Voorberigt.

Voorberigt.De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat hij den Heer Kommandeur HIDDEDIRKSKAT, thans een zeventigjarig grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen levens op het eilandAmelandslijt, verlof vroeg, om het door den druk gemeen te mogen maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik zijn Ed. te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men zich ook verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo te wijzigen, dat het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde zou het, mijns inziens, ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Alswaarachtig verhaalverdient het niet alleen, om de hoogst merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, welke daarin voorkomen, de aandacht van leergierigeoudenenjongen, maar heeft het, na de lezing, de eigenaardige kracht, dat het niet, gelijk zoovele andere uit het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in het rijk der wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar alsgeschiedverhaal van daadzakenvoortduurt en lessen en wenken bevat, die zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met name ons Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen, waaruit weleer zoo aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen opdroogen, maar zich, op het voetspoor van onvermoeid werkzame en stoutmoedige voorgangers, geene geringe schatting te doen betalen van de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. Geschiedverhalen van dezen stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij oud of jong (want op dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote overeenkomst) iets bijzonder aantrekkelijks. Hetavontuurlijke, weet men, valt in veler smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen lezen—en tevens dingen leeren, die in het rijk derwezenlijkheidt’huis behooren, waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij zullen kunnen trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme hoekje van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten vanGroenland,Straat DavidsenSpitsbergenwillen verwisselen, als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, ditDagboekbehelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en daarmede gepaard gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van hetgeen tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen zaken in voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van nationale nijverheid opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren, redmiddelen en uitkomsten in beschreven, die hem, die deze wateren eens wil bevaren, grootelijks te stade kunnen komen; er heerscht, om mij zoo eens uittedrukken, eenouderwetschegeest van mannelijke kloekmoedigheid, onvermurwde standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht en geheel opregt en eenvoudig vertrouwen op God en zijnen alvermogenden bijstand in, die der jeugd en ook elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg voor oogen gesteld of te diep in het hart geprent kunnen worden, vermits deze loopbaan zich door ontelbare moeijelijkheden en gevaren henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met het driedubbel erts van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder de oogen kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een Leesboek in handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot deze belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God hem in het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe weinig dit vak van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke Letteroefeningen behoort), aangezien hij zijn vaderland te lief heeft, om niet met de grootste bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen steen aan het gebouw van deszelfs herlevenden welstand in dit vak vanindustriete leggen. Om het oorspronkelijke niet te verminken, is er hier en daar slechts een weinigje aan den stijl gevijld en de spelling naar de thans gewettigde gewijzigd. Gemakkelijk had de uitgever het in eenendramatischenvorm kunnen gieten; doch dit had niet dan ten koste der eenvoudige waarheid kunnen geschieden, welke het blanketsel der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig gewaad, zoo als de brave Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest behaagt.Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke wensch van den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die zich met de uitgave belastte.M. M.1817.

De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat hij den Heer Kommandeur HIDDEDIRKSKAT, thans een zeventigjarig grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen levens op het eilandAmelandslijt, verlof vroeg, om het door den druk gemeen te mogen maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik zijn Ed. te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men zich ook verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo te wijzigen, dat het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde zou het, mijns inziens, ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Alswaarachtig verhaalverdient het niet alleen, om de hoogst merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, welke daarin voorkomen, de aandacht van leergierigeoudenenjongen, maar heeft het, na de lezing, de eigenaardige kracht, dat het niet, gelijk zoovele andere uit het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in het rijk der wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar alsgeschiedverhaal van daadzakenvoortduurt en lessen en wenken bevat, die zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met name ons Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen, waaruit weleer zoo aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen opdroogen, maar zich, op het voetspoor van onvermoeid werkzame en stoutmoedige voorgangers, geene geringe schatting te doen betalen van de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. Geschiedverhalen van dezen stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij oud of jong (want op dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote overeenkomst) iets bijzonder aantrekkelijks. Hetavontuurlijke, weet men, valt in veler smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen lezen—en tevens dingen leeren, die in het rijk derwezenlijkheidt’huis behooren, waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij zullen kunnen trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme hoekje van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten vanGroenland,Straat DavidsenSpitsbergenwillen verwisselen, als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, ditDagboekbehelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en daarmede gepaard gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van hetgeen tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen zaken in voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van nationale nijverheid opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren, redmiddelen en uitkomsten in beschreven, die hem, die deze wateren eens wil bevaren, grootelijks te stade kunnen komen; er heerscht, om mij zoo eens uittedrukken, eenouderwetschegeest van mannelijke kloekmoedigheid, onvermurwde standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht en geheel opregt en eenvoudig vertrouwen op God en zijnen alvermogenden bijstand in, die der jeugd en ook elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg voor oogen gesteld of te diep in het hart geprent kunnen worden, vermits deze loopbaan zich door ontelbare moeijelijkheden en gevaren henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met het driedubbel erts van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder de oogen kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een Leesboek in handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot deze belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God hem in het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe weinig dit vak van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke Letteroefeningen behoort), aangezien hij zijn vaderland te lief heeft, om niet met de grootste bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen steen aan het gebouw van deszelfs herlevenden welstand in dit vak vanindustriete leggen. Om het oorspronkelijke niet te verminken, is er hier en daar slechts een weinigje aan den stijl gevijld en de spelling naar de thans gewettigde gewijzigd. Gemakkelijk had de uitgever het in eenendramatischenvorm kunnen gieten; doch dit had niet dan ten koste der eenvoudige waarheid kunnen geschieden, welke het blanketsel der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig gewaad, zoo als de brave Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest behaagt.

Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke wensch van den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die zich met de uitgave belastte.

M. M.

1817.


Back to IndexNext