Naberigt.

Naberigt.Men vindt in de beschrijving van JELDERTJANZENGROOT, die op den 10 April 1777 vanAmsterdamnaarGroenlandgevaren is, en ten zelfden tijd met Kommandeur HIDDEDIRKSKATzijn schip tusschenStatenhoekenIJslandverloren heeft (welke beschrijving hij, na zijne terugkomst van deStraat Davids, in het licht heeft gegeven) schier dezelfde berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne bijzondere ontmoetingen had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het verblijf op het ijs en aan den wal. Gemelde J.J. GROOTteekent mede aan, dat de wilde mannen zeer ervaren zijninen voorkennis hebbenvanden aan- en afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen zoo verre ging, dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon maken. Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij ’s morgens niet uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben, verrigtende zij des avonds bij hunne t’huiskomst wederom hetzelfde. Wij bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en zelfs aanStatenhoekwonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en de gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene godsdienst-kennis; maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een weinigje veel meer inruilen, dan bij de gedoopte, zoo dat het Christen-worden dier menschen geene mededeelzaamheid heeft aangebragt. Dit verschil was in het oog loopende.BERIGT AAN DENZEEMAN.De kust vanGale Hamkes10 a 12 mijlen van land vertoont zich bergachtig en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen land meer en niets dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men ziet dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18 mijlen. Van gelijken aard vond ik naderhand het land op eene N. Breedte van 62 gr. 30 minuten in deStraat DavidsbenoordenKaap Vaarwel.Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer. De stroom loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel sterker dan gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten woei en met den stroom in dezelfde lijn liep.De reden, waarom het eeneIJsveldveel sneller drijft dan het ander, is deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde deIJsbergensomtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen vastraken, worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de vastgeraakte ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar gelang van den stroom.In deStraat Davids, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij, tusschenJuliaans HoopenFrederiks HoopeeneIJsvalleivoorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in. Aan deze groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in de lucht. Deze hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet, zijn een zeer goed kenmerk van den weg, dien men in destraatheeft afgelegd. Men ziet diezelfde vallei desgelijks ten Oosten vanStatenhoek, vermits die opening, waarin de vallei ligt, het land doorsnijdt, zijnde eene rivier die, naar uitwijzing van de Kaart, van het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is het voorkomen der ijsbergen tusschenJan Maaijen EilandenIJslandop 68 gr. 30 minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op mijne vraag, hoe ver zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naarSpitsbergenuitstrekken, verstond ik van den Koopman ANDRIESOELZEN, dat dezelve zich zoo verre uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof.KORT UITTREKSELUit het kort doch echt verhaal van Kommandeur MARTENJANZEN[1]wegens het verongelukken van zijn schip, genaamdHet witte Paarden van nog negen andere schepen door de bezetting van het West-ijs inGroenlandten jare 1777.—LeeuwardenbijTresling1778.[1]Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag gemaakt.De Uitg.(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur HIDDEDIRKSKATaan zijne huisvrouwe, geschreven uitStraat Davids. Daar deze echter onderscheidene in hetDagboek zelvevoorkomende bijzonderheden bevat, heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven hier mede te deelen. Het navolgendekort Uittrekseldient tot nadere bevestiging van het door ons medegedeelde Dagboek van den Kommandeur HIDDEDIRKSKAT.“Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur KASTRIKOMvan achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij moesten toen vijf pompen aan den gang houden, en zetten devictualieen ’s volks goed op eene schots. In den avond verloor Kommandeur GROOTzijn schip, waarvan wij ter naauwernood devictualieborgen. Den 8sten stopten wij het lek van ons schip, waardoor wij lens kregen en het met ééne pomp gaande konden houden. Toen namen wij devictualieweder in en het volk werd op de twee nog overig zijnde schepen verdeeld. Het schip van Kommandeur BROERTJESwas nog digt. Den 9 September kregen wij een weinig ruimte, doch hadden zware deining en eene hooge zee, waardoor wij van elkander raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en ontramponeerd. Het zag er toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf schepen bemand, en nog eenig volk van het schip van Kommandeur KLAASKUIKEN, dat al vroeg gebleven was, met zich voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65 gr. N. Breedte en dreven nog al hard Westwaarts op, alle dagen het land in het gezigt hebbende. Nu begon ons de moed te ontvallen. Wij konden daags slechts tweemaal een klein rantsoen schaffen, en dagelijks vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen door dreven. Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af, onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem behagen ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September vermeerderden onze smarten, doordien Kommandeur BROERTJESook zijn schip verloor. Hij kwam met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden, den 1 October bij ons aan boord. Zij hadden van hunnevictualieniets kunnen bergen, doordien het ijs aan losse schotsen lag.“Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinigvictualiehebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht) schepen. Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord HANSCHRISTIAANSZ. vanHamburgmet vijftig mannen, die hun schip op den 30 September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons, dat er nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur HIDDEDIRKSKATen HANSPIETERSvanHamburg. Doch die waren uit hun gezigt geraakt. Een harponier van HANSCHRISTIAANSZ. was met dertien mannen aan den buitenkant van het ijs bij het wrak gebleven, met voornemen omIJslandop te zoeken. Wij waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard om de Zuid-west bij het land langs. Met 286 zielen, welke zich thans bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags niets meer dan ieder tien lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den honger te stillen, het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat en de Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen van land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste land niet krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen vonden. Dit was op 63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons schip kraakte gedurig door het kruijen van het ijs. Doch dit alles was slechts een begin van onze rampen, dewijl de dag van den 11 October ons lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij verloren toen ons laatste schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en verpletterd. Wij borgen ter naauwernood nog devictualieop eene schots ijs. Wij moesten van de eene schots op de andere springen om ons leven te behouden. Alle vervoegden wij ons op de schots, daar devictualieop stond. Onze toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op de schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij waren in gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij draaiden ons alle nog gelukkig voorbij.“Den 12 October dreven wij op de schots met een’ harden gang om de Zuid tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van redding en dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of door de schotsen weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door ijsbergen heen dreven. Den 13den dito des morgens lag het ijs weder digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen bij ons, maar konden er geen gebruik van maken. Wij besloten het ijs te verlaten en naar land te zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en hiermede gingen de Kommandeurs JELDERTJANSGROOT, HANSCHRISTIAANSZ. en ik (MARTENJANZEN) met nog veertig mannen over het ijs naar den wal. Wij kwamen toen op een eiland, waar wij den nacht blijven moesten. Een gedeelte van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige kwamen, bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten er eenige onder de schotsen.“Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen konden zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de inboorlingen aan land staan. Ik (MARTENJANZEN) die eenige woorden van hunne taal kan spreken, terwijl ik opStraat Davidsgevaren heb, smeekte hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en bragten ons aan land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde Spiering en gedroogd Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen groeide, te eten gaven. Er waren twee huizen, waarin wij geplaatst werden. Wij bevonden deze menschen van eene goede inborst. Tot den 17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder doornat te worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen van ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter zake terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met hunne schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een’ westen wind moesten hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte van onze plunje eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur GROOTmet vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind W.Z.W. Toen bragten de Wilden ons met twee schuiten naarStatenhoek, waar Kommandeur GROOTweder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen en werden wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de inboorlingen ons niet verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind uit den Noorden met harde vorst. Toen kwamen nog dertien mannen van ons volk bij ons met berigt, dat zij iets noordelijker, dan ter plaatse, waar wij geland waren, bij veel volk waren geweest, denkende zij, dat die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij drie Kommandeurs met eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook konden vinden—doch dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene schuit van de Wilden in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het goed weêr Toen gingen Kommandeur GROOT, ik en nog achtentwintig mannen met twee schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen aldaar. Des avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze Wilden weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder met twee loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des nachts in tenten of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen kwamen wij aan een huis, daar wij zes man van het volk van Kommandeur HIDDEDIRKSKATvonden, die opKaap Vaarwelaan land gekomen waren. Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur ALBERTJANS, in eene bogt lag en nog zeventien mannen bij zich had. Den 6den was het slecht weêr, en konden wij weinig eten krijgen. Den 7den gingen wij op reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en kregen wij gaten in onze schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te vernachten. De Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat te eten kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche KolonieJuliaans Hoop. Des Koopmans naam aldaar was ANDRIESOELZEN. Hier werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost onthaald. Ook gaven zij ons kleederen, om ons te verwarmen.”[Illustration]

Men vindt in de beschrijving van JELDERTJANZENGROOT, die op den 10 April 1777 vanAmsterdamnaarGroenlandgevaren is, en ten zelfden tijd met Kommandeur HIDDEDIRKSKATzijn schip tusschenStatenhoekenIJslandverloren heeft (welke beschrijving hij, na zijne terugkomst van deStraat Davids, in het licht heeft gegeven) schier dezelfde berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne bijzondere ontmoetingen had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het verblijf op het ijs en aan den wal. Gemelde J.J. GROOTteekent mede aan, dat de wilde mannen zeer ervaren zijninen voorkennis hebbenvanden aan- en afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen zoo verre ging, dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon maken. Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij ’s morgens niet uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben, verrigtende zij des avonds bij hunne t’huiskomst wederom hetzelfde. Wij bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en zelfs aanStatenhoekwonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en de gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene godsdienst-kennis; maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een weinigje veel meer inruilen, dan bij de gedoopte, zoo dat het Christen-worden dier menschen geene mededeelzaamheid heeft aangebragt. Dit verschil was in het oog loopende.

BERIGT AAN DENZEEMAN.

De kust vanGale Hamkes10 a 12 mijlen van land vertoont zich bergachtig en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen land meer en niets dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men ziet dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18 mijlen. Van gelijken aard vond ik naderhand het land op eene N. Breedte van 62 gr. 30 minuten in deStraat DavidsbenoordenKaap Vaarwel.

Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer. De stroom loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel sterker dan gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten woei en met den stroom in dezelfde lijn liep.

De reden, waarom het eeneIJsveldveel sneller drijft dan het ander, is deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde deIJsbergensomtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen vastraken, worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de vastgeraakte ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar gelang van den stroom.

In deStraat Davids, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij, tusschenJuliaans HoopenFrederiks HoopeeneIJsvalleivoorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in. Aan deze groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in de lucht. Deze hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet, zijn een zeer goed kenmerk van den weg, dien men in destraatheeft afgelegd. Men ziet diezelfde vallei desgelijks ten Oosten vanStatenhoek, vermits die opening, waarin de vallei ligt, het land doorsnijdt, zijnde eene rivier die, naar uitwijzing van de Kaart, van het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is het voorkomen der ijsbergen tusschenJan Maaijen EilandenIJslandop 68 gr. 30 minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op mijne vraag, hoe ver zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naarSpitsbergenuitstrekken, verstond ik van den Koopman ANDRIESOELZEN, dat dezelve zich zoo verre uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof.

KORT UITTREKSEL

Uit het kort doch echt verhaal van Kommandeur MARTENJANZEN[1]wegens het verongelukken van zijn schip, genaamdHet witte Paarden van nog negen andere schepen door de bezetting van het West-ijs inGroenlandten jare 1777.—LeeuwardenbijTresling1778.

[1]Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag gemaakt.De Uitg.

(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur HIDDEDIRKSKATaan zijne huisvrouwe, geschreven uitStraat Davids. Daar deze echter onderscheidene in hetDagboek zelvevoorkomende bijzonderheden bevat, heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven hier mede te deelen. Het navolgendekort Uittrekseldient tot nadere bevestiging van het door ons medegedeelde Dagboek van den Kommandeur HIDDEDIRKSKAT.

“Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur KASTRIKOMvan achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij moesten toen vijf pompen aan den gang houden, en zetten devictualieen ’s volks goed op eene schots. In den avond verloor Kommandeur GROOTzijn schip, waarvan wij ter naauwernood devictualieborgen. Den 8sten stopten wij het lek van ons schip, waardoor wij lens kregen en het met ééne pomp gaande konden houden. Toen namen wij devictualieweder in en het volk werd op de twee nog overig zijnde schepen verdeeld. Het schip van Kommandeur BROERTJESwas nog digt. Den 9 September kregen wij een weinig ruimte, doch hadden zware deining en eene hooge zee, waardoor wij van elkander raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en ontramponeerd. Het zag er toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf schepen bemand, en nog eenig volk van het schip van Kommandeur KLAASKUIKEN, dat al vroeg gebleven was, met zich voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65 gr. N. Breedte en dreven nog al hard Westwaarts op, alle dagen het land in het gezigt hebbende. Nu begon ons de moed te ontvallen. Wij konden daags slechts tweemaal een klein rantsoen schaffen, en dagelijks vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen door dreven. Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af, onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem behagen ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September vermeerderden onze smarten, doordien Kommandeur BROERTJESook zijn schip verloor. Hij kwam met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden, den 1 October bij ons aan boord. Zij hadden van hunnevictualieniets kunnen bergen, doordien het ijs aan losse schotsen lag.

“Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinigvictualiehebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht) schepen. Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord HANSCHRISTIAANSZ. vanHamburgmet vijftig mannen, die hun schip op den 30 September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons, dat er nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur HIDDEDIRKSKATen HANSPIETERSvanHamburg. Doch die waren uit hun gezigt geraakt. Een harponier van HANSCHRISTIAANSZ. was met dertien mannen aan den buitenkant van het ijs bij het wrak gebleven, met voornemen omIJslandop te zoeken. Wij waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard om de Zuid-west bij het land langs. Met 286 zielen, welke zich thans bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags niets meer dan ieder tien lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den honger te stillen, het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat en de Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen van land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste land niet krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen vonden. Dit was op 63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons schip kraakte gedurig door het kruijen van het ijs. Doch dit alles was slechts een begin van onze rampen, dewijl de dag van den 11 October ons lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij verloren toen ons laatste schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en verpletterd. Wij borgen ter naauwernood nog devictualieop eene schots ijs. Wij moesten van de eene schots op de andere springen om ons leven te behouden. Alle vervoegden wij ons op de schots, daar devictualieop stond. Onze toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op de schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij waren in gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij draaiden ons alle nog gelukkig voorbij.

“Den 12 October dreven wij op de schots met een’ harden gang om de Zuid tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van redding en dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of door de schotsen weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door ijsbergen heen dreven. Den 13den dito des morgens lag het ijs weder digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen bij ons, maar konden er geen gebruik van maken. Wij besloten het ijs te verlaten en naar land te zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en hiermede gingen de Kommandeurs JELDERTJANSGROOT, HANSCHRISTIAANSZ. en ik (MARTENJANZEN) met nog veertig mannen over het ijs naar den wal. Wij kwamen toen op een eiland, waar wij den nacht blijven moesten. Een gedeelte van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige kwamen, bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten er eenige onder de schotsen.

“Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen konden zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de inboorlingen aan land staan. Ik (MARTENJANZEN) die eenige woorden van hunne taal kan spreken, terwijl ik opStraat Davidsgevaren heb, smeekte hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en bragten ons aan land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde Spiering en gedroogd Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen groeide, te eten gaven. Er waren twee huizen, waarin wij geplaatst werden. Wij bevonden deze menschen van eene goede inborst. Tot den 17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder doornat te worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen van ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter zake terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met hunne schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een’ westen wind moesten hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte van onze plunje eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur GROOTmet vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind W.Z.W. Toen bragten de Wilden ons met twee schuiten naarStatenhoek, waar Kommandeur GROOTweder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen en werden wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de inboorlingen ons niet verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind uit den Noorden met harde vorst. Toen kwamen nog dertien mannen van ons volk bij ons met berigt, dat zij iets noordelijker, dan ter plaatse, waar wij geland waren, bij veel volk waren geweest, denkende zij, dat die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij drie Kommandeurs met eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook konden vinden—doch dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene schuit van de Wilden in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het goed weêr Toen gingen Kommandeur GROOT, ik en nog achtentwintig mannen met twee schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen aldaar. Des avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze Wilden weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder met twee loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des nachts in tenten of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen kwamen wij aan een huis, daar wij zes man van het volk van Kommandeur HIDDEDIRKSKATvonden, die opKaap Vaarwelaan land gekomen waren. Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur ALBERTJANS, in eene bogt lag en nog zeventien mannen bij zich had. Den 6den was het slecht weêr, en konden wij weinig eten krijgen. Den 7den gingen wij op reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en kregen wij gaten in onze schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te vernachten. De Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat te eten kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche KolonieJuliaans Hoop. Des Koopmans naam aldaar was ANDRIESOELZEN. Hier werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost onthaald. Ook gaven zij ons kleederen, om ons te verwarmen.”

[Illustration]


Back to IndexNext