VIII.

[Inhoud]VIII.’t Booze oog.Over het ruime plein—de „aloen-aloen”—ter hoofdplaats Poerwanegara schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar staat, en ’t anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat ze den indruk van gloeiende spijkers maken.’t Is feest in ’t sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver in den omtrek zijn met hunne dames op ’t feest genoodigd. De mare is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds, voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een „beeld van een vrouwtje” onlangs van verlof naar ’t moederland[139]teruggekeerd was. Men vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een vrij groot gezin, hadden geen geld en geenmooiejonge vrouw. Jaren achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was: hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig buiten contact met de Europeesche wereld. Desociëteit, niet lang geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara—het Europeesche element daarin althans—juichte, toen eindelijk kon verwacht worden, dat aan al die verveling een einde zou komen.Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op Java vrij talrijk. In de[140]buurt der hoofdplaats was een benteng met de noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren buiten den assistent-resident.Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. ’t Had hem eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen, om ’t anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven[141]hebben, en er zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen; maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou ’t hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had, de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten te schenken.Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor ’t gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen wist te houden, om er ook maar een oogenblik[142]aan te denken, dat het wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden, gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen van spijt of droefenis bij de gedachte „hoe ’thad kunnenwezen,” onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en niet andersmoestwezen: ’t was haar lot, en zij zou ’t dapper dragen.Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden, en die „wereld” was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden[143]bleven zich eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem—de „in ’t slijk geborene”—zooals de Indiërs haar noemen—onbesmet blijft van ’t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar ’t hemellicht, als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan anders, zoo was Clara’s ziel in ’t bewustzijn harer meerderheid. Het groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken haar noodlottig te wezen.Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover „de wereld” te mogen aanvaarden.De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd[144]onophoudelijk, totdat in de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij haast geen stoel of „bank” onbezet bleef. Een zee van licht stroomde van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen, muren en pilaren.Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva’s volgde de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren ging. „Een kapitale vrouw,” zei een jeugdig planter met overtuiging, waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken, dat „die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo’n vrouw in de wacht te sleepen.” Een ander officier, groot en forsch gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars en Apollo vereenigd,[145]van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds bij de begroeting—hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd en had geen dames meegebracht—zijn blik bijna niet van de jonge gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm vereerder van ’t vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan ’t huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk wezen gezet had: nu eens was ’t een jong meisje, dat in zijn netten gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er tegen „den schijn” gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: „sauvez les apparences”, en die in toepassing te brengen, ging hem wonderwel af. In de reeks[146]van jaren, dat Lindhorst zijn rol van „don Juan” speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen ontstaan. Alles was behoorlijk „getoetoept”—in de doofpot gedaan—en wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een „publiek geheim”, een echt Indisch verschijnsel.Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij ’t onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in een roes—niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid eischte, en haar hand langer in de zijne[147]te houden dan voor een eerste ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. „Ge zult naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij,” beval zijn blik reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.Zou ook op de jonge gastvrouw dat „booze oog” zijn uitwerking niet gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is ’t, dat Clara zich zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje meer, dat voor ’t eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich verlegen en[148]onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar, die meende reeds zooveelgeleefdte hebben. En nu had ze nauwelijks uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? ’t Was ellendig, akelig. Dat alles hield Clara’s gedachten bezig, toen zij lachend en pratend zich met haar andere gasten bezig hield. ’t Gaf haar eenige voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. ’t Duurde geen half uur, of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging te geven.[149]’t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na wat praten onder een kop thee werden de oudere, „ernstigere” gasten aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. ’t Lot wilde, dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn, ’t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. „’t Is van avond mijn speelavond niet,” zeide ze eindelijk lachend, „ik maak fout op fout.” En ’t werd er niet beter op, integendeel;[150]want, nu ze de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze ’t niet meer uit.„Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te spelen,” zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner en de beide andere medespelers—een controleur met zijn vrouw—waren geen van drieën groote liefhebbers van ’t kaartspel. Toen dus Clara voorstelde, eens een kijkje naar de dansende „jeugd” te gaan nemen, vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar de zwevende paren, die[151]langs haar heen gleden, en haar oude danslust herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan, toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar plagen, toen zij Lindhorst’s arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met innig welgevallen op haar neerziende—hij was nog een hoofd grooter dan Clara—en haar als[152]overstelpende met den vloed van hartstocht, die uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend, door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen elkaar aan. ’t Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als ’t besef eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart, die dreigde haar te overweldigen.„Naar mijn plaats.… als ’t u belief.… Mijnheer Lindhorst,” stamelde zij.Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara’s aandoening was niet aan zijn aandacht[153]ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.„Voelt u zich niet wel, Mevrouw?” vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.„O, ’t is niets,” Clara trachtte te glimlachen. „Ik ben wat moê en duizelig … wil u mij een glas ijswater brengen?” En toen Lindhorst een oogenblik later daarmee terugkwam:„Dank u.… Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik moet wat op mijn verhaal komen.… U neemt me niet kwalijk?…”Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas[154]zoo kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, zooals zij die nog nooit in ’t bijzijn van een man gevoeld had. Zou hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. ’t Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat naar ’t speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op, als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:„Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu ’s naar de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets tegen?” voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en twee heeren wendende.Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus zeer welkom.Lindhorst, die gevlast had op een tweeden[155]wals met de gastvrouw, ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.Clara snakt naar ’t einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk rustig voelt, nu ze buiten ’t onmiddellijk contact van Lindhorst is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen, zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is ’t, of plotseling haar zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, het gelaat in haar kussens gedrukt, om ’t geluid van haar snikken te smoren. Van Breeveld,[156]die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar voor geen geld ter wereld hooren.… Nog nooit heeft Clara zooveel behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is, dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent, iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van deneersten mandie reinheid verstoord![157]

[Inhoud]VIII.’t Booze oog.Over het ruime plein—de „aloen-aloen”—ter hoofdplaats Poerwanegara schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar staat, en ’t anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat ze den indruk van gloeiende spijkers maken.’t Is feest in ’t sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver in den omtrek zijn met hunne dames op ’t feest genoodigd. De mare is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds, voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een „beeld van een vrouwtje” onlangs van verlof naar ’t moederland[139]teruggekeerd was. Men vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een vrij groot gezin, hadden geen geld en geenmooiejonge vrouw. Jaren achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was: hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig buiten contact met de Europeesche wereld. Desociëteit, niet lang geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara—het Europeesche element daarin althans—juichte, toen eindelijk kon verwacht worden, dat aan al die verveling een einde zou komen.Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op Java vrij talrijk. In de[140]buurt der hoofdplaats was een benteng met de noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren buiten den assistent-resident.Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. ’t Had hem eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen, om ’t anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven[141]hebben, en er zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen; maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou ’t hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had, de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten te schenken.Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor ’t gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen wist te houden, om er ook maar een oogenblik[142]aan te denken, dat het wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden, gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen van spijt of droefenis bij de gedachte „hoe ’thad kunnenwezen,” onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en niet andersmoestwezen: ’t was haar lot, en zij zou ’t dapper dragen.Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden, en die „wereld” was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden[143]bleven zich eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem—de „in ’t slijk geborene”—zooals de Indiërs haar noemen—onbesmet blijft van ’t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar ’t hemellicht, als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan anders, zoo was Clara’s ziel in ’t bewustzijn harer meerderheid. Het groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken haar noodlottig te wezen.Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover „de wereld” te mogen aanvaarden.De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd[144]onophoudelijk, totdat in de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij haast geen stoel of „bank” onbezet bleef. Een zee van licht stroomde van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen, muren en pilaren.Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva’s volgde de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren ging. „Een kapitale vrouw,” zei een jeugdig planter met overtuiging, waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken, dat „die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo’n vrouw in de wacht te sleepen.” Een ander officier, groot en forsch gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars en Apollo vereenigd,[145]van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds bij de begroeting—hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd en had geen dames meegebracht—zijn blik bijna niet van de jonge gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm vereerder van ’t vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan ’t huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk wezen gezet had: nu eens was ’t een jong meisje, dat in zijn netten gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er tegen „den schijn” gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: „sauvez les apparences”, en die in toepassing te brengen, ging hem wonderwel af. In de reeks[146]van jaren, dat Lindhorst zijn rol van „don Juan” speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen ontstaan. Alles was behoorlijk „getoetoept”—in de doofpot gedaan—en wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een „publiek geheim”, een echt Indisch verschijnsel.Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij ’t onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in een roes—niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid eischte, en haar hand langer in de zijne[147]te houden dan voor een eerste ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. „Ge zult naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij,” beval zijn blik reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.Zou ook op de jonge gastvrouw dat „booze oog” zijn uitwerking niet gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is ’t, dat Clara zich zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje meer, dat voor ’t eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich verlegen en[148]onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar, die meende reeds zooveelgeleefdte hebben. En nu had ze nauwelijks uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? ’t Was ellendig, akelig. Dat alles hield Clara’s gedachten bezig, toen zij lachend en pratend zich met haar andere gasten bezig hield. ’t Gaf haar eenige voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. ’t Duurde geen half uur, of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging te geven.[149]’t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na wat praten onder een kop thee werden de oudere, „ernstigere” gasten aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. ’t Lot wilde, dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn, ’t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. „’t Is van avond mijn speelavond niet,” zeide ze eindelijk lachend, „ik maak fout op fout.” En ’t werd er niet beter op, integendeel;[150]want, nu ze de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze ’t niet meer uit.„Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te spelen,” zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner en de beide andere medespelers—een controleur met zijn vrouw—waren geen van drieën groote liefhebbers van ’t kaartspel. Toen dus Clara voorstelde, eens een kijkje naar de dansende „jeugd” te gaan nemen, vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar de zwevende paren, die[151]langs haar heen gleden, en haar oude danslust herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan, toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar plagen, toen zij Lindhorst’s arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met innig welgevallen op haar neerziende—hij was nog een hoofd grooter dan Clara—en haar als[152]overstelpende met den vloed van hartstocht, die uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend, door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen elkaar aan. ’t Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als ’t besef eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart, die dreigde haar te overweldigen.„Naar mijn plaats.… als ’t u belief.… Mijnheer Lindhorst,” stamelde zij.Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara’s aandoening was niet aan zijn aandacht[153]ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.„Voelt u zich niet wel, Mevrouw?” vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.„O, ’t is niets,” Clara trachtte te glimlachen. „Ik ben wat moê en duizelig … wil u mij een glas ijswater brengen?” En toen Lindhorst een oogenblik later daarmee terugkwam:„Dank u.… Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik moet wat op mijn verhaal komen.… U neemt me niet kwalijk?…”Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas[154]zoo kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, zooals zij die nog nooit in ’t bijzijn van een man gevoeld had. Zou hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. ’t Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat naar ’t speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op, als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:„Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu ’s naar de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets tegen?” voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en twee heeren wendende.Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus zeer welkom.Lindhorst, die gevlast had op een tweeden[155]wals met de gastvrouw, ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.Clara snakt naar ’t einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk rustig voelt, nu ze buiten ’t onmiddellijk contact van Lindhorst is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen, zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is ’t, of plotseling haar zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, het gelaat in haar kussens gedrukt, om ’t geluid van haar snikken te smoren. Van Breeveld,[156]die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar voor geen geld ter wereld hooren.… Nog nooit heeft Clara zooveel behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is, dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent, iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van deneersten mandie reinheid verstoord![157]

VIII.’t Booze oog.

Over het ruime plein—de „aloen-aloen”—ter hoofdplaats Poerwanegara schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar staat, en ’t anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat ze den indruk van gloeiende spijkers maken.’t Is feest in ’t sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver in den omtrek zijn met hunne dames op ’t feest genoodigd. De mare is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds, voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een „beeld van een vrouwtje” onlangs van verlof naar ’t moederland[139]teruggekeerd was. Men vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een vrij groot gezin, hadden geen geld en geenmooiejonge vrouw. Jaren achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was: hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig buiten contact met de Europeesche wereld. Desociëteit, niet lang geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara—het Europeesche element daarin althans—juichte, toen eindelijk kon verwacht worden, dat aan al die verveling een einde zou komen.Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op Java vrij talrijk. In de[140]buurt der hoofdplaats was een benteng met de noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren buiten den assistent-resident.Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. ’t Had hem eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen, om ’t anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven[141]hebben, en er zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen; maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou ’t hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had, de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten te schenken.Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor ’t gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen wist te houden, om er ook maar een oogenblik[142]aan te denken, dat het wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden, gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen van spijt of droefenis bij de gedachte „hoe ’thad kunnenwezen,” onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en niet andersmoestwezen: ’t was haar lot, en zij zou ’t dapper dragen.Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden, en die „wereld” was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden[143]bleven zich eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem—de „in ’t slijk geborene”—zooals de Indiërs haar noemen—onbesmet blijft van ’t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar ’t hemellicht, als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan anders, zoo was Clara’s ziel in ’t bewustzijn harer meerderheid. Het groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken haar noodlottig te wezen.Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover „de wereld” te mogen aanvaarden.De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd[144]onophoudelijk, totdat in de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij haast geen stoel of „bank” onbezet bleef. Een zee van licht stroomde van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen, muren en pilaren.Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva’s volgde de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren ging. „Een kapitale vrouw,” zei een jeugdig planter met overtuiging, waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken, dat „die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo’n vrouw in de wacht te sleepen.” Een ander officier, groot en forsch gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars en Apollo vereenigd,[145]van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds bij de begroeting—hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd en had geen dames meegebracht—zijn blik bijna niet van de jonge gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm vereerder van ’t vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan ’t huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk wezen gezet had: nu eens was ’t een jong meisje, dat in zijn netten gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er tegen „den schijn” gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: „sauvez les apparences”, en die in toepassing te brengen, ging hem wonderwel af. In de reeks[146]van jaren, dat Lindhorst zijn rol van „don Juan” speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen ontstaan. Alles was behoorlijk „getoetoept”—in de doofpot gedaan—en wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een „publiek geheim”, een echt Indisch verschijnsel.Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij ’t onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in een roes—niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid eischte, en haar hand langer in de zijne[147]te houden dan voor een eerste ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. „Ge zult naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij,” beval zijn blik reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.Zou ook op de jonge gastvrouw dat „booze oog” zijn uitwerking niet gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is ’t, dat Clara zich zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje meer, dat voor ’t eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich verlegen en[148]onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar, die meende reeds zooveelgeleefdte hebben. En nu had ze nauwelijks uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? ’t Was ellendig, akelig. Dat alles hield Clara’s gedachten bezig, toen zij lachend en pratend zich met haar andere gasten bezig hield. ’t Gaf haar eenige voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. ’t Duurde geen half uur, of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging te geven.[149]’t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na wat praten onder een kop thee werden de oudere, „ernstigere” gasten aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. ’t Lot wilde, dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn, ’t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. „’t Is van avond mijn speelavond niet,” zeide ze eindelijk lachend, „ik maak fout op fout.” En ’t werd er niet beter op, integendeel;[150]want, nu ze de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze ’t niet meer uit.„Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te spelen,” zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner en de beide andere medespelers—een controleur met zijn vrouw—waren geen van drieën groote liefhebbers van ’t kaartspel. Toen dus Clara voorstelde, eens een kijkje naar de dansende „jeugd” te gaan nemen, vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar de zwevende paren, die[151]langs haar heen gleden, en haar oude danslust herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan, toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar plagen, toen zij Lindhorst’s arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met innig welgevallen op haar neerziende—hij was nog een hoofd grooter dan Clara—en haar als[152]overstelpende met den vloed van hartstocht, die uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend, door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen elkaar aan. ’t Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als ’t besef eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart, die dreigde haar te overweldigen.„Naar mijn plaats.… als ’t u belief.… Mijnheer Lindhorst,” stamelde zij.Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara’s aandoening was niet aan zijn aandacht[153]ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.„Voelt u zich niet wel, Mevrouw?” vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.„O, ’t is niets,” Clara trachtte te glimlachen. „Ik ben wat moê en duizelig … wil u mij een glas ijswater brengen?” En toen Lindhorst een oogenblik later daarmee terugkwam:„Dank u.… Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik moet wat op mijn verhaal komen.… U neemt me niet kwalijk?…”Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas[154]zoo kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, zooals zij die nog nooit in ’t bijzijn van een man gevoeld had. Zou hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. ’t Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat naar ’t speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op, als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:„Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu ’s naar de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets tegen?” voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en twee heeren wendende.Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus zeer welkom.Lindhorst, die gevlast had op een tweeden[155]wals met de gastvrouw, ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.Clara snakt naar ’t einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk rustig voelt, nu ze buiten ’t onmiddellijk contact van Lindhorst is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen, zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is ’t, of plotseling haar zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, het gelaat in haar kussens gedrukt, om ’t geluid van haar snikken te smoren. Van Breeveld,[156]die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar voor geen geld ter wereld hooren.… Nog nooit heeft Clara zooveel behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is, dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent, iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van deneersten mandie reinheid verstoord![157]

Over het ruime plein—de „aloen-aloen”—ter hoofdplaats Poerwanegara schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar staat, en ’t anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat ze den indruk van gloeiende spijkers maken.

’t Is feest in ’t sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver in den omtrek zijn met hunne dames op ’t feest genoodigd. De mare is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds, voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een „beeld van een vrouwtje” onlangs van verlof naar ’t moederland[139]teruggekeerd was. Men vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een vrij groot gezin, hadden geen geld en geenmooiejonge vrouw. Jaren achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was: hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig buiten contact met de Europeesche wereld. Desociëteit, niet lang geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara—het Europeesche element daarin althans—juichte, toen eindelijk kon verwacht worden, dat aan al die verveling een einde zou komen.

Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op Java vrij talrijk. In de[140]buurt der hoofdplaats was een benteng met de noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren buiten den assistent-resident.

Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. ’t Had hem eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen, om ’t anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven[141]hebben, en er zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen; maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou ’t hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had, de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten te schenken.

Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor ’t gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen wist te houden, om er ook maar een oogenblik[142]aan te denken, dat het wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden, gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen van spijt of droefenis bij de gedachte „hoe ’thad kunnenwezen,” onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en niet andersmoestwezen: ’t was haar lot, en zij zou ’t dapper dragen.

Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden, en die „wereld” was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden[143]bleven zich eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem—de „in ’t slijk geborene”—zooals de Indiërs haar noemen—onbesmet blijft van ’t haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar ’t hemellicht, als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan anders, zoo was Clara’s ziel in ’t bewustzijn harer meerderheid. Het groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken haar noodlottig te wezen.

Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade, die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover „de wereld” te mogen aanvaarden.

De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd[144]onophoudelijk, totdat in de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij haast geen stoel of „bank” onbezet bleef. Een zee van licht stroomde van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen, muren en pilaren.

Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten, hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva’s volgde de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren ging. „Een kapitale vrouw,” zei een jeugdig planter met overtuiging, waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken, dat „die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo’n vrouw in de wacht te sleepen.” Een ander officier, groot en forsch gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars en Apollo vereenigd,[145]van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds bij de begroeting—hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd en had geen dames meegebracht—zijn blik bijna niet van de jonge gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen, dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm vereerder van ’t vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan ’t huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk wezen gezet had: nu eens was ’t een jong meisje, dat in zijn netten gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er tegen „den schijn” gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen: „sauvez les apparences”, en die in toepassing te brengen, ging hem wonderwel af. In de reeks[146]van jaren, dat Lindhorst zijn rol van „don Juan” speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen ontstaan. Alles was behoorlijk „getoetoept”—in de doofpot gedaan—en wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven, of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een „publiek geheim”, een echt Indisch verschijnsel.

Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij ’t onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in een roes—niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid eischte, en haar hand langer in de zijne[147]te houden dan voor een eerste ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht, die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde, iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. „Ge zult naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij,” beval zijn blik reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.

Zou ook op de jonge gastvrouw dat „booze oog” zijn uitwerking niet gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is ’t, dat Clara zich zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje meer, dat voor ’t eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich verlegen en[148]onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar, die meende reeds zooveelgeleefdte hebben. En nu had ze nauwelijks uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? ’t Was ellendig, akelig. Dat alles hield Clara’s gedachten bezig, toen zij lachend en pratend zich met haar andere gasten bezig hield. ’t Gaf haar eenige voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. ’t Duurde geen half uur, of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging te geven.[149]

’t Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na wat praten onder een kop thee werden de oudere, „ernstigere” gasten aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. ’t Lot wilde, dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd; zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn, ’t was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. „’t Is van avond mijn speelavond niet,” zeide ze eindelijk lachend, „ik maak fout op fout.” En ’t werd er niet beter op, integendeel;[150]want, nu ze de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen, haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze ’t niet meer uit.

„Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te spelen,” zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner en de beide andere medespelers—een controleur met zijn vrouw—waren geen van drieën groote liefhebbers van ’t kaartspel. Toen dus Clara voorstelde, eens een kijkje naar de dansende „jeugd” te gaan nemen, vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm, en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.

Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar de zwevende paren, die[151]langs haar heen gleden, en haar oude danslust herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan, toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar plagen, toen zij Lindhorst’s arm aannam, en weer dat vreemde gevoel, waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met innig welgevallen op haar neerziende—hij was nog een hoofd grooter dan Clara—en haar als[152]overstelpende met den vloed van hartstocht, die uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend, door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen elkaar aan. ’t Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel, een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als ’t besef eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart, die dreigde haar te overweldigen.

„Naar mijn plaats.… als ’t u belief.… Mijnheer Lindhorst,” stamelde zij.

Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara’s aandoening was niet aan zijn aandacht[153]ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.

„Voelt u zich niet wel, Mevrouw?” vroeg hij vriendelijk, toen hij zag, hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.

„O, ’t is niets,” Clara trachtte te glimlachen. „Ik ben wat moê en duizelig … wil u mij een glas ijswater brengen?” En toen Lindhorst een oogenblik later daarmee terugkwam:

„Dank u.… Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik moet wat op mijn verhaal komen.… U neemt me niet kwalijk?…”

Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte, schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas[154]zoo kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had, zooals zij die nog nooit in ’t bijzijn van een man gevoeld had. Zou hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.

Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. ’t Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat naar ’t speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op, als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:

„Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu ’s naar de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets tegen?” voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en twee heeren wendende.

Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus zeer welkom.

Lindhorst, die gevlast had op een tweeden[155]wals met de gastvrouw, ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen, ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.

Clara snakt naar ’t einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk rustig voelt, nu ze buiten ’t onmiddellijk contact van Lindhorst is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen, zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is ’t, of plotseling haar zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit, het gelaat in haar kussens gedrukt, om ’t geluid van haar snikken te smoren. Van Breeveld,[156]die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar voor geen geld ter wereld hooren.… Nog nooit heeft Clara zooveel behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is; ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is, dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent, iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van deneersten mandie reinheid verstoord![157]


Back to IndexNext