Een-en-twintigste Zang.

Een-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.De beide Dichters zien in den vijfden Buidel de omkoopbare staatslieden, en ontmoeten een drom duivels, die hen eerst tegenhouden doch na onderhandeling geleide geven.1Aldus gingen wij van brug tot brug, nog andere dingen bepratend welke mijn blij-eindend Dicht niet mee te deelen acht, en wij bereikten den top, wanneer4wij stilstonden om de volgende kloof te zien van de Buidelen des Kwaads, en de volgende ijdele klachten; en ik zag die kloof verwonderlijk donker.7Gelijk in het Arsenaal der Venetianers des winters het kleverig pek ziedt om hunne kranke houten te heelen10die niet kunnen zeehouden, en te zelfder tijd bewerkt deze zijn nieuw hout en gene kalefatert de ribben van dat schip, dat meerdere reizen gemaakt heeft;13die hamert aan de voor- en gene aan de achtersteven; een ander weer maakt riemen en die weer draait kabels en gene stopt het kleine en het groote zeil;16zóó niet door vuur maar door goddelijke kunst kookte daar beneden een dik wak van pek, dat van alle zijden aan den klant bleef kleven.19Ik zag het pek, maar in het pek zag ik niets anders dan de bellen, welke het koken deed opstijgen en ik zag het pek gansch zich belgen en saamgeperst weer zinken.22Terwijl ik daar beneden met starren blik keek, sprak mijn gids: „Wacht u, wacht u,” en zoo sprekende trok hij mij tot zich van de plaats waar ik stond.25Toen draaide ik mij als de man, die te laat ziet, dat, wat hem voegt te ontvluchten en wien plotselinge schrik den moed beneemt,28zoodat hij om het zien het vertrekken niet uitstelt: en ik zag achter ons eenen zwarten duivel rennende over den rotsweg naderkomen.31Wee hoe woest was hij in het aangezicht en hoe bitter scheen hij mij in zijne gebaren met de vlerken gespreid en licht op zijne voeten.34Zijnen schouder, die spits en trotsch was, bezwaarde een zondaar met beide de heupen, en gene hield in den greep zijner vingeren de wreef van diens voeten.37Van onze brug riep hij: „Kwaad-klauwen, ziet hier een van de overheden vanSanta Zita: legt hem onder, daar ik wederkeer40naar dat land dat er wel mede voorzien is: elk man is daar rechtverdraaier behalveBonturo: van neen maakt men voor geld daar ja.”43Daar beneden smeet hij hem neer en hij gingweer heen over den harden rotsweg en nooit werd de bloedhond met zoo groote vaart losgelaten om den dief te achterhalen.46De zondaar dook onder en kwam tot een boog gebogen weer boven; maar de duivelen, die de brug tot beschutting hadden, schreeuwden: „Hier is ’t geen plaats voorde heilige buiging.49Hier zwemt men anders dan in denSerchio; daarom indien ge niet naar onze gaffels verlangt: kom dan niet boven op het pek.”52Voorts sloegen zij de tanden van meer dan honderd gaffels in hem en ze zeiden: „Ondergedompeld voegt het dat men hier danst, zoodat gij, als ge kunt, in geniep wat kunt weghalen.”55Niet anders laten de koks hunne dienaren het vleesch midden in den ketel met de haken onderdompelen opdat het niet boven drijve.58De goede meester: „Opdat niet blijke dat gij hier zijt,” zeide hij tot mij: „houdt u plat achter een rotsblok opdat gij eenige beschutting hebt.61En om eenige beleediging die mij wordt aangedaan, word daarom niet bang, daar mij deze dingen bekend zijn, omdat ik wel een andermaal bij zulk een ontmoeting was.”64Voorts schreed hij voort over het toppunt van de brug: en toen hij op den zesden oeverrand gekomen was, had hij wel noodig een rustig voorhoofd te hebben.67Met die woede en met die stormachtigheid waarmede de honden naar buiten loopen achter den armen man die om een aalmoes vraagt, plotseling, daar waar hij stil blijft staan,70zoo kwamen genen van onder de brug te voorschijn en richtten alle de gaffels tegen hem, maar hij riep: „Niemand van u zij gram.73Voordat uw vork mij grijpe, kome één van u naar voren, die mij hoore, en dan bezinne men zich of men mij zal prikken.”76Allen riepen: „Ga gij, Kwaad-staart!” waardoor een zich opmaakte, maar de anderen stonden stil; en hij kwam tot hem zeggende:„Wat baat het?”79„Gelooft gij, Kwaadstaart, mij hier gekomen te zien,” zeide mijn Meester: „tot nog ongedeerd door al uwe wapenen,82zonder goddelijken wil en de gunstige beschikking? laat mij gaan, daar men in den Hemel gewild heeft dat ik eenen anderen den woesten weg wijze.”85Toen was zijn trots dermate gevallen, dat hij zich den gaffel voor de voeten liet vallen, en tot de anderen zeide: „Nu worde hij niet gestoken.”88En mijn Gids zeide mij: „Gij, die daar gansch plat tusschen de rotsen van de brug zit, kom vreezeloos weer tot mij terug.”91Waarom ik mij opmaakte en snel tot hem kwam; en de duivelen kwamen allen naar voren zoodat ik vreesde dat zij zich niet aan het verdrag zouden houden.94En zoo zag ik eenmaal de krijgsknechten vreezen die onder verdrag uitCabronauitgingen, daar zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.97Ik drong mij met mijn gansche persoon tegen mijnen leidsman, en ik draaide mijne oogen niet naar den kant van hunne verschijning, die mij niet malsch leek.100Zij streken de gaffels en: „Wilt gij,” sprak de één snel tegen den ander: „dat ik hem op het kruis rake?” En zij antwoordden: „Ja, maak dat gij hem raakt.”103Maar die duivel, die zich met mijnen Gids had onderhouden, wendde zich snel om en zeide: „Houd op, houd op, Pluk-haar!”106Voorts zeide hij tot ons: „Langs dezen rots-weg zult gij niet verder kunnen voort gaan, daar de zesde boog tot op den bodem gansch vermorzeld ligt:109en indien toch het verder voortgaan u gevalt, gaat dan voort over dezen dam:dicht bij is een andere rotsrug, die u een overgang geeft.112Gisteren, vijf uren later dandit uur, hadden zich twaalfhonderd zes en zestig jaren vervuld, sedert hier de weg gebroken werd.115Ik zend daar henen dezen van de mijnen om te zien of iemand daareen luchtje schept: gaat met hen, want ze zullen niet kwaadaardig zijn.118Kom naar voren, Zeilstrijker en IJstrapper,” begost hij te zeggen: „en gij Hondsnoet: en laat Ruigbaard het vendel voeren.121Bes-luster kome achter hem, en Draken-muil, Everzwijn met de slag-tanden, en Bullebijter, en Schim-vlerk en Zotte Rood-mond.124Doorzoekt rondom de kokende pek-wakken; laat dezen ongedeerd zijn tot aan den volgenden rotsweg, die gansch ongebroken over de kuilen gaat.”127„Wee mij! Meester, wat is dat wat ik zie?” zeide ik: „zie, laat ons alleen en zonder geleide gaan, indien gij weet te gaan, want ik verlang dat geleide niet.130Indien gij zoo opmerkzaam zijt als gij pleegt, ziet gij niet dat zij de tanden knarsen en door de wenkbrauwen ons met pijn bedreigen?”133En hij tot mij: „Ik wil niet dat gij vreest. Laat ze maar tanden knarsen zooveel het henlust, want dat doen ze tegen de pijn-lijdende gekookten.”136En over den linker rotsweg zwenkten zij; maar eerst had ieder tot teeken de tong uitgestoken en de tanden laten zien aan hunnen aanvoerder.139En deze had van zijn aars een trompet gemaakt.Twee-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Onder het schrikwekkend geleide van een drom duivelen gaan de beide Dichters den vijfden Buidel verder langs en zij aanschouwen eene schermutseling tusschen Duivelen en Rechtsverdraaiers.1Menigmalen zag ik ruiters uit de leger-plaats opbreken, den storm beginnen, of hunne monstering doen, en menigmalen den terugtocht blazen:4ren-vendels zag ik door uw land, oAretijnen, en woud-patrouilles zag ik er loopen, spiegelgevechten houden bij drommen en bij tweeën,7dan eens met trompetten, dan metklokken, met trommelen en met vesting-signalen, en met in- en uitheemsche dingen,10maar nooit met zoo verscheiden blaas-tuig zag ik ruiters of voetknechten optrekken; noch schip op land- of hemelteeken manoeuvreeren.13Wij gingen met de tien duivels: wee om het woestgezelschap maar in de kerk verkeert men met heiligen en in de taveerne met gulzigaards.16Steeds maar was mijn aandacht gevestigd op het pek om den ganschen inhoud van het kokend vocht en al het volk dat daarin brandde, te zien.19Gelijk de dolfijnen, wanneer zij den zeeluiden met den boog van hun ruggegraat een teeken geven, dat zij er op bedacht moeten zijn om hun hulk te bergen;22zóó vertoonde, om zich de pijn te leenigen, soms een der zondaren den rug, en verborg dien weer in minder tijd dan het bliksemt.25En gelijk aan den sloot-kant de kikvorschen met den muil naar buiten staan, zoodat zij de pooten en het overige dikke verbergen;28zoo stonden aan alle kant de zondaren; maar toen Ruigbaard nader-kwam, trokken zij zich zóó terug onder de kook-bellen.31Ik zag, en nog gruwt mijn hart er van, éénen wachten zooals het wel gebeurt dat de ééne kikvorsch achterblijft terwijl de ander ver wegspringt.34En Bullebijter, die het meest tegenover hem was, sloeg hem met de bepekte haren aan zijn vork en trok hem naar boven, zoodat hij mij een visch-otter scheen.37Ik wist reeds van allen den naam, zoo goed had ik er op gelet, toen zij werden uitgekozen, en voorts als zij dan geroepen werden, merkte ik mij hoe.40„O Roodmond, maak dat gij hun de klauwen in den rug zet, zóó dat gij ze vilt,” zoo riepen te zamen alle de verdoemden.43En ik zeide: „Mijn Meester, maak, indien gijkunt zoodat gij wetet wie de rampzalige is, in de handen gevallen van zijne tegenstanders.46Mijn Gids klampte hem van ter zijde aan, vroeg hem van waar hij was en gene antwoordde: „Ik was geboortig uit het Rijk van Navarre.”49Mijn moeder stelde mij tot eenen knecht bij eenen heer, daar zij mij gewonnen had van eenen brasser, verderver van zich-zelven en van zijne goederen.52Voorts was ik lijfknecht van den goeden koning Tibaud: daar zette ik er mij toe om schelmerijen te bedrijven, waarvan ik nu rekenschap geef in dit heete.”55En Everzwijn, bij wien aan elken kant een slagtand uit den mond stak als bij een varken, deed hem gevoelen hoe de eene (tand) stak.58Tusschen kwade katten was de muis gekomen; maar Ruigbaard sloot hem in zijn armen en zeide: „Blijft gij lieden daar, terwijl ik hem aan de vork houd.”61En naar mijnen Meester wendde hij het gezicht en: „Vraag hem,” zeide hij: „zoo gij nog meer van hem verlangt te weten, voordat een ander hem stukscheurt.”64De Gids: „Dan spreek van de andere slechten: kent gij er eenen onder het pek die uit Italië is?” En hij: „Zoo even67ging ik weg van éénen, die daar uit die buurt was: mocht ik daar nog zoo goed geborgen met hem zijn, daar ik noch klauw noch gaffel vreesde.70En Bes-luster: „Te lankmoedig zijn wij geweest,” zeide hij; en hij greep zijn arm met zijn vork, zóó dat hij, rijtende, het eene lid er van weghaalde.73Ook Drakemuil wilde hem grijpen onder aan debeenen; waarom hun aanvoerder zich met kwaden blik omdraaide.76Toen zij een weinig tot bedaren waren gekomen vroeg mijn Gids zonder vertoef aan hem die nog zijne wonde beschouwde:79„Wie was dat, van wien gij zeidet dat gij tot uw leed gescheiden werdt om op den oever te komen?” En hij antwoordde: „Dat was Broeder Gomita,82die van Gallura, een vat van alle ongerechtigheid, die de vijanden van zijnen heer in zijne macht had, maar ze zoo behandelde dat ze hem allen prezen.85Zoo kreeg hij geld, en liet hij ze zonder verhoor vrij, zooals hij zelf zegt: en ook in de andere ambten was hij geen kleine schurk maar een opperhoofd onder dezulken.88Met hem verkeert heer Michel Zanche vanLogodoro; en om te spreken van Sardinië voelen hunne tongen zich nimmer te moei.91Wee! zie hoe daar die ander de tanden toont; ik zou nog meer zeggen: maar ik vrees dat hij zich gereed maakt om mij de luis te krabben.”94En de groote hoofdman, gericht naar Schimvlerk, die de oogen reeds draaide om hem te slaan, zeide: „Pak u weg, kwade vogel!”97„Indien gij heer,” begon de gerustgestelde daarna: „Toscanen of Lombarden” wilt zien of hooren, dan zal ik er doen komen.100Maar laat de kwade klauwen een weinig in rust zijn, zoodat genen hunne wraak niet vreezen; en dan zal ik, op deze zelfde plaats blijvende zitten,103voor éénen, die ik ben, er zeven doen komen, wanneer ik fluiten zal, gelijk ons gebruik is omdan te doen opdat er een zich naar buiten begeve.”106Hondsnoet richtte bij dit woord den muil op, het hoofd schuddende en zeide: „Hoor den kwaden streek, die hij heeft bedacht om zich naar beneden te werpen.”109Waarop hij, die listigheid had in grooten rijkdom, antwoordde: „Voorwaar te kwade streken heb ik, als ik den mijnen grooter leed bezorg!”112Zeil-strijker kon zich niet weerhouden, maar tegen den zin der anderen in, zeide hij tot hem: „Als gij naar beneden gaat, ik zal u niet achterna komen in galop,115maar over het pek zal ik de vlerken klepperen: de hoogte worde ontruimd, en de dam zij u een schild, dan kunnen we zien of gij meer dan wij vermoogt.”118Gij die dit leest, nu zult gij van een nieuw spel hooren. Een elk richtte de oogen naar den anderen kant, enhij het eerst, die het stugst was geweest om dit te doen.121De Navarrees gebruikte wel zijn tijd; hij zette de zolen vast op den grond en in één wip sprong hij en ontkwam hij aanhun voornemen.124Elk stond plotseling hiervan versteld, maar hij het meest, die oorzaak was van het mislukken: daarom maakte hij zich op en schreeuwde hij: „Ik pak je.”127Maar weinig vermocht hij: daar (de vlugheid) zijner vleugelen de vrees (van den anderen) niet kon vóór komen: gene dook onder, en hij (Zeil-strijker) keerde vliegend terug met de borst naar boven:130niet anders duikt de eend, wanneer de valk nader komt, plotseling onder, en gene keert toornig en gebroken.133IJstrapper vertoornd om het spel, hield, verlekkerd om, daar gene ontkomen was, zelf de prooi te pakken, vliegende achter hem aan,136en daar de rechtsverdraaier verdwenen was, richtte hij zijne klauwen tegen zijnen gezel, en boven de sloot raakten zij in elkander verwikkeld.139Maar de ander was sperwer en grijpvogel genoeg om hem te pakken en beiden vielen zij midden in de kokende poel.142Het heete vocht was plotseling ontwikkelaar: maar daarom toch was het hun niet mogelijk zich op te richten, zóó hadden zij de vleugelen bepekt.145Ruigbaard, die met zijne andere gezellen stond te treuren, deed er vier naar den anderen kant vliegen allen met een gaffel, en wèl snel148gingen zij hier en ginds op hun post; zij staken de vorken toe aan de drenkelingen, die reeds gekookt werden binnen in de korst:151en wij lieten hem aldus in den val gevangen.Drie-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Na eerst nog de achtervolging der duivels gevreesd te hebben, komen de dichters veilig in den zesden Buidel en zien daar de huichelaars en Pharizeërs.1Zwijgend, eenzaam, zonder geleide, gingen wij voort, de één vóór en de ander achter, gelijk de minrebroeders huns weegs gaan.4Opde fabel van Esopuswas mijn denken gericht door het zoo-even aanschouwde krakeel, die fabel waarin hij spreekt van den kikvorsch en de muis:7daar niet meer „nu” lijkt op „thans,” dan het ééne geval op het andere gelijkt, zoo men eind en begin goed samen koppelt in den wèl oplettenden geest.10En gelijk de ééne gedachte uit de andere ontspringt, zoo werd uit deze voorts een andere geboren, die me de eerste vrees verdubbelde.13Ik dacht aldus: „Dezen zijn door ons verschalkt,en met dusdanige schade en schande dat ik wel denk dat het ze vernooit.16Zoo de toorn nog op hunne kwaadwilligheid zich stapelt, dan zullen ze nog wreeder ons achterna komen, dan een hond achter die haas, die hij met de tanden wil pakken.”19Reeds voelde ik mij alle de haren van vrees te bergen rijzen, en ik stond naar achter oplettend, wanneer ik zeide: „Meester,22zoo gij niet dadelijk u en mij verbergt, dan heb ik angst voor de Kwaad-klauwen: we hebben ze reeds achter ons: ik verbeeld me ze zoo, dat ik ze reeds voel!”25En hij: „Indien ik van gefoelied glas ware, dan zoude ik uw buiten-beeld niet vlugger tot mij trekken dan ik mij nu uw binnen-beeld gewin.28Daar juist kwamen uwe gedachten tusschen de mijnen, met welgelijkende gebaren en gelijkend gelaat, zoodat ikvan beideneen enkel besluit heb gemaakt.31Indien het is dat de recht-kant zóó laag ligt dat wij in den volgenden buidel kunnen afdalen, zouden wij de ingebeelde jacht kunnen ontvluchten.”34Nog voleindigde hij niet dusdanig besluit uit te spreken, toen ik ze komen zag met de vlerken gespannen, niet zoo heel ver, om ons van daar te kunnen grijpen.37Dadelijk greep mijn gids mij, gelijk de moeder, die op het brand-gerucht is wakker geworden en dicht bij zich de vlammen ontstoken ziet,40zoodat zij haar zoon opneemt en vlucht, en niet blijft stil staan, meer voor hem dan voor zich zelven zorg hebbende, zoozeer dat zij zich maar een hemd omhangt.43En van den top van den harden dam, liet hij zich op den rug afglijden langs de hellende rots, die der eene zijde van den anderen buidel tot muur verstrekt.46Nooit liep water zoo snel door een molen-vliet om het rad van een water-molen te doen omdraaien, daar waar het water het dichtst bij de schepborden komt;49als mijn Meester langs dezen rand, mij mede dragende op zijne borst, als zijn kind en niet als zijn medgezel.52Nauwelijks waren zijne voeten op de bedding van den bodem benedengekomen, ofzijkwamen op de hoogte boven ons: maar daar was geen rede meer tot vreezen,55daar de hooge Voorzienigheid, die ze heeft willen stellen tot bedienaren van de vijfde gracht, hun allen de macht ontnam om vandaar weg te gaan.58Daar beneden vonden wij een beschilderd volk, dat rond ging met zeer trage schreden, weenende en in het voorkomen vermoeid en gebroken.61Zij hadden pijen met de kappen omlaag over de oogen, en de pijen waren gemaakt naar dien snit, als ze in Keulen gemaakt worden voor de monniken.64Van buiten zijn zij verguld, zoodat het verblindend is ze te zien; maar van binnen zijn zij gansch van lood, en zoo wichtig, dat (hierbij vergeleken)Frederikze van strooi deed aanleggen.67O in eeuwigheid afmattende mantel! Wij wendden ons maar weder naar de linker hand, gezamentlijk met hen, luisterende naar de droeve klacht:70maar door het gewicht ging dat vermoeide volk zóó langzaam, dat wij nieuw gezelschap hadden bij elke beweging van de heup.73Waarom ik tot mijnen Gids: „Maak dat gij iemand vindt, die aan daad of naam herkend worde, en beweeg, aldus gaande, de oogen in het rond.”76En één, die de Toskaansche sprake vernam, riep ons achterna: „Houdt de voeten stil, gij die dus snel door de duistere lucht loopt:79wellicht kreegt ge van mij dat wat gij zoekt.” Waarop de Gids zich omdraaide en zeide: „Wacht, en schrijd voorts naar zijnen tred.”82Ik bleef stil staan en ik zag er twee met het gezicht groote begeerigheid der ziel vertoonen om met mij te zijn; maar de last en de nauwe weg belemmerden ze.85Toen zij gekomen waren, beschouwden zij mij eenigen tijd met het loensche oog zonder te spreken, voorts wendden zij zich tot elkanderen en zeiden:88„Gene schijnt levend aan de beweging zijner keel: en indien ze dood zijn, door welk voorrecht gaan zij onbekleed met den zwaren mantel?”91Voorts zeiden zij tot mij: „Toscaner, die tot het droeve collegie der huichelaars gekomen zeidt, versmaad niet te zeggen wie gij zijt.”94En ik tot hen: „Ik ben geboren en gegroeid aan den schoonen Arno-stroom in de groote stad, en ik ben (nog) met het lichaam dat ik altijd gehad heb.97Maar gij lieden, wie zijt gij, wien, naar ik zie, zóó groote smart langs de wangen neerdruppelt; en welke pijn is er in u die aldusals lichtnaar buiten breekt?”100En de ééne antwoordde mij: „De oranje kappen zijn zóó bevracht met lood, dat de gewichten ervan aldus hunneweegschalendoen kreunen.103Broeders der Blijdschapwaren wij, en Bolognezen, ik Catalano en gene Loderingo genaamd, en te zamen door uw land gekozen,106gelijk anders daar een eenig man pleegt gekozen te worden om er den vrede te bewaren; en wij waren dusdanig, als nog blijkt rondom het Gardingo.”109Ik begon: „O broeders, uwe rampen......” Maar meer zeide ik niet; daar ik in het oog kreeg éénen, die met drie palen in den grond gekruisigd was.112Wanneer hij mij zag, verwrong hij zich ganschelijk, blazende in zijn baard met zijn zuchten. En broeder Catelano, die dat opmerkte,115zeide tot mij: „Die gekruisigde, dien gij beschouwt, ried den Pharizeërs, dat het nut was een mensch voor het volk over te geven tot marteling.118Naakt ligt hij dwars over den weg uitgestrekt, gelijk gij ziet, en het is noodig dat hij van wie ook over hem henengaat, eerst voelt hoeveel hij weegt:121en op gelijke wijze wordtzijn schoonvaderin deze gracht gerekt, en de anderen van den raad, die een slecht zaaisel was voor de Joden.”124Toen zag ikVirgilius zich verwonderenover genen, die op het kruis zoo vuig was uitgestrekt in de eeuwige ballingschap.127Voorts richtte hij deze woorden tot den broeder: „Niets misvalle u, indien het u vrijstaat, ons te zeggen, of naar de rechter hand eenige opening ligt,130waar wij beiden konden uitgaan, zonder eenigen van de zwarte duivelen te nopen dat zij uit de diepte komen om ons verder te brengen.”133Dus antwoordde hij: „Meer dan gij hoopt, komt een rots-weg nader, die van den grooten cirkel uitgaat en loopt over alle de wreede valleien,136behalve dat hij bij deze vallei is gebroken, en die niet overbrugt: maar gij zult kunnen opgaan over den puinhoop, daar die aan den kant laag is, maar hoog is in de diepte.”139De Gids stond een weinig met gebogen hoofd; voorts zeide hij: „Slecht vertelde mij de zaak degene, die de zondaren aan gindsche zijde aan de vork slaat.142En de broeder: „Ik hoorde voorheen te Bologna van vele slechtheden van den duivel vertellen, onder welken ik hoorde dat hij bedrieger is en vader van den leugen.”145Daarna ging de gids met groote schreden voort, in het voorkomen een weinig door toorn verstoord: waarom ik mij van de bevrachten afscheidde148achter de afzetsels van de dierbare voetzolen.Vier-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Na met groote inspanning uit den zesden Buidel te zijn gekomen, gaan zij nu over den zevenden dien zij vol van slangen zien.1In dat gedeelte van het jeugdig jaar, wanneer de Zon hare lokken onder den Waterman warmt en reeds de nachten ter halver dage weggaan:4wanneer de rijp over de aarde de beeltenis nateekent van hare witte zuster, maar weinig duurt de juiste koude-mate voor haar teekenstift;7de stulp-bewoner, wien het voer mankeert, staat op en kijkt, en ziet het landschap gansch wit zijn, waarom hij zich de heup slaat;10hij keert naar huis en plaagt zich her en der, gelijk de ongelukkige, die niet weet wat hij doen moet; voorts gaat hij weer en doet de hoopweer in de korf,13ziende dat de wereld in korte stonde haar voorkomen heeft veranderd, en hij neemt den herders-stafen hij jaagt de schaapjens naar buiten om ze te weiden:16zoo deed de Meester mij ontzetten, wanneer ik hem aldus het voorhoofd zag verstoren, en evenzoo snel kwam de pleister op de wond:19daar, toen wij aan de gebroken brug kwamen, de Gids zich tot mij wendde met dien zoeten blik, dien ik in het begin had gezien aan den voet van den berg.22De armen opende hij, na eenig beleid bij zich zelven verkoren te hebben, nadat hij eerst den puinhoop goed beschouwd had, en toen greep hij mij met vaste hand.25En gelijk degene, die werkt en beraamt, die altijd blijkt van te voren op zijne hoede te zijn, aldus, wanneer hij mij optilde naar den top28van een rotsblok, zag hij uit naar een andere klip, zeggende: „Wanneer gij daarop zijt, grijp u dan weer vast, maar voel eerst of het zoo is dat het u houdt.”31Geen weg was dit voor eenen met een pij bekleede, daar wij nauwelijks (zooals wij waren) hij zoo licht en ik (door hem) vooruit gedrongen, konden opstijgen van trap tot trap.34En indien het niet geweest ware, dat de kant van dien (zevenden) dam lager geweest was dan die van den vorigen, ik weet het niet van hèm, maar ik zoude er wel door overmand zijn geworden.37Maar daar het gansche gebied van de Buidelen des Kwaads helt naar den mond van den diepst-dalenden put, brengt de gelegenheid van elken buidel mede40dat de ééne rand rijst en de andere daalt: maar wij kwamen dan toch eindelijk tot aan dat punt, waar de laatste steen uitsteekt.43De adem was mij zóó schoon uit de longen gesnoten, toen ik boven was, dat ik niet verder kon, maar ik zette mij neder bij het eerste aankomen.46„Nu past het dat gij u aldus ontluiaardt,” zeide de Meester: „daar men niet zittende op het dons noch onder de dekens tot roem geraakt:49en wie zonder roem het leven slijt, zoo ’n spoor laat die op de aarde van zich na, als rook in de lucht of schuim op het water.52En daarom, richt u op, overwin de aemechtigheid met die zelfde geestkracht die elken strijd wint, indien zij zich niet met het zware lichaam vervuigt.55Nog langeren ladder voegt het te beklimmen; niet genoeg is het van genen vertrokken te zijn: indien gij mij begrijpt, maak dan dat het voor u gelde.”58Toen richtte ik mij op, mij beter voorzien van adem vertoonende dan ik mij voelde; en ik zeide: „Ga, want ik ben sterk en vol moed.”61Boven over de rots namen wij den weg, die ruw was, smal en moeielijk, en ook veel steiler dan die vorige.64Sprekende ging ik om niet vermoeid te schijnen; waarna er eene stem uitging van de volgende gracht, onmachtig om woorden te vormen.67Ik weet niet wat hij zeide, hoewel ik reeds boven op den rug was van den boog die daar loopt; maar wie daar sprak, hij was tot toorn bewogen.70Ik keek naar beneden; maar mijne levende oogen konden door de donkerte niet tot aan den bodem komen: waarom ik: „Meester, maak dat73gij komt op den volgenden ringmuur, en laten wij langs den wand afdalen, daar, gelijk ik hierhoor maar niet begrijp, ik aldus zie, maar niets onderscheid.”76„Geen ander antwoord” zeide hij: „geef ik u dan het doen: daar de eerlijke vraag zwijgend door de daad moet worden gevolgd.”79Wij daalden van het toppunt van de brug af tot waar hij raakt aan den achtsten oeverrand, en daar werd de Buidel mij duidelijk zichtbaar:82en daar binnen zag ik een gruwelijke menigte van slangen, en van zóó verscheiden beweging dat de heuchenis nog mij het bloed doet stollen.85Laat Lybië met haar zand zich niet langer verhoovaardigen; want, als het adders, vallende slangen en ander gebroed van kruip-dieren en slangen met twee koppen voortbrengt,88het toch nooit te zamen met Aethiopië, noch met dat land, dat boven de Roode Zee ligt, zoovele noch zoo kwade verderfsels vertoonde.91Door die rauwe en gure menigte liepen naakte onthutste luiden, zonder te hopen op een opening of op eenheliotropium.94Met slangen hadden zij de handen op den rug gebonden: dezen staken staart en kop hun door de lendenen en waren aan den voorkant samengeknoedeld.97En zie, tot éénen, die aan onzen oever was, naderde een slang, die hem doorboorde daar waar de hals aan de schouderbladen vastzit.100En nooit kon men zóó snel een O of een I schrijven, als hij in brand vloog en afbrandde, en ganschelijk als asch in elkander viel:103en nadat hij aldus op den grond was te niet gedaan, verzamelde de asch zich wederom van zelf, en keerde op een bot tot die zelfde gestalte weer terug:106aldus wordt door de groote wijzen verklaard, dat de Phenix sterft en voorts herboren wordt, wanneer zij tot haar vijfhonderdste jaar genaderd is.109Kruiden noch korrelen eet zij in haar leven, maar enkel (leeft zij van) tranen van wierook en amomum; en nardus en myrrhe zijn hare laatstewindselen.112En gelijk degene is, die valt en niet weet hoe, door kracht van geesten die hem naar den grond trekt, of door een andere belemmering, die den mensch bindt;115zoodat hij, wanneer hij zich opricht, verwonderd rond kijkt, gansch verbijsterd door de groote doodspijn, die hij heeft doorstaan, en al kijkende zucht;118zóó was die zondaar, toen hij weder was opgestaan. O de Rechtvaardigheid van God, hoe gestreng is zij, dat zij zulke slagen tot straf neer doet ruischen!121De Gids vroeg hem voorts wie hij was: waarom hij antwoordde: „Het is nog maar weinig tijd geleden sedert ik uit Toscane nederviel in deze wreede keel.124Een beestachtig en niet een menschelijk leven beviel mij,muildierdie ik was: het beest Vanni Fucci ben ik, en Pistoia was mij een waardig hol.”127En ik tot mijnen Gids: „Zeg hem dat hij niet vertrekke, en vraag hem hoedanige schuld hem naar hierbeneden heeft gedreven: want ik heb hem vroeger wel gezien als man des bloeds en des toorns.”130En de zondaar, die dit verstond, hield zich niet schuil, maar aandacht en gelaat wendde hij naar mij en van doodsche schaamte verbleekte hij;133voorts zeide hij: „Meer leed doet het mij dat gij mij gevonden hebt in de ellende, waarin gij mij ziet, dan (het mij leed deed) wanneer ik uit het andere leven geholpen werd.136Ik kan niet weigeren dat wat gij vraagt; ik ben zoo laag gesteld, omdat ik in de sacristij een dief was van het schoon kerk-gerei;139en valschelijk werd dit reeds anderen geweten. Maar opdat gij weinig vreugde hebt van dit gezicht, indien gij ooit weer buiten de ongure plaatsen zult komen,142open de ooren voor mijne aankondiging en hoor. Eerst ontdoetPistoiazich van de Zwarten, voorts hernieuwt Florence luiden en de regerings-wijzen.145Mars trekt de dampen op van het dal van Magra, dat van dikke nevelen bezet is: en door een woedenden en hevigen storm148zal hij bestreden worden boven Picenum: waarna hij plotseling de nevels zal verbreken, zoodat elke Witte er door getroffen wordt:151en ik heb dit gezegd opdat gij u erom moet bedroeven.Vijf-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Voortgaande te zien in den Zevenden Buidel, zien zij Cacus den centaur en voorts vijf aanzienlijke Florentijnen, van welken vier wonderbaarlijke gedaante-verwisselingen ondergaan.1Aan het einde van zijne woorden stak de dief de beide handen op metschend-gebaren, schreeuwende: „Pak aan, God, want op U heb ik het gemunt.”4Van nu aan werden de slangen mij lief, daar ééne zich om zijn hals krolde, alsof zij zeide: „Ik wil niet dat gij meer zegt!”7en een andere (kronkelde) zich om zijne armen, en zich voor hem heen slaande hield hij hem zóózeer gehouden, dat hij met zijne armen geen slag kon geven.10O Pistoia, Pistoia! waarom toch besluit gij niet om u zelve in de asch te leggen, zoodat gij niet langer bestaat, daar gij in kwaad-doenuwe afkomstovertreft.13Door al de donkere cirkels van de Hel henen, zag ik nooit geest, zoo hoovaardig tegen God, zelfs niet dengene,die te Thebevan de muren viel.16Hij ontvluchtte, zoodat hij geen woord meer sprak: en eenen Centaur zag ik vol van dolheid schreeuwende aankomen: „Waar is, waar is de bittere?”19Maremmageloof ik niet dat zoovele adderen heeft, als hij er had boven op zijn kruis, tot daar waar onze gedaante begint.22Boven op de schouderbladen, achter den nek, lag hem met geopende vlerken een draak, en die barnt al wie hem in den weg komt.25Mijn meester zeide: „Dat is Cacus, die onder aan de rots van den Aventijnschen Berg dikwijls een bloedplas maakte.28Niet gaat hijmet zijne broederenéénen weg, door het bedriegelijk dieven dat hij deed vande groote kudde, die hij in de buurt had:31waardoor zijne slinksche streken ophielden onder de knots van Hercules, die er hem wellicht wel honderd slagen meê gaf, enhij voelde er geen tien van.”34Terwijl hij alzoo sprak, zoo snelde gene verder; en drie geesten kwamenonder ons, welken noch ik noch mijn Gids opmerkten,37tenzij toen zij schreeuwden: „Wie zijt gij?” waarom ons verhaal bleef stil staan, en letten wij enkel maar op hen.40Ik kende ze niet, maar het geviel, gelijk het te gevallen pleegt door eenig geval, dat de ééne den andere moest noemen,43zeggende: „Cianfa, waar is die gebleven?” waarom ik, opdat de Gids oplettend zou blijven stilstaan, mij den vinger op (den mond) legde van kin tot neus.46Indien gij nu, lezer, traag zult zijn om te gelooven dat wat ik zeggen zal, dan zal dat geen wonder zijn, daar ik, die het zag, het me nauwelijks toegeef.49Terwijl ik de wenkbrauwen naar hen opgericht hield, zie een slang met zes pooten wierp zich van voren op den ééne, en klampte zich gansch aan hem vast.52Met de middelste pooten omwond hij hem gansch den buik, en met de voorste greep hij hem de armen; voorts sloeg hij hem de tanden in de ééne en de andere wang:55de achterpooten strekte hij om zijn dijen, en hij stak hem den staart tusschen beiden door, en achter bij de lendenen strekte hij dien naar boven.58Klimop was nooit zóó om boom tot een baard geworden, gelijk het gruwelijk beest door de leden, des anderen de zijne strengelde:61voorts zij aan het samen-smelten, alsof zij van warm was waren geweest, en aan het mengen van hunne kleur; noch den één noch den ander kon men meer zien wie of het was:64gelijk vóór het branden dóór het papier heen een bruine kleur boven komt, die nog niet zwart is, en het witte sterft.67De andere twee keken, en elk van beiden riep: „Wee mij, Agnel, hoe verandert gij! Zie dat ge reeds niet meer noch twee noch één zijt.”70Reeds waren de twee koppen er één geworden, wanneer de twee gezichten tot één voorkomen vermengd zich vertoonden, daar waar twee zoek geraakt waren.73Twee armen ontstonden er uit devier uitsteeksels;de heupen met de beenen, de buik en de borstkas werden ledematen, die nooit waren gezien.76Elk vroeger voorkomen was daar gebroken: twee en geen scheen de verkeerde gestaltenis, en zóódanig schreed zij weg met tragen tred.79Gelijk de hagedis, onder den grooten geesel der hondsdagen, van doornstruik verwisselend, eene fonkeling schijnt, wanneer zij den weg oversteekt:82zóó verscheen, komende naar de buiken der andere twee, een (in drift) ontstoken slang, loodkleurig en zwart als een peper-korrel.85En dat deel, van waar het eerst ons voedsel genomen is, doorboorde hij bijden éénevan hen; toen viel hij uitgestrekt voor hem neder.88De gebetene zag hem aan, maar zeide niets: maar stil op de voeten staande, geeuwde hij juist zoo alsof slaap of koorts hem besprongen had.91Hij keek de slang aan en de slang hem: de een door de wond, en de ander door den muil rookten sterk, en beide rooken ontmoetten elkander.94Laat Lucanus voortaan zwijgen, daar waar hij rept van den ellendigen Sabellus en Nassidius, en laat hem passen te hooren wat hier afgeschoten wordt.97Laat Ovidius zwijgen van Cadmus en Arethusa: want als die genen in een slang en deze in een bron al dichtende deed verkeeren, ik misgun het hem niet:100daar hij nooit twee naturen van aangezicht tot aangezicht aldus veranderde, dat beide de gestalten klaar stonden om van grondstof met elkander te ruilen.103Zij antwoordden elkander naar deze regelen: datde slang den staart tot eenen gaffel spleet, en de gebetene de voeten te samen drong.106De beenen en de heupen smolten zóó met elkander samen, dat binnen korte pooze de plaats der samenkomst geen teeken van bestaan meer vertoonde.109De gespleten staart nam den vorm aan, die dáár verloren werd, en zijn huid werd zacht, de gindsche hard.112Ik zag de armen naar binnen gaan door de oksels, en de twee pooten van het beest, die kort waren, zich zooveel verlengen als gene krompen.115Voorts werden de achterste poten, samengewrongen, tot dat lid, hetwelk de mensch verbergt, en de ellendige kreeg van het zijne twee uitgestrekte beenen.118En terwijl de rook den éénen en den anderen omhuift met nieuwe kleur en op den éénen haar doet groeien, en den anderen onthaart,121richtte de ééne zich op en de andere viel omlaag, maar daarom nog niet de wreede oogen afwendende, onder welke elk beiden van muil veranderde.124Diegene, die recht-op was, trok den muil naar de slapen, en van de al te vele matérie, die daarover kwam, gingen de ooren naar buiten uit de dwaze wangen.127Dat wat niet naar achter liep en bleef steken, van dat overschot maakte hij een neus voor zijn gezicht, en de lippen verdikte hij, zooveel het pas gaf.130Diegene, die lag, steekt den snuit vooruit en de ooren trekt hij over het hoofd terug, gelijk de slak het met zijne voelhorens doet:133en de tong, die hij éénig had en rad tot praten,splijt en de gevorkte gaat bij den ander dicht en de rook houdt op.136De ziel die beest geworden was, vluchtte sissende door de vallei, en de andere spuwt hem sprekende achterna.139Voorts keerde hij hem de nieuwe schouderbladen toe, en zeide tot den andere: „Ik wil dat Buoso, als ik gedaan heb, op handen en voeten langs dit pad loope.”142Zóó zag ik de zevendekiel-ladingzich veranderen en wederom herveranderen; en hier ontschuldige mij de nieuwheid, indien mijn pen een weinig afdwaalt.145En hoewel mijne oogen een weinig verduisterd waren, en mijn geest verbijsterd, toch konden genen niet zoo verholen aan mij ontsnappen,148dat ik Puccio Sciancato niet goed opmerkte: en hij was het die alleen van de drie gezellen, die eerst gekomen waren, niet veranderd was:151en de andere was die, welken gijGaville, beweent.

Een-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.De beide Dichters zien in den vijfden Buidel de omkoopbare staatslieden, en ontmoeten een drom duivels, die hen eerst tegenhouden doch na onderhandeling geleide geven.1Aldus gingen wij van brug tot brug, nog andere dingen bepratend welke mijn blij-eindend Dicht niet mee te deelen acht, en wij bereikten den top, wanneer4wij stilstonden om de volgende kloof te zien van de Buidelen des Kwaads, en de volgende ijdele klachten; en ik zag die kloof verwonderlijk donker.7Gelijk in het Arsenaal der Venetianers des winters het kleverig pek ziedt om hunne kranke houten te heelen10die niet kunnen zeehouden, en te zelfder tijd bewerkt deze zijn nieuw hout en gene kalefatert de ribben van dat schip, dat meerdere reizen gemaakt heeft;13die hamert aan de voor- en gene aan de achtersteven; een ander weer maakt riemen en die weer draait kabels en gene stopt het kleine en het groote zeil;16zóó niet door vuur maar door goddelijke kunst kookte daar beneden een dik wak van pek, dat van alle zijden aan den klant bleef kleven.19Ik zag het pek, maar in het pek zag ik niets anders dan de bellen, welke het koken deed opstijgen en ik zag het pek gansch zich belgen en saamgeperst weer zinken.22Terwijl ik daar beneden met starren blik keek, sprak mijn gids: „Wacht u, wacht u,” en zoo sprekende trok hij mij tot zich van de plaats waar ik stond.25Toen draaide ik mij als de man, die te laat ziet, dat, wat hem voegt te ontvluchten en wien plotselinge schrik den moed beneemt,28zoodat hij om het zien het vertrekken niet uitstelt: en ik zag achter ons eenen zwarten duivel rennende over den rotsweg naderkomen.31Wee hoe woest was hij in het aangezicht en hoe bitter scheen hij mij in zijne gebaren met de vlerken gespreid en licht op zijne voeten.34Zijnen schouder, die spits en trotsch was, bezwaarde een zondaar met beide de heupen, en gene hield in den greep zijner vingeren de wreef van diens voeten.37Van onze brug riep hij: „Kwaad-klauwen, ziet hier een van de overheden vanSanta Zita: legt hem onder, daar ik wederkeer40naar dat land dat er wel mede voorzien is: elk man is daar rechtverdraaier behalveBonturo: van neen maakt men voor geld daar ja.”43Daar beneden smeet hij hem neer en hij gingweer heen over den harden rotsweg en nooit werd de bloedhond met zoo groote vaart losgelaten om den dief te achterhalen.46De zondaar dook onder en kwam tot een boog gebogen weer boven; maar de duivelen, die de brug tot beschutting hadden, schreeuwden: „Hier is ’t geen plaats voorde heilige buiging.49Hier zwemt men anders dan in denSerchio; daarom indien ge niet naar onze gaffels verlangt: kom dan niet boven op het pek.”52Voorts sloegen zij de tanden van meer dan honderd gaffels in hem en ze zeiden: „Ondergedompeld voegt het dat men hier danst, zoodat gij, als ge kunt, in geniep wat kunt weghalen.”55Niet anders laten de koks hunne dienaren het vleesch midden in den ketel met de haken onderdompelen opdat het niet boven drijve.58De goede meester: „Opdat niet blijke dat gij hier zijt,” zeide hij tot mij: „houdt u plat achter een rotsblok opdat gij eenige beschutting hebt.61En om eenige beleediging die mij wordt aangedaan, word daarom niet bang, daar mij deze dingen bekend zijn, omdat ik wel een andermaal bij zulk een ontmoeting was.”64Voorts schreed hij voort over het toppunt van de brug: en toen hij op den zesden oeverrand gekomen was, had hij wel noodig een rustig voorhoofd te hebben.67Met die woede en met die stormachtigheid waarmede de honden naar buiten loopen achter den armen man die om een aalmoes vraagt, plotseling, daar waar hij stil blijft staan,70zoo kwamen genen van onder de brug te voorschijn en richtten alle de gaffels tegen hem, maar hij riep: „Niemand van u zij gram.73Voordat uw vork mij grijpe, kome één van u naar voren, die mij hoore, en dan bezinne men zich of men mij zal prikken.”76Allen riepen: „Ga gij, Kwaad-staart!” waardoor een zich opmaakte, maar de anderen stonden stil; en hij kwam tot hem zeggende:„Wat baat het?”79„Gelooft gij, Kwaadstaart, mij hier gekomen te zien,” zeide mijn Meester: „tot nog ongedeerd door al uwe wapenen,82zonder goddelijken wil en de gunstige beschikking? laat mij gaan, daar men in den Hemel gewild heeft dat ik eenen anderen den woesten weg wijze.”85Toen was zijn trots dermate gevallen, dat hij zich den gaffel voor de voeten liet vallen, en tot de anderen zeide: „Nu worde hij niet gestoken.”88En mijn Gids zeide mij: „Gij, die daar gansch plat tusschen de rotsen van de brug zit, kom vreezeloos weer tot mij terug.”91Waarom ik mij opmaakte en snel tot hem kwam; en de duivelen kwamen allen naar voren zoodat ik vreesde dat zij zich niet aan het verdrag zouden houden.94En zoo zag ik eenmaal de krijgsknechten vreezen die onder verdrag uitCabronauitgingen, daar zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.97Ik drong mij met mijn gansche persoon tegen mijnen leidsman, en ik draaide mijne oogen niet naar den kant van hunne verschijning, die mij niet malsch leek.100Zij streken de gaffels en: „Wilt gij,” sprak de één snel tegen den ander: „dat ik hem op het kruis rake?” En zij antwoordden: „Ja, maak dat gij hem raakt.”103Maar die duivel, die zich met mijnen Gids had onderhouden, wendde zich snel om en zeide: „Houd op, houd op, Pluk-haar!”106Voorts zeide hij tot ons: „Langs dezen rots-weg zult gij niet verder kunnen voort gaan, daar de zesde boog tot op den bodem gansch vermorzeld ligt:109en indien toch het verder voortgaan u gevalt, gaat dan voort over dezen dam:dicht bij is een andere rotsrug, die u een overgang geeft.112Gisteren, vijf uren later dandit uur, hadden zich twaalfhonderd zes en zestig jaren vervuld, sedert hier de weg gebroken werd.115Ik zend daar henen dezen van de mijnen om te zien of iemand daareen luchtje schept: gaat met hen, want ze zullen niet kwaadaardig zijn.118Kom naar voren, Zeilstrijker en IJstrapper,” begost hij te zeggen: „en gij Hondsnoet: en laat Ruigbaard het vendel voeren.121Bes-luster kome achter hem, en Draken-muil, Everzwijn met de slag-tanden, en Bullebijter, en Schim-vlerk en Zotte Rood-mond.124Doorzoekt rondom de kokende pek-wakken; laat dezen ongedeerd zijn tot aan den volgenden rotsweg, die gansch ongebroken over de kuilen gaat.”127„Wee mij! Meester, wat is dat wat ik zie?” zeide ik: „zie, laat ons alleen en zonder geleide gaan, indien gij weet te gaan, want ik verlang dat geleide niet.130Indien gij zoo opmerkzaam zijt als gij pleegt, ziet gij niet dat zij de tanden knarsen en door de wenkbrauwen ons met pijn bedreigen?”133En hij tot mij: „Ik wil niet dat gij vreest. Laat ze maar tanden knarsen zooveel het henlust, want dat doen ze tegen de pijn-lijdende gekookten.”136En over den linker rotsweg zwenkten zij; maar eerst had ieder tot teeken de tong uitgestoken en de tanden laten zien aan hunnen aanvoerder.139En deze had van zijn aars een trompet gemaakt.

Vervolg van den achtsten ommegang.De beide Dichters zien in den vijfden Buidel de omkoopbare staatslieden, en ontmoeten een drom duivels, die hen eerst tegenhouden doch na onderhandeling geleide geven.

Vervolg van den achtsten ommegang.

De beide Dichters zien in den vijfden Buidel de omkoopbare staatslieden, en ontmoeten een drom duivels, die hen eerst tegenhouden doch na onderhandeling geleide geven.

1Aldus gingen wij van brug tot brug, nog andere dingen bepratend welke mijn blij-eindend Dicht niet mee te deelen acht, en wij bereikten den top, wanneer

4wij stilstonden om de volgende kloof te zien van de Buidelen des Kwaads, en de volgende ijdele klachten; en ik zag die kloof verwonderlijk donker.

7Gelijk in het Arsenaal der Venetianers des winters het kleverig pek ziedt om hunne kranke houten te heelen

10die niet kunnen zeehouden, en te zelfder tijd bewerkt deze zijn nieuw hout en gene kalefatert de ribben van dat schip, dat meerdere reizen gemaakt heeft;

13die hamert aan de voor- en gene aan de achtersteven; een ander weer maakt riemen en die weer draait kabels en gene stopt het kleine en het groote zeil;

16zóó niet door vuur maar door goddelijke kunst kookte daar beneden een dik wak van pek, dat van alle zijden aan den klant bleef kleven.

19Ik zag het pek, maar in het pek zag ik niets anders dan de bellen, welke het koken deed opstijgen en ik zag het pek gansch zich belgen en saamgeperst weer zinken.

22Terwijl ik daar beneden met starren blik keek, sprak mijn gids: „Wacht u, wacht u,” en zoo sprekende trok hij mij tot zich van de plaats waar ik stond.

25Toen draaide ik mij als de man, die te laat ziet, dat, wat hem voegt te ontvluchten en wien plotselinge schrik den moed beneemt,

28zoodat hij om het zien het vertrekken niet uitstelt: en ik zag achter ons eenen zwarten duivel rennende over den rotsweg naderkomen.

31Wee hoe woest was hij in het aangezicht en hoe bitter scheen hij mij in zijne gebaren met de vlerken gespreid en licht op zijne voeten.

34Zijnen schouder, die spits en trotsch was, bezwaarde een zondaar met beide de heupen, en gene hield in den greep zijner vingeren de wreef van diens voeten.

37Van onze brug riep hij: „Kwaad-klauwen, ziet hier een van de overheden vanSanta Zita: legt hem onder, daar ik wederkeer

40naar dat land dat er wel mede voorzien is: elk man is daar rechtverdraaier behalveBonturo: van neen maakt men voor geld daar ja.”

43Daar beneden smeet hij hem neer en hij gingweer heen over den harden rotsweg en nooit werd de bloedhond met zoo groote vaart losgelaten om den dief te achterhalen.

46De zondaar dook onder en kwam tot een boog gebogen weer boven; maar de duivelen, die de brug tot beschutting hadden, schreeuwden: „Hier is ’t geen plaats voorde heilige buiging.

49Hier zwemt men anders dan in denSerchio; daarom indien ge niet naar onze gaffels verlangt: kom dan niet boven op het pek.”

52Voorts sloegen zij de tanden van meer dan honderd gaffels in hem en ze zeiden: „Ondergedompeld voegt het dat men hier danst, zoodat gij, als ge kunt, in geniep wat kunt weghalen.”

55Niet anders laten de koks hunne dienaren het vleesch midden in den ketel met de haken onderdompelen opdat het niet boven drijve.

58De goede meester: „Opdat niet blijke dat gij hier zijt,” zeide hij tot mij: „houdt u plat achter een rotsblok opdat gij eenige beschutting hebt.

61En om eenige beleediging die mij wordt aangedaan, word daarom niet bang, daar mij deze dingen bekend zijn, omdat ik wel een andermaal bij zulk een ontmoeting was.”

64Voorts schreed hij voort over het toppunt van de brug: en toen hij op den zesden oeverrand gekomen was, had hij wel noodig een rustig voorhoofd te hebben.

67Met die woede en met die stormachtigheid waarmede de honden naar buiten loopen achter den armen man die om een aalmoes vraagt, plotseling, daar waar hij stil blijft staan,

70zoo kwamen genen van onder de brug te voorschijn en richtten alle de gaffels tegen hem, maar hij riep: „Niemand van u zij gram.

73Voordat uw vork mij grijpe, kome één van u naar voren, die mij hoore, en dan bezinne men zich of men mij zal prikken.”

76Allen riepen: „Ga gij, Kwaad-staart!” waardoor een zich opmaakte, maar de anderen stonden stil; en hij kwam tot hem zeggende:„Wat baat het?”

79„Gelooft gij, Kwaadstaart, mij hier gekomen te zien,” zeide mijn Meester: „tot nog ongedeerd door al uwe wapenen,

82zonder goddelijken wil en de gunstige beschikking? laat mij gaan, daar men in den Hemel gewild heeft dat ik eenen anderen den woesten weg wijze.”

85Toen was zijn trots dermate gevallen, dat hij zich den gaffel voor de voeten liet vallen, en tot de anderen zeide: „Nu worde hij niet gestoken.”

88En mijn Gids zeide mij: „Gij, die daar gansch plat tusschen de rotsen van de brug zit, kom vreezeloos weer tot mij terug.”

91Waarom ik mij opmaakte en snel tot hem kwam; en de duivelen kwamen allen naar voren zoodat ik vreesde dat zij zich niet aan het verdrag zouden houden.

94En zoo zag ik eenmaal de krijgsknechten vreezen die onder verdrag uitCabronauitgingen, daar zij zich tusschen zoovele vijanden zagen.

97Ik drong mij met mijn gansche persoon tegen mijnen leidsman, en ik draaide mijne oogen niet naar den kant van hunne verschijning, die mij niet malsch leek.

100Zij streken de gaffels en: „Wilt gij,” sprak de één snel tegen den ander: „dat ik hem op het kruis rake?” En zij antwoordden: „Ja, maak dat gij hem raakt.”

103Maar die duivel, die zich met mijnen Gids had onderhouden, wendde zich snel om en zeide: „Houd op, houd op, Pluk-haar!”

106Voorts zeide hij tot ons: „Langs dezen rots-weg zult gij niet verder kunnen voort gaan, daar de zesde boog tot op den bodem gansch vermorzeld ligt:

109en indien toch het verder voortgaan u gevalt, gaat dan voort over dezen dam:dicht bij is een andere rotsrug, die u een overgang geeft.

112Gisteren, vijf uren later dandit uur, hadden zich twaalfhonderd zes en zestig jaren vervuld, sedert hier de weg gebroken werd.

115Ik zend daar henen dezen van de mijnen om te zien of iemand daareen luchtje schept: gaat met hen, want ze zullen niet kwaadaardig zijn.

118Kom naar voren, Zeilstrijker en IJstrapper,” begost hij te zeggen: „en gij Hondsnoet: en laat Ruigbaard het vendel voeren.

121Bes-luster kome achter hem, en Draken-muil, Everzwijn met de slag-tanden, en Bullebijter, en Schim-vlerk en Zotte Rood-mond.

124Doorzoekt rondom de kokende pek-wakken; laat dezen ongedeerd zijn tot aan den volgenden rotsweg, die gansch ongebroken over de kuilen gaat.”

127„Wee mij! Meester, wat is dat wat ik zie?” zeide ik: „zie, laat ons alleen en zonder geleide gaan, indien gij weet te gaan, want ik verlang dat geleide niet.

130Indien gij zoo opmerkzaam zijt als gij pleegt, ziet gij niet dat zij de tanden knarsen en door de wenkbrauwen ons met pijn bedreigen?”

133En hij tot mij: „Ik wil niet dat gij vreest. Laat ze maar tanden knarsen zooveel het henlust, want dat doen ze tegen de pijn-lijdende gekookten.”

136En over den linker rotsweg zwenkten zij; maar eerst had ieder tot teeken de tong uitgestoken en de tanden laten zien aan hunnen aanvoerder.

139En deze had van zijn aars een trompet gemaakt.

Twee-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Onder het schrikwekkend geleide van een drom duivelen gaan de beide Dichters den vijfden Buidel verder langs en zij aanschouwen eene schermutseling tusschen Duivelen en Rechtsverdraaiers.1Menigmalen zag ik ruiters uit de leger-plaats opbreken, den storm beginnen, of hunne monstering doen, en menigmalen den terugtocht blazen:4ren-vendels zag ik door uw land, oAretijnen, en woud-patrouilles zag ik er loopen, spiegelgevechten houden bij drommen en bij tweeën,7dan eens met trompetten, dan metklokken, met trommelen en met vesting-signalen, en met in- en uitheemsche dingen,10maar nooit met zoo verscheiden blaas-tuig zag ik ruiters of voetknechten optrekken; noch schip op land- of hemelteeken manoeuvreeren.13Wij gingen met de tien duivels: wee om het woestgezelschap maar in de kerk verkeert men met heiligen en in de taveerne met gulzigaards.16Steeds maar was mijn aandacht gevestigd op het pek om den ganschen inhoud van het kokend vocht en al het volk dat daarin brandde, te zien.19Gelijk de dolfijnen, wanneer zij den zeeluiden met den boog van hun ruggegraat een teeken geven, dat zij er op bedacht moeten zijn om hun hulk te bergen;22zóó vertoonde, om zich de pijn te leenigen, soms een der zondaren den rug, en verborg dien weer in minder tijd dan het bliksemt.25En gelijk aan den sloot-kant de kikvorschen met den muil naar buiten staan, zoodat zij de pooten en het overige dikke verbergen;28zoo stonden aan alle kant de zondaren; maar toen Ruigbaard nader-kwam, trokken zij zich zóó terug onder de kook-bellen.31Ik zag, en nog gruwt mijn hart er van, éénen wachten zooals het wel gebeurt dat de ééne kikvorsch achterblijft terwijl de ander ver wegspringt.34En Bullebijter, die het meest tegenover hem was, sloeg hem met de bepekte haren aan zijn vork en trok hem naar boven, zoodat hij mij een visch-otter scheen.37Ik wist reeds van allen den naam, zoo goed had ik er op gelet, toen zij werden uitgekozen, en voorts als zij dan geroepen werden, merkte ik mij hoe.40„O Roodmond, maak dat gij hun de klauwen in den rug zet, zóó dat gij ze vilt,” zoo riepen te zamen alle de verdoemden.43En ik zeide: „Mijn Meester, maak, indien gijkunt zoodat gij wetet wie de rampzalige is, in de handen gevallen van zijne tegenstanders.46Mijn Gids klampte hem van ter zijde aan, vroeg hem van waar hij was en gene antwoordde: „Ik was geboortig uit het Rijk van Navarre.”49Mijn moeder stelde mij tot eenen knecht bij eenen heer, daar zij mij gewonnen had van eenen brasser, verderver van zich-zelven en van zijne goederen.52Voorts was ik lijfknecht van den goeden koning Tibaud: daar zette ik er mij toe om schelmerijen te bedrijven, waarvan ik nu rekenschap geef in dit heete.”55En Everzwijn, bij wien aan elken kant een slagtand uit den mond stak als bij een varken, deed hem gevoelen hoe de eene (tand) stak.58Tusschen kwade katten was de muis gekomen; maar Ruigbaard sloot hem in zijn armen en zeide: „Blijft gij lieden daar, terwijl ik hem aan de vork houd.”61En naar mijnen Meester wendde hij het gezicht en: „Vraag hem,” zeide hij: „zoo gij nog meer van hem verlangt te weten, voordat een ander hem stukscheurt.”64De Gids: „Dan spreek van de andere slechten: kent gij er eenen onder het pek die uit Italië is?” En hij: „Zoo even67ging ik weg van éénen, die daar uit die buurt was: mocht ik daar nog zoo goed geborgen met hem zijn, daar ik noch klauw noch gaffel vreesde.70En Bes-luster: „Te lankmoedig zijn wij geweest,” zeide hij; en hij greep zijn arm met zijn vork, zóó dat hij, rijtende, het eene lid er van weghaalde.73Ook Drakemuil wilde hem grijpen onder aan debeenen; waarom hun aanvoerder zich met kwaden blik omdraaide.76Toen zij een weinig tot bedaren waren gekomen vroeg mijn Gids zonder vertoef aan hem die nog zijne wonde beschouwde:79„Wie was dat, van wien gij zeidet dat gij tot uw leed gescheiden werdt om op den oever te komen?” En hij antwoordde: „Dat was Broeder Gomita,82die van Gallura, een vat van alle ongerechtigheid, die de vijanden van zijnen heer in zijne macht had, maar ze zoo behandelde dat ze hem allen prezen.85Zoo kreeg hij geld, en liet hij ze zonder verhoor vrij, zooals hij zelf zegt: en ook in de andere ambten was hij geen kleine schurk maar een opperhoofd onder dezulken.88Met hem verkeert heer Michel Zanche vanLogodoro; en om te spreken van Sardinië voelen hunne tongen zich nimmer te moei.91Wee! zie hoe daar die ander de tanden toont; ik zou nog meer zeggen: maar ik vrees dat hij zich gereed maakt om mij de luis te krabben.”94En de groote hoofdman, gericht naar Schimvlerk, die de oogen reeds draaide om hem te slaan, zeide: „Pak u weg, kwade vogel!”97„Indien gij heer,” begon de gerustgestelde daarna: „Toscanen of Lombarden” wilt zien of hooren, dan zal ik er doen komen.100Maar laat de kwade klauwen een weinig in rust zijn, zoodat genen hunne wraak niet vreezen; en dan zal ik, op deze zelfde plaats blijvende zitten,103voor éénen, die ik ben, er zeven doen komen, wanneer ik fluiten zal, gelijk ons gebruik is omdan te doen opdat er een zich naar buiten begeve.”106Hondsnoet richtte bij dit woord den muil op, het hoofd schuddende en zeide: „Hoor den kwaden streek, die hij heeft bedacht om zich naar beneden te werpen.”109Waarop hij, die listigheid had in grooten rijkdom, antwoordde: „Voorwaar te kwade streken heb ik, als ik den mijnen grooter leed bezorg!”112Zeil-strijker kon zich niet weerhouden, maar tegen den zin der anderen in, zeide hij tot hem: „Als gij naar beneden gaat, ik zal u niet achterna komen in galop,115maar over het pek zal ik de vlerken klepperen: de hoogte worde ontruimd, en de dam zij u een schild, dan kunnen we zien of gij meer dan wij vermoogt.”118Gij die dit leest, nu zult gij van een nieuw spel hooren. Een elk richtte de oogen naar den anderen kant, enhij het eerst, die het stugst was geweest om dit te doen.121De Navarrees gebruikte wel zijn tijd; hij zette de zolen vast op den grond en in één wip sprong hij en ontkwam hij aanhun voornemen.124Elk stond plotseling hiervan versteld, maar hij het meest, die oorzaak was van het mislukken: daarom maakte hij zich op en schreeuwde hij: „Ik pak je.”127Maar weinig vermocht hij: daar (de vlugheid) zijner vleugelen de vrees (van den anderen) niet kon vóór komen: gene dook onder, en hij (Zeil-strijker) keerde vliegend terug met de borst naar boven:130niet anders duikt de eend, wanneer de valk nader komt, plotseling onder, en gene keert toornig en gebroken.133IJstrapper vertoornd om het spel, hield, verlekkerd om, daar gene ontkomen was, zelf de prooi te pakken, vliegende achter hem aan,136en daar de rechtsverdraaier verdwenen was, richtte hij zijne klauwen tegen zijnen gezel, en boven de sloot raakten zij in elkander verwikkeld.139Maar de ander was sperwer en grijpvogel genoeg om hem te pakken en beiden vielen zij midden in de kokende poel.142Het heete vocht was plotseling ontwikkelaar: maar daarom toch was het hun niet mogelijk zich op te richten, zóó hadden zij de vleugelen bepekt.145Ruigbaard, die met zijne andere gezellen stond te treuren, deed er vier naar den anderen kant vliegen allen met een gaffel, en wèl snel148gingen zij hier en ginds op hun post; zij staken de vorken toe aan de drenkelingen, die reeds gekookt werden binnen in de korst:151en wij lieten hem aldus in den val gevangen.

Vervolg van den achtsten ommegang.Onder het schrikwekkend geleide van een drom duivelen gaan de beide Dichters den vijfden Buidel verder langs en zij aanschouwen eene schermutseling tusschen Duivelen en Rechtsverdraaiers.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Onder het schrikwekkend geleide van een drom duivelen gaan de beide Dichters den vijfden Buidel verder langs en zij aanschouwen eene schermutseling tusschen Duivelen en Rechtsverdraaiers.

1Menigmalen zag ik ruiters uit de leger-plaats opbreken, den storm beginnen, of hunne monstering doen, en menigmalen den terugtocht blazen:

4ren-vendels zag ik door uw land, oAretijnen, en woud-patrouilles zag ik er loopen, spiegelgevechten houden bij drommen en bij tweeën,

7dan eens met trompetten, dan metklokken, met trommelen en met vesting-signalen, en met in- en uitheemsche dingen,

10maar nooit met zoo verscheiden blaas-tuig zag ik ruiters of voetknechten optrekken; noch schip op land- of hemelteeken manoeuvreeren.

13Wij gingen met de tien duivels: wee om het woestgezelschap maar in de kerk verkeert men met heiligen en in de taveerne met gulzigaards.

16Steeds maar was mijn aandacht gevestigd op het pek om den ganschen inhoud van het kokend vocht en al het volk dat daarin brandde, te zien.

19Gelijk de dolfijnen, wanneer zij den zeeluiden met den boog van hun ruggegraat een teeken geven, dat zij er op bedacht moeten zijn om hun hulk te bergen;

22zóó vertoonde, om zich de pijn te leenigen, soms een der zondaren den rug, en verborg dien weer in minder tijd dan het bliksemt.

25En gelijk aan den sloot-kant de kikvorschen met den muil naar buiten staan, zoodat zij de pooten en het overige dikke verbergen;

28zoo stonden aan alle kant de zondaren; maar toen Ruigbaard nader-kwam, trokken zij zich zóó terug onder de kook-bellen.

31Ik zag, en nog gruwt mijn hart er van, éénen wachten zooals het wel gebeurt dat de ééne kikvorsch achterblijft terwijl de ander ver wegspringt.

34En Bullebijter, die het meest tegenover hem was, sloeg hem met de bepekte haren aan zijn vork en trok hem naar boven, zoodat hij mij een visch-otter scheen.

37Ik wist reeds van allen den naam, zoo goed had ik er op gelet, toen zij werden uitgekozen, en voorts als zij dan geroepen werden, merkte ik mij hoe.

40„O Roodmond, maak dat gij hun de klauwen in den rug zet, zóó dat gij ze vilt,” zoo riepen te zamen alle de verdoemden.

43En ik zeide: „Mijn Meester, maak, indien gijkunt zoodat gij wetet wie de rampzalige is, in de handen gevallen van zijne tegenstanders.

46Mijn Gids klampte hem van ter zijde aan, vroeg hem van waar hij was en gene antwoordde: „Ik was geboortig uit het Rijk van Navarre.”

49Mijn moeder stelde mij tot eenen knecht bij eenen heer, daar zij mij gewonnen had van eenen brasser, verderver van zich-zelven en van zijne goederen.

52Voorts was ik lijfknecht van den goeden koning Tibaud: daar zette ik er mij toe om schelmerijen te bedrijven, waarvan ik nu rekenschap geef in dit heete.”

55En Everzwijn, bij wien aan elken kant een slagtand uit den mond stak als bij een varken, deed hem gevoelen hoe de eene (tand) stak.

58Tusschen kwade katten was de muis gekomen; maar Ruigbaard sloot hem in zijn armen en zeide: „Blijft gij lieden daar, terwijl ik hem aan de vork houd.”

61En naar mijnen Meester wendde hij het gezicht en: „Vraag hem,” zeide hij: „zoo gij nog meer van hem verlangt te weten, voordat een ander hem stukscheurt.”

64De Gids: „Dan spreek van de andere slechten: kent gij er eenen onder het pek die uit Italië is?” En hij: „Zoo even

67ging ik weg van éénen, die daar uit die buurt was: mocht ik daar nog zoo goed geborgen met hem zijn, daar ik noch klauw noch gaffel vreesde.

70En Bes-luster: „Te lankmoedig zijn wij geweest,” zeide hij; en hij greep zijn arm met zijn vork, zóó dat hij, rijtende, het eene lid er van weghaalde.

73Ook Drakemuil wilde hem grijpen onder aan debeenen; waarom hun aanvoerder zich met kwaden blik omdraaide.

76Toen zij een weinig tot bedaren waren gekomen vroeg mijn Gids zonder vertoef aan hem die nog zijne wonde beschouwde:

79„Wie was dat, van wien gij zeidet dat gij tot uw leed gescheiden werdt om op den oever te komen?” En hij antwoordde: „Dat was Broeder Gomita,

82die van Gallura, een vat van alle ongerechtigheid, die de vijanden van zijnen heer in zijne macht had, maar ze zoo behandelde dat ze hem allen prezen.

85Zoo kreeg hij geld, en liet hij ze zonder verhoor vrij, zooals hij zelf zegt: en ook in de andere ambten was hij geen kleine schurk maar een opperhoofd onder dezulken.

88Met hem verkeert heer Michel Zanche vanLogodoro; en om te spreken van Sardinië voelen hunne tongen zich nimmer te moei.

91Wee! zie hoe daar die ander de tanden toont; ik zou nog meer zeggen: maar ik vrees dat hij zich gereed maakt om mij de luis te krabben.”

94En de groote hoofdman, gericht naar Schimvlerk, die de oogen reeds draaide om hem te slaan, zeide: „Pak u weg, kwade vogel!”

97„Indien gij heer,” begon de gerustgestelde daarna: „Toscanen of Lombarden” wilt zien of hooren, dan zal ik er doen komen.

100Maar laat de kwade klauwen een weinig in rust zijn, zoodat genen hunne wraak niet vreezen; en dan zal ik, op deze zelfde plaats blijvende zitten,

103voor éénen, die ik ben, er zeven doen komen, wanneer ik fluiten zal, gelijk ons gebruik is omdan te doen opdat er een zich naar buiten begeve.”

106Hondsnoet richtte bij dit woord den muil op, het hoofd schuddende en zeide: „Hoor den kwaden streek, die hij heeft bedacht om zich naar beneden te werpen.”

109Waarop hij, die listigheid had in grooten rijkdom, antwoordde: „Voorwaar te kwade streken heb ik, als ik den mijnen grooter leed bezorg!”

112Zeil-strijker kon zich niet weerhouden, maar tegen den zin der anderen in, zeide hij tot hem: „Als gij naar beneden gaat, ik zal u niet achterna komen in galop,

115maar over het pek zal ik de vlerken klepperen: de hoogte worde ontruimd, en de dam zij u een schild, dan kunnen we zien of gij meer dan wij vermoogt.”

118Gij die dit leest, nu zult gij van een nieuw spel hooren. Een elk richtte de oogen naar den anderen kant, enhij het eerst, die het stugst was geweest om dit te doen.

121De Navarrees gebruikte wel zijn tijd; hij zette de zolen vast op den grond en in één wip sprong hij en ontkwam hij aanhun voornemen.

124Elk stond plotseling hiervan versteld, maar hij het meest, die oorzaak was van het mislukken: daarom maakte hij zich op en schreeuwde hij: „Ik pak je.”

127Maar weinig vermocht hij: daar (de vlugheid) zijner vleugelen de vrees (van den anderen) niet kon vóór komen: gene dook onder, en hij (Zeil-strijker) keerde vliegend terug met de borst naar boven:

130niet anders duikt de eend, wanneer de valk nader komt, plotseling onder, en gene keert toornig en gebroken.

133IJstrapper vertoornd om het spel, hield, verlekkerd om, daar gene ontkomen was, zelf de prooi te pakken, vliegende achter hem aan,

136en daar de rechtsverdraaier verdwenen was, richtte hij zijne klauwen tegen zijnen gezel, en boven de sloot raakten zij in elkander verwikkeld.

139Maar de ander was sperwer en grijpvogel genoeg om hem te pakken en beiden vielen zij midden in de kokende poel.

142Het heete vocht was plotseling ontwikkelaar: maar daarom toch was het hun niet mogelijk zich op te richten, zóó hadden zij de vleugelen bepekt.

145Ruigbaard, die met zijne andere gezellen stond te treuren, deed er vier naar den anderen kant vliegen allen met een gaffel, en wèl snel

148gingen zij hier en ginds op hun post; zij staken de vorken toe aan de drenkelingen, die reeds gekookt werden binnen in de korst:

151en wij lieten hem aldus in den val gevangen.

Drie-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Na eerst nog de achtervolging der duivels gevreesd te hebben, komen de dichters veilig in den zesden Buidel en zien daar de huichelaars en Pharizeërs.1Zwijgend, eenzaam, zonder geleide, gingen wij voort, de één vóór en de ander achter, gelijk de minrebroeders huns weegs gaan.4Opde fabel van Esopuswas mijn denken gericht door het zoo-even aanschouwde krakeel, die fabel waarin hij spreekt van den kikvorsch en de muis:7daar niet meer „nu” lijkt op „thans,” dan het ééne geval op het andere gelijkt, zoo men eind en begin goed samen koppelt in den wèl oplettenden geest.10En gelijk de ééne gedachte uit de andere ontspringt, zoo werd uit deze voorts een andere geboren, die me de eerste vrees verdubbelde.13Ik dacht aldus: „Dezen zijn door ons verschalkt,en met dusdanige schade en schande dat ik wel denk dat het ze vernooit.16Zoo de toorn nog op hunne kwaadwilligheid zich stapelt, dan zullen ze nog wreeder ons achterna komen, dan een hond achter die haas, die hij met de tanden wil pakken.”19Reeds voelde ik mij alle de haren van vrees te bergen rijzen, en ik stond naar achter oplettend, wanneer ik zeide: „Meester,22zoo gij niet dadelijk u en mij verbergt, dan heb ik angst voor de Kwaad-klauwen: we hebben ze reeds achter ons: ik verbeeld me ze zoo, dat ik ze reeds voel!”25En hij: „Indien ik van gefoelied glas ware, dan zoude ik uw buiten-beeld niet vlugger tot mij trekken dan ik mij nu uw binnen-beeld gewin.28Daar juist kwamen uwe gedachten tusschen de mijnen, met welgelijkende gebaren en gelijkend gelaat, zoodat ikvan beideneen enkel besluit heb gemaakt.31Indien het is dat de recht-kant zóó laag ligt dat wij in den volgenden buidel kunnen afdalen, zouden wij de ingebeelde jacht kunnen ontvluchten.”34Nog voleindigde hij niet dusdanig besluit uit te spreken, toen ik ze komen zag met de vlerken gespannen, niet zoo heel ver, om ons van daar te kunnen grijpen.37Dadelijk greep mijn gids mij, gelijk de moeder, die op het brand-gerucht is wakker geworden en dicht bij zich de vlammen ontstoken ziet,40zoodat zij haar zoon opneemt en vlucht, en niet blijft stil staan, meer voor hem dan voor zich zelven zorg hebbende, zoozeer dat zij zich maar een hemd omhangt.43En van den top van den harden dam, liet hij zich op den rug afglijden langs de hellende rots, die der eene zijde van den anderen buidel tot muur verstrekt.46Nooit liep water zoo snel door een molen-vliet om het rad van een water-molen te doen omdraaien, daar waar het water het dichtst bij de schepborden komt;49als mijn Meester langs dezen rand, mij mede dragende op zijne borst, als zijn kind en niet als zijn medgezel.52Nauwelijks waren zijne voeten op de bedding van den bodem benedengekomen, ofzijkwamen op de hoogte boven ons: maar daar was geen rede meer tot vreezen,55daar de hooge Voorzienigheid, die ze heeft willen stellen tot bedienaren van de vijfde gracht, hun allen de macht ontnam om vandaar weg te gaan.58Daar beneden vonden wij een beschilderd volk, dat rond ging met zeer trage schreden, weenende en in het voorkomen vermoeid en gebroken.61Zij hadden pijen met de kappen omlaag over de oogen, en de pijen waren gemaakt naar dien snit, als ze in Keulen gemaakt worden voor de monniken.64Van buiten zijn zij verguld, zoodat het verblindend is ze te zien; maar van binnen zijn zij gansch van lood, en zoo wichtig, dat (hierbij vergeleken)Frederikze van strooi deed aanleggen.67O in eeuwigheid afmattende mantel! Wij wendden ons maar weder naar de linker hand, gezamentlijk met hen, luisterende naar de droeve klacht:70maar door het gewicht ging dat vermoeide volk zóó langzaam, dat wij nieuw gezelschap hadden bij elke beweging van de heup.73Waarom ik tot mijnen Gids: „Maak dat gij iemand vindt, die aan daad of naam herkend worde, en beweeg, aldus gaande, de oogen in het rond.”76En één, die de Toskaansche sprake vernam, riep ons achterna: „Houdt de voeten stil, gij die dus snel door de duistere lucht loopt:79wellicht kreegt ge van mij dat wat gij zoekt.” Waarop de Gids zich omdraaide en zeide: „Wacht, en schrijd voorts naar zijnen tred.”82Ik bleef stil staan en ik zag er twee met het gezicht groote begeerigheid der ziel vertoonen om met mij te zijn; maar de last en de nauwe weg belemmerden ze.85Toen zij gekomen waren, beschouwden zij mij eenigen tijd met het loensche oog zonder te spreken, voorts wendden zij zich tot elkanderen en zeiden:88„Gene schijnt levend aan de beweging zijner keel: en indien ze dood zijn, door welk voorrecht gaan zij onbekleed met den zwaren mantel?”91Voorts zeiden zij tot mij: „Toscaner, die tot het droeve collegie der huichelaars gekomen zeidt, versmaad niet te zeggen wie gij zijt.”94En ik tot hen: „Ik ben geboren en gegroeid aan den schoonen Arno-stroom in de groote stad, en ik ben (nog) met het lichaam dat ik altijd gehad heb.97Maar gij lieden, wie zijt gij, wien, naar ik zie, zóó groote smart langs de wangen neerdruppelt; en welke pijn is er in u die aldusals lichtnaar buiten breekt?”100En de ééne antwoordde mij: „De oranje kappen zijn zóó bevracht met lood, dat de gewichten ervan aldus hunneweegschalendoen kreunen.103Broeders der Blijdschapwaren wij, en Bolognezen, ik Catalano en gene Loderingo genaamd, en te zamen door uw land gekozen,106gelijk anders daar een eenig man pleegt gekozen te worden om er den vrede te bewaren; en wij waren dusdanig, als nog blijkt rondom het Gardingo.”109Ik begon: „O broeders, uwe rampen......” Maar meer zeide ik niet; daar ik in het oog kreeg éénen, die met drie palen in den grond gekruisigd was.112Wanneer hij mij zag, verwrong hij zich ganschelijk, blazende in zijn baard met zijn zuchten. En broeder Catelano, die dat opmerkte,115zeide tot mij: „Die gekruisigde, dien gij beschouwt, ried den Pharizeërs, dat het nut was een mensch voor het volk over te geven tot marteling.118Naakt ligt hij dwars over den weg uitgestrekt, gelijk gij ziet, en het is noodig dat hij van wie ook over hem henengaat, eerst voelt hoeveel hij weegt:121en op gelijke wijze wordtzijn schoonvaderin deze gracht gerekt, en de anderen van den raad, die een slecht zaaisel was voor de Joden.”124Toen zag ikVirgilius zich verwonderenover genen, die op het kruis zoo vuig was uitgestrekt in de eeuwige ballingschap.127Voorts richtte hij deze woorden tot den broeder: „Niets misvalle u, indien het u vrijstaat, ons te zeggen, of naar de rechter hand eenige opening ligt,130waar wij beiden konden uitgaan, zonder eenigen van de zwarte duivelen te nopen dat zij uit de diepte komen om ons verder te brengen.”133Dus antwoordde hij: „Meer dan gij hoopt, komt een rots-weg nader, die van den grooten cirkel uitgaat en loopt over alle de wreede valleien,136behalve dat hij bij deze vallei is gebroken, en die niet overbrugt: maar gij zult kunnen opgaan over den puinhoop, daar die aan den kant laag is, maar hoog is in de diepte.”139De Gids stond een weinig met gebogen hoofd; voorts zeide hij: „Slecht vertelde mij de zaak degene, die de zondaren aan gindsche zijde aan de vork slaat.142En de broeder: „Ik hoorde voorheen te Bologna van vele slechtheden van den duivel vertellen, onder welken ik hoorde dat hij bedrieger is en vader van den leugen.”145Daarna ging de gids met groote schreden voort, in het voorkomen een weinig door toorn verstoord: waarom ik mij van de bevrachten afscheidde148achter de afzetsels van de dierbare voetzolen.

Vervolg van den achtsten ommegang.Na eerst nog de achtervolging der duivels gevreesd te hebben, komen de dichters veilig in den zesden Buidel en zien daar de huichelaars en Pharizeërs.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Na eerst nog de achtervolging der duivels gevreesd te hebben, komen de dichters veilig in den zesden Buidel en zien daar de huichelaars en Pharizeërs.

1Zwijgend, eenzaam, zonder geleide, gingen wij voort, de één vóór en de ander achter, gelijk de minrebroeders huns weegs gaan.

4Opde fabel van Esopuswas mijn denken gericht door het zoo-even aanschouwde krakeel, die fabel waarin hij spreekt van den kikvorsch en de muis:

7daar niet meer „nu” lijkt op „thans,” dan het ééne geval op het andere gelijkt, zoo men eind en begin goed samen koppelt in den wèl oplettenden geest.

10En gelijk de ééne gedachte uit de andere ontspringt, zoo werd uit deze voorts een andere geboren, die me de eerste vrees verdubbelde.

13Ik dacht aldus: „Dezen zijn door ons verschalkt,en met dusdanige schade en schande dat ik wel denk dat het ze vernooit.

16Zoo de toorn nog op hunne kwaadwilligheid zich stapelt, dan zullen ze nog wreeder ons achterna komen, dan een hond achter die haas, die hij met de tanden wil pakken.”

19Reeds voelde ik mij alle de haren van vrees te bergen rijzen, en ik stond naar achter oplettend, wanneer ik zeide: „Meester,

22zoo gij niet dadelijk u en mij verbergt, dan heb ik angst voor de Kwaad-klauwen: we hebben ze reeds achter ons: ik verbeeld me ze zoo, dat ik ze reeds voel!”

25En hij: „Indien ik van gefoelied glas ware, dan zoude ik uw buiten-beeld niet vlugger tot mij trekken dan ik mij nu uw binnen-beeld gewin.

28Daar juist kwamen uwe gedachten tusschen de mijnen, met welgelijkende gebaren en gelijkend gelaat, zoodat ikvan beideneen enkel besluit heb gemaakt.

31Indien het is dat de recht-kant zóó laag ligt dat wij in den volgenden buidel kunnen afdalen, zouden wij de ingebeelde jacht kunnen ontvluchten.”

34Nog voleindigde hij niet dusdanig besluit uit te spreken, toen ik ze komen zag met de vlerken gespannen, niet zoo heel ver, om ons van daar te kunnen grijpen.

37Dadelijk greep mijn gids mij, gelijk de moeder, die op het brand-gerucht is wakker geworden en dicht bij zich de vlammen ontstoken ziet,

40zoodat zij haar zoon opneemt en vlucht, en niet blijft stil staan, meer voor hem dan voor zich zelven zorg hebbende, zoozeer dat zij zich maar een hemd omhangt.

43En van den top van den harden dam, liet hij zich op den rug afglijden langs de hellende rots, die der eene zijde van den anderen buidel tot muur verstrekt.

46Nooit liep water zoo snel door een molen-vliet om het rad van een water-molen te doen omdraaien, daar waar het water het dichtst bij de schepborden komt;

49als mijn Meester langs dezen rand, mij mede dragende op zijne borst, als zijn kind en niet als zijn medgezel.

52Nauwelijks waren zijne voeten op de bedding van den bodem benedengekomen, ofzijkwamen op de hoogte boven ons: maar daar was geen rede meer tot vreezen,

55daar de hooge Voorzienigheid, die ze heeft willen stellen tot bedienaren van de vijfde gracht, hun allen de macht ontnam om vandaar weg te gaan.

58Daar beneden vonden wij een beschilderd volk, dat rond ging met zeer trage schreden, weenende en in het voorkomen vermoeid en gebroken.

61Zij hadden pijen met de kappen omlaag over de oogen, en de pijen waren gemaakt naar dien snit, als ze in Keulen gemaakt worden voor de monniken.

64Van buiten zijn zij verguld, zoodat het verblindend is ze te zien; maar van binnen zijn zij gansch van lood, en zoo wichtig, dat (hierbij vergeleken)Frederikze van strooi deed aanleggen.

67O in eeuwigheid afmattende mantel! Wij wendden ons maar weder naar de linker hand, gezamentlijk met hen, luisterende naar de droeve klacht:

70maar door het gewicht ging dat vermoeide volk zóó langzaam, dat wij nieuw gezelschap hadden bij elke beweging van de heup.

73Waarom ik tot mijnen Gids: „Maak dat gij iemand vindt, die aan daad of naam herkend worde, en beweeg, aldus gaande, de oogen in het rond.”

76En één, die de Toskaansche sprake vernam, riep ons achterna: „Houdt de voeten stil, gij die dus snel door de duistere lucht loopt:

79wellicht kreegt ge van mij dat wat gij zoekt.” Waarop de Gids zich omdraaide en zeide: „Wacht, en schrijd voorts naar zijnen tred.”

82Ik bleef stil staan en ik zag er twee met het gezicht groote begeerigheid der ziel vertoonen om met mij te zijn; maar de last en de nauwe weg belemmerden ze.

85Toen zij gekomen waren, beschouwden zij mij eenigen tijd met het loensche oog zonder te spreken, voorts wendden zij zich tot elkanderen en zeiden:

88„Gene schijnt levend aan de beweging zijner keel: en indien ze dood zijn, door welk voorrecht gaan zij onbekleed met den zwaren mantel?”

91Voorts zeiden zij tot mij: „Toscaner, die tot het droeve collegie der huichelaars gekomen zeidt, versmaad niet te zeggen wie gij zijt.”

94En ik tot hen: „Ik ben geboren en gegroeid aan den schoonen Arno-stroom in de groote stad, en ik ben (nog) met het lichaam dat ik altijd gehad heb.

97Maar gij lieden, wie zijt gij, wien, naar ik zie, zóó groote smart langs de wangen neerdruppelt; en welke pijn is er in u die aldusals lichtnaar buiten breekt?”

100En de ééne antwoordde mij: „De oranje kappen zijn zóó bevracht met lood, dat de gewichten ervan aldus hunneweegschalendoen kreunen.

103Broeders der Blijdschapwaren wij, en Bolognezen, ik Catalano en gene Loderingo genaamd, en te zamen door uw land gekozen,

106gelijk anders daar een eenig man pleegt gekozen te worden om er den vrede te bewaren; en wij waren dusdanig, als nog blijkt rondom het Gardingo.”

109Ik begon: „O broeders, uwe rampen......” Maar meer zeide ik niet; daar ik in het oog kreeg éénen, die met drie palen in den grond gekruisigd was.

112Wanneer hij mij zag, verwrong hij zich ganschelijk, blazende in zijn baard met zijn zuchten. En broeder Catelano, die dat opmerkte,

115zeide tot mij: „Die gekruisigde, dien gij beschouwt, ried den Pharizeërs, dat het nut was een mensch voor het volk over te geven tot marteling.

118Naakt ligt hij dwars over den weg uitgestrekt, gelijk gij ziet, en het is noodig dat hij van wie ook over hem henengaat, eerst voelt hoeveel hij weegt:

121en op gelijke wijze wordtzijn schoonvaderin deze gracht gerekt, en de anderen van den raad, die een slecht zaaisel was voor de Joden.”

124Toen zag ikVirgilius zich verwonderenover genen, die op het kruis zoo vuig was uitgestrekt in de eeuwige ballingschap.

127Voorts richtte hij deze woorden tot den broeder: „Niets misvalle u, indien het u vrijstaat, ons te zeggen, of naar de rechter hand eenige opening ligt,

130waar wij beiden konden uitgaan, zonder eenigen van de zwarte duivelen te nopen dat zij uit de diepte komen om ons verder te brengen.”

133Dus antwoordde hij: „Meer dan gij hoopt, komt een rots-weg nader, die van den grooten cirkel uitgaat en loopt over alle de wreede valleien,

136behalve dat hij bij deze vallei is gebroken, en die niet overbrugt: maar gij zult kunnen opgaan over den puinhoop, daar die aan den kant laag is, maar hoog is in de diepte.”

139De Gids stond een weinig met gebogen hoofd; voorts zeide hij: „Slecht vertelde mij de zaak degene, die de zondaren aan gindsche zijde aan de vork slaat.

142En de broeder: „Ik hoorde voorheen te Bologna van vele slechtheden van den duivel vertellen, onder welken ik hoorde dat hij bedrieger is en vader van den leugen.”

145Daarna ging de gids met groote schreden voort, in het voorkomen een weinig door toorn verstoord: waarom ik mij van de bevrachten afscheidde

148achter de afzetsels van de dierbare voetzolen.

Vier-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Na met groote inspanning uit den zesden Buidel te zijn gekomen, gaan zij nu over den zevenden dien zij vol van slangen zien.1In dat gedeelte van het jeugdig jaar, wanneer de Zon hare lokken onder den Waterman warmt en reeds de nachten ter halver dage weggaan:4wanneer de rijp over de aarde de beeltenis nateekent van hare witte zuster, maar weinig duurt de juiste koude-mate voor haar teekenstift;7de stulp-bewoner, wien het voer mankeert, staat op en kijkt, en ziet het landschap gansch wit zijn, waarom hij zich de heup slaat;10hij keert naar huis en plaagt zich her en der, gelijk de ongelukkige, die niet weet wat hij doen moet; voorts gaat hij weer en doet de hoopweer in de korf,13ziende dat de wereld in korte stonde haar voorkomen heeft veranderd, en hij neemt den herders-stafen hij jaagt de schaapjens naar buiten om ze te weiden:16zoo deed de Meester mij ontzetten, wanneer ik hem aldus het voorhoofd zag verstoren, en evenzoo snel kwam de pleister op de wond:19daar, toen wij aan de gebroken brug kwamen, de Gids zich tot mij wendde met dien zoeten blik, dien ik in het begin had gezien aan den voet van den berg.22De armen opende hij, na eenig beleid bij zich zelven verkoren te hebben, nadat hij eerst den puinhoop goed beschouwd had, en toen greep hij mij met vaste hand.25En gelijk degene, die werkt en beraamt, die altijd blijkt van te voren op zijne hoede te zijn, aldus, wanneer hij mij optilde naar den top28van een rotsblok, zag hij uit naar een andere klip, zeggende: „Wanneer gij daarop zijt, grijp u dan weer vast, maar voel eerst of het zoo is dat het u houdt.”31Geen weg was dit voor eenen met een pij bekleede, daar wij nauwelijks (zooals wij waren) hij zoo licht en ik (door hem) vooruit gedrongen, konden opstijgen van trap tot trap.34En indien het niet geweest ware, dat de kant van dien (zevenden) dam lager geweest was dan die van den vorigen, ik weet het niet van hèm, maar ik zoude er wel door overmand zijn geworden.37Maar daar het gansche gebied van de Buidelen des Kwaads helt naar den mond van den diepst-dalenden put, brengt de gelegenheid van elken buidel mede40dat de ééne rand rijst en de andere daalt: maar wij kwamen dan toch eindelijk tot aan dat punt, waar de laatste steen uitsteekt.43De adem was mij zóó schoon uit de longen gesnoten, toen ik boven was, dat ik niet verder kon, maar ik zette mij neder bij het eerste aankomen.46„Nu past het dat gij u aldus ontluiaardt,” zeide de Meester: „daar men niet zittende op het dons noch onder de dekens tot roem geraakt:49en wie zonder roem het leven slijt, zoo ’n spoor laat die op de aarde van zich na, als rook in de lucht of schuim op het water.52En daarom, richt u op, overwin de aemechtigheid met die zelfde geestkracht die elken strijd wint, indien zij zich niet met het zware lichaam vervuigt.55Nog langeren ladder voegt het te beklimmen; niet genoeg is het van genen vertrokken te zijn: indien gij mij begrijpt, maak dan dat het voor u gelde.”58Toen richtte ik mij op, mij beter voorzien van adem vertoonende dan ik mij voelde; en ik zeide: „Ga, want ik ben sterk en vol moed.”61Boven over de rots namen wij den weg, die ruw was, smal en moeielijk, en ook veel steiler dan die vorige.64Sprekende ging ik om niet vermoeid te schijnen; waarna er eene stem uitging van de volgende gracht, onmachtig om woorden te vormen.67Ik weet niet wat hij zeide, hoewel ik reeds boven op den rug was van den boog die daar loopt; maar wie daar sprak, hij was tot toorn bewogen.70Ik keek naar beneden; maar mijne levende oogen konden door de donkerte niet tot aan den bodem komen: waarom ik: „Meester, maak dat73gij komt op den volgenden ringmuur, en laten wij langs den wand afdalen, daar, gelijk ik hierhoor maar niet begrijp, ik aldus zie, maar niets onderscheid.”76„Geen ander antwoord” zeide hij: „geef ik u dan het doen: daar de eerlijke vraag zwijgend door de daad moet worden gevolgd.”79Wij daalden van het toppunt van de brug af tot waar hij raakt aan den achtsten oeverrand, en daar werd de Buidel mij duidelijk zichtbaar:82en daar binnen zag ik een gruwelijke menigte van slangen, en van zóó verscheiden beweging dat de heuchenis nog mij het bloed doet stollen.85Laat Lybië met haar zand zich niet langer verhoovaardigen; want, als het adders, vallende slangen en ander gebroed van kruip-dieren en slangen met twee koppen voortbrengt,88het toch nooit te zamen met Aethiopië, noch met dat land, dat boven de Roode Zee ligt, zoovele noch zoo kwade verderfsels vertoonde.91Door die rauwe en gure menigte liepen naakte onthutste luiden, zonder te hopen op een opening of op eenheliotropium.94Met slangen hadden zij de handen op den rug gebonden: dezen staken staart en kop hun door de lendenen en waren aan den voorkant samengeknoedeld.97En zie, tot éénen, die aan onzen oever was, naderde een slang, die hem doorboorde daar waar de hals aan de schouderbladen vastzit.100En nooit kon men zóó snel een O of een I schrijven, als hij in brand vloog en afbrandde, en ganschelijk als asch in elkander viel:103en nadat hij aldus op den grond was te niet gedaan, verzamelde de asch zich wederom van zelf, en keerde op een bot tot die zelfde gestalte weer terug:106aldus wordt door de groote wijzen verklaard, dat de Phenix sterft en voorts herboren wordt, wanneer zij tot haar vijfhonderdste jaar genaderd is.109Kruiden noch korrelen eet zij in haar leven, maar enkel (leeft zij van) tranen van wierook en amomum; en nardus en myrrhe zijn hare laatstewindselen.112En gelijk degene is, die valt en niet weet hoe, door kracht van geesten die hem naar den grond trekt, of door een andere belemmering, die den mensch bindt;115zoodat hij, wanneer hij zich opricht, verwonderd rond kijkt, gansch verbijsterd door de groote doodspijn, die hij heeft doorstaan, en al kijkende zucht;118zóó was die zondaar, toen hij weder was opgestaan. O de Rechtvaardigheid van God, hoe gestreng is zij, dat zij zulke slagen tot straf neer doet ruischen!121De Gids vroeg hem voorts wie hij was: waarom hij antwoordde: „Het is nog maar weinig tijd geleden sedert ik uit Toscane nederviel in deze wreede keel.124Een beestachtig en niet een menschelijk leven beviel mij,muildierdie ik was: het beest Vanni Fucci ben ik, en Pistoia was mij een waardig hol.”127En ik tot mijnen Gids: „Zeg hem dat hij niet vertrekke, en vraag hem hoedanige schuld hem naar hierbeneden heeft gedreven: want ik heb hem vroeger wel gezien als man des bloeds en des toorns.”130En de zondaar, die dit verstond, hield zich niet schuil, maar aandacht en gelaat wendde hij naar mij en van doodsche schaamte verbleekte hij;133voorts zeide hij: „Meer leed doet het mij dat gij mij gevonden hebt in de ellende, waarin gij mij ziet, dan (het mij leed deed) wanneer ik uit het andere leven geholpen werd.136Ik kan niet weigeren dat wat gij vraagt; ik ben zoo laag gesteld, omdat ik in de sacristij een dief was van het schoon kerk-gerei;139en valschelijk werd dit reeds anderen geweten. Maar opdat gij weinig vreugde hebt van dit gezicht, indien gij ooit weer buiten de ongure plaatsen zult komen,142open de ooren voor mijne aankondiging en hoor. Eerst ontdoetPistoiazich van de Zwarten, voorts hernieuwt Florence luiden en de regerings-wijzen.145Mars trekt de dampen op van het dal van Magra, dat van dikke nevelen bezet is: en door een woedenden en hevigen storm148zal hij bestreden worden boven Picenum: waarna hij plotseling de nevels zal verbreken, zoodat elke Witte er door getroffen wordt:151en ik heb dit gezegd opdat gij u erom moet bedroeven.

Vervolg van den achtsten ommegang.Na met groote inspanning uit den zesden Buidel te zijn gekomen, gaan zij nu over den zevenden dien zij vol van slangen zien.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Na met groote inspanning uit den zesden Buidel te zijn gekomen, gaan zij nu over den zevenden dien zij vol van slangen zien.

1In dat gedeelte van het jeugdig jaar, wanneer de Zon hare lokken onder den Waterman warmt en reeds de nachten ter halver dage weggaan:

4wanneer de rijp over de aarde de beeltenis nateekent van hare witte zuster, maar weinig duurt de juiste koude-mate voor haar teekenstift;

7de stulp-bewoner, wien het voer mankeert, staat op en kijkt, en ziet het landschap gansch wit zijn, waarom hij zich de heup slaat;

10hij keert naar huis en plaagt zich her en der, gelijk de ongelukkige, die niet weet wat hij doen moet; voorts gaat hij weer en doet de hoopweer in de korf,

13ziende dat de wereld in korte stonde haar voorkomen heeft veranderd, en hij neemt den herders-stafen hij jaagt de schaapjens naar buiten om ze te weiden:

16zoo deed de Meester mij ontzetten, wanneer ik hem aldus het voorhoofd zag verstoren, en evenzoo snel kwam de pleister op de wond:

19daar, toen wij aan de gebroken brug kwamen, de Gids zich tot mij wendde met dien zoeten blik, dien ik in het begin had gezien aan den voet van den berg.

22De armen opende hij, na eenig beleid bij zich zelven verkoren te hebben, nadat hij eerst den puinhoop goed beschouwd had, en toen greep hij mij met vaste hand.

25En gelijk degene, die werkt en beraamt, die altijd blijkt van te voren op zijne hoede te zijn, aldus, wanneer hij mij optilde naar den top

28van een rotsblok, zag hij uit naar een andere klip, zeggende: „Wanneer gij daarop zijt, grijp u dan weer vast, maar voel eerst of het zoo is dat het u houdt.”

31Geen weg was dit voor eenen met een pij bekleede, daar wij nauwelijks (zooals wij waren) hij zoo licht en ik (door hem) vooruit gedrongen, konden opstijgen van trap tot trap.

34En indien het niet geweest ware, dat de kant van dien (zevenden) dam lager geweest was dan die van den vorigen, ik weet het niet van hèm, maar ik zoude er wel door overmand zijn geworden.

37Maar daar het gansche gebied van de Buidelen des Kwaads helt naar den mond van den diepst-dalenden put, brengt de gelegenheid van elken buidel mede

40dat de ééne rand rijst en de andere daalt: maar wij kwamen dan toch eindelijk tot aan dat punt, waar de laatste steen uitsteekt.

43De adem was mij zóó schoon uit de longen gesnoten, toen ik boven was, dat ik niet verder kon, maar ik zette mij neder bij het eerste aankomen.

46„Nu past het dat gij u aldus ontluiaardt,” zeide de Meester: „daar men niet zittende op het dons noch onder de dekens tot roem geraakt:

49en wie zonder roem het leven slijt, zoo ’n spoor laat die op de aarde van zich na, als rook in de lucht of schuim op het water.

52En daarom, richt u op, overwin de aemechtigheid met die zelfde geestkracht die elken strijd wint, indien zij zich niet met het zware lichaam vervuigt.

55Nog langeren ladder voegt het te beklimmen; niet genoeg is het van genen vertrokken te zijn: indien gij mij begrijpt, maak dan dat het voor u gelde.”

58Toen richtte ik mij op, mij beter voorzien van adem vertoonende dan ik mij voelde; en ik zeide: „Ga, want ik ben sterk en vol moed.”

61Boven over de rots namen wij den weg, die ruw was, smal en moeielijk, en ook veel steiler dan die vorige.

64Sprekende ging ik om niet vermoeid te schijnen; waarna er eene stem uitging van de volgende gracht, onmachtig om woorden te vormen.

67Ik weet niet wat hij zeide, hoewel ik reeds boven op den rug was van den boog die daar loopt; maar wie daar sprak, hij was tot toorn bewogen.

70Ik keek naar beneden; maar mijne levende oogen konden door de donkerte niet tot aan den bodem komen: waarom ik: „Meester, maak dat

73gij komt op den volgenden ringmuur, en laten wij langs den wand afdalen, daar, gelijk ik hierhoor maar niet begrijp, ik aldus zie, maar niets onderscheid.”

76„Geen ander antwoord” zeide hij: „geef ik u dan het doen: daar de eerlijke vraag zwijgend door de daad moet worden gevolgd.”

79Wij daalden van het toppunt van de brug af tot waar hij raakt aan den achtsten oeverrand, en daar werd de Buidel mij duidelijk zichtbaar:

82en daar binnen zag ik een gruwelijke menigte van slangen, en van zóó verscheiden beweging dat de heuchenis nog mij het bloed doet stollen.

85Laat Lybië met haar zand zich niet langer verhoovaardigen; want, als het adders, vallende slangen en ander gebroed van kruip-dieren en slangen met twee koppen voortbrengt,

88het toch nooit te zamen met Aethiopië, noch met dat land, dat boven de Roode Zee ligt, zoovele noch zoo kwade verderfsels vertoonde.

91Door die rauwe en gure menigte liepen naakte onthutste luiden, zonder te hopen op een opening of op eenheliotropium.

94Met slangen hadden zij de handen op den rug gebonden: dezen staken staart en kop hun door de lendenen en waren aan den voorkant samengeknoedeld.

97En zie, tot éénen, die aan onzen oever was, naderde een slang, die hem doorboorde daar waar de hals aan de schouderbladen vastzit.

100En nooit kon men zóó snel een O of een I schrijven, als hij in brand vloog en afbrandde, en ganschelijk als asch in elkander viel:

103en nadat hij aldus op den grond was te niet gedaan, verzamelde de asch zich wederom van zelf, en keerde op een bot tot die zelfde gestalte weer terug:

106aldus wordt door de groote wijzen verklaard, dat de Phenix sterft en voorts herboren wordt, wanneer zij tot haar vijfhonderdste jaar genaderd is.

109Kruiden noch korrelen eet zij in haar leven, maar enkel (leeft zij van) tranen van wierook en amomum; en nardus en myrrhe zijn hare laatstewindselen.

112En gelijk degene is, die valt en niet weet hoe, door kracht van geesten die hem naar den grond trekt, of door een andere belemmering, die den mensch bindt;

115zoodat hij, wanneer hij zich opricht, verwonderd rond kijkt, gansch verbijsterd door de groote doodspijn, die hij heeft doorstaan, en al kijkende zucht;

118zóó was die zondaar, toen hij weder was opgestaan. O de Rechtvaardigheid van God, hoe gestreng is zij, dat zij zulke slagen tot straf neer doet ruischen!

121De Gids vroeg hem voorts wie hij was: waarom hij antwoordde: „Het is nog maar weinig tijd geleden sedert ik uit Toscane nederviel in deze wreede keel.

124Een beestachtig en niet een menschelijk leven beviel mij,muildierdie ik was: het beest Vanni Fucci ben ik, en Pistoia was mij een waardig hol.”

127En ik tot mijnen Gids: „Zeg hem dat hij niet vertrekke, en vraag hem hoedanige schuld hem naar hierbeneden heeft gedreven: want ik heb hem vroeger wel gezien als man des bloeds en des toorns.”

130En de zondaar, die dit verstond, hield zich niet schuil, maar aandacht en gelaat wendde hij naar mij en van doodsche schaamte verbleekte hij;

133voorts zeide hij: „Meer leed doet het mij dat gij mij gevonden hebt in de ellende, waarin gij mij ziet, dan (het mij leed deed) wanneer ik uit het andere leven geholpen werd.

136Ik kan niet weigeren dat wat gij vraagt; ik ben zoo laag gesteld, omdat ik in de sacristij een dief was van het schoon kerk-gerei;

139en valschelijk werd dit reeds anderen geweten. Maar opdat gij weinig vreugde hebt van dit gezicht, indien gij ooit weer buiten de ongure plaatsen zult komen,

142open de ooren voor mijne aankondiging en hoor. Eerst ontdoetPistoiazich van de Zwarten, voorts hernieuwt Florence luiden en de regerings-wijzen.

145Mars trekt de dampen op van het dal van Magra, dat van dikke nevelen bezet is: en door een woedenden en hevigen storm

148zal hij bestreden worden boven Picenum: waarna hij plotseling de nevels zal verbreken, zoodat elke Witte er door getroffen wordt:

151en ik heb dit gezegd opdat gij u erom moet bedroeven.

Vijf-en-twintigste Zang.Vervolg van den achtsten ommegang.Voortgaande te zien in den Zevenden Buidel, zien zij Cacus den centaur en voorts vijf aanzienlijke Florentijnen, van welken vier wonderbaarlijke gedaante-verwisselingen ondergaan.1Aan het einde van zijne woorden stak de dief de beide handen op metschend-gebaren, schreeuwende: „Pak aan, God, want op U heb ik het gemunt.”4Van nu aan werden de slangen mij lief, daar ééne zich om zijn hals krolde, alsof zij zeide: „Ik wil niet dat gij meer zegt!”7en een andere (kronkelde) zich om zijne armen, en zich voor hem heen slaande hield hij hem zóózeer gehouden, dat hij met zijne armen geen slag kon geven.10O Pistoia, Pistoia! waarom toch besluit gij niet om u zelve in de asch te leggen, zoodat gij niet langer bestaat, daar gij in kwaad-doenuwe afkomstovertreft.13Door al de donkere cirkels van de Hel henen, zag ik nooit geest, zoo hoovaardig tegen God, zelfs niet dengene,die te Thebevan de muren viel.16Hij ontvluchtte, zoodat hij geen woord meer sprak: en eenen Centaur zag ik vol van dolheid schreeuwende aankomen: „Waar is, waar is de bittere?”19Maremmageloof ik niet dat zoovele adderen heeft, als hij er had boven op zijn kruis, tot daar waar onze gedaante begint.22Boven op de schouderbladen, achter den nek, lag hem met geopende vlerken een draak, en die barnt al wie hem in den weg komt.25Mijn meester zeide: „Dat is Cacus, die onder aan de rots van den Aventijnschen Berg dikwijls een bloedplas maakte.28Niet gaat hijmet zijne broederenéénen weg, door het bedriegelijk dieven dat hij deed vande groote kudde, die hij in de buurt had:31waardoor zijne slinksche streken ophielden onder de knots van Hercules, die er hem wellicht wel honderd slagen meê gaf, enhij voelde er geen tien van.”34Terwijl hij alzoo sprak, zoo snelde gene verder; en drie geesten kwamenonder ons, welken noch ik noch mijn Gids opmerkten,37tenzij toen zij schreeuwden: „Wie zijt gij?” waarom ons verhaal bleef stil staan, en letten wij enkel maar op hen.40Ik kende ze niet, maar het geviel, gelijk het te gevallen pleegt door eenig geval, dat de ééne den andere moest noemen,43zeggende: „Cianfa, waar is die gebleven?” waarom ik, opdat de Gids oplettend zou blijven stilstaan, mij den vinger op (den mond) legde van kin tot neus.46Indien gij nu, lezer, traag zult zijn om te gelooven dat wat ik zeggen zal, dan zal dat geen wonder zijn, daar ik, die het zag, het me nauwelijks toegeef.49Terwijl ik de wenkbrauwen naar hen opgericht hield, zie een slang met zes pooten wierp zich van voren op den ééne, en klampte zich gansch aan hem vast.52Met de middelste pooten omwond hij hem gansch den buik, en met de voorste greep hij hem de armen; voorts sloeg hij hem de tanden in de ééne en de andere wang:55de achterpooten strekte hij om zijn dijen, en hij stak hem den staart tusschen beiden door, en achter bij de lendenen strekte hij dien naar boven.58Klimop was nooit zóó om boom tot een baard geworden, gelijk het gruwelijk beest door de leden, des anderen de zijne strengelde:61voorts zij aan het samen-smelten, alsof zij van warm was waren geweest, en aan het mengen van hunne kleur; noch den één noch den ander kon men meer zien wie of het was:64gelijk vóór het branden dóór het papier heen een bruine kleur boven komt, die nog niet zwart is, en het witte sterft.67De andere twee keken, en elk van beiden riep: „Wee mij, Agnel, hoe verandert gij! Zie dat ge reeds niet meer noch twee noch één zijt.”70Reeds waren de twee koppen er één geworden, wanneer de twee gezichten tot één voorkomen vermengd zich vertoonden, daar waar twee zoek geraakt waren.73Twee armen ontstonden er uit devier uitsteeksels;de heupen met de beenen, de buik en de borstkas werden ledematen, die nooit waren gezien.76Elk vroeger voorkomen was daar gebroken: twee en geen scheen de verkeerde gestaltenis, en zóódanig schreed zij weg met tragen tred.79Gelijk de hagedis, onder den grooten geesel der hondsdagen, van doornstruik verwisselend, eene fonkeling schijnt, wanneer zij den weg oversteekt:82zóó verscheen, komende naar de buiken der andere twee, een (in drift) ontstoken slang, loodkleurig en zwart als een peper-korrel.85En dat deel, van waar het eerst ons voedsel genomen is, doorboorde hij bijden éénevan hen; toen viel hij uitgestrekt voor hem neder.88De gebetene zag hem aan, maar zeide niets: maar stil op de voeten staande, geeuwde hij juist zoo alsof slaap of koorts hem besprongen had.91Hij keek de slang aan en de slang hem: de een door de wond, en de ander door den muil rookten sterk, en beide rooken ontmoetten elkander.94Laat Lucanus voortaan zwijgen, daar waar hij rept van den ellendigen Sabellus en Nassidius, en laat hem passen te hooren wat hier afgeschoten wordt.97Laat Ovidius zwijgen van Cadmus en Arethusa: want als die genen in een slang en deze in een bron al dichtende deed verkeeren, ik misgun het hem niet:100daar hij nooit twee naturen van aangezicht tot aangezicht aldus veranderde, dat beide de gestalten klaar stonden om van grondstof met elkander te ruilen.103Zij antwoordden elkander naar deze regelen: datde slang den staart tot eenen gaffel spleet, en de gebetene de voeten te samen drong.106De beenen en de heupen smolten zóó met elkander samen, dat binnen korte pooze de plaats der samenkomst geen teeken van bestaan meer vertoonde.109De gespleten staart nam den vorm aan, die dáár verloren werd, en zijn huid werd zacht, de gindsche hard.112Ik zag de armen naar binnen gaan door de oksels, en de twee pooten van het beest, die kort waren, zich zooveel verlengen als gene krompen.115Voorts werden de achterste poten, samengewrongen, tot dat lid, hetwelk de mensch verbergt, en de ellendige kreeg van het zijne twee uitgestrekte beenen.118En terwijl de rook den éénen en den anderen omhuift met nieuwe kleur en op den éénen haar doet groeien, en den anderen onthaart,121richtte de ééne zich op en de andere viel omlaag, maar daarom nog niet de wreede oogen afwendende, onder welke elk beiden van muil veranderde.124Diegene, die recht-op was, trok den muil naar de slapen, en van de al te vele matérie, die daarover kwam, gingen de ooren naar buiten uit de dwaze wangen.127Dat wat niet naar achter liep en bleef steken, van dat overschot maakte hij een neus voor zijn gezicht, en de lippen verdikte hij, zooveel het pas gaf.130Diegene, die lag, steekt den snuit vooruit en de ooren trekt hij over het hoofd terug, gelijk de slak het met zijne voelhorens doet:133en de tong, die hij éénig had en rad tot praten,splijt en de gevorkte gaat bij den ander dicht en de rook houdt op.136De ziel die beest geworden was, vluchtte sissende door de vallei, en de andere spuwt hem sprekende achterna.139Voorts keerde hij hem de nieuwe schouderbladen toe, en zeide tot den andere: „Ik wil dat Buoso, als ik gedaan heb, op handen en voeten langs dit pad loope.”142Zóó zag ik de zevendekiel-ladingzich veranderen en wederom herveranderen; en hier ontschuldige mij de nieuwheid, indien mijn pen een weinig afdwaalt.145En hoewel mijne oogen een weinig verduisterd waren, en mijn geest verbijsterd, toch konden genen niet zoo verholen aan mij ontsnappen,148dat ik Puccio Sciancato niet goed opmerkte: en hij was het die alleen van de drie gezellen, die eerst gekomen waren, niet veranderd was:151en de andere was die, welken gijGaville, beweent.

Vervolg van den achtsten ommegang.Voortgaande te zien in den Zevenden Buidel, zien zij Cacus den centaur en voorts vijf aanzienlijke Florentijnen, van welken vier wonderbaarlijke gedaante-verwisselingen ondergaan.

Vervolg van den achtsten ommegang.

Voortgaande te zien in den Zevenden Buidel, zien zij Cacus den centaur en voorts vijf aanzienlijke Florentijnen, van welken vier wonderbaarlijke gedaante-verwisselingen ondergaan.

1Aan het einde van zijne woorden stak de dief de beide handen op metschend-gebaren, schreeuwende: „Pak aan, God, want op U heb ik het gemunt.”

4Van nu aan werden de slangen mij lief, daar ééne zich om zijn hals krolde, alsof zij zeide: „Ik wil niet dat gij meer zegt!”

7en een andere (kronkelde) zich om zijne armen, en zich voor hem heen slaande hield hij hem zóózeer gehouden, dat hij met zijne armen geen slag kon geven.

10O Pistoia, Pistoia! waarom toch besluit gij niet om u zelve in de asch te leggen, zoodat gij niet langer bestaat, daar gij in kwaad-doenuwe afkomstovertreft.

13Door al de donkere cirkels van de Hel henen, zag ik nooit geest, zoo hoovaardig tegen God, zelfs niet dengene,die te Thebevan de muren viel.

16Hij ontvluchtte, zoodat hij geen woord meer sprak: en eenen Centaur zag ik vol van dolheid schreeuwende aankomen: „Waar is, waar is de bittere?”

19Maremmageloof ik niet dat zoovele adderen heeft, als hij er had boven op zijn kruis, tot daar waar onze gedaante begint.

22Boven op de schouderbladen, achter den nek, lag hem met geopende vlerken een draak, en die barnt al wie hem in den weg komt.

25Mijn meester zeide: „Dat is Cacus, die onder aan de rots van den Aventijnschen Berg dikwijls een bloedplas maakte.

28Niet gaat hijmet zijne broederenéénen weg, door het bedriegelijk dieven dat hij deed vande groote kudde, die hij in de buurt had:

31waardoor zijne slinksche streken ophielden onder de knots van Hercules, die er hem wellicht wel honderd slagen meê gaf, enhij voelde er geen tien van.”

34Terwijl hij alzoo sprak, zoo snelde gene verder; en drie geesten kwamenonder ons, welken noch ik noch mijn Gids opmerkten,

37tenzij toen zij schreeuwden: „Wie zijt gij?” waarom ons verhaal bleef stil staan, en letten wij enkel maar op hen.

40Ik kende ze niet, maar het geviel, gelijk het te gevallen pleegt door eenig geval, dat de ééne den andere moest noemen,

43zeggende: „Cianfa, waar is die gebleven?” waarom ik, opdat de Gids oplettend zou blijven stilstaan, mij den vinger op (den mond) legde van kin tot neus.

46Indien gij nu, lezer, traag zult zijn om te gelooven dat wat ik zeggen zal, dan zal dat geen wonder zijn, daar ik, die het zag, het me nauwelijks toegeef.

49Terwijl ik de wenkbrauwen naar hen opgericht hield, zie een slang met zes pooten wierp zich van voren op den ééne, en klampte zich gansch aan hem vast.

52Met de middelste pooten omwond hij hem gansch den buik, en met de voorste greep hij hem de armen; voorts sloeg hij hem de tanden in de ééne en de andere wang:

55de achterpooten strekte hij om zijn dijen, en hij stak hem den staart tusschen beiden door, en achter bij de lendenen strekte hij dien naar boven.

58Klimop was nooit zóó om boom tot een baard geworden, gelijk het gruwelijk beest door de leden, des anderen de zijne strengelde:

61voorts zij aan het samen-smelten, alsof zij van warm was waren geweest, en aan het mengen van hunne kleur; noch den één noch den ander kon men meer zien wie of het was:

64gelijk vóór het branden dóór het papier heen een bruine kleur boven komt, die nog niet zwart is, en het witte sterft.

67De andere twee keken, en elk van beiden riep: „Wee mij, Agnel, hoe verandert gij! Zie dat ge reeds niet meer noch twee noch één zijt.”

70Reeds waren de twee koppen er één geworden, wanneer de twee gezichten tot één voorkomen vermengd zich vertoonden, daar waar twee zoek geraakt waren.

73Twee armen ontstonden er uit devier uitsteeksels;de heupen met de beenen, de buik en de borstkas werden ledematen, die nooit waren gezien.

76Elk vroeger voorkomen was daar gebroken: twee en geen scheen de verkeerde gestaltenis, en zóódanig schreed zij weg met tragen tred.

79Gelijk de hagedis, onder den grooten geesel der hondsdagen, van doornstruik verwisselend, eene fonkeling schijnt, wanneer zij den weg oversteekt:

82zóó verscheen, komende naar de buiken der andere twee, een (in drift) ontstoken slang, loodkleurig en zwart als een peper-korrel.

85En dat deel, van waar het eerst ons voedsel genomen is, doorboorde hij bijden éénevan hen; toen viel hij uitgestrekt voor hem neder.

88De gebetene zag hem aan, maar zeide niets: maar stil op de voeten staande, geeuwde hij juist zoo alsof slaap of koorts hem besprongen had.

91Hij keek de slang aan en de slang hem: de een door de wond, en de ander door den muil rookten sterk, en beide rooken ontmoetten elkander.

94Laat Lucanus voortaan zwijgen, daar waar hij rept van den ellendigen Sabellus en Nassidius, en laat hem passen te hooren wat hier afgeschoten wordt.

97Laat Ovidius zwijgen van Cadmus en Arethusa: want als die genen in een slang en deze in een bron al dichtende deed verkeeren, ik misgun het hem niet:

100daar hij nooit twee naturen van aangezicht tot aangezicht aldus veranderde, dat beide de gestalten klaar stonden om van grondstof met elkander te ruilen.

103Zij antwoordden elkander naar deze regelen: datde slang den staart tot eenen gaffel spleet, en de gebetene de voeten te samen drong.

106De beenen en de heupen smolten zóó met elkander samen, dat binnen korte pooze de plaats der samenkomst geen teeken van bestaan meer vertoonde.

109De gespleten staart nam den vorm aan, die dáár verloren werd, en zijn huid werd zacht, de gindsche hard.

112Ik zag de armen naar binnen gaan door de oksels, en de twee pooten van het beest, die kort waren, zich zooveel verlengen als gene krompen.

115Voorts werden de achterste poten, samengewrongen, tot dat lid, hetwelk de mensch verbergt, en de ellendige kreeg van het zijne twee uitgestrekte beenen.

118En terwijl de rook den éénen en den anderen omhuift met nieuwe kleur en op den éénen haar doet groeien, en den anderen onthaart,

121richtte de ééne zich op en de andere viel omlaag, maar daarom nog niet de wreede oogen afwendende, onder welke elk beiden van muil veranderde.

124Diegene, die recht-op was, trok den muil naar de slapen, en van de al te vele matérie, die daarover kwam, gingen de ooren naar buiten uit de dwaze wangen.

127Dat wat niet naar achter liep en bleef steken, van dat overschot maakte hij een neus voor zijn gezicht, en de lippen verdikte hij, zooveel het pas gaf.

130Diegene, die lag, steekt den snuit vooruit en de ooren trekt hij over het hoofd terug, gelijk de slak het met zijne voelhorens doet:

133en de tong, die hij éénig had en rad tot praten,splijt en de gevorkte gaat bij den ander dicht en de rook houdt op.

136De ziel die beest geworden was, vluchtte sissende door de vallei, en de andere spuwt hem sprekende achterna.

139Voorts keerde hij hem de nieuwe schouderbladen toe, en zeide tot den andere: „Ik wil dat Buoso, als ik gedaan heb, op handen en voeten langs dit pad loope.”

142Zóó zag ik de zevendekiel-ladingzich veranderen en wederom herveranderen; en hier ontschuldige mij de nieuwheid, indien mijn pen een weinig afdwaalt.

145En hoewel mijne oogen een weinig verduisterd waren, en mijn geest verbijsterd, toch konden genen niet zoo verholen aan mij ontsnappen,

148dat ik Puccio Sciancato niet goed opmerkte: en hij was het die alleen van de drie gezellen, die eerst gekomen waren, niet veranderd was:

151en de andere was die, welken gijGaville, beweent.


Back to IndexNext