Derde Hoofdstuk.

De Santa Maria.De Santa Maria.In den vroegen morgen van den 3nAugustus 1492, juist toen de zon uit de golven van den oceaan opkwam, haalde de kleine vloot de zeilen op voor den avontuurlijksten en gevaarvolsten tocht, waarvan de wereldgeschiedenis gewaagt.Men was te bewogen, om vroolijk te wezen. Geen hoera! werd gehoord, en luidruchtigheid was verre. Getabbaarde priesters brachten de zeelieden aan boord. Toen de zeilen ontplooid waren ende zwakke vaartuigen door een gunstigen wind langzaam uit het gezicht verdwenen, schreiden en weeklaagden allen, die achtergebleven waren, en hun hart was door een somber voorgevoel beangst.Met het eerste gedeelte van den weg, dien Columbus wilde volgen, was hij zeer vertrouwd. Aanstonds zette hij koers naar de Kanarische eilanden. Er waaide een frissche, gunstige bries, en alles ging heel goed. De bemanning der drie schepen bestond, zooals wij vroeger opmerkten, uit domme en bijgeloovige menschen, waarvan velen tot den dienst geprest waren. Toen zij de bergen van hun geboorteland achter zich zagen verdwijnen, werden zij door vrees overmand.Reeds bij het begin van de reis openbaarden zich teekenen van ontevredenheid en bijna van oproer. Van een der schepen ging op den derden dag reeds het roer verloren. Columbus kon op goede gronden aannemen, dat het door sommige ontevredenen met opzet was veroorzaakt. Gelukkig wist de bevelhebber door zijn kennis en ervaring het ongeval eenigszins te verhelpen. Maar toch was het schip zoo gehavend, dat het alleen met de andere mee kon komen, als de zeilen ten deele inkrompen. Een reis van zeven dagen bracht hen in het gezicht van de Kanarische eilanden, en zij hadden dus van Palos af gerekend, ongeveer duizend mijlen afgelegd. Hier werd Columbus drie weken opgehouden. Het gehavende schip werd voor onzeewaardig verklaard. Maar zij kregen gelukkig een ander schip en De Pinta kreeg een nieuw roer, terwijl men het schip nog sterker trachtte te maken, ten einde er de reis mee te kunnen doen.Na een oponthoud van drie weken werden de zeilen voor de tweede maal geheschen. Nu bevoer men onbekende zeeën, want de Kanarische eilanden vormden toen de grenzen van de bekende wereld. Nauwelijks waren de eilanden uit het gezicht, of er ontstond een volkomen windstilte. Drie dagen lang dreven de schepen zonder vooruit te komen op de spiegelgladde baren van den oceaan. Op nieuw verloren de zeelieden den moed.Op den 9enSeptember kwam er een fiksche bries, die de zeilen deed zwellen, zoodat zij flink vorderden. Het was Zondagmorgen; een wolkenlooze hemel en de schijnbaar grenzenlooze Oceaan omringden hen. Toch was er geen vreugde op de schepen. Alleen werden ontevreden blikken gezien, morrende woorden gehoord. Columbus deed al wat hij kon, om de moedeloosheid der zeelieden te verdrijven en hun een deel van zijn eigen geestdrift in te boezemen. Bemerkende, dat hun vrees van nimmer weer huiswaartste kunnen gaan met iedere mijl, die men vorderde, grooter werd, bedacht hij een list, omnl.dubbele aanteekening te houden van hun vorderen per dag. De een was voor hem zelf, en de andere moest aan de zeelieden getoond worden, om hun den indruk te geven, dat de afgelegde weg veel kleiner was dan met de werkelijkheid overeenkwam. Dagen van grooten angst en aanhoudende waakzaamheid gingen langzaam voorbij, terwijl Columbus met den grootsten spoed het doel trachtte te bereiken, dat hij, hiervan hield hij zich overtuigd, weldra bereiken zou.Het is eenigszins zonderling, dat hij geen land meende te zullen vinden binnen den afstand van omstreeks 3000 mijlen. Nog bevond hij zich op een watervlak, waarop nooit het oog van een mensch gerust had. Niemand kon zeggen, welke voorwerpen zich aan hen zouden voordoen.Columbus stond op het dek en gaf zorgvuldig op alles acht, tot dat de laatste avondstralen verdwenen. Zoodra de morgen aanbrak, stond hij alweer op den boeg op wacht. Met de grootste nauwkeurigheid gaf hij acht op de verandering in de kleur van de lucht, de tint van het water, den vorm van de wolken en de windrichting. Den 14enSeptember vloog er des nachts iets vurigs door de lucht, dat slechts een paar mijlen van hen af in zee viel. Dit vermeerderde grootelijks den angst van de bijgeloovige matrozen.Zij kwamen in het gebied der passaatwinden, en werden dagen aaneen van het oosten naar het westen voortgedreven. Ook dit sloeg hun den schrik om ’t hart. Nooit meenden zij terug te kunnen keeren. Zij waren in de heete zone gekomen en vonden de lucht wonderbaarlijk zacht. ’t Was een genot, die in te ademen. De moed van Columbus werd zeer opgewekt toen hij groote hoeveelheden drijvend zeegras of wier zag, dat, dit wist hij, van westelijke kusten moest losgerukt zijn. Op een van die hoopen gras vingen zij een levende krab. Dag aan dag blies de regelmatige, aangename wind in de zeilen, terwijl de zee, zooals Columbus opmerkte, zoo kalm was als de Guadalquivir te Sevilla.Teekenen van naderend land verlevendigden de hoop van het scheepsvolk. Een rijke belooning werd dengene toegezegd, die het eerst land zou ontdekken. Op den avond van den 18enSeptember zag men een menigte landvogels, die naar het noordwesten vlogen. Ook zag men in die richting wolken drijven, zooals die gewoonlijk boven het land hangen. Columbus ging peilen, maar kon geen grond voelen.Op nieuw werd het scheepsvolk benauwd met het oog op deverbazend groote watervlakte, die hen thans van het vaderland scheidde. Columbus had alle gezag noodig en moest veel takt gebruiken, om die vrees weg te nemen. Gelukkig vermenigvuldigden zich de bewijzen, dat men in de nabijheid van land kwam. Verscheidene landvogels zetten zich op het schip neer, en sommigen waren zoo klein, dat zij blijkbaar niet ver konden vliegen. Toch kon men nog geen grond peilen. Weer werd de zee doodstil. De oceaan werd zoo glad en effen als een spiegel, en de zuiderzon scheen zoo fel, dat het dek der schepen begon te blakeren. Op den 25enrees de zee, zonder de minste verheffing van den wind, verbazend hoog. Ongetwijfeld was dit het gevolg van een verwijderden storm, die het water opzette.De oproerige gezindheid van de schepelingen veranderde met de wisselingen, die zij hadden. Columbus echter bewaarde een opgeruimd voorkomen en verloor zijn zelfvertrouwen niet. Sommige misnoegden bevredigde hij door vriendelijke woorden, anderen hield hij door bedreigingen in ontzag en eenigen kregen een voorbeeldige straf. Op nieuw verhief de wind zich een weinig, die wel de oppervlakte der zee nauwelijks rimpels gaf, maar toch de zeilen deed zwellen. De schepen bleven zoo dicht bij elkander, dat Columbus gemakkelijk met de andere officieren spreken kon. Terwijl ze zoo aan ’t praten waren, hoorden ze op eens een luiden gil van De Pinta. Een man op het achterschip wees naar het zuidwesten en schreeuwde zoo hard hij kon: “Land, land! Ik eisch de belooning!” Aller oogen wendden zich naar dien kant en men zag op een afstand van ongeveer 60 mijlen een bergketen met wolken bedekt.Een onbeschrijfelijke geestdrift bezielde al de schepelingen. Zij klommen in het want, in de masten en keken allen denzelfden kant uit. Het was laat in den middag. De korte schemering der keerkringslanden verdween, en nachtelijke duisternis bedekte weldra den oceaan. Den geheelen nacht door stuurden de schepen op het verwachte land aan. Met het eerste morgenkrieken stonden allen op het dek. Tot hun bittere teleurstelling zagen ze niets meer aan den horizon. Geen zweem van een wolk zelfs was te bespeuren. Toch was de wind gunstig, de zee kalm en het klimaat heerlijk. Dolfijnen speelden om den boeg; vliegende visschen sprongen op het dek en de matrozen vermaakten zich, zoo wordt verhaald, met om het schip heen te zwemmen.Volgens de eigen berekening van Columbus, was men nu 2022 mijlen van de Kanarische eilanden af, maar volgens de opgave, die men aan de matrozen te zien gaf, had men nog maar 1740mijlen afgelegd. Nog verliepen er een paar dagen waarop men weinig vorderde, toen er zich op nieuw een geest van ontevredenheid en verzet openbaarde. Hij werd evenwel spoedig onderdrukt door de verschijning van groote koppels vogels en andere aanwijzingen, dat er land in de nabijheid lag.De verlangende zeelieden maakten dikwijls valsch alarm, en hielden verwijderde wolken voor bergtoppen. Om dit tegen te gaan, bepaalde Columbus, dat hij, die land! riep, en men dan nog in geen drie dagen land zag, alle aanspraak op de belooning verbeuren zou. Men verhaalt, dat Columbus omstreeks dezen tijd met zijn scheepsvolk de overeenkomst sloot, dat hij van de onderneming zou afzien, als men binnen drie dagen geen land ontdekte. Maar voor dit verhaal ontbreken deugdelijke bewijzen.Gelukkig wordt dit vertelseltje door het dagboek van Columbus zelf, dat elken dag met den grootsten eenvoud bijgehouden is geworden, weersproken, en blijkt het, dat hij op den eigen dag, die aan de ontdekking voorafging, zijn vast besluit te kennen had gegeven, om te volharden ondanks alle gevaren en moeilijkheden.Derde Hoofdstuk.Er wordt land ontdekt.Juist, toen het oproerige scheepsvolk wanhopig begon te worden, kreeg men het onbetwistbare bewijs dat er dichtbij land was. Andere bossen gras vond men, zooals aan de kanten van rotsen en rivieren aangetroffen wordt. Men vischte een tak van een meidoorn op, waaraan nog groene blaadjes en bessen zaten. Ook vonden zij, en dit gaf nog den meesten moed, een stuk van een plank en een stok, die keurig besneden was.Aan boord van het admiraalschip werden geregeld godsdienstoefeningen gehouden. De admiraal scheen dezen avond bijzonder ernstig gestemd te zijn. Wel was hij altijd ernstig, bezadigd en bedachtzaam, maar nu scheen zijn gemoed overstelpt te zijn door de bewustheid, dat hij nu op het punt stond, om te volvoeren, wat hij levenslang gehoopt had. Op ernstige wijze sprak hij het scheepsvolk toe, bracht in herinnering, hoezeer God hen beschermd had, en verzekerde hun, dat zij naar zijn oordeel nu ongetwijfeld het land naderden, dat hij verwacht had te zullen vinden. Ja, hij geloofde, dat zij nog dienzelfden nacht aan land zouden komen. Hij gaf bevel, om goed wacht te houden, en voegde aan de belooningen van de souvereinen nog de gift van een fluweelen wambuis toe aan hem, die het eerst de kust zien zou.Columbus op zijn eerste reis.Columbus op zijn eerste reis.(Naar een oude afbeelding).Des nachts wakkerde de wind aan en snel kliefde de kleine vloot de golven. De Pinta zeilde het hardst en was een weinig vooruit. Zeven en zestig dagen was het nu geleden, dat de Spaansche hooglanden aan de oostelijke kim verdwenen. Het was de 11eOctober 1492. Geen wolk was er aan den tropischen hemel, waaraan de sterren fonkelden, te zien. Een stevige en frissche bries zweepte de baren voort, die bijna geen rimpels hadden. De harten van allen waren zeer opgewekt. Bijna niemand op de drie schepen sliep, en Columbus stond op den boeg van zijn vaartuig, en keek met een vurig verlangen naar den gezichteinder.Omstreeks 10 uren trof het flauwe schijnsel van een flambouw zijn oog. Voor een oogenblik kon men de vlam heel goed waarnemen, en dan werd zij weer geheel onzichtbaar. Zijn hart klopte van aandoening. Was het een tochtverschijnsel, een gezichtsbedrog of een licht van het land? Bevende van opgewondenheid zag hij het licht op nieuw en nu zeer duidelijk, onbetwistbaar. Aanstonds riep hij Pedro Gutierrez tot zich, een van de aanzienlijkste heeren van zijn metgezellen. Deze zag het licht eveneens. Toen riepen zij een derde, Rodrigo Sanchez, die den tocht meemaakte als vertegenwoordiger en verslaggever van hun Majesteiten. Maar het licht was weer weg. Spoedig echter zag men het weer en ook Sanchez zag het. Toch kon het nog wel een tochtverschijnsel wezen. Een flambouw op het land was hun ook iets onverklaarbaars. In het dagboek staat:“Het leek een kaars, die op en neer ging, en Christophorus twijfelde niet, of het was wezenlijk een licht en op het land. En het bleek ook waar te wezen, want het kwam van lieden, die met lichten van de eene hut naar de andere gingen.”Deze schijnsels duurden evenwel maar zoo kort, dat er door de anderen op het schip niet veel waarde aan werd gehecht, ofschoon Columbus vast overtuigd was, dat het licht van het land was. Zoo zeilde de kleine vloot nog 4 uren lang voort, toen er, des morgens te 2 uur, door een der matrozen van De Pinta, die Rodrigo de Triana heette, land werd gezien. Een kanonschot van De Pinta kondigde het heuglijk nieuws, dat er land ontdekt was, aan. Heel spoedig waren de nog wel donkere, maar zeer duidelijke omtrekken van het land op alle schepen te zien. De beloofde jaarwedde van 10,000 maravedis aan hem, die het eerst land zien zou, werd Columbus toegewezen, ofschoon vele meenden, dat zij Rodrigo de Triana rechtmatig toekwam.De overige uren van den nacht gingen spoedig voorbij. Helderen schitterend daagde de morgen, en ontrolde aan het verrukte oog van Columbus een tooneel, waarbij het paradijs het nauwlijks halen kon. Daar lag een laag eiland voor hem in de rijkste weelde en bloei der keerkringsgewesten. De boomgaarden, vlakten en parken der natuur spreidden zich in alle richtingen uit. Tal van inboorlingen zag men uit de bosschen komen, en in een toestand van groote opgewondenheid langs het strand loopen. Zij waren allen moedernaakt. Vermoeid als de reizigers waren door zooveel weken lang niets dan water te zien, had het tooneel, dat zij nu aanschouwden, voor hen de bekoring van een feeënland.Van elke karveel liet men de boot zakken. Nadat zij bemand waren, nam Columbus, zeer rijk in purperkleurig gewaad gekleed en met Castiliaansche pluimen op den hoed, de leiding ervan op zich. Het spreekwoord zegt: “Op een afstand lijkt alles mooi,” maar toen zij dichter bij land kwamen, werd het gezicht al schilderachtiger en mooier. De woningen der inboorlingen stonden in de uitgestrekte boschjes overal verspreid. Hoogten en laagten stonden vol boomen, die zelf even als hun gebladerte er vreemd uitzagen. Verbazend veel bloemen waren er van de schitterendste kleuren, zooals de avonturiers nog nooit hadden gezien. Vruchten, van allerlei vorm en kleur, hingen aan de boomen. Vooral maakt Columbus gewag van het gezang der vogels, dat de lucht vervulde; van de zuivere en welriekende lucht en van het kristalheldere water.Zoodra Columbus aan land stapte, viel hij op de knieën en dankte God. De matrozen schaarden zich om hun beroemden leidsman, volgden zijn voorbeeld en schaamden zich over hun oproerig gedrag. Velen weenden, kusten zijn handen en smeekten om vergeving. Zij, die het lastigst waren geweest, vleiden nu het meest, kropen nu het laagst, want zij hoopten gunsten te ontvangen, waardoor zij zich zouden kunnen verrijken en tot den adelstand verheffen.Met indrukwekkende, godsdienstige gebruiken plantte Columbus nu de Spaansche vlag op het strand. In vrome erkenning van Gods goedheid, die hen zoo ver had geleid, noemde hij het eiland San Salvador. Toen vorderde hij van de bemanning der drie schepen den eed van trouw aan hem als Admiraal en Onderkoning van al de rijken, die men nu zou betreden.De inboorlingen stonden er schroomvallig omheen, en keken al die bewegingen met diep ontzag aan. Men verhaalt, dat, toen zij voor het eerst de schepen zagen, die zich schijnbaar van zelf voortbewogen en hun verbazend groote vleugels introkken, zijdie voor zeemonsters hielden of voor vogels, die op reusachtige vleugels uit hun luchtverblijven afdaalden. Toen de zeelieden met hun schitterende maliënkolders, vreemde kleeding en oorlogswapenen aan wal stapten, vluchtten zij van schrik in de bosschen. Maar toen zij zagen, dat ze niet vervolgd werden, en wij geen vijandige bewegingen maakten, kwamen ze langzaam terug. De gebiedende gestalte van Columbus, zijn verheven wijze van doen, zijn scharlaken kleeding en de eerbied, welken al zijn metgezellen hem bewezen, maakten, dat de inboorlingen met de grootste vereering tot hem opzagen.De inboorlingen geloofden over het algemeen, dit wordt telkens getuigd, dat de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Een hunner opperhoofden onderzocht later dan ook, hoe zij naar beneden gekomen waren, òf vliegend òf door nederdaling op de wolken.Daar er dus twee partijen waren, die elkander aankeken, was de verbazing wederkeerig. Het tooneel, dat zich aan de Spanjaarden voordeed, was even buitengewoon als dat, wat de inboorlingen aanschouwden. Het landschap was in al zijn afwisseling zoo nieuw voor de vreemdelingen, alsof zij op een andere planeet waren gekomen. Boomen, vruchten, bloemen, alles was heel anders, dan wat zij tot nog toe hadden gezien. Het klimaat scheen volmaakt, want het was warm en toch niet drukkend; men gevoelde evenmin rilling, als men van overmatige hitte last had. De paradijs-onschuld, de zedigheid en eenvoud van de inboorlingen wekten hun verwondering en bewondering op. Hun gele tint vindt men nog mooi. Hun fraai geronde leden hadden regelmatige en bevallige vormen, die met de wereldberoemde beelden van Venus en Apollo zouden hebben kunnen wedijveren.Waren de bijgeloovige inboorlingen door het gezicht van wezens, die òf uit de lucht waren neergekomen òf uit de diepte opgerezen, zooals zij meenden, getroffen, sterker is de indruk wellicht bij de Spanjaarden geweest.Columbus meende, dat hij op het uiterste eiland van Indië geland was. Daarom noemde hij de inboorlingen dan ook Indianen. Dien naam hebben langzamerhand alle bewoners van de nieuwe wereld gekregen.Toen de inboorlingen ondervonden, dat de vreemde bezoekers hun geen kwaad deden, werden zij langzamerhand vertrouwelijk en welwillend. Zij overlaadden de Spanjaarden met de sterkste bewijzen hunner gastvrijheid. De matrozen liepen zonder vrees door de bosschen, en aten de vroeger nooit geproefde vruchten, die aanzoo vele takken zaten. Dat Columbus van nature een goedhartig man was, schijnt onwedersprekelijk; maar door den invloed van de domheid dier dagen, maakte hij zich later aan vele wreedheden schuldig. Hij stal de harten van de inboorlingen geheel door hun eenige blinkende kraaltjes of tingelende klokjes te geven. Zij beschouwden die als dingen van onschatbare waarde.De mooie meisjes, die zich zeer zedig gedroegen, hingen die klokjes om haar midden en dansten vroolijk, terwijl zij naar het getingel luisterden. Columbus vertelt in zijn beschrijving, dat zij geen kroeshaar hadden als de Afrikanen, maar dat het lang en zeer zwart was, en meestal op de schouders hing. Opdat het haar niet over de oogen hangen zou, werd het van voren afgeknipt. Haar gelaatstrekken maakten een aangenamen indruk en zij hadden hooge voorhoofden en prachtige oogen. Zij hebben een licht koperen kleur en soms vergeleek men die met de kleur van nieuwe gouden munten.Een zaak trof de vreemdelingen zeer,n.l.dat alle inboorlingen, die zij zagen, beneden de 30 jaar waren. Oude menschen schenen niet onder hen te zijn. Wat kon dit beduiden?Maar er was iets anders nog, dat de aandacht van de nadenkenden opwekte en bewees, dat men niet in het paradijs gekomen was. Zij bezaten strijdknodsen en scherp gepunte werpspietsen, voorzien van de verscheurende tanden van een haai. Toen Columbus daarvan door teekens sprak, gaven zij te kennen, dat zij in den oorlog gebruikt werden om aan te vallen of aanvallen af te weren. En sommigen van hen wezen op de wonden, die zij in het gevecht bekomen hadden.Des avonds keerden alle Spanjaarden naar de schepen terug. De nacht ging rustig voorbij, ofschoon men van opgewondenheid niet slapen kon. Zoodra het licht werd, verzamelden zich vele inboorlingen van alle kanten van het eiland aan het strand, om dit vreemde tooneel te zien. Zij stelden zooveel vertrouwen in de vreemdelingen, dat velen van hen in zee sprongen en naar het schip zwommen. Het water scheen hun natuurlijk element te zijn.Zij bezaten vele schuitjes, die uit boomstammen bestonden, welke met veel moeite waren uitgehold. Enkele er van waren zoo klein en licht, dat er slechts één man in zitten kon, andere zoo groot, dat wel veertig gewapende krijgslieden er plaats in vinden konden.Deze kano’s hadden geen kiel en kantelden daarom licht om, maar dit telden de inboorlingen weinig. Zij zwommen er omheen als eenden, zetten de kano overeind, hoosden er het water metkalebasschalen uit, en sprongen er weer in, welk een en ander slechts eenige oogenblikken oponthoud veroorzaakte.Het was een groote teleurstelling voor Columbus, dat deze menschen zoo ontzettend arm waren. Ofschoon zij in een heerlijk klimaat en in geriefelijke hutten woonden, vruchten in overvloed hadden en geen kleeren behoefden, bezaten zij niets, waarmede Columbus zijn schepen bevrachten en zich zelf en zijn metgezellen verrijken of de begeerlijkheid van den Spaanschen vorst bevredigen kon. De arme inboorlingen hadden niets dan prachtige papegaaien, die zij uit liefhebberij tam maakten, en ballen van katoenen garen. Deze ballen waren wel eens 25 pond zwaar en zouden op de markten in Spanje veel waard zijn geweest. Ook hadden zij een soort van eigengemaakt brood, dat uit een wortel, Juca geheeten, vervaardigd werd, en een smakelijk voedsel voor de eilandbewoners opleverde, maar geen belangrijk handelsartikel kon zijn.Toen Columbus den volgenden dag te midden van een groote menigte inboorlingen landde, zag hij vele meisjes, die gouden sieraden droegen, niet in de ooren, maar aan den neus. Dat glinsterend metaal boeide spoedig zijn oog. Gretig verruilden de Indiaansche schoonen die eenvoudige gele tooisels voor prachtig gekleurde kralen van geringe waarde. Met belangstelling onderzocht Columbus, waar dit goud van daan kwam.Het is verbazend moeilijk, om wat gewaar te worden, wanneer alleen de gebarentaal kan gebruikt worden; en die moeilijkheid wordt nog veel grooter, wanneer die gebaren van beschaafden door wilden moeten worden verstaan en omgekeerd. Daarom werd Columbus stellig grootelijks misleid door de aanwijzingen, die hij van de inboorlingen geloofde ontvangen te hebben. Hij meende verstaan te hebben, dat er op eenigen afstand zuidwaarts een machtig opperhoofd woonde, die grooten overvloed van goud bezat, en die op schalen van dit kostelijk metaal werd bediend. Ook had hij den indruk gekregen, dat er in het noorden volken woonden, die dikwijls gewapend optrokken, om de zuidelijke stammen aan te vallen, en daarna met grooten buit aan goud terugkeerden. Met zijn vurige verbeelding waande hij van een prachtige stad te hebben hooren spreken met schitterende paleizen, niet ver van de plaats waar zij nu waren, en dat hij in de landbouw-distrikten aangekomen was van een der schoonste landen van de aarde.Zoo ging de 13eOctober voorbij. Voor de zeereizigers was het een merkwaardige dag, want er was opgewektheid en vreugde.Den volgenden morgen begaf Columbus zich met zijn manschappen in de booten, om het eiland te gaan verkennen. Belangrijker verkenningstocht, in de morgenuren van een tropischen dag begonnen, en omringd door wonderbaar schoone en nooit aanschouwde tooneelen, kan men zich moeilijk voorstellen. Columbus zei, dat het eiland door koraalriffen ingesloten was, die slechts een nauwen doortocht overlieten; voorts, dat tusschen die riffen diepe en veilige ankerplaatsen lagen, groot genoeg, om de schepen van de geheele wereld te bevatten. Op deze lieve plek begon de tocht, en men zette koers naar het noordoosten.Het eiland bleek zeer houtrijk te wezen, en, behalve dat er verscheidene riviertjes waren, was er middenop een groot meer. Tal van schilderachtige dorpen, die als verscholen lagen in de schoonste boschjes, voeren de reizigers, die met hun booten dicht bij de kust bleven, voorbij. Overal kwamen de bewoners, zoowel mannen en vrouwen als kinderen, naar het strand, en liepen met de booten mee. Van tijd tot tijd vielen sommigen op de knieën en maakten zekere bewegingen, die de Spanjaarden of voor een uiting van dank aan God hielden, dat zij aangekomen waren, of voor eerbewijzingen, omdat men hen voor hemelsche wezens aanzag.Door onbedrieglijke gebaren noodigden de inboorlingen hen uit aan land te komen; hun tevens versch water en heerlijke vruchten aanbiedende. Toen de booten haar tocht vervolgden, sprongen verscheiden inboorlingen in zee, en zwommen ze achterna, waaruit duidelijk bleek, dat ze zoowel in ’t water als op het land in hun element waren. Anderen volgden in kano’s. De goedhartige admiraal ontving allen met de grootste vriendelijkheid, en maakte hen hoogst gelukkig met eenige snuisterijen, welke zij als hemelsche geschenken aannamen. Columbus verklaart bij herhaling, dat de inboorlingen hen voor engelen aanzagen.Dit is echter eenigszins twijfelachtig. Door teekens toch kan men niet gemakkelijk zijn meening uitdrukken. En men mag te recht vragen, of de inboorlingen ook maar een flauw begrip hadden van werelden, waar engelen wonen, zooals het christendom leert. Zoo dreven de roeibooten voort, tot zij eindelijk een vrij belangrijke kaap bereikten, waarop zes Indiaansche woningen stonden, omgeven door bosschen en tuinen, waarvan Columbus verklaarde, dat zij net zoo mooi waren als die, welke men in Castilië aantrof. Hier gingen zij aan wal, om wat te rusten en zich te verkwikken, waarna zij zich gereed maakten, om naar de schepen terug te keeren. Ze namen zeven inboorlingen meeom die de Spaansche taal te leeren en ze als tolken te gebruiken. Nog dienzelfden avond werden de zeilen geheschen, en stevende men naar ’t zuiden.Vierde Hoofdstuk.Een tocht door de eilanden.Uit de beschrijving van Columbus blijkt niet duidelijk, of er van San Salvador werkelijk eilanden te zien waren. Misschien ging hij op het getuigenis van de inboorlingen af.Volgens de bewering van Marco Polo, deelden de Indianen, die zich op ’t schip van den admiraal bevonden, hem mee, dat het aantal eilanden in deze zeeën ontelbaar was, en dat de bewoners er van meestal met elkander in oorlog waren. Zij gaven de namen van meer dan honderd dezer eilanden op. Spoedig kregen zij in het zuidwesten een zeer groot eiland in het oog, dat omstreeks vijftien mijlen van hen af was. De Indianen stelden de bewoners daarvan als veel rijker voor dan die van San Salvador, en zeiden, dat zij armbanden en andere groote sieraden droegen van zuiver goud.Aangezien de nacht op handen was, en men zich in onbekende zeeën ophield, gaf Columbus bevel, om tot den volgenden morgen te blijven liggen. Toen de zon opkwam werden de zeilen weer opgehaald, maar de voortgang werd door tegenstroomen en ongunstigen wind zoo vertraagd, dat de zon reeds onderging, toen zij bij het eiland ten anker kwamen. Den volgenden morgen gingen zij met de booten aan land. Hier zagen zij volmaakt dezelfde tooneelen als op San Salvador. Het klimaat, het gebladerte, de bloemen, alles was net gelijk; ook de inboorlingen maakten geen verschil; ook dezen waren naakt, goedwillig en vriendelijk en hadden evenmin goud. Columbus zocht overal, maar te vergeefs, naar gouden versieringen aan armen of beenen. Of zij in de verbeelding van de Indianen of in die van hemzelf bestonden, is niet uit te maken. Hij nam echter dit eiland in bezit, alweer met vertoon van godsdienstige gebruiken, waarnaar de inboorlingen met kinderlijke verwondering keken. Hij gaf het den naam van Santa Maria, en zeilde toen weer weg, om de reis voort te zetten.Juist toen zij het anker lichtten, gebeurde er iets, dat helaas! duidelijk aantoont, dat enkele inboorlingen althans, die op het schip van den admiraal waren, geen vrijwillige tolken, maar gevangenenwaren. Toen een van de Indianen van San Salvador, die op De Nina was, waarop Vincent Yanez Pinzon bevel voerde, op een kleinen afstand een groote kano zag, die vol inboorlingen was, sprong hij in zee, en wist door zoo vlug als een visch te zwemmen, te ontsnappen en werd door zijn landslieden opgenomen. Wel werd er aanstonds een boot uitgezonden om hem te vervolgen, maar de wilden roeiden zoo hard, dat zij den oever bereikten vóór men hen kon achterhalen, en met de snelheid van hinden verdwenen zij in de bosschen.De zeelieden voerden hun kano als buit mee naar het schip. Het was een zeer onrechtvaardige handelwijze, die zelfs de onwetendste barbaar moest veroordeelen. Toch werd spoedig daarop een nog afschuwelijker daad door de matrozen gepleegd. Een Indiaan, die gehoord had, dat de Spanjaarden katoen wilden koopen, begaf zich geheel alleen in zijn biezen kano naar het schip van den admiraal. Toen hij bij den boeg kwam, hield hij het katoen omhoog, opdat de matrozen het konden zien. Zij wenkten hem nader te komen en toen sprongen twee of drie, die goed konden zwemmen, in zee, verklaarden zijn kano verbeurd en sleurden den bevenden man als gevangene mee naar ’t schip.Columbus, die op de hooge kampanje stond bij den achtersteven van het schip, zag die daad. Hij gaf bevel den gevangene bij hem te brengen. De arme Indiaan kwam bevend als een espeblad aan, en hield het pak katoen vooruit als een geschenk voor den man, die hem gevangen genomen had, ten einde daardoor zijn genade te verwerven. De admiraal ontving hem met de grootste vriendelijkheid, zette hem een mooi gekleurden hoed op, deed hem om elken pols een armband van schitterende koralen aan, hing een of twee belletjes aan zijn ooren en beval toen, dat men hem weer naar zijn kano terug moest brengen en het katoen ook. Deze geschenken waren voor den armen Indiaan, wat een groote erfenis voor iemand in de beschaafde wereld zou zijn geweest. Vroolijk roeide hij naar het strand, en Columbus keek met veel genoegen naar de groepen, die om hem heen gingen staan, om zijn schatten te bekijken en naar het verhaal te luisteren van de vriendelijke behandeling, die hij had ondervonden.Toen Columbus Santa Maria verliet, zag hij op een afstand van verscheidene mijlen in het westen een ander groot eiland en zette den koers daarheen. Halverwege achterhaalde hij een Indiaan, die geheel alleen in een heel oude kano zat, en stellig naar het eiland roeien wilde, om er de tijding van de komst der Spanjaarden over te brengen. Hij had een snoer koralen omden hals, dat hij te San Salvador gekregen had. Columbus bewonderde den moed van den man, die zulk een reis met zulk een ellendige kano durfde wagen. De Indiaan werd met zijn kano aan boord gehaald, en men behandelde den gast vriendelijk, en onthaalde hem op wijn, brood en honig. Een zeer zachte wind gleed over de spiegelgladde zee, en zij konden eerst ten anker komen, toen de avondschemering reeds gevallen was.De Indische kano liet men nu over boord zakken, en de gelukkige man werd met geschenken beladen aan land gezonden, ten einde de inboorlingen gunstig te stemmen, en te maken, dat hun de Spanjaarden welkom waren. Het nieuws verspreidde zich zoo snel over het eiland, dat er ’s morgens reeds bij zonsopgang een groote toevloed van inboorlingen op het strand was te zien, terwijl het op de zee van kano’s wemelde. Zij verdrongen elkander, om bij de schepen te komen en vruchten, wortels en versch water te brengen. Columbus gaf allen kleine geschenken en onthaalde hen op suiker en honig.Spoedig gingen enkelen van de drie schepen aan land. Hier waren ze op nieuw getuigen van zichtbaar geluk en blijkbaren vrede, zooals ze die meer hadden gezien. Zij brachten eenige uren op het eiland door, waren ingenomen met den eenvoud en de openbaringen van genegenheid der inboorlingen.Hun tenten waren van riet en palmbladen gemaakt, en zij zagen er van buiten heel aardig uit, terwijl van binnen alles netjes en ordelijk was. Het volgende uittreksel uit het dagboek van Columbus maakt ons bekend met den indruk, dien hij van de inboorlingen kreeg.“Daar zij ons veel vriendschap bewezen, en ik bovendien wist, dat het menschen waren, die eerder door liefde dan door geweld tot het christendom te bekeeren zouden zijn, gaf ik sommigen veelkleurige hoeden, anderen halssnoeren van glazen koralen en vele andere dingen van weinig waarde, waarmede zij echter zeer ingenomen waren, en zoo op onze hand kwamen, dat wij er ons over verwonderden. Dezelfde personen kwamen later weer zwemmend naar de schepen, waar wij waren, en brachten ons papegaaien, katoenen garen, werpspiesen en vele andere dingen, die zij tegen belletjes en koralen verruilden. Kortom, zij gaven goedwillig al wat zij hadden; maar ’t kwam mij voor, dat zij anders heel arm waren, en ook liepen zij heelemaal naakt.”Ter eere van koning Ferdinand gaf Columbus aan dit eiland den naam van Fernandina, maar later is het Exhuma genoemd. Columbus beproefde er omheen te varen. Naar het noordwestenzeilende, vond hij eene heel mooie haven, waarin een honderdtal schepen veilig voor anker kon liggen. Hij liep die haven in, en ging met een gezelschap aan land, om water te halen. Terwijl de matrozen de tonnen vulden, wandelde Columbus een klein eind verder, en ging op een groenen heuvel zitten, om het schoone gezicht te bewonderen, dat hem van alle kanten omgaf.In zijn dagboek betuigt hij: “Nooit heb ik vroeger zulk een prachtig landschap gezien.” Het was zoo frisch en groen, als Andalusië er in Mei uitziet. De boomen, de vruchten, het gras en de bloemen waren heel anders dan in Spanje. De bewoners waren heel vriendelijk. Zij wezen den Spanjaarden de beste waterbronnen aan, hielpen hen de tonnen vullen en ze naar de booten rollen.Ofschoon Columbus’ verbeelding veel voedsel kreeg, viel het hem toch bitter tegen, dat er niet meer goud was. Omdat het duidelijk was, dat hij op dit eiland niets van dit kostbaar metaal kon krijgen, zeilde hij den 19ennaar een ander eiland, dat de inboorlingen Saometa noemden. Hij had uit de teekens der wilden afgeleid, dat daar goudmijnen waren, dat het de residentie van het voornaamste opperhoofd of van den koning van al de omliggende eilanden was, en dat die een met juweelen en goud omzoomd gewaad droeg.Toen zij op het eiland aangekomen waren, vonden zij er noch monarch noch goudmijn. De bewoners waren talrijk, het eiland was verrukkelijk en het afhankelijke hoofd droeg heel gewone versierselen. Wat Columbus erg verwonderde was, dat ieder eiland telkens mooier scheen dan dat, ’t welk men van te voren had bezocht, en werkelijk bestond er een groot verschil in de natuurtooneelen. De boomen en bloeiende struikgewassen, welke dit eiland bedekten, waren zeldzaam mooi. Op het eiland vond men hoogten, die vrij aanzienlijk waren. De lucht kwam hem in ’t bijzonder zeer welriekend voor, en het fijne zand op het strand werd door golven bespoeld, die bijna zoo doorzichtig waren als kristal. Midden op het eiland vond hij verscheidene schoone meren vol helder water. Aan dit eiland gaf hij den naam van Isabella, ter eere van de koningin, wier aandenken hij met zooveel trouwe toewijding liefhad. Van dit eiland, dat nu Exumeta heet schreef hij:“De groote meren, welke men hier aantreft, en de boschjes, waardoor ze omringd worden, zijn wonderschoon. En evenals op andere eilanden is hier alles groen. De vogels zingen hier zoo, dat men er altijd naar zou willen luisteren. De vluchten papegaaienzijn hier zoo groot, dat de zon er door verduisterd wordt en de andere vogels, zoo groot als klein, zijn zoo veelsoortig en verschillen zoozeer van de onze, dat men zich er over verbaast. Bovendien ziet men hier duizenderlei soorten van boomen, die elk hun eigenaardige vruchten hebben, waarvan de smaak heel vreemd is, zoodat het mij erg spijt, dat ik ze niet ken; want ik weet zeker, dat ze veel waard zijn. Ik zal er als proef eenige mee naar huis nemen, en ook eenige grassoorten.”“Toen ik hier kwam, kreeg ik van de boomen en bloemen van het land zulk een aangenamen reuk in den neus, dat er in de wereld niets lekkerders wezen kan. Ik geloof, dat hier vele grassen en boomen zijn, waarop men in Spanje zeer gesteld wezen zou, om er aftreksels, geneesmiddelen en specerijen van te maken; maar ik ken ze volstrekt niet, en dit spijt mij zeer.”Niet alleen de vogels, die van tak tot tak sprongen, droegen prachtige veeren, maar ook de visschen, waarvan die kristalheldere wateren wemelden, vertoonden al de schoone kleuren van den regenboog. Zij wedijverden met de vogels in kleurenpracht.De dolfijnen vooral, die gemakkelijk te vangen waren, verrukten de beschouwers door de wondervolle kleurveranderingen, die zij te zien gaven. Het is eenigszins merkwaardig, dat er geen viervoetige dieren gevonden werden, uitgezonderd een paar zeer kleine. Er was er een, die veel op een hond leek, maar in ’t geheel niet blafte. Er waren ook eenige konijnen en hagedissen, welke laatste de Spanjaarden met afkeer en vrees beschouwden, alsof het vergiftige kruipende dieren waren. Naderhand verklaarden zij, dat zij onschadelijk waren en hun vleesch heel lekker smaakte.Maar goud zochten deze ontdekkers. De moeilijk te begrijpen gebarentaal gebruikende, vroeg Columbus ieder opperhoofd dien hij ontmoette, waar men goud kon vinden; maar de inboorlingen bedrogen hem opzettelijk of—en dit kon ook ’t geval wezen—Columbus verstond hun gebaren niet. Steeds wezen zij naar het zuiden en gaven uitdrukkelijk te kennen, dat daar een volkrijk eiland was, dat veel goud bevatte en Cuba heette.Zij, die aan boord van de schepen waren, kenden op het laatst dien naam ook heel goed, en de gebeurtenissen van latere eeuwen hebben hem nog meer bekend gemaakt. Allen verlangden op het eiland Cuba te komen. Men meende, dat er groote steden op dat eiland moesten zijn, en de haven vol groote schepen lag.Het was in het laatst van October. In de keerkringen ving de regentijd aan, waarmee een volkomen windstilte samenging. In den nacht van den 24nOctober zette Columbus de zeilen weerop, om het eiland Cuba op te zoeken. De zeilen hingen echter slap tegen de touwen tot den middag van den volgenden dag toe. Toen verhief zich een lekker en gunstig windje. Door naar het zuidwesten te varen, kreeg hij vele eilandjes in het gezicht; doch hij vond het niet de moeite waard zich er om op te houden. Ook vond hij een eilandengroep, die hij Arene noemde, maar nu de Mucaras heeten.Op den morgen van den 28enOctober kwamen de prachtige bergen van de koningin der Antillen in het gezicht. Nooit kan de schrijver de aandoeningen vergeten, die hij ondervond, toen de schitterende morgenstralen van een der schoonste morgens in de keerkringsgewesten hem de bergen en valleien, het wondervolle gebladerte en groen, en de blijkbaar grenzenlooze uitgestrektheid van het schoonste eiland der aarde lieten zien. Het was misschien niet ver van de plek, waarop Columbus stond, dat hij het verrukkelijk gezicht zag.In de gloeiendste taal beschrijft hij de heerlijkheid van de bergen, die tot in de wolken reiken; de weelde en den bloei van de ruime valleien; de trotsche met wouden bedekte voorgebergten, die in de zee uitloopen en de kapen, die zich naar het noorden zuidwesten zoo ver uitstrekken, dat ze eindelijk aan het oog ontsnappen. Een schoone rivier, aan de noordkust van het eiland, bood hem een goede gelegenheid aan, om met zijn schepen binnen te varen. Hier liet hij dan ook het anker vallen. Het water was zoo doorzichtig, dat men verscheiden vademen diep de visschen en schelpen kon zien. Fijn, wit zand lag op het bed van de rivier en de oevers waren rijkelijk begroeid.Toen Columbus aan land was gekomen, nam hij zooals gewoonlijk het eiland in bezit in den naam van de Spaansche vorsten en noemde het Juan, ter eere van Prins Juan, Isabella’s zoon. De rivier gaf hij den naam van San Salvador. Zoodra de bewoners de schepen zagen, vluchtten zij angstig voor het schrikverwekkende natuurverschijnsel weg.Op het strand trof men twee verlaten hutten aan, waarin eenig vischtuig lag, zooals netten, die op een aardige wijze van de vezels van palmboomen waren gevlochten; voorts vischhaken en beenen harpoenen. Een van die hondjes, die nooit blaffen, liep er om heen. De bewoners van deze hutten waren, volgens de begrippen, die de wilden van welvaart hebben, rijk. De met palm bedekte hutten beschermden hen voor regen en wind. Zilvergras bezorgde hun een zacht en zelfs rijk bed. Kleeren hadden ze niet noodig. Zij behoefden de handen maar uit te steken om vande zwaar beladen takken de rijkste vruchten te plukken. De rivier schonk hun allerlei visch en zooveel als zij wilden hebben.Maar beschouwen wij deze menschen uit het oogpunt van beschaving, dan waren ze zeer arm. De hut, waarin zij woonden was met al wat er in was nauwelijks het kleinste Spaansche geldstuk waard. Columbus beval, dat geen enkel voorwerp in of om de hut mocht worden weggenomen. Met het scheepsvolk van een der booten voer hij de kronkelende en kalme rivier op. Uitingen van vreugde kwamen telkens over zijn lippen.“Cuba”, schreef hij in zijn dagboek, “is het schoonste eiland, dat ooit een menschenoog zag. Daar zou men altijd willen wonen.”Terwijl men de rivier oproeide werden de gezichten, die zich aan het oog vertoonden, telkens liefelijker. De oevers stonden vol reusachtige tropische boomen, en de bloeiende struiken, die hier en daar in groote menigte werden aangetroffen, gaven dezen toovertuin der natuur het voorkomen van een paradijs. Verscheiden dorpen lagen aan de oevers der rivier, maar de inwoners vluchtten naar de bergen, zoodra zij de boot zagen. De huizen, schrijft Columbus, waren hier beter dan hij ze tot dus ver had gezien. Er waren in die dorpen geen regelmatige straten, maar de huizen lagen schilderachtig tusschen de boschjes. Zij waren netjes van palmbladeren gebouwd en van binnen zagen ze er bijzonder zindelijk en ordelijk uit.Toen men weer bij de schepen teruggekomen was, werd de reis langs de kusten naar het westen voortgezet. Columbus was altijd nog maar in de meening, dat hij bij de Indische stranden was. Toen in de verte de eene kaap zich na de andere uitstrekte, tuurde Columbus voortdurend of hij koepeldaken en torens van de een of andere oostersche stad kon ontdekken. Hij dacht, dat Cuba het wereldberoemde eiland Japan was. Maar toen hij drie dagen achtereen langs de kust gevaren had, en geen einde aan het eiland zag, kwam hij tot het besluit, dat hij reeds het vasteland van Indië bereikt had.Eindelijk kwamen zij aan een zeer belangrijk voorgebergte, dicht met palmboomen begroeid, waaraan Columbus den naam van Palmkaap gaf. Men denkt, dat deze kaap het begin van het land aan de oostzijde is, waaraan men nu den naam van Laguna de Moron gegeven heeft.Columbus verzocht nu de twee Pinzons in zijn kajuit te komen, om over de verdere reis te spreken. Alle drie waren het eens, dat Cuba geen eiland, maar het vasteland was, dat zich zeer ver naar het Noorden uitstrekte. Dit deed Columbus denken, dat hij,nu bij het vasteland van Azië zijnde, niet ver van Cathay af kon zijn. Uit de taal van de inboorlingen maakte hij op, dat er, niet veel mijlen ten Noorden, een groote hoofdstad aan een breede rivier lag. Gedurende eenige dagen zeilde hij voort, maar had steeds met tegenwind te kampen, en ziende, dat de kust eindeloos en een storm in aantocht was, keerde hij terug, en ankerde in den mond van een kleine rivier, die hij Rio de los Maries noemde.Het was nu de 1eNovember. Op den oever stonden eenige huizen, en lager nog zag men een boschje van cacao- en palmboomen. Toen de zon opkwam, werd er een boot aan land gezonden. De bewoners namen van schrik de vlucht. Des middags deed Columbus op nieuw een poging, om met de beangstigde lieden, die aan ’t strand stonden, een gesprek aan te knoopen. Daar er op de St. Maria drie Indianen van San Salvador waren, zond Columbus dezen met een boot er heen, om de inboorlingen van hunne vreedzame bedoelingen te overtuigen.Zoodra de Indiaan zoo dicht bij hen kwam, dat ze te beroepen waren, richtte hij vriendschappelijke woorden tot hen. Het scheen, dat zij zijn taal verstonden. Hij sprong in zee, zwom aan land en ging geheel weerloos in hun midden staan. Zij ontvingen hem vriendelijk, luisterden naar zijn woorden, en hij slaagde zoo goed, dat hun vrees week, en er nog vóór het vallen van den avond zestien kano’s vol inboorlingen om de schepen kwamen liggen. Zij brachten katoenen garen mee, dat ze verkoopen wilden; maar Columbus zocht te vergeefs naar goud. Niet het kleinste gouden sieraad was te zien. Slechts één man droeg een klein gesmeed stukje zilver aan den neus.Columbus meende van de Indianen te hooren, dat de groote stad, waar hun vorst woonde, op een afstand van vier dagreizen in het binnenland lag. Daarom besloot hij manschappen uit te zenden, die twee afgevaardigden naar het hof moesten vergezellen. Deze twee mannen heetten Rodrigo de Jerez en Luis de Torres. De laatste was een bekeerde jood, die tamelijk goed Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Arabisch verstond. Columbus achtte het niet onwaarschijnlijk, dat de Oostersche vorst ten minste een van die talen sprak.Twee Indianen gingen met deze gemachtigden als gidsen mee. Een van deze kwam van San Salvador; de ander uit het kleine gehucht aan de oevers van Rio de Los Maries. De afgezanten waren ruim van kleinooden voorzien ter bestrijding van de reiskosten en van kostbaarder voorwerpen, om die den vorst te vereeren.Ook kregen ze een brief mee, waarin de wensch van den koning en de koningin van Spanje was uitgedrukt, om vriendschappelijke betrekkingen met de regeeringen in ’t Oosten aan te knoopen. De afgezanten hadden in last al het mogelijke te doen, om inlichtingen te krijgen betreffende het land en zijne bewoners. Zes dagen mochten zij voor de reis gebruiken.Terwijl Columbus de terugkomst van hetgezantschapafwachtte, was hij druk bezig zijn schepen op te knappen en manschappen uit te zenden, om het omliggende land te gaan verkennen. Zelf nam hij een boot, en roeide zes mijlen ver de rivier op. Hij ging aan wal en klom op een steilen oeverkant, waardoor hij flink in het rond kon zien. Er was, hoe ver hij ook keek, evenwel niets te zien dan een groote menigte boomen, die welig in het wild groeiden en een dicht loover vormden. Te vergeefs zocht hij naar die planten, welke in drogisterijen en apotheken in Europa zoo hoog geschat worden. Soms kwam hij in aanraking met inboorlingen, liet hun dan paarlen en goud zien en vroeg, waar hij zulke dingen vinden kon; maar de antwoorden, die hij in woorden of door gebaren kreeg, maakten hem het spoor nog meer bijster. Zij schenen te kennen te geven, dat er menschen waren, die maar één oog hadden; anderen, wier hoofd op dat van honden geleek, menscheneters waren, de keel hunner slachtoffers afsneden en hun bloed uitzogen.Was de teleurstelling voor Columbus groot, dat hij geen goud kreeg, toch kon hij niet nalaten telkens te zeggen, dat hij de natuur om hem heen zoo prachtig vond. Men verhaalt, dat hij gedurende dit korte uitstapje op een van de schoonste rivieren van Cuba, de inboorlingen op zekeren dag een kleinen, bolvormigen wortel, ter grootte van een appel, in de asch braden zag, en hem opaten. Hij was melig, maar toch heel lekker en werd door hen batatas genoemd. Deze knol is sedert een onmisbaar voedingsmiddel in de geheele beschaafde wereld geworden. De ontdekking van den aardappel, waaraan Columbus niet dacht, is gebleken van grooter waarde voor de menschen te zijn dan het vinden van een berg goud zou zijn geweest.De afgezanten kwamen den 6enNovember terug. Allen gingen nieuwsgierig om hen heen staan, om naar het verhaal hunner lotgevallen te luisteren. Het was echter niet zeer bemoedigend. Nadat zij ongeveer dertig mijlen langs een pad door ’t bosch gereisd hadden, kwamen zij in een gehucht, dat uit nagenoeg vijftig hutten bestond, die niet verschilden van de vroeger gevonden woningen; alleen waren ze misschien iets grooter. Degrootte der bevolking hebben ze stellig zeer overschat, want zij zeiden, dat er duizend menschen waren, en dus zouden er in elke hut twintig hebben moeten wonen. De bewoners ontvingen hen vriendelijk, lieten hen op zonderling gebeeldhouwde houten blokken zitten, en onthaalden hen op vruchten en groenten.De geleerde Jood trachtte in al de hem bekende talen met hen te praten, maar dit ging niet. Toen poogde de Indiaan hen toe te spreken. In hoever dit gelukte, kan niet uitgemaakt worden, maar toen hij ophield gingen de inboorlingen om de blanken heen staan met teekens van bewondering en bijna van vereering. Zij bekeken hun kleeren, streken met de hand over hun huid en schenen hen in alle opzichten als hoogere wezens te beschouwen. Alle inboorlingen, die ze tot nog toe hadden gezien, stonden in aanzien en macht gelijk, maar hier namen ze voor het eerst verschil in rang aan. Een onder hen was als het hoofd te herkennen. Maar goud vond men ook hier niet, niet eens kruiden. De afgevaardigden begrepen dus, dat verder onderzoek nutteloos ware, en daarom keerden ze naar de schepen terug.Volgens hun verhaal hadden al de menschen uit het dorp met hen mee willen gaan, maar voor die eer hadden ze bedankt, en alleen een van de voornaamsten met zijn zijn zoon meegenomen.Op hun terugreis zagen ze voor de eerste maal, dat de inboorlingen een onkruid gebruikten, dat de vernuftige mensch, al kwam zijn gezond verstand er ook tegen op, sedert tot een algemeen weelde-artikel heeft gemaakt. Velen liepen met iets brandends in de hand; anderen rolden gedroogde kruiden in een blad, staken het eene einde aan, het ander in den mond, zogen zoo den rook op en bliezen hem daarna weer uit. Zulk een rolletje noemden ze “a tobacco,” een naam, die later aan de plant gegeven is waarvan de rolletjes gemaakt worden. Ofschoon de Spanjaarden voorbereid waren op veel vreemds, zoo trof hun toch dit zonderling en walgelijk gebruik.De afgevaardigden gaven een boeiend verhaal van de schoonheid der natuur, en de vriendelijkheid van ’t volk. De menschen waren gezellig van aard, en schenen goed met elkander te kunnen omgaan. De dorpen bestonden uit eenige bij elkander staande huizen, en bij elke woning behoorde een goed bewerkte tuin met Indisch koren, aardappelen en andere groenten er in. Ook waren er uitgestrekte katoenvelden. Van het katoen werd touw gemaakt, en hiervan vervaardigden zij netten en smaakvolle hangmatten.De weelderige bosschen waren vol vogels, waarvan velen prachtige veeren hadden, en op de meertjes zwommen watervogels vanallerlei vorm en kleur. Maar van een stad in ’t binnenland, of van kostbare metalen had men niets gezien of gehoord. Columbus was hierdoor zeer teleurgesteld, al reisde hij dan ook door een land, waarvan de schoonheid aan ’t fabelachtige grensde.Het kan niet ontkend worden, dat Columbus zich droombeelden schiep, en dat hij daardoor op zeer zwakke gronden voor waarheid hield, wat hij gaarne voor waarheidwildehouden.Van de Indianen vernam hij, gedurende de afwezigheid van de gezanten, dat er heel ver in ’t Oosten een zeer volkrijk eiland lag, waar de bewoners bij fakkellicht op de oevers der rivieren goud vonden, waarvan zij staven maakten. De zomer in de heete luchtstreek spoedde ten einde, en de winter met zijn vaak kille nachten was in aantocht. Columbus was in zuidelijk Spanje gewoon aan zomers, die haast net zoo zacht waren als die op Cuba. Tot nog toe had hij geen oord gevonden, dat hem geschikt voorkwam, om er een kolonie te stichten. Het was zijn plan niet alleen een landbouwkolonie te vestigen, maar hij wilde gaarne in een volkrijke en welvarende streek voordeelige handelsbetrekkingen aanknoopen, en zijn schepen met oostersche handelswaren laden, waardoor hij zelf en zijn beschermers rijk konden worden, en waarover zijn landgenooten zich zouden verwonderen.Maar tot dus ver had hij slechts naakte wilden gezien, die in ellendige en allereenvoudigste hutten woonden, en hij kon, behalve een paar gouden sieraden, niets mee naar Spanje nemen, dan een kleine hoeveelheid ruw katoenen garen.Columbus gaf den naam van Mares aan de rivier, waar hij voor anker lag. Hier zocht hij verscheiden inboorlingen uit, die zich door lichaamsschoon en geestesgaven gunstig onderscheidden, om ze meê naar Spanje te nemen en ze de Spaansche taal te leeren, zoodat zij hem op latere reizen tot tolken konden dienen. Wij weten niet, of dit hun eigen wil was, dan of zij opgelicht zijn. Hij zocht mooie meisjes uit en jonge mannen, die een flinke gestalte hadden. De beminlijkheid en leerzaamheid van de inboorlingen deden Columbus gelooven, dat zij gemakkelijk tot het christelijk geloof te brengen zouden wezen.Peter Martyr verhaalt van de zeden en gewoonten van de menschen op Cuba het volgende.“Evenals het zonlicht en het water ieder toebehooren, zoo is ook het land het gemeenschappelijk bezit van allen. De woorden ‘mijn en dijn’, die zaden van alle ellende, kennen zij niet. Zij zijn met zoo weinig tevreden, dat zij in zulk een groot land eerder overvloed dan gebrek hebben, en dus in de gouden eeuwschijnen te leven. Hun tuinen liggen open en bloot, zijn niet door heggen verdeeld en worden noch door muren beschermd noch door dijken ingesloten. Zij hebben geen wetten, wetboeken of rechters, maar deelen alles eerlijk met elkander.”Het ligt voor de hand, dat men het met die beschrijving niet zoo nauw nemen moet. De bewoners der nieuwe wereld toch trof men aan met moordtuigen en oorlogswapenen in de hand. Velen hadden op het slagveld wonden gekregen, en zij vertelden zelf van stroopersbenden, die de eilanden met roof en moord vervulden.Vijfde Hoofdstuk.Buitengewone lotgevallen.Voor zoo ver het mogelijk was de godsdienstige begrippen van de inboorlingen te kennen, bleek het, dat zij een onbestemd gevoel hadden van de onsterfelijkheid der ziel. Zij geloofden, dat de geest van den mensch na den dood naar de dichte wouden en rotsachtige bergen verhuisde, en dat hij op een bovennatuurlijke wijze werd gevoed, wanneer hij daar in kelders ingemetseld was. De echo’s, die zij dikwijls bij de bergen hoorden, hielden zij voor antwoorden van de afgestorvenen.Den 12enNovember 1492 zette Columbus koers naar het Zuidoosten, en ging ook nu langs de kust van het eiland.Men vermoedt, dat Columbus het ⅔ deel van de lengte van Cuba had afgelegd. Had hij nog een paar dagen doorgevaren, dan zou hij de westelijke kust bereikt, en niet in den waan verkeerd hebben, dat hij bij het vasteland was.Twee of drie dagen lang zeilde hij langs de kust voort, zonder zich ergens op te houden, om het binnenland te onderzoeken. Een storm noodzaakte hem een haven binnen te loopen, die hij Puerto del Principe noemde. Volgens zijn gewoonte richtte hij hier een kruis op, en nam in den naam van zijn vorsten plechtig bezit van het land. In de nabijheid lagen vele kleine en zeer mooie eilanden, die hij met de booten onderzocht, en die later bekend werden onder den dichterlijken naam van El Jardim del Roy of den Koningstuin. Aan de golf of baai, die deze eilanden verfraaide, gaf hij den naam van Nuestra Senora. Dichte wouden bedekten deze schilderachtige eilanden, die uit den oceaan het hoofd opstaken. De in alle richtingen loopende en kronkelende doorvaarten, benevens de eenzame inhammen van deze schoone streek werden in latere jaren door zeeroovers onveilig gemaakt,die wreedheden pleegden, waarvan de opsomming zelfs duivelen zou doen blozen.Den 19nNovember heesch Columbus alweer de zeilen, omdat hij plan had naar een eiland te gaan, dat omstreeks 60 mijlen oostwaarts lag, en door de inboorlingen Babique werd genoemd. Met zijn niet sterk schip kampte hij een dag en een nacht met tegenwind en een onstuimige zee. Maar ernstiger tegenspoed stond hem te wachten.Martin Alonzo Pinzon, bevelhebber van De Pinta, was rijk en een ervaren zeeman. Hij had veel geld in de onderneming gestoken, en volstrekt geen zin Columbus in alles als zijn meerdere te erkennen. De admiraal was een man, die zich koninklijk gedroeg en dacht. Waarschijnlijk waren beider inzichten in den laatsten tijd met elkander in tegenspraak. Columbus wendde het roer, om naar de haven terug te keeren, en beduidde de andere schepen evenzoo te doen. Pinzon sloeg er geen acht op. Hij ging van de beide andere schepen weg, en besloot een kruisvaart op eigen hand te doen. Toen de morgen van den 21endaagde, was De Pinta nergens te zien.De ergernis van Columbus was groot. Hij vreesde dat Pinzon plan had, om zoo spoedig mogelijk naar Spanje terug te keeren, de groote ontdekking bekend te maken, en zelf de eer te ontvangen, die het bericht van zulk een belangrijke gebeurtenis hem stellig geven zou. Den vluchteling te vervolgen was nutteloos. De driftige en teleurgestelde admiraal keerde naar Cuba terug. Den 24enNovember liep hij een prachtige haven binnen, die hij St. Catarina noemde. Hij was dicht bij den mond van een schoone rivier, wier oevers omzoomd waren met groene weiden, waarvan de bevalligheid alle beschrijving te boven ging, en die als bezaaid waren met boschjes van pijnboomen en reusachtige eiken.Hij bleef langs de kusten van Cuba kruisen en had, oostwaarts zeilende, de schoonste vergezichten, die telkens kreten van verrukking deden slaken. In zijn reisbeschrijving komen ook uitdrukkingen voor, die van verrukking getuigen over den helderen hemel, den gezonden dampkring midden in den winter, de kristalheldere rivieren, de havens, die zoowel het landschap verfraaiden, als een groote veiligheid aanboden; de vruchten, de bloemen, het gezang der vogels, de vriendelijkheid van de mannen en de beminlijkheid van de vrouwen. In een van de havens, die hij Puerto Santo noemde, schreef hij in een brief aan de koningin:“De schoonheid van deze rivier en het kristalheldere water,waardoor men het zand op den bodem kan zien; de vele palmboomen van allerlei vorm, zoo groot en mooi als ik ze ooit zag en de ontelbare andere groote en groene boomen; de vogels met hun rijke kleuren en het groen der velden, maken dit land, doorluchtige vorsten, zoo verwonderlijk schoon, dat het alle andere landen in bekoorlijkheid overtreft, gelijk de dag den nacht in luister te boven gaat. Daarom zeg ik dikwijls tot mijn volk, dat, hoe ik ook poog Uw Majesteiten een volledig verhaal er van te geven, mijn mond de geheele waarheid niet zeggen en mijn pen haar niet beschrijven kan. Ik ben zoo overweldigd door het gezicht van zooveel schoons, dat ik niet weet, hoe ik alles verhalen zal.”Sommige van die boomen waren zoo ontzettend dik, dat de inboorlingen van één boom een kano konden maken, groot genoeg voor honderd man. Langzaam zeilde Columbus voort, en kwam den 5enDecember aan de oostelijkste punt van het eiland. Daar hij dit punt voor de oostelijkste kaap van het vasteland van Azië hield, en dus voor het eerste punt, dat men bereikte, als men uit Europa kwam, noemde hij deze kaap Alpha en Omega, het begin en het einde.Columbus wist volstrekt niet, welken koers hij nu nemen moest. De Indianen gaven wonderhoog op van Barbique, en door hun aanwijzingen geleid, zeilde hij van het einde van Cuba naar het Oosten, toen hij in een zuidoostelijke richting hooge bergen ontdekte, die zich boven den horizon verhieven. Maar toen de Indianen, die aan boord waren, zagen, dat hij daarheen wilde gaan, meenden zij, dat het de Antillen waren, en dit vervulde hen met schrik. Zij smeekten hem er niet heen te gaan en verzekerden, dat de menschen daar buitengewoon wreed en woest waren, zoodat zij de gevangenen doodden en opaten.De dampkring is tusschen de keerkringen zoo zuiver, dat men ver verwijderde voorwerpen met de grootste nauwkeurigheid kan zien. Columbus kwam bij het groote en schoone eiland Haïti. Dit eiland is een van de liefelijkste plekjes op aarde, doch de mensch heeft er zulk een treurig tooneel van misdaad en ellende van gemaakt, als ergens op de oppervlakte van den aardbol gevonden wordt. De bergen verhieven hun kruinen tot in de wolken, en hun kanten waren met weelderige wouden begroeid. Van den voet der bergen af tot aan de zee toe, zag men groene vlakten en dalen met boschjes van vruchtboomen en bloembedden. Door den rook, die uit de bosschen opsteeg, werd het Columbus duidelijk, dat dit land zeer bevolkt moest wezen. Later werdverzekerd, dat het eiland omstreeks 400 mijlen lang en 150 breed was. Het besloeg een oppervlakte van nagenoeg 30000vierk.mijlen. Dit vorstelijk eiland werd onlangs bijna geheel aan de Vereenigde Staten aangeboden als een vrije gift, maar het Congres bedankte voor dit aanbod.Op den avond van den 6enDecember kwam Columbus, dicht bij het westelijk deel van dit eiland, in een haven, die hij St. Nikolaas noemde, en zij draagt dien naam nog. De landstreek was een Eden gelijk. Majestueuse bosschen en volgeladen boomen zag men er. Aan den eenen kant lag er een weelderige vlakte, die zich naar het binnenland uitstrekte, waardoor een rivier met het helderste water kronkelde. Aan den wal bevonden zich vele kano’s, en verderop zag men schilderachtige dorpen liggen, verscholen in de schaduw van de boomen en door liefelijke weiden omgeven. Maar de inboorlingen hadden allen de vlucht genomen, alsof zij zich bewust waren, dat de grootste vijand, dien zij op aarde hadden, hun medemensch was.Zonder met de menschen in aanraking te zijn gekomen, gingen zij de haven weer uit, en voeren langzaam langs de kust naar ’t Oosten, met opgetogenheid naar de bergen en de effen vlakten ziende. Een diepe en breede vallei, die door hen werd opgemerkt, droeg duidelijk de kenmerken van beschaving. Zij liepen een fraaie haven binnen, die Columbus Port Concepcion noemde, doch nu de baai van Moustique heet. Hier kronkelde ook een schoone rivier door een streek, die een tuin kon heeten. De rivier en de baai wemelden van allerlei soort van visch. Velen werden met netten gevangen. Enkelen waren zooals die in Spanje. Er was een vogel, wiens gekweel zeer met dat van den nachtegaal overeenkwam, en hen herinnerde aan de bosschen van Andalusië. Daarom gaf Columbus aan dit eiland den naam van Hispaniola of Klein-Spanje. De Franschen noemden het naderhand St. Domingo.Columbus schrijft in zijn brief aan het hof: “Hispaniola is grooter dan heel Spanje, van Catalonia tot Fontarabia. Een van de vier zijden, waar ik landde, en die recht van het Westen naar het Oosten loopt, is 540 mijlen lang. De groote stad, die ik in bezit nam, heeft een zeer gunstige ligging. Ik gaf bevel er een fort te bouwen, waarin ik zooveel manschappen legde, als ik noodig achtte, en wist de gunst van den koning voor hen te verwerven, wat mij zoo goed gelukte, dat het haast niet te gelooven is. De menschen zijn er zoo aardig en vriendelijk, dat zelfs de koning er een eer in stelde mij zijn broeder te noemen.”Zes wel gewapende mannen door Indiaansche tolken begeleidwerden naar het binnenland gezonden, ten einde, zoo mogelijk, met de inboorlingen in aanraking te komen. Zij vonden wel huizen, dorpen en tuinen, maar er was niet één Indiaan te zien. Alle bewoners waren naar de ontoegankelijke klippen op de bergen gevlucht.Den 12enDecember richtte Columbus een kruis op en nam—voor zoo ver de gelegenheid dit toeliet—op een plechtige wijze bezit van het eiland.Tijdens het verblijf in de haven ontmoetten eenige zeelieden, die in den omtrek uitstapjes maakten, eenige eilandbewoners, die als herten vloden. De matrozen zetten hen na. Een schoon, jong meisje van omstreeks achttien jaren ziende, bevallig als een hinde, maar dat de sterker gebouwde vluchtelingen niet bij kon houden, liepen ze allen haar na, en ’t gelukte hun haar te krijgen. Met groote ingenomenheid voerden ze deze liefelijke buit naar de schepen.Columbus ontving het meisje met vaderlijke minzaamheid. Hij overlaadde haar met geschenken, en tooide haar met de kleine tingelende belletjes, die voor de inboorlingen een onbeschrijfelijke bekoring hadden. Aan boord van het admiraalschip waren nog meer van die inlandsche vrouwen. Deze stelden de jonge gevangene al heel gauw gerust, en in een uur tijd gevoelde zij zich geheel op haar gemak, en was met de ontvangst zoo ingenomen, dat zij geen lust meer had aan land te gaan.Het eenige sieraad, dat deze schoone Indiaansche vrouw bij het gevangen nemen droeg, was een ring van zuiver goud, die aan den neus hing. Columbus was zeer blij bij het zien van dit kostbaar metaal, want het was een sterk bewijs, dat er goud op dit eiland was. De admiraal voorzag het meisje van kleeren, zooals die in beschaafde landen gedragen werden, en zond haar aan land met vriendelijke boodschappen aan haar landgenooten. Onderscheidene matrozen en drie Indiaansche tolken gingen met haar mee. Het dorp, waar zij thuis hoorde, lag ver landwaarts in, en daarom keerden de zeelieden, die het niet veilig achtten onder wilden te reizen, die den naam hadden van zeer wreedaardig en vijandig te zijn, naar de schepen terug. Het gelukkige meisje mocht alleen naar haar bloedverwanten gaan.De admiraal vertrouwde, dat de berichten van haar bij de inboorlingen niet dan een welwillend gevoel zouden opwekken, en zond daarom den volgenden morgen negen goed gewapende mannen uit, met een Cubaanschen tolk er bij, om het spoor door de weelderige wildernis te volgen naar het dorp, waar het meisjewoonde. Op een afstand van twaalf mijlen troffen zij een aantal vrij groote hutten aan, schilderachtig aan de oevers van een schoone rivier gelegen. De afgezondenen telden omstreeks duizend woningen, maar zagen niet één dorpeling. Klaarblijkelijk zag men in dat meisje een middel, dat listige en booze lieden gebruikten, om de inboorlingen te lokken en in hun macht te krijgen. De Cubaansche tolk zette de vluchtelingen na. Toen zij hem alleen zagen aankomen, gingen zij naar hem toe. Het scheen, dat op alle eilanden dezelfde taal gesproken werd. De Cubaan deed den vreemdelingen zulke mededeelingen, dat eenige van de moedigsten onder hen, ten getale van ongeveer 2000, het waagden langzaam terug te gaan. Met vrees en beving liepen zij evenwel voort. Las Casas zegt, dat hun gestalte zeer bevallig was, en dat zij een schooner gelaat en fijnere trekken hadden, dan een van de inboorlingen, die zij tot dus ver hadden gezien.Langzamerheid kwam er vertrouwen; maar nog altijd, zoo wordt verhaald, zagen de inboorlingen in die vreemdelingen hemelsche wezens, die bovennatuurlijke kracht bezaten. In hun oog waren zij met bliksem en donder gewapend. Daarom beefden al die twee duizend menschen, toen zij bij die negen hemelsche bezoekers stonden. Menigmaal maakten ze zeer diepe buigingenen zetten de handen op het hoofd, als een teeken van eerbied en onderwerping.Terwijl men deze vriendschappelijke samenkomst hield, verscheen er een andere troep Indianen. Zij brachten de schoone gevangene, die zij op de schouders droegen, weer, met Europeesche kleeren aan en getooid met de blinkende kleinooden, die zij ontvangen had, en die in hun oogen nog schitterender waren dan de kostelijkste paarlen en edelgesteenten, waarmede ooit het voorhoofd van een hertogin is versierd geweest. De Indianen geleidden de vreemdelingen in hun huizen, en onthaalden hen op de uitgezochtste spijzen. Met de meeste gulheid boden zij hun gasten alles ten geschenke aan, wat zij bezaten; tamme papegaaien, vruchten, bloemen en fraai geweven matten en hangmatten.Verrukt over de schoonheid van het land, dat zij doorgetrokken waren, en over de gastvrijheid der inwoners, keerden de Spanjaarden naar hun schepen terug. Maar goud, helaas! was er niet. Het is duidelijk, dat Columbus en zijn volgelingen op dien tijd in een gemoedstoestand verkeerden, die hun de andere zijde van de schilderij niet deed zien. Men kan werkelijk een schoonen zomermorgen schilderen en vergeten, dat de koude en donkere Novemberdagen volgen, waarop stormen loeien, die hemelen aarde schijnen te zullen doen vergaan. In een aan Louis de St. Angel gerichten brief, schrijft Columbus:“Nadat zij ons vertrouwden en de vrees geweken was, waren zij zoo vrijgevig met wat zij hadden, dat zij, die het niet gezien hebben, het niet kunnen gelooven. Nooit weigerden zij iets, wat men hun vroeg, maar gaven het met blijdschap; en zij bewezen zooveel vriendschap, dat het was, als gaven ze ons hun hart. En of het voorwerp veel of weinig waard was, zij waren tevreden met alles, wat zij terugkregen. Het schijnt, dat de mannen in deze streken slechts één vrouw hebben, maar hun opperhoofd of koning geven zij er twintig. De vrouwen werken, dunkt mij, meer dan de mannen, en ik heb geen gelegenheid gehad te vernemen, of zij eigendommen bezitten; maar ik denk, dat zij alle goederen gemeen hebben.”Veel werk behoefden zij stellig niet te doen. Kleeren maken en wasschen; vloerkleeden uitkloppen en schuieren; borden en kopjes wasschen; vuur aanmaken, tenzij om wat te koken, dat alles was niet noodig. Aan elken tak hingen vruchten, en voedsel was er derhalve in overvloed.

De Santa Maria.De Santa Maria.

De Santa Maria.

De Santa Maria.

In den vroegen morgen van den 3nAugustus 1492, juist toen de zon uit de golven van den oceaan opkwam, haalde de kleine vloot de zeilen op voor den avontuurlijksten en gevaarvolsten tocht, waarvan de wereldgeschiedenis gewaagt.

Men was te bewogen, om vroolijk te wezen. Geen hoera! werd gehoord, en luidruchtigheid was verre. Getabbaarde priesters brachten de zeelieden aan boord. Toen de zeilen ontplooid waren ende zwakke vaartuigen door een gunstigen wind langzaam uit het gezicht verdwenen, schreiden en weeklaagden allen, die achtergebleven waren, en hun hart was door een somber voorgevoel beangst.

Met het eerste gedeelte van den weg, dien Columbus wilde volgen, was hij zeer vertrouwd. Aanstonds zette hij koers naar de Kanarische eilanden. Er waaide een frissche, gunstige bries, en alles ging heel goed. De bemanning der drie schepen bestond, zooals wij vroeger opmerkten, uit domme en bijgeloovige menschen, waarvan velen tot den dienst geprest waren. Toen zij de bergen van hun geboorteland achter zich zagen verdwijnen, werden zij door vrees overmand.

Reeds bij het begin van de reis openbaarden zich teekenen van ontevredenheid en bijna van oproer. Van een der schepen ging op den derden dag reeds het roer verloren. Columbus kon op goede gronden aannemen, dat het door sommige ontevredenen met opzet was veroorzaakt. Gelukkig wist de bevelhebber door zijn kennis en ervaring het ongeval eenigszins te verhelpen. Maar toch was het schip zoo gehavend, dat het alleen met de andere mee kon komen, als de zeilen ten deele inkrompen. Een reis van zeven dagen bracht hen in het gezicht van de Kanarische eilanden, en zij hadden dus van Palos af gerekend, ongeveer duizend mijlen afgelegd. Hier werd Columbus drie weken opgehouden. Het gehavende schip werd voor onzeewaardig verklaard. Maar zij kregen gelukkig een ander schip en De Pinta kreeg een nieuw roer, terwijl men het schip nog sterker trachtte te maken, ten einde er de reis mee te kunnen doen.

Na een oponthoud van drie weken werden de zeilen voor de tweede maal geheschen. Nu bevoer men onbekende zeeën, want de Kanarische eilanden vormden toen de grenzen van de bekende wereld. Nauwelijks waren de eilanden uit het gezicht, of er ontstond een volkomen windstilte. Drie dagen lang dreven de schepen zonder vooruit te komen op de spiegelgladde baren van den oceaan. Op nieuw verloren de zeelieden den moed.

Op den 9enSeptember kwam er een fiksche bries, die de zeilen deed zwellen, zoodat zij flink vorderden. Het was Zondagmorgen; een wolkenlooze hemel en de schijnbaar grenzenlooze Oceaan omringden hen. Toch was er geen vreugde op de schepen. Alleen werden ontevreden blikken gezien, morrende woorden gehoord. Columbus deed al wat hij kon, om de moedeloosheid der zeelieden te verdrijven en hun een deel van zijn eigen geestdrift in te boezemen. Bemerkende, dat hun vrees van nimmer weer huiswaartste kunnen gaan met iedere mijl, die men vorderde, grooter werd, bedacht hij een list, omnl.dubbele aanteekening te houden van hun vorderen per dag. De een was voor hem zelf, en de andere moest aan de zeelieden getoond worden, om hun den indruk te geven, dat de afgelegde weg veel kleiner was dan met de werkelijkheid overeenkwam. Dagen van grooten angst en aanhoudende waakzaamheid gingen langzaam voorbij, terwijl Columbus met den grootsten spoed het doel trachtte te bereiken, dat hij, hiervan hield hij zich overtuigd, weldra bereiken zou.

Het is eenigszins zonderling, dat hij geen land meende te zullen vinden binnen den afstand van omstreeks 3000 mijlen. Nog bevond hij zich op een watervlak, waarop nooit het oog van een mensch gerust had. Niemand kon zeggen, welke voorwerpen zich aan hen zouden voordoen.

Columbus stond op het dek en gaf zorgvuldig op alles acht, tot dat de laatste avondstralen verdwenen. Zoodra de morgen aanbrak, stond hij alweer op den boeg op wacht. Met de grootste nauwkeurigheid gaf hij acht op de verandering in de kleur van de lucht, de tint van het water, den vorm van de wolken en de windrichting. Den 14enSeptember vloog er des nachts iets vurigs door de lucht, dat slechts een paar mijlen van hen af in zee viel. Dit vermeerderde grootelijks den angst van de bijgeloovige matrozen.

Zij kwamen in het gebied der passaatwinden, en werden dagen aaneen van het oosten naar het westen voortgedreven. Ook dit sloeg hun den schrik om ’t hart. Nooit meenden zij terug te kunnen keeren. Zij waren in de heete zone gekomen en vonden de lucht wonderbaarlijk zacht. ’t Was een genot, die in te ademen. De moed van Columbus werd zeer opgewekt toen hij groote hoeveelheden drijvend zeegras of wier zag, dat, dit wist hij, van westelijke kusten moest losgerukt zijn. Op een van die hoopen gras vingen zij een levende krab. Dag aan dag blies de regelmatige, aangename wind in de zeilen, terwijl de zee, zooals Columbus opmerkte, zoo kalm was als de Guadalquivir te Sevilla.

Teekenen van naderend land verlevendigden de hoop van het scheepsvolk. Een rijke belooning werd dengene toegezegd, die het eerst land zou ontdekken. Op den avond van den 18enSeptember zag men een menigte landvogels, die naar het noordwesten vlogen. Ook zag men in die richting wolken drijven, zooals die gewoonlijk boven het land hangen. Columbus ging peilen, maar kon geen grond voelen.

Op nieuw werd het scheepsvolk benauwd met het oog op deverbazend groote watervlakte, die hen thans van het vaderland scheidde. Columbus had alle gezag noodig en moest veel takt gebruiken, om die vrees weg te nemen. Gelukkig vermenigvuldigden zich de bewijzen, dat men in de nabijheid van land kwam. Verscheidene landvogels zetten zich op het schip neer, en sommigen waren zoo klein, dat zij blijkbaar niet ver konden vliegen. Toch kon men nog geen grond peilen. Weer werd de zee doodstil. De oceaan werd zoo glad en effen als een spiegel, en de zuiderzon scheen zoo fel, dat het dek der schepen begon te blakeren. Op den 25enrees de zee, zonder de minste verheffing van den wind, verbazend hoog. Ongetwijfeld was dit het gevolg van een verwijderden storm, die het water opzette.

De oproerige gezindheid van de schepelingen veranderde met de wisselingen, die zij hadden. Columbus echter bewaarde een opgeruimd voorkomen en verloor zijn zelfvertrouwen niet. Sommige misnoegden bevredigde hij door vriendelijke woorden, anderen hield hij door bedreigingen in ontzag en eenigen kregen een voorbeeldige straf. Op nieuw verhief de wind zich een weinig, die wel de oppervlakte der zee nauwelijks rimpels gaf, maar toch de zeilen deed zwellen. De schepen bleven zoo dicht bij elkander, dat Columbus gemakkelijk met de andere officieren spreken kon. Terwijl ze zoo aan ’t praten waren, hoorden ze op eens een luiden gil van De Pinta. Een man op het achterschip wees naar het zuidwesten en schreeuwde zoo hard hij kon: “Land, land! Ik eisch de belooning!” Aller oogen wendden zich naar dien kant en men zag op een afstand van ongeveer 60 mijlen een bergketen met wolken bedekt.

Een onbeschrijfelijke geestdrift bezielde al de schepelingen. Zij klommen in het want, in de masten en keken allen denzelfden kant uit. Het was laat in den middag. De korte schemering der keerkringslanden verdween, en nachtelijke duisternis bedekte weldra den oceaan. Den geheelen nacht door stuurden de schepen op het verwachte land aan. Met het eerste morgenkrieken stonden allen op het dek. Tot hun bittere teleurstelling zagen ze niets meer aan den horizon. Geen zweem van een wolk zelfs was te bespeuren. Toch was de wind gunstig, de zee kalm en het klimaat heerlijk. Dolfijnen speelden om den boeg; vliegende visschen sprongen op het dek en de matrozen vermaakten zich, zoo wordt verhaald, met om het schip heen te zwemmen.

Volgens de eigen berekening van Columbus, was men nu 2022 mijlen van de Kanarische eilanden af, maar volgens de opgave, die men aan de matrozen te zien gaf, had men nog maar 1740mijlen afgelegd. Nog verliepen er een paar dagen waarop men weinig vorderde, toen er zich op nieuw een geest van ontevredenheid en verzet openbaarde. Hij werd evenwel spoedig onderdrukt door de verschijning van groote koppels vogels en andere aanwijzingen, dat er land in de nabijheid lag.

De verlangende zeelieden maakten dikwijls valsch alarm, en hielden verwijderde wolken voor bergtoppen. Om dit tegen te gaan, bepaalde Columbus, dat hij, die land! riep, en men dan nog in geen drie dagen land zag, alle aanspraak op de belooning verbeuren zou. Men verhaalt, dat Columbus omstreeks dezen tijd met zijn scheepsvolk de overeenkomst sloot, dat hij van de onderneming zou afzien, als men binnen drie dagen geen land ontdekte. Maar voor dit verhaal ontbreken deugdelijke bewijzen.

Gelukkig wordt dit vertelseltje door het dagboek van Columbus zelf, dat elken dag met den grootsten eenvoud bijgehouden is geworden, weersproken, en blijkt het, dat hij op den eigen dag, die aan de ontdekking voorafging, zijn vast besluit te kennen had gegeven, om te volharden ondanks alle gevaren en moeilijkheden.

Juist, toen het oproerige scheepsvolk wanhopig begon te worden, kreeg men het onbetwistbare bewijs dat er dichtbij land was. Andere bossen gras vond men, zooals aan de kanten van rotsen en rivieren aangetroffen wordt. Men vischte een tak van een meidoorn op, waaraan nog groene blaadjes en bessen zaten. Ook vonden zij, en dit gaf nog den meesten moed, een stuk van een plank en een stok, die keurig besneden was.

Aan boord van het admiraalschip werden geregeld godsdienstoefeningen gehouden. De admiraal scheen dezen avond bijzonder ernstig gestemd te zijn. Wel was hij altijd ernstig, bezadigd en bedachtzaam, maar nu scheen zijn gemoed overstelpt te zijn door de bewustheid, dat hij nu op het punt stond, om te volvoeren, wat hij levenslang gehoopt had. Op ernstige wijze sprak hij het scheepsvolk toe, bracht in herinnering, hoezeer God hen beschermd had, en verzekerde hun, dat zij naar zijn oordeel nu ongetwijfeld het land naderden, dat hij verwacht had te zullen vinden. Ja, hij geloofde, dat zij nog dienzelfden nacht aan land zouden komen. Hij gaf bevel, om goed wacht te houden, en voegde aan de belooningen van de souvereinen nog de gift van een fluweelen wambuis toe aan hem, die het eerst de kust zien zou.

Columbus op zijn eerste reis.Columbus op zijn eerste reis.(Naar een oude afbeelding).

Columbus op zijn eerste reis.

Columbus op zijn eerste reis.

(Naar een oude afbeelding).

Des nachts wakkerde de wind aan en snel kliefde de kleine vloot de golven. De Pinta zeilde het hardst en was een weinig vooruit. Zeven en zestig dagen was het nu geleden, dat de Spaansche hooglanden aan de oostelijke kim verdwenen. Het was de 11eOctober 1492. Geen wolk was er aan den tropischen hemel, waaraan de sterren fonkelden, te zien. Een stevige en frissche bries zweepte de baren voort, die bijna geen rimpels hadden. De harten van allen waren zeer opgewekt. Bijna niemand op de drie schepen sliep, en Columbus stond op den boeg van zijn vaartuig, en keek met een vurig verlangen naar den gezichteinder.

Omstreeks 10 uren trof het flauwe schijnsel van een flambouw zijn oog. Voor een oogenblik kon men de vlam heel goed waarnemen, en dan werd zij weer geheel onzichtbaar. Zijn hart klopte van aandoening. Was het een tochtverschijnsel, een gezichtsbedrog of een licht van het land? Bevende van opgewondenheid zag hij het licht op nieuw en nu zeer duidelijk, onbetwistbaar. Aanstonds riep hij Pedro Gutierrez tot zich, een van de aanzienlijkste heeren van zijn metgezellen. Deze zag het licht eveneens. Toen riepen zij een derde, Rodrigo Sanchez, die den tocht meemaakte als vertegenwoordiger en verslaggever van hun Majesteiten. Maar het licht was weer weg. Spoedig echter zag men het weer en ook Sanchez zag het. Toch kon het nog wel een tochtverschijnsel wezen. Een flambouw op het land was hun ook iets onverklaarbaars. In het dagboek staat:

“Het leek een kaars, die op en neer ging, en Christophorus twijfelde niet, of het was wezenlijk een licht en op het land. En het bleek ook waar te wezen, want het kwam van lieden, die met lichten van de eene hut naar de andere gingen.”

Deze schijnsels duurden evenwel maar zoo kort, dat er door de anderen op het schip niet veel waarde aan werd gehecht, ofschoon Columbus vast overtuigd was, dat het licht van het land was. Zoo zeilde de kleine vloot nog 4 uren lang voort, toen er, des morgens te 2 uur, door een der matrozen van De Pinta, die Rodrigo de Triana heette, land werd gezien. Een kanonschot van De Pinta kondigde het heuglijk nieuws, dat er land ontdekt was, aan. Heel spoedig waren de nog wel donkere, maar zeer duidelijke omtrekken van het land op alle schepen te zien. De beloofde jaarwedde van 10,000 maravedis aan hem, die het eerst land zien zou, werd Columbus toegewezen, ofschoon vele meenden, dat zij Rodrigo de Triana rechtmatig toekwam.

De overige uren van den nacht gingen spoedig voorbij. Helderen schitterend daagde de morgen, en ontrolde aan het verrukte oog van Columbus een tooneel, waarbij het paradijs het nauwlijks halen kon. Daar lag een laag eiland voor hem in de rijkste weelde en bloei der keerkringsgewesten. De boomgaarden, vlakten en parken der natuur spreidden zich in alle richtingen uit. Tal van inboorlingen zag men uit de bosschen komen, en in een toestand van groote opgewondenheid langs het strand loopen. Zij waren allen moedernaakt. Vermoeid als de reizigers waren door zooveel weken lang niets dan water te zien, had het tooneel, dat zij nu aanschouwden, voor hen de bekoring van een feeënland.

Van elke karveel liet men de boot zakken. Nadat zij bemand waren, nam Columbus, zeer rijk in purperkleurig gewaad gekleed en met Castiliaansche pluimen op den hoed, de leiding ervan op zich. Het spreekwoord zegt: “Op een afstand lijkt alles mooi,” maar toen zij dichter bij land kwamen, werd het gezicht al schilderachtiger en mooier. De woningen der inboorlingen stonden in de uitgestrekte boschjes overal verspreid. Hoogten en laagten stonden vol boomen, die zelf even als hun gebladerte er vreemd uitzagen. Verbazend veel bloemen waren er van de schitterendste kleuren, zooals de avonturiers nog nooit hadden gezien. Vruchten, van allerlei vorm en kleur, hingen aan de boomen. Vooral maakt Columbus gewag van het gezang der vogels, dat de lucht vervulde; van de zuivere en welriekende lucht en van het kristalheldere water.

Zoodra Columbus aan land stapte, viel hij op de knieën en dankte God. De matrozen schaarden zich om hun beroemden leidsman, volgden zijn voorbeeld en schaamden zich over hun oproerig gedrag. Velen weenden, kusten zijn handen en smeekten om vergeving. Zij, die het lastigst waren geweest, vleiden nu het meest, kropen nu het laagst, want zij hoopten gunsten te ontvangen, waardoor zij zich zouden kunnen verrijken en tot den adelstand verheffen.

Met indrukwekkende, godsdienstige gebruiken plantte Columbus nu de Spaansche vlag op het strand. In vrome erkenning van Gods goedheid, die hen zoo ver had geleid, noemde hij het eiland San Salvador. Toen vorderde hij van de bemanning der drie schepen den eed van trouw aan hem als Admiraal en Onderkoning van al de rijken, die men nu zou betreden.

De inboorlingen stonden er schroomvallig omheen, en keken al die bewegingen met diep ontzag aan. Men verhaalt, dat, toen zij voor het eerst de schepen zagen, die zich schijnbaar van zelf voortbewogen en hun verbazend groote vleugels introkken, zijdie voor zeemonsters hielden of voor vogels, die op reusachtige vleugels uit hun luchtverblijven afdaalden. Toen de zeelieden met hun schitterende maliënkolders, vreemde kleeding en oorlogswapenen aan wal stapten, vluchtten zij van schrik in de bosschen. Maar toen zij zagen, dat ze niet vervolgd werden, en wij geen vijandige bewegingen maakten, kwamen ze langzaam terug. De gebiedende gestalte van Columbus, zijn verheven wijze van doen, zijn scharlaken kleeding en de eerbied, welken al zijn metgezellen hem bewezen, maakten, dat de inboorlingen met de grootste vereering tot hem opzagen.

De inboorlingen geloofden over het algemeen, dit wordt telkens getuigd, dat de Spanjaarden uit de lucht gekomen waren. Een hunner opperhoofden onderzocht later dan ook, hoe zij naar beneden gekomen waren, òf vliegend òf door nederdaling op de wolken.

Daar er dus twee partijen waren, die elkander aankeken, was de verbazing wederkeerig. Het tooneel, dat zich aan de Spanjaarden voordeed, was even buitengewoon als dat, wat de inboorlingen aanschouwden. Het landschap was in al zijn afwisseling zoo nieuw voor de vreemdelingen, alsof zij op een andere planeet waren gekomen. Boomen, vruchten, bloemen, alles was heel anders, dan wat zij tot nog toe hadden gezien. Het klimaat scheen volmaakt, want het was warm en toch niet drukkend; men gevoelde evenmin rilling, als men van overmatige hitte last had. De paradijs-onschuld, de zedigheid en eenvoud van de inboorlingen wekten hun verwondering en bewondering op. Hun gele tint vindt men nog mooi. Hun fraai geronde leden hadden regelmatige en bevallige vormen, die met de wereldberoemde beelden van Venus en Apollo zouden hebben kunnen wedijveren.

Waren de bijgeloovige inboorlingen door het gezicht van wezens, die òf uit de lucht waren neergekomen òf uit de diepte opgerezen, zooals zij meenden, getroffen, sterker is de indruk wellicht bij de Spanjaarden geweest.

Columbus meende, dat hij op het uiterste eiland van Indië geland was. Daarom noemde hij de inboorlingen dan ook Indianen. Dien naam hebben langzamerhand alle bewoners van de nieuwe wereld gekregen.

Toen de inboorlingen ondervonden, dat de vreemde bezoekers hun geen kwaad deden, werden zij langzamerhand vertrouwelijk en welwillend. Zij overlaadden de Spanjaarden met de sterkste bewijzen hunner gastvrijheid. De matrozen liepen zonder vrees door de bosschen, en aten de vroeger nooit geproefde vruchten, die aanzoo vele takken zaten. Dat Columbus van nature een goedhartig man was, schijnt onwedersprekelijk; maar door den invloed van de domheid dier dagen, maakte hij zich later aan vele wreedheden schuldig. Hij stal de harten van de inboorlingen geheel door hun eenige blinkende kraaltjes of tingelende klokjes te geven. Zij beschouwden die als dingen van onschatbare waarde.

De mooie meisjes, die zich zeer zedig gedroegen, hingen die klokjes om haar midden en dansten vroolijk, terwijl zij naar het getingel luisterden. Columbus vertelt in zijn beschrijving, dat zij geen kroeshaar hadden als de Afrikanen, maar dat het lang en zeer zwart was, en meestal op de schouders hing. Opdat het haar niet over de oogen hangen zou, werd het van voren afgeknipt. Haar gelaatstrekken maakten een aangenamen indruk en zij hadden hooge voorhoofden en prachtige oogen. Zij hebben een licht koperen kleur en soms vergeleek men die met de kleur van nieuwe gouden munten.

Een zaak trof de vreemdelingen zeer,n.l.dat alle inboorlingen, die zij zagen, beneden de 30 jaar waren. Oude menschen schenen niet onder hen te zijn. Wat kon dit beduiden?

Maar er was iets anders nog, dat de aandacht van de nadenkenden opwekte en bewees, dat men niet in het paradijs gekomen was. Zij bezaten strijdknodsen en scherp gepunte werpspietsen, voorzien van de verscheurende tanden van een haai. Toen Columbus daarvan door teekens sprak, gaven zij te kennen, dat zij in den oorlog gebruikt werden om aan te vallen of aanvallen af te weren. En sommigen van hen wezen op de wonden, die zij in het gevecht bekomen hadden.

Des avonds keerden alle Spanjaarden naar de schepen terug. De nacht ging rustig voorbij, ofschoon men van opgewondenheid niet slapen kon. Zoodra het licht werd, verzamelden zich vele inboorlingen van alle kanten van het eiland aan het strand, om dit vreemde tooneel te zien. Zij stelden zooveel vertrouwen in de vreemdelingen, dat velen van hen in zee sprongen en naar het schip zwommen. Het water scheen hun natuurlijk element te zijn.

Zij bezaten vele schuitjes, die uit boomstammen bestonden, welke met veel moeite waren uitgehold. Enkele er van waren zoo klein en licht, dat er slechts één man in zitten kon, andere zoo groot, dat wel veertig gewapende krijgslieden er plaats in vinden konden.

Deze kano’s hadden geen kiel en kantelden daarom licht om, maar dit telden de inboorlingen weinig. Zij zwommen er omheen als eenden, zetten de kano overeind, hoosden er het water metkalebasschalen uit, en sprongen er weer in, welk een en ander slechts eenige oogenblikken oponthoud veroorzaakte.

Het was een groote teleurstelling voor Columbus, dat deze menschen zoo ontzettend arm waren. Ofschoon zij in een heerlijk klimaat en in geriefelijke hutten woonden, vruchten in overvloed hadden en geen kleeren behoefden, bezaten zij niets, waarmede Columbus zijn schepen bevrachten en zich zelf en zijn metgezellen verrijken of de begeerlijkheid van den Spaanschen vorst bevredigen kon. De arme inboorlingen hadden niets dan prachtige papegaaien, die zij uit liefhebberij tam maakten, en ballen van katoenen garen. Deze ballen waren wel eens 25 pond zwaar en zouden op de markten in Spanje veel waard zijn geweest. Ook hadden zij een soort van eigengemaakt brood, dat uit een wortel, Juca geheeten, vervaardigd werd, en een smakelijk voedsel voor de eilandbewoners opleverde, maar geen belangrijk handelsartikel kon zijn.

Toen Columbus den volgenden dag te midden van een groote menigte inboorlingen landde, zag hij vele meisjes, die gouden sieraden droegen, niet in de ooren, maar aan den neus. Dat glinsterend metaal boeide spoedig zijn oog. Gretig verruilden de Indiaansche schoonen die eenvoudige gele tooisels voor prachtig gekleurde kralen van geringe waarde. Met belangstelling onderzocht Columbus, waar dit goud van daan kwam.

Het is verbazend moeilijk, om wat gewaar te worden, wanneer alleen de gebarentaal kan gebruikt worden; en die moeilijkheid wordt nog veel grooter, wanneer die gebaren van beschaafden door wilden moeten worden verstaan en omgekeerd. Daarom werd Columbus stellig grootelijks misleid door de aanwijzingen, die hij van de inboorlingen geloofde ontvangen te hebben. Hij meende verstaan te hebben, dat er op eenigen afstand zuidwaarts een machtig opperhoofd woonde, die grooten overvloed van goud bezat, en die op schalen van dit kostelijk metaal werd bediend. Ook had hij den indruk gekregen, dat er in het noorden volken woonden, die dikwijls gewapend optrokken, om de zuidelijke stammen aan te vallen, en daarna met grooten buit aan goud terugkeerden. Met zijn vurige verbeelding waande hij van een prachtige stad te hebben hooren spreken met schitterende paleizen, niet ver van de plaats waar zij nu waren, en dat hij in de landbouw-distrikten aangekomen was van een der schoonste landen van de aarde.

Zoo ging de 13eOctober voorbij. Voor de zeereizigers was het een merkwaardige dag, want er was opgewektheid en vreugde.Den volgenden morgen begaf Columbus zich met zijn manschappen in de booten, om het eiland te gaan verkennen. Belangrijker verkenningstocht, in de morgenuren van een tropischen dag begonnen, en omringd door wonderbaar schoone en nooit aanschouwde tooneelen, kan men zich moeilijk voorstellen. Columbus zei, dat het eiland door koraalriffen ingesloten was, die slechts een nauwen doortocht overlieten; voorts, dat tusschen die riffen diepe en veilige ankerplaatsen lagen, groot genoeg, om de schepen van de geheele wereld te bevatten. Op deze lieve plek begon de tocht, en men zette koers naar het noordoosten.

Het eiland bleek zeer houtrijk te wezen, en, behalve dat er verscheidene riviertjes waren, was er middenop een groot meer. Tal van schilderachtige dorpen, die als verscholen lagen in de schoonste boschjes, voeren de reizigers, die met hun booten dicht bij de kust bleven, voorbij. Overal kwamen de bewoners, zoowel mannen en vrouwen als kinderen, naar het strand, en liepen met de booten mee. Van tijd tot tijd vielen sommigen op de knieën en maakten zekere bewegingen, die de Spanjaarden of voor een uiting van dank aan God hielden, dat zij aangekomen waren, of voor eerbewijzingen, omdat men hen voor hemelsche wezens aanzag.

Door onbedrieglijke gebaren noodigden de inboorlingen hen uit aan land te komen; hun tevens versch water en heerlijke vruchten aanbiedende. Toen de booten haar tocht vervolgden, sprongen verscheiden inboorlingen in zee, en zwommen ze achterna, waaruit duidelijk bleek, dat ze zoowel in ’t water als op het land in hun element waren. Anderen volgden in kano’s. De goedhartige admiraal ontving allen met de grootste vriendelijkheid, en maakte hen hoogst gelukkig met eenige snuisterijen, welke zij als hemelsche geschenken aannamen. Columbus verklaart bij herhaling, dat de inboorlingen hen voor engelen aanzagen.

Dit is echter eenigszins twijfelachtig. Door teekens toch kan men niet gemakkelijk zijn meening uitdrukken. En men mag te recht vragen, of de inboorlingen ook maar een flauw begrip hadden van werelden, waar engelen wonen, zooals het christendom leert. Zoo dreven de roeibooten voort, tot zij eindelijk een vrij belangrijke kaap bereikten, waarop zes Indiaansche woningen stonden, omgeven door bosschen en tuinen, waarvan Columbus verklaarde, dat zij net zoo mooi waren als die, welke men in Castilië aantrof. Hier gingen zij aan wal, om wat te rusten en zich te verkwikken, waarna zij zich gereed maakten, om naar de schepen terug te keeren. Ze namen zeven inboorlingen meeom die de Spaansche taal te leeren en ze als tolken te gebruiken. Nog dienzelfden avond werden de zeilen geheschen, en stevende men naar ’t zuiden.

Uit de beschrijving van Columbus blijkt niet duidelijk, of er van San Salvador werkelijk eilanden te zien waren. Misschien ging hij op het getuigenis van de inboorlingen af.

Volgens de bewering van Marco Polo, deelden de Indianen, die zich op ’t schip van den admiraal bevonden, hem mee, dat het aantal eilanden in deze zeeën ontelbaar was, en dat de bewoners er van meestal met elkander in oorlog waren. Zij gaven de namen van meer dan honderd dezer eilanden op. Spoedig kregen zij in het zuidwesten een zeer groot eiland in het oog, dat omstreeks vijftien mijlen van hen af was. De Indianen stelden de bewoners daarvan als veel rijker voor dan die van San Salvador, en zeiden, dat zij armbanden en andere groote sieraden droegen van zuiver goud.

Aangezien de nacht op handen was, en men zich in onbekende zeeën ophield, gaf Columbus bevel, om tot den volgenden morgen te blijven liggen. Toen de zon opkwam werden de zeilen weer opgehaald, maar de voortgang werd door tegenstroomen en ongunstigen wind zoo vertraagd, dat de zon reeds onderging, toen zij bij het eiland ten anker kwamen. Den volgenden morgen gingen zij met de booten aan land. Hier zagen zij volmaakt dezelfde tooneelen als op San Salvador. Het klimaat, het gebladerte, de bloemen, alles was net gelijk; ook de inboorlingen maakten geen verschil; ook dezen waren naakt, goedwillig en vriendelijk en hadden evenmin goud. Columbus zocht overal, maar te vergeefs, naar gouden versieringen aan armen of beenen. Of zij in de verbeelding van de Indianen of in die van hemzelf bestonden, is niet uit te maken. Hij nam echter dit eiland in bezit, alweer met vertoon van godsdienstige gebruiken, waarnaar de inboorlingen met kinderlijke verwondering keken. Hij gaf het den naam van Santa Maria, en zeilde toen weer weg, om de reis voort te zetten.

Juist toen zij het anker lichtten, gebeurde er iets, dat helaas! duidelijk aantoont, dat enkele inboorlingen althans, die op het schip van den admiraal waren, geen vrijwillige tolken, maar gevangenenwaren. Toen een van de Indianen van San Salvador, die op De Nina was, waarop Vincent Yanez Pinzon bevel voerde, op een kleinen afstand een groote kano zag, die vol inboorlingen was, sprong hij in zee, en wist door zoo vlug als een visch te zwemmen, te ontsnappen en werd door zijn landslieden opgenomen. Wel werd er aanstonds een boot uitgezonden om hem te vervolgen, maar de wilden roeiden zoo hard, dat zij den oever bereikten vóór men hen kon achterhalen, en met de snelheid van hinden verdwenen zij in de bosschen.

De zeelieden voerden hun kano als buit mee naar het schip. Het was een zeer onrechtvaardige handelwijze, die zelfs de onwetendste barbaar moest veroordeelen. Toch werd spoedig daarop een nog afschuwelijker daad door de matrozen gepleegd. Een Indiaan, die gehoord had, dat de Spanjaarden katoen wilden koopen, begaf zich geheel alleen in zijn biezen kano naar het schip van den admiraal. Toen hij bij den boeg kwam, hield hij het katoen omhoog, opdat de matrozen het konden zien. Zij wenkten hem nader te komen en toen sprongen twee of drie, die goed konden zwemmen, in zee, verklaarden zijn kano verbeurd en sleurden den bevenden man als gevangene mee naar ’t schip.

Columbus, die op de hooge kampanje stond bij den achtersteven van het schip, zag die daad. Hij gaf bevel den gevangene bij hem te brengen. De arme Indiaan kwam bevend als een espeblad aan, en hield het pak katoen vooruit als een geschenk voor den man, die hem gevangen genomen had, ten einde daardoor zijn genade te verwerven. De admiraal ontving hem met de grootste vriendelijkheid, zette hem een mooi gekleurden hoed op, deed hem om elken pols een armband van schitterende koralen aan, hing een of twee belletjes aan zijn ooren en beval toen, dat men hem weer naar zijn kano terug moest brengen en het katoen ook. Deze geschenken waren voor den armen Indiaan, wat een groote erfenis voor iemand in de beschaafde wereld zou zijn geweest. Vroolijk roeide hij naar het strand, en Columbus keek met veel genoegen naar de groepen, die om hem heen gingen staan, om zijn schatten te bekijken en naar het verhaal te luisteren van de vriendelijke behandeling, die hij had ondervonden.

Toen Columbus Santa Maria verliet, zag hij op een afstand van verscheidene mijlen in het westen een ander groot eiland en zette den koers daarheen. Halverwege achterhaalde hij een Indiaan, die geheel alleen in een heel oude kano zat, en stellig naar het eiland roeien wilde, om er de tijding van de komst der Spanjaarden over te brengen. Hij had een snoer koralen omden hals, dat hij te San Salvador gekregen had. Columbus bewonderde den moed van den man, die zulk een reis met zulk een ellendige kano durfde wagen. De Indiaan werd met zijn kano aan boord gehaald, en men behandelde den gast vriendelijk, en onthaalde hem op wijn, brood en honig. Een zeer zachte wind gleed over de spiegelgladde zee, en zij konden eerst ten anker komen, toen de avondschemering reeds gevallen was.

De Indische kano liet men nu over boord zakken, en de gelukkige man werd met geschenken beladen aan land gezonden, ten einde de inboorlingen gunstig te stemmen, en te maken, dat hun de Spanjaarden welkom waren. Het nieuws verspreidde zich zoo snel over het eiland, dat er ’s morgens reeds bij zonsopgang een groote toevloed van inboorlingen op het strand was te zien, terwijl het op de zee van kano’s wemelde. Zij verdrongen elkander, om bij de schepen te komen en vruchten, wortels en versch water te brengen. Columbus gaf allen kleine geschenken en onthaalde hen op suiker en honig.

Spoedig gingen enkelen van de drie schepen aan land. Hier waren ze op nieuw getuigen van zichtbaar geluk en blijkbaren vrede, zooals ze die meer hadden gezien. Zij brachten eenige uren op het eiland door, waren ingenomen met den eenvoud en de openbaringen van genegenheid der inboorlingen.

Hun tenten waren van riet en palmbladen gemaakt, en zij zagen er van buiten heel aardig uit, terwijl van binnen alles netjes en ordelijk was. Het volgende uittreksel uit het dagboek van Columbus maakt ons bekend met den indruk, dien hij van de inboorlingen kreeg.

“Daar zij ons veel vriendschap bewezen, en ik bovendien wist, dat het menschen waren, die eerder door liefde dan door geweld tot het christendom te bekeeren zouden zijn, gaf ik sommigen veelkleurige hoeden, anderen halssnoeren van glazen koralen en vele andere dingen van weinig waarde, waarmede zij echter zeer ingenomen waren, en zoo op onze hand kwamen, dat wij er ons over verwonderden. Dezelfde personen kwamen later weer zwemmend naar de schepen, waar wij waren, en brachten ons papegaaien, katoenen garen, werpspiesen en vele andere dingen, die zij tegen belletjes en koralen verruilden. Kortom, zij gaven goedwillig al wat zij hadden; maar ’t kwam mij voor, dat zij anders heel arm waren, en ook liepen zij heelemaal naakt.”

Ter eere van koning Ferdinand gaf Columbus aan dit eiland den naam van Fernandina, maar later is het Exhuma genoemd. Columbus beproefde er omheen te varen. Naar het noordwestenzeilende, vond hij eene heel mooie haven, waarin een honderdtal schepen veilig voor anker kon liggen. Hij liep die haven in, en ging met een gezelschap aan land, om water te halen. Terwijl de matrozen de tonnen vulden, wandelde Columbus een klein eind verder, en ging op een groenen heuvel zitten, om het schoone gezicht te bewonderen, dat hem van alle kanten omgaf.

In zijn dagboek betuigt hij: “Nooit heb ik vroeger zulk een prachtig landschap gezien.” Het was zoo frisch en groen, als Andalusië er in Mei uitziet. De boomen, de vruchten, het gras en de bloemen waren heel anders dan in Spanje. De bewoners waren heel vriendelijk. Zij wezen den Spanjaarden de beste waterbronnen aan, hielpen hen de tonnen vullen en ze naar de booten rollen.

Ofschoon Columbus’ verbeelding veel voedsel kreeg, viel het hem toch bitter tegen, dat er niet meer goud was. Omdat het duidelijk was, dat hij op dit eiland niets van dit kostbaar metaal kon krijgen, zeilde hij den 19ennaar een ander eiland, dat de inboorlingen Saometa noemden. Hij had uit de teekens der wilden afgeleid, dat daar goudmijnen waren, dat het de residentie van het voornaamste opperhoofd of van den koning van al de omliggende eilanden was, en dat die een met juweelen en goud omzoomd gewaad droeg.

Toen zij op het eiland aangekomen waren, vonden zij er noch monarch noch goudmijn. De bewoners waren talrijk, het eiland was verrukkelijk en het afhankelijke hoofd droeg heel gewone versierselen. Wat Columbus erg verwonderde was, dat ieder eiland telkens mooier scheen dan dat, ’t welk men van te voren had bezocht, en werkelijk bestond er een groot verschil in de natuurtooneelen. De boomen en bloeiende struikgewassen, welke dit eiland bedekten, waren zeldzaam mooi. Op het eiland vond men hoogten, die vrij aanzienlijk waren. De lucht kwam hem in ’t bijzonder zeer welriekend voor, en het fijne zand op het strand werd door golven bespoeld, die bijna zoo doorzichtig waren als kristal. Midden op het eiland vond hij verscheidene schoone meren vol helder water. Aan dit eiland gaf hij den naam van Isabella, ter eere van de koningin, wier aandenken hij met zooveel trouwe toewijding liefhad. Van dit eiland, dat nu Exumeta heet schreef hij:

“De groote meren, welke men hier aantreft, en de boschjes, waardoor ze omringd worden, zijn wonderschoon. En evenals op andere eilanden is hier alles groen. De vogels zingen hier zoo, dat men er altijd naar zou willen luisteren. De vluchten papegaaienzijn hier zoo groot, dat de zon er door verduisterd wordt en de andere vogels, zoo groot als klein, zijn zoo veelsoortig en verschillen zoozeer van de onze, dat men zich er over verbaast. Bovendien ziet men hier duizenderlei soorten van boomen, die elk hun eigenaardige vruchten hebben, waarvan de smaak heel vreemd is, zoodat het mij erg spijt, dat ik ze niet ken; want ik weet zeker, dat ze veel waard zijn. Ik zal er als proef eenige mee naar huis nemen, en ook eenige grassoorten.”

“Toen ik hier kwam, kreeg ik van de boomen en bloemen van het land zulk een aangenamen reuk in den neus, dat er in de wereld niets lekkerders wezen kan. Ik geloof, dat hier vele grassen en boomen zijn, waarop men in Spanje zeer gesteld wezen zou, om er aftreksels, geneesmiddelen en specerijen van te maken; maar ik ken ze volstrekt niet, en dit spijt mij zeer.”

Niet alleen de vogels, die van tak tot tak sprongen, droegen prachtige veeren, maar ook de visschen, waarvan die kristalheldere wateren wemelden, vertoonden al de schoone kleuren van den regenboog. Zij wedijverden met de vogels in kleurenpracht.

De dolfijnen vooral, die gemakkelijk te vangen waren, verrukten de beschouwers door de wondervolle kleurveranderingen, die zij te zien gaven. Het is eenigszins merkwaardig, dat er geen viervoetige dieren gevonden werden, uitgezonderd een paar zeer kleine. Er was er een, die veel op een hond leek, maar in ’t geheel niet blafte. Er waren ook eenige konijnen en hagedissen, welke laatste de Spanjaarden met afkeer en vrees beschouwden, alsof het vergiftige kruipende dieren waren. Naderhand verklaarden zij, dat zij onschadelijk waren en hun vleesch heel lekker smaakte.

Maar goud zochten deze ontdekkers. De moeilijk te begrijpen gebarentaal gebruikende, vroeg Columbus ieder opperhoofd dien hij ontmoette, waar men goud kon vinden; maar de inboorlingen bedrogen hem opzettelijk of—en dit kon ook ’t geval wezen—Columbus verstond hun gebaren niet. Steeds wezen zij naar het zuiden en gaven uitdrukkelijk te kennen, dat daar een volkrijk eiland was, dat veel goud bevatte en Cuba heette.

Zij, die aan boord van de schepen waren, kenden op het laatst dien naam ook heel goed, en de gebeurtenissen van latere eeuwen hebben hem nog meer bekend gemaakt. Allen verlangden op het eiland Cuba te komen. Men meende, dat er groote steden op dat eiland moesten zijn, en de haven vol groote schepen lag.

Het was in het laatst van October. In de keerkringen ving de regentijd aan, waarmee een volkomen windstilte samenging. In den nacht van den 24nOctober zette Columbus de zeilen weerop, om het eiland Cuba op te zoeken. De zeilen hingen echter slap tegen de touwen tot den middag van den volgenden dag toe. Toen verhief zich een lekker en gunstig windje. Door naar het zuidwesten te varen, kreeg hij vele eilandjes in het gezicht; doch hij vond het niet de moeite waard zich er om op te houden. Ook vond hij een eilandengroep, die hij Arene noemde, maar nu de Mucaras heeten.

Op den morgen van den 28enOctober kwamen de prachtige bergen van de koningin der Antillen in het gezicht. Nooit kan de schrijver de aandoeningen vergeten, die hij ondervond, toen de schitterende morgenstralen van een der schoonste morgens in de keerkringsgewesten hem de bergen en valleien, het wondervolle gebladerte en groen, en de blijkbaar grenzenlooze uitgestrektheid van het schoonste eiland der aarde lieten zien. Het was misschien niet ver van de plek, waarop Columbus stond, dat hij het verrukkelijk gezicht zag.

In de gloeiendste taal beschrijft hij de heerlijkheid van de bergen, die tot in de wolken reiken; de weelde en den bloei van de ruime valleien; de trotsche met wouden bedekte voorgebergten, die in de zee uitloopen en de kapen, die zich naar het noorden zuidwesten zoo ver uitstrekken, dat ze eindelijk aan het oog ontsnappen. Een schoone rivier, aan de noordkust van het eiland, bood hem een goede gelegenheid aan, om met zijn schepen binnen te varen. Hier liet hij dan ook het anker vallen. Het water was zoo doorzichtig, dat men verscheiden vademen diep de visschen en schelpen kon zien. Fijn, wit zand lag op het bed van de rivier en de oevers waren rijkelijk begroeid.

Toen Columbus aan land was gekomen, nam hij zooals gewoonlijk het eiland in bezit in den naam van de Spaansche vorsten en noemde het Juan, ter eere van Prins Juan, Isabella’s zoon. De rivier gaf hij den naam van San Salvador. Zoodra de bewoners de schepen zagen, vluchtten zij angstig voor het schrikverwekkende natuurverschijnsel weg.

Op het strand trof men twee verlaten hutten aan, waarin eenig vischtuig lag, zooals netten, die op een aardige wijze van de vezels van palmboomen waren gevlochten; voorts vischhaken en beenen harpoenen. Een van die hondjes, die nooit blaffen, liep er om heen. De bewoners van deze hutten waren, volgens de begrippen, die de wilden van welvaart hebben, rijk. De met palm bedekte hutten beschermden hen voor regen en wind. Zilvergras bezorgde hun een zacht en zelfs rijk bed. Kleeren hadden ze niet noodig. Zij behoefden de handen maar uit te steken om vande zwaar beladen takken de rijkste vruchten te plukken. De rivier schonk hun allerlei visch en zooveel als zij wilden hebben.

Maar beschouwen wij deze menschen uit het oogpunt van beschaving, dan waren ze zeer arm. De hut, waarin zij woonden was met al wat er in was nauwelijks het kleinste Spaansche geldstuk waard. Columbus beval, dat geen enkel voorwerp in of om de hut mocht worden weggenomen. Met het scheepsvolk van een der booten voer hij de kronkelende en kalme rivier op. Uitingen van vreugde kwamen telkens over zijn lippen.

“Cuba”, schreef hij in zijn dagboek, “is het schoonste eiland, dat ooit een menschenoog zag. Daar zou men altijd willen wonen.”Terwijl men de rivier oproeide werden de gezichten, die zich aan het oog vertoonden, telkens liefelijker. De oevers stonden vol reusachtige tropische boomen, en de bloeiende struiken, die hier en daar in groote menigte werden aangetroffen, gaven dezen toovertuin der natuur het voorkomen van een paradijs. Verscheiden dorpen lagen aan de oevers der rivier, maar de inwoners vluchtten naar de bergen, zoodra zij de boot zagen. De huizen, schrijft Columbus, waren hier beter dan hij ze tot dus ver had gezien. Er waren in die dorpen geen regelmatige straten, maar de huizen lagen schilderachtig tusschen de boschjes. Zij waren netjes van palmbladeren gebouwd en van binnen zagen ze er bijzonder zindelijk en ordelijk uit.

Toen men weer bij de schepen teruggekomen was, werd de reis langs de kusten naar het westen voortgezet. Columbus was altijd nog maar in de meening, dat hij bij de Indische stranden was. Toen in de verte de eene kaap zich na de andere uitstrekte, tuurde Columbus voortdurend of hij koepeldaken en torens van de een of andere oostersche stad kon ontdekken. Hij dacht, dat Cuba het wereldberoemde eiland Japan was. Maar toen hij drie dagen achtereen langs de kust gevaren had, en geen einde aan het eiland zag, kwam hij tot het besluit, dat hij reeds het vasteland van Indië bereikt had.

Eindelijk kwamen zij aan een zeer belangrijk voorgebergte, dicht met palmboomen begroeid, waaraan Columbus den naam van Palmkaap gaf. Men denkt, dat deze kaap het begin van het land aan de oostzijde is, waaraan men nu den naam van Laguna de Moron gegeven heeft.

Columbus verzocht nu de twee Pinzons in zijn kajuit te komen, om over de verdere reis te spreken. Alle drie waren het eens, dat Cuba geen eiland, maar het vasteland was, dat zich zeer ver naar het Noorden uitstrekte. Dit deed Columbus denken, dat hij,nu bij het vasteland van Azië zijnde, niet ver van Cathay af kon zijn. Uit de taal van de inboorlingen maakte hij op, dat er, niet veel mijlen ten Noorden, een groote hoofdstad aan een breede rivier lag. Gedurende eenige dagen zeilde hij voort, maar had steeds met tegenwind te kampen, en ziende, dat de kust eindeloos en een storm in aantocht was, keerde hij terug, en ankerde in den mond van een kleine rivier, die hij Rio de los Maries noemde.

Het was nu de 1eNovember. Op den oever stonden eenige huizen, en lager nog zag men een boschje van cacao- en palmboomen. Toen de zon opkwam, werd er een boot aan land gezonden. De bewoners namen van schrik de vlucht. Des middags deed Columbus op nieuw een poging, om met de beangstigde lieden, die aan ’t strand stonden, een gesprek aan te knoopen. Daar er op de St. Maria drie Indianen van San Salvador waren, zond Columbus dezen met een boot er heen, om de inboorlingen van hunne vreedzame bedoelingen te overtuigen.

Zoodra de Indiaan zoo dicht bij hen kwam, dat ze te beroepen waren, richtte hij vriendschappelijke woorden tot hen. Het scheen, dat zij zijn taal verstonden. Hij sprong in zee, zwom aan land en ging geheel weerloos in hun midden staan. Zij ontvingen hem vriendelijk, luisterden naar zijn woorden, en hij slaagde zoo goed, dat hun vrees week, en er nog vóór het vallen van den avond zestien kano’s vol inboorlingen om de schepen kwamen liggen. Zij brachten katoenen garen mee, dat ze verkoopen wilden; maar Columbus zocht te vergeefs naar goud. Niet het kleinste gouden sieraad was te zien. Slechts één man droeg een klein gesmeed stukje zilver aan den neus.

Columbus meende van de Indianen te hooren, dat de groote stad, waar hun vorst woonde, op een afstand van vier dagreizen in het binnenland lag. Daarom besloot hij manschappen uit te zenden, die twee afgevaardigden naar het hof moesten vergezellen. Deze twee mannen heetten Rodrigo de Jerez en Luis de Torres. De laatste was een bekeerde jood, die tamelijk goed Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch en Arabisch verstond. Columbus achtte het niet onwaarschijnlijk, dat de Oostersche vorst ten minste een van die talen sprak.

Twee Indianen gingen met deze gemachtigden als gidsen mee. Een van deze kwam van San Salvador; de ander uit het kleine gehucht aan de oevers van Rio de Los Maries. De afgezanten waren ruim van kleinooden voorzien ter bestrijding van de reiskosten en van kostbaarder voorwerpen, om die den vorst te vereeren.Ook kregen ze een brief mee, waarin de wensch van den koning en de koningin van Spanje was uitgedrukt, om vriendschappelijke betrekkingen met de regeeringen in ’t Oosten aan te knoopen. De afgezanten hadden in last al het mogelijke te doen, om inlichtingen te krijgen betreffende het land en zijne bewoners. Zes dagen mochten zij voor de reis gebruiken.

Terwijl Columbus de terugkomst van hetgezantschapafwachtte, was hij druk bezig zijn schepen op te knappen en manschappen uit te zenden, om het omliggende land te gaan verkennen. Zelf nam hij een boot, en roeide zes mijlen ver de rivier op. Hij ging aan wal en klom op een steilen oeverkant, waardoor hij flink in het rond kon zien. Er was, hoe ver hij ook keek, evenwel niets te zien dan een groote menigte boomen, die welig in het wild groeiden en een dicht loover vormden. Te vergeefs zocht hij naar die planten, welke in drogisterijen en apotheken in Europa zoo hoog geschat worden. Soms kwam hij in aanraking met inboorlingen, liet hun dan paarlen en goud zien en vroeg, waar hij zulke dingen vinden kon; maar de antwoorden, die hij in woorden of door gebaren kreeg, maakten hem het spoor nog meer bijster. Zij schenen te kennen te geven, dat er menschen waren, die maar één oog hadden; anderen, wier hoofd op dat van honden geleek, menscheneters waren, de keel hunner slachtoffers afsneden en hun bloed uitzogen.

Was de teleurstelling voor Columbus groot, dat hij geen goud kreeg, toch kon hij niet nalaten telkens te zeggen, dat hij de natuur om hem heen zoo prachtig vond. Men verhaalt, dat hij gedurende dit korte uitstapje op een van de schoonste rivieren van Cuba, de inboorlingen op zekeren dag een kleinen, bolvormigen wortel, ter grootte van een appel, in de asch braden zag, en hem opaten. Hij was melig, maar toch heel lekker en werd door hen batatas genoemd. Deze knol is sedert een onmisbaar voedingsmiddel in de geheele beschaafde wereld geworden. De ontdekking van den aardappel, waaraan Columbus niet dacht, is gebleken van grooter waarde voor de menschen te zijn dan het vinden van een berg goud zou zijn geweest.

De afgezanten kwamen den 6enNovember terug. Allen gingen nieuwsgierig om hen heen staan, om naar het verhaal hunner lotgevallen te luisteren. Het was echter niet zeer bemoedigend. Nadat zij ongeveer dertig mijlen langs een pad door ’t bosch gereisd hadden, kwamen zij in een gehucht, dat uit nagenoeg vijftig hutten bestond, die niet verschilden van de vroeger gevonden woningen; alleen waren ze misschien iets grooter. Degrootte der bevolking hebben ze stellig zeer overschat, want zij zeiden, dat er duizend menschen waren, en dus zouden er in elke hut twintig hebben moeten wonen. De bewoners ontvingen hen vriendelijk, lieten hen op zonderling gebeeldhouwde houten blokken zitten, en onthaalden hen op vruchten en groenten.

De geleerde Jood trachtte in al de hem bekende talen met hen te praten, maar dit ging niet. Toen poogde de Indiaan hen toe te spreken. In hoever dit gelukte, kan niet uitgemaakt worden, maar toen hij ophield gingen de inboorlingen om de blanken heen staan met teekens van bewondering en bijna van vereering. Zij bekeken hun kleeren, streken met de hand over hun huid en schenen hen in alle opzichten als hoogere wezens te beschouwen. Alle inboorlingen, die ze tot nog toe hadden gezien, stonden in aanzien en macht gelijk, maar hier namen ze voor het eerst verschil in rang aan. Een onder hen was als het hoofd te herkennen. Maar goud vond men ook hier niet, niet eens kruiden. De afgevaardigden begrepen dus, dat verder onderzoek nutteloos ware, en daarom keerden ze naar de schepen terug.

Volgens hun verhaal hadden al de menschen uit het dorp met hen mee willen gaan, maar voor die eer hadden ze bedankt, en alleen een van de voornaamsten met zijn zijn zoon meegenomen.

Op hun terugreis zagen ze voor de eerste maal, dat de inboorlingen een onkruid gebruikten, dat de vernuftige mensch, al kwam zijn gezond verstand er ook tegen op, sedert tot een algemeen weelde-artikel heeft gemaakt. Velen liepen met iets brandends in de hand; anderen rolden gedroogde kruiden in een blad, staken het eene einde aan, het ander in den mond, zogen zoo den rook op en bliezen hem daarna weer uit. Zulk een rolletje noemden ze “a tobacco,” een naam, die later aan de plant gegeven is waarvan de rolletjes gemaakt worden. Ofschoon de Spanjaarden voorbereid waren op veel vreemds, zoo trof hun toch dit zonderling en walgelijk gebruik.

De afgevaardigden gaven een boeiend verhaal van de schoonheid der natuur, en de vriendelijkheid van ’t volk. De menschen waren gezellig van aard, en schenen goed met elkander te kunnen omgaan. De dorpen bestonden uit eenige bij elkander staande huizen, en bij elke woning behoorde een goed bewerkte tuin met Indisch koren, aardappelen en andere groenten er in. Ook waren er uitgestrekte katoenvelden. Van het katoen werd touw gemaakt, en hiervan vervaardigden zij netten en smaakvolle hangmatten.

De weelderige bosschen waren vol vogels, waarvan velen prachtige veeren hadden, en op de meertjes zwommen watervogels vanallerlei vorm en kleur. Maar van een stad in ’t binnenland, of van kostbare metalen had men niets gezien of gehoord. Columbus was hierdoor zeer teleurgesteld, al reisde hij dan ook door een land, waarvan de schoonheid aan ’t fabelachtige grensde.

Het kan niet ontkend worden, dat Columbus zich droombeelden schiep, en dat hij daardoor op zeer zwakke gronden voor waarheid hield, wat hij gaarne voor waarheidwildehouden.

Van de Indianen vernam hij, gedurende de afwezigheid van de gezanten, dat er heel ver in ’t Oosten een zeer volkrijk eiland lag, waar de bewoners bij fakkellicht op de oevers der rivieren goud vonden, waarvan zij staven maakten. De zomer in de heete luchtstreek spoedde ten einde, en de winter met zijn vaak kille nachten was in aantocht. Columbus was in zuidelijk Spanje gewoon aan zomers, die haast net zoo zacht waren als die op Cuba. Tot nog toe had hij geen oord gevonden, dat hem geschikt voorkwam, om er een kolonie te stichten. Het was zijn plan niet alleen een landbouwkolonie te vestigen, maar hij wilde gaarne in een volkrijke en welvarende streek voordeelige handelsbetrekkingen aanknoopen, en zijn schepen met oostersche handelswaren laden, waardoor hij zelf en zijn beschermers rijk konden worden, en waarover zijn landgenooten zich zouden verwonderen.

Maar tot dus ver had hij slechts naakte wilden gezien, die in ellendige en allereenvoudigste hutten woonden, en hij kon, behalve een paar gouden sieraden, niets mee naar Spanje nemen, dan een kleine hoeveelheid ruw katoenen garen.

Columbus gaf den naam van Mares aan de rivier, waar hij voor anker lag. Hier zocht hij verscheiden inboorlingen uit, die zich door lichaamsschoon en geestesgaven gunstig onderscheidden, om ze meê naar Spanje te nemen en ze de Spaansche taal te leeren, zoodat zij hem op latere reizen tot tolken konden dienen. Wij weten niet, of dit hun eigen wil was, dan of zij opgelicht zijn. Hij zocht mooie meisjes uit en jonge mannen, die een flinke gestalte hadden. De beminlijkheid en leerzaamheid van de inboorlingen deden Columbus gelooven, dat zij gemakkelijk tot het christelijk geloof te brengen zouden wezen.

Peter Martyr verhaalt van de zeden en gewoonten van de menschen op Cuba het volgende.

“Evenals het zonlicht en het water ieder toebehooren, zoo is ook het land het gemeenschappelijk bezit van allen. De woorden ‘mijn en dijn’, die zaden van alle ellende, kennen zij niet. Zij zijn met zoo weinig tevreden, dat zij in zulk een groot land eerder overvloed dan gebrek hebben, en dus in de gouden eeuwschijnen te leven. Hun tuinen liggen open en bloot, zijn niet door heggen verdeeld en worden noch door muren beschermd noch door dijken ingesloten. Zij hebben geen wetten, wetboeken of rechters, maar deelen alles eerlijk met elkander.”

Het ligt voor de hand, dat men het met die beschrijving niet zoo nauw nemen moet. De bewoners der nieuwe wereld toch trof men aan met moordtuigen en oorlogswapenen in de hand. Velen hadden op het slagveld wonden gekregen, en zij vertelden zelf van stroopersbenden, die de eilanden met roof en moord vervulden.

Voor zoo ver het mogelijk was de godsdienstige begrippen van de inboorlingen te kennen, bleek het, dat zij een onbestemd gevoel hadden van de onsterfelijkheid der ziel. Zij geloofden, dat de geest van den mensch na den dood naar de dichte wouden en rotsachtige bergen verhuisde, en dat hij op een bovennatuurlijke wijze werd gevoed, wanneer hij daar in kelders ingemetseld was. De echo’s, die zij dikwijls bij de bergen hoorden, hielden zij voor antwoorden van de afgestorvenen.

Den 12enNovember 1492 zette Columbus koers naar het Zuidoosten, en ging ook nu langs de kust van het eiland.

Men vermoedt, dat Columbus het ⅔ deel van de lengte van Cuba had afgelegd. Had hij nog een paar dagen doorgevaren, dan zou hij de westelijke kust bereikt, en niet in den waan verkeerd hebben, dat hij bij het vasteland was.

Twee of drie dagen lang zeilde hij langs de kust voort, zonder zich ergens op te houden, om het binnenland te onderzoeken. Een storm noodzaakte hem een haven binnen te loopen, die hij Puerto del Principe noemde. Volgens zijn gewoonte richtte hij hier een kruis op, en nam in den naam van zijn vorsten plechtig bezit van het land. In de nabijheid lagen vele kleine en zeer mooie eilanden, die hij met de booten onderzocht, en die later bekend werden onder den dichterlijken naam van El Jardim del Roy of den Koningstuin. Aan de golf of baai, die deze eilanden verfraaide, gaf hij den naam van Nuestra Senora. Dichte wouden bedekten deze schilderachtige eilanden, die uit den oceaan het hoofd opstaken. De in alle richtingen loopende en kronkelende doorvaarten, benevens de eenzame inhammen van deze schoone streek werden in latere jaren door zeeroovers onveilig gemaakt,die wreedheden pleegden, waarvan de opsomming zelfs duivelen zou doen blozen.

Den 19nNovember heesch Columbus alweer de zeilen, omdat hij plan had naar een eiland te gaan, dat omstreeks 60 mijlen oostwaarts lag, en door de inboorlingen Babique werd genoemd. Met zijn niet sterk schip kampte hij een dag en een nacht met tegenwind en een onstuimige zee. Maar ernstiger tegenspoed stond hem te wachten.

Martin Alonzo Pinzon, bevelhebber van De Pinta, was rijk en een ervaren zeeman. Hij had veel geld in de onderneming gestoken, en volstrekt geen zin Columbus in alles als zijn meerdere te erkennen. De admiraal was een man, die zich koninklijk gedroeg en dacht. Waarschijnlijk waren beider inzichten in den laatsten tijd met elkander in tegenspraak. Columbus wendde het roer, om naar de haven terug te keeren, en beduidde de andere schepen evenzoo te doen. Pinzon sloeg er geen acht op. Hij ging van de beide andere schepen weg, en besloot een kruisvaart op eigen hand te doen. Toen de morgen van den 21endaagde, was De Pinta nergens te zien.

De ergernis van Columbus was groot. Hij vreesde dat Pinzon plan had, om zoo spoedig mogelijk naar Spanje terug te keeren, de groote ontdekking bekend te maken, en zelf de eer te ontvangen, die het bericht van zulk een belangrijke gebeurtenis hem stellig geven zou. Den vluchteling te vervolgen was nutteloos. De driftige en teleurgestelde admiraal keerde naar Cuba terug. Den 24enNovember liep hij een prachtige haven binnen, die hij St. Catarina noemde. Hij was dicht bij den mond van een schoone rivier, wier oevers omzoomd waren met groene weiden, waarvan de bevalligheid alle beschrijving te boven ging, en die als bezaaid waren met boschjes van pijnboomen en reusachtige eiken.

Hij bleef langs de kusten van Cuba kruisen en had, oostwaarts zeilende, de schoonste vergezichten, die telkens kreten van verrukking deden slaken. In zijn reisbeschrijving komen ook uitdrukkingen voor, die van verrukking getuigen over den helderen hemel, den gezonden dampkring midden in den winter, de kristalheldere rivieren, de havens, die zoowel het landschap verfraaiden, als een groote veiligheid aanboden; de vruchten, de bloemen, het gezang der vogels, de vriendelijkheid van de mannen en de beminlijkheid van de vrouwen. In een van de havens, die hij Puerto Santo noemde, schreef hij in een brief aan de koningin:

“De schoonheid van deze rivier en het kristalheldere water,waardoor men het zand op den bodem kan zien; de vele palmboomen van allerlei vorm, zoo groot en mooi als ik ze ooit zag en de ontelbare andere groote en groene boomen; de vogels met hun rijke kleuren en het groen der velden, maken dit land, doorluchtige vorsten, zoo verwonderlijk schoon, dat het alle andere landen in bekoorlijkheid overtreft, gelijk de dag den nacht in luister te boven gaat. Daarom zeg ik dikwijls tot mijn volk, dat, hoe ik ook poog Uw Majesteiten een volledig verhaal er van te geven, mijn mond de geheele waarheid niet zeggen en mijn pen haar niet beschrijven kan. Ik ben zoo overweldigd door het gezicht van zooveel schoons, dat ik niet weet, hoe ik alles verhalen zal.”

Sommige van die boomen waren zoo ontzettend dik, dat de inboorlingen van één boom een kano konden maken, groot genoeg voor honderd man. Langzaam zeilde Columbus voort, en kwam den 5enDecember aan de oostelijkste punt van het eiland. Daar hij dit punt voor de oostelijkste kaap van het vasteland van Azië hield, en dus voor het eerste punt, dat men bereikte, als men uit Europa kwam, noemde hij deze kaap Alpha en Omega, het begin en het einde.

Columbus wist volstrekt niet, welken koers hij nu nemen moest. De Indianen gaven wonderhoog op van Barbique, en door hun aanwijzingen geleid, zeilde hij van het einde van Cuba naar het Oosten, toen hij in een zuidoostelijke richting hooge bergen ontdekte, die zich boven den horizon verhieven. Maar toen de Indianen, die aan boord waren, zagen, dat hij daarheen wilde gaan, meenden zij, dat het de Antillen waren, en dit vervulde hen met schrik. Zij smeekten hem er niet heen te gaan en verzekerden, dat de menschen daar buitengewoon wreed en woest waren, zoodat zij de gevangenen doodden en opaten.

De dampkring is tusschen de keerkringen zoo zuiver, dat men ver verwijderde voorwerpen met de grootste nauwkeurigheid kan zien. Columbus kwam bij het groote en schoone eiland Haïti. Dit eiland is een van de liefelijkste plekjes op aarde, doch de mensch heeft er zulk een treurig tooneel van misdaad en ellende van gemaakt, als ergens op de oppervlakte van den aardbol gevonden wordt. De bergen verhieven hun kruinen tot in de wolken, en hun kanten waren met weelderige wouden begroeid. Van den voet der bergen af tot aan de zee toe, zag men groene vlakten en dalen met boschjes van vruchtboomen en bloembedden. Door den rook, die uit de bosschen opsteeg, werd het Columbus duidelijk, dat dit land zeer bevolkt moest wezen. Later werdverzekerd, dat het eiland omstreeks 400 mijlen lang en 150 breed was. Het besloeg een oppervlakte van nagenoeg 30000vierk.mijlen. Dit vorstelijk eiland werd onlangs bijna geheel aan de Vereenigde Staten aangeboden als een vrije gift, maar het Congres bedankte voor dit aanbod.

Op den avond van den 6enDecember kwam Columbus, dicht bij het westelijk deel van dit eiland, in een haven, die hij St. Nikolaas noemde, en zij draagt dien naam nog. De landstreek was een Eden gelijk. Majestueuse bosschen en volgeladen boomen zag men er. Aan den eenen kant lag er een weelderige vlakte, die zich naar het binnenland uitstrekte, waardoor een rivier met het helderste water kronkelde. Aan den wal bevonden zich vele kano’s, en verderop zag men schilderachtige dorpen liggen, verscholen in de schaduw van de boomen en door liefelijke weiden omgeven. Maar de inboorlingen hadden allen de vlucht genomen, alsof zij zich bewust waren, dat de grootste vijand, dien zij op aarde hadden, hun medemensch was.

Zonder met de menschen in aanraking te zijn gekomen, gingen zij de haven weer uit, en voeren langzaam langs de kust naar ’t Oosten, met opgetogenheid naar de bergen en de effen vlakten ziende. Een diepe en breede vallei, die door hen werd opgemerkt, droeg duidelijk de kenmerken van beschaving. Zij liepen een fraaie haven binnen, die Columbus Port Concepcion noemde, doch nu de baai van Moustique heet. Hier kronkelde ook een schoone rivier door een streek, die een tuin kon heeten. De rivier en de baai wemelden van allerlei soort van visch. Velen werden met netten gevangen. Enkelen waren zooals die in Spanje. Er was een vogel, wiens gekweel zeer met dat van den nachtegaal overeenkwam, en hen herinnerde aan de bosschen van Andalusië. Daarom gaf Columbus aan dit eiland den naam van Hispaniola of Klein-Spanje. De Franschen noemden het naderhand St. Domingo.

Columbus schrijft in zijn brief aan het hof: “Hispaniola is grooter dan heel Spanje, van Catalonia tot Fontarabia. Een van de vier zijden, waar ik landde, en die recht van het Westen naar het Oosten loopt, is 540 mijlen lang. De groote stad, die ik in bezit nam, heeft een zeer gunstige ligging. Ik gaf bevel er een fort te bouwen, waarin ik zooveel manschappen legde, als ik noodig achtte, en wist de gunst van den koning voor hen te verwerven, wat mij zoo goed gelukte, dat het haast niet te gelooven is. De menschen zijn er zoo aardig en vriendelijk, dat zelfs de koning er een eer in stelde mij zijn broeder te noemen.”

Zes wel gewapende mannen door Indiaansche tolken begeleidwerden naar het binnenland gezonden, ten einde, zoo mogelijk, met de inboorlingen in aanraking te komen. Zij vonden wel huizen, dorpen en tuinen, maar er was niet één Indiaan te zien. Alle bewoners waren naar de ontoegankelijke klippen op de bergen gevlucht.

Den 12enDecember richtte Columbus een kruis op en nam—voor zoo ver de gelegenheid dit toeliet—op een plechtige wijze bezit van het eiland.

Tijdens het verblijf in de haven ontmoetten eenige zeelieden, die in den omtrek uitstapjes maakten, eenige eilandbewoners, die als herten vloden. De matrozen zetten hen na. Een schoon, jong meisje van omstreeks achttien jaren ziende, bevallig als een hinde, maar dat de sterker gebouwde vluchtelingen niet bij kon houden, liepen ze allen haar na, en ’t gelukte hun haar te krijgen. Met groote ingenomenheid voerden ze deze liefelijke buit naar de schepen.

Columbus ontving het meisje met vaderlijke minzaamheid. Hij overlaadde haar met geschenken, en tooide haar met de kleine tingelende belletjes, die voor de inboorlingen een onbeschrijfelijke bekoring hadden. Aan boord van het admiraalschip waren nog meer van die inlandsche vrouwen. Deze stelden de jonge gevangene al heel gauw gerust, en in een uur tijd gevoelde zij zich geheel op haar gemak, en was met de ontvangst zoo ingenomen, dat zij geen lust meer had aan land te gaan.

Het eenige sieraad, dat deze schoone Indiaansche vrouw bij het gevangen nemen droeg, was een ring van zuiver goud, die aan den neus hing. Columbus was zeer blij bij het zien van dit kostbaar metaal, want het was een sterk bewijs, dat er goud op dit eiland was. De admiraal voorzag het meisje van kleeren, zooals die in beschaafde landen gedragen werden, en zond haar aan land met vriendelijke boodschappen aan haar landgenooten. Onderscheidene matrozen en drie Indiaansche tolken gingen met haar mee. Het dorp, waar zij thuis hoorde, lag ver landwaarts in, en daarom keerden de zeelieden, die het niet veilig achtten onder wilden te reizen, die den naam hadden van zeer wreedaardig en vijandig te zijn, naar de schepen terug. Het gelukkige meisje mocht alleen naar haar bloedverwanten gaan.

De admiraal vertrouwde, dat de berichten van haar bij de inboorlingen niet dan een welwillend gevoel zouden opwekken, en zond daarom den volgenden morgen negen goed gewapende mannen uit, met een Cubaanschen tolk er bij, om het spoor door de weelderige wildernis te volgen naar het dorp, waar het meisjewoonde. Op een afstand van twaalf mijlen troffen zij een aantal vrij groote hutten aan, schilderachtig aan de oevers van een schoone rivier gelegen. De afgezondenen telden omstreeks duizend woningen, maar zagen niet één dorpeling. Klaarblijkelijk zag men in dat meisje een middel, dat listige en booze lieden gebruikten, om de inboorlingen te lokken en in hun macht te krijgen. De Cubaansche tolk zette de vluchtelingen na. Toen zij hem alleen zagen aankomen, gingen zij naar hem toe. Het scheen, dat op alle eilanden dezelfde taal gesproken werd. De Cubaan deed den vreemdelingen zulke mededeelingen, dat eenige van de moedigsten onder hen, ten getale van ongeveer 2000, het waagden langzaam terug te gaan. Met vrees en beving liepen zij evenwel voort. Las Casas zegt, dat hun gestalte zeer bevallig was, en dat zij een schooner gelaat en fijnere trekken hadden, dan een van de inboorlingen, die zij tot dus ver hadden gezien.

Langzamerheid kwam er vertrouwen; maar nog altijd, zoo wordt verhaald, zagen de inboorlingen in die vreemdelingen hemelsche wezens, die bovennatuurlijke kracht bezaten. In hun oog waren zij met bliksem en donder gewapend. Daarom beefden al die twee duizend menschen, toen zij bij die negen hemelsche bezoekers stonden. Menigmaal maakten ze zeer diepe buigingenen zetten de handen op het hoofd, als een teeken van eerbied en onderwerping.

Terwijl men deze vriendschappelijke samenkomst hield, verscheen er een andere troep Indianen. Zij brachten de schoone gevangene, die zij op de schouders droegen, weer, met Europeesche kleeren aan en getooid met de blinkende kleinooden, die zij ontvangen had, en die in hun oogen nog schitterender waren dan de kostelijkste paarlen en edelgesteenten, waarmede ooit het voorhoofd van een hertogin is versierd geweest. De Indianen geleidden de vreemdelingen in hun huizen, en onthaalden hen op de uitgezochtste spijzen. Met de meeste gulheid boden zij hun gasten alles ten geschenke aan, wat zij bezaten; tamme papegaaien, vruchten, bloemen en fraai geweven matten en hangmatten.

Verrukt over de schoonheid van het land, dat zij doorgetrokken waren, en over de gastvrijheid der inwoners, keerden de Spanjaarden naar hun schepen terug. Maar goud, helaas! was er niet. Het is duidelijk, dat Columbus en zijn volgelingen op dien tijd in een gemoedstoestand verkeerden, die hun de andere zijde van de schilderij niet deed zien. Men kan werkelijk een schoonen zomermorgen schilderen en vergeten, dat de koude en donkere Novemberdagen volgen, waarop stormen loeien, die hemelen aarde schijnen te zullen doen vergaan. In een aan Louis de St. Angel gerichten brief, schrijft Columbus:

“Nadat zij ons vertrouwden en de vrees geweken was, waren zij zoo vrijgevig met wat zij hadden, dat zij, die het niet gezien hebben, het niet kunnen gelooven. Nooit weigerden zij iets, wat men hun vroeg, maar gaven het met blijdschap; en zij bewezen zooveel vriendschap, dat het was, als gaven ze ons hun hart. En of het voorwerp veel of weinig waard was, zij waren tevreden met alles, wat zij terugkregen. Het schijnt, dat de mannen in deze streken slechts één vrouw hebben, maar hun opperhoofd of koning geven zij er twintig. De vrouwen werken, dunkt mij, meer dan de mannen, en ik heb geen gelegenheid gehad te vernemen, of zij eigendommen bezitten; maar ik denk, dat zij alle goederen gemeen hebben.”

Veel werk behoefden zij stellig niet te doen. Kleeren maken en wasschen; vloerkleeden uitkloppen en schuieren; borden en kopjes wasschen; vuur aanmaken, tenzij om wat te koken, dat alles was niet noodig. Aan elken tak hingen vruchten, en voedsel was er derhalve in overvloed.


Back to IndexNext