INLEIDING.
De inval der aziatische vreemdelingen in Griekenland was teruggeslagen niet alleen, maar de perzische koning ook tot een’ schandelijken vrede genoodzaakt, en wel voornamelijk door atheensche veerkracht en heldenmoed. Zulke tijden van dreigend gevaar zijn het, die helden scheppen en alle geniën doen ontwaken: dan, vooral wanneer een bange strijd de zege heeft aangebragt, dan klopt de boezem van een hoog gevoel, en er ontstaan meesterstukken, die latere, kalmere, maar ook verslapte tijden bewonderen, maar niet meer evenaren. Zoo was te Athene door Aeschylus, Sophocles en Euripides het treurspel,—door Cratinus, Eupolis en Aristophanes het blijspel geschapen, ontwikkeld, volmaakt,—door andere meesters andere schoone kunstgewrochten daargesteld.
Op de scheppingen der fantasie volgen de ontwikkelingen des verstands: Herodotus en Thucydides, Plato en Xenophon, Lysias en Isocrates schiepen hetwelligt nooit geëvenaarde attische proza, weldra, buiten de poëzij, de eenige heerschende taal. Door deze en andere omstandigheden was en bleef Athene het middelpunt van grieksche beschaving en grieksche wijsheid.
Der Grieken nadenken was eerst gerigt geweest op de natuur, en hunne wijsbegeerte was bloot natuurkunde. Later tot het bewustzijn geraakt, dat de menschelijke rede iets anders is en hooger staat dan natuurkracht, hadden zij nagedacht over de zedewet; die zij, bevangen, gelijk ze waren, door hun nadenken over de natuur, nog van deze niet konden scheiden. Maar nieuwe denkers traden op, en ontwikkelden de zedeleer in scherp contrast tegenover de leer der natuur, totdat het eeuwige streven van den menschelijken geest, het streven naar éénheid in weten en denken, eene bemiddeling tusschen beide zienswijzen vond, een band tusschen natuur- en zedeleer: de zamenstellingen en ontledingen des verstands.
De man, die, het meest van allen, tijdgenoot en nakomeling dien band deed beseffen, die eischte, dat, wie iets wist of deed, van zijn weten of doen volledige rekenschap kon geven; die verstandige denker, die zoo vele anderen tot denkers vormde,—die man was Socrates.
Socrates was geboren in 468 vóór onze jaartelling. Sophroniscus, zijn vader, was beeldhouwer; Phaenarete, zijne moeder, vroedvrouw. Zijne jeugd bragt hij door in de uitoefening van zijns vaders beroep: nog vijf eeuwen later zag men te Athene door hem gebeitelde gesluijerde gratiën.
Hoewel hij geen opzettelijk onderwijs in de wijsbegeerte ontving, moesten evenwel mannen, als welke wij in den aanvang van ons opstel vermeldden, een’ magtigen invloed uitoefenen op een denkend hoofd gelijk Socrates, die de tijdgenoot was van de meesten hunner. Bovendien maakte hij zich de rijke gelegenheid te nutte, die Athene voor allerlei ontwikkeling aanbood.
In ’t bedrijvige leven was hij een voorbeeld van standvastige vaderlandsliefde en een onverschrokken handhaver van waarheid en regt. Als burger zijner vaderstad woonde hij drie krijgstogten bij. Eerst ter zee tegen Potidaea: bij die gelegenheid redde hij Alcibiades met zijn schild, verwierf den prijs der dapperheid, maar stond dien vrijwillig af aan Alcibiades, die het zelf verhaalt in Plato’s Gastmaal. „Maar meer was het de moeite waard,” zoo gaat hij voort, „Socrates te zien, toen bij Delium (424, in Boeotië) ons leger vlugtende aftrok. Bij geval was ik er te paard tegenwoordig, en hij in zware rusting te voet. Toen de menigte reeds verstrooid was, trok Socrates, met den veldheer Laches, terug; ik tref henaan en hen herkennende, spreek ik hun beiden moed in, en beloofde hen niet te zullen verlaten. Daar zag ik Socrates beter dan bij Potidaea; (ik was namelijk meer gerust, daar ik te paard zat;) vooreerst overtrof hij Laches verre in kalm beleid; verder trad hij trotsch daarheen, en zag rond naar vriend en vijand; ’t was duidelijk voor ieder, ook van verre, dat, wie dezen man mogt aanvallen, eene geduchte tegenweer zou vinden. Daarom kwam hij zelf en de ander er behouden af”[1].
Even eervol streed hij bij de nederlaag der Atheners bij Amphipolis.
Behalve eenen feesttogt naar den Isthmus en de vermelde krijgstogten, verliet hij Athene niet, waaraan hij bijzonder gehecht was, vooral om de daar heerschende vrijheid van leven, die voor hem bijzondere waarde bezat. Uit zucht naar onafhankelijke vrijheid verkoos hij arm te zijn, en bemoeide hij zich niet met het staatsbestuur: onmogelijk kon hem ook de wufte onbestendigheid der atheensche volksregering behagen. Daarom bekleedde hij nooit eenige waardigheid, behalve dat hij eens lid van den raad werd. Bij toeval was toen de phyle of afdeeling Antiochis, waartoe Socrates behoorde, aan de beurt om ’t beleid der zaken te voeren. Juist had het volk beslotenom acht opperbevelhebbers, die, door storm verhinderd, de lijken van de, in den zeeslag bij de arginusische eilanden, gesneuvelden de laatste eer niet hadden kunnen bewijzen, allen te gelijk te veroordeelen, geheel onwettig, gelijk ieder later inzag. Toen was Socrates onder de gezagvoerders de eenige, die zich tegen dien gruwel verzette; en hoewel de volksmenners gereed waren hem zelven aan te klagen, en ’t volk luide den dood der ongelukkigen eischte,—dacht het den standvastigen man beter, om, getrouw aan wet en regt, het gevaar te trotseren, dan te deelen in ’t onregt, uit vrees voor kerker of dood.—Voor ’t overige bleek bij deze gelegenheid zijne weinige geschiktheid voor de behandeling der openbare zaken; toen hij de stemmen moest opnemen werd hij uitgelagchen. Dit gebeurde onder de democratie.
Toen deze voor de regering van weinigen had moeten wijken, ontboden de dertig tirannen Socrates met vier anderen, en bevalen hun, een’ zekeren Leon, een zeer rijk man en atheensch burger, maar om de tirannen uitgeweken naar Salamis, van daar te halen, om hem te Athene ter dood te brengen; gelijk zij dan ook vele anderen dergelijke geweldenarijen bevalen, om velen in hunne schuld te doen deelen. Toen bewees Socrates weder, dat hij niet in ’t minste den dood vreesde, maar het plegen van onregt boven alles. Op hem vermogt het schrikbewind,hoe gewelddadig ook, en buitendien op hem verbitterd, niet genoeg, om hem tot een’ misdadigen stap te verleiden. De vier gingen naar Salamis en bragten Leon; en Socrates ging naar huis. Denkelijk zou ook hij vermoord zijn, ware het schrikbewind niet spoedig gevallen.
Zoo was het geheele leven van Socrates een bewijs van liefde voor zijn vaderland en voor ’t regt. Dat hij nu niets deed, om invloed te krijgen op het bestuur, daarvan ligt de grond in zijne overtuiging, dat het zijne roeping was: het opkomende geslacht te vormen en op te voeden. „Wanneer,” zeide hij, „gelooft gij, dat ik meer deel neem aan de staatszaken, indien ik alleen er deel aan neem, of wanneer ik zorg zoo velen mogelijk geschikt te maken tot derzelver behandeling?”
Waarschijnlijk had Socrates eerst op veertigjarigen ouderdom een meer duidelijk inzigt in deze zijne roeping gekregen: hij werd er allengskens meer van overtuigd, daar hij zag, dat zijn omgang de jonge menschen wezenlijk beter maakte. Zonder zich aan iemand op te dringen, veroorloofde hij ieder, ’t zij jong of oud, in zijn’ omgang te deelen.
Zoo ontstond ’t geen anderen zijne school noemden, namelijk de gewoonte van velen om zoo veel mogelijk met hem te verkeeren en hem te hooren. Ook moest zijn geheele wezen wel de aandacht trekken: zijne gestalte was verre van schoon; Alcibiadesvergelijkt hem, om zijnen ingebogen’ wipneus, uitpuilende oogen en dikken buik, met Silenus. Zijne kleeding was, gelijk hij zelf, arm en gering; voeg hierbij veel ongewoons in zijne manieren,—dikwijls zag hij rond of bleef hij eensklaps staan. Maar hij deed meer dan bloot de aandacht wekken: zijn omgang boeide velen, die hij in moeijelijke omstandigheden met raad en daad wist bij te staan. En vooral lag er in ’t geen hij zeide, eene onweerstaanbare kracht. Zijn onderhoud liep veelal over huisselijk en openbaar leven, waarbij hij ieder tot nadenken bragt, maar voornamelijk iederen valschen waan van wijsheid, van wien dan ook, in zijne naaktheid onverbiddelijk ten toon stelde. Wat gemeen was en onrein, dat vervolgde hij met bijtenden, soms ruwen spot.—Zijne jongere vrienden bootsten gaarne de luimige scherts na, met welke hij zelf zich het voorkomen gaf van gaarne beter onderrigt te worden door hem, dien hij meende te moeten beschamen.
In de hoogste mate bezat hij het vermogen om zich geheel naar de zienswijze en de begrippen van anderen te schikken, en met verzwijgen van eigene zienswijze, dikwijls met eene enkele aanwijzing, ieder slechts datgene te zeggen, wat hij begrijpen kon, en alleen zóó als hij het begrijpen kon[2].
Daar hij zelf niets schreef, en in zijn spreken steeds scherts en ernst vereenigde, zonder zijne meening voluit te zeggen,—kon het bijna niet anders, of hij moest wel scheef en eenzijdig worden beoordeeld.
Daarbij deelde hij in de meening van vroegere denkers, „dat één hoogste wezen het al bestuurt,” hoewel hij in leer en leven de volksgoden eerbiedigde. Maar vele ruwe denkbeelden over ’t wezen der godheid moest hij wel bestrijden: verhinderen kon hij niet, dat er onder zijne leerlingen waren, die de volksgodsdienst verachtten. Zoo ontstond er zeer natuurlijk eene verdenking tegen Socrates eerbied jegens de goden.
Daarbij kwam, dat hij op eene eenigzins raadselachtige wijze sprak van eene soort van goddelijke ingeving, die men niet begreep of verkeerd uitleide. Over dezen bekenden Genius van Socrates is veel geschreven: wij houden het, met Ritter, voor een uitvloeisel van een zeer prikkelbaar gevoel in hem, eene soort van voorgevoel, een bijgeloof, dat hij deels van zijn volk had overgeërfd, deels uit eigene inwendige ervaring had opgevat. Socrates meende namelijk, dat de goden met hunnen bijstand de gebrekkige krachten van den brave te hulpe kwamen; daarbij lette hij naauwkeurig op zijne gewaarwordingen, van welkevele hem niet anders dan door bovennatuurlijke ingeving verklaarbaar waren. Aan ieder, dacht hij, die ’t wezenlijk wèl meende, gaven de goden dergelijke teekenen, hoewel niet aan ieder op dezelfde wijze.—Voorzeker zal de lezer, die zich zijner zwakheid bewust is, maar ook zijne kracht ten goede niet miskent „met den bijstand Gods,”—die zal Socrates gevoelen eerbiedigen.
Zoo begrijpen wij nog beter, hoe de edele man zoo geheel en onverdeeld kon leven voor ’t geen hij als zijne roeping beschouwde: hetverstandzijner tijdgenooten, vooral der jongeren, te vestigen op des menschen wezenlijke belangen, door hen tot nadenken op te wekken.
Socrates tijdgenooten begrepen zijn daemonium niet.
Hierbij kwam, dat er in zijn’ tijd een strijd was ontstaan tusschen het oude geloof aan der goden geduchte magt, dat vroeger door schrik en vreeze het volk in bedwang had gehouden, dat, zonder betwijfeld te worden, had geheerscht in de dagen der heldenkracht;—en tusschen eene nieuwe wijze van beschouwen, door wijsgeerig natuuronderzoek en door den rusteloozen voortgang van des menschen geest geboren: der vaderen goden waggelden op hunne troonen; de menschelijke deugd moest voortaan uit zedelijke overtuiging worden afgeleid, op wijsgeerige ontwikkeling van den geest gebouwd: zóó zou verstandige,zedelijke kracht het goede handhaven. Behalve den onverpoosden tred des tijds, had de ontzenuwing van het nationaal karakter en de zedelijke verwoestingen van een’ langdurigen burgeroorlog dien strijd aangewakkerd. Er waren vele welmeenende voorstanders van het oude, dat, verjaard, zijne kracht had verloren: Socrates gevoelde de onloochenbare behoefte aan de vergoeding van dat gemis, en de onmogelijkheid van de herlevendiging der denkbeelden van meer kinderlijke, vroegere dagen.
Zijne overtuiging kostte hem het leven.
Tot deze treurige ontknooping van het drama bragt ook deze omstandigheid het hare bij: twee mannen, die over Athene den meesten jammer hadden gebragt, Critias en Alcibiades, hadden gemeenzaam met Socrates geleefd. Na den terugkeer van de vorige orde der dingen, overdacht de geest de verledene rampen: om haren terugkeer te verhoeden, had men gaarne den bekrompen blik der dagen van ouds willen terugroepen.
In het algemeen was daarenboven de openbare meening zeer ingenomen tegen de wijsgeeren. Behalve andere gronden, die ook wel in hunne personen kunnen gelegen hebben, zal er wel altijd bij de velen, die leven van den waan van ingebeelde waarde en verdienste, eene nu meer geheim gewordene verbittering blijven bestaan tegen de weinigen, die ze opschudden uit den dommel.
Socrateswektezijne tijdgenooten: hij moest sterven.
Meletos, een jong dichter, bragt (399 v. C.) tegen Socrates de beschuldiging in, dat hij in twee punten had misdaan: 1. door de goden van den staat niet aan te nemen en nieuwe daemonen in te voeren; 2. door de jongelingen te bederven.
Anytos, een volksmenner, en Lycon, een redenaar, ondersteunden als medebeschuldigers de aanklagt, waarbij, volgens heerschend gebruik, de straf werd gevoegd, die de klager tegen ’t misdrijf meende te moeten eischen: hierde dood.
Om de aangevoerde redenen scheen de aanklagt in ’t oog der volksregters niet van grond ontbloot.
Daar treedt de aangeklaagde op.
Beschuldigden plagten te Athene, door alle—ook lage en onkiesche—middelen, der regteren medelijden gaande te maken.
Geheel anders Socrates: fier is zijne taal, diep vernederend voor aanklagers en regters; en toch wordt hij slechts met eene zeer geringe meerderheid schuldig verklaard. Daarop wordt hem, mede volgens atheensche gewoonte, gevraagd, welke straf hij meende verdiend te hebben.
Zijn antwoord was zoo hooghartig, als ’t gevoel van onschuld maar immer kan ingeven.
En tachtig van die regters, die zoo even zijne onschuld hadden verklaard, voegden zich vertoornd bij de meerderheid!—Welke regtspraak!
„Het is,”—met deze woorden scheidde Socrates van zijne regters,—„het is tijd om heen te gaan, voor mij om te sterven, voor u om te leven; de God weet alleen, wat het beste is.”
Socrates bleef nog dertig dagen in den kerker (Aant. 6). Dezen tijd bragt hij meest door in gesprekken met Crito en andere zijner vrienden. Crito bood aan, om hem buiten de gevangenis in veiligheid te brengen: hij wees dit aanbod van de hand. En toen de tijd daar was, dronk hij met onverschrokken gemoed den gifbeker en stierf, kalm, gelaten, helder van geest; en was „genezen, en gezond geworden in den hoogsten zin des woords, gezond voor eeuwig”[3].
Crito was de oudste en een der rijkste vrienden van den veroordeelde. Drie dagen vóór de voltrekking van het vonnis had hij zich in de vroege morgenschemering naar den kerker begeven, om Socrates over te halen zich door de vlugt te redden. Plato heeft hun gesprek bij die gelegenheid vereeuwigd. Volgens zijne voorstelling ligt Socrates bij Crito’s binnentreden in een’ gerusten slaap. Crito is zwijgend naast hem gaan zitten, en bewondert de kalmte van zijnen slaap. Socrates ontwaakt, en vraagt zijn’ vriend, waarom hij zoo vroeg is gekomen. Crito zegt hem, wat hem met bewondering vervult, enberigt hem, dat hij hem de treurige tijding brengt van de op handen zijnde terugkomst van het heilige schip uit Delos; en dan zou hij moeten sterven. En daarom smeekt hij Socrates met de teederste liefde en den hartelijksten aandrang, om toch gebruik te maken van de gelegenheid om te ontvlugten: hij en zijne vrienden hadden daartoe alles voorbereid.
Maar Socrates blijft zich zelven gelijk. Gedurende zijn gansche leven heeft hij alleen gevraagd naar pligt en regt—hij doet het ook nu. Bedaard luistert hij naar de redenen, door Crito aangevoerd; hij begint zijn antwoord met zijn’ vriend te herinneren, dat het in dezen bloot aankomt op de vraag, of zijne vlugt strookt met regt en pligt. Dan volgt er eene allerbelangrijkste uiteenzetting van de waarde der openbare meening, van de eenige gedragslijn, door den brave in het oog te houden; en vooral van de gehoorzaamheid, die ieder burger is verschuldigd aan de wetten van den staat.—Crito moet eindelijk zelf afkeuren, wat hij eerst heeft aangeraden.
Let men op de inrigting en behandeling der zamenspraak, zegt een beroemd uitgever, dan blijkt ze een onberispelijk meesterstuk te zijn. Hettooneelpast uitnemend voor de zaak; dehandelingloopt geregeld af; deeenheidwordt nergens gestoord, zoodat ieder ten slotte ziet, dat des schrijversoogmerkis bereikt: 1. de ondergeschikte bedoeling, om doorSocrates voorbeeld te bewijzen, dat de brave man altijd regtvaardig is en gehoorzaam aan de wet; en 2. de hoofdbedoeling, Socrates te verdedigen tegen de beschuldiging, dat hij de jeugd zou bederven. En beide heeft hij zoo innig verbonden, dat ze niet van elkander te scheiden zijn, en zonder dat de eenheid in ’t minste wordt benadeeld.—Dekarakterszijn meesterlijk geteekend: Crito’s edele vriendschap roert evenzeer den lezer als de standvastige deugd van Socrates en zijn vrome eerbied voor ’s lands wetten. Beide spreken en handelen zoo, dat èn de weigering van Socrates, èn ’t verlangen van Crito u even edel schijnen. Destijlis noch gezwollen, noch te alledaagsch, en zoo duidelijk, dat de dialoog voor ieder verstaanbaar is, en daardoor beantwoordt aan Plato’s doel, om door het grootere publiek begrepen te worden, en zoo zijn’ onvergetelijken leermeester te regtvaardigen.
[1]Volgens Diogenes van Laerte, redde hij hier ook Xenophon, die van het paard gevallen was. Zie voor het overige over de veldtogten, door Socrates bijgewoond, Casaubonus ad Athenaeum, lib. V, 215 sq.
[1]Volgens Diogenes van Laerte, redde hij hier ook Xenophon, die van het paard gevallen was. Zie voor het overige over de veldtogten, door Socrates bijgewoond, Casaubonus ad Athenaeum, lib. V, 215 sq.
[2]Veel beter, dan wij dat vermogen, is Socrates leerwijze geschilderd door Prof. P. Hofstede de Groot, in het Tijdschrift: „Waarheid in Liefde,” Jan. 1845, No. 1. Naar dat voortreffelijk stuk meenen wij den lezer ook te moeten verwijzen aangaande Socrates onvergetelijk sterven.
[2]Veel beter, dan wij dat vermogen, is Socrates leerwijze geschilderd door Prof. P. Hofstede de Groot, in het Tijdschrift: „Waarheid in Liefde,” Jan. 1845, No. 1. Naar dat voortreffelijk stuk meenen wij den lezer ook te moeten verwijzen aangaande Socrates onvergetelijk sterven.
[3]Woorden van Prof. de Groot in bovenaangehaalde Verhandeling.
[3]Woorden van Prof. de Groot in bovenaangehaalde Verhandeling.