IV.

[Inhoud]IV.Een goede partij.Drie maanden later.Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor een „huiselijk dansje”[65]of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder haar mee naar bals, concerten en opera’s. Overal, waar zij maar kans zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig in den smaak van ’t eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken; maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken gestaakt had. Clara’s zoet geheim—haar reine liefde voor den edelen jongen man—gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan, die haar dreigde te overweldigen in ’t gezelschap van al die wufte, onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna dagelijks in contact werd gebracht.Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een neef van een der intiemen van Clara’s[66]moeder. Zij ontmoette hem voor ’t eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang was de teedere tante steeds welgezind te houden; want ’t goede mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel gelukt. ’t Scheen wel, dat ’t hem bepaald moeilijk zou vallen, haar slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van ’t woord. Lui, zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn beurs steeds[67]gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon met geld, en „student” kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk is te zijn. Frits „studeerde” zes jaar te Delft, in plaats van twee of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld „deftig”. Waartoe zou hij zoo vlug studeeren? ’t Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had, om ’t lang uit te houden! In die zes jaren had ’t neefje jaarlijks plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering voortleven aan den grootsten „zwabber”, die er bij menschenheugenis in studentenkringen verkeerd had.[68]Het spreekt vanzelf, dat hem dat niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een „bewijs van goed gedrag” aan de „heeren studenten”.Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.Aan trouwen had hij nog niet gedacht. ’t Vrije jonggezellenleven, zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In[69]Indië waren „Wijntje en Trijntje” zijn huisgoden gebleven. Toen hij na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste vaarwel te zeggen, om in ’t huwelijk zijn heil te zoeken.Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben, die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien rang—assistent-resident—en zijn prachtige vooruitzichten in ’t ambtelijke zoowel als in ’t finantiëele, was hij overtuigd, dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van Merenstein, „aan den haak te slaan”. Bovendien was hij niet onknap, ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich bij dames aangenaam te maken.Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook bijzonder[70]minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara’s vader doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.[71]Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant alles in ’t werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te stellen van Clara’s gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.Toen dan ookmoederen dochter op een avond thuiskwamen van een partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, dadelijk het gesprek op de groote zaak.Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar moeder haar tegenhield en zeide:„Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken.”[72]Clara keek verwonderd.„Ja, een heel ernstige zaak is ’t,” vervolgde zij. „Ik wou je eens wat vragen: Hoe denk je over trouwen?”Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.„Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan.”„Waarom niet? Zou je ’t zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk te doen?”„Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie.”„Met wie? Nu kind, dan zal ik je ’s wat zeggen. Heb je niet opgemerkt dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?”„O jawel, Ma, maar wat zou dat?”„Hoe vin’ je ’m?”„Och, niet onaardig.”„Als die nu ’s om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?”„Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben …”„Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor.”„Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma.”„Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?”[73]„Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.… die Mijnheer van Breeveld kan mijn vader wel wezen.”„Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.… Je zou dus niet willen?” Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.„Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan.”„Maar waarom dan toch niet!? En als nu ’s een ander om je kwam?”„Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te trouwen en dan.…. als ik trouw, moet ’t met iemand zijn van wie ik houd.”„Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je denkt zeker aan een ander?”Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar keek voor zich.„Zeg ’t maar ronduit, je houdt van Willem Victor?”„Och, Ma, ik vind ’m een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik niet, heusch.”[74]„Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.… Wil je je moeder zoo ’n groot verdriet doen?”„Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik niet houd?”„Je zegt, dat je ’m niet onaardig vindt? En dat zal nog wel meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel.”„Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele leven ongelukkig.”„Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben je dwaas? Als je van ’m houdt, is het heel aardig, maar als dat niet zoo is, wat zou ’t dan nog? Heb je dan niet je positie als assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat ’s allemaal dwaasheid, zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?”„Niet?!” roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.„Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet[75]zeggen. Maar wat de menschen liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar niet in ’t praktische leven, niet voor verstandige menschen.”Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?„Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten komen”, gaat de moeder voort. „Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld zeggen, dat je ’t met je zelve nog niet eens bent, als hij weer hier komt?”„En hem dus hoop geven? O nee’, Ma, als ’t u belieft niet! Ik wil nog niet trouwen, zeg ik u nog eens.”Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon vervolgt ze:„Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag[76]het geluk niet gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?” Ze brengt haar zakdoek voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.„Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?” Ze slaat een arm om haar moeder heen.’t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.„Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je dat?… Ik weet ’t wel, ’t is alleen maar dat je aan dien vervelenden Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten … Och, je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk … Ga maar weg, laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat erbij … Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen.”[77]Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit hartstochtelijk te snikken op haar stoel. ’t Komt bij ’t jonge meisje niet op, dat haar „verdriet” in haar gansche leven waarlijk niet groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de kamer en gaat naar bed.Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend zegt:„En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief vrouwtje voor u? ’t Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd zijn …”„Volkomen waar, Mevrouw,” antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij hier een geschikte aanleiding vindt, om ’t onderwerp aan te roeren. „Om te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil.”[78]„Nu, wat dan?” vraagt de gastvrouw onnoozel.„Een goede vrouw.”„Natuurlijk.… ha, ha,” lacht Mevrouw Van Merenstein. „Zou u die dan niet kunnen vinden?”„O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?”„U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u.”„Och kom, Mevrouw.”„U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw succes bij de jonge dame?”„Juist, Mevrouw. Ik zal ’t maar zeggen.”„En wie is de gelukkige?”„Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn voorkeur.”„U noemt geen naam.”„Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?”„Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan zeggen, of ’t u ernst is, als u aan ’t „flirten” is?”„Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. ’t Is[79]mij hooge ernst.… Maar wat geeft ’t me? Ik vorder niets.”„Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.… ’t Kind is nog erg jong en kent haar hart niet. U moet maar hopen.…”„Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?” vraagt Van Breeveld dringend.„Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles in orde.”„En mag ik op uw steun rekenen?”„Ik zal doen wat ik kan. ’t Kind zal wel anders worden. Ik heb haar niet over de zaak gesproken … wist niets bepaalds … en zal ’t nog niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel te helpen bereiken.”Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.„U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer[80]Van Breeveld”, roept Mevrouw Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.„Zeer gaarne, Mevrouw.”

[Inhoud]IV.Een goede partij.Drie maanden later.Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor een „huiselijk dansje”[65]of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder haar mee naar bals, concerten en opera’s. Overal, waar zij maar kans zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig in den smaak van ’t eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken; maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken gestaakt had. Clara’s zoet geheim—haar reine liefde voor den edelen jongen man—gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan, die haar dreigde te overweldigen in ’t gezelschap van al die wufte, onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna dagelijks in contact werd gebracht.Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een neef van een der intiemen van Clara’s[66]moeder. Zij ontmoette hem voor ’t eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang was de teedere tante steeds welgezind te houden; want ’t goede mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel gelukt. ’t Scheen wel, dat ’t hem bepaald moeilijk zou vallen, haar slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van ’t woord. Lui, zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn beurs steeds[67]gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon met geld, en „student” kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk is te zijn. Frits „studeerde” zes jaar te Delft, in plaats van twee of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld „deftig”. Waartoe zou hij zoo vlug studeeren? ’t Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had, om ’t lang uit te houden! In die zes jaren had ’t neefje jaarlijks plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering voortleven aan den grootsten „zwabber”, die er bij menschenheugenis in studentenkringen verkeerd had.[68]Het spreekt vanzelf, dat hem dat niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een „bewijs van goed gedrag” aan de „heeren studenten”.Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.Aan trouwen had hij nog niet gedacht. ’t Vrije jonggezellenleven, zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In[69]Indië waren „Wijntje en Trijntje” zijn huisgoden gebleven. Toen hij na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste vaarwel te zeggen, om in ’t huwelijk zijn heil te zoeken.Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben, die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien rang—assistent-resident—en zijn prachtige vooruitzichten in ’t ambtelijke zoowel als in ’t finantiëele, was hij overtuigd, dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van Merenstein, „aan den haak te slaan”. Bovendien was hij niet onknap, ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich bij dames aangenaam te maken.Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook bijzonder[70]minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara’s vader doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.[71]Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant alles in ’t werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te stellen van Clara’s gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.Toen dan ookmoederen dochter op een avond thuiskwamen van een partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, dadelijk het gesprek op de groote zaak.Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar moeder haar tegenhield en zeide:„Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken.”[72]Clara keek verwonderd.„Ja, een heel ernstige zaak is ’t,” vervolgde zij. „Ik wou je eens wat vragen: Hoe denk je over trouwen?”Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.„Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan.”„Waarom niet? Zou je ’t zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk te doen?”„Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie.”„Met wie? Nu kind, dan zal ik je ’s wat zeggen. Heb je niet opgemerkt dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?”„O jawel, Ma, maar wat zou dat?”„Hoe vin’ je ’m?”„Och, niet onaardig.”„Als die nu ’s om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?”„Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben …”„Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor.”„Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma.”„Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?”[73]„Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.… die Mijnheer van Breeveld kan mijn vader wel wezen.”„Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.… Je zou dus niet willen?” Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.„Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan.”„Maar waarom dan toch niet!? En als nu ’s een ander om je kwam?”„Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te trouwen en dan.…. als ik trouw, moet ’t met iemand zijn van wie ik houd.”„Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je denkt zeker aan een ander?”Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar keek voor zich.„Zeg ’t maar ronduit, je houdt van Willem Victor?”„Och, Ma, ik vind ’m een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik niet, heusch.”[74]„Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.… Wil je je moeder zoo ’n groot verdriet doen?”„Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik niet houd?”„Je zegt, dat je ’m niet onaardig vindt? En dat zal nog wel meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel.”„Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele leven ongelukkig.”„Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben je dwaas? Als je van ’m houdt, is het heel aardig, maar als dat niet zoo is, wat zou ’t dan nog? Heb je dan niet je positie als assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat ’s allemaal dwaasheid, zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?”„Niet?!” roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.„Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet[75]zeggen. Maar wat de menschen liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar niet in ’t praktische leven, niet voor verstandige menschen.”Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?„Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten komen”, gaat de moeder voort. „Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld zeggen, dat je ’t met je zelve nog niet eens bent, als hij weer hier komt?”„En hem dus hoop geven? O nee’, Ma, als ’t u belieft niet! Ik wil nog niet trouwen, zeg ik u nog eens.”Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon vervolgt ze:„Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag[76]het geluk niet gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?” Ze brengt haar zakdoek voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.„Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?” Ze slaat een arm om haar moeder heen.’t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.„Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je dat?… Ik weet ’t wel, ’t is alleen maar dat je aan dien vervelenden Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten … Och, je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk … Ga maar weg, laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat erbij … Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen.”[77]Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit hartstochtelijk te snikken op haar stoel. ’t Komt bij ’t jonge meisje niet op, dat haar „verdriet” in haar gansche leven waarlijk niet groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de kamer en gaat naar bed.Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend zegt:„En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief vrouwtje voor u? ’t Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd zijn …”„Volkomen waar, Mevrouw,” antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij hier een geschikte aanleiding vindt, om ’t onderwerp aan te roeren. „Om te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil.”[78]„Nu, wat dan?” vraagt de gastvrouw onnoozel.„Een goede vrouw.”„Natuurlijk.… ha, ha,” lacht Mevrouw Van Merenstein. „Zou u die dan niet kunnen vinden?”„O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?”„U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u.”„Och kom, Mevrouw.”„U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw succes bij de jonge dame?”„Juist, Mevrouw. Ik zal ’t maar zeggen.”„En wie is de gelukkige?”„Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn voorkeur.”„U noemt geen naam.”„Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?”„Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan zeggen, of ’t u ernst is, als u aan ’t „flirten” is?”„Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. ’t Is[79]mij hooge ernst.… Maar wat geeft ’t me? Ik vorder niets.”„Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.… ’t Kind is nog erg jong en kent haar hart niet. U moet maar hopen.…”„Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?” vraagt Van Breeveld dringend.„Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles in orde.”„En mag ik op uw steun rekenen?”„Ik zal doen wat ik kan. ’t Kind zal wel anders worden. Ik heb haar niet over de zaak gesproken … wist niets bepaalds … en zal ’t nog niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel te helpen bereiken.”Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.„U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer[80]Van Breeveld”, roept Mevrouw Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.„Zeer gaarne, Mevrouw.”

IV.Een goede partij.

Drie maanden later.Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor een „huiselijk dansje”[65]of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder haar mee naar bals, concerten en opera’s. Overal, waar zij maar kans zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig in den smaak van ’t eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken; maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken gestaakt had. Clara’s zoet geheim—haar reine liefde voor den edelen jongen man—gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan, die haar dreigde te overweldigen in ’t gezelschap van al die wufte, onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna dagelijks in contact werd gebracht.Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een neef van een der intiemen van Clara’s[66]moeder. Zij ontmoette hem voor ’t eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang was de teedere tante steeds welgezind te houden; want ’t goede mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel gelukt. ’t Scheen wel, dat ’t hem bepaald moeilijk zou vallen, haar slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van ’t woord. Lui, zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn beurs steeds[67]gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon met geld, en „student” kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk is te zijn. Frits „studeerde” zes jaar te Delft, in plaats van twee of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld „deftig”. Waartoe zou hij zoo vlug studeeren? ’t Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had, om ’t lang uit te houden! In die zes jaren had ’t neefje jaarlijks plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering voortleven aan den grootsten „zwabber”, die er bij menschenheugenis in studentenkringen verkeerd had.[68]Het spreekt vanzelf, dat hem dat niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een „bewijs van goed gedrag” aan de „heeren studenten”.Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.Aan trouwen had hij nog niet gedacht. ’t Vrije jonggezellenleven, zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In[69]Indië waren „Wijntje en Trijntje” zijn huisgoden gebleven. Toen hij na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste vaarwel te zeggen, om in ’t huwelijk zijn heil te zoeken.Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben, die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien rang—assistent-resident—en zijn prachtige vooruitzichten in ’t ambtelijke zoowel als in ’t finantiëele, was hij overtuigd, dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van Merenstein, „aan den haak te slaan”. Bovendien was hij niet onknap, ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich bij dames aangenaam te maken.Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook bijzonder[70]minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara’s vader doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.[71]Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant alles in ’t werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te stellen van Clara’s gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.Toen dan ookmoederen dochter op een avond thuiskwamen van een partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, dadelijk het gesprek op de groote zaak.Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar moeder haar tegenhield en zeide:„Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken.”[72]Clara keek verwonderd.„Ja, een heel ernstige zaak is ’t,” vervolgde zij. „Ik wou je eens wat vragen: Hoe denk je over trouwen?”Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.„Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan.”„Waarom niet? Zou je ’t zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk te doen?”„Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie.”„Met wie? Nu kind, dan zal ik je ’s wat zeggen. Heb je niet opgemerkt dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?”„O jawel, Ma, maar wat zou dat?”„Hoe vin’ je ’m?”„Och, niet onaardig.”„Als die nu ’s om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?”„Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben …”„Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor.”„Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma.”„Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?”[73]„Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.… die Mijnheer van Breeveld kan mijn vader wel wezen.”„Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.… Je zou dus niet willen?” Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.„Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan.”„Maar waarom dan toch niet!? En als nu ’s een ander om je kwam?”„Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te trouwen en dan.…. als ik trouw, moet ’t met iemand zijn van wie ik houd.”„Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je denkt zeker aan een ander?”Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar keek voor zich.„Zeg ’t maar ronduit, je houdt van Willem Victor?”„Och, Ma, ik vind ’m een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik niet, heusch.”[74]„Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.… Wil je je moeder zoo ’n groot verdriet doen?”„Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik niet houd?”„Je zegt, dat je ’m niet onaardig vindt? En dat zal nog wel meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel.”„Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele leven ongelukkig.”„Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben je dwaas? Als je van ’m houdt, is het heel aardig, maar als dat niet zoo is, wat zou ’t dan nog? Heb je dan niet je positie als assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat ’s allemaal dwaasheid, zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?”„Niet?!” roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.„Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet[75]zeggen. Maar wat de menschen liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar niet in ’t praktische leven, niet voor verstandige menschen.”Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?„Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten komen”, gaat de moeder voort. „Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld zeggen, dat je ’t met je zelve nog niet eens bent, als hij weer hier komt?”„En hem dus hoop geven? O nee’, Ma, als ’t u belieft niet! Ik wil nog niet trouwen, zeg ik u nog eens.”Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon vervolgt ze:„Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag[76]het geluk niet gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?” Ze brengt haar zakdoek voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.„Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?” Ze slaat een arm om haar moeder heen.’t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.„Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je dat?… Ik weet ’t wel, ’t is alleen maar dat je aan dien vervelenden Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten … Och, je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk … Ga maar weg, laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat erbij … Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen.”[77]Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit hartstochtelijk te snikken op haar stoel. ’t Komt bij ’t jonge meisje niet op, dat haar „verdriet” in haar gansche leven waarlijk niet groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de kamer en gaat naar bed.Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend zegt:„En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief vrouwtje voor u? ’t Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd zijn …”„Volkomen waar, Mevrouw,” antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij hier een geschikte aanleiding vindt, om ’t onderwerp aan te roeren. „Om te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil.”[78]„Nu, wat dan?” vraagt de gastvrouw onnoozel.„Een goede vrouw.”„Natuurlijk.… ha, ha,” lacht Mevrouw Van Merenstein. „Zou u die dan niet kunnen vinden?”„O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?”„U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u.”„Och kom, Mevrouw.”„U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw succes bij de jonge dame?”„Juist, Mevrouw. Ik zal ’t maar zeggen.”„En wie is de gelukkige?”„Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn voorkeur.”„U noemt geen naam.”„Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?”„Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan zeggen, of ’t u ernst is, als u aan ’t „flirten” is?”„Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. ’t Is[79]mij hooge ernst.… Maar wat geeft ’t me? Ik vorder niets.”„Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.… ’t Kind is nog erg jong en kent haar hart niet. U moet maar hopen.…”„Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?” vraagt Van Breeveld dringend.„Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles in orde.”„En mag ik op uw steun rekenen?”„Ik zal doen wat ik kan. ’t Kind zal wel anders worden. Ik heb haar niet over de zaak gesproken … wist niets bepaalds … en zal ’t nog niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel te helpen bereiken.”Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.„U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer[80]Van Breeveld”, roept Mevrouw Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.„Zeer gaarne, Mevrouw.”

Drie maanden later.

Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor een „huiselijk dansje”[65]of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder haar mee naar bals, concerten en opera’s. Overal, waar zij maar kans zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten, liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig in den smaak van ’t eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken; maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken gestaakt had. Clara’s zoet geheim—haar reine liefde voor den edelen jongen man—gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan, die haar dreigde te overweldigen in ’t gezelschap van al die wufte, onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna dagelijks in contact werd gebracht.

Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een neef van een der intiemen van Clara’s[66]moeder. Zij ontmoette hem voor ’t eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang was de teedere tante steeds welgezind te houden; want ’t goede mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel gelukt. ’t Scheen wel, dat ’t hem bepaald moeilijk zou vallen, haar slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.

Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van ’t woord. Lui, zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad, schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn beurs steeds[67]gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest: geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.

Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon met geld, en „student” kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk is te zijn. Frits „studeerde” zes jaar te Delft, in plaats van twee of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld „deftig”. Waartoe zou hij zoo vlug studeeren? ’t Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had, om ’t lang uit te houden! In die zes jaren had ’t neefje jaarlijks plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering voortleven aan den grootsten „zwabber”, die er bij menschenheugenis in studentenkringen verkeerd had.[68]Het spreekt vanzelf, dat hem dat niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten, om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een „bewijs van goed gedrag” aan de „heeren studenten”.

Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.

Aan trouwen had hij nog niet gedacht. ’t Vrije jonggezellenleven, zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In[69]Indië waren „Wijntje en Trijntje” zijn huisgoden gebleven. Toen hij na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste vaarwel te zeggen, om in ’t huwelijk zijn heil te zoeken.

Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben, die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien rang—assistent-resident—en zijn prachtige vooruitzichten in ’t ambtelijke zoowel als in ’t finantiëele, was hij overtuigd, dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van Merenstein, „aan den haak te slaan”. Bovendien was hij niet onknap, ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich bij dames aangenaam te maken.

Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook bijzonder[70]minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.

Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara’s vader doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.[71]

Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant alles in ’t werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te stellen van Clara’s gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo, hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.

Toen dan ookmoederen dochter op een avond thuiskwamen van een partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen, dadelijk het gesprek op de groote zaak.

Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar moeder haar tegenhield en zeide:

„Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken.”[72]

Clara keek verwonderd.

„Ja, een heel ernstige zaak is ’t,” vervolgde zij. „Ik wou je eens wat vragen: Hoe denk je over trouwen?”

Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.

„Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan.”

„Waarom niet? Zou je ’t zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk te doen?”

„Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie.”

„Met wie? Nu kind, dan zal ik je ’s wat zeggen. Heb je niet opgemerkt dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?”

„O jawel, Ma, maar wat zou dat?”

„Hoe vin’ je ’m?”

„Och, niet onaardig.”

„Als die nu ’s om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?”

„Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben …”

„Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor.”

„Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma.”

„Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?”[73]

„Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.… die Mijnheer van Breeveld kan mijn vader wel wezen.”

„Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.… Je zou dus niet willen?” Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.

„Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan.”

„Maar waarom dan toch niet!? En als nu ’s een ander om je kwam?”

„Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te trouwen en dan.…. als ik trouw, moet ’t met iemand zijn van wie ik houd.”

„Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je denkt zeker aan een ander?”

Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar keek voor zich.

„Zeg ’t maar ronduit, je houdt van Willem Victor?”

„Och, Ma, ik vind ’m een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik niet, heusch.”[74]

„Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.… Wil je je moeder zoo ’n groot verdriet doen?”

„Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik niet houd?”

„Je zegt, dat je ’m niet onaardig vindt? En dat zal nog wel meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel.”

„Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele leven ongelukkig.”

„Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben je dwaas? Als je van ’m houdt, is het heel aardig, maar als dat niet zoo is, wat zou ’t dan nog? Heb je dan niet je positie als assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat ’s allemaal dwaasheid, zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?”

„Niet?!” roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.

„Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet[75]zeggen. Maar wat de menschen liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar niet in ’t praktische leven, niet voor verstandige menschen.”

Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was, in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?

„Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten komen”, gaat de moeder voort. „Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld zeggen, dat je ’t met je zelve nog niet eens bent, als hij weer hier komt?”

„En hem dus hoop geven? O nee’, Ma, als ’t u belieft niet! Ik wil nog niet trouwen, zeg ik u nog eens.”

Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon vervolgt ze:

„Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag[76]het geluk niet gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?” Ze brengt haar zakdoek voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.

Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.

„Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?” Ze slaat een arm om haar moeder heen.

’t Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.

„Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij, zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je dat?… Ik weet ’t wel, ’t is alleen maar dat je aan dien vervelenden Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten … Och, je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk … Ga maar weg, laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat erbij … Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen.”[77]

Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit hartstochtelijk te snikken op haar stoel. ’t Komt bij ’t jonge meisje niet op, dat haar „verdriet” in haar gansche leven waarlijk niet groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de kamer en gaat naar bed.

Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.

Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend zegt:

„En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief vrouwtje voor u? ’t Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd zijn …”

„Volkomen waar, Mevrouw,” antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij hier een geschikte aanleiding vindt, om ’t onderwerp aan te roeren. „Om te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil.”[78]

„Nu, wat dan?” vraagt de gastvrouw onnoozel.

„Een goede vrouw.”

„Natuurlijk.… ha, ha,” lacht Mevrouw Van Merenstein. „Zou u die dan niet kunnen vinden?”

„O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?”

„U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u.”

„Och kom, Mevrouw.”

„U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw succes bij de jonge dame?”

„Juist, Mevrouw. Ik zal ’t maar zeggen.”

„En wie is de gelukkige?”

„Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn voorkeur.”

„U noemt geen naam.”

„Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?”

„Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan zeggen, of ’t u ernst is, als u aan ’t „flirten” is?”

„Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. ’t Is[79]mij hooge ernst.… Maar wat geeft ’t me? Ik vorder niets.”

„Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.… ’t Kind is nog erg jong en kent haar hart niet. U moet maar hopen.…”

„Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?” vraagt Van Breeveld dringend.

„Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles in orde.”

„En mag ik op uw steun rekenen?”

„Ik zal doen wat ik kan. ’t Kind zal wel anders worden. Ik heb haar niet over de zaak gesproken … wist niets bepaalds … en zal ’t nog niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel te helpen bereiken.”

Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.

„U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer[80]Van Breeveld”, roept Mevrouw Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.

„Zeer gaarne, Mevrouw.”


Back to IndexNext