XIII.

[Inhoud]XIII.Liefde of Kunstroeping.Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan ’t ontbijt iets, dat hem voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid en brutaliteit op ’t jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het gesprek op de zangeres.„O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, appétissante vrouw,énivrante, ma foi!”Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.„Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te zetten?” vraagt hij quasi-onverschillig.„Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie[241]avonden zingen. Kleine oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, ’t zijn luchtige, lichte vogeltjes, die diva’s, wat zegt u?”„Maar,” vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, „waar zou ze van hier heen gegaan zijn?”„Laat me ’s zien,” zegt ’t ventje: „Ik.… och, neem u even de courant.Garçon!Le Secolo!” Het Italiaansch blad wordt aangereikt, en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.„’t Staat daar in, meen ik,” legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het blad, en zegt dan:„Naar Rome, juist, ’t is waar ook. Misschien is ze nu wel direct daarheen gegaan. Best mogelijk.”Victor luistert met zooveelnaïeveaandacht, dat het spotzieke ventje hem lachend aanziet.„Ook al onder de betoovering?” vraagt hij. „Nareizen? Gevaarlijk spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen.” ’t Kleine gezichtje kijkt bijzonder wijs.„Dank u,” bromt Victor, en de toornige[242]blik, dien hij zijn nietig buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot ’t doode punt.Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf van dien kant. Maar dat is niet ’t ergste. Met genoegen offert hij ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, haar te zullen vinden. In Godsnaam, ’t moet dan maar. Spreken zàl hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een poos later de vestibule doorgaat, om zich naar ’t station te begeven, spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.„Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar hangen ze, Mijnheer.”Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. ’t Is hem een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te kunnen beschouwen, zooveel hem lust.[243]Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag, blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in ’t lieve Holland, kalme, berustende tevredenheid voor ’t tegenwoordige en in ’t vooruitzicht, thans slechts éen verlangen—Clara—en zijn gansche ziel in onrust en beroering.’t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij vatbaarheid daarvoor gehad. ’t Was een lange, vervelende rit.Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan ’t station af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij naar een hotel, en informeerde daar naar ’t groote theater. Nog in den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig[244]vernam hij, dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.„Waar kwam dat telegram vandaan?” vroeg Victor teleurgesteld.„Van Venetië, ’t is juist ontvangen.”„Dank u.”Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die ellendige reis voor niets gedaan! ’t Telegram was uit Venetië.… Zou ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede God, wat een dolmakende onzekerheid!Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. ’t Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou ’t zich moeten laten voorvertalen.De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger.[245]Hij zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al ’t schoons—hij had er smaak genoeg voor—maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat hij een sterk rooker was. ’t Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats van oponthoud voor Clara. In ’t hotel gunde hij zich nauwelijks den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater, en snelde daarheen. ’t Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het bureel[246]terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat nu? Terug naar ’t hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: ’t Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde—en dat moest wel—niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel[247]blijken. Met een zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden ochtend vernam hij aan ’t ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in Lissabon of Stockholm te vinden!Weer snorde de trein met hem voort, uit de[248]lage delta-landen van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan uur. Buda-Pesth. ’t Was avond, de voorstelling in den schouwburg—als die gegeven werd—zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar een hotel, en was dadelijk op weg naar ’t theater. Daar waren de aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder haar! Doch op ’t zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor naar ’t station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is te laat, den volgenden ochtend is er weer een.De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich geen tijd, om naar een hotel te[249]gaan. Onmiddellijk richt hij zich naar ’t Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen—Goddank, men speelt dien avond, en Tizia zingt—dan zal hij zijnspionagevan Milaan herhalen, en in ’t zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaaktonverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera, die men geeft,—hij heeft niet eens een tekstboekje—is oorzaak, dat hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij ’t einde van ’t stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan.[250]Had hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! „Onvergeeflijke zorgeloosheid!” denkt hij. ’t Is te laat, om nog den schouwburg in te gaan, ’t personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een kwartier buiten staan wachten. ’t Is dicht bij middernacht. Wat zal hij beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, dat is wel ’t rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote hotels, er zijn er zoo enkele in ’t groote Weenen!De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander rijtuig zoeken.Voort gaat ’t weer door de stille straten. ’t Wordt twee uur, drie uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij ’t op. Aan ’t hoeveelste hotel hij ’t laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij duizelt ervan.[251]Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij vrienden; want ’t is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan ’t postkantoor, of anders aan ’t theater zelf, zal men hem morgen wel kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte doodmoê aan de deur van ’t laatste der langsgereden hotels afzetten.Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op ’t pad. Eerst naar ’t groote postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan ’t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men ’t weten. Weer dus een rit door de stad. Aan ’t derde kantoor verneemt hij, dat de diva al haar brieven daar „poste-restante” laat aanhouden, en ze laat afhalen. Haar adres kent men er niet. „Ze moet daar een bedoeling mee[252]hebben!” denkt Victor, „ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden zal.” Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. ’t Eenige, dat hij nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar wie zal hem inlichten!’t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in een café. ’t Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak vóor aan ’t raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn tijd trachten te dooden tot het diner.Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht[253]trekt. De dame, die er in zit, is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. ’t Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het sierlijke coupétje na. ’t Is het Prado opgegaan, een breeden langen weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou ’t spoedig uit ’t oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil bij een elegante, kleine villa.„Nu kan ’t nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch onwaarschijnlijk,” bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem niet thuis geven misschien.… Het beste is, dat hij een briefje zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo gedaan. In een café vraagt hij om ’t noodige schrijfgereedschap, en eenige minuten later is een bediende met zijn[254]briefje naar de villa met last, om op antwoord te wachten. ’t Luidt aldus:Waarde Clara!Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb ’t niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, nu van middag nog, als ’t mogelijk is. Ge verliest er immers niets bij. Geloof mij, ’t is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht zou ’t u berouwen, verdriet[255]te hebben gedaan aan iemand, die zich zoo gaarne noemtUw VriendWillem Victor.Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig scheurt hij ’t open. ’t Waren slechts een paar woorden:Waarde Heer Victor!Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou ’t mij spijten, iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u nog dezen namiddag.Clara Van Merenstein.Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken![256]In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een jonge vrouw in een album te bladeren. ’t Is Clara. Bleek, maar zich beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt.„Clara!” roept Victor met hevige ontroering.De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd:„Mijnheer Victor.”Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat oogenblik.… Hartstochtelijk zegt hij:„Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet ’t, er is laster geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God, Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets, niets te verwijten.…”[257]„Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor,” valt de jonge vrouw in. „Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.… Ik neem ’t gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u.”„O, van harte gaarne.” De tranen dringen hem naar de oogen.„’t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde.…” gaat Clara voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht te onderdrukken. Dan, als met geweld: „Ik wilde breken met ’t verleden.… ’t Heeft mij.… niets dan verdriet gegeven.… Ik ben een nieuw leven begonnen.”’t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden,[258]van ’t oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te ontvangen. Maar ’t verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe deze haar niet eerde, zooalszijnechtgenoote behoort geëerd te worden.O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen van smart. ’t Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij ’t levenslange verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde.[259]Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien.„Ik weet alles,” zegt hij zacht, „alles, Clara. Ik weet, dat je diep ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld.…”„O, verontschuldig me niet,” valt Clara hartstochtelijk in. „Ik doe ’t mezelf niet.… Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet.”„Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster gehoor gegeven, Clara, en blijf ’t doen!” roept de jonge man uit. „Dat noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet geweest. Je waart ’t slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven, Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet.”„Toch ben ik ’t geweest.… Tevreden met mijn nieuw leven. En ik zal dat weer wezen.… Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen opgewekt.… maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen zijn.…” Dikke tranen rollen over haar wangen.„Voorbijgaand? ’t Mag niet voorbijgaand zijn,[260]zeg ik je,” roept Victor vurig. „Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet ’t, je houdt nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd.…”Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting.„O, Willem, spreek zoo niet!” en ze barst in snikken uit. „’t Kan niet, ’t kan niet.” Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen.„Maar waarom dan toch niet?!” roept de jonge man uit. „Geef toch die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst alleen. Inbeelding, en niets anders! ’t Huwelijk is de roeping van iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig maken, die haar liefheeft.”[261]„Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!” valt Clara in. Dan, met neergeslagen blik, weifelend: „Men zou me niet waard vinden.… je vrouw te worden.”„Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder, met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! ’t Zal mij een eer zijn mijn leven aan je te wijden.”Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen.„Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen.”Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af,[262]en den jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm:„Droomen, Willem. Ik weet, dat je ’t goed meent, maar dat is alles onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al deed je ’t ook,” haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de rede wil vallen, „ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je achting op prijs, zeker, maarjouwachting kan mij de achting van de wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In ’t huwelijk is voor mij geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook nooit vergeten.”’t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden.„Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig maken, met moedwil? O, je kunt ’t niet meenen.” De vastberaden[263]uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos.„Zeg, dat je ’t niet meent, Clara! Ik kan ’t niet gelooven.”„Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal ’t strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat ’t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een eind maken. ’t Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden.”„Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander je nog van inzicht.…”„Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden, voor goed.”„Goed, ik zal gaan,” mompelt de jonge ingenieur in doffe mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van hoop in zijn donkere oogen: „Toch geloof ik, dat je eenmaal nog van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen, al moest ik er tien jaar op wachten.”Clara schudt weemoedig ’t hoofd.„Mijn besluit is geen gril van ’t oogenblik,[264]Willem,” zegt ze zacht en meewarig. „Ik heb lang nagedacht. ’t Huwelijk is voor mij niet weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart.…”„Goed, goed,” valt Victor in. „Zoo denk je nu. Als je weerzin begint te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief aan mij, en alles is in orde.”„Waartoe zoo’n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?”„Laat dat daar. Beloof ’t me toch. Doe ’t om me éen gunst te bewijzen.”„Maar ik màg je geen hoop geven.…”Hij ziet ’t nuttelooze van verder aandringen in.„Nu, in Godsnaam. Dan doeikje deze belofte, Clara: ik zal wachten, geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me ’t leven laat, en uitzien naar ’t woord, dat me gelukkig zal maken. En ’t zàl komen, Clara.”„’t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,” antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend.[265]Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend: „’t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop zal me kracht geven.… God zegen je.”Nog eens drukken ze elkaar de hand.Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund, staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is ’t kil en eenzaam als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen werkelijkheid, ’t is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde kranke. Victor’s woorden weerklinken nog in haar geest:„En ’t zàl komen, Clara.…”En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit.

[Inhoud]XIII.Liefde of Kunstroeping.Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan ’t ontbijt iets, dat hem voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid en brutaliteit op ’t jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het gesprek op de zangeres.„O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, appétissante vrouw,énivrante, ma foi!”Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.„Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te zetten?” vraagt hij quasi-onverschillig.„Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie[241]avonden zingen. Kleine oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, ’t zijn luchtige, lichte vogeltjes, die diva’s, wat zegt u?”„Maar,” vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, „waar zou ze van hier heen gegaan zijn?”„Laat me ’s zien,” zegt ’t ventje: „Ik.… och, neem u even de courant.Garçon!Le Secolo!” Het Italiaansch blad wordt aangereikt, en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.„’t Staat daar in, meen ik,” legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het blad, en zegt dan:„Naar Rome, juist, ’t is waar ook. Misschien is ze nu wel direct daarheen gegaan. Best mogelijk.”Victor luistert met zooveelnaïeveaandacht, dat het spotzieke ventje hem lachend aanziet.„Ook al onder de betoovering?” vraagt hij. „Nareizen? Gevaarlijk spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen.” ’t Kleine gezichtje kijkt bijzonder wijs.„Dank u,” bromt Victor, en de toornige[242]blik, dien hij zijn nietig buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot ’t doode punt.Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf van dien kant. Maar dat is niet ’t ergste. Met genoegen offert hij ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, haar te zullen vinden. In Godsnaam, ’t moet dan maar. Spreken zàl hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een poos later de vestibule doorgaat, om zich naar ’t station te begeven, spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.„Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar hangen ze, Mijnheer.”Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. ’t Is hem een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te kunnen beschouwen, zooveel hem lust.[243]Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag, blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in ’t lieve Holland, kalme, berustende tevredenheid voor ’t tegenwoordige en in ’t vooruitzicht, thans slechts éen verlangen—Clara—en zijn gansche ziel in onrust en beroering.’t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij vatbaarheid daarvoor gehad. ’t Was een lange, vervelende rit.Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan ’t station af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij naar een hotel, en informeerde daar naar ’t groote theater. Nog in den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig[244]vernam hij, dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.„Waar kwam dat telegram vandaan?” vroeg Victor teleurgesteld.„Van Venetië, ’t is juist ontvangen.”„Dank u.”Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die ellendige reis voor niets gedaan! ’t Telegram was uit Venetië.… Zou ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede God, wat een dolmakende onzekerheid!Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. ’t Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou ’t zich moeten laten voorvertalen.De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger.[245]Hij zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al ’t schoons—hij had er smaak genoeg voor—maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat hij een sterk rooker was. ’t Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats van oponthoud voor Clara. In ’t hotel gunde hij zich nauwelijks den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater, en snelde daarheen. ’t Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het bureel[246]terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat nu? Terug naar ’t hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: ’t Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde—en dat moest wel—niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel[247]blijken. Met een zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden ochtend vernam hij aan ’t ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in Lissabon of Stockholm te vinden!Weer snorde de trein met hem voort, uit de[248]lage delta-landen van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan uur. Buda-Pesth. ’t Was avond, de voorstelling in den schouwburg—als die gegeven werd—zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar een hotel, en was dadelijk op weg naar ’t theater. Daar waren de aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder haar! Doch op ’t zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor naar ’t station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is te laat, den volgenden ochtend is er weer een.De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich geen tijd, om naar een hotel te[249]gaan. Onmiddellijk richt hij zich naar ’t Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen—Goddank, men speelt dien avond, en Tizia zingt—dan zal hij zijnspionagevan Milaan herhalen, en in ’t zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaaktonverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera, die men geeft,—hij heeft niet eens een tekstboekje—is oorzaak, dat hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij ’t einde van ’t stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan.[250]Had hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! „Onvergeeflijke zorgeloosheid!” denkt hij. ’t Is te laat, om nog den schouwburg in te gaan, ’t personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een kwartier buiten staan wachten. ’t Is dicht bij middernacht. Wat zal hij beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, dat is wel ’t rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote hotels, er zijn er zoo enkele in ’t groote Weenen!De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander rijtuig zoeken.Voort gaat ’t weer door de stille straten. ’t Wordt twee uur, drie uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij ’t op. Aan ’t hoeveelste hotel hij ’t laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij duizelt ervan.[251]Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij vrienden; want ’t is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan ’t postkantoor, of anders aan ’t theater zelf, zal men hem morgen wel kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte doodmoê aan de deur van ’t laatste der langsgereden hotels afzetten.Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op ’t pad. Eerst naar ’t groote postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan ’t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men ’t weten. Weer dus een rit door de stad. Aan ’t derde kantoor verneemt hij, dat de diva al haar brieven daar „poste-restante” laat aanhouden, en ze laat afhalen. Haar adres kent men er niet. „Ze moet daar een bedoeling mee[252]hebben!” denkt Victor, „ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden zal.” Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. ’t Eenige, dat hij nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar wie zal hem inlichten!’t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in een café. ’t Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak vóor aan ’t raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn tijd trachten te dooden tot het diner.Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht[253]trekt. De dame, die er in zit, is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. ’t Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het sierlijke coupétje na. ’t Is het Prado opgegaan, een breeden langen weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou ’t spoedig uit ’t oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil bij een elegante, kleine villa.„Nu kan ’t nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch onwaarschijnlijk,” bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem niet thuis geven misschien.… Het beste is, dat hij een briefje zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo gedaan. In een café vraagt hij om ’t noodige schrijfgereedschap, en eenige minuten later is een bediende met zijn[254]briefje naar de villa met last, om op antwoord te wachten. ’t Luidt aldus:Waarde Clara!Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb ’t niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, nu van middag nog, als ’t mogelijk is. Ge verliest er immers niets bij. Geloof mij, ’t is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht zou ’t u berouwen, verdriet[255]te hebben gedaan aan iemand, die zich zoo gaarne noemtUw VriendWillem Victor.Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig scheurt hij ’t open. ’t Waren slechts een paar woorden:Waarde Heer Victor!Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou ’t mij spijten, iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u nog dezen namiddag.Clara Van Merenstein.Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken![256]In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een jonge vrouw in een album te bladeren. ’t Is Clara. Bleek, maar zich beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt.„Clara!” roept Victor met hevige ontroering.De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd:„Mijnheer Victor.”Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat oogenblik.… Hartstochtelijk zegt hij:„Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet ’t, er is laster geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God, Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets, niets te verwijten.…”[257]„Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor,” valt de jonge vrouw in. „Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.… Ik neem ’t gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u.”„O, van harte gaarne.” De tranen dringen hem naar de oogen.„’t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde.…” gaat Clara voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht te onderdrukken. Dan, als met geweld: „Ik wilde breken met ’t verleden.… ’t Heeft mij.… niets dan verdriet gegeven.… Ik ben een nieuw leven begonnen.”’t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden,[258]van ’t oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te ontvangen. Maar ’t verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe deze haar niet eerde, zooalszijnechtgenoote behoort geëerd te worden.O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen van smart. ’t Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij ’t levenslange verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde.[259]Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien.„Ik weet alles,” zegt hij zacht, „alles, Clara. Ik weet, dat je diep ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld.…”„O, verontschuldig me niet,” valt Clara hartstochtelijk in. „Ik doe ’t mezelf niet.… Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet.”„Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster gehoor gegeven, Clara, en blijf ’t doen!” roept de jonge man uit. „Dat noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet geweest. Je waart ’t slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven, Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet.”„Toch ben ik ’t geweest.… Tevreden met mijn nieuw leven. En ik zal dat weer wezen.… Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen opgewekt.… maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen zijn.…” Dikke tranen rollen over haar wangen.„Voorbijgaand? ’t Mag niet voorbijgaand zijn,[260]zeg ik je,” roept Victor vurig. „Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet ’t, je houdt nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd.…”Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting.„O, Willem, spreek zoo niet!” en ze barst in snikken uit. „’t Kan niet, ’t kan niet.” Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen.„Maar waarom dan toch niet?!” roept de jonge man uit. „Geef toch die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst alleen. Inbeelding, en niets anders! ’t Huwelijk is de roeping van iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig maken, die haar liefheeft.”[261]„Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!” valt Clara in. Dan, met neergeslagen blik, weifelend: „Men zou me niet waard vinden.… je vrouw te worden.”„Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder, met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! ’t Zal mij een eer zijn mijn leven aan je te wijden.”Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen.„Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen.”Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af,[262]en den jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm:„Droomen, Willem. Ik weet, dat je ’t goed meent, maar dat is alles onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al deed je ’t ook,” haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de rede wil vallen, „ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je achting op prijs, zeker, maarjouwachting kan mij de achting van de wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In ’t huwelijk is voor mij geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook nooit vergeten.”’t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden.„Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig maken, met moedwil? O, je kunt ’t niet meenen.” De vastberaden[263]uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos.„Zeg, dat je ’t niet meent, Clara! Ik kan ’t niet gelooven.”„Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal ’t strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat ’t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een eind maken. ’t Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden.”„Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander je nog van inzicht.…”„Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden, voor goed.”„Goed, ik zal gaan,” mompelt de jonge ingenieur in doffe mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van hoop in zijn donkere oogen: „Toch geloof ik, dat je eenmaal nog van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen, al moest ik er tien jaar op wachten.”Clara schudt weemoedig ’t hoofd.„Mijn besluit is geen gril van ’t oogenblik,[264]Willem,” zegt ze zacht en meewarig. „Ik heb lang nagedacht. ’t Huwelijk is voor mij niet weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart.…”„Goed, goed,” valt Victor in. „Zoo denk je nu. Als je weerzin begint te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief aan mij, en alles is in orde.”„Waartoe zoo’n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?”„Laat dat daar. Beloof ’t me toch. Doe ’t om me éen gunst te bewijzen.”„Maar ik màg je geen hoop geven.…”Hij ziet ’t nuttelooze van verder aandringen in.„Nu, in Godsnaam. Dan doeikje deze belofte, Clara: ik zal wachten, geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me ’t leven laat, en uitzien naar ’t woord, dat me gelukkig zal maken. En ’t zàl komen, Clara.”„’t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,” antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend.[265]Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend: „’t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop zal me kracht geven.… God zegen je.”Nog eens drukken ze elkaar de hand.Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund, staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is ’t kil en eenzaam als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen werkelijkheid, ’t is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde kranke. Victor’s woorden weerklinken nog in haar geest:„En ’t zàl komen, Clara.…”En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit.

XIII.Liefde of Kunstroeping.

Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan ’t ontbijt iets, dat hem voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid en brutaliteit op ’t jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het gesprek op de zangeres.„O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, appétissante vrouw,énivrante, ma foi!”Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.„Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te zetten?” vraagt hij quasi-onverschillig.„Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie[241]avonden zingen. Kleine oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, ’t zijn luchtige, lichte vogeltjes, die diva’s, wat zegt u?”„Maar,” vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, „waar zou ze van hier heen gegaan zijn?”„Laat me ’s zien,” zegt ’t ventje: „Ik.… och, neem u even de courant.Garçon!Le Secolo!” Het Italiaansch blad wordt aangereikt, en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.„’t Staat daar in, meen ik,” legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het blad, en zegt dan:„Naar Rome, juist, ’t is waar ook. Misschien is ze nu wel direct daarheen gegaan. Best mogelijk.”Victor luistert met zooveelnaïeveaandacht, dat het spotzieke ventje hem lachend aanziet.„Ook al onder de betoovering?” vraagt hij. „Nareizen? Gevaarlijk spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen.” ’t Kleine gezichtje kijkt bijzonder wijs.„Dank u,” bromt Victor, en de toornige[242]blik, dien hij zijn nietig buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot ’t doode punt.Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf van dien kant. Maar dat is niet ’t ergste. Met genoegen offert hij ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, haar te zullen vinden. In Godsnaam, ’t moet dan maar. Spreken zàl hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een poos later de vestibule doorgaat, om zich naar ’t station te begeven, spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.„Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar hangen ze, Mijnheer.”Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. ’t Is hem een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te kunnen beschouwen, zooveel hem lust.[243]Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag, blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in ’t lieve Holland, kalme, berustende tevredenheid voor ’t tegenwoordige en in ’t vooruitzicht, thans slechts éen verlangen—Clara—en zijn gansche ziel in onrust en beroering.’t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij vatbaarheid daarvoor gehad. ’t Was een lange, vervelende rit.Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan ’t station af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij naar een hotel, en informeerde daar naar ’t groote theater. Nog in den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig[244]vernam hij, dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.„Waar kwam dat telegram vandaan?” vroeg Victor teleurgesteld.„Van Venetië, ’t is juist ontvangen.”„Dank u.”Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die ellendige reis voor niets gedaan! ’t Telegram was uit Venetië.… Zou ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede God, wat een dolmakende onzekerheid!Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. ’t Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou ’t zich moeten laten voorvertalen.De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger.[245]Hij zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al ’t schoons—hij had er smaak genoeg voor—maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat hij een sterk rooker was. ’t Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats van oponthoud voor Clara. In ’t hotel gunde hij zich nauwelijks den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater, en snelde daarheen. ’t Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het bureel[246]terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat nu? Terug naar ’t hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: ’t Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde—en dat moest wel—niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel[247]blijken. Met een zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden ochtend vernam hij aan ’t ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in Lissabon of Stockholm te vinden!Weer snorde de trein met hem voort, uit de[248]lage delta-landen van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan uur. Buda-Pesth. ’t Was avond, de voorstelling in den schouwburg—als die gegeven werd—zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar een hotel, en was dadelijk op weg naar ’t theater. Daar waren de aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder haar! Doch op ’t zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor naar ’t station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is te laat, den volgenden ochtend is er weer een.De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich geen tijd, om naar een hotel te[249]gaan. Onmiddellijk richt hij zich naar ’t Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen—Goddank, men speelt dien avond, en Tizia zingt—dan zal hij zijnspionagevan Milaan herhalen, en in ’t zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaaktonverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera, die men geeft,—hij heeft niet eens een tekstboekje—is oorzaak, dat hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij ’t einde van ’t stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan.[250]Had hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! „Onvergeeflijke zorgeloosheid!” denkt hij. ’t Is te laat, om nog den schouwburg in te gaan, ’t personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een kwartier buiten staan wachten. ’t Is dicht bij middernacht. Wat zal hij beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, dat is wel ’t rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote hotels, er zijn er zoo enkele in ’t groote Weenen!De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander rijtuig zoeken.Voort gaat ’t weer door de stille straten. ’t Wordt twee uur, drie uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij ’t op. Aan ’t hoeveelste hotel hij ’t laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij duizelt ervan.[251]Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij vrienden; want ’t is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan ’t postkantoor, of anders aan ’t theater zelf, zal men hem morgen wel kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte doodmoê aan de deur van ’t laatste der langsgereden hotels afzetten.Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op ’t pad. Eerst naar ’t groote postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan ’t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men ’t weten. Weer dus een rit door de stad. Aan ’t derde kantoor verneemt hij, dat de diva al haar brieven daar „poste-restante” laat aanhouden, en ze laat afhalen. Haar adres kent men er niet. „Ze moet daar een bedoeling mee[252]hebben!” denkt Victor, „ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden zal.” Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. ’t Eenige, dat hij nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar wie zal hem inlichten!’t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in een café. ’t Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak vóor aan ’t raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn tijd trachten te dooden tot het diner.Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht[253]trekt. De dame, die er in zit, is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. ’t Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het sierlijke coupétje na. ’t Is het Prado opgegaan, een breeden langen weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou ’t spoedig uit ’t oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil bij een elegante, kleine villa.„Nu kan ’t nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch onwaarschijnlijk,” bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem niet thuis geven misschien.… Het beste is, dat hij een briefje zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo gedaan. In een café vraagt hij om ’t noodige schrijfgereedschap, en eenige minuten later is een bediende met zijn[254]briefje naar de villa met last, om op antwoord te wachten. ’t Luidt aldus:Waarde Clara!Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb ’t niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, nu van middag nog, als ’t mogelijk is. Ge verliest er immers niets bij. Geloof mij, ’t is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht zou ’t u berouwen, verdriet[255]te hebben gedaan aan iemand, die zich zoo gaarne noemtUw VriendWillem Victor.Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig scheurt hij ’t open. ’t Waren slechts een paar woorden:Waarde Heer Victor!Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou ’t mij spijten, iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u nog dezen namiddag.Clara Van Merenstein.Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken![256]In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een jonge vrouw in een album te bladeren. ’t Is Clara. Bleek, maar zich beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt.„Clara!” roept Victor met hevige ontroering.De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd:„Mijnheer Victor.”Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat oogenblik.… Hartstochtelijk zegt hij:„Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet ’t, er is laster geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God, Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets, niets te verwijten.…”[257]„Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor,” valt de jonge vrouw in. „Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.… Ik neem ’t gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u.”„O, van harte gaarne.” De tranen dringen hem naar de oogen.„’t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde.…” gaat Clara voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht te onderdrukken. Dan, als met geweld: „Ik wilde breken met ’t verleden.… ’t Heeft mij.… niets dan verdriet gegeven.… Ik ben een nieuw leven begonnen.”’t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden,[258]van ’t oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te ontvangen. Maar ’t verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe deze haar niet eerde, zooalszijnechtgenoote behoort geëerd te worden.O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen van smart. ’t Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij ’t levenslange verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde.[259]Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien.„Ik weet alles,” zegt hij zacht, „alles, Clara. Ik weet, dat je diep ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld.…”„O, verontschuldig me niet,” valt Clara hartstochtelijk in. „Ik doe ’t mezelf niet.… Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet.”„Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster gehoor gegeven, Clara, en blijf ’t doen!” roept de jonge man uit. „Dat noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet geweest. Je waart ’t slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven, Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet.”„Toch ben ik ’t geweest.… Tevreden met mijn nieuw leven. En ik zal dat weer wezen.… Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen opgewekt.… maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen zijn.…” Dikke tranen rollen over haar wangen.„Voorbijgaand? ’t Mag niet voorbijgaand zijn,[260]zeg ik je,” roept Victor vurig. „Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet ’t, je houdt nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd.…”Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting.„O, Willem, spreek zoo niet!” en ze barst in snikken uit. „’t Kan niet, ’t kan niet.” Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen.„Maar waarom dan toch niet?!” roept de jonge man uit. „Geef toch die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst alleen. Inbeelding, en niets anders! ’t Huwelijk is de roeping van iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig maken, die haar liefheeft.”[261]„Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!” valt Clara in. Dan, met neergeslagen blik, weifelend: „Men zou me niet waard vinden.… je vrouw te worden.”„Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder, met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! ’t Zal mij een eer zijn mijn leven aan je te wijden.”Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen.„Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen.”Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af,[262]en den jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm:„Droomen, Willem. Ik weet, dat je ’t goed meent, maar dat is alles onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al deed je ’t ook,” haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de rede wil vallen, „ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je achting op prijs, zeker, maarjouwachting kan mij de achting van de wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In ’t huwelijk is voor mij geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook nooit vergeten.”’t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden.„Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig maken, met moedwil? O, je kunt ’t niet meenen.” De vastberaden[263]uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos.„Zeg, dat je ’t niet meent, Clara! Ik kan ’t niet gelooven.”„Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal ’t strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat ’t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een eind maken. ’t Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden.”„Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander je nog van inzicht.…”„Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden, voor goed.”„Goed, ik zal gaan,” mompelt de jonge ingenieur in doffe mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van hoop in zijn donkere oogen: „Toch geloof ik, dat je eenmaal nog van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen, al moest ik er tien jaar op wachten.”Clara schudt weemoedig ’t hoofd.„Mijn besluit is geen gril van ’t oogenblik,[264]Willem,” zegt ze zacht en meewarig. „Ik heb lang nagedacht. ’t Huwelijk is voor mij niet weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart.…”„Goed, goed,” valt Victor in. „Zoo denk je nu. Als je weerzin begint te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief aan mij, en alles is in orde.”„Waartoe zoo’n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?”„Laat dat daar. Beloof ’t me toch. Doe ’t om me éen gunst te bewijzen.”„Maar ik màg je geen hoop geven.…”Hij ziet ’t nuttelooze van verder aandringen in.„Nu, in Godsnaam. Dan doeikje deze belofte, Clara: ik zal wachten, geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me ’t leven laat, en uitzien naar ’t woord, dat me gelukkig zal maken. En ’t zàl komen, Clara.”„’t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,” antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend.[265]Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend: „’t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop zal me kracht geven.… God zegen je.”Nog eens drukken ze elkaar de hand.Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund, staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is ’t kil en eenzaam als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen werkelijkheid, ’t is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde kranke. Victor’s woorden weerklinken nog in haar geest:„En ’t zàl komen, Clara.…”En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit.

Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan ’t ontbijt iets, dat hem voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid en brutaliteit op ’t jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het gesprek op de zangeres.

„O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar, appétissante vrouw,énivrante, ma foi!”

Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.

„Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te zetten?” vraagt hij quasi-onverschillig.

„Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie[241]avonden zingen. Kleine oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, ’t zijn luchtige, lichte vogeltjes, die diva’s, wat zegt u?”

„Maar,” vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, „waar zou ze van hier heen gegaan zijn?”

„Laat me ’s zien,” zegt ’t ventje: „Ik.… och, neem u even de courant.Garçon!Le Secolo!” Het Italiaansch blad wordt aangereikt, en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.

„’t Staat daar in, meen ik,” legt hij uit. Victor glimlacht verlegen: hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het blad, en zegt dan:

„Naar Rome, juist, ’t is waar ook. Misschien is ze nu wel direct daarheen gegaan. Best mogelijk.”

Victor luistert met zooveelnaïeveaandacht, dat het spotzieke ventje hem lachend aanziet.

„Ook al onder de betoovering?” vraagt hij. „Nareizen? Gevaarlijk spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen.” ’t Kleine gezichtje kijkt bijzonder wijs.

„Dank u,” bromt Victor, en de toornige[242]blik, dien hij zijn nietig buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot ’t doode punt.

Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan, dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf van dien kant. Maar dat is niet ’t ergste. Met genoegen offert hij ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had, haar te zullen vinden. In Godsnaam, ’t moet dan maar. Spreken zàl hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een poos later de vestibule doorgaat, om zich naar ’t station te begeven, spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.

„Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar hangen ze, Mijnheer.”

Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. ’t Is hem een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te kunnen beschouwen, zooveel hem lust.[243]

Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.

Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag, blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in ’t lieve Holland, kalme, berustende tevredenheid voor ’t tegenwoordige en in ’t vooruitzicht, thans slechts éen verlangen—Clara—en zijn gansche ziel in onrust en beroering.

’t Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij vatbaarheid daarvoor gehad. ’t Was een lange, vervelende rit.

Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan ’t station af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij naar een hotel, en informeerde daar naar ’t groote theater. Nog in den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig[244]vernam hij, dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.

„Waar kwam dat telegram vandaan?” vroeg Victor teleurgesteld.

„Van Venetië, ’t is juist ontvangen.”

„Dank u.”

Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die ellendige reis voor niets gedaan! ’t Telegram was uit Venetië.… Zou ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede God, wat een dolmakende onzekerheid!

Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. ’t Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou ’t zich moeten laten voorvertalen.

De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger.[245]Hij zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al ’t schoons—hij had er smaak genoeg voor—maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel, nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat hij een sterk rooker was. ’t Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.

Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats van oponthoud voor Clara. In ’t hotel gunde hij zich nauwelijks den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater, en snelde daarheen. ’t Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het bureel[246]terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat nu? Terug naar ’t hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu: ’t Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde—en dat moest wel—niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn, Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel[247]blijken. Met een zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.

Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden ochtend vernam hij aan ’t ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.

Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je, dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in Lissabon of Stockholm te vinden!

Weer snorde de trein met hem voort, uit de[248]lage delta-landen van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan uur. Buda-Pesth. ’t Was avond, de voorstelling in den schouwburg—als die gegeven werd—zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar een hotel, en was dadelijk op weg naar ’t theater. Daar waren de aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder haar! Doch op ’t zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor naar ’t station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is te laat, den volgenden ochtend is er weer een.

De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich geen tijd, om naar een hotel te[249]gaan. Onmiddellijk richt hij zich naar ’t Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen—Goddank, men speelt dien avond, en Tizia zingt—dan zal hij zijnspionagevan Milaan herhalen, en in ’t zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.

Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaaktonverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera, die men geeft,—hij heeft niet eens een tekstboekje—is oorzaak, dat hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij ’t einde van ’t stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft, en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan.[250]Had hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! „Onvergeeflijke zorgeloosheid!” denkt hij. ’t Is te laat, om nog den schouwburg in te gaan, ’t personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een kwartier buiten staan wachten. ’t Is dicht bij middernacht. Wat zal hij beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren, dat is wel ’t rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote hotels, er zijn er zoo enkele in ’t groote Weenen!

De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander rijtuig zoeken.

Voort gaat ’t weer door de stille straten. ’t Wordt twee uur, drie uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij ’t op. Aan ’t hoeveelste hotel hij ’t laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij duizelt ervan.[251]

Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij vrienden; want ’t is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan ’t postkantoor, of anders aan ’t theater zelf, zal men hem morgen wel kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte doodmoê aan de deur van ’t laatste der langsgereden hotels afzetten.

Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op ’t pad. Eerst naar ’t groote postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan ’t bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij: aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men ’t weten. Weer dus een rit door de stad. Aan ’t derde kantoor verneemt hij, dat de diva al haar brieven daar „poste-restante” laat aanhouden, en ze laat afhalen. Haar adres kent men er niet. „Ze moet daar een bedoeling mee[252]hebben!” denkt Victor, „ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden zal.” Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. ’t Eenige, dat hij nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar wie zal hem inlichten!

’t Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid, hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!

Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in een café. ’t Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak vóor aan ’t raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn tijd trachten te dooden tot het diner.

Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht[253]trekt. De dame, die er in zit, is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. ’t Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het sierlijke coupétje na. ’t Is het Prado opgegaan, een breeden langen weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou ’t spoedig uit ’t oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil bij een elegante, kleine villa.

„Nu kan ’t nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch onwaarschijnlijk,” bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem niet thuis geven misschien.… Het beste is, dat hij een briefje zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo gedaan. In een café vraagt hij om ’t noodige schrijfgereedschap, en eenige minuten later is een bediende met zijn[254]briefje naar de villa met last, om op antwoord te wachten. ’t Luidt aldus:

Waarde Clara!Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb ’t niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, nu van middag nog, als ’t mogelijk is. Ge verliest er immers niets bij. Geloof mij, ’t is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht zou ’t u berouwen, verdriet[255]te hebben gedaan aan iemand, die zich zoo gaarne noemtUw VriendWillem Victor.

Waarde Clara!

Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb ’t niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord, nu van middag nog, als ’t mogelijk is. Ge verliest er immers niets bij. Geloof mij, ’t is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht zou ’t u berouwen, verdriet[255]te hebben gedaan aan iemand, die zich zoo gaarne noemt

Uw Vriend

Willem Victor.

Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig scheurt hij ’t open. ’t Waren slechts een paar woorden:

Waarde Heer Victor!Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou ’t mij spijten, iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u nog dezen namiddag.Clara Van Merenstein.

Waarde Heer Victor!

Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat, is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou ’t mij spijten, iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u nog dezen namiddag.

Clara Van Merenstein.

Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken![256]

In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een jonge vrouw in een album te bladeren. ’t Is Clara. Bleek, maar zich beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt.

„Clara!” roept Victor met hevige ontroering.

De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd:

„Mijnheer Victor.”

Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat oogenblik.… Hartstochtelijk zegt hij:

„Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet ’t, er is laster geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God, Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets, niets te verwijten.…”[257]

„Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor,” valt de jonge vrouw in. „Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.… Ik neem ’t gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u.”

„O, van harte gaarne.” De tranen dringen hem naar de oogen.

„’t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde.…” gaat Clara voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht te onderdrukken. Dan, als met geweld: „Ik wilde breken met ’t verleden.… ’t Heeft mij.… niets dan verdriet gegeven.… Ik ben een nieuw leven begonnen.”

’t Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden,[258]van ’t oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te ontvangen. Maar ’t verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe deze haar niet eerde, zooalszijnechtgenoote behoort geëerd te worden.

O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen van smart. ’t Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij ’t levenslange verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde.[259]

Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien.

„Ik weet alles,” zegt hij zacht, „alles, Clara. Ik weet, dat je diep ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld.…”

„O, verontschuldig me niet,” valt Clara hartstochtelijk in. „Ik doe ’t mezelf niet.… Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet.”

„Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster gehoor gegeven, Clara, en blijf ’t doen!” roept de jonge man uit. „Dat noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet geweest. Je waart ’t slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven, Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet.”

„Toch ben ik ’t geweest.… Tevreden met mijn nieuw leven. En ik zal dat weer wezen.… Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen opgewekt.… maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen zijn.…” Dikke tranen rollen over haar wangen.

„Voorbijgaand? ’t Mag niet voorbijgaand zijn,[260]zeg ik je,” roept Victor vurig. „Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet ’t, je houdt nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd.…”

Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting.

„O, Willem, spreek zoo niet!” en ze barst in snikken uit. „’t Kan niet, ’t kan niet.” Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen.

„Maar waarom dan toch niet?!” roept de jonge man uit. „Geef toch die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst alleen. Inbeelding, en niets anders! ’t Huwelijk is de roeping van iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig maken, die haar liefheeft.”[261]

„Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!” valt Clara in. Dan, met neergeslagen blik, weifelend: „Men zou me niet waard vinden.… je vrouw te worden.”

„Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder, met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! ’t Zal mij een eer zijn mijn leven aan je te wijden.”

Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen.

„Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen.”

Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af,[262]en den jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm:

„Droomen, Willem. Ik weet, dat je ’t goed meent, maar dat is alles onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al deed je ’t ook,” haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de rede wil vallen, „ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je achting op prijs, zeker, maarjouwachting kan mij de achting van de wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In ’t huwelijk is voor mij geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook nooit vergeten.”

’t Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden.

„Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig maken, met moedwil? O, je kunt ’t niet meenen.” De vastberaden[263]uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos.

„Zeg, dat je ’t niet meent, Clara! Ik kan ’t niet gelooven.”

„Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal ’t strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat ’t eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een eind maken. ’t Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden.”

„Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander je nog van inzicht.…”

„Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden, voor goed.”

„Goed, ik zal gaan,” mompelt de jonge ingenieur in doffe mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van hoop in zijn donkere oogen: „Toch geloof ik, dat je eenmaal nog van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen, al moest ik er tien jaar op wachten.”

Clara schudt weemoedig ’t hoofd.

„Mijn besluit is geen gril van ’t oogenblik,[264]Willem,” zegt ze zacht en meewarig. „Ik heb lang nagedacht. ’t Huwelijk is voor mij niet weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart.…”

„Goed, goed,” valt Victor in. „Zoo denk je nu. Als je weerzin begint te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief aan mij, en alles is in orde.”

„Waartoe zoo’n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?”

„Laat dat daar. Beloof ’t me toch. Doe ’t om me éen gunst te bewijzen.”

„Maar ik màg je geen hoop geven.…”

Hij ziet ’t nuttelooze van verder aandringen in.

„Nu, in Godsnaam. Dan doeikje deze belofte, Clara: ik zal wachten, geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me ’t leven laat, en uitzien naar ’t woord, dat me gelukkig zal maken. En ’t zàl komen, Clara.”

„’t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,” antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend.[265]

Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend: „’t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop zal me kracht geven.… God zegen je.”

Nog eens drukken ze elkaar de hand.

Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund, staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is ’t kil en eenzaam als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen werkelijkheid, ’t is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde kranke. Victor’s woorden weerklinken nog in haar geest:

„En ’t zàl komen, Clara.…”

En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit.


Back to IndexNext