TWEEDE AFDEELING.

TWEEDE AFDEELING.

De pastorij en kapelanij te Tegelen; de pastorij en kapelanij te Belfeld; het rectoraat te Steijl; scholen, adellijke huizen, missiehuis, beurzen-stichtingen, arm-wezen, gilden, feesten, handel en nijverheid te Tegelen.

De pastorij en kapelanij te Tegelen; de pastorij en kapelanij te Belfeld; het rectoraat te Steijl; scholen, adellijke huizen, missiehuis, beurzen-stichtingen, arm-wezen, gilden, feesten, handel en nijverheid te Tegelen.

Het bestaan van een pastoreel huis te Tegelen wordt aangegeven door een stuk, waarin de pastoor in 1681 verklaart: dat zijne woning met aanhoorigheden zoodanig onderkomen is, dat bij wind en onwêer de vruchten zonder te bederven niet meer geborgen kunnen worden, en derhalve het bestuur uitnoodigt om de noodzakelijke herstellingen aan te brengen.[39]De pastorij werd andermaal hersteld in 1753 alsmede in de jaren 1824-1825. In dit laatste jaar werd een gedeelte der aangrenzende tiende-schuur tot een ruime vreemden-kamer hervormd. Ook in 1872 zijn zeer doelmatige verbeteringen aangebracht, zoowel binnen als buiten de pastorij.

Tot in het jaar 1571 genoot de pastoor van Tegelen vijftig malder tiendevruchten hoofdzakelijk rogge; maar na de feitelijke scheiding van de St. Urbanus kapel te Belfeld, ontving hij slechts de helft; namelijk 12 malder rogge, 8 malder boekweit, 3 malder gerst en 1 malder haver. Volgens opgave van den landmeter Peter Behet in 1743 bestond het eigendom der pastorij uit twaalf morgen en zeven-en-dertig roeden bouwland. Doch eene opmetingvan 1763 geeft aan: 1oAcht morgen lands, leverende een’ jaarlijkschen pacht op van even zoovele malder rogge per morgen, terwijl ook eenige grond voor de helft werd bebouwd. 2oEenig slaghout met aangrenzend weiland, gelegen aan den berg, en genaamd, »pastoorshout,” ter waarde van jaarlijks 19 kl. gulden. 3oVerder genoot de pastoor alstoen de kleine tienden, van vlas, winterzaad, lammeren enz. enz. Krachtens het kerkelijk recht was de pastoor vrij van landsschattingen en van het leveren van tienden. Alleen betaalde hij jaarlijks aan de keurvorstelijke regeering, voor Mei- en Herfstschat, 3raader albusof 9 stuiver. 4oNog ontving de pastoor van het armbestuur van Venlo jaarlijks 1 malder rogge, gevestigd op de hoeve Hulstert.

Ook deelde de pastoor in de opbrengst van den rondgang in de Goede week, mits hij den koster op diens tocht een medegezel toevoegde. Wegens de opgedrongen schattingen werden den pastoor in 1668 voorloopig toegezegd: 50 kl. gulden uit de rijke revenuën der armenfondsen. De middelen van bestaan van den pastoor te Tegelen, zooals uit alle aanwezige stukken blijkt, waren nimmer bevredigend. De maatregelen ter verbetering genomen in 1785-1786 en 1788 onder pastoor Peter Eskens, hadden weinig of geen gevolg.

Toen in 1815 Jos. Orths de parochie aanvaardde, genoot deze van gemeentewege eene toelage van 500 franken. Op aandringen van den Vicaris-generaal richtte hij een smeekschrift tot Koning Willem I, en verkreeg dien ten gevolge eene verhooging van ’s landstraktament voor zich persoonlijk ten bedrage van 125 N. gulden. Intusschen trok de gemeente de gemelde toelaag in Jan. 1819 weder in.

Wij geven hier de lijst der bekende pastoors van Tegelen:

Hendrik van Holtmolenfungeerde als pastoor in 1433,en had, zooals reeds is aangestipt geworden, eene weide verpacht, die te Odiliënberg gelegen was.

Wilhelmus Weiss. In eene rekening van 1639 wordt vermeld, dat hij vroeger als pastoor te Tegelen stond. Wellicht is hij het, die wijken moest voor den ketterschen bedienaar, die hier was ingedrongen.

Conrard Sären, pastoor van 1637 tot 1671. Onder hem beginnen de doop- trouw- en sterfregisters onzer parochie. Hij onderteekent zich, gelijk aanvankelijk ook zijn opvolger, als pastoor van Tegelen en Belfeld. Deze pastoor was lid der Kruisheeren-orde. Zijn grafsteen, met het opschrift:Conrard Sären pastoor te Tegelen, overleden den 19 Sept. 1671, is onlangs van het koor overgeplaatst naar het rechter zijpand.

Henricus Corneli, benoemd tot pastoor den 9 Nov. 1671, en overleden den 15 Augustus 1680. Wij vinden hem ook genoemdH. Corneli à Tets, misschien wegens zijne afkomst uit het dorp Tits bij Gulick. Na zijn dood stond de Kruisheer Nic. Stals uit Venlo eenigen tijd alhier als deservitor. Hij is hier jammerlijk verdronken. Toen volgde:

Joannes Bongaerts. Deze werd hier aangesteld den 1 Mei 1681 en bleef tot 1704; hij was daarna tot in 1723 pastoor te Urdingen.

Henricus Weutenwerd benoemd in September 1704, en verliet Tegelen in December 1727, om te Cruchten bij zijne familie zijn verdere levensdagen door te brengen. Wij vernemen, dat hij aldaar in 1752 is overleden.

Bijna een jaar lang bedienden de Kruisheeren van Venlo de parochie. Joh. Heuts teekent zich herhaaldelijk als deservitor.

Nicolaus Smeets. Deze zeer verdienstelijke pastoor, bestierde bijna 40 jaren lang Tegelen met onvermoeiden ijver.Hij was aangesteld geworden in 1728 en stierf plotselings te Neer op den 8 September 1767. Zijn stoffelijk overschot ligt alhier begraven in den grafkelder onder het koor. Een oom van dezen pastoor werd in 1751 in de kerk begraven tegenover den preekstoel.

Leonardus Timmermansvroeger kapelaan te Horne, werd benoemd, den 9 November 1767. Hij overleed den 2 September 1783. De landdeken Beek, pastoor te Ratheim, had hem hier geinstalleerd.

Petrus Eskens, vroeger kapelaan te Breijel, werd tot pastoor van Tegelen aangesteld in 1783, en overleed alhier den 8 April 1805.

Joannes Petrus Freijbeuter, was geboren te Holtzweiler bij Erkelenz; hij werd hier pastoor in den loop van 1805. Men roemt zijn ijver en nauwgezetheid. Wegens verschillende moeielijkheden trok hij zich in 1815 in zijne geboorteplaats terug, en leefde nog tot 1844. Hij stichtte een kapitaal fonds voor studenten, waaraan ook de Tegelsche jeugd deel kan hebben, gelijk nader blijken zal.

Josephus Orths, geboortig uit Lobberich, en langen tijd religieus in het Brigittijnenklooster te Kaldenkerken, verscheen hier als pastoor in 1815 en overleed ten gevolge eener beroerte den 7 April 1841. Zijne collega’s noemden hem pater Matheus.

Lambertus Mosk, werd pastoor benoemd in April 1841 na alhier 18 jaren kapelaan te zijn geweest. Geboren te Ravenstein in 1804, overleed hij alhier den 28 Nov. 1864. Hij bezorgde onzer kerk de relikwiën der H. Lucia,[40]en de statiën van den kruisweg.

Wilhelmus Beckers, geboren te Well in 1822, priester gewijd in 1845, was achtervolgens van 1845-1850 kapelaan te Afferden; van 1850-1853 te Velden; van 1853-1859 te Gennep. Daarna van 1859 tot 1864 pastoor in de nieuw opgerichte parochie te Ohe en Laak, en sinds 1864 pastoor te Tegelen. Aan hem heeft men het groote en schoone kerkhof, in 1868 aangelegd, benevens de herstelling en vergrooting der kerk in 1874-1875 grootelijks te danken.

Den 10 December 1875 werd deze zeer verdienstelijke pastoor benoemd tot deken van Gennep, en opgevolgd den 12 derzelfde maand door:Franciscus Pennings. Geboren te Kessel in 1830, en priester gewijd in 1854, stond deze laatste achtervolgens als kapelaan eenige maanden te Blitterswijk, twee jaren te Wijk-Maastricht en voorts te Venlo.

In 1540 reeds, gelijk vermeld is, was gezorgd voor een dagelijksche H. Mis. Althans er bestond in de kerk van Tegelen een beneficie aan het altaar van O. L. Vrouw. Rector daarvan was, in genoemd jaar:Bernard van Besel; doch deze was geen eigenlijke kapelaan die gezonden was om den pastoor in zijne bedieningen bij te staan. In 1670 en verdere jaren wasJoannes Schutjestot helper van den pastoor dan eens hier en dan eens te Belfeld werkzaam. Ten jare 1749 vermaakteGerret Engels400 patacons voor H. Missen tot ondersteuning van een kapelaan. Bij gebreke van dien titularis bleef de zorg van die H. Missen op den tijdelijken pastoor berusten. Tot dusverre was er alzoo nog geen kapelaan te Tegelen. Wel vinden we dat gedurig na 1700, dan Kruisheeren, dan Minderbroeders uit Venlo den pastoor op de Feestdagen, processiën enz. kwamen bijstaan.

Den 6 Maart 1806 boden burgemeester en kerkmeesters met inwilliging des pastoors, een jaarlijksche toelaag van 500 franks, aan den Eerw. Heer J. Tiebosch opdat deze des Zondags in de parochie-kerk de vroegmis met onderricht zou doen; deze nam het aanbod aan; doch eerst in 1811 werd de Eerw. Heer Tiebosch van de Hoogere geestelijkheid aangesteld. In 1816 verliet hij onze gemeente. Terwijl destijds de Eerw. Heer kanunnik Bernard Canoy te Steijl vertoefde, deed deze tot in 1818 de vroegmis. Van toen af tot 1820 las de Eerw. Heer kanunnik Ferdinand Mertens gewoonlijk de eerste H. Mis; doch deze verliet Tegelen in genoemd jaar. Daar de noodzakelijkheid van een tweede geestelijke in de parochie zich hoe langer hoe meer deed gevoelen, deed de pastoor in dat zelfde jaar de noodige stappen bij den generaal-vicaris van Aken om een kapelaan te verkrijgen, doch zonder gevolg, wijl er gebrek aan priesters was. Intusschen nam zekere Heer van der Wielen deze betrekking waar. Eindelijk in Januari 1823 wendden zich burgemeester en pastoor tot den geestelijken commissaris Claessen te Weert met verzoek om een’ kapelaan te mogen hebben. Deze zorgde dat den 28 April 1823 de Eerw. Heer Lambertus Mosk alhier tot kapelaan werd aangesteld.

Omstreeks het jaar 1825 verkreeg de kapelaan van Tegelen een landstractement van 500 francs, benevens een subsidie van wege de gemeente. Het woonhuis voor den kapelaan dagteekent uit 1840, en is door de gemeente gebouwd; het is zeer aangenaam en gansch nabij de kerk gelegen.

Als kapelaan dezer parochie deden dienst:

Jacobus van Laer, geboren in 1817 te Heijthuizen, priester gewijd te Roermond, werd in December 1841 alhier benoemd. Sinds 1846 verplaatst naar Nederweert, overleed hij aldaar in 1861.

Joannes de Fauwe, van Weert, werd priester gewijd in 1842. Nadat hij twee jaren als professor aan de normaalschool voor onderwijzers te Rolduc en ruim een jaar als kapelaan dezer parochie was werkzaam geweest overleed hij alhier den 23 September 1846, in den jeugdigen leeftijd van 27 jaren.

Goswinus Hubertus Berden, geboren te Broekhuysen, werd uit het seminarie alhier benoemd in December 1847. Sedert 1866 pastoor te Reuver, overleed hij aldaar den 12 Februari 1875.

Joannes van Hegelsom, uit Grubbenvorst, kapelaan te Tegelen van Oct. 1866 tot April 1874, in dezelfde hoedanigheid overgeplaatst naar Horst. Zijn opvolger is:

Frans van Laar, geboren in 1841 te Ohe en Laak, priester gewijd in 1868; vroeger kapelaan te Nieuwstad, sedert April 1874 kapelaan alhier.

Ofschoon de Belfelder kapel reeds in 1571 tot parochiale kerk was opgericht geworden, verliepen meer dan honderd jaren, alvorens een resideerend pastoor daaraan werd aangesteld; tot dusverre bestond er ook geen pastoreele woning.

Eene copie van 1nJan. 1666 geeft aan, als inkomsten van den dienstdoenden pastoor: 12 malder uit de tienden, bestaande in boekweit, vrij van belasting. Wijders uit twaalf en een half malder erfpacht, in rogge. Van deze erfpacht kreeg de pachter jaarlijks 18 stuiver brab. ad 3 permissie schellingen. Ook bezat de pastoor anderhalven morgen bouwland te Belfeld, in het Eckschip gelegen en genaamd het Bijlstuk, waarvan gewone schatting gegeven werd.

Aan geldrenten gaf het kerspel Belfeld 12 gulden Venloosch,

Willem Franssen op den Steijl 4 gulden 7 stuiver,

Hendrik te Venlo met seine broers 2 gulden 3½ st.,

Talmen op den Rijdt 2 gulden 3½ st.

Verder »hefft de kercke te Belfeld sonnendags ende heyligendags missam, ende ook quarta et sexta feria”.

Volgens eene kerkvisitatie van den 20 Maart 1670 door Van Oeveren[41]vicaris generaal van Roermond gehouden, was de titel der kerk te BelfeldSt. Urbanus, decollatorder pastorij Baron Van Metternich, Heer van Holtmolen; de tienden behoorden aan den pastoor van Tegelen en waren onbelast; de herstellingen aan de kerk moesten bekostigd worden door het kerkbestuur. De pastoorConrard Sären, Kruisheer, had tot medehelperJoannes Schutjes, die op Zon- en Feestdagen afwisselend de hoogmis moest houden te Belfeld en te Tegelen. Er waren 250 communicanten[42].

De pastoreele woning te Belfeld werd aangelegd omstreeks 1700, en is herbouwd op het laatst der vorige eeuw.

De verdere reeks der pastoors te Belfeld is:

Balthasar Veken; deze was in 1703 nog pastoor.

Petrus Ludovicus Hommen, van 1727 tot 1749.

Petrus Backhuizen, van 1749 tot 1761.

Godefridus Franssen, van 1761 totdat hij in 1797 wegensde revolutie moest vluchten. Hij nam met nog andere priesters de wijk naar Emmerick. Zonder zijn moedig belijd zouden zij bij den overtocht van den Rijn in handen der Franschen gevallen zijn, die hen achtervolgden en op hen vuurden. Later teruggekeerd, overleed hij in zijne parochie.

Nicolaas Ercks, pastoor van 1801 tot 1814.

Wilhelm Berinks, van 1814 tot 1837.

Petrus Joannes Hesemans, geboren te Lommel in 1804, priester gewijd in 1830 kapelaan te Venlo tot 1837, pastoor te Belfeld tot 1840, sedert dien pastoor te Sevenum.

Norbert Sleurs, geboren te Venlo in 1805. Van 1829 tot 1840 kapelaan te Velden, daarna pastoor alhier tot zijne benoeming voor Middelaar in 1855. Hij werd te Belfeld opgevolgd door den tegenwoordigen pastoor:

Petrus Cruysen, geboren te Linden in 1804, vroeger pastoor te Middelaar.

Wilhelm Willems, van Belfeld, schepen te Roermond, overwegende dat er op Zon- en Feestdagen te Belfeld maar één heilige Mis gedaan werd, en de inwoners zich naar Tegelen, Beesel en andere plaatsen ter kerk moesten begeven, stichtte den 21 November 1702 tot lafenis zijner ziel en die zijner voorouders, in de kerk van Belfeld en ten dienste der gemeente, een eeuwige vicarie. De gemeente op hare beurt beloofde, bij akte van den 12 Maart 1700, den miskelk, kaarssen, missale, brood en wijn en alles wat tot de H. Mis noodig is, niet alleen op die dagen, maar ook op de werkdagen onbekrompen te zullen verschaffen. De stichter benoemde tot rector Cornelius Schutjes, student in de theologie te Keulen, zoon van Hendrik Schutjes en HelenaKruitsberg. De rector moest na de H. Mis den ps.miserereende profundisbidden, en na het Evangelie, omtrent ¾ uur catechismus houden. Van de gemeente zou de vicarius 20 patacons genieten[43].

De woning voor den kapelaan bevindt zich naast de school. Wij weten niet dat ze ooit door een’ geestelijke werd betrokken. Behalve Joannes Schutjes, de medehelper van pastoor Sären in 1675, en den voornoemden Cornelius Schutjes in 1702, vinden wij alleen als werkelijke kapelaans te Belfeld:Franciscus Thörin 1732 enJoannes Bongaertsin 1747.

Hoe in 1526 reeds de belangen van de kapel en den rector behartigd zijn geworden, hebben wij vernomen uit de eerste afdeeling dezer aanteekeningen. De aloude kapel van Steijl, den HH. Fabianus en Sebastianus toegewijd, was onbeduidend en ofschoon reeds hersteld en vergroot door een nevenbouw, geheel bouwvallig geworden. Zij is in 1866 verbouwd en op een kleinen afstand door een fraaien en tamelijk ruimen tempel vervangen; deze is het werk van den Roermondschen architect, den Heer Weber. In 1874 werd ook de doelmatige toren ervan voltrokken, en bekostigd door een Rijkssubsidie en de opbrengst van eene tombola-loterij.

Agatha Raetmakersstichtte in 1754 een pensioen van 5 kl. gulden voor benoodigden wijn, brood en was aan de kapel te Steijl. Toen in het jaar 1804 de Heer Tiebosch als privaat-geestelijke te Steijl vertoefde, deden deinwoners bij den generaal-vicaris van Luik pogingen om een dagelijksche H. Mis in de kapel te mogen hebben; dit werd echter niet verkregen. Later toen genoemde Heer werd aangesteld (1811) om den pastoor van Tegelen ter zijde te staan, mocht hij ééns in de week te Steijl de H. Mis opdragen. Bij deze vergunning geeft de generaal-vicaris den wensch te kennen, dat de ingezetenen van Steijl dien ten gevolge meer genegenheid mogen toonen voor de moederkerk van Tegelen. In November 1823 was van wege Luik aan den Heervan der Wielentoegestaan dagelijks de H. Mis te lezen en des Zondags onderricht te geven, aan gezegde kapel. Men bezit in de kerk van Steijl relikwiën van St. Rochus welke door vergunning van de kerkelijke overheid in April 1855 alle Dinsdagen openbaar worden vereerd. Jaarlijks wordt er ter eere van St. Rochus plechtig feest met octaaf gevierd. De Feestdag van de HH. Fabianus en Sebastianus, wijzen de Steijler kermis aan. Den 20 Augustus 1875 werden in de fraaie kerk alhier twee goed overeenstemmende klokken, uit het atelier van de Heeren Fritzen en Petit te Aarle-Rixtel, aangebracht. De inzegening daarvan werd op den 22 daarop volgende voltrokken door den Hoogeerw. Heer deken Raetsen van Venlo, omringd door tal van geestelijken en geloovigen.

Na den Eerw. Heer van der Wielen heeft de Heer kanunnik Bernard Canoij langen tijd des Zondags en ook op de werkdagen de H. Mis in de kapel gelezen. Vervolgens hebben onafgebroken het rectoraat van Steijl bediend;Peter Petersgeboren te Zeeland. Deze was vroeger kapelaan te Baexem, en kwam herwaarts in 1847. Zijn geschokte gezondheid deed hem in 1851 zijn ambt nederleggen; hij bedankte en overleed te Tegelen 7 Febr. 1857 in den ouderdom van 63 jaren.

Frans van Haeffgeboren te Meerlo, priester gewijd in 1851 was rector tot 1862, en werd daarna in dezelfde hoedanigheid overgeplaats naar Leunen. Thans is hij pastoor te Peij sedert 1873.

Joannes de Gruiter, uit Venlo. Priester van 1844, was hij achtervolgens kapelaan te Brunssum, te Wanssum, en te Meijel; director aan Calvarie te Maastricht en van 1862 tot 1868 rector te Steijl. Hierop benoemd pastoor te Beegden overleed hij te Venlo den 27 November 1874.

Augustinus Backhuis, geboren te Roermond in 1833. Priester gewijd in 1857 werd hij benoemd tot professor te Rolduc; in 1862 tot kapelaan te St. Odiliënberg en sinds 1868 rector te Steijl.

Voegen wij nog bij de geestelijken die onze parochie bediend hebben de naamlijst der Eerw. priesters, die te Tegelen geboren zijn. Ons zijn alleen de volgende bekend:[44]

1.Hendrik van Holtmolen, pastoor alhier in 1433.

2.Gisbert Franssen, was vroeger in Holland op statie geweest, teruggekeerd vestigde hij zich te Breijel alwaar hij het beneficie van SteCatharina bediende. Hij stierf aldaar in 1726.

3.Gaspar Ronck, geboren in 1712, werd kapelaan te Neer, alwaar hij in 1758 overleed.

4.Godefridus Franssen, was pastoor te Belfeld tot 1797; in 1800 overleed hij op de Mergelstraat aldaar.

5.Wilhelm Smiets, geboren te Geloo onder Belfeld, den 29 December 1767, priester gewijd te Roermond in 1793, bediende eenigen tijd de kapelanie van Maasbree, en werd daarna pastoor te Benschop bij IJsselstein. In de laatste jaren was hij rustend geestelijke en overleed in 1845 den 11 Feb. te Benschop. Hij stichte eene studiebeurs.

6.Bernard Canoy, geboren in 1763, was tot aan de Fransche revolutie Regulier-kanunnik in het klooster te Bruggen, en sedert dien rustend geestelijke te Steijl. Hij overleed den 25 Nov. 1853.

7.Gaspar Franssen, geboren in 1826, priester gewijd te Roermond in 1851; werd eerst professor benoemd aan het bisschoppelijk collegie te Roermond. Hij vertrok in 1856 als missionnaris naar Oost-Indië, alwaar hij tot 1865 werkzaam was; herwaarts teruggekeerd uit hoofde zijner geschokte gezondheid, bedient hij sedert 1869 de pastorij van Ittervoort.

8.Gerard Peeters, geboren in 1829, priester gewijd in 1856; tot in 1865 kapelaan te Echt, daarna te Blerick.

9.Ferdinand Moubis, geboren in 1834, priester gewijd 1859, werd in dat zelfde jaar professor benoemd te Rolduc.

10.Henricus Peeters, broeder van Gerard Peeters geboren in 1840, priester gewijd in 1866 te Roermond, sedert dien kapelaan te Aubel in het bisdom van Luik[45].

11.Joseph Moubis, broeder van Ferdinand voornoemd, geboren in 1844 priester gewijd in 1868 en tot kapelaan benoemd te StOdiliënberg. In 1872 begaf hij zich als missionnaris naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. De studeerende jeugd der gemeente belooft deze priesterenreeks voort te zetten.

Van het begin der zestiende eeuw stond het schoollokaal binnen de kerkhofmuren, tegelijk met de woning voor den onderwijzer, die tevens koster was. Ongeschiktgeworden om het steeds toenemende getal schoolkinderen te bergen, dient het, sedert 1817, tot gemeentehuis. Een ruimere nieuwe school werd meer zuidwaarts gebouwd in 1818. Ook dit gebouw was weldra te klein en daarenboven onsterk geworden, zoodat de in 1870 nieuw gebouwde en ruime school noodzakelijk werd. Zij kostte nagenoeg 6000 gulden.

Gelijk op de meeste plaatsen van Gulick en Gelderland werd de schoolmeester-koster alhier benoemd op voordracht van den pastoor, na overleg met de burgemeester of de schepenen. De benoeming vanJacobus Geurtsin 1818 werd op voorstel van den pastoor en den burgemeester zelfs bevestigd door den vicaris-generaal van Aken.

Dat het onderwijs te Tegelen reeds vroegtijdig behartigd, en de onderwijzers naar waarde geschat werden, blijkt genoegzaam hieruit, dat reeds in het jaar 1591 ten voordeele van den schoolmeester eene jaarrente ter waarde van één malder rogge was gesticht ten laste van het goed Holtmolen.

Zie hier de lijst der onderwijzers van Tegelen. Als koster-schoolmeester vinden wij in 1678 Henricus Vervoort; van 1755 tot 1766, Egidius Lauwenhuis, van 1766 tot 1771, Peter Engels; van 1771 tot 1772 Paulus Houba; van 1772 tot 1780 Hendrik Hendriks; van 1780 tot 1794 Theodorus Bongaerts; van 1794 tot 1804 Mathias Denissen; van 1804 tot 1816 Peter Dambacher.[46]

Hoofdonderwijzers, na afgelegd examen volgens de tegenwoordige wet waren: Jacobus Geurts geboren te Tegelen in 1797 tot October 1862. Deze had van 1815 tot 1818 onderwijs gegeven te Belfeld, bedankte in 1862 en overleed alhier in 1868. Henricus Antonius LudovicusHagdorn, benoemd in Maart 1863; naar elders verplaatst in Januari 1864. Hubertus Constantinus van den Ertwegh, benoemd den 4 Juni 1864, naar elders geroepen den 27 Januari 1868. Henricus Bloemers, geboren te Beesel, was te voren hier hulponderwijzer. Henri Geurts, geboren te Tegelen den 23 November 1845 volgde hem als hulponderwijzer op.

Na het overlijden van Peter Dambacher gaven te Steijl bijzondere onderwijzers aan eenige kinderen lager en middelbaar onderricht; wij noemen als zoodanig Joannes van Wis, later priester geworden, Joannes Grubben, Jacobus Holtman.

Toen er in 1867 een flinke school benevens onderwijzers woning verrees werd ook te Steijl eene hoofdonderwijzer aangesteld. Achtervolgens gaven daar onderwijs: Henricus Bastiaans, benoemd in Januari 1868, deze overleed in Maart daaropvolgende. Jean Godfried Crasborn, benoemd in Junij 1868, ontslagen in Juli 1870. Joannes van den Houdt, benoemd in Dec. 1870, ontslagen den 27 Mei 1874. Jan Willem van Poppel, benoemd den 1 Augustus 1874.

Sedert 1818 werd, zoowel te Tegelen als te Steijl, steeds gezorgd dat hunne onderwijzers in staat waren voldoend onderricht te geven in deFranscheenDuitschetalen, in de musiek en meer andere vakken.

Den 2 September 1875 hebben eenige kloosterdochters onder den naam vanZusters van Onze Lieve Vrouw, genoodzaakt door den Pruissischen Culturkamp om zich uit hare woonplaats Essen in Duitschland te verwijderen, het ruime huis met erf van Mevrouw de Weduwe Math. Moubis aangekocht‚ met ’t doel om aldaar een pensionnaat voor jonge dochters op te richten, met eenzelfde doel hebben thans ook een twintigtalZusters der VoorzienigheiduitWestfalen, het huis van Mevrouw de weduwe Leop. Moubis in bezit genomen.

Te Tegelen bevinden zich twee kasteelen, vroeger door adellijken bewoond:Holtmolenen deMunt. Holtmolen voorheenHoltmülenten zuiden van het dorp op tien minuten afstands van de kerk, is een prachtig landgoed met schoone omgeving van boschaadjes, vijvers en tuinen. Hoewel hier en daar veranderd en gewijzigd, heeft het slot zijn’ oorspronkelijken vorm vrij wel behouden; men ziet er ook nog de huiskapel, ofschoon wij nergens een bewijs vinden dat er vroeger ooit het H. Misoffer werd opgedragen, tenzij alleen een korten tijd in het begin dezer eeuw, toen het gebouw bewoond was door den Heer van Dinter. De grachten zijn breed en worden gevoed door het bronwater der aangrenzende bergen, hoofdzakelijk door den zoogenoemden »snellen sprunk.” De nabij gelegen overoude watermolen schijnt zijnen naam aan het kasteel te hebben gegeven, althans deze molen lag vroeger te midden van struikhout en behoorde altijd tot het eigendom van het kasteel. Wanneer vroeger de groote weg van Venlo over Tegelen naar Roermond, uit hoofde van het opzwellen der Aalsbeek, onbruikbaar werd, liet de Heer van Holtmolen toe, dat de barrieren langs het kasteel geopend werden, en vrije doortocht bestond over zijn goed in de richting van Geloo naar Reuver, of ook door de holle straat, Nering geheeten, naar Belfeld. De lange nevengebouwen van het slot hebben ten tijde van baron Von Glazennap gediend tot paardenstal voor een escadron cavalaristen, die deze Heer voor den krijgsdienst gedurende eenigen tijd onderhield.

Otto van Holtmolenontving in 1402 benevens de Heerlijkheid Tegelen, Holtmolen met aanhoorigheden.

Johan van Holtmolenaanvaarde het goed in 1425. Diens zoonFrans van Holtmolenerfde zijns vaders goed den 10 Juli 1544. Hij kreeg vernieuwing zijner rechten den 30 Mei 1556; en den 26 Sept. 1580 werden alle rechten en toebehooren van Holtmolen bekrachtigd ten gunste van zijne huisvrouwJohanna van Harst. Deze Joanna van Holtmolen bracht, door haar huwelijk metWaleran van Erp en Vechelo. a. ook Holtmolen in deze laatstgemelde familie. Weduwe geworden maakte zij eene codicille den 30 Maart 1636. Uit dit huwelijk sproten:

1.Johan van Erp, Heer van Erp en Vechel.

2.Agnesreeds in 1637 gehuwd metWerner van Hûndt. Zij stierf weduwe in 1676. Van dit huwelijk komen de latere Heeren van Holtmolen uit het geslacht van van Hùndt.

3.Assuera Magdalena van Erp, huwt in 1645Johan Wilhelm van Metternichdie den 15 April 1662 overleed[47]. Uit hun huwelijk kwam, volgens Fahne, Wilhelm Engelbert van Metternich gehuwd met Johanna Agnes Barbara van Bolandt. Wij vonden echter in onze archieven Engelbert van Metternich, neef en erfgenaam van Baron van Metternich, gehuwd metMargaretha van Smidt, uit wier huwelijkWilhelm Arnold van Metternichgeboren werd te Tegelen den 18 November 1646. Deze leefde nog in 1672 en was gehuwd met voornoemdeAgnes van Bolandt, die wij in November 1702 als weduwe aantreffen. Deze vrouwe schonk den pastoor van Tegelen de volmacht over een armenfonds[48].

De Heervan Hùndtvan Holtmolen, trad in het begin der vorige eeuw in de rechten van Mevrouw van Metternich. Hij was luthersch en bezocht de protestantsche kerk te Kaldenkerken. Uit dien hoofde vooral liet hij den weg van af Holtmolen tot op de heide door middel van dijken verbeteren, en wordt die weg de Hondsdijk genoemd. De boerderijzwarte hondgeheeten, doet ook herinneren aan dien Heer.

De familie van Hùndt voerde gedeeld in het schildhoofd een’ loopenden windhond, in den schildvoet van sinopel.

De éénige dochter van van Hùndt,Anna Elisabeth Louisatrad omstreeks 1750 in huwelijk met BaronJoachim Reinholt van Glazennap, uit Pommeren. Toen op zekeren dag de Heer van Hùndt met zijne dochter in een rijtuig gezeten over de heide eenen wandelrid deden, lichtte van Glazennap, de dochter, die hij reeds vroeger doch te vergeefs ten huwelijk had gevraagd op; met haar in huwelijk getreden kreeg hij bij erfenis het goed Holtmolen. De familie van Glazennap voerde in zilver een keper van keel wier linker been op een morenkop steunt. Deze van Glazennap, zegt men, had van het Beijersche hof verlof gekregen om munt te slaan; vandaar de zoogenaamdeglazennepkes, zij zijn van metaal, hebben eene waarde van 2 stuiver kleefs, en dragen het jaartal 1755. Ook had deze Heer getracht het slot Holtmolen eenigermate bomvrij te maken. Hiertoe had men een deel van het dak met een enorme massa aarde bedekt, waarvan echter de drukkende last eene ineenzakking te weeg bracht in den nacht van den 17 April 1752, Jacob Vissel metselaar uit Gelder, werd dientengevolge onder de puinhoopen begraven.

Van Glazennap heeft Holtmolen op het laatste der vorige eeuw verlaten. In 1771 was het goed onbewoond. Daarna kwam het in bezit van baron van Holthausen, die hetweldra verkocht aan den Heer Vos de Wael, en toen deze Venlo verliet kwam Holtmolen bij verkoop aan de tegenwoordige bezitters, de Edelachtbare familie Gerard de Rijk van Steijl.

De Muntligt ten oosten van het dorp; zooals dit goed thans bestaat dagteekent het uit het begin der vorige eeuw. Hoe het er voor dien tijd uitgezien heeft, hebben wij nergens vermeld gevonden. De baron van Wevelickhoven maakte er een prachtig buiten van, zooals men in de nabijheid van groote steden aantreft. De kunstmatig aangelegde en met allerlei arbusten beplante berg, in het park onmiddelijk voor het kasteel, is aangevoerd met de aarde die uit de grachten gehaald werd. Midden in die verhevenheid was een ijskelder; doch daar thans die hoogte bijna gansch geslecht is, staat deze kelder of put thans ontbloot en gelijkt vrijwel op een fabriek-schoorsteen; ware deze eens weggeruimd, dan zou de Munt, van op den grooten weg naar Venlo gezien, in bekoorlijkheid veel winnen. Bij dat landgoed schijnt in vroegere tijden eene windmolen gestaan te hebben, althans de strook gronds tusschen het kasteel en de kerk gelegen wordtmolenkamp, en de weide daaraan grenzendemolenpasgeheeten.

De grachten in ’t vierkant rondom de Munt aangelegd en met een fraaie brug van drie pijlers versierd, bieden in den winter den Tegelsche liefhebbers van schaatsen een gewenschte en alleraangenaamste ridbaan aan. Wat de huiskapel op dit kasteel aangaat, zij was klein en eenvoudig, en is thans tot bergplaats ingericht. Wij vonden dat in 1733, door den bisschop van Luik aan de familie van Wevelickhoven, vergunning was verleend om het H. Misoffer daarin op te dragen. Deze vergunning geschiedde telkens voorden termijn van drie jaren. Na voormeld jaar is deze niet meer gevraagd.

De Heeren van de Munt bezaten voorheen, behalve eenige groote, vele kleine tienden zooals van vlas, kippen, winter-zaad enz. De groote tienden, zooals bemerkt is, behoorden meestal aan den Heer van Holtmolen.

Ook moest de Heer van de Munt, ten gerieve der ingezetenen een’ stier onderhouden. Deze last stond op het stuk bouwlandPeske, voorheenVerrenpeskegeheeten.

Henricus Constantius van Wevelickhoven, huwde te Roermond den 13 Mei 1699 metHendrina Dorothea de Bors.

Zijne kinderen waren:

Engelbert Joseph van Wevelickhoven; deze leefde nog in 1736, doch was van hier afwezig.

Jean Pierre van Wevelickhovenoverleed vóór 1742.

Jean Joseph van Wevelickhoven, die als Heer van de Munt alhier overleed in 1742, en in den grafkelder onder het koor werd bijgezet.

Voorgenoemde Henricus Constantius was vermoedelijk de stichter van het kasteel de Munt, en staat in onze archieven vermeld als weldoener onzer kerk; hij schonk onder anderen een prachtig tabernakel met spiegelglas omzet en herkomstig uit Brussel; de beste ornamenten en het Christusbeeld in het hoofdaltaar zijn ook door hem geschonken.

Antoon Joseph van Wevelickhoven, komt in 1760 voor als Heer van de Munt. Hij verlangde eene school en eene kapelanij te stichten, onder beding, dat de gemeente daarvoor een land aan den zoogenaamden steenoven zou afstaan. Daar de gemeenteraad dit verzoek niet inwilligde, schijnt hij geen genoegen gehad te hebben nog langer in Tegelen te vertoeven. Hij vestigde zich te Brussel alwaar zijne familie nog voortleeft.

Petrus Goswinus van Wevelickhovenkomt in 1798 voor als kanunnik en cantor in de Roermondsche domkerk. Hij overleed te Roermond den 19 Mei 1820 in den ouderdom van 60 jaren en drie maanden. Het adellijk wapen van deze familie was: in een rood veld twee zilveren fascen; schildhouders twee rechfstaande leeuwen.

Als erfgenaam der familie de Bors uit Roermond, kreeg een gedeelte der goederen van de Munt in bezit zekereFrancis Cloots, die den 18 November 1748 te Tegelen huwde metAdelaïdis de Pauw,welke den 7 November 1753 alhier overleed. Zijn wij wel ingelicht, dan was de beruchte Jean Baptiste Cloots, bijgenaamd Anacharsis, die in de Fransche revolutie op het einde der vorige eeuw, zulk een droevige rol speelde, hun zoon of hun neef. Hij trad te Parijs in de mommerij van den 14 Juli 1790 als »orateur du genre humain” op, en noemde zich: l’ennemi personel de J. Christ. In den val der Cordeliers gewikkeld beklom hij met zijn vriend den afzichtelijken Hébert den 24 Maart 1794 de trappen van het schavot.

In het jaar 1753 overleed op de Munt Jonker Antonius de Pauw. De familie Cloots heeft maar tijdelijk op de Munt gewoond. Deze familie voerde in goud eene fasce van sabel bezet met drie bezapten. In het schildhoofd prijkt een adelaar.

Francisca Josephina, eenige dochter van Antoon van Wevelickhoven en Elisabeth Josephina le Clerc, werd geboren te Brussel den 9 Feb. 1749; zij vertoefde op de Munt in 1768, en overleed te Brussel den 16 Feb. 1797. Uit haar huwelijk metJozef Hyacinthe d’Hannossetuit laatstgenoemde stad, sproten twee dochters; de oudstePaulina Maria Theresiagenaamd, werd geboren te Brussel den 19 Jan. 1785 en overleed aldaar den 19 Dec. 1855; deze was gehuwd metPeter Alexander Gislain van Volden de Sandberggeboren te Brussel den 21 Juni 1766 en overleed op het kasteel Hogue bij Yperen den 8 Juli 1808.

Na dien tijd werd de Munt bewoond door den oud burgemeester Balth. De Hasenbach; vervolgens werd het kasteel tot Casino ingericht en betrokken door Joannes Dercks uit Venlo; eindelijk ging het, in 1831 bij verkoop over aan de familiede Lom de Berg. Thans is de Munt tot een vrouwenklooster ingericht. De geweldige kerkvervolging in Duitschland gaf hiertoe aanleiding. DeBenedictijner-nonnenuit Vierssen uit haar vaderland de wijk nemende, hebben het kasteel benevens de gebouwen en het terrein binnen de grachten, ter groote van 160 aren, aangekocht en den 20 Juli 1875 in bezit genomen. Deze nonnen, ookZusters van de gedurige aanbiddinggenoemd, brengen dag en nacht door in vereering en aanbidding van het Allerheiligste Sakrament. Ofschoon de kloosterlingen achter slot leven, is hare kapel zoo ingericht, dat zij ook toegankelijk blijft voor de geloovigen der parochie, die er hunne godsvrucht komen voldoen.

De overste dezer kloosterzusters is de dochter van den graaf von Fürstenberg-Stamheim. Tot rector werd, den 10 September 1875, benoemd en aangesteld de Eerwaarde HeerJozef Adamsuit Dulken.

Dit buitengoed, zooals in de eerste afdeeling vermeld is, behoorde in de 15deeeuw aan de Heeren van Holtmolen; vervolgens ging het over aan de familie van Hùndt en van Glazennap. Den 14 Februari 1757 verkochten Joachim Reinhold Baron van Glazennap en diens gemalin Anna Elisabeth Louisa geboren van Hùndt, aan Wilhelm Frederik baron van Olne Heer tot Olne, Soumagne St. Hadlain, Baarlo enz., en Theodora Maria Josepha geboren vanMeerwijk echtgenooten, het goed Wambach met ab- en dependentiën.

Baron d’Olne, Heer te Berck verkocht aanArnold Hamboch, protestantsch prediker te Kaldenkerken, zijn goed Wambach met ab- en dependentiën, onder dezelfde voorwaarden als de verkooper het aanvaard had van baron van Glazennap. Berck 31 April 1762. Wambach kwam nader in erfenis toe aan Joannes Giezen; diens afstammelingen verkochten het als pachthoeve aan den Heer Krauwerts uit Kaldenkerken. Ook Wambach is zeer aangenaam gelegen en met grachten omringd.

Het plan om een seminarie of kweekschool op te richten ter opleiding van duitsche missionnarissen voor China, Mongolië en andere heidensche landen, werd in 1874 opgevat door de Zeer Eerw. Heeren doctor J. von Essen, pastoor te Neuwerk in het aartsbisdom Keulen en Arnold Janssen, rector te Kempen, tevens redacteur van het maandschrift »kleiner Herz-Jesu-Bote”, en vroeger gedurende twaalf jaren professor in de natuurkunde aan de hoogere burgerschool te Bocholt. Eerstgenoemde was voornemens deze grootsche onderneming in Duitschland of in Oostenrijk tot stand te brengen; doch de kerkvervolging aldaar noodzaakte hem voor als nog van zijn voornemen af te zien. Nu meende de Wel Eerw. Heer Janssen de taak op zich alleen te moeten nemen. Hij vestigde zijne aandacht op Nederland voor wier bewoners de stichting, zijns inziens, ook dienstbaar behoorde gemaakt te worden. Al spoedig was de goedkeuring van een twintigtal bisschoppen, benevens die van H. Em. den Kardinaal Franchi, prefect der Propaganda te Rome en der drie Kardinalen uit Oostenrijk verkregen. De Eerwaarde stichter wenschte zijne inrichtingzooveel mogelijk op de Duitsche grenzen en op een centraal punt te zien verrijzen. Daartoe scheen Steijl onder Tegelen hem zeer doelmatig; hij kocht te dien einde in Juli 1875 aldaar het huis met aanhoorigheden van den Heer J. Ronck. De personen, die het onderricht geven en het huis bestieren, zijn reeds gevonden, zij zijn: een Nederlander, een Luxemburger, een Oostenrijker en een Duitscher. De eerste met name Smorenburg, tot hieraan pastoor te Bredevoort, in het Aartsbisdom Utrecht, heeft achttien jaren in China doorgebracht, een Chineesch-Fransch woordenboek vervaardigd, en gedurende vijf jaren onderwijs gegeven in het Fransch aan kinderen van mandarijen te Peking; daarvoor werd hij meteen der hoogste ridderorde van China beloond. Hij is belast onder anderen met den cursus in de Chineesche taal.

De inspraak Gods volgende, en steunende op den zegen des Heiligen Vaders, Pius IX, en de aanmoediging van zoo groot aantal kerkvoogden, verlaat zich het bestuur in de toekomst op de offervaardigheid der goedgezinden. In voornoemd maandschrift van Juli 1875, sluit de Eerw. Heer Janssen een artikel dienaangaande, als volgt: »laten we bemerken, dat met den aankoop van bovengemeld huis en tuinen onze geldelijke middelen zijn uitgeput; doch wij hopen, dat de H. Joseph, dien wij gesmeekt hebben om onze voedster-vader te willen wezen, ons verder door bemiddeling van gegoede lieden zal bijstaan. Moge ons de christelijke liefde niet vergeten en de rijke en voorname bij den middelbaren burger niet willen achter staan”.

Het huis werd den 15 Augustus, namens den Bisschop van Roermond, plechtig ingezegend door den Hoogeerwaarden Heer deken van Venlo. Op aanvrage werd nog dienzelfden dag per telegraaf van wegen den Kardinaal Antonelli ook de goedkeuring en den zegen des H. Vaders ingewonnen. Eenige studenten genieten er thans onderwijs.

1. Ter eere Gods en tot bevordering van het heil der geloovigen, stichtte deze vrome priester eene studiebeurs bij den aartsbisschoppelijken stoel van Keulen; waartoe hij aan dezen schenkt en onwederroepelijk afstaat: den koopprijs van 22 morgen lands, vrij van alle schulden en hypotheek, en gelegen te Holtzweiler bij Erkelens.

2. Het bestier dezer stichting alsmede het fonds zelf, stelt hij in handen van den tijdelijken Aartsbisschop van Keulen; met de bevoegdheid de personen aan te wijzen aan welke, en de regels volgens welke de uitkeeringen moeten geschieden.

3. Uit de opbrengst dezer goederen zal vooreerst eene beurzenportie gevormd worden. Zoodra deze portie met afkorting der onkosten 80 thaler overschreidt, zal deze som, (en ook de heele stichtingsom, indien zij niet verpast zoude zijn,) strekken tot vestiging eenertweedebeurzenportie; en zoo op gelijke wijze gezorgd worden voor het tot stand brengen eenerderdeen eindelijkvierdeportie.

4. Tot genot van deze portiën laat hij vooreerst toe zijne bloedverwanten, die roeping en aanleg toonen voor den priesterlijken staat. Bij gebrek van dezen bevoegt hij daartoe katholieke jongelingen geboortig uit de parochiën Holzweiler, Tegelen bij Venlo en Waldorf aan het Voorgebergte; bij voorkeur aan jonge lieden van minder gegoede ouders en die tot den geestelijken staat geroepen schijnen.

5. De vergeving dezer studiebeurzen zal den tijdelijken aartsbisschop van Keulen toekomen. Ingeval er meerderebloedverwanten of ook meerdere aspiranten uit de voormelde parochiën zich aanbieden, blijft het recht aan den Aartsbisschop van den éénen vóór den anderen aan te nemen. Wanneer eene portie te verleenen open staat, zal zulks tweemaal achtervolgens in genoemde parochiën worden afgekondigd.


Back to IndexNext