In dien tijd werden 84 opperhoofden verbrand of opgehangen!Hoe leeren ons die weinige woorden de wreedheid kennen, waarmee de inlanders door de onmenschelijke gelukzoekers werden behandeld.Ovando, die Columbus hulp zou zenden, maar hierin nalatig gebleven was, trachtte zich zoo goed mogelijk te verontschuldigen. Ook wilde hij Mendez niet naar San Domingo laten gaan, omdat hij vreesde, dat deze medelijden met den admiraal zou weten op te wekken, waardoor men wellicht maatregelen voor zijn bevrijding nam. Ten laatste, door maar steeds aan te dringen, kreeg hij eindelijk verlof om naar San Domingo te gaan, en daar de aankomst van eenige schepen, die uit Spanje werden verwacht, af te wachten.Terstond ging hij te voet op weg en legde een afstand van 200 mijlen door de wildernis af. Zoodra hij vertrokken was, zond Ovando het schip uit onder bevel van den oproerling Escobar, die den onverklaarbaren tocht naar den schipbreuklijdenden admiraal ondernam.Wetteloosheid en misdaad brengen altijd ellende voort. De opstandelingen te Jamaïca, die onder elkander twistten, en zich den haat van de inboorlingen op den hals gehaald hadden, verkeerden in den deerniswaardigsten toestand. Nu men wist, dat hij schipbreuk geleden had, twijfelde Columbus er geen oogenblik aan, of men zou hem spoedig schepen tot zijn redding zenden. Al wist Ovando ook een verschooning voor zijn talmen te bedenken, hij zou het toch niet durven wagen den admiraal en zooveel Spanjaarden hulpeloos te laten sterven. Toen Columbus met den toestand van de oproermakers bekend was, zond hij twee van zijn manschappen naar hen toe, om hen in kennis te stellen met het bezoek van Escobar en om hen te verzekeren, dat er spoedig schepen zouden komen om hem te bevrijden. Allen, die terug wilden keeren, beloofde hij vergiffenis en eenvrijen overtocht naar Hispaniola met de verwachte schepen. De hoofden van den opstand poogden deze aanbiedingen voor hun misleide bondgenooten verborgen te houden. Zij lieten Columbus weten, dat zij niet naar Hispaniola terug verlangden, maar liever vrij op het eiland bleven wonen.Met het doel den mannen daden van geweld te laten verrichten, waardoor het hun onmogelijk zou worden genade te verwerven, begaven zij zich op weg, om de wrakken te plunderen en Columbus gevangen te nemen. Columbus kreeg van hun komst bericht. Bartholomeus Columbus, die den titel van adelantado droeg, trok met 50 goed gewapende mannen uit, om den vijand tegemoet te gaan1. Hij had in last, alles te doen wat mogelijk was, om hen tot een vreedzaam terugkeeren aan te sporen, en volstrekt geen geweld te gebruiken, wanneer dit niet zeer noodzakelijk was.Francisco de Porras wilde echter van geen vrede weten. Onder woest geschreeuw en de grootste verwoedheid beval hij zijn manschappen vuur te geven. Zelf ging hij met zes van de moedigsten naar den adelantado; want, dacht hij, als we dien aanvallen en dooden, dan kunnen we de overigen gemakkelijk uit elkander jagen. Een verwoed gevecht volgde. Met één slag sloeg Porras het schild van den adelantado in stukken en wondde hem aan de hand. Het zwaard zat zoo diep in het schild, dat hij het er niet weer uit kon trekken. Onderscheidene mannen grepen Porras, en hij was een krijgsgevangene. De overigen liepen in verwarring weg.Vele Indianen stonden om het slagveld heen, en keken met verbazing naar dit moordtooneel. Bartholomeus keerde met Porras en vele andere gevangenen naar de schepen terug. Een aantal opstandelingen had den dood gevonden. Van zijn eigen partij waren slechts twee gewond. Den volgenden dag, ’t was de 20eMei, zonden de vluchtelingen een smeekschrift om genade aan den admiraal, dat door allen onderteekend was. Hoe groot hun begeerte was om weer tot hun eed terug te keeren, kan uit den bijzonderen eed zelf blijken, dien zij bij het kruis en het misboek aflegden. Die eed luidde:“Als wij ooit onzen eed breken, dan hopen wij, dat geen priester of een ander christen ons de biecht zal afnemen; dat berouw niets baten kan; dat wij de heilige genademiddelen vande kerk zullen missen; dat wij bij onzen dood geen vergeving ontvangen; dat onze lijken op het veld zullen geworpen worden, evenals die van ketters en afvalligen, in plaats van in heilige aarde te worden begraven; dat wij noch van den paus, noch van de aartsbisschoppen, andere bisschoppen of priesters vergeving ontvangen.”Tot toelichting van deze verschrikkelijke vervloekingen, waardoor deze schuldige en slechte lieden de kracht van den eed nog trachtten te verhoogen, merkt Irving terecht op:“De weinige waarde van iemands beloften kan men altijd afleiden uit de buitensporige middelen, die hij aanwendt, om er kracht aan bij te zetten.”1Uit dit getal blijkt, òf dat eenige oproermakers afvallig geworden waren, òf dat meer dan de helft aan Columbus getrouw gebleven was.Dertiende Hoofdstuk.De laatste tooneelen uit het leven van Columbus.Gedurende de afwezigheid van Columbus waren er onder het bestuur van Ovando op de inlanders zulke vreeselijke misdaden gepleegd, dat het al te erg is ze te noemen. Duivels hadden niet erger kunnen handelen. De moed ontbreekt mij, om die barbaarschheden te beschrijven. Deze onmenschen stelden bedaagde vrouwen en jonge maagden, bejaarde mannen en jongens aan alle laagheid en wreedheid bloot, die een verdorven verbeelding uitdenken kan.Ruwe benden zwierven in alle richtingen rond, om goud te zoeken. Het weinige geld, dat de gelukzoekers hadden meegebracht, was al spoedig verteerd. Zij waren in de diepste armoede en ellende gedompeld. Velen stierven, en vervloekten den dag, waarop ze uit Spanje waren gegaan. In den loop van een paar maanden stierven meer dan duizend Spanjaarden. Er werd een geregeld stelsel van slavernij ingevoerd, waarbij de inboorlingen, niet aan zwaren arbeid gewend, gedwongen werden in de mijnen te werken. Ieder Spanjaard kreeg een zeker aantal slaven. Zij werden aan hun vrouwen en kinderen ontrukt, voor uitputtenden arbeid gebruikt en aan de wreede zweepstraf onderworpen. Wist een slaaf aan deze barbaarschheid te ontkomen, dan werd hij achtervolgd en door bloedhonden verscheurd, als een waarschuwing voor anderen. Geheele ploegen werden vaak 200 of 300 mijlen voortgejaagd als vee. Velen bezweken onderweg. Las Casas schrijft:“Velen zag ik dood op den weg liggen, anderen onder de boomen naar lucht snakken, en weer anderen vond ik stervende, nauwelijks hoorbaar kreunend: ‘Honger, honger!’”Irving, die van zulke vreeselijke tooneelen, uit afkeer er van, geen melding maakt, schrijft: “Het is onmogelijk, om de schilderij, door den eerwaardigen Las Casas opgehangen, en die schilderde niet wat hij gehoord maar wat hij gezien had, aan te vullen. De natuur, de menschelijkheid verzetten er zich tegen. Genoeg is het te zeggen, dat de zware arbeid en het lijden, die dezen zwakken en goedhartigen menschen werden opgelegd, zoo ondraaglijk waren, dat zij er onder bezweken, en als het ware van den aardbodem verdwenen. Velen maakten in wanhoop een einde aan hun leven; moeders zelfs overwonnen haar natuur en doodden haar zuigelingen, om hun een leven van ellende te besparen. Sedert de ontdekking van het eiland waren nog geen twaalf jaren verloopen, en toch waren er reeds veel honderdduizenden bewoners gestorven, allen als ellendige slachtoffers van de hebzucht der blanken.”Vergelijkt men het bestuur van Bobadilla en Ovando met dat van Columbus, dan is dit laatste rechtvaardig en menschelijk geweest. Hij paste de doodstraf niet lichtzinnig toe, en gaf geen verlof tot het opleggen van barbaarsche straffen. Zijn ernstige begeerte was het de Indianen te beschaven en tot het christendom te bekeeren. Wel zond hij vele inlanders naar Spanje, om daar als slaven te worden verkocht, maar dat kwam door een dweepzucht, die men destijds vrij algemeen aantrof, en die, wij schamen het ons te zeggen, nog geen halve eeuw geleden, van de predikstoelen zoowel in Engeland als in Amerika, verdedigd en aanbevolen is. Toch heeft Columbus hiervoor een strenge afkeuring verdiend. Maar evenzeer zal een eerlijk gemoed rekening houden met de eeuw, waarin hij leefde.Sedert de schipbreuk was er een jaar vol angst en droefheid voorbijgegaan, toen in den morgen van den 28enJuni 1504 twee karveelen werden gezien, die naar de haven kwamen. Men werd bijna krankzinnig van vreugde, en de wanhoop was geweken. De samenzweerders, die vergiffenis hadden gekregen, waren in een kamp op het land gelegerd. Porras, den aanvoerder, hield men gevangen. De anderen werden behandeld, alsof ze aan geen misdaad schuldig stonden. Maar zij beefden toch van angst en waren zeer gedwee en kruipend. Columbus stelde een vertrouwd officier over hen aan, en zoo wachtten de twee troepen, één aan land en één op de schepen, de aankomst van hulp af.Algemeene verontwaardiging te San Domingo had Ovando genoodzaakt deze hulp, hoe laat dan ook, te zenden. Met de inscheping was er geen tijd te verliezen. Columbus liet op een van de schepen zijn admiraalsvlag hijschen, en, grootmoedig alle geleden onrecht vergetende, behandelde hij allen met de grootste vriendelijkheid. Van Santa Gloria langs de zuidelijke kust van Jamaïca, van daar naar het westen van Haïti en dan langs den zuidkant van het eiland naar San Domingo is nog al een verre reis.Stormen, tegenwinden en sterke tegenstroomen vertraagden den overtocht, en niet voor den 13enAugustus wierpen de karveelen in de haven het anker uit. Daar had Columbus veel vrienden, en zijn ongelukken hadden een groote verandering in de gevoelens jegens hem veroorzaakt bij velen, die ook eerst meegeschreeuwd hadden tegen hem. Zelfs de Goeverneur, wiens geweten niet zuiver was, begon bang te worden, dat men hem om zijn wreed uitstel ter verantwoording zou roepen. Columbus verwonderde zich zelf, dat hij door allen met zooveel hoffelijkheid ontvangen werd. Maar noch hij, noch zijn zoon Fernando liet zich misleiden door de gehuichelde beleefdheden van den Goeverneur.Zeer spoedig ontstond er een botsing tusschen beider niet juist omschreven macht. Moeielijkheden over de bevoegdheden om recht te spreken deden zich voor. Columbus was tot in het diepst van zijn ziel getroffen over de behandeling, die de inlanders hadden ondergaan en ook over de verwoesting, waarvan het heele eiland de sporen droeg. Hij had gehoopt, de inlanders aan arbeid te gewennen en daardoor zoowel hun eigen welvaart als die van de kroon te bevorderen. Hij schreef aan den koning en de koningin:“De Indianen van Hispaniola waren en zijn de rijksten van het eiland. Zij bebouwen den grond en bakken brood voor de christenen; zij halen het goud uit de mijnen en doen alle diensten en al het werk, die mensch en dier verrichten. Ik heb bericht ontvangen, dat, sinds ik dit eiland verliet, 6/7 van de inboorlingen dood is, en dit enkel door onmenschelijkheid en mishandeling. Sommigen kwamen door het zwaard om, anderen door slagen en wreede straffen, velen door honger. Het grootste deel stierf in de bergen en bergpassen, werwaarts zij gevlucht waren, om van den al te zwaren arbeid verlost te worden, dien men hun had opgelegd.”Columbus was niet in staat ook maar een enkele grief weg te nemen. Hij kon van Ovando geen afrekening krijgen en wasdaardoor niet in staat te betalen wat hij schuldig was. Daarom maakte hij aanstalten, om met zijn broeder naar Spanje terug te keeren. Twee schepen werden voor de reis gereedgemaakt. Columbus zorgde voor het eene, de adelantado voor het andere. Heel mild stond Columbus van het weinige, dat hij zelf bezat, nog af, om in de behoeften van de arme zeelieden te voorzien, die achter moesten blijven, ofschoon velen er van de grootste oproermakers waren geweest. Nauwelijks waren zij buiten de haven, of een windvlaag nam den mast van het admiraalschip weg. Het ontredderde schip werd teruggezonden, en Columbus ging met zijn zoon op dat van zijn broeder over, om de reis voort te zetten.Met aanhoudende stormen hadden zij te worstelen. Columbus kon zijn bed niet verlaten, zoo folterend waren de pijnen, die hij door de jicht leed. Den 12enSeptember 1504 verlieten de schepen San Domingo, en den 7enNovember wierp zijn door stormen zeer gehavend schip het anker in de haven van San Lucar uit. Dadelijk zette hij de reis naar Sevilla voort. Zwakte, pijn, zorg en verdriet volgden hem overal. Zijn eigen zaken waren deerlijk in de war en hij stak diep in de schulden. Koningin Isabella lag op haar ziek- en sterfbed, verteerd door zulk een menigte huiselijke verdrietelijkheden als maar weinigen ooit hebben moeten verdragen. Ferdinand was een ongevoelig mensch, die niet in staat was om door gevoelens van edelmoedigheid geleid te worden.Columbus schreef aan zijn zoon, dat het hoogst noodig was de meest mogelijke zuinigheid in acht te nemen. “Ik ontvang,” schreef hij, “niets van hetgeen men mij schuldig is. Ik leef door te borgen. Weinig voordeel heeft een twintigjarige dienst mij opgeleverd, een dienst, waaraan zooveel moeite en gevaren verbonden waren. En nu heb ik in Spanje zelfs geen eigen dak. Als ik eten en slapen wil, moet ik mijn toevlucht tot een herberg nemen. En meestentijds heb ik zelfs niet eens geld om de rekening te betalen.”Isabella stierf levenszat en met een gebroken hart te Medina del Campo op den 26enNovember 1504. Haar levenspad werd slechts door eenige weinige vreugdestralen verlicht. Toen zij haar vrienden, die om haar heen stonden, in tranen zag baden, zeide zij tot hen:“Weent niet om mij, en brengt uw tijd niet zoek met vruchtelooze gebeden voor mijn herstel; bidt liever voor het heil van mijn ziel.”Zij was 54 jaar oud en had 30 jaren geregeerd. Toen men haar lijk grafwaarts droeg, heerschte er een vreeselijke storm, die hemel en aarde in beroering bracht. De regen viel in stroomen neer, en een van de hevigste winterstormen gierde om de torens van het Alhambra, toen Isabella in de sombere gewelven werd begraven.De dood van Isabella was een van de grootste rampen, die Columbus overkwam. Het overige gedeelte van den winter en de lente bracht hij te Sevilla door. Den meesten tijd lag hij te bed met vreeselijk lijden. Hij was zeer aan zijn broeders gehecht en hield veel van zijn zoons Ferdinand en Diego. Aan den oudste schreef hij:“Gedraag u jegens uw broeder als het den oudste tegenover den jongeren betaamt.Gij hebt geen ander, en ik dank God, dat hij er een is zooals gij behoeft. Tien broeders zouden niet te veel voor u zijn. Nooit en nergens heb ik betere vrienden dan mijn broeders gevonden.”Aan het hof had Columbus nog veel vijanden, die er tamelijk wel in slaagden om te maken, dat men op zijn armoedige omstandigheden geen acht sloeg. Hij gevoelde zich zeer ongelukkig en begreep, dat een persoonlijk bezoek aan het hof een gebiedende noodzakelijkheid was. Maar hij was zoo verbazend zwak, dat het lang duurde eer hij de reis wagen kon.Nadat de winterstormen over waren, maakte hij van het zachte weer in Mei gebruik, en ging hij met zijn broeder, den adelantado, den koning te Segovia bezoeken. Als een vermoeid, droefgeestig, miskend man, meer door verdriet dan door den ouderdom gebogen, ging de ontdekker van een nieuwe wereld, door de poorten van de koninklijke stad.De zelfzuchtige Ferdinand dacht niet meer aan de bewezen diensten, en vond den man met zijn vragen lastig. Hij ontving hem wel is waar vriendelijk, maar met dien kouden, onbeduidenden glimlach, die als een zonnestraal bij winterdag over het gelaat gaat, zonder het hart te verwarmen.Columbus gaf den koning een uitgebreid en nauwkeurig verhaal van zijn laatste reis. Maar geen vroolijken lach, geen traan van deernis kon het meegedeelde afdwingen. De koning was mild met vriendelijke woorden, maar karig, tot wreedheid toe, waar het aankwam op stoffelijke erkenning van de verdiensten of de behoeften van den levensmoeden admiraal.1Droeve maanden van uitgestelde hoop en bittere teleurstellingen vloden voorbij. De laatste zandkorrels uit het uurglas van het leven begonnen te vloeien. Zijn geest werd minder en door een hevige aanval van de jicht, werd de admiraal opnieuw aan zijn bed gekluisterd. Ter wille van zijn bloedverwanten was hij er bijzonder op gesteld, dat zijn waardigheden erkend, zijn eigendom beschermd zou worden en dat zij, die hij liefhad, voor gebrek bewaard mochten blijven. Toch was hij er veel meer op uit, zijn kinderen een eervollen naam na te laten dan zijn geldelijke verliezen te herstellen. Van zijn sterfbed schreef hij den koning nog, en verzocht dat zijn zoon Diego tot onderkoning benoemd mocht worden, van welke waardigheid hij zelf zoo onrechtvaardig ontzet was geworden.“Dit”, schreef hij, “is een zaak, die mijn eer raakt. Voor het overige moet Uwe majesteit maar doen, wat zij het best vindt. Geef of neem mij af, zooals het voor U het voordeeligst is, en ik zal tevreden wezen. Ik geloof dat de zorg, die het uitstellen van deze zaak mij geeft, de voornaamste oorzaak van mijn ziekte is.”Eindelijk kreeg hij de overtuiging, dat er van de zijde van Ferdinand geen hoop op herstel van grieven was. Op zijn ziekbed schreef hij aan zijn trouwen vriend, Diego de Deza, den volgenden wanhopigen brief:“Het schijnt, dat de koning niet doen wil, wat hij en wijlen de koningin mij mondeling en schriftelijk hebben beloofd. Het zou met den wind vechten wezen, als ik mij daartegen ging verzetten. Ik heb alles gedaan, wat ik kon. De rest laat ik aan God over, die altijd goed voor mij geweest is.”Er is in den dood van dezen zwakken maar heldhaftigen man iets onuitsprekelijk droevigs. Lichaam en geest hadden bij dien man door de stormen van het onrustigste aardsche leven, dat men zich denken kan, veel geleden. Sedert eenigen tijd was het zijnen vrienden duidelijk geworden, dat zijn einde naderde. Hij zelf werd hiervan overtuigd. Het verheven karakter van Columbus komt duidelijk uit bij het uitspreken van zijn laatsten wil in die plechtige uren.Overeenkomstig het erfrecht, was zijn zoon Diego zijn voornaamste erfgenaam. Columbus bepaalde, dat zijn landgoed nooitin vreemde handen overgaan of verbrokkeld mocht worden. Hij drong er op aan, dat zijn erfgenamen altijd aan den koning getrouw zouden blijven en alles zouden doen ter bevordering van het christelijk geloof. Eén tiende van het inkomen moest besteed worden om arme bloedverwanten en andere gebrek lijdende personen te ondersteunen. Hij stond er op, dat bij de stad Concepcion op Hispaniola een kapel zou gebouwd worden, waar dagelijks missen werden gelezen voor de rust van zijn eigen ziel, en voor die van zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw en van allen, die in het geloof gestorven waren.Eindelijk brak het stervensuur aan. Columbus was zich volkomen bewust, dat de tijd van gaan voor hem gekomen was. Hij was blijde, dat de dood naderde, als de vriendelijke bode, die hem van zorg, pijn en verdriet zou bevrijden. Zijn laatste woorden waren: “In uwe handen, o God! beveel ik mijnen geest.”Het was de 20enMei 1506. Men vermoedt, dat Columbus toen 70 jaren oud was. Zijn begrafenis had te Valladolid met veel plechtigheid plaats. Eerst werd zijn lijk in de kerk van Santa Maria de la Antigua bijgezet, maar zeven jaren daarna, in 1513, werd het naar het Karthuizer klooster van Las Cuevas te Sevilla overgebracht. Drie en twintig jaren later werd het met dat van zijn zoon Diego in de hoofdkerk van de stad San Domingo begraven. Maar zelfs hier mocht het de laatste rustplaats niet vinden. Toen de Franschen zich in 1797 van het eiland hadden meester gemaakt, werden de lijken door de Spaansche gezaghebbers naar de hoofdkerk van Havana, op Cuba, overgebracht. Daar rusten ze nu.Ieder lezer zal, wanneer hij het vorenstaande verhaal nagaat, een eigen oordeel vellen over het karakter van Columbus. Zijn afwisselend leven was over het geheel een van de meest vreugdelooze en moeitevolle levens, waarvan de geschiedenis melding maakt. Dat hij zijn gebreken had, geven we toe. Maar geen eerlijk gemoed zal ontkennen, dat deze vlekken op zijn karakter door vele en verhevene deugden werden vergoed.1“Ik weet niet”, schrijft de eerbiedwaardige Las Casas, “wat de oorzaak van dezen haat, van dit gemis aan vorstelijke waardigheid bij den koningzou kunnen zijn, jegens een man, die hem zulke groote voordeelen bezorgd had, tenzij zijn hart door de valsche getuigenissen, die tegen den admiraal waren ingebracht, van hem was afgekeerd. Personen, die in de gunst van ’t hof deelen, hebben mij daarvan een en ander verteld.
In dien tijd werden 84 opperhoofden verbrand of opgehangen!Hoe leeren ons die weinige woorden de wreedheid kennen, waarmee de inlanders door de onmenschelijke gelukzoekers werden behandeld.
Ovando, die Columbus hulp zou zenden, maar hierin nalatig gebleven was, trachtte zich zoo goed mogelijk te verontschuldigen. Ook wilde hij Mendez niet naar San Domingo laten gaan, omdat hij vreesde, dat deze medelijden met den admiraal zou weten op te wekken, waardoor men wellicht maatregelen voor zijn bevrijding nam. Ten laatste, door maar steeds aan te dringen, kreeg hij eindelijk verlof om naar San Domingo te gaan, en daar de aankomst van eenige schepen, die uit Spanje werden verwacht, af te wachten.
Terstond ging hij te voet op weg en legde een afstand van 200 mijlen door de wildernis af. Zoodra hij vertrokken was, zond Ovando het schip uit onder bevel van den oproerling Escobar, die den onverklaarbaren tocht naar den schipbreuklijdenden admiraal ondernam.
Wetteloosheid en misdaad brengen altijd ellende voort. De opstandelingen te Jamaïca, die onder elkander twistten, en zich den haat van de inboorlingen op den hals gehaald hadden, verkeerden in den deerniswaardigsten toestand. Nu men wist, dat hij schipbreuk geleden had, twijfelde Columbus er geen oogenblik aan, of men zou hem spoedig schepen tot zijn redding zenden. Al wist Ovando ook een verschooning voor zijn talmen te bedenken, hij zou het toch niet durven wagen den admiraal en zooveel Spanjaarden hulpeloos te laten sterven. Toen Columbus met den toestand van de oproermakers bekend was, zond hij twee van zijn manschappen naar hen toe, om hen in kennis te stellen met het bezoek van Escobar en om hen te verzekeren, dat er spoedig schepen zouden komen om hem te bevrijden. Allen, die terug wilden keeren, beloofde hij vergiffenis en eenvrijen overtocht naar Hispaniola met de verwachte schepen. De hoofden van den opstand poogden deze aanbiedingen voor hun misleide bondgenooten verborgen te houden. Zij lieten Columbus weten, dat zij niet naar Hispaniola terug verlangden, maar liever vrij op het eiland bleven wonen.
Met het doel den mannen daden van geweld te laten verrichten, waardoor het hun onmogelijk zou worden genade te verwerven, begaven zij zich op weg, om de wrakken te plunderen en Columbus gevangen te nemen. Columbus kreeg van hun komst bericht. Bartholomeus Columbus, die den titel van adelantado droeg, trok met 50 goed gewapende mannen uit, om den vijand tegemoet te gaan1. Hij had in last, alles te doen wat mogelijk was, om hen tot een vreedzaam terugkeeren aan te sporen, en volstrekt geen geweld te gebruiken, wanneer dit niet zeer noodzakelijk was.
Francisco de Porras wilde echter van geen vrede weten. Onder woest geschreeuw en de grootste verwoedheid beval hij zijn manschappen vuur te geven. Zelf ging hij met zes van de moedigsten naar den adelantado; want, dacht hij, als we dien aanvallen en dooden, dan kunnen we de overigen gemakkelijk uit elkander jagen. Een verwoed gevecht volgde. Met één slag sloeg Porras het schild van den adelantado in stukken en wondde hem aan de hand. Het zwaard zat zoo diep in het schild, dat hij het er niet weer uit kon trekken. Onderscheidene mannen grepen Porras, en hij was een krijgsgevangene. De overigen liepen in verwarring weg.
Vele Indianen stonden om het slagveld heen, en keken met verbazing naar dit moordtooneel. Bartholomeus keerde met Porras en vele andere gevangenen naar de schepen terug. Een aantal opstandelingen had den dood gevonden. Van zijn eigen partij waren slechts twee gewond. Den volgenden dag, ’t was de 20eMei, zonden de vluchtelingen een smeekschrift om genade aan den admiraal, dat door allen onderteekend was. Hoe groot hun begeerte was om weer tot hun eed terug te keeren, kan uit den bijzonderen eed zelf blijken, dien zij bij het kruis en het misboek aflegden. Die eed luidde:
“Als wij ooit onzen eed breken, dan hopen wij, dat geen priester of een ander christen ons de biecht zal afnemen; dat berouw niets baten kan; dat wij de heilige genademiddelen vande kerk zullen missen; dat wij bij onzen dood geen vergeving ontvangen; dat onze lijken op het veld zullen geworpen worden, evenals die van ketters en afvalligen, in plaats van in heilige aarde te worden begraven; dat wij noch van den paus, noch van de aartsbisschoppen, andere bisschoppen of priesters vergeving ontvangen.”
Tot toelichting van deze verschrikkelijke vervloekingen, waardoor deze schuldige en slechte lieden de kracht van den eed nog trachtten te verhoogen, merkt Irving terecht op:
“De weinige waarde van iemands beloften kan men altijd afleiden uit de buitensporige middelen, die hij aanwendt, om er kracht aan bij te zetten.”
1Uit dit getal blijkt, òf dat eenige oproermakers afvallig geworden waren, òf dat meer dan de helft aan Columbus getrouw gebleven was.
1Uit dit getal blijkt, òf dat eenige oproermakers afvallig geworden waren, òf dat meer dan de helft aan Columbus getrouw gebleven was.
Gedurende de afwezigheid van Columbus waren er onder het bestuur van Ovando op de inlanders zulke vreeselijke misdaden gepleegd, dat het al te erg is ze te noemen. Duivels hadden niet erger kunnen handelen. De moed ontbreekt mij, om die barbaarschheden te beschrijven. Deze onmenschen stelden bedaagde vrouwen en jonge maagden, bejaarde mannen en jongens aan alle laagheid en wreedheid bloot, die een verdorven verbeelding uitdenken kan.
Ruwe benden zwierven in alle richtingen rond, om goud te zoeken. Het weinige geld, dat de gelukzoekers hadden meegebracht, was al spoedig verteerd. Zij waren in de diepste armoede en ellende gedompeld. Velen stierven, en vervloekten den dag, waarop ze uit Spanje waren gegaan. In den loop van een paar maanden stierven meer dan duizend Spanjaarden. Er werd een geregeld stelsel van slavernij ingevoerd, waarbij de inboorlingen, niet aan zwaren arbeid gewend, gedwongen werden in de mijnen te werken. Ieder Spanjaard kreeg een zeker aantal slaven. Zij werden aan hun vrouwen en kinderen ontrukt, voor uitputtenden arbeid gebruikt en aan de wreede zweepstraf onderworpen. Wist een slaaf aan deze barbaarschheid te ontkomen, dan werd hij achtervolgd en door bloedhonden verscheurd, als een waarschuwing voor anderen. Geheele ploegen werden vaak 200 of 300 mijlen voortgejaagd als vee. Velen bezweken onderweg. Las Casas schrijft:
“Velen zag ik dood op den weg liggen, anderen onder de boomen naar lucht snakken, en weer anderen vond ik stervende, nauwelijks hoorbaar kreunend: ‘Honger, honger!’”
Irving, die van zulke vreeselijke tooneelen, uit afkeer er van, geen melding maakt, schrijft: “Het is onmogelijk, om de schilderij, door den eerwaardigen Las Casas opgehangen, en die schilderde niet wat hij gehoord maar wat hij gezien had, aan te vullen. De natuur, de menschelijkheid verzetten er zich tegen. Genoeg is het te zeggen, dat de zware arbeid en het lijden, die dezen zwakken en goedhartigen menschen werden opgelegd, zoo ondraaglijk waren, dat zij er onder bezweken, en als het ware van den aardbodem verdwenen. Velen maakten in wanhoop een einde aan hun leven; moeders zelfs overwonnen haar natuur en doodden haar zuigelingen, om hun een leven van ellende te besparen. Sedert de ontdekking van het eiland waren nog geen twaalf jaren verloopen, en toch waren er reeds veel honderdduizenden bewoners gestorven, allen als ellendige slachtoffers van de hebzucht der blanken.”
Vergelijkt men het bestuur van Bobadilla en Ovando met dat van Columbus, dan is dit laatste rechtvaardig en menschelijk geweest. Hij paste de doodstraf niet lichtzinnig toe, en gaf geen verlof tot het opleggen van barbaarsche straffen. Zijn ernstige begeerte was het de Indianen te beschaven en tot het christendom te bekeeren. Wel zond hij vele inlanders naar Spanje, om daar als slaven te worden verkocht, maar dat kwam door een dweepzucht, die men destijds vrij algemeen aantrof, en die, wij schamen het ons te zeggen, nog geen halve eeuw geleden, van de predikstoelen zoowel in Engeland als in Amerika, verdedigd en aanbevolen is. Toch heeft Columbus hiervoor een strenge afkeuring verdiend. Maar evenzeer zal een eerlijk gemoed rekening houden met de eeuw, waarin hij leefde.
Sedert de schipbreuk was er een jaar vol angst en droefheid voorbijgegaan, toen in den morgen van den 28enJuni 1504 twee karveelen werden gezien, die naar de haven kwamen. Men werd bijna krankzinnig van vreugde, en de wanhoop was geweken. De samenzweerders, die vergiffenis hadden gekregen, waren in een kamp op het land gelegerd. Porras, den aanvoerder, hield men gevangen. De anderen werden behandeld, alsof ze aan geen misdaad schuldig stonden. Maar zij beefden toch van angst en waren zeer gedwee en kruipend. Columbus stelde een vertrouwd officier over hen aan, en zoo wachtten de twee troepen, één aan land en één op de schepen, de aankomst van hulp af.
Algemeene verontwaardiging te San Domingo had Ovando genoodzaakt deze hulp, hoe laat dan ook, te zenden. Met de inscheping was er geen tijd te verliezen. Columbus liet op een van de schepen zijn admiraalsvlag hijschen, en, grootmoedig alle geleden onrecht vergetende, behandelde hij allen met de grootste vriendelijkheid. Van Santa Gloria langs de zuidelijke kust van Jamaïca, van daar naar het westen van Haïti en dan langs den zuidkant van het eiland naar San Domingo is nog al een verre reis.
Stormen, tegenwinden en sterke tegenstroomen vertraagden den overtocht, en niet voor den 13enAugustus wierpen de karveelen in de haven het anker uit. Daar had Columbus veel vrienden, en zijn ongelukken hadden een groote verandering in de gevoelens jegens hem veroorzaakt bij velen, die ook eerst meegeschreeuwd hadden tegen hem. Zelfs de Goeverneur, wiens geweten niet zuiver was, begon bang te worden, dat men hem om zijn wreed uitstel ter verantwoording zou roepen. Columbus verwonderde zich zelf, dat hij door allen met zooveel hoffelijkheid ontvangen werd. Maar noch hij, noch zijn zoon Fernando liet zich misleiden door de gehuichelde beleefdheden van den Goeverneur.
Zeer spoedig ontstond er een botsing tusschen beider niet juist omschreven macht. Moeielijkheden over de bevoegdheden om recht te spreken deden zich voor. Columbus was tot in het diepst van zijn ziel getroffen over de behandeling, die de inlanders hadden ondergaan en ook over de verwoesting, waarvan het heele eiland de sporen droeg. Hij had gehoopt, de inlanders aan arbeid te gewennen en daardoor zoowel hun eigen welvaart als die van de kroon te bevorderen. Hij schreef aan den koning en de koningin:
“De Indianen van Hispaniola waren en zijn de rijksten van het eiland. Zij bebouwen den grond en bakken brood voor de christenen; zij halen het goud uit de mijnen en doen alle diensten en al het werk, die mensch en dier verrichten. Ik heb bericht ontvangen, dat, sinds ik dit eiland verliet, 6/7 van de inboorlingen dood is, en dit enkel door onmenschelijkheid en mishandeling. Sommigen kwamen door het zwaard om, anderen door slagen en wreede straffen, velen door honger. Het grootste deel stierf in de bergen en bergpassen, werwaarts zij gevlucht waren, om van den al te zwaren arbeid verlost te worden, dien men hun had opgelegd.”
Columbus was niet in staat ook maar een enkele grief weg te nemen. Hij kon van Ovando geen afrekening krijgen en wasdaardoor niet in staat te betalen wat hij schuldig was. Daarom maakte hij aanstalten, om met zijn broeder naar Spanje terug te keeren. Twee schepen werden voor de reis gereedgemaakt. Columbus zorgde voor het eene, de adelantado voor het andere. Heel mild stond Columbus van het weinige, dat hij zelf bezat, nog af, om in de behoeften van de arme zeelieden te voorzien, die achter moesten blijven, ofschoon velen er van de grootste oproermakers waren geweest. Nauwelijks waren zij buiten de haven, of een windvlaag nam den mast van het admiraalschip weg. Het ontredderde schip werd teruggezonden, en Columbus ging met zijn zoon op dat van zijn broeder over, om de reis voort te zetten.
Met aanhoudende stormen hadden zij te worstelen. Columbus kon zijn bed niet verlaten, zoo folterend waren de pijnen, die hij door de jicht leed. Den 12enSeptember 1504 verlieten de schepen San Domingo, en den 7enNovember wierp zijn door stormen zeer gehavend schip het anker in de haven van San Lucar uit. Dadelijk zette hij de reis naar Sevilla voort. Zwakte, pijn, zorg en verdriet volgden hem overal. Zijn eigen zaken waren deerlijk in de war en hij stak diep in de schulden. Koningin Isabella lag op haar ziek- en sterfbed, verteerd door zulk een menigte huiselijke verdrietelijkheden als maar weinigen ooit hebben moeten verdragen. Ferdinand was een ongevoelig mensch, die niet in staat was om door gevoelens van edelmoedigheid geleid te worden.
Columbus schreef aan zijn zoon, dat het hoogst noodig was de meest mogelijke zuinigheid in acht te nemen. “Ik ontvang,” schreef hij, “niets van hetgeen men mij schuldig is. Ik leef door te borgen. Weinig voordeel heeft een twintigjarige dienst mij opgeleverd, een dienst, waaraan zooveel moeite en gevaren verbonden waren. En nu heb ik in Spanje zelfs geen eigen dak. Als ik eten en slapen wil, moet ik mijn toevlucht tot een herberg nemen. En meestentijds heb ik zelfs niet eens geld om de rekening te betalen.”
Isabella stierf levenszat en met een gebroken hart te Medina del Campo op den 26enNovember 1504. Haar levenspad werd slechts door eenige weinige vreugdestralen verlicht. Toen zij haar vrienden, die om haar heen stonden, in tranen zag baden, zeide zij tot hen:
“Weent niet om mij, en brengt uw tijd niet zoek met vruchtelooze gebeden voor mijn herstel; bidt liever voor het heil van mijn ziel.”
Zij was 54 jaar oud en had 30 jaren geregeerd. Toen men haar lijk grafwaarts droeg, heerschte er een vreeselijke storm, die hemel en aarde in beroering bracht. De regen viel in stroomen neer, en een van de hevigste winterstormen gierde om de torens van het Alhambra, toen Isabella in de sombere gewelven werd begraven.
De dood van Isabella was een van de grootste rampen, die Columbus overkwam. Het overige gedeelte van den winter en de lente bracht hij te Sevilla door. Den meesten tijd lag hij te bed met vreeselijk lijden. Hij was zeer aan zijn broeders gehecht en hield veel van zijn zoons Ferdinand en Diego. Aan den oudste schreef hij:
“Gedraag u jegens uw broeder als het den oudste tegenover den jongeren betaamt.Gij hebt geen ander, en ik dank God, dat hij er een is zooals gij behoeft. Tien broeders zouden niet te veel voor u zijn. Nooit en nergens heb ik betere vrienden dan mijn broeders gevonden.”
Aan het hof had Columbus nog veel vijanden, die er tamelijk wel in slaagden om te maken, dat men op zijn armoedige omstandigheden geen acht sloeg. Hij gevoelde zich zeer ongelukkig en begreep, dat een persoonlijk bezoek aan het hof een gebiedende noodzakelijkheid was. Maar hij was zoo verbazend zwak, dat het lang duurde eer hij de reis wagen kon.
Nadat de winterstormen over waren, maakte hij van het zachte weer in Mei gebruik, en ging hij met zijn broeder, den adelantado, den koning te Segovia bezoeken. Als een vermoeid, droefgeestig, miskend man, meer door verdriet dan door den ouderdom gebogen, ging de ontdekker van een nieuwe wereld, door de poorten van de koninklijke stad.
De zelfzuchtige Ferdinand dacht niet meer aan de bewezen diensten, en vond den man met zijn vragen lastig. Hij ontving hem wel is waar vriendelijk, maar met dien kouden, onbeduidenden glimlach, die als een zonnestraal bij winterdag over het gelaat gaat, zonder het hart te verwarmen.
Columbus gaf den koning een uitgebreid en nauwkeurig verhaal van zijn laatste reis. Maar geen vroolijken lach, geen traan van deernis kon het meegedeelde afdwingen. De koning was mild met vriendelijke woorden, maar karig, tot wreedheid toe, waar het aankwam op stoffelijke erkenning van de verdiensten of de behoeften van den levensmoeden admiraal.1
Droeve maanden van uitgestelde hoop en bittere teleurstellingen vloden voorbij. De laatste zandkorrels uit het uurglas van het leven begonnen te vloeien. Zijn geest werd minder en door een hevige aanval van de jicht, werd de admiraal opnieuw aan zijn bed gekluisterd. Ter wille van zijn bloedverwanten was hij er bijzonder op gesteld, dat zijn waardigheden erkend, zijn eigendom beschermd zou worden en dat zij, die hij liefhad, voor gebrek bewaard mochten blijven. Toch was hij er veel meer op uit, zijn kinderen een eervollen naam na te laten dan zijn geldelijke verliezen te herstellen. Van zijn sterfbed schreef hij den koning nog, en verzocht dat zijn zoon Diego tot onderkoning benoemd mocht worden, van welke waardigheid hij zelf zoo onrechtvaardig ontzet was geworden.
“Dit”, schreef hij, “is een zaak, die mijn eer raakt. Voor het overige moet Uwe majesteit maar doen, wat zij het best vindt. Geef of neem mij af, zooals het voor U het voordeeligst is, en ik zal tevreden wezen. Ik geloof dat de zorg, die het uitstellen van deze zaak mij geeft, de voornaamste oorzaak van mijn ziekte is.”
Eindelijk kreeg hij de overtuiging, dat er van de zijde van Ferdinand geen hoop op herstel van grieven was. Op zijn ziekbed schreef hij aan zijn trouwen vriend, Diego de Deza, den volgenden wanhopigen brief:
“Het schijnt, dat de koning niet doen wil, wat hij en wijlen de koningin mij mondeling en schriftelijk hebben beloofd. Het zou met den wind vechten wezen, als ik mij daartegen ging verzetten. Ik heb alles gedaan, wat ik kon. De rest laat ik aan God over, die altijd goed voor mij geweest is.”
Er is in den dood van dezen zwakken maar heldhaftigen man iets onuitsprekelijk droevigs. Lichaam en geest hadden bij dien man door de stormen van het onrustigste aardsche leven, dat men zich denken kan, veel geleden. Sedert eenigen tijd was het zijnen vrienden duidelijk geworden, dat zijn einde naderde. Hij zelf werd hiervan overtuigd. Het verheven karakter van Columbus komt duidelijk uit bij het uitspreken van zijn laatsten wil in die plechtige uren.
Overeenkomstig het erfrecht, was zijn zoon Diego zijn voornaamste erfgenaam. Columbus bepaalde, dat zijn landgoed nooitin vreemde handen overgaan of verbrokkeld mocht worden. Hij drong er op aan, dat zijn erfgenamen altijd aan den koning getrouw zouden blijven en alles zouden doen ter bevordering van het christelijk geloof. Eén tiende van het inkomen moest besteed worden om arme bloedverwanten en andere gebrek lijdende personen te ondersteunen. Hij stond er op, dat bij de stad Concepcion op Hispaniola een kapel zou gebouwd worden, waar dagelijks missen werden gelezen voor de rust van zijn eigen ziel, en voor die van zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw en van allen, die in het geloof gestorven waren.
Eindelijk brak het stervensuur aan. Columbus was zich volkomen bewust, dat de tijd van gaan voor hem gekomen was. Hij was blijde, dat de dood naderde, als de vriendelijke bode, die hem van zorg, pijn en verdriet zou bevrijden. Zijn laatste woorden waren: “In uwe handen, o God! beveel ik mijnen geest.”
Het was de 20enMei 1506. Men vermoedt, dat Columbus toen 70 jaren oud was. Zijn begrafenis had te Valladolid met veel plechtigheid plaats. Eerst werd zijn lijk in de kerk van Santa Maria de la Antigua bijgezet, maar zeven jaren daarna, in 1513, werd het naar het Karthuizer klooster van Las Cuevas te Sevilla overgebracht. Drie en twintig jaren later werd het met dat van zijn zoon Diego in de hoofdkerk van de stad San Domingo begraven. Maar zelfs hier mocht het de laatste rustplaats niet vinden. Toen de Franschen zich in 1797 van het eiland hadden meester gemaakt, werden de lijken door de Spaansche gezaghebbers naar de hoofdkerk van Havana, op Cuba, overgebracht. Daar rusten ze nu.
Ieder lezer zal, wanneer hij het vorenstaande verhaal nagaat, een eigen oordeel vellen over het karakter van Columbus. Zijn afwisselend leven was over het geheel een van de meest vreugdelooze en moeitevolle levens, waarvan de geschiedenis melding maakt. Dat hij zijn gebreken had, geven we toe. Maar geen eerlijk gemoed zal ontkennen, dat deze vlekken op zijn karakter door vele en verhevene deugden werden vergoed.
1“Ik weet niet”, schrijft de eerbiedwaardige Las Casas, “wat de oorzaak van dezen haat, van dit gemis aan vorstelijke waardigheid bij den koningzou kunnen zijn, jegens een man, die hem zulke groote voordeelen bezorgd had, tenzij zijn hart door de valsche getuigenissen, die tegen den admiraal waren ingebracht, van hem was afgekeerd. Personen, die in de gunst van ’t hof deelen, hebben mij daarvan een en ander verteld.
1“Ik weet niet”, schrijft de eerbiedwaardige Las Casas, “wat de oorzaak van dezen haat, van dit gemis aan vorstelijke waardigheid bij den koningzou kunnen zijn, jegens een man, die hem zulke groote voordeelen bezorgd had, tenzij zijn hart door de valsche getuigenissen, die tegen den admiraal waren ingebracht, van hem was afgekeerd. Personen, die in de gunst van ’t hof deelen, hebben mij daarvan een en ander verteld.