Chapter 5

—Ge zijt mij de schoonste boerendochter van de wereld! en 'k kom u vragen of ge wilt komen boerinne zijn op den Hoogen Doorn?

Ze waren er zoo alleen, zoo stil in het keukenhuis en zoo vrij; eer hij 't goed wist was hij zoo dichte genaderd en zijn arm duwde 't meisje om de leden en hij trok haar hoofd tegen zijnen schouder.

—'t Is de eerste keer van mijn leven dat ik een meisje in de armen krijge, vezelde hij,—dat was zoo gemeend en zoo openhertig en waar gezegd, dat de dochter, die zich eerst wilde losworstelen, nu gerust bleef en hem verwonderd aanstaarde, zonder verweer of poging te doen om los te geraken.

—En g'en gaat bij alle duivels uit mijne handen niet eer ge mij belooft....

Zijne armen praamden en zijne oogen dwongen om antwoord. Hij zag alleen heur hoogblozend gelaat en heur oogen die nere doken om niet te moeten ja zeggen. Dan draaide zij het hoofd weg en achter het venster zagen zij Anna die naar de deure toekwam. Met een blik van overeenkomst lieten zij malkander los en stonden kalm en lachend te midden den vloer.

—z'En krijgen niet gedaan met de peerden! merkte Anna.

—Laat hen maar doen, we zijn hier goed met ons drieën, merkte de kerel. Nu begonnen ze ongedwongen te kouten over de vele bezoekers op 't Meulenhof en Odo zocht hen beiden evenzeer te plagen en te doen lachen. Hij was zelve voldaan over zijne geestigheden en omdat alles best naar zijnen zin uitviel. Door de vallende deemstering zag hij niets dan de twee lachende wezens aanhoudend naar hem toe gekeerd en als Vinie met Verkamer binnenkwam, wist Odo zichzelf niet te zeggen: welke van de twee dochters hij eigenlijk gevrijd had.

Binst het avondeten duurde de gulle leute voort en ze bleven in druk gesprek ondereen. Vinie zag wel dat 't onnoodig was nog van peerdenkoop of van veulens te gewagen en hij vroeg met een oogknipje: of de zaken klaar waren? dat 't tijd was naar huis te rijden.

—Ja, kerel, we gaan uitzetten, anders wordt het laat.

In den stal kreeg hij den boer alleen en trok hem bij de mouw en vroeg onbeschroomd:

—Zeg, Verkamer, g'en zult uwe dochters niet uitleveren zonder mij 't eerste woord te geven?

—Voor u, lijk voor een ander, loech de boer, de meissens loopen daar vrij, kunt gij ze krijgen ge neemt ze meê!

—Goed, 'k kome u kortelings nieuws brengen.

Odo haalde zijnen hengst buiten en met lichten zwaai zat hij scherrelings ten dorse.

—Moet ik ze allebei beschikbaar houden? vroeg Verkamer nog, opzettelijk luide om door die dubbelzinnigheid den veekoopman te misleiden.

—Allebei! gebood hij met een krachtigen hoofdknik en de kerel sloeg de sporen in 't peerd zijne lanken en deed het in vervaarlijken drift opwaards schieten; wippend neer sloegen de achterhoeven en weer omhoog klauwend in wreede smete. Odo wiegde meê in heusche zwenking als op een gemakkelijke wippe en hij loech naar den boer.

—Kom, Vinie, we zijn weg, en houdend dat de teugels kraakten om zijn peerd te bedwingen, wierp hij een handgroet naar de dochters die nevenseen onder malkaars armen, 't spel van den schoonen ruiter stonden na te zien. Hij merkte hoe ze hem beiden met 't zelfde inzicht om ter vriendelijkst den groet weerjeunden. Vinie praatte zijne bewondering uit over Verkamers peerden, maar Odo liet hem gaan, zijne gedachten bleven in de boerenkeuken, en hij loech inwendig, nu 'teen gedane zake was: daar André en al de boeren -en burgemeesterszonen van heel de wereld, buiten spel gezet waren en hij zelf, op een halven dag tijd, meester en baas bleef en de twee prachtdeernen gewonnen had. Hij was tevreden over zijn optreden en vond dat hij kort maar goed spel had gespeeld. Zijne eigene woorden was hij aan 't overleggen en al de genoeglijkheid van den avond en zijne oogen waren in de verte gericht daar de mane als een versleten ding aan 't varen was in 't reine wintergeluchte. De weg was onbedacht ingekort zoodat ze al door 't bosselken reden waar de wind tusschen de ronkruttelende boomkes joeg en kwam bijten tegen 't wezen van de ruiters. En zij wiebelden voort op den rug van hun slapdravende peerden. Dan, meteen stronkelde Vinie's schimmel en viel met korten slag, den kop stuikend op den grond en Vinie wat verder. En ter zelfder tijd voelde Odo in 't verschot twee sterke handen die zijn been grepen zoodat hij bijna uit den zadel keerde. Onderwijl zag hij eenen kerel Vinie bespringen—maar daarbinst was hij 't verschot te boven en hij gaf zijn eigenen aanvaller een striemenden slag met de rijzweep in 't gezicht en zonder overleg, sloegen zijne hielen de sporen in 't peerd dat wipte in grooten sprong vooruit en los uit de handen der aanvallers. Daar hoorde hij Vinie kermen onder 't geweld van de slagen die hij kreeg. De razernije welde toen in Odo op en hij kwam nueerst tot bezinning van 't geen er gebeurende was.

—'t Zijn jaloerschaards! jongens van 't dorp, die ons willen kwaad uitgeleid doen!

In één wrong keerde hij zijn peerd, hij riep een duchtigen "Ho!" en was al beneden. Hij greep en tastte en sloeg naar de zwarte mannen en zonder zijn peerd los te laten, sleurde en gooide hij blindelings met de ééne vrije hand, dat 't al scheurde en kraakte waar hij aankwam. In de hitte van 't gevecht voelde hij iets schribbelen in den hals, maar gaf er in de hitsige drift geen acht op en door de vliemende pijne stampte en sloeg hij al woedender. z'Hadden hem ruggelings besprongen en nu hij zich omsnapte om met slaande hand zijn kerel te betalen, waren ze al weg en zijn razende gramschap moest hij uitvechten in de ijdele lucht. Vinie kwam recht nevens zijn peerdeken dat hij ophielp.

—Ze zijn ontsnapt! riep Odo, ze zijn weg, verdoeme! en zijne gramte wierp hij nu op Vinie omdat de aanranders er zoo goed van af waren.

—Waarom liet ge u slaan, laffe kerel?! Ge ligt daar op den grond als een weerloos kalf en gij laat ze booten op uwen rug!

Vinie raasde binnensmonds en hield de handen aan de vermorzelde leden.

—Smerig boerenvolk! schold hij, met al hun vrouwengetrek, dat ze nog wisten wien ze vermoorden! hadt gij er maar wat meer van gekregen! Wat heb ik daarin te zien?

Odo stond te lachen met den armen kerel en toen eerst voelde hij die vochtigheid en warmte in den hals en de hand waarmede hij tastte zag hij klaar bloed. Hij grolde zijne woede uit en zijne onmacht.

—'k Ben gesteken! Als ik maar wist wie 't gedaan heeft! Maar weten zal ik en de snotbek zal het bekoopen! Van den avond nog moeten ze 't boeten, van den avond!

Hij tierde zijne woorden luide uit in de lucht en hij stampte op den grond en snokte nijdig zijn peerd dat achteruit trappelde.

—Van den avond moet ik weten wie mij gesteken heeft. We zullen zien wie er den boer van den Hoogen Doorn durft te keere gaan!

Hij vloekte, raasde en miek groot misbaar met de armen en snokte zijn ongedurigen hengst.

Maar al dat gerucht bleef tusschen de boomkes weergalmen. De mane hing daar wreed en onverschillig en de droge takken ruttelden bij trekken als er de wind deure joeg. De sneeuwmijzel viel uit de kruinen.

Dat bleef lijden zonder dat er ievers entwat levends verroerde en eindelijk zagen zij alle twee dat hier niets te verrichten viel. Odo bond den zakdoek rond zijnen hals en hielp Vinie op zijn peerdeken. Ze vonden dan de koorde waarover zij gestruikeld hadden en ze besloten voorzichtig te rijden.

—We zullen ze pakken als we ze krijgen! gromde Vinie en hij hield 't ander binnensmonds,woedend dat hij was om de slagen op zijn lijf en dat hij betrokken werd in die domme historie waaraan hij geen schuld en had.

—Die ezels, ze nemen mij nu nog voor een jongen vrijer! riep hij om zijn spijt te luchten, doch inwendig blij aan 't gevaar ontsnapt te zijn.

Maar Odo was niet te bedaren.

—Ik zal ze vinden, de rakkers! en hij neep de vuisten en zocht rond achter de bane om iets te ontwaren waarop hij zijn gramte kon uitwerken. Op 't dorp gingen ze al de herbergen af; ze dronken hun bier met haaste uit en bekeken er de menschen die bij tafel of aan den disch zaten.

—En nu naar "den Hert" meende Odo, daar gaan we ons verschot afspoelen. Zij sprongen af, en:

—Baas, bind ons peerden in de poorte en geef ons bier, beval hij kort. Een bende boerenzoons waren aan 't kegelspel en André Van Marcke zat, volgens gewoonte, in zijne eenigheid te rooken, met den elleboog geleund op 't roedeijzer van de stoof.

Ze bekeken benieuwd Vinie die mankte en Odo Verschaeve, purper in 't wezen, met schuim tusschen de lippen en al bloed aan den hals die verbonden was.

Hij dronk zijn glas in één teug ledig en sloeg het te bersten tegen den disch. Noch niemand had een woord gesproken, maar de spelers keken toe, om te weten wat er gebeurd was. Toen zag Odo naar den hoek waar André zat en op denzelfden stond sprong het los in hem als eene uitzinnige woede: hij sloeg met de vuist op tafel dat deglazen rinkelden en 't dreunde met zijn felste stem:

—Ezels zijt ge allemaal, vervaarde strooventen, zeekers van ver! ze slaan ons dood langs den weg; maar we zullen zien wie er den boer van den Doorn durft aanpakken! Wie er zal piepen? Wie heeft er met mij te doen? met messen of zonder? Hij wond zijne woede op omdat zijne woorden geen weerklank en vonden en de omstanders hem met vervaarde gezichten aanstaarden, verpaft door dien plotsen uitval. Hij gooide den baas, die hem wilde inhouden, tenden over den vloer en dat werd 't begin van den aanval.

—En gij, trunterik, durft gij nu nog den mond roeren van 't Meulenhof? ik verpletter u!

Hij sprong met gelokene vuisten naar André. Op dien eigensten stond wist hij zijn doen uitzinnig; hij zocht naar tegenstand om zijne woede eene reden te geven, maar 't bleef allemaal stil en zijne woorden kregen een valschen klank door de herberg—maar omdat 't spel begonnen was wilde hij voortdoen en dien kerel daar haatte hij en nu liever dan later, moest er een gevecht van komen.

—Mijn meissens zijn 't! de mijne, en allebei, en steekt er de handen aan, durft ge!

André zat bleek van 't verschot en nu nog maar seffens, raadde hij waarop zijn dronken makker doelde, zonder alevenwel te weten wat er gebeurd was. Hij wilde Odo sussen, trachtte hem te overhalen om samen naar huis te gaan. Maar de andere brieschte al luider:

—De mijne alle twee! Zijne vuisten dreigden en hij greep naar al wat onder zijne handen kwam. Hij wilde woorden vinden die kwetsten en tergen zouden, om alzoo eenen kamper te vinden die zich tegen hem stellen zou.

—En uwe zuster, schreeuwde hij André in 't wezen, uwe zuster, ik lache met uwe zuster, bindt ze bij 't werkvolk om te....

André's gelokene vuist zwaaide kort en viel den lasteraar in 't wezen, zoodat de leelijkheid die hij ging uitbraken hem in de kele bleef. Daarop ontstond eene schorming van armen en lijven; al de boeren schoten toe, maar in één wenk lag Odo overmand ten gronde en met drie, vier sleepten zij den dronken ruziemaker naar buiten. De deur sloot hem op straat en daar zag hij de dorpelingen die te luisteren en te kijken stonden. Hij werd beschaamd en voelde zich tegenover de nieuwsgierigen weer de deftige, hooghartige boer. Statig ontbond hij zijn peerd en reed weg. Al wat er woelde hield hij gesloten van binnen, hij verbeet zijne gramschap tusschen de krakende tanden. Bij zichzelf was en bleef hij de sterke overwinnaar die gedurfd had. Ze beefden allen rond hem en niemand durfde komen zijne macht meten. Nog één ding nu moest er van zijn herte en daar wilde hij vanavond ook mee effen komen, dan was alles klaar en in orde: thuis ging hij bekend maken wat hij in den zin had!

Hij gaf zijn peerd aan Jan en kwam haastignaar de keuken waar het licht nog gloeide achter de gordijnen door de vensters.

—Waar is moeder? vroeg hij.

—Naar bedde, Odo. Wat scheelt er? en Julie bekeek heur broer verschrikt van zijn kwade oogen en opgewondene beweging. Wat scheelt er? moet gij moeder hebben?

—Neen, 'k zal 't haar morgen zeggen.

Hij dook de wonde en 't bloed onder zijn overgeslagenen vestekraag en trok, zonder zijne leerzen uit de trekken, naar boven.

De woede viel allengs en de trotsche tevredenheid was alles wat er over bleef van 't geen gebeurd was. En als dat stormig tooneel weer voor zijn gedacht gedanst kwam, stond de geweldige koppigheid vast om 't voorgenomene des te zekerder uit te voeren. Hoe meer moeilijkheden hoe liever. De twee prachtige meissens waren nu wat op den achtergrond, als onverschillige bijzaak—meissens lijk veel andere die hem onverschillig waren, maar 't voorwendsel en de oorzaak bleven zij van 't losgekomen geweld dat in hem veel te lange geslapen had. Zijn eendlijk lijf en zijne macht wilde hij lucht geven en iets doen dat verboden was: een buitensporigheid, waarmede hij zich uitgeven zou als de zoon van zijn vader, boer op den Hoogen Doorn! Zijn eigene dwaasheid wilde hij niet inzien: hij wilde enkel die dwaasheid! Tegen de pijne van moeder en heur gejank moest hij op voorbaat harden,want daar moest hij over heen. Niets en kende hij nog van den vriendelijken omgang met zijnen makker en de minninge met diens zuster, dat moest allemaal kapot. Hij stond alleen, sterk in zijn voornemen en door 't donkere van zijn kamer, herkende hij zichzelf in den ouden boer, vader Verschaeve en deze knikte met straffen hals en de lippen gesloten, goedkeurend om 't geen zijn zoon doende was.

Hij lag lange wakker nog en hij zag beeldelijk over de werf d'eene of d'andere deerne van 't Meulenhof als boerinne op den Hoogen Doorn rondloopen, terwijl hij zelf de plannen miek voor den bouw en bevelen gaf aan veel werkvolk—bezig aan 't optrekken van een nieuwen stal, eene groote schaapskooi, en een splinternieuw woonhuis. Want al het geld lag te grijpen en hij wilde van den Hoogen Doorn iets maken wat het voortijds eens was: een overgroot kasteel, omsloten door wallen, met kudden hoornvee en peerden ontelbaar, en hij de eenige meester daarover, de sterkste boer van de streek, met de schoonste vrouw van 't land en veel volk onder zijn gebied en veel boeren die hij haten en teisteren zou.

Hij voelde en voorzag reeds al de deugd, als zijn voornemen zou stooten tegen pastor en burgemeester, als de oorlog zou beginnen.

Dan vroeg hij zichzelf: wat die twee boerendochters, Anna en Paula van hem zouden denken, eens dat ze aan elkaar zouden vertellen 't geen hij hunhad wijs gemaakt!? Verder overlegde hij: hoe het aan te leggen om hen alle twee te nemen, of tenminste te beletten dat de tweede in iemands bezit kwam.

Moeder Verschaeve wist maar 's anderen daags dat de vrede tusschen den Hoogen Doorn en Berkenhof, de verzoening die ze van Verschaeve met Vermeulen op hun sterfbedde bekomen had, dat 't werk van heel heur leven, vernietigd was. De oude haat bleek eene noodzaak die, met zooveel zorg gedempt, na zooveel jaren onvoorziens weer uitschoot en sterker dan ooit, voorgoed zoo herbeginnen.


Back to IndexNext