In den Hobbelstoel.

„Hab oft im Kreise der LiebenIn duftigem Grase geruht,Und nur ein Liedlein gesungen,Und alles war hübsch und gut.”

„Hab oft im Kreise der LiebenIn duftigem Grase geruht,Und nur ein Liedlein gesungen,Und alles war hübsch und gut.”

„Help mij!” had zij mij gesmeekt. Dát zou ik!... Ik ijlde naar binnen—ik nam Werner's viool op—ik stond aan hare zijde, en speelde mee:

„Hab' einsam auch mich gehärmet,In bangem, düsterem Muth,Und habe wieder gesungen,Und alles war wieder gut.”

„Hab' einsam auch mich gehärmet,In bangem, düsterem Muth,Und habe wieder gesungen,Und alles war wieder gut.”

De deur ging zoetjes open—er naderde iemand met schuchteren tred. Wij zagen niet op; maar terwijl wij voortspeelden, zwol ons duo aan met de smeltende tonen van Hugo's alt:

„Und manches, was ich erfahren,Verkocht' ich in stiller Wuth;Und kam ich wieder zu singen,War alles auch wieder gut.”

„Und manches, was ich erfahren,Verkocht' ich in stiller Wuth;Und kam ich wieder zu singen,War alles auch wieder gut.”

Men sprak geen woord en wisselde geenen blik;—men speelde slechts. Alleen bespeurde ik in den spiegel, dat nogmaals de deur zich opende. Een hoofd gluurde naar binnen, en trok zich haastig terug. Maar het kwam weerom, gevolgd door den ganschen Walter, die stil de cello ter hand nam, en mee den stok deed glijden over de snaren:

„Sollst nicht uns lange klagenWas alles dir wehe thut;Nur frisch, nur frisch gesungen!Und alles wird wieder gut.”

„Sollst nicht uns lange klagenWas alles dir wehe thut;Nur frisch, nur frisch gesungen!Und alles wird wieder gut.”

„Walter! Hugo!” snikte Gisela—„laat alles weer goed zijn!”....

Ik hoorde twee kussen. Ik zag twee handen in elkander leggen.... Wat er verder plaats had, kan ik niet vermelden. Ik meende dat ik hier gemist kon worden.

De muzikanten bliezen hunne treurtonen; de kluiten ploften op de kist in de groeve. En de talrijke ommestanders konden maar niet begrijpen waarom die twee jongelingen, de kleinzonen van den overledene, zoo hartstochtelijk en onder bitter schreien elkander in de armen drukten.

Genoeg echter, dat wij vieren het begrepen. Genoeg voor ons, dat hij, dien de aarde daar dekte, zijn laatste lied toch niet vergeefs gezongen had.

Harmonia! suizelde het voor ons door de herfstloovers—Harmonia!

Finis Coloniae.

Finis Coloniae.

De heer Dorus Dadelboom, meester in de rechten en beambte ter Secretarie, zat in zijnen wipstoel, buiten onder de kolonnade van zijne woning in de Berendrechtslaan.—„Voorgaanderij”, zouden de meeste Hollanders zeggen. Maar Dorus, als academisch gevormd man, verkoos het uitheemsche en klassiek klinkende woord, omdat het hem denken deed aan heerlijke Grieksche tempels. Dit is eene verbeeldingsweelde die den Bataviaan niet àl te veel inspanning kost. Het is zeker, dat de kolommen zijner kolonnade in den regel niet gebeiteld zijn uit Parisch marmer. Doch witkalk (zoo troost hij zich) kan nog blanker wezen.

Hij zat en hobbelde zich.—Er steekt achter dat eeuwigdurende gehobbel van Indische menschen méér, dan een oppervlakkig waarnemer zoo wel vermoedt. Het kan namelijk bestudeerd worden als eene vrij vertrouwbare aanduiding van de gemoedsstemming der hobbelaars. Allen hobbelen—maar met verschil. Wie bij voorbeeld vergenoegd of satiriek gehumeurd is, laat zijnen stoelkorte, scherp afgebroken wipjes maken. Wie zich landerig gevoelt of onlekker, beweegt zich langzaam, droevig, mat. Wie toornig of in vervoering is, gaat hurre hurre, hop hop hop—als rende hij op een strijdros, met geweldige sprongen, in tuimelenden galop, het voorwerp van zijnen haat of van zijne liefde te gemoet. En zoo voorts. Een fijn opmerker vindt het aantal schakeeringen eindeloos.

De heer Dorus zat dan, en hobbelde zich met zachte, wellustige golvingen. Hem dacht, hij kon den ganschen nacht zoo wel voorthobbelen, en zich er bij denken dat Hoeri's hem wiegden. Zóó behaaglijk voelde hij zich.

Het was inderdaad een behaaglijke avond voor hem geweest. De vrienden, die te zijnent het oude jaar zijne uitvaart hadden helpen vieren, waren zooeven vertrokken—machtig joviaal. De heeren hadden wat quadrille gespeeld, wat muziek verbroddeld, en daarna, als jonggasten die zij waren, zeer opgewonden gekwaakt over koloniale politiek: over wat er edels en dols is in het hollen der radicalen, over wat er verstandigs en hatelijks is in het vastklampen der behoudsmannen: over Nederland's roeping en Indië's bestemming—over allerlei mogelijke en onmogelijke toekomst-dingen.

Wat liefde voor den inlander had daarbij geblaakt! Wat geestdrift voor zijne vrijwording, verheffing en veredeling! Wat ridderlijke verontwaardiging over de barbaarsche misbruiken, die hem koffie doen zweeten voor het Gouvernement, en buffels voor de Pangérans!

„De Javaan moet niet langer dienstbaar zijn!” had er een geroepen: „Hé, sepada! kassih api, lekas!”1)

„De Javaan moet een vrij man worden!” schreeuwdeeen ander: „vrij met zijnen eigendom, vrij bij zijnen arbeid, vrij in zijn opstaan en nederliggen!—Sidin, loe monjet, djangan tidor di sini! Kassih anggor, anak babi!”2)

„De Javaan moet onze gelijke zijn voor de wet, voor de maatschappij, voor de rechtbank van het zedelijk gevoel!” betuigde een derde, die een half uur later in kleuren en geuren het gezelschap meedeelde hoe hij eene jonge Maleische huishoudster-sultane, van wier liefkoozingen hij genoeg had, zonder veel omhaal van woorden had op de straat gejaagd.

Intusschen was des gastheers zorg geweest, bij die gesprekken een handzaam wijntje gul te doen vloeien. Men heeft ze namelijk nat te houden, die koloniale onderwerpen, trots alle geestdrift. Met goeden drank en geurige sigaren moet men ze besproeien en bewierooken. Anders worden zij licht als zaagsel in den mond, en als oude staatsbladen duf in de neusgaten.

Een vroolijke avond dus—en een schoone nacht. Zoete maneschijn; fluweelen schaduwen;—geene miasmen, en eene ongewone afwezigheid van gevleugeld ongedierte;—de temperatuur oostersch, en toch niet drukkend; de boomen roerloos; alles stil, behalve het heir der cicaden, wier biljoenen de lucht vervulden van een droomig suizen..... Was 't wonder, terwijl de flesch nog wijn bevatte en de manilla nog dampte, dat Dorus van slapen niet weten wou?—Hij genoot rustig de kostelijke, de zeldzame, de ras voorbijgaande stemming, welke druivennat en gezelligheid somwijlen achterlatenin den mensch: eene stemming van volkomen onbezorgdheid, van tevredenheid met zichzelven en alle de dingen rondom: eene stemming die het midden houdt tusschen de kalmte van den lotus-kauwer en de zaligheid van den haschiesch-eter, tusschen Nirwana en het Paradijs. Naar soezen stond Dorus' zin. Naar hobbelen bovenal....... Hop, hop, ging dus zijn wipgestoelte—of het een bootje ware, door zefirs voortgeblazen over de blauwe deining, uit welke straks vrouw Venus opduiken zou.

Nu—vrouw Venus bleef hem verre, tot zijn geluk. Maar wèl begon hij, al soezend en schommelend, tot het bewustzijn te geraken, dat hij niet langer alleen was: dat er dicht naast hem ook een andere stoel hop hop ging—een stoel die zooeven nog roerloos gestaan had en ledig. Hij blikte zijdelings—en zoo waarlijk! daar zat in dien stoel een oud heer, een hoog bejaard man, met kalen schedel, langen grijzen knevelbaard, en gehuld in eene kleedij—half pij, half regenmantel—die Dorus op het vermoeden hielp dat hij de verrassing van dit onverwachte bezoek verschuldigd was aan eenen korist uit de Fransche Opera, waar dien avondLa Favoritewas ten tooneele gevoerd. Zóó vast verkeerde Dorus in dien argwaan, dat hij opstoof met een: „Monsieur, que me voulez-vous?”

„De vrede zij met u! Blijf zitten, mijn zoon!” antwoordde de grijsaard in goed Hollandsch, met een handgebaar vol zalving: „Ik ben niet wat gij gist. Ik zing tenor noch bariton. Mijn naam is Sylvester.”

„Sylvester?” riep Dorus, ten hoogste verbaasd over 's mans gave van aldus zijne gedachten te lezen: „Sylvester?—Ik ken geen Sylvester hier te Batavia.”

„Maar ge hebt er eenen gekend in uw moederland.”

„Sylvester, zegt ge?”

„Den ouden heilige van den oudejaarsnacht!”

„O ja!”

„Gij hebt hem gekend en liefgehad, niet waar?”

„Zeker! Ik heb altoos trouw aan hem geloofd—ofschoon ik in Holland nooit het genoegen had zoo van aangezicht tot aangezicht—”

„Dat was braaf van u. Gelooven zonder zien is juist het ware. Maar wat bevreemdt u dan mijne komst in dezen nacht?”

„Vergeef mij!” sprak Dorus: „Wij zijn hier verre van het land der liefelijke winter-verschijningen. Ik wist niet dat uwe tochten, heilig man, zich uitstrekken tot bezuiden den Equator.”

„Overal ga ik rond”, zoo luidde het plechtige antwoord: „overal ga ik rond, waar bij het verscheiden van den laatsten December een schot gelost wordt te mijner eer, en menschen warm elkaar de hand drukken bij het dreunen van den klokslag twaalf. Gij begrijpt dit niet?”

„Ik beken, o weleerwaarde vader, dat het mij raadselachtig voorkomt, hoe iemand—”

„Op twintig-duizend plaatsen te gelijk kan zijn?”

„Juist zoo! Gij doorziet mijne overdenkingen, alsof ze van kristal waren; en gij steelt mij de woorden van de tong, als waren het paarlen van grooten prijs.”

„Kortzichtige! Zaagt gij de glanzende lichtbaan, die de zon werpt over de golven?—Zij is hier, zij is ginds, zij is duizend mijlen naar het westen, en duizend mijlen naar het oosten: zij is overal waar de zon straalt boven de zee, en waar een menschenoog is om op haar te turen. Zóó benik. Ik klotste dezen avond door de modder van Londen en door het slijk van Bucharest. Ik zat aanbij oestermalen in pronkerige salons te San Francisco, en tevens hielp ik den feestschotel vanolla podridaopdragen in de hut van den Castiliaanschen boer. Ik waadde door drie voet sneeuw te Archangel, en tegelijkertijd klopte ik te Melbourne mij het heete stuifzand uit den baard. Ik was hier, en ginds—duizend mijlen naar het noorden, duizend mijlen naar het zuiden—overal waar het oude jaar wegstierf van de aarde, en waar een menschenhart het eene dankbede nazond of eenen zucht.”

Bij deze toespraak zag Dorus den oude nogmaals aan. Weg was alle twijfel. Het moest Sylvester wezen, ja! Zijn toon roerde Dorus. Zijne vriendelijk ernstige trekken deden in hem herinneringen ontwaken van het verlaten huis. Dorus meende sneeuw te bespeuren op dat eerwaardige hoofd; hij meende kerstlichtjes te zien glanzen in des grijsaards goedige oogen:—vóór hem, aan den zilverblauwen hemel, ontrolde zich een visioen van ijs en schaatsenrijders, baanvegers en warme melk, door twee kokospalmen omlijst. Hier zat hij, in den luwen tropischen nacht van dezen eersten dag des jaars: Sylvester—de genius der noordsche huiselijkheid, der wintersche poëzie. Hier zat hij—en hobbelde zich.

„Ik heb mijnen marsch volbracht. Ik zag hier licht, en goede dingen op de tafel. Laat mij hier een weinig rusten.”—Zóó sprekende, greep de oude de flesch, schonk zich een boordevol glas in, en ledigde het met toewijding.—„Kom”, vervolgde hij: „wij willen, zoo het u wèl is, het gesprek van daareven samen voortzetten.”

„Welk gesprek, hoogwaardige? Over wat?”

„Over de koloniale politiek immers, die u en uwe vrienden zoo in vuur bracht. Ik mag die praat weleens een enkel maal, bij een glas en onder vier oogen.”

„Neen, Sylvester, neen!” smeekte Dorus. „Al wat gij wilt, maar dát niet! Smaakt de champagner u, tast toe dan, heilig man! Doch meng mij geen veegsel uit het Binnenhof in mijnen beker. Zie! de nacht is schoon als de droom eens bruidegoms! Laat ons meedroomen—van het verleden—van de toekomst. Gij hebt mee doorleefd wat was; gij blikt als ziener in de dingen die komen moeten. Eilieve, vertel mij wat!”

De grijsaard trok zich den monnikskap half over het hoofd, leunde achterover in zijnen stoel, keek naar het Zuiderkruis—en hobbelde zich.

Hoe lang zij beiden zoo hobbelden naast elkander, is met geene juistheid te bepalen. Eindelijk hoorde Dorus zijnen geheimzinnigen gast, met eene stem die hem zacht en vreemd klonk als kwam zij uit de verte, aldus beginnen:

„Wèl moogt gij zeggen, jonge man, dat ik mee doorleefd heb de dingen die voorbij zijn—ook inditland, al was het maar op éénen dag in elk jaar. Ik zag Batavia geboren worden en groeien; ik kende het benard maar moedig; sterk maar gewetenloos; rijk maar wreed; weelderig maar verloren. Ik woonde bij, hoe deze stad zich uit de luiers vocht als eene jonge leeuwin; hoe zij groot werd en eenen koninginne-titel voerde; hoe zij Europa's lot beslissen hielp door het gewicht harer schatten; hoe zij allengs verzonk in overdaad; hoe zij onderging in bederf; hoe zij den hiel des vreemdelings voelde op haren nek; en hoe zij ten leste, genadig van dien druk bevrijd, haar uitgemergeld leven te hernieuwen zocht door een nieuw stelsel van uitmergeling. Haregeschiedenis was een verloop van snelle wording en rasse ontbinding. Reuzen hebben haar gegrondvest; dwergen hebben haar voltooid;—naar gelang zij wies, werden hare burgers kleiner. Maar in één ding bleef zij gedurende dat wisselend verleden zichzelve gelijk. Steeds was geldwinnen het doel—en was list het eerste, geweld het tweede middel van haar bestaan.

„Het was op Sylvester-dag A. D. 1618, dat ik de eerste maal deze kust betrad. In eene veege sterkte, ginds aan het drassige strand, vond ik eene luttele heldenschaar opgesloten—belegerd door duizendmaal haar aantal, ingesperd te land en ter zee. Geen uitzicht op ontzet—en in de veste zelfs geen kruit haast meer om te schieten. Maar stalen moed, wilskracht en zelfvertrouwen schutten beter nog dan wallen en kanon. Elk dier mannen was eene vesting in zichzelven, en nooit, zeg ik u, heb ik hartiger en hoopvoller de oudejaarsavond-bekers hooren klinken, dan in dien reddeloozen kring. Die helden waren uwe vaderen, jonge man!

„Ik was getuige, jaar op jaar na dien dag, van hunne stoutheid en hunne fortuin. Ik kwam en ging, honderd malen—en telkens droeg de wind mij geruchten toe van hunne veroveringen. Zij reden als een tijgerkat op den rug van een kameel, en woelden met klauw en tand zich dieper en dieper in het vleesch. Niets verschoonden zij; niets lieten zij zich ontglippen; mededoogen was hun vreemd. Zij hielden—in aantal geringer dan elk hunner vijanden afzonderlijk—met de linkerhand de volkeren van het Oosten in bedwang, terwijl zij dan de rechter nog vrij hadden om Britten en Franschen ruim baan te doen maken voor het rood-wit-blauw. Zóó wakker, zóó fier, zóó sterk waren zij toen.

„Zij werden rijk. En let nu op, jonge man! Nooit waren zij angstig geweest voor hun lijf en bloed:—zij zouden het worden voor hunne schatten. Angst maakt wreed. En achter wreedheid schuilt onbewust reeds een eerste besef van verzwakking.—Ik herinner mij den Sylvester-nacht A. D. 1721. In dien nacht hadden een paar booswichten der goede burgerij eene verrassing toegedacht, van welke zij niets zou hebben naverteld. Ik beefde voor de snood belaagde stad.—Doch een jaar later stapte ik voorbij de schandzuil, die men den verfoeilijken Pieter Elberfeld had gebouwd. Uwe vaderen, vriendlief, hadden met de hun eigene beradenheid het gevaar weten af te wenden. Zij hadden het moordkomplot ontdekt, de samenzweerders gegrepen. De twee ergste boosdoeners hadden zij op ijzeren kruisen gebonden, hun de rechterhand afgehouwen, het lichaam met gloeiende tangen gekneed, het hart uit 't lijf gescheurd en in het aangezicht geworpen, vervolgens hen onthoofd en eindelijk gevierendeeld—na al hetwelk men genoegzame zekerheid meende te mogen koesteren, dat deze slechte sujetten hun vergrijp niet licht zouden herhalen. Vier medeplichtigen werden levend op het rad gezet; tien werden er geradbraakt zonder den genadeslag te ontvangen; en drie schuldige vrouwen werden geworgd. Den dag na deze terechtstelling vierde men als plechtige dank-, vaste- en bededag. Batavia ademde weder. Het loofde de wrekende Voorzienigheid, en zong den Heere psalmen.

„Desgelijks deed het (en met niet minder reden) in den Sylvester-avond van den jare 1740, terwijl de wegen nog glibberig waren van het bloed van tienduizend schuldeloos geslachte Chineezen. Ha! dat moet voor Janmaateen festijn zijn geweest! Het bloed der heidenen stroomde ter hoogte van de enkelen langs de straten—zóó verhaalde men mij; en de Hemel had blijkbaar deze vermaledijde afgodendienaars met verlamming geslagen: want als kudden schapen lieten zij zich afmaken, zonder den minsten weerstand te bieden!—O dies irae!—Het was in Wijnmaand van dat jaar. Als ik in mijnen December-nacht door de geredde stad de ronde deed, hing er eene lijkenlucht als een nevel boven de daken; en de zee wierp een roodachtig schuim op de kust; en de kaaimans aan den riviermond versmaadden het spartelend levend aas—zóó verzadigd waren zij van dooden.—Maar de Compagnie was behouden. Hosanna! Hallelujah! galmde het opwaarts uit de Kruiskerk aan het Stadhuis-plein.

„Edoch, geene tale Kanaän's mocht hier baten—zoomin als de nieuwjaarsgift die de heer Gouverneur Jacob Mossel op den 1stenvan Louwmaand 1755 den Batavianen te huis zond. Deze gift bestond in eene ordonnantie, strekkende tot beteugeling van de overmatige weelde, die stap bij stap in de bezittingen der Compagnie de overhand verkregen had, en nu hooger geklommen was dan ooit. O zotte waan! Alsof dit kwaad door psalmtonen of plakkaten zich weren liet, terwijl de actiën der Maatschappij tot 600 procent gerezen waren! Alsof men mannen weer vroom en vroed kon maken door hun de gouden knoopen van den rok te snijden; vrouwen weer spaarzaam en kuisch door het aantal slavinnen te beperken, die haar de satijnen zonneschermen boven het hoofd, de fluweelen slippen achter de hielen droegen!—Het gif zat dieper dan op de kleederen. Het zat in de spieren, die het verslapte; in het hart, dat het verkankerde; inde hersens, die het verbijsterde, daar alle vernuft zich spitste op zingenot. Zie, mijn zoon! indien geduld en eenvoud de steen der wijzen zijn, die modder omzet in goud—de steen der dwazen is overdaad, die goud verkeert in modder.

„Zoo was dan de bijl aan den boom gelegd. Ruim vijftig jaren daarna trof ik den Landvoogd Daendels aan het werk. De Compagnie lag toen ter aarde besteld:—zij had zich volgezwolgen aan wijn, en was aan waterzucht bezweken—juist als zoo menige van hare aandeelhouders. Maar voor den armen inlander bleef haar naam toch voortleven, en haar zwelgbewind. Een prachtige weg, vindt ge niet dien de mannetjes-man banen deed van Anjer tot Banjoewangi's uithoek?—Wee!—indien gij een duizendste gehoord hadt van het kermen en krijten, van de rottingslagen op naakte lendenen, van de verzuchtingen en de vervloekingen, die als de muziek waren op wier maat men spade en houweel bewoog; indien gij een duizendste aanschouwd hadt van den jammer en den nood, die deze weg aan een millioen menschen heeft gekost—gij zoudt hem betreden gelijk men een slagveld betreedt—met gebogen hoofd, en met eene stemme des bloeds in de ooren, roepende tot u van den aardbodem!—Wee!

„Toen de Brit zijne korte rol hier had afgespeeld; toen de politiek van ontginning, onder de Compagnie beoefend te hooi en te gras, door het Koninkrijk der Nederlanden in toepassing werd gebracht als kunstig geordend stelsel—toen vloeide de maat des onrechts over. Daar brak de opstand los. Het stond hachelijk met de Batavianen in den Sylvester-nacht van het jaar 1825, toen Diepo Negoro waarlijk een knap stuk op weg was omal wat er op Java Hollandsch sprak moedernaakt in zee te jagen.—Doch wederom zegevierden uwe vaderen, jonge man. Wederom triomfeerde een handjevol geweldenaars, die vochten om gewin, over een volk dat kampte om vrijheid. Zoo Java ooit eene ster had aan den hemel, dan ging zij onder en werd uitgebluscht in die dagen, als eene fakkel die men dompelt in den oceaan.

„Maar zeg, vriend, slaapt gij?”

„Slapen!” riep Dorus: „slapen terwijl gij spreekt, man van ervaring! Eer zou ik slapen als de engel Israfil hier naast mij zat, blazende op zijne bazuin!—Gij haaldet op van booze dingen. Hier! laat ons op de betere tijden drinken!Ad fundum!”

„Recht gaarne!—Inderdaad”, voer Sylvester voort: „men heeft sinds kort naar beter getracht hier te lande.Sedert vond ik vrede hier, van jaar tot jaar. De meester was begonnen den slaaf te sparen;—gelijk men de heesters niet meer vernielde, die de kostbare specerijen droegen, zoo dunde men de arbeiders niet langer uit, die de nog veel kostelijker tonnen gouds voortbrachten. Dit was economie. Later werd het philantropie. Als uw Sidin morgen goedvindt, bij wijze van nieuwjaars-begroeting, u te verzekeren dat gij een aap zijt, en gij waagt 't hem daarvoor te straffen met eene schuchtere oorveeg, dan zet men u op water en brood, terwijl Sidin zich inmiddels vermeien mag met uw bruin liefje!—Haha!—De meester streelt dus al zijnen slaaf!—Of wat?—zijnen slaaf?—Zijnen evenmensch, zijnen naaste, zijnen jongeren broeder, moet ik zeggen! Hij wil hem beschaven, polijsten, verheffen, veredelen tot zijn evenbeeld. Hij is hem gaan loven, bewonderen, berijmelen, bezingen......Ik ben benieuwd, jonge man, waarmee hij eindigen zal!”

„Benieuwd?” hernam Dorus: „Grijsaard, wat heeft men benieuwd te zijn naar hetgeen men weet? De toekomst legt immers voor u haren sluier af? Gij voorziet immers de dingen die zij brengen zal?—Ai, verklap ze mij! Ik gaar uwe woorden als goudkorrels!”

Sylvester tuurde alweder naar het Zuiderkruis, dook nog dieper in zijnen kap, hobbelde zich eens, en vervolgde al fluisterend:

„Ik zie het, ja—zoo heel ver niet weg tusschen de sterren en de aarde.

„Duizend voet boven de naar Buitenzorg verlegde hoofdstad zweven reusachtige, met vlaggen en wimpels getooide ballons, die vrachten torschen van burgerlijke en militaire beambten in gala-kleed, van schoone vrouwen in zijde en satijn, van bonte muzikanten en trommelslagers. Men gluurt door groote trechters over de zee. Blijkbaar wil men iets of iemand feestelijk opwachten.

„Daar komt door de lucht een vliegtuig aangestevend uit het westen;—als men het even pas zag opdoemen boven de kim, is het reeds genaderd met de snelheid van eenen orkaan. Men wuift met dundoek; kanonnen bulderen; kelen schreeuwen zich schor; „Wien Neerlands bloed” en „Wilhelmus” schetteren door de wolken. „Hoezee voor den nieuwen Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie!”—En de Landvoogd, dien welkomstgroet vernemend uit de vlakte, diep onder zijne voeten, is zijner blijde ontroering niet langer meester. Hij schiet zijne vliegmachine aan, springt over boord, gevolgd door zijnen stoet van gevleugelde adjudanten—en strijkt klapwiekend neer onder de jubelende menigte.

„Een man van enkel vlerk en geest, zou men zeggen. Als éénig zoon en erfgenaam van eenenselfmade man(eenen Amsterdamschen melkboer, die zich zijn groot fortuin verwierf door louter voortvarendheid en pompwater), staat hij verheven boven elke verdenking van gehechtheid aan oude vooroordeelen, van heulen met reactie. Voorwaarts, Tiberius Voorwaarts is zijn naam—en voorwaarts streven zijne daden. Het is noodeloos, u uiteen te zetten hoe hij van pleidooiloos pleiter opklom tot gemeenteraadslid, van gemeenteraadslid tot volksvertegenwoordiger, van volksvertegenwoordiger tot koloniaal Kamer-specialiteit, van specialiteit tot orakel, en eindelijk van den drievoet tot de best bezoldigde waardigheid in deze gewesten. De gymnastiek toch, welke bij het beklauteren van deze ladder dient, zal over honderd jaren niet aanmerkelijk verschillen van de huidige. Genoeg dus, dat de heer mr. Tiberius Voorwaarts tot op eenen prik de persoon bevonden was om aan de emancipatie van Insulinde de allerlaatste hand, op de beschaving van het Maleische ras het finale politoersel te leggen.

„Ik zie den man aan zijnen volmakings-arbeid. Gerechte Hemel! Ik ken Java niet terug—en nog minder den Javaan; zelf sta ik verbaasd over hetgeen mijn zienersblik mij openbaart. Hoe! deze luchtkasteelen, vliegende boven de bergen; deze electrische manen, den nacht verkeerende in dag; dit net van ijzerdraden, die voor woord en toon den afstand vernietigen: deze prachtige havens, deze wegen van asphalt, deze onmeetlijke plantages van koffie en tabak—zij zijn het werk van Nederlanders! Er zal dan nog eenmaal weder geestkracht gevaren zijn in de Hollandsche natie?——Maar ik begrijp het: decoupon-knippende lijzigheid is er eindelijk uitgewrongen, sedert Rusland's en Oostenrijk's bankroet!

„En Sidin! Is dit Sidin, die zijne gamelan aan de Joden overlevert als oud koper, en zich een electro-dynamisch draaiorgel aanschaft, met de geheeleGötterdammerunger op? Sidin, die voor zijne Adinda geabonneerd is opDe Huisvrouw, en voor zijnen Kromo op deVragen des Tijds? Sidin met handschoenen over zijne kneukels? Sidin met eenen knijpbril op den neus? Sidin kiezer? Sidin socialist?

„Het is veel. Maar nog zal het den Landvoogd Tiberius Voorwaarts niet genoeg wezen. Niet tevreden met de handschoenen, zal hij nog de kneukels, die bruin bleven, veredelen willen tot blankheid. Onvoldaan over de knijpbrillen, zal hij nog de neuzen, die plat en ingedeukt zijn, hervormen willen tot rechtheid.

„Dan echter——”

Sylvester zweeg.

„Welnu!—dan?” vroeg Dorus Dadelboom in ademlooze spanning.

„Vraag niet verder, jonge man!—Als de adelaar zijnen kiekens vliegen leert, verwacht hij dan dat zij in het nest zullen blijven? of dat zij straks vrij zullen drijven op eigen wiek?—Finis! finis! finis Coloniae!”

„Sylvester—in 's Hemels naam!”

„Neen!” klonk de stem: „Ik heb eenen haan hooren kraaien: ik moet voort. Dit slechts wil ik u nog zeggen:

„Het zal een schoone dag zijn voor Nederland, wanneer het zal kunnen heenwijzen naar een bloeiend rijk in het verre Oosten, en verklaren: „Dáár ligt mijn werk:—mijne bezitting niet langer—maar mijne stichting. Ikheb genomen. Ik heb tienvoudig teruggegeven. Mijne schuld is gedelgd.””

„Sylvester!” riep de advokaat: „nog één woord!—De band tusschen kolonie en moederland? De Indische baten? De kruk van ons nationaal bestaan?”——

Vergeefs. Niemand hoorde hem meer. De oude was verdwenen. De stoel alleen, in welken hij gekeuveld had, hobbelde nog zachtkens in het maanlicht, neigende als ten groet.

1)„Hé, wie daar! Geef vuur, gauw wat!”

2)„Sidin, jou aap, wil je wel eens niet slapen hier! Geef den wijn aan, varkenskind!”

Dahin! DahinMöcht' ich mit dir, o heiss geliebte, ziehn.

Dahin! DahinMöcht' ich mit dir, o heiss geliebte, ziehn.

Hoog op de rotsen aan den westelijken zoom van het Garda-meer ligt een schamel gehucht, Tremosine geheeten.

Tremosine .... het klinkt, niet waar? als een nachtegaalslag, of, liever nog, als de naam van eene schoone vrouw. Mij dunkt, die klank alleen moest er reizigers heenlokken: sentimenteele, wel te verstaan. En nochtans behoort het tot de zeldzaamheden, dat een vreemdeling zich van de voorbijvarende stoomboot hier aan wal láat zetten. Want men zij nóg zoo sentimenteel, toch beklautert men niet gaarne eene ladder Jakobs, zonder vooraf te weten of er daar op de bovenste sport wel iets te zien valt, of er (het klimmen maakt zoo dorstig) wel eene herberg is, of er (zoo al geene engelen) ten minste geene bandieten wonen,—altemaal punten omtrent welke de reisboeken een geheimzinnig, schier onheilspellend stilzwijgen bewaren. Men vergenoegt zich derhalve met het hoofd in den nek te leggen, en op te staren tegen denvervaarlijk hoogen rotswand, met de vraag op de lippen: wáár dit Tremosine wel schuilen mag? Zóó steil toch rijst hier het oevergebergte uit het meer, dat het dorpje, ofschoon dicht aan den rand er van gelegen, van beneden niet zichtbaar is.

Wie het Lago di Garda niet kent, wie slechts de smallere wateren en de tammere stranden bezocht van Como of Maggiore, die maakt zich geen denkbeeld van het ontzaggelijke karakter der rotspartijen langs de noordelijke oevers, noch van de wijde, naar eene zee zweemende uitgestrektheid der twee zuidelijke waterboezems van dit grootste, schoonste en minst bezochte der Italiaansche meren. Eens, in der Aarde jeugd, als zee en bergen nog eene ziel hadden, strekte de blauwe Adriaticus, verliefd op het blank en de schoone vormen der verre sneeuwtoppen, al minnekoozend eenen zijner voelhorens uit tot diep in het Tiroler gebergte; en hij vergat dien weer in te trekken, toen hij later, oud en mat, in zijne bedding terugslonk. Zoo is dus de Benacus een afgehouwen zeearm, verloren tusschen de bergen. Denk u eenen woesten Noorschen fjord, heengetooverd onder Italie's hemel, gesmukt met Italie's plantengroei. Denk u de strenge verhevenheid van het Noorden, en den glans, de weelde, de kleurenpracht van het Zuiden, aan elkander grenzend, met elkander ineenvloeiend. Denk u den eeuwigen winter zijde aan zijde met de eeuwige lente, den granaat en den olijf dicht aan den voet van gevaarten op welke de sneeuw nooit smelt, fonkelende gletscherspitsen nederblikkend op het lommer der citroentuinen, op sappig vijgenloof en bleeke wingerdranken...... O hemelsch oord! uwe heugenis blijft mij een zonnebeeld in de duisternis van mijne winterdagen!

Wel——maar Tremosine?

Het is boud gesproken, misschien—doch ik zou wel eene weddenschap durven aangaan, dat er, buiten mijzelven, nooit een bewoner van het polderland dit dorpje betrad. En vermoedelijk zouden, om al het hierboven aangevoerde, ook mijne schreden er nooit zijn heengericht geweest, indien ik niet met den jonkman Angelo Rubato—mijnen gids en roeier, mijnen schipper en visscher langs de boorden en op de wateren van het Garda-meer—zekeren ochtend een gesprek had gevoerd, waarvan ik u zoo aanstonds verslag ga geven.

Vooraf dient deze knaap wel met twee vluchtige trekken geschetst.

Eene kleine, maar krachtig en sierlijk gebouwde gestalte, een bruine kroeskop en een paar oolijke zwarte oogjes, een kortgeknipte baard, die hem totaan den neus wies, en een altijd lachende mond vol hagelwitte tanden—dáár hebt ge hem, zooals hij onder zijnen gelen stroohoed, in zijne witte broek en blauwe boezeroen, en met zijnen Pius-penning op de ruige borst, in zijne gelapte schoenen stond. Laat geen sterveling mij kwaad van hem zeggen: want schoonere uren sleet ik met geen manspersoon op aarde. Hij had zijne zwakheden, ongetwijfeld. Een onbewaakte sigarenkoker was in zijne nabijheid niet boven bedenking veilig; en eens betrapte ik hem op heeter daad in eene ongeoorloofde betrekking met mijne eau-de-cologne-flesch. Doch wie onzer is vuurproef tegen alle verzoeking? En wat scheldt men niet kwijt aan eenen goeden wil en een onverstoorbaar goed humeur, aan iemand in wien des hemels zon zelfs een welbehagenscheen te vinden, daar zij altoos doorbrak waar hij zeilde of ging?—Men vreest in Italië het booze oog, dat onheil brengt over dengene op wien het zich vestigt. Wel—ook mijn Angelo wasjettatore: maar in omgekeerden zin. Hetgoedeoog was hem geschonken. De toerist die hem tot leidsman had, trof overal mooi weer, koelen wijn en vriendelijke gezichten.

Wij waren, mijn Angelo en ik, op den bedoelden ochtend uit hengelen getogen in de kleine bocht bij Torbole, La Valle geheeten, en vermaard om haren vischrijkdom en om het overheerlijke kleurenspel van haar water—een grondeloos lazuur in het midden, het klaarste smaragdgroen langs het boord, waar eene kleine kiezellaag den ondiepen bodem vormt. Bij het krieken van den dag al uitgeroeid, hadden wij ons verfrischt met een bad, en zaten nu, tegen de zon nog beschut door het oostelijke gebergte, in alle gemoedelijkheid de sardienen te belagen, wier bewegingen rondom het aas wij in de blauwe diepte met volmaakte duidelijkheid konden waarnemen. Het vlugge goedje scheen hongerig: ten minste, de vangst was gezegend boven verwachting: slag op slag haalden wij een rampzalig zilveren diertje uit zijn koelparadijs,—„hinauf in Todesgluth”, zooals Goethe zegt. Ha! dentodesgluthzou Angelo hun bereiden, wanneer hij hen straks in olie bakken zou, hemzelven en mij tot het smakelijkste ontbijt.

Mijn Angelo (moet ik nog zeggen) hield er, bij zijne vele goede en weinige kwade eigenschappen, een lijf- of stopwoord op na: „Va bene!”—„'t gaat goed”; soms, in oogenblikken van de hoogste voldoening, afgewisseld met: „Va benissimo!”—„'t gaat best!”—Dit woordwas zoo volslagen de uitdrukking van des jongelings karakter en levensbeschouwing, het strookte zoo volmaakt met den glanzenden krullebol, de stralende oogen, het rimpellooze voorhoofd en den vergenoegden grijns van het baardige kereltje, dat het nooit te onpas scheen te komen uit zijnen mond. 't Mocht loopen hoe het wilde: de zon mocht onder het roeien u het merg uit de beenderen stoven, of de dolle wind u het zeil aan flarden blazen; het bergpad mocht uitermate steil en steenig wezen, of het geschubde watervee tot aanbijten uitermate onwillig: steeds, als ge op het punt waart in verzuchtingen of verwenschingen los te breken, en uit te roepen dat het nu eens verduiveldslechtging, was Angelo u vóór met zijn blijmoedig en trouwhartig: „Va bene! Si si, va bene!”——Aandoenlijk optimisme! Hij vertsaagde niet, noch wanhoopte hij ooit. In zijne tevredenheid over den goeden God, de schoone wereld en zijn welgeschapen eigen-ik, meende hij altoos maar dat alles goed ging. En als ge het hem met eene zoo ongekunstelde overtuiging hoordet zeggen, dan dacht ge onwillekeurig: Waarachtig, het manneken heeft het zoo mis niet!Goedgaat het wel niet!—maar het kon toch nog eene heele portieerger!

„Eh, Angelo!” zeide ik, met eenen blik op het gespartel in ons bunnetje: „Va bene! eh?”—en ik verwachtte van den knaap geen ander bescheid, dan een hartgrondig: „Si si, Signore, va benissimo!”—Niet gering was dus mijne verbazing, toen hij in stee daarvan heftig uitriep: „No no, va malo, va pessimo! Corpo della Madonna!”

Ik keek hem ontsteld aan, vreezende of hij in de diepte temet den boozen waterman gezien had, den Orco, die zich aan al te gelukkige visschers soms met dreigendegebaren heet te vertoonen. Hij zat met de armen over de borst gekruist, sloeg geene acht op zijne sim, die toch de onmiskenbaarste teekenen van leven gaf, en staarde den oever aan met eene uitdrukking van komieke neerslachtigheid op zijn gelaat.

„Angelo, mijn vriend!” riep ik: „in den naam van al uwe heiligen, wat overkomt u?”

Hij bleef een oogenblik zwijgen. Vervolgens sloeg hij zijnen hengel op, nam het vischje dat er aan spartelde van den haak, lachte weer, en sprak: „Scusi, Signore!ik vergat mijzelven....Ma questo sasso—die steen daar—per Bacco!die maakt mij dol!”

Aan den oever hier, moet men weten, ligt een ontzaglijk bloknagelfluh, dezelfde steensoort uit welke de Rigi-groep geformeerd is. Hoe het daar verdwaald geraakte, mogen de geologen onder elkander uitmaken. Het staat in de wandeling bekend als deSasso dei Bimbi: steen der poppetjes, of der kleine kindertjes. De merkwaardigheid er van is namelijk, dat het in de Torboolsche kinderwereld dezelfde geheimzinnige rol vervult als in de Haarlemsche de beroemde iepenboom te Kraantjelek: uit zijne holen en gaten heeten de nieuwgebórene broertjes en zusjes te voorschijn te komen.

„Die steen, Angelo? Wat legt die steen u in den weg?” vroeg ik.

„KentSignoredien steen?”

„O ja! het is deSasso dei Bimbi, wijd vermaard.”

„En weetSignorewaaróm hij zoo heet?”

„Omdat de moeders van Torbole er harebambinellionder vandaan halen.”

„Juist. En daarom, als er te Torbole een jong paar aan het vrijen raakt, dan gaan ze samen naar denSassodei Bimbi, en zeggen tot hem: „Sasso, o Sasso!wij zijn verloofd. Behoed ons!”—En als zij later getrouwd zijn, en zij willen gaarne dat hun echt vruchtbaar zij, dan wandelen zij wederom samen naar denSasso dei Bimbi, en roepen: „Sasso, o Sasso!wij zijn gehuwd. Zegen ons!”—En de jonge vrouw strooit maïskorrels in de holten van den steen, terwijl de jonge man er een maatje wijn over uitgiet.Modo infallibile, Signore! Veramente, infallibile!”

„Zoo zoo? Dat kan ik mij denken.... Maar ik begrijp nog niet, Angelo, hoe dit alles voor u eene reden kan zijn om tegen dien braven steen zoo uit te varen.”

„Ah Signore—als ik diensassozie, dan denk ik aan kleine kinderen. En als ik aan kleine kinderen denk—”

„Dan denkt ge misschien aan het eene of anderegrootekind—is het niet, Angelo?”

Geen antwoord. Maar opeens keek hij mij aan met eenen blik en een lachje, die ik duivelachtig zou willen noemen, indien zij niet tevens zoo onbeschrijfelijk guitig waren geweest.—„Con permesso”, riep hij: „HeeftSignorein Holland veel mooie meisjes?”——

De vraag was eenigszins zonderling gesteld, en bovendien van zóó teederen aard, dat ik mijn gesternte dankte toen juist ter snede een toebijtend sardientje mij helpen kwam om den blos van verlegenheid te verbergen, die mijne kaken in klaprozen begon te herscheppen.

„In Holland,” antwoordde ik zoo ernstig mogelijk, terwijl ik het opgewipte vischje loshaakte: „In Holland, Angelo, zijnallemeisjes mooi.”

„Alle zonder onderscheid?” vroeg hij, met een zweempje van naïeven twijfelzucht.

„Alle zonder onderscheid”, herhaalde ik.

„Ook die welke ongetrouwd blijven?”

„Die inzonderheid, Angelo. Want die zijn zóó schoon, dat geen jonkman ze anders dan uit de verte durft te aanbidden.”

„Madre santissima!welk een gezegend land!... Maar dan geven de Hollanders ook zeker niet veel om mooie vrouwen? Want overvloed baart onverschilligheid!”

„Toch niet, mijn vriend, toch niet. Aan het waarlijk schoone verzadigt de mensch zich nooit. Wij houden, Angelo, vanalleswat waarlijk schoon is!”

„Ebbene!dán moet mijnheer eens naar Tremosine, ginds op den berg. Dáár zijn de mooiste meisjes van gansch Italië. Een heel dorp vol. Ah!” riep hij, terwijl hij eenen vurigen handkus naar het zuidwesten wierp: „gentile, graziose, adorabile, le più belle del mondo!”——

Zijne geestdrift was inderdaad aanstekelijk; en daar ik niet inzie waarom een reiziger niet met even ongeduldige belangstelling eene collectie schoone vrouwen zou mogen bezoeken, als een museum van muffe oudheden, zoo besloot ik dan ook zonder tijdverlies den door Angelo met zulk eene bijzondere warmte aanbevolen uitstap te gaan ondernemen. Zoodra het ontbijt genuttigd, en de voormiddagwind, de Sovére, die uit den Alpen blaast, met genoegzame kracht doorgezet was, heesch Angelo zijn zeil.

„Evviva!” riep hij, toen het doek zich sierlijk bolde, en onze sloep, voor den wind zich neigende, als eene meeuw over het water begon te scheren: „Evviva la vita!”—leve het leven!—

Ik heb dien juichtoon, of iets wat er naar zweemde, ook bij ons in het Noorden wel vernomen. Maar altoos was er dan toch iets gedrukts, iets twijfelends in, alsof hij maar half gemeend ware—iets als stond er een mol-teeken voor.

Ik geloof, om hem zóó te kunnen uiten als mijn Angelo, zoo van ganscher harte, zoo recht en vol in den majeur, moet men een schippertje op het Garda-meer wezen, dat zijn dartel scheepje henenstuurt door louter blauw en zonneglans—met een ontbijt van gebakken sardienen achter den steven, en een dorp vol mooie meisjes voor den boeg.Evviva la vita!

Tremosine ligt daar op zijne rots als een arendsnest; en inderdaad schijnt het van den waterkant slechts voor arenden bereikbaar. Toch zou het voetpad, dat zich tegen den roodgrijzen kalkwand een achthonderd voet naar boven kronkelt, u wezenlijk meevallen. Steil is het, ontegenzeggelijk; maar het opwekkende gezelschap van eenen schoonen waterval, die u telkens bij eene wending te gemoet of voorbij galoppeert, laat u dit nauwelijks bemerken. Ook verrast het u, langs uwen weg een blad te kunnen plukken van eenen afgedoolden citroenboom, of de hand te kunnen uitstrekken naar de stekels van eenen in het wild groeienden aloë. En bovendien, zoo het stijgen u te streng wordt—wie belet u telke vijf minuten even stil te staan, en naar omlaag te turen over het blauwe meer, welks aanblik al vreemder en ontzaggelijker wordt naar mate gij u hooger er boven verheft?—Zie, hoe het daar gespreid ligt tusschen zijne bergen, gelijk een hemelveld tusschen donkere wolken. Een smetteloos ultramarijn, glanzend en onafzienbaar. Links van u, naar het noorden, het donzige loofwoud van Riva's Campagna, met haren achtergrond van al hooger zichopstapelende alpgevaarten, boven welke in het verste verschiet de ijshelmen schemeren van Brenta en Adamello. Tegenover u, langs génen oever, de machtige, met sneeuw gekroonde Monte Baldo, aan wiens voet de witte huisjes der dorpen verstrooid liggen tusschen het groen. En zuidwaarts heen, waar de schouderen der bergen den plas niet meer knellen, verliest hij zich, breed als eene zee, in eenen wazigen horizon van sidderend goud.

Was dan de weg er heen verrukkelijk—het plaatsje zelf, Tremosine, vond ik een treurig nest, ontieg en bouwvallig als het inwendige van alle Italiaansche dorpen, wier lachend uiterlijk op eenen afstand doorgaans niet minder bedriegelijk is dan de muzikale welluidendheid van hunne namen. Daar ik echter niet gekomen was om de vuile straat en de havelooze huizen van het vlek, maar om de beminnelijke bewoonsters er van, zoo deerde mij dit luttel.

Nu, ik wil bekennen dat ik naar deze laatsten knap nieuwsgierig was, en dat ik rechts en links uitkeek wat ik kijken kon. Ik gluurde eenige winkeltjes binnen, en sloeg onderzoekende blikken omhoog naar de getraliede vensterholten; doch wat ik ook ontdekte, geen vrouwelijk schoon. Ten leste ongeduldig geworden, hield in mijnen gids en schildknaap (die, wat mij bevreemdde, mijnen kijklust volstrekt niet scheen te deelen, doch met zekere haast al verder liep) op gebiedende wijze staande:

„Wel, Angelo, waar draaft gij heen? Waar zitten nu uwe Tremosijnsche Venussen?—Is dit er temet eene?” vroeg ik, naar eene afgrijselijke tooverkol wijzende, die voor hare huisdeur eene lompige mansbroek zat te verstellen.

„Al verder,Signore!” sprak Angelo, met zijn oolijkst lachje: „Hier nog niet!”

„Halt, neen!” riep ik: „geen stap meer. Eerst zult ge mij minstens een half dozijn schoonheden van den eersten rang voor den dag halen!”

„Hier nog niet,Signore. Al verder!”—

Ik was zoo goed niet, of ik moest al verder. Onder het gaan bespeurde ik een drietal hupsche neusjes en een paar of wat mooie oogen—maar overigens niets dan de inheemsche goorheid van tint en magerheid van ledematen.

„Angelo! gij bedriegt, gij besteelt, gij verraadt me! Aan welken Aballino gaat ge mij overleveren, o schavuit?”

„Moge de Madonna mij met blindheid treffen, als Uwe Excellentie zoo aanstonds niet tevreden zal zijn!” hernam hij. „Al verder nog,Signore mio!al verder nog!”——

Dit eeuwige „al verder” bleek te eindigen op eenen afstand van zes of acht minuten buiten het dorp, waar, schieronmiddellijkaan den rand van den in het meer zich stortenden afgrond, eene kleine herberg staat, met hare helder witte muren en haar donker bosschage voor een dorstig creatuur verkwikkelijk om te aanschouwen.

„Dáár! We zijn er!” fluisterde Angelo mij toe. „Zitto!Wij moeten haar verrassen: want zij is zoo schuw als eene forel!”—Meteen wipte hij zijwaarts een plantsoen van olijven binnen, tusschen wier stammen door hij als een roofdier het witte huisje begon te besluipen. Ik volgde hem zoo gluipend als mij mogelijk was, niet weinig benieuwd naar het eigenlijke doelwit van dit avontuur. Opeens stond hij stil, vestigde op mij eenen vragenden, weifelenden blik, bedacht zich even, legde zacht zijne hand op mijne mouw, en richtte op gedempten toon het woord tot mij.

„Signore”, sprak hij: „ik geloof niet dat gij Katholiek zijt.”

„Inderdaad, Angelo”—stamelde ik.

„Maar”, voer hij voort, zonder mijn antwoord af te wachten—„toch geloof ik dat ge een goed mensch zijt, die gaarne aan eenen armen drommel eenen dienst bewijst.”—Hier aarzelde hij en keek van den grond op, om de uitdrukking op mijn gelaat te lezen, die, gis ik, niet bemoedigend was. Voor het eerst toch begon ik den knaap een weinig te wantrouwen.

„Signore”, hernam hij: „ik heb u bedrogen. Ja, bedrogen—en toch ooknietbedrogen. Want toen ik u zeide dat hier een dorp vol mooie meisjes was, toen loog ik. Maar als ik u nú zeg dat er hier ééne is, ééne—ah Signore! die mooi genoeg is voor zes-en-twintig dorpen—dan spreek ik waarheid.... Die ééne woont dáár. Haar naam isGiulietta. Enikben op haar verliefd!—Innamorato! oh! appasionatamente!”——

Het is altoos moeilijk, op eene dergelijke confidentie iets snedigs te antwoorden: men weet toch niet of men den patiënt geluk wenschen, dan of men hem zijn rouwbeklag bieden moet. Ik liet dus, zonder iets in het midden te brengen, Angelo maar voortrammelen.

„Verliefd! jaSignore. En nu zou ze mij wel willen, als”——

„Als?”

„Als haar vader mij maar wou.”

„En haar vader?”

„Ja—haar vader zou mij wel willen, als ik maar een middel wist te vinden om hem geld te helpen verdienen. Want op geld is hij als een bedelmonnik op eene eierstruif.Si si!En daarom”——

„Nu, Angelo?”

„AlsSignorezooamabilewilde wezen——dan konSignore”——

„Wel?”

„Dan konSignorehier blijven eten en overnachten, en eene goede flesch wijn hier drinken; en dan konSignoredenpadronebeloven——hij behoeft het niet te doen, maar hij kon het licht beloven—dat hij iets in de krant zal schrijven, om andere Signori uit Holland hier te Tremosine bij denpadronete doen aanlanden; en op die manier———Ahi! Stil!—daar is zij!”——

Daar was zij,Giulietta. Verstoken achter de grauwe stammen van twee eeuwenoude olijfboomen, sloegen wij haar ademloos gade. Zij was uit de achterdeur van het witte huisje getrippeld, met een mandje in de ééne, een mes in de andere hand. Nu knielde zij tusschen de groenten in den kleinen tuin, dien vijgeboomen belommerden, en begon kropsla te snijden. Haar lief profiel teekende zich fijn en zacht tegen het donkere groen van een myrtenhaagje. Eene zware haarvlecht, glimmend zwart, slipte haar over den schouder tot op den grond;—met een enkel bevallig hoofdschudden wierp zij zich die weerbarstige weder over den rug. Toen, onbespied als zij zich waande, stak zij een voor een hare ronde, bruine armen uit, om de korte bovenmouwtjes op te stroopen tot onder de oksels: want het was zeer warm. En bij die forsche beweging geraakte aan den hals haar kleedje los, zoodat daar zichtbaar werd wat het oog aanschouwt, wanneer eene blanke vrucht al zwellend haren bolster heeft doen bersten. Een merel, fluitend in eenen boomtop, deed haar het kopje zijlings omhoog wenden: en ik zag hoe hare oogen, twee morgensterren, van vroolijkheidblonken, hoe hare lippen glimlachten bij den helderen vogeltoon. Maar het korfje was inmiddels met goudgele kroppen gevuld.

„Giulietta!” riep eene mansstem uit het huisje.

„Adesso! adesso!”——en reeds was zij opgesprongen en verdwenen, niet wetende hoe ledig zij den moestuin liet voor een paar opgetogen toeschouwers.

„Madre santissima!” barstte Angelo los. „Is zij niet hemelsch? Wat zegtSignoredan nu?”

„Ik zeg, Angelo, dat deze landstreek mij wèl toelacht, en dat ik wèl kans zie, mij hier een etmaal den tijd te verdrijven. Maar—wat voor een leger zal ik hier vinden?”

„Het zal proper zijn:Giuliettazal het u spreiden.”

„En wat voor eten zal men mij hier voorzetten?”

„Het zal lekker zijn.Giuliettazal het u klaarmaken.”

„Dan, mijn vriend—laat haar vooral de kropsla er niet bij vergeten!”

Ik had goênacht gewenscht, en zat, in het hokje dat mij tot slaapkamer dienen moest, bij het getraliede vensterken. Het was een duistere avond geworden. Geene maan, geene starren. Het zwerk, van glanzen moe, had al zijne oogen geloken—om morgen weer des te stralender neer te blikken op de frisch bedauwde aarde. Alles lag ter ruste; geen lichtje te bespeuren, dan de groenachtig gloeiende stippen der glimwormen in het ras, en ver in de diepte, op het watervlak, de fakkel van eenen visscher.

Maar dit belette den myrten het geuren niet, den matten nachtwind niet te suiselen in de kruinen der olijven, of met flauwen zucht een blad te doen ritselen aan dien anderen boom, uit wiens loover eertijds een menschenpaar zich schorten vlocht.

Menschenpaar, menschenpaar! dat was eene harde beproeving, van alle vrucht te mogen eten, behalve van die ééne, die schoonste en zoetste en saprijkste in den hof!—Menschenpaar, o menschenpaar!——kon het wezen dat mijne oogen goed zagen in het donker?—Waart gij daar weer gezeten, als na uwen val—hand in hand, oog in oog—om met wat liefde elkaar te troosten over het verlorene paradijs?—

Ik hoorde een warmer zuchten, dan dat van den zephyr tusschen de twijgen—een luider lispelen, dan dat van het eene blaadje tegen het andere.

Toen kronkelde de slang der afgunst zich om mijne borst. Want ik ben, zooals de dichter zingt—'k ben maar een mensch van vleesch en bloed—en ik zou liegen als ik zei dat ik den schelm niet benijdde, die daarGiuliettazat te kussen onder den vijgeboom.

„Ohé, Angelo!” riep ik: „Va bene?”

Ik schrok van mijn eigen geluid. Het klonk zoo satanisch.

Even bleef het stil. Toen vernam ik onder mijn venster de stem van eenen gelukkige, die mij toefluisterde: „Ah Signore, mille, grazie! Va bene, si si! Va benissimo, Signore! va benissimo!”


Back to IndexNext