gezeten, in het altoos onderhoudende gezelschap van mijnen geestigen vriend Brauneberger, genoot ik in de genoegelijkste stemming een der liefelijkste uitzichten ter wereld. De spiegelgladde Mosella, zich slingerend tusschen de roode, met woud en wingerd bewassen zandsteenrotsen, de kring van rijk bebouwde hoogten in het verschiet, de oude brug, de stad met al hare torenspitsen.... Ach! hoe minzaam lachend zijn de steden der menschen, hoe vredig en kinderlijk schijnen zij zich te vleien aan den boezem der moederlijke natuur—als men ze slechts uit eene verte en van eene hoogte gadeslaat!
Terwijl ik dan zoo stil mijn hart aan dit alles zat op te halen, bemerkte ik dat er iemand plaats nam op den stoel die bij mijn tafeltje nog ledig stond, en hoorde ik eene stem, rad en schel, maar niet onwelluidend:
„Aha, jonkman! Dus nog onder de levenden?”
Ik wendde mij om en bevond mij van aangezicht tot aangezicht met—men raadt het al—: die andere, die jongere, met het kroeshaar, en de slang zonder eind op hare borst.... Gerechte Hemel! zoo was het dan toch alles werkelijkheid geweest. Die oude vrouw van heden nacht, met hare kruisingen en hare brandstapels—zij was dan toch geen nevenbeeld. Of zou ten slotte misschien ook déze hier....
Ik wreef mijne oogen eens uit .... daar was zij wel, met den staalglans in haren blik en het sarcastische trekjeom hare lippen, terwijl zij het schenkmeisje toeriep: „Hola, Kellnerin! nog een glas hier! en doe er meteen maar eene portie knakworst bij.”—Zij schonk, zoodra het bestelde haar gebracht was, zich dapper in uit mijne flesch, en verorberde haar avondbrood met opmerkelijke gezwindheid.... Hoe dan had ik aan hare vleeschelijkheid kunnen twijfelen? Er zijn voorbeelden van geesten, die bij gelegenheid een stevig glas wijn ergens in hun onstoffelijk binnenwerk wisten weg te stouwen. Doch dat iemand uit het schimmenrijk knakworst met mosterd nuttigde, dit was iets volslagen ongehoords.
„Nog onder de levenden, waarde heer en vriend?” herhaalde zij met vollen mond: „Men heeft u dus niet opgegeten?”
„Eilieve”, antwoordde ik, ietwat kregel: want ofschoon dit jonge ding mij een weinig had doen schrikken, ontzag boezemde zij mij met hare geëmancipeerde manieren volstrekt niet in:—„eilieve, mejuffrouw—waarom zou iknietmeer onder de levenden zijn? En wie zou er met mogelijkheid zulk eenen verbasterden appetijt hebben gehad, om mij op te eten—zoolang er namelijk nog knakworst in deze goede stad te krijgen is?”
„O, wat dát betreft”, hernam zij al kauwende—„het monster heeft er wel taaiere verslonden met huid en haar!”
„Maar wie bedoelt ge dan toch, als ik u bidden mag?”
„Wie anders, o snuggere man, dan uwe leidsvrouw van gisteren-avond?—De duffe mummie, die 's nachts tusschen brokkelende puinhoopen spookt, en over dag zich schuil houdt in graftomben? De domme drijfster, die zichzelve de karwats over den rug legt, als zij het anderen niet kan doen! De stekeblinde aardmol, diezich, oho! deze wereld tot eene werkelijke hel maakt, om eene denkbeeldige hel daar ergensbuitende wereld te ontloopen! De heks! De vampyr! De beulspatronesse!”—
Hare oogen sparkelden van kwaadaardigheid; het badientje in hare hand hieuw al fluitend de bladers af van de wingerd-ranken boven haar hoofd.
„Bedaar, lieve juffrouw!” zoo brak ik den stortvloed van invectieven af: „Die eerwaardige oude dame, in wier gezelschap ik u dan toch aantrof, en die mij, naar zekere gelijkenis te oordeelen, wel uwe grootmoeder scheen—”
„Mijne overgrootmoeder, sapprement!—en mijne aartsvijandin. Want zij wil ook mij naar haar pijpen doen dansen, en mij gelijk maken aan haarzelve. Maar nooit zullen wij twee iets gemeen hebben—nooit! Noemt zij zich vol wrevelhet oude geloof—ik—wandelaar, let wel!—ik noem mij vol trots hetnieuwe—”
„Ongeloof?” wierp ik half luid in het midden.
„—Hetnieuwegeloof”, sloeg zij door: „het geloof in den mensch en in zijne zelfgenoegzaamheid. Zie! hier is mijn symbool: de slang die haren staart opeet, zinnebeeld van de godheid Materia in hare eindeloozen kringloop. Hoor! ginds klinkt mijn psalmtoon: de stoomfluit eener locomotief. Lees! dit is mijn evangelie:Kennis is macht. Genieten is plicht. Zelfverloochening is krankzinnigheid. Er is geen licht dan het licht der wetenschap. Al wat gij daar buiten zoekt, is waan der duisternis.”
Het spreken maakte haar zóó dorstig, dat ik eene tweede flesch Brauneberger moest doen aanrukken.
„Ha!” begon zij opnieuw: „Wie heeft het volk totmenschengemaakt, vrij en gelijk?—Ik.—Wie heeft de brandstapels en marteltuigen van mijne overgrootmoeder doen verzinken?—Ik.—Wie heeft de kloosters doen instorten, de monniken uitgedund, de priesters in hunne schelp doen kruipen?—Ik.—Wie zal binnenkort ook al die daarginds nog overgeblevene tempelen van bijgeloof doen afbreken, om ruim baan te maken voor scholen—scholen waar de jeugd niets anders zal leeren dan dat tweemaal twee vier is?—Ik, ik, ik!.... Maar sta op, en ga mee—dan toon ik u mijnenfierstentriomf!”
Zij leidde mij met snellen tred naar buiten, de helling af, het dal door, en langs een kronkelend bergpad weer naar boven. Hier staat op den hoogsten top, vlak tegenover de stad, een reusachtig Mariabeeld, met eene forsche zuil tot voetstuk. Het gevaarte is een vijftig voet hoog, een baken voor geheel het omliggende land.
„Dáár nu!” kraaide de jonge schoone: „Hier heeft mijne macht het bijgeloof verwonnen in zijne laatste sterkte. Zie op, en oordeel!”
Ik keek op, en bespeurde inderdaad iets zonderlings. Men heeft het beeld der Madonna gewapend met—eenen bliksem-afleider!
„Ha ha ha!” gilde mijne geleidster: „de Koningin des Hemels kan niet eens zichzèlve meer beschermen tegen des hemels vuur! Lieve Sint Jozef de timmerman, weet gij daar van? Zij hebben mevrouw uwe gade eene stang door haar onbevlekte lijf gestoken, opdat zij bij eene donderbui niet naar beneden tuimele! De Moeder Gods om haar eigen bestwil gespietst door de profane menschelijke rede! Hi hi hi hi!”
Haar lachen klonk demonisch. Ik kon het niet aanhooren:zoo voor iemand ter wereld, dan had ik voor Maria nu het hoofd willen ontblooten. Ik wendde mij af en zette mij neer op eene der treden van het voetstuk, om stichting te vinden in den aanblik van het heerlijke vergezicht, waarover de schemering nederzeeg.
Toen vernam ik aan weerszijden een geprevel. Links zag ik de jonge vrouw, en rechts de oude—beiden geknield, de handen gevouwen, het hoofd opgericht naar het Madonna-beeld.
„Wat doet gij?” riep ik der oude toe.
„Ik aanbid het beeld des geloofs, dat door het wangeloof geschonden werd.”
„En gij?” vroeg ik der jonge.
„Ik kniel voor de almacht der wetenschap, die met hare speer het bijgeloof heeft doorboord.”
En zij drongen op mij aan, die beide spookselen. „Kies tusschen ons!” schreeuwden zij met heftige gebaren, alsof zij mijn lichaam in tweeën wilden scheuren.
Maar met kracht weerde ik ze af. „Voort!” riep ik: „voort gij beiden! Ik ga mijnen eigen weg.In naam van God en van vrijheid—voort!”....
Zij vloden—de eene rechts, de andere links den berg af. En mijn oog, met bovenmenschelijke scherpte toegerust, zag de oude ijlings verdwijnen in het duister der Triersche Domkerk, de jonge in de stoompijp van eene machinenfabriek.
De eerste starren fonkelden aan den hemel—en eenzaam daalde ik omlaag.
In de herberg het Roode huis teruggekeerd, deed ik mij terstond het gastenboek geven. Daar las ik, op de laatst beschrevene bladzijde, vlak onder mijnen eigen naam, in eene wilde, krabbelige hand:
Er is geen licht dan het licht der wetenschap. Al wat gij daar buiten zoekt, is waan der duisternis.
En daaronder, in hoekig gothisch schrift:
In mijne duisternis was een licht—en in uw licht is eene duisternis.
„Kellner”, vroeg ik: „wat staat hier geschreven?”
„Mijnheers naam”, antwoordde de knaap, mij nogmaals voor gek aanstarende.
„En verder?”
„Verder is er niets dan wit papier.”
„Kellner”, hernam ik: „ik geloof waarlijk dat gij gelijk hebt: die Brauneberger slaat erg naar het hoofd.”
„Ik geloof het óók, mijnheer!”
„Kellner—naar úw geloof vraagt niemand. Breng mij een ander merk.”
„Zu dienen, Herr, zu dienen!”
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. v3839Blz. 16schilpadschildpadBlz. 19grinnekendgrinnikendBlz. 19rooktopaasrooktoopaasBlz. 21'”Blz. 41gegewisseldgewisseldBlz. 52[Niet in Bron.].Blz. 64EykendalEykendaalBlz. 75,.Blz. 104”[Verwijderd.]Blz. 105”[Verwijderd.]Blz. 121zaturdag-avondzaterdag-avondBlz. 162,.Blz. 170papadijsparadijsBlz. 171[Niet in Bron.]”Blz. 177onmiddelijkonmiddellijkBlz. 183[Niet in Bron.]”Blz. 190oopopslagoogopslagBlz. 194,.Blz. 201[Niet in Bron.]”Blz. 228z'akza'kBlz. 228[Niet in Bron.]„Blz. 235„„„Blz. 235[Niet in Bron.].Blz. 244,.Blz. 252„[Verwijderd.]Blz. 254[Niet in Bron.]”Blz. 255[Niet in Bron.]”Blz. 277[Niet in Bron.]:Blz. 279.,Blz. 289[Niet in Bron.]”Blz. 300[Niet in Bron.]„Blz. 300iehich
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: